direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hennepstraat 6-7, Riethoven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens de bedrijfspercelen aan de Hennepstraat 6 en 7 in Riethoven te herontwikkelen. Hiertoe wordt de in de huidige situatie aanwezige bedrijfsbebouwing gesloopt.

Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw is bedoeld voor de vestiging van een bedrijf dat zich heeft ontwikkeld van plaatbewerkingsbedrijf tot totaalleverancier voor de hightech industrie, producent van:

- precisie plaatbewerking;

- fijnmechanische verspaning;

- oppervlakte nabehandeling.

De activiteiten betreffen meer specifiek: CNC-frezen en draaien, hydraulisch persen, buigen, zagen, assembleren en meten met een gekalibreerde 3D meetmacine, poedercoaten en overige bewerkingen van onderandere staal aluminium en kunsttof. Alle activiteiten vinden inpandig plaats.

Dit bedrijf is in de huidige situatie verspreid over meerdere locaties en in meerdere gebouwen gevestigd op het bedrijventerrein Mortakkers aan de Hennepstraat en de Vlasstraat in Riethoven.

Ook het perceel Vlasstraat 10 hangt samen met deze ontwikkeling in die zin dat het daar gevestigde bedrijfsonderdeel in de categorie metaalbewerking wordt verplaatst en de functieaanduiding 'metaalverwerkend bedrijf' daar komt te vervallen, zodat daar in de toekomst bedrijfsactiviteiten van lichtere milieucategorieën zijn toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0001.png"

Huidige situatie bedrijfslocaties

Initiatiefnemer is met de voorgenomen investeringen op de locatie Hennepstraat 6-7 voorbereid op de toekomst. De locatie Hennepstraat is al lang in eigendom. Verplaatsen van het bedrijf naar een andere locatie/andere gemeente zou ertoe leiden dat het bedrijf een grote verplaatsing door moet voeren en mogelijkerwijs ook medewerkers niet meer terug zal zien.

Door op de huidige locatie efficiënt te werken kan het personeelsbestand op nagenoeg dezelfde locatie blijven werken, blijft de werkgelegenheid in Bergeijk behouden en kan gebouwd worden aan een toekomstbestendig bedrijf.

Met dit plan wil het bedrijf een efficiëntieslag maken en haar productiefaciliteiten concentreren en op een logische wijze huisvesten. Onderhavige planlocatie leent zich daar bij uitstek voor.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0002.png"

Inrichting (plangebied rood omlijnd)

Het bouwplan past niet binnen de kaders van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om die reden is dit bestemmingsplan opgesteld onder de naam "Hennepstraat 6-7 en Vlasstraat 10, Riethoven ".

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied van het dit bestemmingsplan ligt in de kern Riethoven, ten noordoosten van het centrum. Het omvat de kadastrale percelen genummerd 2242, 2243, 2069 en 2431 (locatie Hennepstraat 6-7) en het kadastrale perceel genummerd 816 (locatie Vlasstraat 10).

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0003.png"

Kadastrale situatie plangebied locatie Hennepstraat 6-7

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0004.png"

Kadastrale situatie plangebied locatie Vlasstraat 10

Het plangebied grenst aan de Hennepstraat (ten westen en noorden), een bedrijfsperceel (ten oosten) en een aantal woonpercelen (ten zuiden). Ten noorden en noordoosten van het plangebied zijn ook nog bedrijven gelegen, tezamen met onderhavig plangebied vormen zij het 'Bedrijventerrein Mortakkers'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0005.png"

Ligging plangebied in de omgeving, kern Riethoven (plangebied aangeduid met rode 'druppel')

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Het bestemmingsplan "Hennepstraat 6-7 en Vlasstraat 10, Riethoven " vervangt deels het bestemmingsplan “Riethoven/Walik 2012”, vastgesteld door de raad op 31 mei 2012.

De benodigde afmetingen van de bebouwing en de milieucategorisering past niet (geheel) binnen de bouw- en gebruiksregels van het geldende bestemmingsplan. Dat bestemmingsplan biedt ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid om het plan te realiseren. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0006.png"

Uitsnede verbeelding 'Riethoven/Walik 2012', locatie Hennepstraat 6/7 (plangebied rood omlijnd)

Daarnaast is onderdeel van dit bestemmingsplan dat de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalverwerkend bedrijf' komt te vervallen ter plaatse van de locatie aan de Vlasstraat 10. Die gronden maken dan ook deel uit van het plangebied, met dien verstande dat daar verder geen sprake is van ontwikkelingen die in strijd zijn met het huidige bestemmingsplan. De hierna te behandelen milieuhygiënische en planologische aspecten spitsen zich verder geheel en uitsluitend toe op de locatie Hennepstraat 6 en 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0007.png"

Uitsnede verbeelding 'Riethoven/Walik 2012', locatie Vlasstraat 10 (plangebied rood omlijnd)

Tot slot worden de regels van het bestemmingsplan 'Hennepstraat 6-7 en Vlasstraat 10, Riethoven' voor zover van toepassing in overeenstemming gebracht met de regels van het 'Paraplubestemmingsplan parkeren Bergeijk 2018'.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit 6 hoofdstukken. Na de inleiding in hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied geduid. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante provinciaal, regionaal en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 worden de milieuhygiënische en planologische aspecten uiteengezet. De plansystematiek en de verschillende bestemmingen van het plan worden toegelicht in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Bestaande situatie

In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied aan de Hennepstraat 6-7 bedrijfsbebouwing aanwezig waarin meerdere bedrijven zijn gevestigd. Initiatiefnemer is hier reeds eigenaar van en ook al (deels) gevestigd. Daarnaast is initiatiefnemer in de huidige situatie ook deels gevestigd aan de Vlasstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0008.png"

Hennepstraat (geel) en Vlasstraat (blauw) bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0009.png"

Hennepstraat 6-7, bestaande situatie met aanduidingen bouwvlak (zwarte omlijning) en plangebied (gearceerd)

Het plangebied aan de Hennepstraat heeft een perceelsoppervlakte van in totaal circa 9.793 m2. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.500 m2 , waarbinnen het terrein voor maximaal 60% bebouwd mag worden (maximaal 5.100 m2).

Om het metaalbedrijf in de huidige situatie gevestigd aan de Hennepstraat 6, c.q. aan de Vlasstraat, positief te bestemmen, is op het betreffende percelen de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - metaalverwerkend bedrijf’ opgenomen. Op die percelen mag dus, naast de algemeen toegestane bedrijven in milieucategorieën 1 tot en met 3.1, ook een metaalverwerkend bedrijf in een hogere milieucategorie zijn gevestigd.

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer wenst een efficiëntieslag te maken en zijn bedrijf geheel te vestigen aan de Hennepstraat 6/7. Daartoe wordt de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0010.png"

3D-impressie vooraanzicht Hennepstraat (indicatief)

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0011.png"

3D-impressie in vogelvlucht vanuit zuidoosten (indicatief)

De nieuwbouw zal voorzien in efficiënt ruimtegebruik. Het nieuwe bedrijfsgebouw komt verder van de woningen te staan.

De kantoren zijn gepland aan de ontsluitingsweg tegenover de maatschappelijke voorzieningen. Het kantoorgedeelte zal met een setback worden gerealiseerd, zodat het bouwvolume aansluit op de omgeving. De straat krijgt daarmee een beter aanzien. De werkplaatsen zijn dadelijk midden op het terrein en aansluitend aan de rest van het bedrijventerrein gesitueerd.

Parkeren geschiedt aan de west/zuidwestzijde. Buiten bedrijfstijden - in de avond- en nachturen - zal een deel van de aan de openbare weg grenzende parkeerplaats toegankelijk zijn voor bezoekers van de nabijgelegen maatschappelijke voorzieningen (kerk, gemeenschapshuis).

Laden en lossen zal uitsluitend plaatsvinden aan de noordzijde van het pand, midden op het bedrijventerrein. Dit mag alleen binnen de dagperiode plaatsvinden. Vrachtwagens parkeren binnen deze strook naast de bedrijfsbebouwing. De lading wordt direct vanuit de bedrijfshal gelost of beladen via overheaddeuren. De lading heeft een breedte die door deuren past. Het gereed product staat op een pallet dat met korte bakwagens wordt opgehaald. Bij zijwaarts beladen geschiedt dit direct voor één van de overheaddeuren. Om de hele lengte van de vrachtwagen te kunnen beladen kan deze een stukje verder rijden over de laad- en losplaats. Het laden en lossen vindt daardoor altijd plaats binnen de daarvoor aangeduide strook. De aan- en afvoer van materialen vindt verder plaats met kleine vrachtwagens, meer in de categorie bestelbussen.

Er wordt een groene buffer aangelegd waarmee het aan zuid- en westzijde aanwezige groen zal worden versterkt, zodat het complex ook op die manier zal worden ingepast in de directe omgeving. Het waardevolle groen blijft in het straatbeeld een bijdrage leveren en zal dit tevens doen naar de geplande kantoren. Aan de zuidzijde zal het groen een buffer vormen tussen het bedrijfspand en de woningen. Aan de oostzijde zal ook een strook groen worden ingericht waarbinnen de waterbergingsopgave zal worden uitgewerkt in de vorm van een wadi.

