direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bokkerijder 12a Waterlaat, Bergeijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op het bedrijventerrein Waterlaat aan de Bokkerijder 12a te Bergeijk is een bedrijfsperceel gelegen. Op het noordelijk deel van dit perceel is reeds een bedrijfspand aanwezig, waarin een handelsbedrijfs in lichaamsverzorgingsproducten is gevestigd. Initiatiefnemer is voornemens op het zuidelijk deel van dit perceel een loods met kantoorruimte te realiseren. In de loods worden lichaamsverzorgingsproducten opgeslagen. Een gedeelte van de producten kan bestaan uit brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3), waardoor het bedrijf is aan te merken als een Bevi-inrichting. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, maar worden risicovolle inrichtingen expliciet uitgesloten.

De realisatie van een Bevi-inrichting past dan ook niet in het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Door Burgemeester en Wethouders is op 1 mei 2017 een principe uitspraak gedaan dat bij positieve advisering van de Veiligheidsregio en ODZOB medewerking aan de plannen wordt gegeven. Met deze bestemmingsplanherziening dient aangetoond te worden dat de beoogde locatie geschikt is voor de realisatie van een Bevi-inrichting.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen op bedrijventerrein Waterlaat ten westen van de kern Bergeijk, aan de Bokkerijder 12a te Bergeijk. De locatie is nu in deels gebruik als bedrijf namelijk Bokkerijder 12. Het zuidelijk deel van het perceel is braakliggend. Het plangebied bestaat uit de perceel kadastraal bekend als gemeente Bergeijk, sectie I, nummer 836. Het gehele perceel heeft een oppervlakte van 2.917 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0001.png"

Begrenzing plangebied

1.3 Geldende bestemmingsplan

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0002.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse is het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Waterlaat', vastgesteld d.d. 25 april 2013. Hieruit blijkt dat ter plaatse de bestemming 'Bedrijventerrein' geldt. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn op basis van de functieaanduiding 'bedrijven tot en met categorie 3.2' bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en zelfstandige kantoren zijn daarbij expliciet uitgesloten. Daarnaast zijn gebouwen enkel toegestaan binnen de aanduiding 'Bouwvlak' met een bouwhoogte van maximaal 12 meter. Op basis van deze bestemming is het planvoornemen, de realisatie van een Bevi-inrichting, ter plaatse niet mogelijk.

Voor deze locatie is tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4.2' van toepassing. Binnen deze bestemming zijn bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,50 cm niet zondermeer toegestaan.

Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Met deze bestemmingsplanherziening dient aangetoond te worden dat de beoogde locatie geschikt is voor de Bevi-inrichting en dient de Bevi-inrichting geborgd te worden.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk worden eerst de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet (Hoofdstuk 2). Daarna wordt een beschrijving gegeven van het plan, inclusief ruimtelijke en functionele structuur (Hoofdstuk 3). Vervolgens wordt aandacht besteed aan de verschillende omgevingsaspecten, zoals bodem- en grondwaterkwaliteit, geluidhinder, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, water, archeologie en cultuurhistorie, alsmede flora en fauna (Hoofdstuk 4). Dan volgt hoofdstuk 5 met onder andere de opzet van de regels en een korte beschrijving van de verschillende bestemmingen. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de financiële uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6) en de voor dit bestemmingsplan te doorlopen procedure (Hoofdstuk 7).

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Noord-Brabant worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd mede randvoorwaarden voor het lokale maatwerk bij ruimtelijke ontwikkelingen zullen zijn.

2.2 Rijks-, Provinciaal- en regionaal beleid

De wijziging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Waterlaat 2013' is van ondergeschikte aard. In dit bestemmingsplan zijn de relevante punten met betrekking tot het rijks-, provinciaal en regional beleid in relatie tot het bedrijventerrein in voldoende mate onderbouwd en afgekaderd. De realisatie van de Bevi-inrichting betreft een afwijking waarbij de functie niet past binnen de huidige gebruiksfuncties. Er vindt enkel een toevoeging van een bedrijfstype plaats binnen een bedrijventerrein waarbinnen reeds diverse bedrijfstypen zijn toegestaan. Alleen de gebruiksmogelijkheden binnen de vigerende bestemming 'Bedrijventerrein' worden gewijzigd ten behoeve van het planvoornemen.

Gezien de aard en omvang van deze ontwikkeling zijn er geen Rijks-, provinciale, of regionale belangen in het geding.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Bergeijk

Op 3 juni 2010 is de Structuurvisie Bergeijk ‘Leven en beleven tussen bossen, beken en boerenland’ vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie is een actualisatie van de StructuurvisiePlus uit 2004. De Structuurvisie bestaat uit twee delen. Deel A betreft het Ruimtelijk Casco, waarin de toekomstvisie voor de gemeente Bergeijk is opgenomen. Deze visie formuleert het ontwikkelingskader voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete plannen en projecten. In het projectenplan (deel B) is het ruimtelijk programma voor de korte en middellange termijn benoemd. Daarnaast is aangegeven welke concrete projecten en plannen op korte termijn richting uitvoering worden gebracht en op welke wijze dat zal gebeuren. Het projectenplan wordt periodiek geactualiseerd.

Ruimtelijk casco

Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en een toelichting, waarbij de toelichting kan worden beschouwd als een uitgeschreven legenda. Op basis van een integrale analyse die is gebaseerd op de ‘lagenbenadering’ zijn in het Ruimtelijk Casco ruimtelijke keuzes gemaakt voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bergeijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0003.png"

Uitsnede Ruimtelijk Casco, Structuurvisie Bergeijk

Bedrijventerrein Waterlaat is in het Ruimtelijk Casco grotendeels aangeduid als ‘Bestaand (te herstructureren) bedrijventerrein’. De gebied ten noorden van het plangebied is aangeduid als ‘Bos en oude heidegebied met vennen’. In dit bestemmingsplan zijn geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen.

Ter plaatse van het bedrijventerrein is ook de aanduiding ‘zoekgebied nieuwe ontsluitingswegen’ opgenomen. Het bedrijventerrein Waterlaat kent momenteel een matige aansluiting via het lokale wegennetwerk. Een meer directe aansluiting op de provinciale weg N397 zou het vestigingsklimaat voor bedrijven aanmerkelijk verbeteren. Het bedrijventerrein maakt daarnaast onderdeel uit van een kwel- en infiltratiegebied.

Voor bedrijvigheid is het beleid gericht op behoud van lokale, kleinschalige, milieuvriendelijke bedrijven in of in de nabijheid van de kernen. Op de bedrijventerreinen is via inbreiding, intensivering, herstructurering en uitbreiding de vestiging van nieuwe lokale bedrijven mogelijk. Grotere (regionale) bedrijven (groter dan 5.000 m2) zouden zich in principe op het Kempisch Bedrijvenpark moeten vestigen. Onder voorwaarden is maatwerk mogelijk.

Projectenplan

Waar het Ruimtelijk Casco een visie formuleert op het plangebied en het beleidskader schept voor de lange termijn, legt het projectenplan de focus op de korte en middellange termijn. Hier worden de ruimtelijke opgaven voor de korte en middellange termijn benoemd en worden projecten en plannen beschreven. Het projectenplan bevat een programmatische keuze voor diverse thema’s. Daarnaast is aangegeven waar het programma wordt gerealiseerd en hoe het uitvoeringstraject (koppeling tussen grondbeleid en ruimtelijke ontwikkeling en inzet van Wro-instrumenten) eruit ziet. Tenslotte is een projectenoverzicht opgenomen met projecten en maatregelen die de gemeente ter uitvoering van het structuurvisiebeleid wil oppakken.

