direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Nistelrodesedijk 6 Vorstenbosch
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van de realisatie van een paardenhouderij en daarmee het vergroten van het bouwvlak voor de aan te leggen rijbak op de locatie Nistelrodesedijk 6 te Vorstenbosch.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Op de locatie is momenteel een zeer beperkt agrarisch bouwvlak gelegen. Op de locatie rust momenteel een agrarische functie. De agrarische bedrijvigheid op de locatie is een tijd geleden al beëindigd. Initiatiefnemer wenst de locatie in te zetten ten behoeve van een productiegerichte paardenhouderij. Dit wil zeggen het fokken en trainen van paarden en pony's om vervolgens te verkopen. Het zal hierbij gaan om het houden van circa 16 paarden en pony's. Voor de gewenste paardenhouderij zijn diverse voorzieningen benodigd. Het is momenteel niet mogelijk om deze binnen het huidige bouwvlak te realiseren. Voor de gewenste functie is daarmee een bouwvlak vergroting nodig.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege wordt gedaan met toepassing van en tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot evenredige bezwaren voor de fysieke leefomgeving.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Nistelrodesedijk 6 en ligt aan de zuidkant van Nistelrode in het landelijk gebied van gemeente Bernheze. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Nistelrode, sectie K, nummers 288. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: PDOK

1.3 Geldend Omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordening) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

Het voorheen geldende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 oktober 2014. Daarnaast geldt het bepaalde in het voormalige bestemmingsplan 'Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018' dat op 18 april 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de functie 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels', de functieaanduiding 'agrarisch bedrijf'' en de maatvoering: 'aantal bedrijfswoningen: 1' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend omgevingsplan van rechtswege
Bron: DSO

Vanuit het voormalige bestemmingsplan is ter plaatse van de agrarische functie uitsluitend een agrarisch (grondgebonden) bedrijf toegestaan. De gewenste functie betreft het fokken en trainen van paarden en pony's voor de uiteindelijke verkoop. Dit valt onder het begrip 'productiegerichte paardenhouderij' en is daarmee rechtstreeks toegestaan.

Daarnaast is voor de gewenste functie een vergroting van het huidige bouwvlak benodigd, om zo doende de rijbak en overige faciliteiten te kunnen realiseren. De gewenste faciliteiten zijn niet toegestaan op basis van artikel 7.2 sub b van het omgevingsplan van rechtswege.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende omgevingsplan van rechtswege. Om deze reden is het noodzakelijk het omgevingsplan van rechtswege gedeeltelijk te herzien. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op het gebied van de fysieke leefomgeving.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de voorbereiding en participatie van het plan. Hierbij is beschreven welke stappen zijn gezet tijdens de voorbereiding van het plan en op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op beleidsmatige afweging. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van de Rijksoverheid, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de toetsing van het plan aan de mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Bernheze.

De omgeving wordt gekenmerkt door een open agrarisch landschap met een mix van graslanden, akkerbouw en verspreid voorkomende bebouwing. De verkavelingsstructuur bestaat grotendeels uit strokenverkaveling, waarbij de kavels relatief langgerekt en smal zijn. Dit patroon sluit aan bij de historische ontginning van het gebied.

De onderlinge percelen worden gescheiden door kavelsloten, houtwallen en enkele erfbeplantingen, wat bijdraagt aan het groene karakter van de omgeving.

In de directe nabijheid van de locatie bevinden zich voornamelijk agrarische bedrijven, burgerwoningen en enkele kleinschalige niet-agrarische ondernemingen. Daarnaast zijn er in de omgeving diverse functies aanwezig, zoals natuurgebieden en recreatieve voorzieningen.

Op de locatie zelf is een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd dat was gericht op de veehouderij. Ter plaatse werd melkvee gehouden.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1.550 m2. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: topotijdreis.nl

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse een productiegerichte paardenhouderij op te richten. Deze paardenhouderij is gericht op het fokken, trainen en verkopen van paarden en pony's. Om deze activiteiten mogelijk te maken, zijn verschillende nieuwe voorzieningen nodig, waaronder drie paddocks, een vaste mestopslag, een longeercirkel, een stapmolen en een buitenrijbaan.

Het bouwvlak ter plaatse is niet toereikend genoeg om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te vergroten. De omvang van het bouwvlak zal daarbij worden vergroot tot 6.300 m2.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0004.png"

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: hv8.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0005.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: hv8.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

Hiermee wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing.

De gemeente Bernheze sluit voor ruimtelijke ontwikkelingen aan bij de regionale uitgangspunten voor toepassen kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant. Daarin wordt onderscheid gemaakt in een drietal categorieën, namelijk:

  • Categorie 1: Deze initiatieven hebben geen impact op de omgeving, of leiden op zichzelf al tot een versterking van het landschap. Geen aanvullende inspanning vereist.
  • Categorie 2: een relatief kleinschalige ontwikkeling met een beperkte impact op de omgeving. Tegenover deze ontwikkeling dient een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer te staan.
  • Categorie 3: Deze initiatieven zijn van relatief grote omvang en hebben een grote impact op de omgeving en het landschap. Tegenover deze ontwikkelingen dient een berekende kwaliteitsverbetering te staan; daarbij wordt uitgegaan van een bijdrage van minimaal 20% van de winst die wordt behaald met de functiewijziging (waarde functie plan minus waarde functie nu). Een aanpak waarbij altijd een goede landschappelijke inpassing wordt gevraagd, aangevuld met een berekening op basis van een beargumenteerd vast bedrag per m² en eventuele andere aanvullende maatregelen zoals een sloopverplichting, wordt gezien als gelijkwaardig. Hierover maken gemeente en provincie afspraken.

Om te bepalen in welke categorie een ontwikkeling valt is het van belang te kijken naar de impact van de ontwikkeling op het landschap. Het gaat daarbij om de balans tussen de ontwikkeling en de tegenprestatie die daarvoor wordt geleverd. Tevens wordt daarbij gekeken of een ontwikkeling passend is in het gebied en de omgeving. De gemeente Bernheze sluit zich aan bij het regionale Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap. Gezien het feit dat het bij de voorgenomen gaat over het vergroten van het (agrarisch) bouwvlak tot een oppervlakte van 6.300 m², is er sprake van een categorie 2 ontwikkeling (voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha). Bij een ontwikkeling in categorie 2 volstaat een goede landschappelijke inpassing. Gezien het voorgaande wordt met de voorgenomen landschappelijke inpassing (paragraaf 2.2.2) voldaan aan de regionale uitgangspunten voor toepassing van kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant.

Hoofdstuk 3 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op het TAM-omgevingsplan dat nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van het TAM-omgevingsplan.

3.1 Vooroverleg met de gemeente

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verzoek voor de intaketafel ingediend. In dit verzoek werd de beoogde ontwikkeling toegelicht. Naar aanleiding van dit verzoek gaf de gemeente de volgende terugkoppeling:

"Uw verzoek staat in lijn met het gemeentelijk en provinciaal beleid, dat is vastgelegd in documenten zoals de Omgevingsvisie Bernheze 2040 en de Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties Bernheze 2021 en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Door deze visies en beleidsstukken te volgen, vervult de gemeente haar rol om enkel plannen toe te staan die bijdragen aan de (maatschappelijke) doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3 van de Omgevingswet).