Het bedrijf wordt verdeeld over twee logistiek verbonden zones van totaal circa 5.000 m2. De zwaarste activiteiten (van milieucategorie 3.2) vinden plaats binnen het noordoostelijke deel, gescheiden door een wand van het omringende deel. Het pand wordt nieuw opgetrokken en zal aan de straatzijde voor een sterke verbetering van de uitstraling zorgen.

De locatie aan de Vlasstraat 10 wordt gesaneerd in die zin dat daar in de toekomst alleen nog bedrijven met ten hoogste milieucategorie 3.1 zullen zijn toegestaan. Hiertoe dient de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalverwerkend bedrijf' te worden verwijderd, reden waarom deze locatie onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan.

Verder wordt ook daar de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt een nieuw bedrijfgebouw gerealiseerd. De nieuwbouw past binnen het huidig planologisch kader.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0012.png"

Locatie Vlasstraat 10, 3D-impressie nieuwe situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid.

Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio’s
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal.

De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.2.2 Ladder duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame

verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder

ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en

infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet

worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.

Uit jurisprudentie blijkt dat kleinschalige plannen niet als een 'nieuwe stedelijke

ontwikkeling' kunnen worden aangemerkt. Zo heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van

de Raad van State (AbRvS) aangegeven dat een ontwikkeling van 11 woningen en 16

parkeerplaatsen niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt (d.d. 16 september

2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 (gemeente Aa en Hunze)).

 

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de

voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke

ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.

Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.

Aangezien per saldo geen sprake is van een toename van bedrijfsvloeroppervlakte, maar van een herindeling (efficiënty slag), is onderhavige ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan een toets aan de ladder achterwege blijven.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Brabantse Omgevingsvisie

De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2024 wordt ingevoerd.

In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen?

De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

3.3.2 Interim omgevingsverordening

De Interim omgevingsverordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 25 oktober 2019 en vervangt de volgende provinciale verordeningen:

  • provinciale milieuverordening;
  • verordenring natuurbescherming;
  • verordening ontgrondingen;
  • verordening ruimte;
  • verordening water;
  • verordening wegen.

Om straks klaar te zijn als de Omgevingswet in werking treedt, heeft de provincie eerst een Interim omgevingsverordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving).

Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen.

In de Interim omgevingsverordening staan regels voor:

  • Burgers en bedrijven: dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo’n activiteit te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen voordat je mag beginnen.
  • Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.

Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven

Het gaat hier om regels die naast een eventuele vergunningplicht gelden. Er zijn in de Interim Omgevingsverordening voor de volgende thema's rechtsreekse regels opgenomen: grondwaterbescherming, grondwateronttrekking, bodemsanering, stortplaatsen, ontgrondingen, varend ontgassen, stiltegebied, wegen, natuur en landbouw. De meeste van deze regels waren eerst opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.

Binnen het plangebied zijn ingevolge het werkingsgebied 'Stedelijk gebied' relevante rechtstreekse regels van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0013.png"

Uitsnede kaart 3: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed

Voor stedelijke ontwikkeling zijn twee werkingsgebieden stedelijk gebied opgenomen:

  • stedelijk concentratiegebied
  • kernen in landelijk gebied

Onderhavig plangebied is gelegen binnen 'stedelijk gebied' en 'kernen in landelijk gebied'.

Hierbinnen kunnen stedelijke ontwikkelingen worden gerealiseerd, mits er sprake is van duurzame stedelijke ontwikkeling waarbij eerst mogelijkheden binnen stedelijk gebied worden benut of leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente.

Indien een kwalitatieve en kwantitatieve afweging ruimte biedt voor stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling in principe aanvaardbaar. Hierbij geldt dat er een relatie dient te worden gelegd met regionale afspraken.

De ontwikkeling van bedrijventerrein is belangrijk om ruimte te bieden aan bedrijven die vanwege hun bedrijfsvoering effect hebben op hun omgeving en daardoor overlast kunnen geven op hindergevoelige functies als wonen of zorgfuncties. Een bestemmingsplan moet inzicht bieden in de effecten op de omgeving maar zorgt ook dat een bedrijventerrein deze opvangfunctie blijvend kan vervullen.


Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het belangrijk dat een deel van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen en kantorenlocaties wordt gerealiseerd door verouderde locaties te herstructureren en de ruimte op bestaande locaties beter te benutten.

Voorbeelden van mogelijkheden om ruimte intensiever en meervoudig te gebruiken zijn bijvoorbeeld de aanleg van ondergrondse of inpandige parkeervoorzieningen, het meer in de hoogte bouwen, het terugdringen van restruimte en gezamenlijk parkmanagement.


Onderdeel van zorgvuldig ruimtegebruik betreft ook het opnemen van een bij het terrein passende kavelomvang: in geval van locaties in Landelijk gebied is het niet gewenst dat 1 of 2 bedrijven alle capaciteit opgebruiken. De bedrijventerreinen bij kernen in landelijk gebied zijn juist bedoeld voor de kleinere en middelzware bedrijven die bijdragen aan de vitaliteit van die kernen. Voor grote(re) bedrijven zijn ook in de landelijke regio’s regionale terreinen beschikbaar.


Het beperken van oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen door functies als wonen of detailhandel wordt beperkt. Vanuit provinciaal belang is het nodig dat er op de (middel) zware bedrijventerreinen ruimte is en blijft voor zwaardere bedrijvigheid met een zogenaamd NIMBY-profiel (Not In My Backyard), zoals afvalverwerkende bedrijven, mestbewerkingsinitiatieven en overige bedrijven die overlast naar hun omgeving (kunnen) geven. Door hindergevoelige functies verspreid op een terrein toe te laten, ontstaan er beperkingen voor die functies.


Het is belangrijk dat gemeenten passende kaders in het bestemmingsplan opnemen die zorgvuldig ruimtegebruik bevorderen.

Toetsing

Onderhavig plan ziet concreet op het herstructureren van een locatie, waarbij de ruimte beter wordt benut.

Verder is de oppervlakte gemaximaliseerd op 5.000 m2 en zullen de op eigen terrein te realiseren parkeerplaatsen mede worden gebruikt door de nabijgelegen maatschappelijke functies (kerk en gemeenschapshuis). Oneigenlijke functies als wonen en detailhandel zijn tot slot ter plaatse niet toegestaan.

Gelet op het voorgaande is sprake van duurzaam ruimtegebruik en is het planvoornemen in lijn met het Provinciaal beleid.

3.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant

De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt.

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Er is aansluiting gezocht bij de opbouw van de rijksregels. Diverse nadere regelingen zijn in de Omgevingsverordening verwerkt.
  • Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming zijn nieuwe regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Het voorstel is om daarvoor ook voorbeschermingsregels vast te stellen.
  • De aanwijzing van voor verzuring gevoelige kwetsbare gebieden (Wav-kaarten) is vervallen.
  • De rechtstreeks werkende regels voor de ontwikkeling van veehouderij en mestbewerking vervallen. Het voorstel is om die te vervangen door voorbeschermingsregels.
  • Er is een attentiezone geluid opgenomen langs provinciale wegen waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het oprichten van geluidgevoelige bebouwing.

In de omgevingsverordenig Noord-Brabant zijn geen wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de interim omgevingsverordening die relevant zijn voor onderhavig planvoornemen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Bergeijk

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Bergeijk voor het hele grondgebied van de gemeente een Omgevingsvisie vastgesteld . Met de Omgevingsvisie wordt de eenheid in het ruimtelijk beleid van de gemeente bevorderd. Het verschaft andere overheden, organisaties, instellingen, bedrijven en burgers inzicht in de gedragslijnen die van deze overheid kunnen worden verwacht. In individuele gevallen kan een omgevingsvisie ook dienen als ruimtelijke onderbouwing voor het volgen van een planologische procedure.

De Omgevingswet vraagt om gebiedsgericht handelen. Per Bergeijks deelgebied is aangegeven welke ambities de gemeente heeft en hoe de gemeente de ontwikkeling van de kern voor zich ziet. Per deelgebied is een kaart opgesteld waarin de huidige waarden gevisualiseerd zijn. Dit zijn de kaders voor toekomstige ontwikkelingen in dat gebied. De koers in combinatie met de waarden die zichtbaar zijn op de kaarten vormen samen het kader voor toekomstige ontwikkelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0014.png" Kaart deelgebied Riethoven, plangebied rood omcirkeld, aangeduid als 'Bedrijventerrein' (paars)

Ontwikkelingen in Riethoven zijn, na de grotere planmatige ontwikkelingen van Mortakkers en Galbergen in de afgelopen decennia, vooral gericht op inbreiding.