Betekenis voor het plangebied

De realisatie van een nieuw bedrijf zorgt voor een inbreiding op een bestaand bedrijventerrein in de nabijheid van de kern Bergeijk. Het bedrijf betreft ongeveer de helft van een perceel van 2.917 m2, waar op de andere helft reeds een bedrijf is gevestigd. Deze vestiging van een nieuw lokaal bedrijf valt, gezien de oppervlakte van circa 800 m2, onder de categorie kleine bedrijven. De diversiteit aan bedrijven op het bedrijventerrein neemt met het planvoornemen toe en geeft invulling aan een braakliggende locatie. Het gedeelte van het nieuwe bedrijf wat aangemerkt wordt als Bevi-inrichting is hier ondergeschikt aan. Het betreft slechts beperkte opslag van brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3). Bovendien worden voor deze Bevi-inrichting de nodige maatregelen getroffen, waardoor geen beperkingen ontstaan voor de omgeving, zie hiervoor paragraaf 3.3 en 4.8. Gezien de kleinschaligheid van het bedrijf op een inbreidingslocatie past deze ontwikkeling binnen het 'bestaand bedrijventerrein' zoals opgenomen in de Structuurvisie Bergeijk.

2.3.2 Integraal Dorpsontwikkelingsplan (iDOP)

Op 23 oktober 2006 is het Dorpenontwikkelingsplan ‘Bergeijk, kernen in ontwikkeling’ vastgesteld. In 2009 is het DOP omgevormd naar een iDOP (integraal Dorpenontwikkelingsplan) door per kern een sociale paragraaf op te stellen met daarin de gewenste sociaal-culturele ontwikkeling. Deze sociale paragraaf vormt daarnaast per kern een beknopte actualisatie van het DOP. In een oplegger iDOP, die separaat aan het iDOP is toegevoegd, is vervolgens een aantal projecten concreet uitgewerkt. Zowel het DOP als de iDOP’s zijn opgesteld in nauwe samenwerking met bewoners van de kernen in de gemeente Bergeijk.

In het DOP zijn de gemeentelijke ambities op het gebied van wonen en leefbaarheid binnen de kernen verwoord. Het hoofdthema van het DOP is de leefbaarheidsbevordering in de gemeente Bergeijk, uitgesplitst in een visie op wonen en een visie op leefbaarheid. De belangrijkste doelstellingen zijn:

  • het zoveel mogelijk voorzien in de eigen woningbehoefte van de inwoners van Bergeijk;
  • het bevorderen van de sociale cohesie en zelfredzaamheid van de burger.

Zowel het DOP als de iDOP’s bevatten een analyse van de huidige situatie, onder meer op het gebied van demografie, voorzieningen en wonen. De kern Bergeijk springt er in positieve zin uit door het voorzieningenniveau (hoofdkern) en de vele cultuurhistorische elementen. De belangrijkste leefbaarheidsknelpunten betreffen de verkeersveiligheid, het parkeren, de verblijfskwaliteit in het centrum en - in een aantal wijken - de onderhoudstoestand van de openbare ruimte.

Betekenis voor het plangebied

Het onderhavig planvoornemen voorziet niet in woningbouwontwikkelingen, maar in de vestiging van een bedrijf. Deze ontwikkeling zorgt voor een invulling van een bedrijfslocatie op bedrijventerrein Waterlaat en brengt de leefbaarheid (ondanks de Bevi-inrichting) niet in gevaar. Het planvoornemen past daarmee binnen het dorpsontwikkelingsplan.

2.3.3 Kernenbeleid en leefbaarheid

De identiteit, de eigenheid van een kern omvat de eigen specifieke cultuur, het eigene van de verschijningsvorm en het bijzondere van de gemeenschap. Dit komt tot uiting in het verenigingsleven, de ruimtelijke karakteristieken en de voorzieningen. Leefbaarheid wordt omschreven als de mate waarin die eigenheid in stand kan worden gehouden. Daarbij zijn basisvoorzieningen als basisschool, peuterspeelzaal, gemeenschapshuis, sportpark, winkels en een adequaat woningaanbod van belang.

In het kernenbeleid wordt aangegeven dat in alle kernen onder andere de volgende voorzieningen in stand moeten worden gehouden: basisschool, gemeenschapshuis, peuterspeelzaal, sportpark en bibliotheekvoorziening en (voor Bergeijk, Luyksgestel, Riethoven en Westerhoven) een sporthal. Van de andere aandachtspunten zijn de volgende van belang:

  • kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang hoeven niet in elke kern aanwezig te zijn. Ouderenzorg ontwikkelt zich steeds autonomer als maatwerk wonen-zorg;
  • openbaar vervoer zou alle kernen moeten bedienen. Collectief vraagafhankelijk vervoer kan daar mogelijk een oplossing bij zijn;
  • in de kernen moet, ter wille van werkgelegenheid en functieverscheidenheid, ruimte zijn voor ambachtelijke, kleinschalige bedrijven;
  • het monumentenbeleid wordt, als beschermer van karakteristiek en identiteit, als een onderdeel van het kernenbeleid gezien;
  • voor winkels, postkantoor, huisartsen en dergelijke zal de gemeente, waar mogelijk, een voorwaardenscheppende rol spelen.

Betekenis voor het plangebied

Het onderhavig planvoornemen voorziet in de vestiging van een bedrijf op een bedrijventerrein. Deze ontwikkeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls voor de bedrijvigheid en werkgelegenheid van de kern Bergeijk en is daarmee in lijn met het kernenbeleid.

2.3.4 Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2015-2018

De Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2015-2018 (GVM) is op 24 september 2015 vastgesteld door de gemeenteraad. In de GVM zijn twee grootschalige infrastructurele ontwikkelingen meegenomen: de keuze voor Westparallel voor de N69 en de Middenweg Eersel-Bergeijk.

De GVM geeft een prioritering aan de hand van de vier thema’s verkeersveiligheid, fietsverkeer, bereikbaarheid en openbaar vervoer. Ook geldt het principe van Duurzaam Veilig, aan de hand waarvan consequente keuzes worden gemaakt voor de inrichting van wegen. In de GVM zijn, op basis van de meer mensgerichte aanpak, twee thema’s onderscheiden waarop het beleid in de komende jaren wordt gericht:

  • veiliger verkeersgedrag: gericht op het treffen van mensgerichte maatregelen in de vorm van communicatie, educatie en handhaving;
  • realiseren categorisering wegen: de categorisering van wegen in Bergeijk is goed, maar dient op onderdelen te worden geactualiseerd, mede in het licht van de ontwikkelingen rond Westparallel en Middenweg Eersel-Bergeijk.

De categorisering is bovendien nog niet overal gerealiseerd, waardoor een opgave resteert om de wegcategorisering te vervolmaken en wegen in te richten conform die categorisering.

De gemeentelijke visie op mobiliteit is in de GVM uitgewerkt in verschillende modules: veiliger verkeersgedrag, gemotoriseerd verkeer, fiets en integraal beleid en maatregelen. Per module zijn het beleid en de concrete maatregelen beschreven. Modules kunnen gedurende de looptijd van de GVM worden aangepast of toegevoegd, mits passend binnen de overkoepelende visie op mobiliteit.

Betekenis voor het plangebied

De beoogde ontwikkeling wordt op een bestaand bedrijventerrein gerealiseerd. De locatie is reeds ontsloten door middel van de bestaande infrastructuur (Bokkerijder) op het verkeersnetwerk van Bergeijk. In het plan wordt geen extra verkeersontsluiting geprojecteerd, wat niet zorgt voor een wijziging van de verkeerssituatie.

2.3.5 Nota parkeernormen 2017

De gemeente Bergeijk heeft in februari 2017 een nieuwe Nota Parkeernormen vastgesteld. Daarin zijn parkeernormen opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen, met ruimte voor de nodige flexibiliteit en maatwerk. Met dit parkeerbeleid is zo veel mogelijk vastgehouden aan de landelijke richtlijnen vanuit het CROW (Kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur). Waar mogelijk is ingespeeld op Bergeijkse plannen als de Centrumvisie.