Wij zijn van oordeel dat het vergroten van het bouwvlak ten behoeve van bouwwerken, geen gebouw zijnde (o.a. rijbakken), niet bijdraagt aan een verbetering van de omgevingskwaliteit, maar wel passend is binnen de omgevingsvisie omdat in het dekzandgebied agrarische ondernemers ruimte wordt gegeven om te innoveren en te groeien.

Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn er bezwaren tegen dit plan. Het plan bevindt zich binnen het deelgebied Vlagheideweg van de Gebiedsvisie 2021. In dit gebied staan veel starre landschapsvensters (waardevolle open ruimte), zo ook bij deze locatie. Binnen deze landschapsvensters zijn ontwikkelingen, het toevoegen van bebouwingen, niet toegestaan. Daarmee moet worden voorkomen dat het uitzicht op het landschap verder dichtslibt. Het doorzicht moet daarom behouden blijven.

We zijn ons ervan bewust dat rijbakken geen gebouwen zijn die het doorzicht mogelijk belemmeren. Toch heeft de inrichting van het erf een grote invloed op de openheid. Daarom wordt vanuit stedenbouw voorgesteld om de doorzichten vanaf de weg op het landschap te verkleinen, door hetzelfde programma te verleggen (korter naast het bedrijfsgebouw en erachter). Dit betreft een ontwerpopgave.

De ontwikkeling valt tevens onder categorie 3 (Beleidsregel Kwaliteitsverbetering) vanwege het uitbreiden bestemmingsvlak (agrarisch) bedrijf. Een landschappelijk inpassingsplan wordt opgenomen als haalbaarheidscriterium voor het vervolg op de omgevingstafel."

Naar aanleiding van bovenstaande onderdelen zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd in het plan:

  • Het plan is aangepast naar een compactere vorm waarbij er meer rekening is gehouden met (open) zichtlijnen. Dit komt daarnaast ook ten goede aan de doorzichten vanuit de weg.
  • Er is een landschapsplan opgesteld die aansluit bij het omliggende landschap. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2.

Het voorliggende document betreft de toelichting van het TAM-omgevingsplan, waarin het voorgenomen initiatief op de verschillende van belang zijnde aspecten is getoetst en afgewogen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2 Participatie

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling. Initiatiefnemers hebben de omwonenden in een persoonlijk gesprek op de hoogte gebracht van hun voornemen en hen de mogelijkheid gegeven om schriftelijk hun reactie kenbaar te maken. Geen van de omwonenden heeft bezwaren geuit tegen het voorliggende plan. De formulieren zijn opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting. Vanuit privacy-overwegingen zijn de persoonsgegevens in dit verslag onherkenbaar gemaakt.

Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties.

Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving. De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal:

  • 1. Klimaatbestendige inrichting in 2050:
    Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld.
  • 2. Duurzame en circulaire economie:
    Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers- en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving.
  • 3. Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland:
    Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd.
  • 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied:
    Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken.

Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten.

Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Het initiatief voorziet niet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Een verdere afweging van de (kwalitatieve en kwantitatieve) behoefte is daarmee dan ook niet nodig.

Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijk beleid.

De Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatie en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leid ttot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan een slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een productiegerichte paardenhouderij opgericht. Noord-Brabant zet in op een economisch sterke en innovatieve agrarische sector, waarbij duurzaamheid en toekomstbestendigheid centraal staan.

De paardenhouderij draagt bij aan de versterking van de regionale agrarische economie door ruimte te bieden aan een gespecialiseerde tak binnen de sector. De ontwikkeling zorgt voor behoud en uitbreiding van werkgelegenheid en draagt bij aan een divers en veerkrachtig buitengebied. Door in te zetten op duurzame bedrijfsvoering en innovatieve technieken, zoals efficiënte water- en mestverwerking en energiezuinige stalvoorzieningen, wordt niet alleen de levensvatbaarheid van het bedrijf vergroot, maar ook de belasting op de leefomgeving beperkt. Dit past binnen de bredere ambitie van de provincie om economische groei te combineren met een verantwoord ruimtegebruik en een gezonde leefomgeving.

Naast de economische component speelt de ruimtelijke inpassing van de paardenhouderij een belangrijke rol in de beoordeling van de ontwikkeling. De provincie hecht grote waarde aan de kwaliteit van het buitengebied en het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische structuren. De paardenhouderij wordt landschappelijk ingepast op een wijze die aansluit bij de bestaande verkavelingsstructuur en het groene karakter van de omgeving.

In het landschappelijk inrichtingsplan, dat door een deskundige is opgesteld, wordt aandacht besteed aan de aanleg van streekeigen beplanting en een natuurlijke erfafscheiding, zodat het bedrijf op een zorgvuldige manier in het landschap wordt opgenomen. Hierdoor blijft de openheid en herkenbaarheid van het Brabantse landschap gewaarborgd, terwijl tegelijkertijd wordt bijgedragen aan de biodiversiteit en de ruimtelijke kwaliteit.Door deze combinatie van economische versterking en landschappelijke inpassing sluit de paardenhouderij goed aan bij de provinciale ambities voor een toekomstbestendig en aantrekkelijk buitengebied. De ontwikkeling draagt bij aan een duurzaam functionerend platteland, waarin zowel agrarische bedrijvigheid als landschaps- en omgevingskwaliteit hand in hand gaan.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 5 december 2023 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordening leidend.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een voormalig agrarisch bedrijf omgeschakeld naar een productiegerichte paardenhouderij.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied', 'stalderingsgebied', 'diep grondwaterlichaam', 'geen attentiezone waterhuishouding', 'beperking grootschalige logistiek'.

Gebieden 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied':

Voor gebieden met de aanduiding 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' gelden aanvullende regels voor regionale wateren. Daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn.

Gebied 'stalderingsgebied':

Binnen de gebieden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden aanvullende regels voor een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderijbedrijf waarop hokdieren worden gehouden. De aanvullende regels met betrekking tot deze gebieden zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Gebied 'geen attentiezone waterhuishouding':

Voor deze gebieden zijn in de verordening geen aanvullende regels opgenomen.

Gebied 'beperking grootschalige logistiek':

Voor gebieden met de aanduiding 'beperking grootschalige logistiek' gelden aanvullende regels voor grootschalige logistiek. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van grootschalige logistiek, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Gebied 'diep grondwaterlichaam':

Voor gebieden met de aanduiding 'diep grondwaterlichaam' gelden aanvullende regels voor onconventionele winning van koolwaterstoffen. Hier is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Binnen het landelijk gebied gelden specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen.

Volgens de definities uit de verordening zijn paarden niet aangemerkt als hokdieren, waarmee geen sprake is van hokdierhouderij. De oppervlakte van dierenverblijven bij een hokdierhouderij zal daarmee afnemen en niet toenemen. Vanuit de verordening wordt het houden van paarden ook niet gezien als een veehouderij, waarmee ook de aanvullende regels met betrekking tot de ontwikkeling van een veehouderij niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Een paardenfokkerij valt hierdoor onder het begrip 'overig-agrarisch bedrijf' volgens de provinciale verordening:

“Een laatste categorie agrarische bedrijven is het overig-agrarisch bedrijf. Hiermee wordt een breed scala aan bedrijven bedoeld. Het gaat daarbij over alle agrarische bedrijven die niet onder definitie van (vollegronds)teelt-, veehouderij- en glastuinbouwbedrijven vallen. Voorbeelden zijn paardenfokkerijen, slakken-, vissen-, wormen- of insectenkwekerijen of bedrijven waar gewassen worden geteeld in gebouwen zoals champignon- en witlofkwekerijen.”