Ontwikkeling van bedrijventerreinen in Riethoven wordt in beginsel als een knelpunt gezien. Het huidige bedrijventerrein is vol, ligt volledig omsloten door woningen en heeft geen uitbreidingsruimte. De nabijheid van woningen maakt herstructurering logisch, maar dit is vooral afhankelijk van de ontwikkeling en wensen van de hier aanwezige bedrijven.

Mocht blijken dat een herstructurering richting woningbouw (op verzoek van bedrijven) aan de orde is, dan zal op dat moment worden bepaald of er behoefte is aan een nieuw bedrijventerrein in Riethoven. Ook hiervoor geldt dat uitbreiding in oostelijke richting het meest voor de hand ligt.

Toetsing planvoornemen

In de Omgevingsvisie wordt vastgesteld dat de plaatselijke bedrijven - waaronder dus het bedrijf waar dit plan op ziet - erg honkvast zijn en dat het belangrijk is om lokaal in uitbreidingsruimte te voorzien. Ook het creëren van schuifruimte door verplaatsingen van grote bedrijven kan ruimte vrijspelen voor lokale (kleine) bedrijvigheid.

Onderhavig plan ziet op een herindeling binnen het bedrijventerrein, omwille van een efficiënty slag van een daar al gevestigd bedrijf. Er is in zoverre dus geen sprake van herstructurering richting woningbouw, of koude uitbreiding van het bedrijventerrein.

Daarbij wordt de locatie aan de Vlasstraat 10 gesaneerd, in zoverre dat daar in de toekomst zich enkel nog bedrijvigheid in de lichtste categorieën zal vestigen. Hiermee wordt dus al één op één voldaan aan de Omgevingsvisie.

In de huidige situatie vinden dagelijks veel transportbewegingen plaats tussen de verschillende locaties en gebouwen. Dit is inefficiënt, niet duurzaam en geeft overlast.

Initiatiefnemer wil haar activiteiten concentreren aan de Hennepstraat. Binnen het gebouw kan men dan alle bewerkingen uitvoeren, met dien verstande dat alle activiteiten binnen plaatsvinden. Alleen de toevoer van materialen en afvoer van gerealiseerde producten is buiten te merken. Maar ook in beperkte mate, aangezien dit gebeurt met behulp van kleine (vracht -)wagens.

Met onderhavig plan wordt de werkgelegenheid in Riethoven behouden. Er is al sinds 25 jaar sprake van een goede verstandhouding met de omgeving. Dit wordt ook benoemd in de Omgevingsvisie. Er staat letterlijk: "In Riethoven wordt de bestaande situatie maatschappelijk geaccepteerd."

In de Omgevingsvisie wordt ook benoemd dat MKB belangrijk is en zorgt voor lokale werkgelegenheid en 'bindmiddel' in de kernen. Het behouden van die positie wordt als belangrijk aangemerkt. Er staat: "Onze bedrijven zijn honkvast en willen niet zomaar verplaatsen naar een ander dorp of zelfs buiten de gemeente. Anderzijds kan dit wel waardevolle schuifruimte opleveren waar kleinere bedrijven kunnen starten en doorgroeien."

Met de sanering van de locatie Vlasstraat 10 wordt ook hier aan tegemoet gekomen.

Duurzaamheidstechnisch is sprake van een hightech en innovatief bedrijf dat uitermate toekomstbestendig is en bijdraagt aan de versterking van de economische structuur van Bergeijk. In Bergeijk zijn een aantal grotere bedrijven gevestigd die toeleverancier zijn voor bijvoorbeeld ASML en DAF. De bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de dorpen.

Verder wordt een groene buffer aangelegd, wat ook in lijn is met de Omgevingsvisie waarin het behoud en de uitbreiding van het groenareaal in de dorpen voorop staat in de koers voor leefbare dorpen en in welk kader concreet wordt benoemd dat (onder meer) gedacht wordt aan meer groen op bedrijventerreinen.

De gemeente Bergeijk heeft verder een aantal randvoorwaarden gesteld.

Zo mag de oppervlakte van het bedrijfsperceel niet meer dan 5.000 m2 bedragen en zijn er maximale goot- en bouwhoogten afgesproken, zodat de stedenbouwkundige uitstraling naar de Hennepstraat en Molenstraat aansluit bij de omliggende bebouwing.

Dit is geborgd door de projectering van een strak op maat geprojecteerd bestemmingsvlak 'Bedrijf - Metaalverwerkend bedrijf' met een totale oppervlakte van 4.992 m2 dat de laad en loszone met een oppervlakte van 295 m2 en het bouwvlak met een oppervlakte van 4.697 m2 omvat.

De laad- en loszone is gefixeerd met een functieaanduiding en het gebruik daarvan wordt beperkt tot de dagperiode. Een deel van de parkeerplaatsen mogen buiten bedrijfstijden mede worden gebruikt door bezoekers van de nabijgelegen maatschappelijke bestemmingen (kerk en gemeenschapshuis). Ook dit is met een functieaanduiding geborgd. Dit zal uiteindelijk ook middels bebording worden geregeld.

De overige parkeerplaatsen mogen in verband met de geluidsuitstraling alleen gedurende de dagperiode worden gebruikt. Ook dit is in de planregels (functieaanduiding) geborgd en zal in het kader van de realisatie middels bebording worden geregeld.

De uitvoering van de zwaarste bedrijfsactiviteiten van de milieucategorie 3.2, bestaande uit plaatbewerking en verspaning, zal verder van de woningen worden gesitueerd. Daaromheen wordt een 'schil' ingericht waarbinnen de bedrijfsactiviteiten qua aard en invloed zullen moeten voldoen aan de milieucategorie 3.1.

Er vindt qua zwaarte van de bedrijfsactiviteiten dus een verschuiving plaats van de woningen af, zodat de aard en invloed van de werkzaamheden op de woningen zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie.

Dit is geborgd middels milieuzonering binnen het bestemmingsvlak. In het kader van de vergunningverlening zal moet worden aangetoond dat qua aard en invloed wordt voldaan aan die zonering, waarbij de geluidsuitstraling naar de woonomgeving op de grens van de inrichting zal moeten voldoen aan de norm van maximaal 50 dB(A).

Gelet op het feit dat in de vigerende planologische situatie sprake is van een bestemming waarbinnen het metaalverwerkend bedrijf van de milieurcategorie 3.2 onvoorwaardelijk en op kortere afstand van de omliggende woningen is toegestaan, zal per saldo dus sprake zijn van een herstructurering waarbij de huidige milieusituatie/geluidsuitstraling zal verbeteren.

Tot slot is als voorwaarde gesteld dat de bescherming va de binnen het plangebied aanwezige waardevolle bomen beschermd dienen te worden middels een aanlegvergunningenstelsel. Dit is geborgd middels een aanlegvergunningstelsel in de regels.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande is onderhavig planvoornemen in lijn met de gemeentelijke Omgevingsvisie.

3.4.2 Visie en programmering bedrijventerreinen De Kempen

De op 2 september 2021 vastgestelde Visie ziet op de wens van de Kempengemeenten om gedragen afspraken voor toekomstbestendige bedrijventerreinen te maken.


De bedrijventerreinen in De Kempen vervullen een belangrijke economische functie voor de regio en de gemeente Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-de Mierden. In totaal gaat het over twintig terreinen die samen in ruim 13.500 banen (37% van de totale werkgelegenheid binnen De Kempen) voorzien.

Toetsing

Verplaatsing, dan wel beëindiging van onderhavig bedrijf is hier niet aan de orde. Het gaat hier ook niet om uitbreiding, maar om herindeling, als gevolg waarvan het aantal vervoersbewegingen tussen de huidige versnipperde bedrijfsgebouwen zal ophouden en tevens schuifruimte wordt gecreëerd door de verplaatsingen van de locatie aan de Vlasstraat 10 waardoor ruimte wordt vrijgespeeld voor lokale (kleine) bedrijvigheid.

De sociaaleconomische rol en de belangrijke economische functie voor de gemeente Bergeijk geven hier dan de doorslag in en wegen zwaarder dan de potentie voor transformatie.

Ook draagt onderhavig plan - gelet op de duurzame invulling en de aard van de bedrijfsactiviteiten die een directe link heeft met de Brainport regio - bij aan de toekomstbestendigheid van de voorraad bedrijventerreinen.

Gelet op het voorgaande is het planvoornemen in lijn met voornoemde Visie.

Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

4.1 Bodem

4.1.1 Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

 

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.1.2 Bodemonderzoek (verkennend)

Initatiefnemer heeft een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 1 aan deze toelichting gehecht. Hierna volgt een samenvatting van de rapportage.

Algemeen

De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 5,50 m-mv overwegend uit matig fijn tot matig grof, zwak tot sterk siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn met name in de bovengrond lokaal bijmengingen (baksteen) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid.

Grond

In het grondmengmonster MM02 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. In het grondmengmonster MM03 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. In het grondmengmonster MM05 (bovengrond, baksteen) zijn analytisch licht verhoogde gehaltes aan minerale olie, PAK en zink aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. In de grondmengmonsters MM01 en MM04 (bovengrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden.

Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond indicatief als maximaal klasse 'Industrie' beschouwd worden.

In de grondmengmonsters MM06 en MM07 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden.

Grondwater

In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, cis + trans-1,2-dichlooretheen en zink aangetoond. In het grondwater uit peilbuis PB02 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden, doch niet de interventiewaarden.

Asbest in grond

In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen en/of bijmengingen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. De bijmengingen met baksteen worden niet als asbestverdacht beschouwd.

Toetsing hypothese

De hypothese ‘heterogeen diffuus verdacht’ dient op basis van de resultaten, licht verhoogde gehaltes in grond en grondwater, formeel gezien te worden aanvaard.

Nader bodemonderzoek

Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit

milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde.

4.1.3 Conclusie

Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.

Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men evenwel rekening te houden met de volgende zaken:

  • wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de bovengrond indicatief als zijnde maximaal klasse Industrie bestempeld. De ondergrond is indicatief bestempeld als klasse AW2000;
  • het grondwater is niet zondermeer te gebruiken voor irrigatie en/of consumptie (mens of dier);
  • het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Archeologie

Beleid

Ter plaatse van het gehele plangebied is ingevolge het geldende bestemmingsplan ‘Riethoven/Walik 2012’ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ geprojecteerd.

Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt dat archeologisch onderzoek aan de orde is, wanneer het planvoornemen ziet op het bouwen van bouwwerken met met een oppervlakte groter dan 250 m² en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld.

Ingevolge de gemeentelijke Archeologische verwachtingen- en beleidskaart 2015 zijn de gronden ter plaatse van de bebouwing met adres Hennepstraat 6 aangeduid als 'verstoord'. De rest van het plangebied valt binnen de aanduiding 'Historische kern'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0015.png"

Uitsnede gemeentelijke Archeologische verwachtingen- en beleidskaart 2015

Bebouwing Hennepstraat 6: verwachting verstoord.

Toetsing

Betreffende dubbelbestemming is overgenomen in onderhavig plan. De uitvoering van het benodigde onderzoek zal gelijktijdig met de sloop van de bestaande bebouwing worden uitgevoerd.

4.2.2 Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

Zowel op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, als op de Interactieve erfgoedkaart van diverse gemeenten in Zuidoost-Brabant (waaronder Bergeijk) is binnen, noch in de directe nabijheid van het plangebied sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren.

4.2.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3 Water

4.3.1 Algemeen

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld,

mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met

de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Hiervoor is navolgende watertoets opgesteld.

4.3.2 Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

Nationaal Waterprogramma 2022-2027

De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

4.3.3 Provinciaal beleid

Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027

Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden). In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.

Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma Duurzaam Door. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

4.3.4 Beleid Waterschap De Dommel

In Europa wordt de Europese regelgeving van de Kader Richtlijn Water (KRW) gehanteerd.

Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 alle maatregelen zijn uitgevoerd om het water

in Europa schoon en gezond te krijgen en te houden. De KRW heeft drie planperiodes: 2009-2015, 2016-2021 en 2022-2027. Deze richtlijn vertaalt zich naar Nederland in beleidsplannen op drie niveaus: het Nationaal Water Programma op rijksniveau, de Regionale Water Programma’s op provinciaal niveau en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. De richtlijn vanuit Europa en de beleidsplannen van het Rijk en de provincie NoordBrabant geven de kaders voor het Waterbeheerprogramma van De Dommel. De keuzes in dit WBP zijn in lijn met die kaders.

Met ingang van 1 januari 2022 is het Waterbeheerplan 2022-2027 ‘Water als basis voor een

toekomstbestendige leefomgeving’ in werking getreden. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2022-2027. In dit waterbeheerplan is een indeling gemaakt in de volgende thema’s:

1. Droge Voeten

2. Schoon Water

3. Voldoende Water

Streven is om uiterlijk in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te hebben. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge

zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

In het waterbeheersplan is de route naar 2050 beschreven.

Aansluitend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

De huidige Brabant Keur is per 1 april 2021 in werking getreden.

Ter plaatse van het plangebied zijn geen speciale waterschapsbelangen in het geding.

In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag

door toename van de verharde oppervlakte of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

Dit verbod is van toepassing tenzij:

  • Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
  • de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of;
  • de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak;
  • de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoelig-heidsfactor x 0,06.

Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden.

Voor nieuwbouw geldt dat het 'schone' regenwater van het 'vuile' huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Voor behandeling van dit water geldt de trits hergebruik-vasthouden-afvoeren, nader gespecificeerd in een vijftal opties, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:

  • 1. hergebruik;
  • 2. vasthouden / infiltreren;
  • 3. bergen;
  • 4. afvoeren naar oppervlaktewater;
  • 5. afvoeren naar de riolering.

  • De initiatiefnemer dient deze opties te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang.
  • Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater.
  • Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Keur van het Waterschap; art. 15 van de Algemene regels, resp. art. 13 van de Beleidsregels.
  • In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en/of bergingsvoorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk gemaakt te worden dat door de nieuwe ontwikkeling er geen problemen elders worden veroorzaakt.
  • Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3. zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).
4.3.5 Beleid gemeente Bergeijk

Het waterbeleid van de gemeente Bergeijk is vervat in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2020-2024, waarin geconstateerd wordt dat Bergeijk al een flinke stap heeft gezet in het beperken van de kans op wateroverlast.

Door klimaatverandering ontstaat echter een nieuwe opgave: Buien worden extremer en

de frequentie waarmee zware buien optreden neemt toe. Om op de toekomst voorbereid

te zijn en een goed woon- en vestigingsklimaat te behouden zijn nieuwe investeringen nodig. Extra en grote hoeveelheden regenwater moeten worden verwerkt om waterschade te voorkomen. Het ondergronds afvoeren van deze extremen is kostbaar, maar bovengrondse oplossingen voor berging vergen ruimte en zijn daardoor sterk afhankelijk van andere claims op de bovengrond.

Afvoer hemelwater

Voor een toekomstbestendig (her)inrichting wil de gemeente meldings- en vergunningplichtige ingrepen benutten om een versnelde afvoer van neerslag te compenseren door waterberging. Hierbij wordt een koers aangehouden, waarin het beleid van de gemeente het beleid van het waterschap aanvult. Het gaat hierbij om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij het verhard oppervlak toeneemt of opnieuw wordt aangelegd (oppakken verharding).

In de nieuwe koers worden voor beide type ontwikkelingen eisen aan de verwerking van hemelwater op eigen terrein gesteld:

  • Bij ontwikkelingen (toename of sloop/herbouw/opnieuw aanleggen) >50 m² waarbij op een gemeentelijke voorziening wordt geloosd is het gemeentelijk hemelwaterbeleid van toepassing;
  • Voor ontwikkelingen die direct op oppervlaktewater in beheer van het waterschap lozen is het beleid van Waterschap De Dommel van toepassing. Dit betekent dat bij een toename >500 m² aan de bergingsopgave zoals beschreven in de Keur moet worden voldaan.

Hierbij wordt onderscheid naar de volgende situaties:

  • nieuwbouw (het bebouwen van nog onbebouwd gebied);
  • herstructurering (een ingreep in de bebouwde omgeving met nieuwbouw na sloop of hergebruik na renovatie);
  • herinrichting (het vernieuwen van de openbare ruimte in multidisciplinaire rioolvervangingsprojecten, waarbij de werkzaamheden alleen plaatsvinden in de openbare ruimte en niet/minimaal op particulier terrein en het verhard oppervlak niet toeneemt);
  • vernieuwing (het technisch in stand houden door vernieuwing (monodisciplinair project).

Bij deze situaties varieert de vrijheid om de benodigde voorzieningen aan te leggen en het stedelijk watersysteem te verbeteren van maximaal (nieuwbouw) naar minimaal (vernieuwing).

In voorliggend plan is sprake van vervangene nieuwbouw.

Voor nieuwbouw verplicht de gemeente de aanleg van 60 mm hemelwaterberging op eigen terrein. Alleen als dit aantoonbaar niet doelmatig/haalbaar is, of transport naar een opvanglocatie buiten het plangebied doelmatiger is, dan is verwerking buiten het plangebied toegestaan.

Afvoer afvalwater

De gemeente wil bewust omgaan met afvalwater. Dit zit namelijk vol schaarse en waardevolle grondstoffen. Naast de grondstof voor het opwekken van energie, bevat het afvalwater bijvoorbeeld fosfaat, stikstof, kalium en bouwstenen voor bio-plastics. De gemeente is voorstander van hergebruik van energie en grondstoffen door deze weer uit het afvalwater te halen. Hoe minder het afvalwater wordt verdund met grond- en regenwater en gelijkmatiger we het afvalwater als gemeente aanleveren des te (kosten)efficiënter kan dit plaatsvinden. Door schoon en vuil water te scheiden wil de gemeente hier doelmatig aan bijdragen.

4.3.6 Toetsing

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel, behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie per ontwikkelscenario berekend worden. Voor ontwikkelingen waarvan de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m2 bedraagt, is compenserende waterberging vereist.

Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het VGRP, is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. Hierbij geldt een bergingseis van 60 mm. Deze bergingseis stemt overeen met de bergingseis op basis van de Keur van het Waterschap De Dommel.

Anders dan het Waterschap hanteert de gemeente het beleidsuitgangspunt dat ook vervangende nieuwbouw wordt gezien als nieuw verhard oppervlak. Voor een toename van het verhard oppervlak kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3).

De kaart ‘Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015’ geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. Ten aanzien van de onderhavige locatie is op basis van de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie sprake van een gevoeligheidsfactor met een nominale waarde van 1. Ten aanzien van de onderhavige locatie is op basis van de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie sprake van een gevoeligheidsfactor met een nominale waarde van 1. De rekenregel luidt dus als volgt: ‘Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)’.

De verhardingstoename door de vervangende nieuwbouw bedraagt 7.815 m2, bestaande uit 2.823 m2 erfverharding/parkeerplaatsen en 4.992 m2 bebouwing/dakoppervlak.

Dit betekent dat volgens het gemeentelijk beleid moet worden voorzien in een totale waterberging op eigen terrein van (1 x 0,06 x 7.815 =) 469 m3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0016.png"

Situatieschets waterberging oostzijde pand (geel omlijnd, ter hoogte van rode pijl)

Het gedeelte van het plangebied dat groen zal worden ingericht beslaat in totaal een oppervlakte van 1.979 m2.

Aan de oostzijde van het pand zal een grote strook groen worden ingericht. In deze groenstrook wordt vervolgens een zone met een oppervlakte van 531 m2 ingericht als een wadi met een diepte van 1 meter (zijkanten onder 45 graden). Een alternatieve invulling van die locatie is het toepassen van infiltratiekratten op 1 meter diepte, afgedekt met teelaarde en graszoden.

Een aansluiting van het hemelwater op de openbare riolering is niet toegestaan. In uitvoering kan wel overwogen worden het hemelwater door een IT-riool te laten weglopen, zodat de opvang in omvang eventueel nog iets gereduceerd kan worden. Ook het uitvoeren van de parkeerplaatsen in halfverharding is een idee dat wordt overwogen.

In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee het aanbrengen van voldoende waterberging en de instandhouding ervan geborgd is.

Waterkwaliteit

Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen gebruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Het vuilwater zal aangesloten worden op het gemeentelijk rioolstelsel. Voor het hemelwater zal, indien noodzakelijk, een overloopconstructie worden ingericht die bovengronds afvloeit naar openbaar gebied en het gemeentelijk riool, zodat bij een groot hemelwateraanbod het perceel niet overstroomt. Verdere aanvullende voorzieningen hoeven niet getroffen te worden.

4.3.7 Conclusie

In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding

inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd

kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding

zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water.

4.4 Geluid

4.4.1 Normstelling

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken.


De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen.

4.4.2 Onderzoek

Initiatiefnemer heeft onderzoek laten uitvoeren, in welk kader de geluidemissie ten gevolge van de activiteiten van de beoogde bedrijfssituatie, het berekenen van de optredende geluidniveaus in de omgeving en deze geluidniveaus (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en maximale geluidniveaus (LAmax)) te toetsen aan de wettelijke grenswaarden.

Daarnaast is in het kader van ruimtelijke ordening getoetst aan de milieucategorieën in de

beoogde planologische situatie (hiervoor wordt verwezen naar de brief van

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant d.d. 15-07-2022, registratienummer: Z.252930 /

D.939142). Hiertoe is aangesloten bij de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'.

Conform voornoemde brief van de omgevingsdienst is in de omgeving sprake van 'gemengd gebied'. Derhalve zal getoetst worden aan de richtwaarde voor geluid van 50 dB(A) op de richtafstand van 50 meter voor het deel met milieucategorie 3.1 en 100 meter voor het deel met milieucategorie 3.2.

Tot slot is tevens de geluidemissie en de dientengevolge optredende geluidniveaus

vanwege personenwagens op het te realiseren openbare parkeerterrein bepaald en

beoordeeld in het kader van het akoestisch woon- en leefklimaat.

De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 2 aan deze toelichting gehecht.

Uit het onderzoek volgt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (L Ar,LT) ten gevolge van het bedrjf van initiatiefnemer ten hoogste 50, 41 en 34dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit van 50, 45 en 40 dB(A) geldend voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Het hoogst berekende maximale geluidniveau (LAmax) ten gevolge van de afblaas van de compressor bedraagt 64 dB(A). Hiermee wordt de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit voor het maximale geluidniveau voor de nachtperiode van 60 dB(A) overschreden. In de dag- en avondperiode wordt wel voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden voor maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit van respectievelijk 70 en 65 dB(A).

Teneinde te voldoen aan de geluidgrenswaarde voor de nachtperiode dient in het kader van de vergunningverlening in het milieuspoor een inpandige compressor worden voorgeschreven.

In het kader van ruimtelijke ordening zijn alle optredende maximale geluidniveaus berekend en beoordeeld. Tevens is getoetst aan de beoogde planologische situatie met een gedeelte van de inrichting gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 en een gedeelte milieucategorie 3.2. De 50 dB(A)-etmaalwaarde contour is gelegen binnen de richtafstanden voor beide milieucategorieën (50, respectievelijk 100 meter). Hiermee wordt voldaan aan de streefwaarde voor geluid op de richtafstanden conform de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. Er wordt geconcludeerd dat sprake zal zijn van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.

Tevens zijn, in het kader van het akoestisch woon- en leefklimaat, de maximale geluidniveaus berekend ten gevolge van laden en lossen, dichtslaan van autoportieren op het (openbare) parkeerterrein en het optrekken op de hellingbaan berekend. Het hoogst berekende maximale geluidniveau ten gevolge van laden en lossen in de dagperiode bedraagt 76 dB(A). Het hoogst berekende maximale geluidniveau ten gevolge van het dichtslaan van autoportieren bedraagt 65, 60 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode.

De maximale geluidniveaus ten gevolge van laden en lossen komen uitsluitend en beperkt voor in de dagperiode. De maximale geluidniveaus ten gevolge van het dichtslaan van autoportieren op het openbare buitenterrein voldoen aan de standaard grenswaarden conform het Activiteitenbesluit.

4.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor

de beoogde ontwikkeling.

4.5 Trilling

4.5.1 Normstelling

In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is.

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling.

4.5.2 Onderzoek

In opdracht van initiatiefnemer is een onderzoek naar trilling tengevolge van de voorgenomen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 3 aan deze toelichting gehecht.

De trillingsnelheden ten gevolge van de machinerie ter plaatse van de nabijgelegen

woningen is getoetst aan de streefwaarden uit de Richtlijn B 'Hinder voor

personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn', augustus 2002

van de Stichting Bouwresearch (SBR Richtlijn B). Conform SBR Richtlijn B worden voor bestaande situaties en bij herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd, waarvan in deze situatie sprake is, streefwaarden voor de dag-, avond en nachtperiode gehanteerd.

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de meest maatgevende woning - gelegen op een afstand van 44 meter - wordt voldaan aan de streefwaarde uit de SBR richtlijn B voor de gebouwfunctie wonen in een nieuwe situatie bij herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd. De A1 grenswaarde van 0,1 voor Vmax wordt overschreden. Er wordt voldaan aan de A2 grenswaarde voor Vmax en de A3 grenswaarde voor Vper.

Er wordt opgemerkt dat de berekende trillingniveaus bij de woningen op het maaiveld optreden, terwijl de streefwaarden uit de SBR van toepassing zijn op trillingniveaus in gebouwen.

Om de trillingniveaus in de woningen te kunnen bepalen dient de overdracht van maaiveld naar de woningvloeren te worden voorspeld. Echter, uit de prognoseberekeningen van de trillingen in de bodem ter plaatse van de woningen blijkt dat al wordt voldaan aan de streefwaarden. Derhalve zullen de trillingniveaus in de vloeren van de woningen naar verwachting ook voldoen aan de streefwaarden.

Daarnaast wordt verwacht dat in de beoogde situatie door de dikkere vloerconstructie en

rekening houdend met het dempende effect van de overgang bodem-vloerconstructie van

de woningen er tevens aan de streefwaarde A1 uit de SBR-Richtlijn zal worden voldaan.

4.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect trillingen er in de beoogde situatie aan alle streefwaarden uit de SBR-Richtlijn zal worden voldaan en derhalve sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.6 Geur

4.6.1 Toetsingskader

Bij ruimtelijke besluitvorming gaat het erom voor geurhinder van industriële bedrijven aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • 1. het kunnen garanderen van een aanvaardbaar hinderniveau van geurhinder;
  • 2. het niet onevenredig schaden van iemands belangen.

Hiervoor is het nodig om voldoende afstand aan te houden tussen bedrijven en geurgevoelige objecten, zijnde gebouwen bestemd en geschikt voor het verblijf van mensen, zoals woningen, kantoren en scholen.