Met behulp van parkeernormen wordt de parkeereis bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen. Parkeernormen worden niet gebruikt om bestaande parkeerdruk in beeld te brengen of te corrigeren. De parkeereis is het totaal aan parkeerplaatsen waar een ontwikkeling in moet voorzien. De nota gaat uit van de volgende te hanteren parkeernormen voor het kernwinkelgebied en het overig gebied:

  • 1. Kernwinkelgebied: gemiddelde norm voor Centrum Schil – Niet stedelijk.
  • 2. Overig gebied: gemiddelde norm voor Rest bebouwde kom – Niet stedelijk.

Het plangebied van dit bestemmingsplan valt binnen het 'overig gebied'.

Ook zijn in de nota fietsparkeernormen opgenomen. De fietsparkeernormen zijn van toepassing op geselecteerde voorzieningen waarvan het aannemelijk is dat relatief veel bezoekers met de fiets komen. Bij deze functies bestaat de mogelijkheid om te kiezen voor een betere fietsbereikbaarheid door de fietsparkeernorm toe te passen.

De parkeernormen in de Nota Parkeernormen hebben betrekking op nieuwbouw, verbouw, uitbreiding of wijziging van functies, daar waar een omgevingsvergunning en/of wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Wanneer een aanvraag tot een wijziging van het bestemmingsplan wordt ingediend, wordt onder andere gekeken of voldaan kan worden aan de parkeernormen voor het 'overig gebied', die horen bij de betreffende ontwikkeling. Deze voorwaarde is opgenomen in de bestemmingsplanregels.

Betekenis voor het plangebied

Met de ontwikkeling van het bedrijf wordt het bedrijventerrein verder ingevuld. Het bedrijf is aan te merken als Bedrijf arbeidsextensief (loods, opslag transport bedrijf). Conform de nota parkeernormen geldt hier 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Het kantoortje is aan te merken als kantoor zonder baliefunctie. Conform de nota parkeernormen geldt hier 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo.

Dit betekent dat binnen de bedrijfslocatie voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet die in verhouding staat met de realisatie van het bedrijf.

Het bestaande bedrijf heeft een oppervlakte van 773 m2. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van 8,5 parkeerplaatsen.

De nieuwe loods heeft een oppervlakte van 728 m2. en het kantoor een oppervlakte van 30 m2. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van (8,0 + 0,8) = 8,8 parkeerplaatsen.

In totaal zijn voor beide bedrijven 17,3 = 18 parkeerplaatsen noodzakelijk. Op het noordelijk deel van het perceel zijn reeds 5 parkeerplaatsen aanwezig. De huidige parkeerplaatsen op het zuidelijk deel komen te vervallen. Hiervoor worden echter op eigen terrein 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal zijn er in de nieuwe situatie op het gehele perceel 18 parkeerplaatsen aanwezig.

Er wordt daarmee in de parkeerbehoefte voorzien. Een verdere toetsing aan de Nota parkeernormen is voor dit planvoornemen niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Ruimtelijke structuur

3.1.1 Geomorfologie

De gemeente Bergeijk bevindt zich op de Brabantse zandgronden, waarin oude aardbreuken de ontwikkeling van het landschap hebben beïnvloed. De geomorfologische structuur binnen de gemeente wordt in hoofdzaak gekenmerkt door de zuidwest-noordoostgerichte beken en de daartussen gelegen hogere dekzanden of terrasafzettingen.

De beken Keersop en Run liggen in smalle dalvormige laagten en vormen in het algemeen rechte lijnen die zich niet duidelijk onderscheiden in het heideontginningslandschap.

Dekzandruggen en stuifduincomplexen hebben een rug gevormd waarop de kernen Bergeijk, Westerhoven en Riethoven liggen. Een tweede dekzandrug bevindt zich aan de westzijde van Weebosch. Met name in het zuidwesten van de gemeente komen de dekzandruggen in de landschapsstructuur tot uiting, door de aanwezigheid van besloten boscomplexen en natuurgebieden.

3.1.2 Historische ontwikkeling

Het bedrijventerrein Waterlaat is gesitueerd op een akkercomplex dat ligt ingeklemd tussen de bebouwing van de kern Bergeijk aan de ene kant en de dorpen Loo en Lage Berkt aan de andere kant. In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw is het eerste bedrijf ten noorden van de Oude Postelseweg gerealiseerd. Vanuit de vraag van bedrijven naar bedrijventerrein zijn de contouren van het huidige bedrijventerrein bepaald. Inmiddels is het volledige bedrijventerrein uitgegeven, ontwikkeld en gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0004.png"

situatie 1975 (Historische topografische data 1975, provincie Noord Brabant)

Op de kaart van 1975 is het voormalige akkercomplex nog duidelijk zichtbaar rond de Oude Postelse weg. De bebouwing van de kernen Bergeijk en Lage Berkt is eveneens duidelijk zichtbaar.

3.1.3 Ruimtelijke structuur

Het bedrijventerrein Waterlaat ligt ten westen van de kern Bergeijk. Aan de noordzijde wordt het bedrijventerrein begrensd door een bosgebied en aan de zuidzijde liggen de bedrijventerreinen Waterlaat 5 en Waterlaat VI. Het bedrijventerrein bestaat voornamelijk uit kleinschalige, deels consumentgerichte bedrijvigheid, die hoofdzakelijk lokaal georiënteerd zijn. De verkaveling van het bedrijventerrein is overzichtelijk en de uitstraling van het terrein en de bedrijfsgebouwen is representatief. De straatprofielen zijn ruim opgezet en er is sprake van een eenheid. Het bedrijventerrein is in tweeën gedeeld door de weg De Waterlaat. Het gebied ten noorden van De Waterlaat wordt gekenmerkt door bedrijven, een milieustraat en een keukenwinkel. Het gebied ten zuiden van De Waterlaat en ten oosten van de Weerwolf bestaat volledig uit bedrijven.

Het gebied ten westen van de Weerwolf en ten zuiden van De Waterlaat is gevarieerder. Hier bevinden zich de gemeentewerf, een bedrijfsverzamelgebouw en een bosschage. Ten zuiden van de gemeentewerf en het bedrijfsverzamelgebouw is een bergingsvijver aanwezig.

Het plangebied is gesitueerd aan de noordkant van het bedrijventerrein tegen het bosgebied. Het plangebied bestaat uit een bedrijfsperceel dat bestaat uit 2 bedrijfslocaties. De noordzijde is bekend als Bokkerijder 12. Op dit adres is een handelsbedrijf gevestigd. Dit bedrijf richt zich op de handel in parfum haircare, cosmetica, en bodycare. Hier is een bedrijfspand gelegen met een oppervlakte van 773 m2. De bedrijfswoning is niet meer als zodanig in gebruik. Het zuidelijk deel, Bokkerijder 12a, van het perceel is braakliggend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0006.png"

Impressie plangebied

3.1.4 Ontsluiting en parkeren

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0007.png" Impressie ontsluiting

De ontsluiting van het bedrijventerrein Waterlaat vindt plaats via De Waterlaat op de Stökskesweg en het verdere lokale wegennetwerk. Er is geen directe aansluiting op de provinciale weg N397. Aan de zuidzijde van De Waterlaat is een voetpad aanwezig.

De interne ontsluiting van de bedrijven ten noorden van De Waterlaat wordt gevormd door de Bokkerijder die lusvormig op De Waterlaat aansluit. Het plangebied is gelegen aan deze lus en grens met twee zijden aan de Bokkerijder. Het huidige bedrijf aan de Bokkerijder 12 heeft een inrit op de Bokkerrijder en parkeren vindt plaats op eigen terrein.