Voor dit type bedrijven is onder artikel 5.73 van de verordening voorwaarden opgenomen voor een overig – agrarische bedrijven. Dit artikel luidt als volgt: “Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan binnen een bestaand bouwperceel voorzien in de ontwikkeling van een overig-agrarisch bedrijf of uitbreiding van een overig-agrarisch bedrijf, tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel.”

Het gewenste bouwvlak blijft ruim onder de gestelde grens van 1,5 hectare. Het beoogde bouwvlak heeft namelijk een oppervlakte van 6.300 m2.

Hiermee wordt er voldaan aan de voorwaarden, de nieuwe ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel en wordt niet uitgebreid, er wordt ruim onder de 1,5 hectare gebleven.

Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een overige agrarische functie in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

"Artikel 5.7 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1.

Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Lid 2.

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in Artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in Artikel 5.9 en;
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen.

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

"Artikel 5.8 zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2.

Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden."

Ad. artikel 5.8

Er is geen sprake van nieuwvestiging maar binnen het huidige bouwvlak is er onvoldoende ruimte voor de voorgenomen ontwikkeling op het bestaande perceel. De gewenste functies zijn op grond van andere bepalingen uit de verordening mogelijk.

In zekere mate is sprake van meervoudig ruimtegebruik. De locatie betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie waaraan een nieuwe invulling wordt gegeven. Daarbij wordt ter plaatse voorzien in een productiegerichte paardenhouderij. Met de nieuwe invulling van het bedrijf wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie opnieuw in gebruik genomen voor een nieuwe functie.

Er is daarmee een afweging gemaakt van intensivering en/of meervoudig ruimtegebruik.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf 'Besluit kwaliteit leefomgeving' (paragraaf 4.1.2), geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk.

Er is geen sprake van splitsing van een bouwperceel. De aanwezige bebouwing is al geconcentreerd. Daarnaast zal er geen nieuwe bebouwing mogelijk worden gemaakt buiten het bouwvlak, slecht voorzieningen voor het kunnen trainen van de paarden en pony's.

Aan de voorwaarden voor zorgvuldig ruimtegebruik wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan, waarmee sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

“Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1

Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologisch waarden;
  • b. net netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Lid 3

Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.”

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk: “Afweging effecten op de fysieke leefomgeving” (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijke) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Er zal daarmee geen sprake zijn van onevenredige nadelige effecten op de omgeving.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

“Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Lid 1

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

De voorgenomen paardenhouderij op de locatie Nistelrodesedijk 6 te Vorstenbosch kan worden getoetst aan Artikel 5.10 Meerwaardecreatie uit de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Dit artikel vereist een evenwichtige benadering van economische, ecologische en sociale aspecten bij ruimtelijke ontwikkelingen en stimuleert het combineren van opgaven en het leveren van een bredere bijdrage aan de omgeving.

De ontwikkeling voldoet aan deze principes door een samenhangende aanpak die niet alleen economische waarde creëert, maar ook ecologische en maatschappelijke meerwaarde genereert.

Economisch draagt de paardenhouderij bij aan de agrarische sector door werkgelegenheid en specialistische bedrijvigheid in stand te houden en te versterken. De gekozen bedrijfsvoering richt zich op duurzaamheid en efficiënt ruimtegebruik, waarmee de ontwikkeling aansluit bij de provinciale ambitie voor een toekomstbestendige en concurrerende economie.

Op ecologisch vlak wordt de ontwikkeling zorgvuldig ingepast in het landschap, waarbij het opgestelde landschappelijk inrichtingsplan een sleutelrol speelt. De aanplant van streekeigen groen en de versterking van landschappelijke structuren dragen niet alleen bij aan de visuele kwaliteit van het gebied, maar bevorderen ook de biodiversiteit. Daarnaast wordt rekening gehouden met duurzaam waterbeheer en mogelijke maatregelen om emissies te beperken, waarmee de ontwikkeling past binnen de bredere provinciale doelstellingen voor natuur, klimaat en milieu.

Ook sociaal gezien levert de ontwikkeling een bijdrage aan het buitengebied. De aanwezigheid van een goed ingepaste paardenhouderij kan de recreatieve waarde van het landschap versterken, aangezien paardenhouderijen vaak een aantrekkelijke rol spelen in het landelijke gebied. Bovendien draagt de versterking van de agrarische structuur bij aan de leefbaarheid van het buitengebied door het behoud van economische activiteiten en het versterken van sociale samenhang binnen de agrarische gemeenschap.

Daarnaast draagt de paardenhouderij bij aan andere ruimtelijke en beleidsmatige opgaven dan alleen de primaire agrarische functie. De ontwikkeling sluit aan bij de provinciale inzet op een klimaatproof Brabant door aandacht voor duurzaam bodem- en watergebruik en draagt bij aan het behoud van het karakteristieke landschap van Noord-Brabant. Door deze integrale benadering wordt voldaan aan de uitgangspunten van artikel 5.10, waarbij de ontwikkeling niet alleen een eigen functie vervult, maar ook bijdraagt aan bredere maatschappelijke en ecologische doelstellingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.

" Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1

Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2

Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:

  • a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of
  • b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.

Lid 3

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:

  • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
  • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
  • c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
  • d. het wegnemen van verharding;
  • e. het slopen van bebouwing ;
  • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of
  • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4

Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken."

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een voormalig agrarisch bedrijf omgeschakeld naar een productiegerichte paardenhouderij.

De paardenhouderij voldoet aan dit artikel door middel van een landschappelijk inrichtingsplan dat specifiek is opgesteld om de nieuwe ontwikkeling op een zorgvuldige manier in de omgeving te integreren.

In dit plan is opgenomen dat de bebouwing landschappelijk wordt ingepast door de aanleg van streekeigen groen, zoals inheemse heggen, bomenrijen en natuurlijke erfafscheidingen. Deze elementen dragen niet alleen bij aan de visuele kwaliteit van het landschap, maar versterken ook de bestaande landschapsstructuren en ecologische samenhang.

Daarnaast sluit de landschappelijke inpassing aan bij de bestaande verkaveling en ruimtelijke structuur van het gebied, wat bijdraagt aan het behoud van cultuurhistorische kenmerken. De inrichting respecteert de kleinschalige agrarische uitstraling van de omgeving en voorkomt dat de nieuwe functie als een storend element wordt ervaren.

Door zorgvuldig gekozen positionering van de gewenste voorzieningen blijft de openheid van het landschap grotendeels behouden, terwijl de bedrijfsactiviteiten uit het zicht worden gehouden. Verder wordt er waar mogelijk verharding beperkt tot functionele bedrijfsdoeleinden. Hiermee wordt voorkomen dat de afwatering en infiltratiecapaciteit van de bodem negatief wordt beïnvloed, wat extra relevant is gezien de ligging nabij het Peelrandbreukstelsel.

Zoals eveneens nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt met het initiatief in voldoende mate geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit volgens het gemeentelijk beleid met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040

Gemeente Bernheze, heeft in het kader van de Omgevingswet een nieuwe omgevingsvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente opgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange(re) termijn opgenomen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt de kaders voor het ruimtelijk beleid zoals is opgenomen in het omgevingsplan.

In de visie wordt onderscheid gemaakt tussen drie deelgebieden met voor elk van deze gebieden een eigen ontwikkelingsperspectief. Deze gebieden zijn als volgt in de visie omschreven:

“Drie deelgebieden met drie ontwikkelperspectieven

De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden.