Voor de beoordeling van geurhinder van industriële bedrijven gelden de volgende kaders:

- Activiteitenbesluit milieubeheer;

- Handleiding geur van Infomil;

- Beleidsregel industriële geur Bergeijk 2021, vastgesteld op 14 april 2021.

4.6.2 Onderzoek

In opdracht van initiatiefnemer is een onderzoek naar geur tengevolge van de voorgenomen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 4 aan deze toelichting gehecht.

Uit het onderzoek volgt dat de geuremissie ten gevolge van het planvoornemen zeer beperkt is.

De geurimmissie is daarmee 0,001 ouE(H)/m3 als 98-percentiel en ten hoogste

0,010 ouE(H)/m3 als 99,99-percentiel bedraagt ter hoogte van de toetspunten.

Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden voor wonen.

4.6.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit

4.7.1 Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

4.7.2 Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

  • woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en
  • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.7.3 Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld. Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.7.4 Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.7.5 Planbeschrijving en toetsing

Het plan omvat de realisatie van 5.490 m2 b.v.o. bedrijfsruimte inclusief ondersteunende kantoorruimte, hetgeen past binnen de getalsmatige begrenzing voor “niet in betekende mate” projecten.

Aangezien het plan niet meer dan 100.000 kantoorruimte omvat, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een “in betekende mate“ project zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Er is ook geen sprake van een 'gevoelige bestemming' in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIML). Met behulp van het CIML kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer.


Uit het CIML volgt dat de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 rondom het plangebied (ter plaatse van de N69 ten oosten van het plangebied en de Provincialeweg ten zuiden van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden.


Uit het CIML blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat.


Gelet op het voorgaand kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.8 Natuur

Per 1 januari 2017 zijn de Wet natuurbescherming, het bijbehorende Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming in werking getreden.

Het is de bedoeling dat deze wetgeving uiteindelijk opgaat in de nieuwe Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt.

4.8.1 Wet natuurbescherming (Wnb)

De Wnb beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders.

 

De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. De provincies zijn in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid.

Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

4.8.2 Algemene zorgplicht

Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.

4.8.3 Het plangebied

Onderhavig planvoornemen zou kunnen leiden tot effecten op beschermde gebieden, planten en dieren. Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeerde diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gelet op het voorgaande is een zogenoemde Quickscan flora & fauna uitgevoerd in welk kader het plangebied is getoetst aan de regels betreffende gebieds- en soortenbescherming. De rapportate van deze quickscan is als Bijlage 5 aan deze toelichting gehecht.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland

Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand van 2,3 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux) zijn negatieve effecten ten gevolge van verstoringsfactoren als geluid, licht en optische verstoring uitgesloten.

Er vallen geen effecten te verwachten op het dichtstbijzijnde, op circa 320 meter afstand gelegen NNN-gebied. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0017.png"

Natura 2000 en NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied (Bron: TAUW)

Provinciale beschermingsregimes

In de provincie Noord-Brabant zijn naast het NNN ook gebieden aangeduid en beschermd als Natte Natuurparels (dichtstbijzijnde gebied op 1,8 kilometer), Attentiezone waterhuishouding (op 330 meter), Werkingsgebied 'behoud en herstel van watersystemen' en de Groenblauwe mantel (op 650 meter). Het plangebied maakt geen deel uit van deze gebieden en er geldt hiervoor ook geen toetsplicht op externe effecten. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde.

Stikstofdepositie

P.M. rapportage stikstofdepositie-onderzoek
In de rapportage zijn de te verwachten effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart gebracht.


Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de beoogde aanlegfase en gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.


Middels gebruikmaking van intern salderen blijft de stikstofdepositie in de beoogde situatie binnen het emissieplafond van de referentiesituatie (het verschil is 0,00 mol/ha/jr). Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden.


Conform de "Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is een passende beoordeling dan ook niet aan de orde.

Soortenbescherming

Onder de soortenbescherming zijn diverse planten- en diersoorten specifiek beschermd en voor alle soorten geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied zijn de eventuele effecten op beschermde soorten getoetst.

Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op broedvogels worden voorkomen, zodat nader onderzoek niet benodigd is.

Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Het advies om de werkzaamheden (zoveel mogelijk) uit te voeren buiten deze periode zal worden opgevolgd.

Verder zal ook buiten deze periode voorafgaand aan de werkzaamheden contact worden opgenomen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone.

De beoogde ontwikkeling heeft verder mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk vleermuizen, marterachtigen en eekhoorns.

Voor deze soorten is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soort specifieke protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn.

In het kader van de uitvoerbaarheid heeft initiatiefnemer het plangebied in oktober 2023 nader laten inspecteren door een ter zake deskundige (ecoloog). De rapportage van deze nadere inspectie is als Bijlage 7 aan deze toelichting gehecht. Hierna volgt een uiteenzetting van de conclusie van dit onderzoek.

Waarnemingen en te verwachten soorten

Er is géén beschermde flora waargenomen en deze valt niet te verwachten. De bestaande constructies zijn nauwkeurig bekeken op het voorkomen van fauna. Tijdens de interne inspectie is in het bijzonder gelet op het voorkomen van sporen van vleermuizen, steenmarter (en bunzing) en eekhoorn. Deze zijn niet aangetroffen. Andere marterachtigen worden hier niet verwacht.


Tijdens de uitgevoerde vleermuisronde zijn enkele individuele gewone dwergvleermuizen voorbijgaand waargenomen. Uit de gebouwen zijn géén uitvliegende individuen waargenomen noch is baltstroep waargenomen.


De gebouwen bestaan grotendeels uit enkelwandig plaatstaal en lage muren welke als fundament voor de stalen wanden fungeren. Daar waar hoge muren aanwezig zijn ontbreekt de toegang doordat er géén open stoorvoegen of andere doorgangen aanwezig zijn ofwel dat de aanwezige open stoorvoegen dicht zitten met cement of ander materiaal. Hierdoor zijn de panden c.q. loodsen ongeschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarbij is geconstateerd dat de bedrijvigheid zeer intensief is. De gebouwen c.q. loodsen zijn hierdoor tevens ongeschikt voor marters.


Ter volledigheid is het terrein een tweetal weken middels wildcamera’s gemonitord op het voorkomen van fauna op het terrein. Enerzijds gericht op marters en anderzijds gericht op het opbouwen van een algemeen beeld met betrekking tot het voorkomen van algemene soorten teneinde de benodigde zorgplicht welke vooraf gaat aa n de aan de sloop te kunnen vaststellen zoals het veilig stellen van op het terrein voorkomende egels. Uit dit camera onderzoek is gebleken is dat er ten minste drie verschillende huiskatten en egel gebruik maken van het terrein. Daarnaast dat enkele algemene soorten zoals koolmees en merel gebruik maken van het terrein.


In de aanwezige bomen zijn géén eekhoornnesten aangetroffen. Gebaseerd op de tijdens de inspectie opgedane indrukken wordt een verdere voortzetting van soortgerichte onderzoek niet zinvol geacht. Wel dient vanuit de algemene zorgplicht aandacht besteed te worden aan op het erf aanwezige dieren, zoals egel.


Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de aanwezigheid van de vermeende soorten op basis van deze terreinanalyse (dit onderzoek is eigenlijk een uitgebreide QuickScan F&F) onwaarschijnlijk is. Eerder voorgesteld soortspecifiek onderzoek is op basis van deze meer gedetailleerde inzichten dan ook niet zinvol.

Maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wet Natuurbescherming

Gelet op het feit dat alle broedende inheemse vogels en hun nesten wettelijk beschermd zijn is het van belang tijdens de broedperiode geen werkzaamheden uit te voeren (ook niet in de vestigingsfase) die leiden tot verstoring van het broedgedrag van betreffende vogelsoort(en). Op de erfgrens in de zuidoosthoek van het perceel is een houtduivennest aangetroffen. Indien tijdens de sloop genesteld wordt dient dit nest op voldoende afstand afgeschermd te worden, dan wel dient hier in overleg met een ecoloog passende maatregel getroffen te worden, bijvoorbeeld slopen voor of na de broedperiode (grofweg 15 maart – 15 augustus).

Indien er genesteld wordt buiten het onderzoeksgebied maar in de directe omgeving c.q. invloedsfeer van de te ontplooien activiteiten is het raadzaam om, bijvoorbeeld middels een scherm, het broedgeval af te schermen.

Indien dieren niet zelfstandig het werkterrein kunnen verlaten dienen deze zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten de ingreep. Gelet op de aanwezigheid van egels dient bij het opruimen van het terrein zodanig rekening gehouden te worden met deze aanwezigheid dat de dieren tijdig een veilig heenkomen kunnen vinden.

Afhankelijk van de beoogde periode van sloop dient hier op geanticipeerd te worden. Hierbij kan gedacht te worden aan het afsluiten van te verwijderen holten en ter compensatie plaatsen van enkele wintergeschikte egelverblijven.

Houtopstanden

Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden.