3.1.5 Groen en waterstructuur

De groenstructuur in het bedrijventerrein wordt gevormd door het groen aan beide zijden van de wegen in de vorm van bomen, lage heggen en gras. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een bosgebied en het westen van het bedrijventerrein bestaat uit agrarisch gebied.

De west- en zuidkant van het plangebied worden begrensd door een groenstrook met een haag en bomen. Deze vormen een barierre tussen het plangebied en de Bokkerijder. Het braakliggende deel van het plangebied is momenteel grotendeels een onverhard terrein.

De vijver in het zuiden van het bedrijventerrein is een retentie/infiltratievijver en wordt gebruikt voor een deel van de afwatering van het bedrijventerrein. In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig.

3.2 Functionele structuur

De omgeving van het plangebied is in functioneel opzicht vrijwel geheel in gebruik als bedrijventerrein. Het plangebied zelf is deels als bedrijfslocatie en deels als onbebouwde locatie ingericht.

Er bevinden zich diverse soorten bedrijven van verschillende afmetingen op het bedrijventerrein Waterlaat. Op het terrein zijn onder andere te vinden: metaalbewerkingsbedrijven, schildersbedrijven, interieurbouwbedrijven, diverse groothandels, een bedrijfsverzamelgebouw, een keukenwinkel een milieustraat en de gemeentewerf. Het betreft voornamelijk bedrijven in milieucategorie 2 en 3. De milieustraat in het noorden van het bedrijventerrein valt onder categorie 3.1. Op het bedrijventerrein zijn tevens een aantal bedrijfswoningen aanwezig.

3.3 Ontwikkelingen

De beoogde ontwikkeling van de bedrijfslocatie richt zich middels dit bestemmingsplan op de toevoeging van een loods met kantoorruimte. Onderdeel van de loods is een Bevi-inrichting voor de opslag van brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3). Binnen deze ontwikkeling wordt meer ruimte geboden voor de gebruiksmogelijkheden. Daarmee worden op het perceel twee bedrijven mogelijk gemaakt, waarbij enkel op het zuidelijk deel een bevi-inrichting wordt toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0008.png"

Voorstel inrichting Bokkerijder 12a

Het planvoornemen betreft de realisatie van een loods voor opslag met kantoorruimte. In de loods wordt maximaal 500 ton lichaamsverzorgingsproducten opgeslagen, zoals huidcrèmes, shampoos, geuren en parfums. Een gedeelte van de producten kan bestaan uit brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3), zoals parfums in verpakte, kleine flesjes. De opslaghoeveelheid van ADR klasse 3 producten in de hal is maximaal 300 ton. Vanwege de opslag van meer dan 10 ton brandbare stoffen, tezamen met producten die stikstof- of zwavelhoudende verbindingen kunnen bevatten, betreft het de oprichting van een Bevi-inrichting. Voor een bedrijf met activiteiten rond gevaarlijke stoffen zorgt het Bevi voor veiligheidsafstanden, zodat de kans op dodelijke slachtoffers beperkt blijft tot één op een miljoen. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. In paragraaf 4.8 Externe veiligheid wordt beschreven dat voor dit planvoornemen aan deze normen worden voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0009.png"

Foto's voorbeelden verpakte kleine flesjes

De bouw van de loods met kantoor past binnen de planregels van het bestemmingsplan. De realisatie van een Bevi-inrichting past echter niet in het geldende bestemmingsplan.

Om de Bevi-inrichting mogelijk te maken wordt middels dit bestemmingsplan aan de huidige bestemming 'Bedrijventerrein' op het zuidelijk deel van het perceel de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag lichaamsverzorgingsproducten' toegevoegd. Ter plaatse van deze aanduiding wordt een Bevi-inrichting toegestaan voor de opslag van brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3) tot maximaal 300 ton. De aanduiding voor de bedrijfswoning op het noordelijk deel van het perceel komt te vervallen. Verder worden de huidige bestemmingen en aanduidingen één op één overgenomen. De gebruiks- en bouwmogelijkheden blijven daarmee verder gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0010.png"

 uitsnede bestemmingsplan, met oranje aangegeven deel waar bev-inrichting is toegestaan

De loods wordt gerealiseerd op het zuidelijk deel van het perceel. De situatie op het noordelijk deel van het perceel blijft ongewijzigd. De loods, inclusief kantoor heeft een oppervlakte van maximaal 800 m2. De loods wordt tegen de noordelijke loods aan gebouwd. De nieuwe loods bestaat uit één compartiment van 728 m2. Het compartiment kent 2 verschillende hoogtes. Onder de loods wordt een ondergrondse waterkelder en een pompkamer gerealiseerd. Deze zijn noodzakelijk bij een eventuele calamiteit ten behoeve van de schuimblusinstallatie. De loods wordt verder voorzien van een vloeistofkerende vloer.

De opslagruimte voor de opslag van de brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3) is voorzien van een Hi-Ex inside air schuimblusinstallatie1 (PGS 15 beschermingsniveau 1). De opslagloods wordt rondom voorzien van 60 min. WBDBO wanden en deuren. In de Bijlage 1 is de PGS 15 ruimte nader uitgewerkt.

De invloed van de opslag van 300 ton ADR klasse 3 producten is uitgewerkt in Bijlage 2. In deze bijlage zijn de PR en GR contouren van een aantal brandblussystemen bepaald. Uit de berekeningen kan worden afgeleid dat voor een Hi-ex inside air installatie er geen PR (10-6) contour kan worden vastgesteld, en het groepsrisico (ruim) onder de oriënterende waarde blijft. Zie ook de verder onderbouwing in paragraaf 4.8 Externe veiligheid.

Aan de oostzijde van de loods wordt een kantoortje (circa 25 m2) gerealiseerd en aan de westzijde een laadkuil. De laadkuil staat in verbinding met de loods en biedt laad- en losmogelijkheden voor bestel- en vrachtwagens. Deze laadkuil kan tevens mogelijk dienst doen als vloeistofopvang bij een calamiteit. Het terrein wordt verder verhard en ingericht met 13 parkeerplaatsen, waardoor in totaal 18 parkeerplaatsen op het gehele perceel aanwezig zijn. Aan de kant van de laadkuil wordt een inrit voor vrachtwagens gerealiseerd. De personenwagens maken gebruik van de bestaande (gecombineerde) inrit van Bokkerijder 12. De bestaande groenstrook tussen het plangebied en de Bokkerijder blijft verder in tact.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

Voor het plangebied en omgeving kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden een rol spelen. Het uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden die voortvloeien uit de milieu- en omgevingsaspecten beschreven.

4.2 Mer-beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan: planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

De realisatie van in dit geval een Bevi-inrichting is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Deze activiteit is als zodanig niet opgenomen in onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan en de beoogde wijzigingen op het bedrijventerrein bevat activiteiten die formeel gezien vallen onder D11.3 3 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein' van het Besluit m.e.r. Voor het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk om een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling op te stellen. Deze aanmeldnotitie dient vooraf aan het bestemmingsplan een separate procedure te doorlopen en is bijgevoegd als Bijlage 5.

Om basis van uitkomsten van de aanmeldnotitie kan de gemeente het besluit nemen dat er geen aanleiding of noodzaak is om een m.e.r.-procedure te doorlopen.

4.3 Geluid

Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder. Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet biedt geluidgevoelige objecten, zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. De bescherming vindt primair plaats door middel van zonering. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Deze normen mogen niet verward worden met de normen die gelden in geval van een milieuvergunning. Hiervoor gelden andere normen en procedures, welke niet vergelijkbaar zijn met het normenstelsel uit de Wgh. Op grond van de Wgh gelden grenswaarden op basis waarvan de bouw van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone wordt beperkt of wordt verboden. Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai kennen ieder afzonderlijke normen.