  • 4. De hoog gelegen Peelhorst (de rug) met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. In een 'levendige schil' rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en bieden we mogelijkheden voor meer bos en andere natuur.
  • 5. De Dekzandgebieden (de flank) waar de intensieve veehouderij bijdraagt aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier ontwikkelen we ook kansen voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld de productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelsranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie (zoals tijdelijke waterberging), lokaal voedsel et cetera.
  • 6. Het Beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw."

De locatie is gelegen in het Dekzandgebied, waarin er mogelijkheden zijn voor de landbouw maar ook voor andere nieuwe verdienmodellen. Over dit gebied wordt het volgende beschreven in de omgevingsvisie:

"De dekzandvlakte ligt tussen de dekzandruggen en heeft een meer open karakter dan de dekzandruggen. De percelen zijn rationeel en relatief grootschalig (de percelen variëren in grote van 10 tot 30 hectare) verkaveld en worden intensief agrarisch gebruikt. Deze grote percelen zijn ontstaan door ruilverkaveling in de jaren '50 tot '75 van de vorige eeuw voor de landbouw, die ook de aanwezigheid van grote boerenerven in het gebied verklaart. Uitzonderingen zijn de natte gebieden Berkt en 't Grolder/Het Broek met een relatief kleinschalig karakter door wegbeplanting en houtsingels en de karakteristieke jonge ontginningen De Bleeken / Het Binnenveld met langgerekte noord-zuid georiënteerde bospercelen. Hoewel het gebied over het algemeen dus vooral gekenmerkt wordt door openheid zijn ook typerende landschapselementen aanwezig als beplanting langs de wegen en percelen, sloten, greppels, natte ecologische verbindingszones en hier en daar een bosje op de overhoeken."

Het voorgenomen initiatief sluit goed aan bij de doelen van dit gebied:


Diversificatie van de landbouw: Het initiatief voor een paardenhouderij biedt een nieuw verdienmodel dat bijdraagt aan de diversificatie van de landbouwsector in het Dekzandgebied. Dit past binnen de visie om naast de traditionele veehouderij ook ruimte te bieden voor andere vormen van agrarische activiteiten.

  • 1. Productiegerichte paardenhouderij: Het fokken en trainen van paarden en pony's introduceert een alternatief agrarisch model dat minder intensief is dan conventionele veehouderij, maar wel economisch rendabel kan zijn. Dit past binnen de gemeentelijke doelen voor innovatieve landbouwpraktijken.
  • 2. Landschappelijke inpassing: Het initiatief omvat een landschappelijk inpassingsplan dat bijdraagt aan de vergroening van perceelsranden en de ontwikkeling van ecologische verbindingen. Dit sluit aan bij de omgevingsvisie die zich richt op natuurontwikkeling en landschapsverbetering binnen het Dekzandgebied.
  • 3. Ecologische Waarde: Door de aanplant van bomen, hagen en grasweides wordt niet alleen de ecologische waarde van het gebied versterkt, maar ook de biodiversiteit bevorderd, wat in lijn is met de gemeentelijke ambities.
  • 4. Versterking van Omgevingskwaliteit: De vervanging van oude, verouderde infrastructuur met moderne nieuwbouw draagt bij aan de verbetering van de omgevingskwaliteit. Dit sluit aan bij de gemeentelijke doelen om de leefomgeving te versterken en aantrekkelijker te maken.
  • 5. Economische Impuls: Het nieuw leven inblazen van een niet-levensvatbare locatie past binnen de ambities om de economische vitaliteit van het gebied te verbeteren en nieuwe kansen te creëren.

Daarnaast wordt ingespeeld op de algemene thema's vanuit de omgevingsvisie:

  • 1. Gezonde leefomgeving: De paardenhouderij is minder intensief dan traditionele veehouderij, wat leidt tot lagere emissies van ammoniak en fijnstof. Dit draagt bij aan een betere luchtkwaliteit in de omgeving. Bovendien worden door de inrichting van het terrein met groene bufferzones geluidsoverlast beperkt.
  • 2. Biodiversiteit: Het landschappelijk inpassingsplan omvat de aanplant van inheemse bomen, hagen, en grasweides, die nieuwe habitats creëren voor lokale flora en fauna. Dit draagt bij aan het vergroten van de biodiversiteit in de regio.
  • 3. Vitaal en duurzame landbouw: De paardenhouderij biedt een duurzaam alternatief binnen de landbouwsector door minder intensieve veehouderijpraktijken te introduceren. Dit vermindert de ecologische voetafdruk en draagt bij aan een duurzamere landbouw.
  • 4. Kwaliteit landschap en erfgoed: Door het vervangen van verouderde gebouwen met esthetisch aantrekkelijke nieuwbouw en het implementeren van een landschappelijk inpassingsplan, wordt de visuele kwaliteit van het landschap aanzienlijk verbeterd.

Zoals blijkt uit het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de thema's die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van de gemeente die zij hebben opgenomen in de Omgevingsvisie Bernheze 2040.

Hoofdstuk 5 Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving

5.1 Milieu

5.1.1 Activiteiten en milieuzonering

In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.

In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige objecten die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.

In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.

De locatie is gelegen in een gebied dat niet kan worden gezien als een "gemengd gebied". Daarom wordt het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als "rustige woonwijk" of "rustig buitengebied".

Het initiatief maakt een paardenhouderij mogelijk. Een paardenhouderij valt, vanuit de tabel met activiteiten van de VNG, onder geluidruimte zone 1 en onder geurruimte zone 2. Omdat de locatie in een rustig buitengebied is gelegen is de geluidruimte zone 30 meter en de geurruimte zone 50 meter groot. Wanneer binnen deze afstanden van de locatie gevoelige objecten zijn gelegen dan moet worden gekeken of met de activiteit aan de maximale waarden voor geur en geluid kan worden voldaan.

Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de bedrijfswoning aan de Nistelrodesedijk 10 en is gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter (gemeten van nieuw bouwvlak tot bouwvlak).

Binnen zowel de geluidruimte zone als de geurruimte zone die voor de activiteit geldt zijn geen gevoelige gebouwen gelegen. Het is daarmee niet te verwachten dat het initiatief zal leiden tot een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die het mag veroorzaken op de daarvoor gevoelige gebouwen.

Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht. Daarnaast is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw op de locatie. Het initiatief zal daarom niet leiden tot een mogelijke (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

5.1.2 Geur

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zijn voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft de normen voor geur vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL zijn normen opgenomen voor verschillende deelgebieden. De locatie is gelegen in het deelgebied "extensiveringsgebied kernen, extensiveringsgebied natuur, woon-werk ontwikkelingsgebieden", waarvoor een geurnorm geldt op geurgevoelige gebouwen van 8 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³).

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een productiegerichte paardenhouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter buiten de bebouwde kom.

De afstand tussen het bouwvlak van het productiegerichte paardenhouderijbedrijf tot de gevel van het meest nabijgelegen gevoelige object aan de Nistelrodesedijk 10 bedraagt 60 meter, daar waar een minimale afstand van 50 noodzakelijk is. In onderstaande figuur is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0006.png"

Figuur: vaste afstanden geur
Bron: DLV Advies.