Binnen het plangebied bevinden zich een zestal waardevolle bomen. Deze blijven allen gehandhaafd en de bescherming en instandhouding van hiervan is nader geborgd met een aan een gebiedsaanduiding gekoppeld aanlegvergunningenstelsel (artikel 11.1).

4.8.4 Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect ecologie geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Risico is de kans dat een potentieel gevaar resulteert in een daadwerkelijk incident en de ernst van het letsel of de schade die dit tot gevolg heeft. Het is daarbij gedefinieerd als 'de kans op overlijden' voor personen.

De aanwezige risico's kunnen ingedeeld worden naar brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (Basisnet: spoor, weg en water) en kabels en (buis)leidingen.

Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:

  • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);
  • het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen);
  • het gebruik van luchthavens.

Dat gebeurt o.a. door te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.

De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen.

4.9.1 Het plangebied

Voor de ontwikkeling van het plangebied moet worden vastgesteld of het is gelegen binnen de veiligheidscontour van inrichtingen, wegen, buisleidingen en vaarwegen. De inrichtingen zijn weergegeven op de (provinciale) Risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPRhps3026-VAST_0018.png"

Uitsnede Risicokaart, www.atlasleefomgeving.nl

Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van een risicobron, zodat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor dit plnvoornemen.

4.10 Bedrijven en milieuzonering

4.10.1 VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering'

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het

aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. Het uitgangspunt

van de VNG-handreiking is gemotiveerd toepassen, in plaats van gemotiveerd afwijken.

De indicatieve afstanden uit de VNG-handreiking geven een goede indicatie van de aan

te houden afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De (milieu-)

wetgeving blijft echter leidend.

Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNGhandreiking ingedeeld in milieucategorieën. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf, c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand.

  • categorie 1: grootste afstand 10 meter;
  • categorie 2: grootste afstand 30 meter;
  • categorie 3.1: grootste afstand 50 meter;
  • categorie 3.2: grootste afstand 100 meter;
  • categorie 4.1: grootste afstand 200 meter;
  • categorie 4.2: grootste afstand 300 meter;
  • categorie 5.1: grootste afstand 500 meter;
  • categorie 5.2: grootste afstand 700 meter;
  • categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter;
  • categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

Ingevolge het vigerende bestemmingsplan geldt voor het bedrijventerrein Mortakkers al dat zwaardere bedrijvigheid mogelijk is. Ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf - 2’ zijn bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3.1 toegestaan.

Ter plaatse van Hennepstraat 6 en Vlasstraat 10 is de specifieke functieaanduiding 'metaalverwerkend bedrijf' geprojecteerd, zodat tevens een dergelijk bedrijf behorend tot de milieucategorie 3.2 is toegestaan.

4.10.2 Toetsing planvoornemen

Onderhavig planvoornemen ziet op de vestiging van het metaalbewerkend bedrijf van initiatiefnemer op Hennepstraat 6/7 en gelijktijdig de planologische sanering van het metaalbewerkend bedrijf (functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - metaalverwerkend bedrijf’) aan de Vlasstraat 10.

De activiteiten van het bedrijf kunnen onder de VNG-handreiking het best gecategoriseerd worden als 'Overige metaalbewerkende industrie', waar ingevolge de VNG-handreiking in beginsel de milieucategorie 3.2 aan verbonden is. Het maatgevende aspect is hier geluid.

Er is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, waarvan de rapportage als Bijlage 2 aan deze toelichting is gehecht. De insteek is dat in de nieuwe planologische situatie de omliggene woonomgeving beter tegen de milieubelasting vanwege de bedrijfsactiviteiten wordt beschermd.

In kwestie kan uitgegaan worden van 'gemengd gebied'. Hiervoor geldt conform de VNG handreiking een streefwaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde.

In de beoogde planologische situatie wordt een gedeelte van het bedrijf gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 en een gedeelte als milieucategorie 3.2. Gelet hierop worden

de bedrijfsactiviteiten ook opgedeeld in twee delen. Aangezien de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied', moet worden aan de richtwaarde voor geluid van 50 dB(A) op de richtafstand van 50 meter voor het deel met milieucategorie 3.1 en 100 meter voor het deel met milieucategorie 3.2.

Aangezien er sprake is van twee verschillende milieucategorieën op de inrichting, zijn de akoestische bronnen verdeeld en is de berekende geluidsbelasting per segment separaat getoetst aan de streefwaarde voor de betreffende milieucategorieën. Te weten: milieucategorie 3.2 ter plaatse van de productiehal op de begane grond en milieucategorie 3.1 ter plaatse van het bouwkundig gescheiden zuidelijk deel van de hal, waarbinnen uitsluitend opslag van goederen plaatsvindt.

Uit de berekeningen blijkt dat de 50 dB(A)-etmaalwaardecontour voldoet aan de richtafstanden voor beide milieucategorieën.

De conclusie van voornoemd onderzoek luidt dat ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Gelet op het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuhinder dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.11 Kabels en leidingen

Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels en leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.12 Verkeer en parkeren

4.12.1 Gemeentelijk beleid

De gemeente Bergeijk heeft op 29 september 2022 de 'Nota Parkeerbeleid 2022 - 2026' vastgesteld. Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen, met ruimte voor de nodige flexibiliteit en maatwerk. Met dit parkeerbeleid is zo veel mogelijk vastgehouden aan de landelijke richtlijnen vanuit het CROW (Kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur). Uitgangspunt is dat in ieder geval een aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd dat voldoet aan de gemiddelde parkeerrichtlijn volgens het CROW (publicatie 381 ‘Toekomstbestendig Parkeren’).

Met behulp van parkeernormen wordt de parkeereis bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen. Parkeernormen worden niet gebruikt om bestaande parkeerdruk in beeld te brengen of te corrigeren. De parkeereis is het totaal aan parkeerplaatsen waar een ontwikkeling in moet voorzien.

4.12.2 Toetsing

Parkeren

Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de richtcijfers voor parkeernormering die zijn vervat in de 'Nota Parkeerbeleid 2022 - 2026' van de gemeente Bergeijk in samenhang met de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig Parkeren’.

Het plangebied is ingevolge de Nota aangemerkt als ‘rest bebouwde kom’.

De gemeente Bergeijk is door het CBS aangemerkt als ‘weinig stedelijk gebied’.

Voor ‘rest bebouwde kom’ in ‘weinig stedelijk gebied’, geldt ingevolge de CROW-publicatie een parkeernorm van maximaal 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 b.v.o. voor een arbeidsextensief bedrijf als het onderhavige.

begane grond 4.660 m2

verdieping 830 m2 +

totaal 5.490 m2

Gelet op het voorgaande bedraagt de parkeeropgave: 5.490 x 1,1 / 100 = afgerond 60 parkeerplaatsen.

Parkeren geschiedt geheel op maaiveld en op eigen terrein in het westen en zuiden van het plangebied. Er zijn in totaal 70 parkeerplaatsen gepland, zodat ruimschoots wordt voldaan aan de parkeeropgave.

Een deel van deze parkeerplaatsen zal buiten de bedrijfstijden (in de avond en nacht) toegankelijk zijn voor bezoekers van de nabijgelegen maatschappelijke voorzieningen (kerk, gemeenschapshuis). Dit is nader geborgd in de planregels.

Verkeersgeneratie

Niet alleen de parkeerbehoefte verandert bij een herontwikkeling. Ook de verkeersgeneratie (het aantal vertrekkende en aankomende motorvoertuigen) verandert.

De verkeersgeneratie is bepaald met behulp van kencijfers uit CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Met deze kencijfers is een gemiddelde verkeersintensiteit voor een weekdagetmaal bepaald.

De verkeersgeneratie is verder bepaald voor zowel de huidige als toekomstige situatie. Het is namelijk mogelijk de huidige verkeersgeneratie te 'salderen', oftewel de huidige verkeersgeneratie af te trekken van de toekomstige verkeersgeneratie.

Voor ‘rest bebouwde kom’ in ‘weinig stedelijk gebied’, geldt ingevolge de CROW-publicatie voor een arbeidsextensief bedrijf als het onderhavige een verkeersgeneratie van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per etmaal, per 100 m2 b.v.o.

In de huidige situatie is ter plaatse sprake van een b.v.o. van 5.646 m2, en daarmee 5.646 m2 x 5,7 / 100 = 322 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe situatie ziet op: 5.490 m2 x 5,7 / 100 = 313 verkeersbewegingen per etmaal. Voornoemde aantallen zijn inclusief vrachtverkeer en een bezoekersaandeel van 5%.

Per saldo neemt de verkeersgeneratie ter plaatse dus af met circa 9 verkeersbewegingen per etmaal.

Daar bovenop zullen de verkeersbewegingen tussen de verschillende verspreide bedrijfsgebouwen stoppen, omdat alle bedrijfsactiviteiten zich op één locatie zullen concentreren. Al met al betekent dit dus een vermindering van het aantal vervoersbewegingen zowel ter plaatse van het plangebied, als in de omliggende omgeving.