Met het planvoornemen worden geen nieuwe geluidsbronnen of geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het gaat in onderhavige situatie om de realisatie van een bedrijf op een bestaande bedrijfslocatie op een bedrijventerrein. Het aspect geluid vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met plan mogelijk worden gemaakt en mogen omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast.

De VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Volgens het bestemmingsplan zijn ter plaatse milieucategorie 3.2 bedrijven toegestaan. Daarbij bedraagt de grootste richtafstand 100 meter. Dit betekent dat tussen de inrichting en gevoelige bestemmingen een afstand van minimaal 100 meter moet worden aangehouden. Op basis van de VNG uitgave valt de te realiseren opslagloods onder "Opslagen, brandbare vloeistoffen, bovengronds, K3-klasse 10 - 1000 m³", milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een aan te houden richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk. Dit is dus een 'lichtere' milieucategorie met korte richtafstanden dan volgens het bestemmingsplan reeds mogelijk is.

Op het perceel aan de Bokkerrijder 12 is geen bedrijfswoning aanwezig, hier is de richtafstand dan ook nul meter. Aan de Bokkerrijder 7 is nog wel een bedrijfswoning gelegen. De afstand van de bestemmingsgrens en deze bedrijfswoning bedraagt 35 meter. De afstand tot waar de inrichting mogelijk is (daar waar de specifieke aanduiding op de verbeelding is opgenomen) tot de bedrijfswoning bedraagt 45 meter. De afstand van de inrichting tot de meest dichtbij gelegen woningen (Het Ronsel 47 t/m 55) bedraagt meer dan 250 meter.

Het bedrijventerrein bestaat uit gemengde functies (bedrijven van verschillende milieucategorieën, bedrijfswoningen en vormen van detailhandel), waardoor de richtafstand met een trede kan worden verlaagd. Dit betekent dat de richtafstand van 100 meter (milieucategorie 3.2 bedrijven) naar 50 meter kan worden verlaagd. De bedrijfswoning aan de Bokkerrijder voldoet met een inrichtingsafstand van 45 meter in eerste instantie niet aan deze richtafstand van 50 meter.

In dit geval is echter sprake van een bestaande situatie. Bedrijven met een milieucategorie 3.2 zijn reeds toegestaan op de locatie van de Bokkerijder 12a, de aangrenzende percelen en op het perceel van Bokkerrijder 7 zelf. Bovendien zorgt de bebouwing van Bokkerijder 5, gelegen tussen de bedrijfswoning en de nieuwe inrichting, voor een afschermende werking. De bedrijfswoning ligt als het ware verscholen achter dit pand.

Gezien in deze situatie er sprake is van een bestaande situatie op het bedrijventerrein, het planvoornemen een bedrijfscategorie van 3.1 dat past binnen de toegestane milieucategorieën en de bedrijfswoning aan de Bokkerrijder 7 afgeschermd ligt, kan worden gesteld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied geen andere milieuhindergevoelige functies aanwezig. Ook de bedrijven in de directe omgeving vormen geen belemmering voor de realisatie van de beoogde loods met kantoorruimte. Het betreft hier immers een bedrijventerrein waar bedrijvigheid de primaire functie is. Het handelsbedrijf in lichaamverzorgingsproducten op het noordelijk deel van het perceel is een bedrijf passend binnen de toegestane milieucategorieën, het betreft namelijk een "Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)" milieucategorie 2 bedrijf . Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.

4.5 Bodem

De gemeente Bergeijk heeft 28 juni 2016 de bodemkwaliteitskaart gemeente Bergeijk 2016-2021 (inclusief onderbouwing/toelichting) en bodemfunctieklassenkaart vastgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart zijn de verschillende bodemfuncties aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen 'Wonen', 'Industrie' en 'overig bodemgebruik'. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur.

De bodemfunctieklassenkaart is een weergave van het huidige en eventueel toekomstige gebruik van de bodem. Deze kaart geeft gebieden of zones weer die elk gekenmerkt worden door een uniforme bodemopbouw en een specifieke gebruikshistorie. De kaart geeft inzicht in deze kenmerken en in de daarmee samenhangende fysische en chemische kwaliteit van de bodem.

De gemeente Bergeijk kiest ervoor om de bodemkwaliteitskaart ook te hanteren als bewijsmiddel bij ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplanherzieningen en omgevingsvergunningen). Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat binnen het grondgebied van de gemeente de gemiddelde waarde beduidend lager is dan de interventiewaarde*1. Daarnaast blijkf dat de P95*2(=percentielwaarde) (beduidend) lager is dan de maximale waarde industrie. Dit betekent dat er voldoende zekerheid is dat er binnen de zones van het gemeentelijke beheersgebied geen sanerende maatregelen nodig zullen zijn. Daarom is ervoor gekozen om de bodemkwaliteitskaart in het gehele grondgebied van Bergeijk te aanvaarden als bewijsmiddel/onderbouwing bij ruimtelijke procedures en bij omgevingsvergunningen. Hierbij moet wel worden benadrukt dat de locatie waar de ruimtelijke ontwikkeling is gepland niet verdacht mag zijn en/of niet negatief mag zijn beïnvloed door een puntbron (bijv. fabriekslocaties of benzinestations). Begin 1992, bij de realisatie van het bedrijventerrein is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de grond zijn toen geen relevante verontreinigingen aangetroffen. Waar de nieuwe loods komt heeft nooit eerder bebouwing gestaan, dus geen reden om aan te nemen dat hier sprake is van verontreiniging.

Met het planvoornemen worden geen nieuwe gevoelige functies gerealiseerd waardoor het aspect bodem geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan. Bovendien zal de realisatie van het planvoornemen niet leiden tot grootschalig grondverzet en de afvoer van grond. (Afvoer van grond die vrijkomt bij de bouw zal moeten voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit.)

De opslaghal wordt voorzien van een vloeistofkerende vloer. De laadkuil wordt verdiept aangelegd en kan worden gebruikt als opvangvoorziening (calamiteit) voor vloeibare producten en blusschuim/watermengsel in geval van een brand. De vloer van de laadkuil wordt eveneens vloeistofdicht uitgevoerd. Een verkennend bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Volgens het Activiteitenbesluit artikel 2.11 moet bij elke activiteit binnen een inrichting die als bodembedreigend wordt beschouwd, de kwaliteit van de bodem worden onderzocht. Deze verplichting tot het uitvoeren van bodemonderzoek geldt bij oprichting, art. 2.11 lid 1 Ab. Omdat hier verder nog een kantoorpand wordt gebouwd en dit als een verblijfsruimte wordt aangemerkt dient bij de bouwaanvraag een historisch bodemonderzoek te worden overlegd volgens de NEN5725 met de mogelijkheid op een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740.(art 2.4 Regeling omgevingsrecht).

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij de aanvraag bouwvergunning dient echter een historisch bodemonderzoek uitegevoerd te worden.

Voetnoten:

1. De interventiewaarden voor (water)bodems en grondwater zijn normen met een signaalwaarde. Bij overschrijding wordt gesproken van ernstige verontreiniging: de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier en plant zijn (mogelijk) ernstig verminderd.

2. De milieuhygiënische bodemkwaliteit in een bepaald gebied wordt gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). Een percentielwaarde is de waarde waar beneden een bepaald percentage van de waarnemingen is gelegen. Bijvoorbeeld een percentielwaarde P95 betekent dat 95% van de waarnemingen beneden deze waarde ligt.

4.6 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de ministeriële regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2;
  • projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 ìg/m3.

Emissies naar de lucht vinden met het planvoornemen niet plaats. Hooguit de toename van beperkt bestel/vrachtwagenbewegingen (5 per dag) en een aantal personenauto's (max 20/dag). Deze beperkte toename is bovendien reeds mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan maakt daarmee geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De gronden waren immers al bestemd als bedrijventerrein met bouwmogelijkheden. Hieraan wordt met het planvoornemen concreet invulling gegeven. Er treedt dan ook geen verslechtering van de luchtkwaliteit op.