Zoals eerder is beschreven in de paragraaf 'Activiteiten en milieuzonering' (paragraaf 5.1.1) is er met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een activiteit die valt onder geurruimte zone 2. Uit de toetsing in deze paragraaf blijkt dat er wordt voldaan aan de afstanden die gelden bij deze geurruimte zone.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van geur. De agrarische bedrijfswoning is en blijft een agrarische bedrijfswoning.

De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft de voor het gehele grondgebied van de provincie Noord-Brabant berekend wat de actuele achtergrondbelasting is op basis van het huidige vergunningenbestand. De resultaten van deze berekeningen hebben in een kaart verwerkt waarop de actuele achtergrondbelasting is weergegeven. Zoals te zien in de volgende figuur valt de achtergrondbelasting onder 'redelijk goed'. Hierdoor is er sprake van een gezonde en veilige leefomgeving met betrekking tot het aspect geur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0007.png"

Figuur: uitsnede achtergrondbelasting geur
Bron: ODZOB.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van geur.

5.1.3 Luchtkwaliteit

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) naar een paardenfokkerij. Paarden hebben geen uitstoot van fijnstof.

De locatie is niet in of nabij een aangewezen aandachtsgebied voor zowel stikstofoxiden als fijnstof gelegen. De gehele gemeente Bernheze is echter wel aangemerkt als aandachtsgebied voor fijnstof. Om deze reden moet de gemeente voor fijnstof de zogenaamde rijksomgevingswaarden in acht nemen. Dit hoeft niet als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen (voor paarden is geen fijnstof uitstoot vastgesteld), waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Daarmee is geen verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig.

5.1.3.1 Luchtkwaliteit door verkeer

Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

In onderhavig geval is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. Daarbij is uitgegaan van de totale verkeersgeneratie ten behoeve van de gewenste situatie en niet alleen van de toename. Hiermee kan in voldoende mate worden aangetoond of de gewenste activiteiten kunnen worden gezien als een NIBM-project.

De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0008.png"

Resultaten berekening NIBM-tool.

Bron: InfoMil.

Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van luchtkwaliteit. Daarnaast blijft de functie van de 'agrarische bedrijfswoning' onveranderd.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.1.4 Volksgezondheid

Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen.

Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht.

De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”, het “Endotoxine toetsingskader” en het “onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”. Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”.

5.1.4.1 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid aan de omgeving

De gemeente Bernheze heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt.

Met het initiatief is sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een paardenhouderij, wat gezien wordt als een veehouderij. Om de mogelijke gevolgen van het initiatief op de volksgezondheid in beeld te brengen is in de “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” een praktisch stappenplan opgenomen dat gemeenten kunnen volgen om te bepalen of een verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) nodig is.

Het stappenplan uit de handreiking gaat uit van een aantal stappen, waarbij op verschillende vlakken die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van omwonenden wordt getoetst. Kan bij een van de gehanteerde stappen niet aan de normen voor het toetsen worden voldaan dan wordt geadviseerd verder advies in te winnen bij de GGD. Zij maken dan een verdere afweging van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en geven advies of deze mogelijke gevolgen aanvaardbaar zijn.

Stap 1: Endotoxinen bij varkenshouderijen en/of pluimveehouderijen:

In deze stap wordt getoetst aan de richtafstanden voor varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Is sprake van het uitvoeren van een varkenshouderij en/of pluimveehouderij dan wordt gekeken of binnen de richtafstanden hiervoor gevoelige gebouwen zijn gelegen.

Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een varkenshouderij en/of een pluimveehouderij. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen van varkenshouderijen en/of pluimveehouderijen aan gevoelige gebouwen in de omgeving. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 2: Emissies vanuit activiteiten:

In deze stap wordt getoetst of met de ter plaatse uitgevoerde activiteiten sprake is van een toename van de emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak. Als sprake is van een toename van deze emissies dan kan sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid.

Het initiatief zal, zoals is omschreven in de paragrafen “Geur” (paragraaf 5.1.2 ), “Luchtkwaliteit” (paragraaf 5.1.3) en “Natura 2000-gebieden” (paragraaf 5.2.1), leiden tot een toename van de emissie van geur, fijnstof en/of ammoniak. Er is daarmee sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid vanwege een toename van emissies. Aan de hand van deze stap is dan ook verder advies van de GGD nodig.

Stap 3a: Geur aan de hand van wettelijke normen:

In deze stap wordt getoetst of het initiatief voldoet aan de wettelijke normen die gelden voor geur zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Als sprake is van het houden van dieren dan wordt gekeken of aan de wettelijke normen en/of aan de wettelijke vaste afstanden daarvoor kan worden voldaan.

Met het initiatief is sprake van het houden van paarden. Voor deze dieren zijn geen zogenaamde geuremissiefactoren vastgelegd. Dit zijn waarden voor de emissie van geur die dieren veroorzaken. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd geldt dat aan de wettelijke vaste afstanden moet worden voldaan.

De wettelijke vaste afstanden zijn als volgt:

  • De afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen binnen de bebouwde kom moet minimaal 100 meter bedragen.
  • De afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen buiten de bebouwde kom moet minimaal 50 meter bedragen.
  • De afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen binnen de bebouwde kom moet minimaal 50 meter bedragen.
  • De afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen buiten de bebouwde kom moet minimaal 25 meter bedragen.

Het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw betreft de woning aan de Nistelrodesedijk 10 en is gemeten van de rand van het bouwvlak op de locatie tot aan de gevel van het betreffende geurgevoelige gebouw, gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter van de locatie. Daarmee wordt aan de wettelijke vaste afstanden voldaan. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 3b: Geur aan de hand van de gezondheidskundige advieswaarden:

In deze stap wordt getoetst of het initiatief voldoet aan de zogenaamde gezondheidskundige advieswaarden voor geur. Dit zijn waarden die voor geur zijn opgenomen als advies vanuit een uitgevoerd gezondheidskundig onderzoek. Als sprake is van het houden van dieren dan wordt gekeken of aan de advieswaarden en aan de adviesafstanden kan worden voldaan.

Met het initiatief is sprake van het houden van paarden. Voor deze dieren zijn geen zogenaamde geuremissiefactoren vastgelegd. Dit zijn waarden voor de emissie van geur die dieren veroorzaken. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd geldt dat aan de geadviseerde gezondheidskundige afstand moet worden voldaan.

De geadviseerde gezondheidskundige afstand bedraagt 100 meter vanaf de rand van een bedrijf waarop dieren worden gehouden tot aan de gevel van een geurgevoelig gebouw.

Het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw betreft de woning aan de Nistelrodesedijk 10 en is, gemeten van de rand van het bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer tot aan de gevel van het betreffende geurgevoelige gebouw, gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter van de locatie. Daarmee wordt niet aan de geadviseerde gezondheidskundige afstand voldaan. Aan de hand van deze stap is dan ook verder advies van de GGD nodig.

Stap 4a: Gecombineerde diersoorten:

In deze stap wordt getoetst of sprake is van een combinatie van meerdere gehouden diersoorten die kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Als sprake is van het houden van pluimvee in combinatie met varkens, rundvee in combinatie met schapen en/of geiten en/of van schapen in combinatie met geiten dan is mogelijk sprake van gevolgen voor de volksgezondheid.