De bestaande ontsluitingsstructuur zal dus per saldo minder worden belast. De realisatie van het beoogde planvoornemen zal dan ook niet voor een toename voor problemen zorgen op de omliggende wegen.

4.12.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.13.1 Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.

Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.

De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:

  • Kolom 1: de activiteit zelf
  • Kolom 2: drempelwaarden activiteit
  • Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan)
  • Kolom 4: de besluiten

De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben:

  • 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen);
  • 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving);
  • 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit.
4.13.2 Beoordeling

Gelet op de relatief beperkte omvang van het planvoornemen is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. De activiteit wordt echter wel genoemd in onderdeel D (D11.3, "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein") van de Bijlage van het Besluit, waardoor de gemeente zich dient te vergewissen of sprake is van een aanzienlijk milieugevolg.

In Bijlage III van de Richtlijn zijn factoren opgenoemd welke in ogenschouw genomen dienen te worden bij de beoordeling of er wel of geen sprake is van een aanzienlijk milieugevolg.

Factoren die in bijlage III worden genoemd zijn:

1. Kenmerken van de projecten

Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging

worden genomen:

— de omvang van het project,

— de cumulatie met andere projecten,

— het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

— de productie van afvalstoffen,

— verontreiniging en hinder,

— risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

2. Plaats van de projecten

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de

projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging

worden genomen:

— het bestaande grondgebruik,

— de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van

de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,

— het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder

aandacht voor de volgende typen gebieden:

a) wetlands,

b) kustgebieden,

c) berg- en bosgebieden,

d) reservaten en natuurparken,

e) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door

die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten

aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG,

f) gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen

inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,

g) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,

h) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3. Kenmerken van het potentiële effect

Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang

met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden

genomen:

— het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen

bevolking),

— het grensoverschrijdende karakter van het effect,

— de orde van grootte en de complexiteit van het effect,

— de waarschijnlijkheid van het effect,

— de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

In het kader van het onderhavig bestemmingsplan is daarom beoordeeld of de factoren als genoemd in Bijlage III van de Richtlijn aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapportage. De betreffende beoordelingsnotitie en het collegebesluit zijn als Bijlage 8 en 9 aan deze toelichting gehecht.

Daarbij wordt in onderstaande overwegingen vanwege de beperkte omvang van het planvoornemen enkel kwalitatief ingegaan op de relevante factoren genoemd in bijlage III van de Richtlijn.

4.13.3 Conclusie

Uit de beoordelingsnotitie blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status.

De aard en beperkte omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, mits de volgende maatregelen worden uitgevoerd/nageleefd:

  • Om te voldoen aan de geluidgrenswaarde voor de nachtperiode dient in het kader van de vergunningverlening in het milieuspoor een inpandige compressor worden voorgeschreven.
  • Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van broedvogels plaats te vinden.

Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan "Hennepstraat 6-7, Riethoven" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

5.2 Planmethodiek

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

5.3 Verbeelding

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

5.4 Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels (hoofdstuk 1), bestemmingsregels (hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en in overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4).

5.4.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

De 'Inleidende regels' bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In 'Begrippen' wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan kan worden onderzocht of de regels op andere wijze aanknopingspunten voor een definitie bevatten. Die kunnen volgen uit de toelichting bij de regels en/of uit de systematiek van de regels zelf. Ontbreken dergelijke aanknopingspunten dan geldt de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik .

In ' Wijze van meten' zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.

5.4.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor.

Bedrijf - 2

De voor ‘Bedrijf - 2’ bestemde gronden zijn met name bedoeld voor bedrijvigheid in de

categorieën 1, 2 en 3.1, voor zover de bedrijven voorkomen op de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij de regels).

Ter plaatse van de gelijknamige aanduiding is een bedrijfswoning toegestaan.

Daarnaast zijn de gronden bestemd voor opslag en uitstalling, ondergeschikte productiegebonden detailhandel, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven. Gebouwen mogen uitsluitend binnen

het bouwvlak worden gebouwd. Tevens zijn het bebouwingspercentage (gemeten ten

opzichte van het bouwperceel), de maximale goothoogte en de maximale bouwhoogte

op de verbeelding aangegeven. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven.

Binnen de bestemming is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van bedrijvigheid die niet wordt genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar naar aard

en invloed op de omgeving gelijk is te stellen met de toegelaten milieucategorieën.

Bedrijf - Metaalverwerkend bedrijf

De voor ‘Bedrijf - Metaalverwerkend bedrijf’ bestemde gronden zijn bedoeld voor een gezoneerd specifiek bestemd bedrijfsperceel met een oppervlakte van maximaal 5.000 m2.

De zonering bestaat uit een gedeelte waarbinnen bedrijfsactiviteiten van een aard en invloed tot maximaal categorie 3.2 en een gedeelte waarbinnen bedrijfsactiviteiten van een aard en invloed tot maximaal categorie en 3.2 mogen plaatsvinden.

Daarnaast zijn de gronden bestemd voor opslag en uitstalling, ondergeschikte productiegebonden detailhandel, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Op de verbeelding is een bouwvlak aangeduid. Gebouwen mogen uitsluitend binnen

het bouwvlak worden gebouwd. Het bebouwingspercentage bedraagt 100%. Tevens zijn de maximale goothoogte en de maximale bouwhoogte op de verbeelding aangegeven. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven.

Groen

Ter plaatse van de groene bufferzones is de bestemming 'Groen' geprojecteerd. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen.

Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven voor bouwwerken, geen gebouwen

zijnde.

Verkeer - Verblijfsgebied

De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ bestemde gronden zijn onder andere bedoeld voor

voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge het akoestisch onderzoek industrielawaai is het parkeerterrein middels specifieke functieaanduidingen deels bestemd voor uitsluitend parkeren in de dagperiode, tussen 07:00 en 19:00 uur en deels tevens bestemd voor medegebruik in de avond- en nachtperiode, tussen 19:00 en 07:00 uur.

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Waarde - Archeologie 3

Overeenkomstig het gemeentelijk erfgoedplan zijn verschillende dubbelbestemmingen

opgenomen ter bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden. Voorliggend

bestemmingsplan bevat de dubbelbestemming: ‘Waarde - Archeologie 3’.

In geval van het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld, kunnen burgemeester en wethouders ter bescherming van de archeologische waarden, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Dit kan in de vorm van het treffen van technische maatregelen, het doen van een opgraving of archeologische begeleiding van werkzaamheden. Daarnaast is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Per dubbelbestemming gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring. Voor verstoringen met een beperkt oppervlak of een beperkte verstoringsdiepte is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

5.4.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Onder deAlgemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel, de Algemene bouwregels, de Algemene gebruiksregels, de Algemene aanduidingsregels en de Algemene afwijkingsregels.

In de algemene aanduidingsregels is ter bescherming van de binnen het plangebied aanwezige waardevolle bomen een vergunningstelsel opgenomen voor bepaalde werken en werkzaamheden.

5.4.4 Hoofdstuk 4 Overgangsregels en slotregel

In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financieel

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar.

Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.

Voor onderhavige planvorming is een anterieure overeenkomst gesloten zodat er geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijk

6.2.1 Omgevingsdialoog

Op 14 juni 2021 heeft initiatiefnemer de plannen uitgebreid gepresenteerd aan de omgeving (bewoners en ondernemers van de Molenstraat, Hennepstraat, Het Hofje en de Vlasstraat).

Tijdens dit omgevingsdialoog zijn vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over de aspecten parkeren, laden en lossen, berging van hemelwater, trillingen door zwaardere machines en het afschalen van de milieucategorie ter plaatse van Vlasstraat 10.

Betreffende presentatie en de verslaglegging daarvan zijn als Bijlage 10 en 11 aan deze toelichting gehecht.

6.2.2 Wettelijk vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Provincie Noord-Brabant

Het plan is middels het webformulier aangemeld bij de provincie. Aangezien geen sprake is van direct toepasselijke provinciale belangen, is het plan ter kennisneming aangenomen.

Waterschap De Dommel

Per mail d.d. 23 oktober 2023 heeft het Waterschap ingestemd met de toekomstige waterhuishoudkundige inpassing van de vervangende nieuwbouw. Het realiseren van een HNO voorziening voor het totale toekomstig verhard oppervlak op basis van gemeentelijk beleid wordt op prijs gesteld.

Verzocht wordt de waterparagraaf aan te vullen met het beleid op provinciaal (en nationaal) niveau.

Het waterschap ziet de stukken (verbeelding, regels en toelichting) graag in de ontwerpfase inclusief bovenstaande aanpassing tegemoet.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan "Hennepstraat 6-7, Riethoven" heeft met ingang van 30 november 2023 voor zes weken ter inzage gelegen. Gedurende die termijn kon er door eenieder een zienswijze ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad worden ingediend. Tijdens de inzagetermijn zijn twee reacties met zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is verzocht om ambtelijke aanpassing door Enexis. In Bijlage 12 is de Nota van zienswijzen opgenomen waarin de zienswijzen zijn weergegeven en voorzien van een reactie.