4.7 Waterhuishouding en riolering

4.7.1 Beleid en regelgeving Waterschap De Dommel

Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied De Dommel. Het waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavig plangebied in de gemeente Bergeijk. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap De Dommel. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het waterschap.

Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van het Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheersplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheersgebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • voldoende water: zowel voor de natuur als voor de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het gronden oppervlaktewater;
  • natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
  • schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met als de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode:

  • voldoende water voor landbouw en natuur;
  • wateroverlast en hittestress;
  • kringlopen denken;
  • steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
  • vergroten waterbewustzijn.

Binnen de kerntaken die het waterschap de Dommel heeft, kiest zij ervoor om twee

onderwerpen met hoge prioriteit aan te pakken:

  • 1. Het voorkomen van wateroverlast;
  • 2. Het herstellen van het watersysteem van Natura 2000-gebieden.

De inspanningen worden gericht op het realiseren van de waterbergingsgebieden, waarbij de gebieden ten behoeve van het bebouwd gebied de allerhoogste prioriteit hebben. Het herstel en de bescherming van de leefgebieden voor zeldzame planten- en diersoorten in Natura 2000-gebieden zijn urgent. Daarom geven zij voorrang aan maatregelen in het watersysteem die hieraan bijdragen.

Het waterschap treeft naar het samenwerken in integrale gebiedsprojecten en over de grenzen van hun beheergebied heen te kijken, waardoor de doelen kunnen worden bereikt. Hierbij is niet alleen aandacht voor hun doelen, maar ook die van anderen. Door van 'buiten naar binnen' te denken en te werken willen zij samen met mede-overheden en partners de publieke middelen zo efficiënt mogelijk benutten.

4.7.2 Beleid gemeente Bergeijk

Het beleid van de gemeente Bergeijk sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. Het belangrijkste uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in het deelstroomgebied.

Daarnaast is het van belang dat bij inpassing wordt voorkomen dat afwenteling op andere delen van het deelstroomgebied plaatsvindt. Nieuwe rioolstelsels van enige omvang dienen als (verbeterd) gescheiden te worden uitgevoerd. De zorgplicht hemelwater verplicht tot het bieden van een afvoermogelijkheid voor hemelwater, maar pas als de perceeleigenaar niet zelf het hemelwater kan verwerken. In de wet staat de zorgplicht als volgt vermeld:

“De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen.” (Waterwet, artikel 3.5, lid 1)

Uitgangspunt binnen de gemeente Bergeijk is dat in de meeste gevallen hemelwater schoon genoeg is om zonder behandeling in het milieu terug te brengen.

Binnen de bestemming in dit bestemmingsplan zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Hierdoor biedt dit bestemmingsplan maximale flexibiliteit met betrekking tot het realiseren van voorzieningen voor waterberging en infiltratie van hemelwater.

4.7.3 Huidige waterhuishoudkundige situatie

Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie. In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem.

4.7.4 Water in het bestemmingsplan

Door de beoogde realisatie van het planvoornemen zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde oppervlakten. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal derhalve veranderen. Deze toename is echter een planologische toename. Het gaat hier grotendeels om een bestaande (braakliggende) bedrijfslocatie, waar bebouwing en verhardingen worden gerealiseerd.

Omdat de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 2000 m2 is, geldt vanuit de Keur geen verplichting tot de aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak op oppervlaktewater. Aansluiting op het oppervlaktewater is niet mogelijk voor het plangebied. Voor het planvoornemen is de gemeente bevoegd gezag. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse wordt verwerkt.

Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:

  • 1. hergebruiken;
  • 2. vasthouden;
  • 3. bergen;
  • 4. afvoeren naar oppervlaktewater.

Binnen en rond het plangebied is voldoende ruimte om het hemelwater in de grond te laten infiltreren. Rond het plangebied is immers een groenzone aanwezig. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de toename van verharding reeds toegestaan. De nieuwe loods wordt dan ook aangesloten op het gescheiden rioolstelsel. Hiermee is bij de aanleg van het bedrijventerrein al rekening gehouden. Daarnaast wordt een waterkelder gerealiseerd ten behoeve van het bluswater. Deze kelder kan als berging dienen voor het hemelwater van het dak van de loods. Dit planvoornemen heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied.

4.7.5 Overleg met het waterschap

Het bestemmingsplan is voorgelegd aan het Waterschap De Dommel. Volgens het Waterschap blijkt dat in het plan op een goede manier wordt omgegaan met de waterhuishoudkundige belangen. De bouwmogelijkheden op het bedrijventerrein zijn reeds in het moederplan verantwoord. Dit bestemmingsplan regelt enkel een andere functie ter plaatse.

4.8 Externe veiligheid

4.8.1 Algemeen

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen) en luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid).

Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren.

Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt middels een verantwoordingsverplichting.

4.8.2 Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een feitelijk bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen harde norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het Bevi gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

De oprichting van een opslagruimte voor lichaamsverzorgingsproducten betreft een Bevi-inrichting. In de nieuwe loods komt maximaal 300 ton ADR 3 product te staan. Gelet op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen binnen de inrichting moet een toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) plaatsvinden.

Onderzoek

De invloed van de opslag van 300 ton ADR klasse 3 producten is uitgewerkt in een Kwantitatieve Risicoanalyse (QRA), die is opgenomen in Bijlage 2 en Bijlage 3. In de QRA zijn de uitgangspunten van de risicoanalyses, de plaatsgebonden risicocontouren en groepsrisicocontouren van een drietal brandblussystemen bepaald. De risicocontouren zijn gebaseerd op de volgende drie verschillende brandblussystemen van beschermingsniveau 1: een automatische deluge (gas) installatie, een automatische hi-ex inside air (schuim) installatie en een automatische hi-ex outside air (schuim) installatie. De plaatsgebonden risicoafstanden en effectgebieden zijn berekend met safeti 6.54.

Plaatsgebonden risico

Uit de berekeningen blijkt dat bij toepassing van een automatische hi-ex inside air (schuim) installatie geen 10-6/jaar contour ontstaat. Binnen de berekende plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar zijn zodoende geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Hiermee is voldaan aan de grenswaarde respectievelijk richtwaarde uit het Bevi.

Om te borgen dat geen knelpunten ontstaan ten aanzien van het plaatsgebonden risico is in de regels opgenomen dat de contour van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar veroorzaakt door de opslagvoorziening niet over de inrichtingsgrens mag reiken.

Groepsrisico

Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico bij alle scenario's onder de oriënterende waarde blijft. Het groepsrisico is significant kleiner bij gebruik van een schuim brandblussysteem. Bij toepassing van een automatische hi-ex inside air (schuim) installatie wordt de normwaarde bereikt bij N = 10, f = 1,28.10-8/jaar. Deze bedraagt 0,0013 x de oriënterende waarde. De grootte van de invloedsgebieden is vermeld in bijgevoegde QRA.

Naast de maatregelen die binnen het plangebied worden genomen zijn de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid volgens het advies van de Veiligheidsregio voldoende in orde, Bijlage 4.

De zelfredzaamheid van de aanwezige personen is goed. Er zullen namelijk geen groepen verminderd zelfredzame personen structureel verblijven in het plangebied. Ook in de directe omgeving van het plangebied is dit het geval. Daarnaast is de bestrijdbaarheid goed in orde. Het plangebied is voor hulpdiensten goed bereikbaar en ligt slechts 1 minuuut buiten de norm van de opkomsttijden. Dit is geen probleem gezien de aanwezige sprinklerinstallatie. In de omgeving van het plangebied is voldoende bluswater aanwezig.