Met het initiatief is geen sprake van het houden van pluimvee in combinatie met varkens, rundvee in combinatie met schapen en/of geiten en/of van schapen in combinatie met geiten. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid door het gecombineerd houden van dieren. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 4b: Afstand tussen varkenshouderijen en pluimveehouderijen:

In deze stap wordt getoetst of de afstand tussen varkenshouderijen en pluimveehouderijen voldoende groot is om mogelijke effecten van het gecombineerd houden van deze dieren voor de volksgezondheid te voorkomen. Als sprake is van het houden van varkens en/of pluimvee dan moet de afstand tot bedrijven waarop de andere diersoort wordt gehouden minimaal 100 meter bedragen.

Met het initiatief is geen sprake van het houden van varkens en/of pluimvee. Er is daarmee geen sprake van mogelijke effecten die het gecombineerd houden van deze diersoorten tot gevolg kan hebben op de volksgezondheid. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 5a: Afstand van geitenhouderijen tot gevoelige gebouwen:

In deze stap wordt gekeken of sprake is van het houden van geiten. Als geiten worden gehouden dan is het belangrijk dat de afstand tot gevoelige gebouwen voldoende groot is om mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor een voldoende grote afstand wordt daarbij uitgegaan van een afstand van 2 kilometer. Deze afstand geldt alleen voor locaties waarop meer dan 50 geiten bedrijfsmatig worden gehouden.

Met het initiatief is geen sprake van het bedrijfsmatig houden van geiten. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid door het houden van geiten. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 5b: Afstand van pluimveehouderijen tot gevoelige gebouwen in de omgeving:

In deze stap wordt gekeken of sprake is van het houden van pluimvee. Als pluimvee wordt gehouden dan is het belangrijk dat de afstand tot gevoelige gebouwen voldoende groot is om mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Anders dan in stap 1 wordt hierbij niet uitgegaan van de richtafstand in relatie tot endotoxinen vanuit pluimveehouderijen, maar van de adviesafstand om mogelijke (andere) gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Deze afstand bedraagt 1 kilometer.

Met het initiatief is geen sprake van het houden van pluimvee. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid door het houden van pluimvee. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 5c: Afstand van overige veehouderijen tot gevoelige gebouwen in de omgeving:

In deze stap wordt gekeken of sprake is van het houden van dieren anders dan varkens, geiten en/of pluimvee. Als dieren anders dan varkens, geiten en/of pluimvee worden gehouden dan is het belangrijk dat de afstand tot gevoelige gebouwen voldoende groot is om mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor een voldoende grote afstand wordt daarbij uitgegaan van een afstand van 250 meter.

Het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw betreft de woning aan de Nistelrodesedijk 10 en is, gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan het bouwvlak van het betreffende gevoelige gebouw, gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter van de locatie. Er is daarmee sprake van gevoelige gebouwen binnen 250 meter van de veehouderij van de initiatiefnemer, waarmee sprake kan zijn van mogelijke gevolgen van het gehouden vee voor de volksgezondheid. Aan de hand van deze stap is dan ook verder advies van de GGD nodig.

Stap 6: Mestbewerking of mestverwerking:

In deze stap wordt getoetst of op de locatie sprake is van de bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit. Als sprake is van het bewerken of verwerken van mest dan kan sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid in de omgeving.

Met het initiatief is geen sprake van de bewerking en/of verwerking van mest als zelfstandige activiteit. Daarmee is geen sprake van mogelijke gevolgen van de mestbewerking of mestverwerking als zelfstandige activiteit voor de volksgezondheid. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 7: Ongerustheid bij omwonenden:

In deze stap wordt getoetst of sprake is van ongerustheid ten aanzien van de volksgezondheid bij omwonenden als gevolg van het initiatief. Als tijdens de dialoog die met de omgeving is gevoerd in het kader van participatie naar voren is gekomen dat er bij omwonenden ongerustheid heerst voor de volksgezondheid dan moet hiervoor verder advies worden gevraagd.

Tijdens de voor het initiatief gevoerde dialoog met de omgeving is geen ongerustheid bij omwonenden naar voren gekomen. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Zoals blijkt uit de voorgaande toetsing aan het stappenplan uit de “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” is voor het initiatief verder advies van de GGD nodig. De ontwikkeling betreft enkel een kleinschalige ontwikkeling waarbij slechts 12 paarden op de locatie gehouden gaan worden. Door deze kleinschaligheid zijn gezondheidsrisico's niet te verwachten.

Daarmee is het initiatief voldoende afgewogen op het gebied van volksgezondheid en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.

5.1.4.2 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie

Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt.

Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan.

In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van gevoelige gebouwen en/of locaties. Het meest dichtbij gelegen geitenhouderijbedrijf bevindt zich op een afstand van meer dan 2 km. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Er wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning verbouwd. Dit is en blijft echter een bestaande woning, waarmee geen sprake is van een verandering van de woonsituatie ter plaatse of een toename van het aantal personen op de locatie.

Daarmee zal geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Geluid vanuit activiteiten

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten:

  • Activiteiten waarbij tussen 19:00 en 7:00 per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram en binnen 50 meter van geluidgevoelige gebouwen (anders dan bij een tankstation of horecagelegenheid). Wanneer sprake is van agrarische activiteiten dan geldt deze verplichting alleen tussen 19:00 en 6:00.
  • Het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter (als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving).
  • Het overslaan van metalen in bulk in de buitenlucht of het mechanisch bewerken van metalen in de buitenlucht.
  • Het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden.
  • Het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken.
  • Het vervaardigen van betonmortel of betonwaren.
  • Een binnenschietbaan op minder dan 50 meter van een geluidgevoelig gebouw.
  • Een buitenschietbaan voor zover sprake is van een civiele of militaire schietbaan of militair springterrein (voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden is geen onderzoek nodig).
  • Activiteiten waarbij muziek ten gehore wordt gebracht dat een equivalent geluidsniveau veroorzaakt van 70 decibel in- of aanpandig met geluidgevoelige gebouwen en van 80 decibel in andere gevallen of wanneer muziek ten gehore wordt of zal worden gebracht in de buitenlucht.

Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan.

Binnen de geluidruimte zones, zoals zijn opgenomen in de handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor het aspect geluid bij een paardenhouderij, welke 30 meter bedraagt, zijn geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Daarmee kan de inrichting, ook met een eventuele marginale toename van het ter plaatse geproduceerde geluid, blijven voldoen aan de gangbare normen voor geluid. Eventuele hinder naar de omgeving is, mede gezien de grote afstand tot gevoelige objecten (in ieder geval buiten de geluidruimte zone van 30 meter), dan ook niet te verwachten.

Hiermee is het aannemelijk dat aan de normen kan worden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige gebouwen in de omgeving.

Bij het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke verdere beperking van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving.

5.1.5.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Wanneer een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie verandert dan dient te worden bekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen dient binnen de aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw geluidgevoelig gebouw. De huidige bedrijfswoning wordt verbouwd maar blijft een agrarische bedrijfswoning.

Ter plaatse van de huidige bedrijfswoning is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting op de gevels. Bij de voorgenomen ontwikkeling komt de bedrijfswoning niet op kortere afstand van de weg en mogelijke andere geluidsbronnen te staan, waarmee geen sprake zal zijn van een hogere geluidbelasting op de gevels van de woning. Daarnaast is de locatie niet binnen een aandachtsgebied voor geluid gelegen van een weg, spoorweg of industrieterrein. Daarmee zal in de gewenste situatie eveneens sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting op de gevels, en daarmee aan de normen worden voldaan.

Gezien het voorgaande is geen sprake van mogelijke belemmeringen op het aspect geluid.

5.1.6 Externe veiligheid

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over externe veiligheid. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van externe veiligheid wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, mits goed gemotiveerd, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed gemotiveerd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor externe veiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het voormalige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

5.1.6.1 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een paardenhouderij. Er is daarbij geen sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet aan te merken als een risicovolle inrichting.

Verder dient te worden onderzocht of nabij de locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende figuur is een uitsnede uit deze kaart weergegeven, waarop de plaatsgebonden risicocontouren van mogelijke risicovolle activiteiten nabij de locatie zijn opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De locatie is eveneens niet binnen een PR-10-6-contour van een andere risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

5.1.6.2 Groepsrisico

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Ook de aandachtsgebieden zijn geïnventariseerd en in beeld gebracht in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zoals te zien in de uitsnede van deze kaart, zoals is opgenomen in de paragraaf “plaatsgebonden risico” (paragraaf 5.1.6.1), is de locatie niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden gelegen.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het groepsrisico.

5.1.7 Bodem

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is een belangrijk uitgangspunt het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarnaast is een afweging nodig van de balans tussen milieu- en gezondheidsrisico’s enerzijds en maatschappelijk gewenste activiteiten anderzijds wanneer sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit.

Gemeenten dienen hiervoor regels in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving inzake bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft ter voorbereiding op het omgevingsplan aanvullende regels voor bodem vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt vanuit de VFL een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het gebruik van stoffen die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen.

Met het initiatief worden geen verblijfsruimtes/gevoelige objecten of bebouwing opgericht. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de gebruikers van de gronden. De kwaliteit van de bodem en het grondwater is daarmee geschikt voor de gewenste functie.

De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen betrekking op activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen en vindt niet plaats ter plaatse van een mogelijk verontreinigde bodem Er zijn daarmee ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect bodem.

5.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en een te realiseren nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, kan worden gehanteerd.

Verder is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen);
  • de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid;
  • de frequentie van het spuiten;
  • de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting);
  • de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Gemeenten dienen in het omgevingsplan voorwaarden op te nemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen generieke spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan in het omgevingsplan wel aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In de zogenaamde "bruidsschat" zijn geen aanvullende regels opgenomen over gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen dient de afweging plaats te vinden op basis van de huidige inzichten.

Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.

Echter moet worden uitgegaan van de planologische mogelijkheden van de omliggende gronden. De gronden hebben een agrarische functie. Bomenteelt is vanuit het geldende omgevingsplan uitsluitend toegestaan ter plaatse van een specifieke aanduiding daarvoor. De omliggende gronden hebben deze niet, waarmee bomenteelt op de omliggende gronden is uitgesloten. Wel kan nog sprake zijn van het telen van andere gewassen met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het geldende omgevingsplan biedt daaraan geen verdere beperkingen.

Feitelijk worden de omliggende gronden niet gebruikt voor de teelt van gewassen met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en is dit in het verleden eveneens niet gebeurd. Vanuit jurisprudentie vanuit de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat als geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en in voldoende mate aannemelijk kan worden gemaakt dat verandering van het bestaande gebruik van die gronden onwaarschijnlijk is, geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Gezien het huidige gebruik en het gebruik van de gronden voor de teelt van gewassen zonder daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is het niet waarschijnlijk dat het gebruik van deze gronden zal veranderen. Het is daarmee niet aannemelijk dat op de omliggende gronden gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt.

Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van nieuwe gevoelige functies. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijk verhoogd risico ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen.

5.1.9 Hoogspanningsverbindingen

De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld.

Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.

5.1.10 Voortoets MER-beoordeling

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een paardenhouderij. Vanaf het houden van 25 paarden/pony's is er sprake van een milieubelastende activiteit. Vanaf 50 paarden geldt er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden er minder dan 25 paarden/pony's gehouden. Hierdoor is er geen sprake van activiteiten die voorkomen op de lijst uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een activiteit die aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

5.2 Ecologie

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden valt daarmee onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen op in de eigen omgevingsvisie. Daarnaast kunnen provincies nadere regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifiek zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij eveneens het Natuurnetwerk Nederland beschermd dient te worden.

5.2.1 Natura 2000-gebieden

Om de natuur te beschermen, geeft de Rijksoverheid regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Wanneer een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek) is gelegen op een afstand van ongeveer 16,7 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand zijn nadelige gevolgen als de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen uit te sluiten. Deze zullen in de betreffende gebieden op een dergelijke afstand immers niet merkbaar zijn. Wel kunnen mogelijk nadelige gevolgen optreden als gevolg van de depositie (neerslag) van stikstof in de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een paardenhouderij.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is met het rekenprogramma Aerius Calculator berekend of sprake is van een projecteffect dat mogelijk leidt tot significante effecten. Uit de berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar).

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden.

5.2.2 Houtopstanden

De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

In feite gelden de regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit de Omgevingswet over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Verder heeft de gemeente Bernheze aanvullende regels vastgesteld over de kap van bomen. Bij elke ontwikkeling gelden de regels zoals zijn opgenomen in het bomenbeleidsplan en het Handboek bomen, van waaruit eveneens de bomenposter "Werken rondom bomen" van toepassing is. Vanuit deze documenten mogen geen gemeentelijke bomen worden gekapt voor het gewenste initiatief.

Met het gewenste initiatief zal geen sprake zijn van de kap van gemeentelijke bomen. Er is daarmee geen sprake van strijdigheid met de aanvullende regels van de gemeente met betrekking tot de kap van bomen.

5.2.3 Soortenbescherming

In de Omgevingswet worden regels gesteld voor de bescherming van flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

De grond op de locatie bestaat uit agrarische landbouwgronden en gronden op een agrarisch erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen soorten planten bevinden.

Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen diersoorten zullen bevinden.

Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden.

Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in sloten hebben gevestigd.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt slechts voorzien in het oprichten van voorzieningen ten behoeve van de paardenhouderij. Er is geen sprake van het oprichten of het slopen van bebouwing.

Op basis hiervan zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Er is daarmee geen sprake van een activiteit met mogelijke nadelige gevolgen voor soorten flora en fauna.

5.2.4 Natuurnetwerk Nederland

Omdat de natuur vanuit de Omgevingswet deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving en voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden een algemene zorgplicht geldt dient ook voor gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en heeft ten behoeve van het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 310 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0011.png"

Uitsnede kaart NNN/NNB.

Bron: Provincie Noord-Brabant.

Indien een ontwikkeling niet binnen het NNN/NNB plaatsvindt dan dient te worden gekeken of de activiteit een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het betreffende gebied. Wanneer sprake is van een dergelijke mogelijke aantasting dan dienen de negatieve effecten waar mogelijk te worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten te worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.

Deze nadelige effecten treden met name op binnen een afstand van 250 meter van een NNN/NNB gebied. Wanneer er binnen deze afstand activiteiten worden uitgevoerd dan kan dit mogelijk leiden tot nadelige effecten op de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Het gaat dan voornamelijk om effecten door de uitstraling van licht en geluid en door de emissie van fijnstof.

De locatie is niet binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied gelegen. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen ontwikkelingen in een NNN/NNB gebied en/of binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied plaatsvinden zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

5.3 Cultureel erfgoed

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid gereguleerd in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.

5.3.1 Archeologie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. Daarom zal de gemeente de vrijstelling ook met archeologisch-inhoudelijke redenen moeten onderbouwen.