Om te verzekeren dat verder geen problemen ontstaan op het gebied van het groepsrisico wordt de plaats van de Bevi-inrichting (het zuidelijk deel van het perceel Bokkerijder 12, perceelnummer 836.) in dit bestemmingsplan middels een specifieke aanduiding vastgelegd. Dit is de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag lichaamsverzorgingsproducten', waarmee tevens de locatie voor de opslag van lichaamsverzorgingsproducten wordt bepaald. Binnen deze aanduiding wordt in de regels onder andere het maximum aan brandbare vloeistoffen beperkt en wordt bepaald dat de risicocontour niet buiten de inrichtingsgrens mag reiken.

Toepassing blusinstallatie

Door toepassing van een automatische hi-ex inside air (schuim) installatie is er sprake van een plaatsgebonden risico dat kleiner is dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico door de ontwikkeling leidt niet tot een knelpunt buiten de ontwikkeling. In het bestemmingsplan is dit geborgd door in de regels op te nemen dat de contour van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar veroorzaakt door de opslagvoorziening niet over de inrichtingsgrens mag reiken.

Bouwkundige voorzieningen

De opslagloods wordt rondom voorzien van 60 min. WBDBO wanden en deuren. Daarbij wordt een ondergrondse waterkelder aangebracht. Deze watervoorziening wordt uitgevoerd met een bronpomp. Hiermee wordt een oplossing geboden om opslag van parfum in consumentverpakkingen efficiënt te beveiligen. De toepassing van de Hi-Ex inside air schuimblusinstallatie1 is in Bijlage 1 (Notitie Integraal Brandadviseurs) nader uitgewerkt. De beoogde Hi-Ex inside air schuimblusinstallatie zal worden ontworpen en aangelegd conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd uitgangspuntendocument (UPD).

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0011.png"

Uitsnede risicokaart

Op basis van de risicokaart (www.risicokaart.nl) is gebleken dat er in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen zijn gelegen waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen.

4.8.3 Transport gevaarlijke stoffen

Uit de op de risicokaart vermelde gegevens blijkt dat de ontwikkeling niet ligt binnen de plaatsgebonden risicocontour of relevant invloedsgebied van transportroutes of buisleidingen. Transportroutes en buisleidingen geven geen beperking voor de beoogde ontwikkeling.

Het transport van gevaarlijke stoffen van en naar de inrichting betreft alleen verpakte gevaarlijke stoffen. Deze hebben een verwaarloosbare invloed op plaatsgebonden risico.

4.8.4 Conclusie externe veiligheid

Het plangebied en het planvoornemen worden niet beïnvloed door aanwezige risicobronnen. Het door de ontwikkeling veroorzaakte plaatsgebonden risico is lager dan 10-6 per jaar.

De ontwikkeling leidt niet tot een groepsrisico hoger dan de oriëntatiewaarde. Te zijner tijd dienen aan de vergunning voorschriften te worden gekoppeld die beschouwd worden als de te hanteren blusinstallatie. Deze worden in het bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hoewel er geen contour is van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar is wel sprake van nadelige gevolgen door toename van het plaatsgebonden risico. Deze blijft echter binnen het plangebied en onder de 10-6 norm.

4.9 Kabels en leidingen

In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels en leidingen die planologisch relevant zijn. In het plangebied is verder ook geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten.

4.10 Natuur

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.10.1 Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning.

Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

In de omgeving van het plangebied op een afstand van circa 1,6 km is het Natura2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux gelegen. Ten noorden van het plangebied op een afstand van circa 60 meter is het NNN gelegen. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwd gebied van Bergeijk en is zelf niet gelegen in een Natura2000-gebied, de NNN of stiltegebied. Gezien deze afstand is de beoogde ontwikkeling niet van invloed op het Natura 2000-gebied.

4.10.2 Soortenbescherming

De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.

Het perceel waar de nieuwe loods is beoogd is braakliggend. Deels in gebruik als parkeerplaats en deels in gebruik als grasveld. Dit grasveld wordt gemaaid en de omliggende hagen worden onderhouden. Gezien de ligging binnen bestaand stedelijk gebied, de staat van de groene inrichting en het regelmatige onderhoud wordt aangenomen dat binnen het plangebied geen beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn. Een onderzoek naar beschermde dier- en plantensoorten is zodoende niet noodzakelijk. Indien op het moment van het uitvoeren van de werkzaamheden geconstateerd wordt dat er wettelijk beschermde diersoorten aanwezig zijn, dient alsnog een onderzoek te worden uitgevoerd dan wel de juist maatregelen te worden getroffen.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Algemeen

Het grondgebied van Bergeijk kent een rijke historie, waardoor veel cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Naast een rijk archeologisch bodemarchief zijn onder andere de historische lintstructuren, de structuur van het landschap en de aanwezigheid van monumentale en beeldbepalende gebouwen van cultuurhistorische betekenis. Gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed. Om inzicht te krijgen in de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden is door de Kempengemeenten en A2-gemeenten een gezamenlijk erfgoedplan opgesteld. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten en een aanzet voor een integraal cultuurhistorisch beleid.

De erfgoedkaart behorende bij het erfgoedplan bestaat uit drie delen: een inventarisatiekaart (die op zijn beurt is onderverdeeld in kaarten betreffende het archeologisch, historisch en fysisch landschap en een verstoringenkaart), verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. Op de beleidskaarten zijn de inventarisatie en waardering van archeologische en cultuurhistorische elementen samengebracht en geconcretiseerd. De beleidskaarten vormen de basis voor het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie.

Het gemeentelijk erfgoedbeleid is vastgelegd in de Erfgoedverordening gemeente Bergeijk 2016, vastgesteld d.d. 22 december 2016. De erfgoedverordening is vertaald in dit bestemmingsplan. Dit wordt in de volgende paragraaf nader toegelicht.

4.11.2 Archeologische waarden

Op de archeologische beleidskaart, die deel uitmaakt van de erfgoedverordening, zijn de archeologische (verwachtings)waarden voor het hele gemeentelijk grondgebied in beeld gebracht. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende kaart opgesteld. Binnen het grondgebied van de gemeente Bergeijk is een aantal terreinen met een monumentale status aanwezig en bevinden zich diverse gebieden van archeologische waarde. Daarnaast kunnen vier archeologische verwachtingszones worden onderscheiden. Ook kunnen gebieden worden aangemerkt waarvoor geen archeologische verwachting geldt.

Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in 7 categorieën:

  • I. categorie 1: archeologisch monument;
  • II. categorie 2: gebied van archeologische waarde;
  • III. categorie 3: gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten);
  • IV. categorie 4: gebied met hoge verwachting;
  • V. categorie 5: gebied met middelhoge verwachting;
  • VI. categorie 6: gebied met lage verwachting;
  • VII. categorie 7: gebied zonder archeologische verwachting.

De verschillende gebieden zijn/worden in de vorm van dubbelbestemmingen opgenomen in de bestemmingsplannen, waarbij regels gelden om het bodemarchief te beschermen.

Omdat de rijksbeschermde archeologische monumenten (categorie 1) zijn beschermd via de Erfgoedwet, wordt voor deze monumenten geen beschermende regeling opgenomen in het bestemmingsplan. De monumenten worden wel voorzien van een dubbelbestemming (‘Waarde - Archeologie 1’), maar deze heeft uitsluitend een signalerende functie. Voor gebieden zonder archeologische verwachting (categorie 7) gelden geen beperkingen ten aanzien van archeologie, zodat het opnemen van een dubbelbestemming voor deze categorie niet zinvol is. De dubbelbestemmingen voor de overige categorieën bevatten een beschermende regeling. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit kan in de vorm van het treffen van technische maatregelen, het doen van een opgraving of archeologische begeleiding van werkzaamheden. Daarnaast is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen.

Per dubbelbestemming gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring. Voor verstoringen met een beperkt oppervlak of een beperkte verstoringsdiepte is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De ondergrenzen variëren, overeenkomstig het erfgoedplan, per dubbelbestemming. In de volgende tabel is een overzicht opgenomen met de mogelijke dubbelbestemmingen met de bijbehorende ondergrenzen voor de oppervlakte en diepte van de verstoring. In voorliggend plan is sprake van categorie 4.2: hoge verwachting. Hiervoor geldt dat als een oppervlakte van meer dan 500 m2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld de grond wordt geroerd, eerst een archeologisch onderzoek zal moeten uitwijzen dat hierdoor geen archeologische waarden worden verstoord.

categorie   dubbelbestemming   ondergrens oppervlakte   ondergrens diepte  
1. archeologisch monument   Waarde - Archeologie 1   0 m2   0 m-mv  
2. archeologische waarde   Waarde - Archeologie 2   100 m2   0,3 m-mv  
3. hoge verwachting (historische kernen en linten)   Waarde - Archeologie 3   250 m2   0,3 m-mv  
4. hoge verwachting (zonder esdek)   Waarde - Archeologie 4.1   500 m2   0,3 m-mv  
4. hoge verwachting (met esdek)   Waarde - Archeologie 4.2   500 m2   0,5 m-mv  
5. middelhoge verwachting (zonder esdek)   Waarde - Archeologie 5.1   2.500 m2   0,3 m-mv,
agrarische gronden 0,5 m-mv  
5. middelhoge verwachting (met esdek)   Waarde - Archeologie 5.2   2.500 m2   0,5 m-mv  
6. lage verwachting   Waarde - Archeologie 6   25.000 m2   0,4 m-mv,
agrarische gronden
0,5 m-mv  

Binnen het plangebied komt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4.2' voor. Met de bestemmingsplanherziening, toevoeging Bevi-inrichting, vinden geen bodemingrepen plaats. Ten behoeve van de ontwikkeling is archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Dit zal wel aan de orde zijn bij de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen) voor de realisatie van de loods met kantoorruimte aangezien het oppervlak en diepte dan wordt overschreden.

4.11.3 Cultuurhistorische waarden

Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de betreffende locatie, bedrijventerrein Waterlaat, zich niet in archeologische of cultuurhistorische vlakken/landschappen bevindt. Wel is de locatie gelegen in een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang 'De Kempen'. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen.

In de regio 'De Kempen' zijn de volgende drie punten onderdeel van de ontwikkelingsstrategie:

  • 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio;
  • 2. De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen: “Het Groene Woud” (grotendeels in gebiedspaspoort Meierij); “Dommeldal”; “Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel”; “Oud zandlandschap Cartierheide” (met omliggende akkercomplexen); “Oud zandlandschap bij Stiphout” (ook deels in gebiedspaspoort Peelrand); “Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg” (Gorp en Rovert, De Utrecht, De Hoevens, Het Ooijvaarsnest, Wellenseind; ook deels in gebiedspaspoort Baronie);
  • 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek”, “Kempenland”, “Keersop-Dommel”, “Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa” en “Helmondse Akkers”.

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPBbkr1080-VAST_0012.png" Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van provincie Noord-Brabant

Het plangebied is momenteel onbebouwd waardoor ter plaatsen geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in de vorm van rijks-, gemeentelijk monumenten of beeldbepalende panden. Met de realisatie van dit planvoornemen worden geen cultuurhistorische waarden bedreigd.

Hoofdstuk 5 Het bestemmingsplan

5.1 Plansystematiek

5.1.1 Algemeen

Het bestemmingsplan 'Bokkerijder 12a Waterlaat, Bergeijk' heeft tot doel een juridischplanologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van gronden en gebouwen.

Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor zover mogelijk is ook vooruitgelopen op de aanstaande Omgevingswet.

Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering, die per 1 januari 2010 wettelijk verplicht is, voldoet het plan ook aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Dit bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, maar treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid wordt geschaad.

5.2 Opzet van de regels

Overeenkomstig de SVBP 2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 'Inleidende regels' bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 'Algemene regels' en 'Overgangs- en slotregels' bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen.

5.2.1 Inleidende regels

Begrippen (art. 1):

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP 2012.

Wijze van meten (art. 2):

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012.

5.2.2 Bestemmingsregels

Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen:

  • 1. Bestemmingsomschrijving;
  • 2. Bouwregels;
  • 3. Specifieke gebruiksregels (indien noodzakelijk);
  • 4. Afwijken van de gebruiksregels (indien noodzakelijk);
  • 5. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden (indien noodzakelijk);
  • 6. Wijzigingsbevoegdheid (indien noodzakelijk).

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd.

In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is.

In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving. Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels).

In de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen onder welke voorwaarden een bestemming omgezet kan worden naar een andere bestemming. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij wordt, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden.

5.2.3 Algemene regels

In artikel 5 (de anti-dubbeltelregel) wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In artikel 6 zijn algemene bouwregels opgenomen, met daarin regels voor ondergrondse bouwwerken en ondergeschikte bouwdelen. In artikel 7 en 8 zijn algemene gebruiksregels, en algemene afwijkingsregels opgenomen. In artikel 9 zijn de overige regels opgenomen.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de bepaling Overgangsrecht (artikel 10) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel (artikel 11) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

5.3 De bestemmingen

5.3.1 Bedrijventerrein

De voor ‘Bedrijventerrein' bestemde gronden zijn bestemd voor bedrijven genoemd in bijlage 1 (staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën tot en met 3.2. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag lichaamsverzorgingsproducten' de opslag van lichaamsverzorgingsproducten toegestaan. Tevens wordt ter plaatse van deze aanduiding een Bevi-inrichting toegestaan voor de opslag van brandbare vloeistoffen (ADR klasse 3) tot maximaal 300 ton. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. Tevens zijn het bebouwingspercentage, de goothoogte en de bouwhoogte op de verbeelding aangegeven. Buiten het bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaan. In de regels zijn nadere bouw- en gebruiksregels gegeven.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd.

De ontwikkeling van de locatie Bokkerijder 12a wordt geheel gereliseerd door initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee zijn de kosten anderzins verzekerd. De gemeente zorgt voor het in procedure brengen van de herziening van het bestemmingsplan en de daarbij behorende kosten.

Hoofdstuk 7 Procedures

7.1 Inspraak en vooroverleg

Met het planvoornemen zijn geen rijks-, provinciale en/of gemeentelijke belangen in het geding. Het betreft de verder invulling van een bestaand bedrijventerrein. De herziening van het bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking in het toestaan van een Bevi-inrichting.

Het concept ontwerpbestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken instanties. Er zijn reacties ontvangen van de Provincie Noord-Brabant, het Waterschap De Dommel en de Gasunie. Dit heeft niet geleid tot opmerkingen of aanpassingen van dit bestemmingsplan.

Het plan is op 22 augustus 2018 besproken met de buren van Bokkerijder 12. Hieruit is naar voren gekomen dat bouwen in de erfgrens geen probleem is, mits de wijze waarop vooraf inzichtelijk is. Na de nadere uitwerking van de tekeningen van de situatie volgt een nieuw overleg.

Het planvoornemen is afgestemd met de IntegraalBrandAdviseurs. Dit heeft geleid tot de keuze voor de blusinstallatie. Deze keuze resulteert er in dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour. De veiligheid wordt daarmee in voldoende mate gewaarborgd.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan ‘Bokkerijder 12a Waterlaat, Bergeijk’ is zes weken ter inzage gelegd. In deze periode heeft een ieder de mogelijkheid zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad.

Gedurende de periode van terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.

7.3 Vaststelling

Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Bergeijk van 28 februari 2019.