Gemeenten nemen deze vrijstellingsgrenzen in het omgevingsplan op, afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft nadere regels voor archeologie vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL is een verbod opgenomen om de bodem te verstoren ter plaatse van een archeologisch monument of in een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht.

Om te bepalen of sprake is van een gebied waarin archeologische vondsten kunnen worden verwacht heeft de gemeente in het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied", dat deel uitmaakt van het "omgevingsplan van rechtswege" verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. De locatie is gelegen ter plaatse van een gebied zonder verwachtingswaarde.

Nader onderzoek is hiermee niet noodzakelijk.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten hebben op archeologische monumenten en/of op gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.

5.3.2 Cultuurhistorie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0012.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

5.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0013.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

De beoogde voorzieningen zijn gedeeltelijk in en nabij het aardkundig waardevol gebied, het Peelrandbreukenstelsel, gelegen. Dit betreffen uitsluitend voorzieningen en geen gebouwen.

Behoud van de natuurlijke waterhuishouding
De Peelrandbreuk speelt een cruciale rol in de grondwaterstromen, met een duidelijke scheiding tussen relatief natte en droge gebieden. De ontwikkeling van de paardenhouderij leidt niet tot significante ingrepen in het natuurlijke waterpeil of de waterafvoer. Er worden geen grote drainage- of ontwateringssystemen aangelegd die de grondwaterstromen in het gebied zouden kunnen verstoren.

Beperkte bodemverstoring

De aardkundige waarde van de Peelrandbreuk ligt onder andere in de herkenbare breuklijnen en bijbehorende bodemstructuren. De ontwikkeling van de paardenhouderij leidt niet tot diepe grondverzetwerkzaamheden of funderingen die de geologische lagen ingrijpend zouden verstoren. De bouwwerken worden zorgvuldig gepositioneerd binnen het bestaande landschap en de reeds aanwezige verkavelingsstructuren, waardoor de aardkundige samenhang behouden blijft.

Inpassing in het landschap

Het plan voorziet in een landschappelijke inpassing die de bestaande kenmerken van het gebied respecteert en versterkt. De aanplant van streekeigen beplanting en het gebruik van natuurlijke afscheidingen dragen bij aan de visuele integratie van het bedrijf in de omgeving, zonder afbreuk te doen aan de aardkundige kwaliteiten van het landschap. Dit sluit aan bij het provinciale beleid voor aardkundige waardevolle gebieden, waarin wordt gestreefd naar behoud en herkenbaarheid van geologische structuren.

Geen negatieve effecten op flora en fauna
De Peelrandbreuk draagt bij aan een unieke biodiversiteit, doordat de verschillende grondwaterstanden leiden tot een diversiteit aan vegetatie en leefgebieden. De ontwikkeling van de paardenhouderij brengt geen schadelijke effecten met zich mee voor de natuurlijke vegetatie of diersoorten die afhankelijk zijn van de specifieke hydrologische en bodemgesteldheid van het gebied. De aanleg van groenstroken en natuurlijke afscheidingen draagt juist bij aan de biodiversiteit en vormt een aanvulling op de ecologische structuren in het gebied.

Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundige waarden worden geschaad.

5.4 Verkeer en parkeren

5.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Nistelrodesedijk. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee is geen sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

De gemeente Bernheze heeft in het parkeerbeleid parkeernormen opgenomen voor verschillende activiteiten. Voor een paardenhouderij/manege geldt er vanuit het beleid een norm van 0,4 parkeerplaats per bezette box. Er zullen maximaal 16 paarden gehouden gaan worden, dit komt neer op 6,4 parkeerplaatsen voor de beoogde ontwikkeling.

Op eigen terrein is ruim voldoende ruimte voor 4,4 parkeerplaatsen, waarmee parkeren geheel op eigen terrein zal plaatsvinden.

5.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een productiegerichte paardenhouderij. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen.

Voor wat betreft de verkeersbewegingen wordt aangesloten bij de landelijke kencijfers voor verkeersgeneratie zoals zijn vastgelegd in de handreiking "Verkeersgeneratie en parkeerkencijfers 2024" van het Kennisplatform CROW.

Voor een paardenhouderij/manage in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van 4 verkeersbewegingen per bezette box.

In de beoogde situatie zal daarmee sprake zijn van 64 verkeersbewegingen per dag op basis van een worst-case benadering. In de praktijk zal er sprake zijn van minder verkeersbewegingen van en naar de locatie toe. De werkzaamheden op de locatie worden met name uitgevoerd door de initiatiefnemer zelf. Daarnaast kent een manege een veel hoger bezoekersaantal dan een productiegerichte paardenhouderij waardoor het aantal verkeersbewegingen in realiteit veel lager zal liggen.

Voor een woning geldt een verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per woning.

Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

5.5 Water

Het watersysteem is een essentieel onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moet gemeente rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas. Daarmee is het waterschap Aa en Maas de waterbeheerder en dient de gemeente de opvattingen van het waterschap bij het opstellen van het omgevingsplan te betrekken.

5.5.1 Beleid waterschap

Gemeenten en provincies dienen omgevingsvisies op te stellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op. Ze hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als provincies hun omgevingsvisie opstellen. Het waterschap kan als waterbeheerder zijn ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het waterschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.


Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024:

Met de invoering van de Omgevingswet is het beleid zoals is opgenomen in de Waterschapsverordening Aa en Maas 2024 in werking getreden. De waterschapsverordening bevat aanvullende bepalingen voor wateractiviteiten in het belang van:

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  • de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Verder zijn in de waterschapsverordening aanvullende regels opgenomen voor activiteiten in de aangewezen beperkingsgebieden en zijn gevallen aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m³ water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als:

  • het verhard oppervlak niet toeneemt met meer dan 500 m²;
  • de toename van het verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak;
  • het verhard oppervlak toeneemt tussen de 500 m² en 10.000 m² en hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de rekenregel;
  • er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt:

"benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m)"

Waterbeheerplan:

Op 1 december 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen.

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:

  • 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Waterschapsverordening

De waterschapsverordening omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De waterschapsverordening is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger:

De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Vanuit de legger is te zien dat in de buurt van de locatie geen watergangen of beschermingszones gelegen. Daarmee zullen de betreffende watergangen niet worden beperkt of geschaad.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01_0014.png"

Uitsnede kaart legger oppervlaktewater.
Bron: Waterschap Aa en Maas.

5.5.2 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het realiseren van een paardenhouderij met bijbehorende faciliteiten. Hiervoor zal extra verhard oppervlak worden toegevoegd. Langs de stal wordt na de rijbak een verhard pad aangelegd. Dit pad heeft een lengte van ongeveer 60 meter lang en 4 meter breed. Het Verder is de mestplaat ook te schalen onder verharding. Deze mestplaat heeft een oppervlakte van 7,5 bij 15 meter. Bij elkaar betreft dit een toename in verhard oppervlak van 352,5 m2. De overige faciliteiten zijn niet overdekt en verhard.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de richtlijnen die zij hebben vastgelegd in de waterschapsverordening, zoals nader zijn omschreven in de paragraaf "Beleid waterschap" (paragraaf 5.5.1). In het kort gelden de volgende regels:

  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig.
  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel.
  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Hiervoor is eveneens een omgevingsvergunning nodig.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak beperkt toenemen. Echter blijft de toename in verhard oppervlak onder de 500 m2. Hiermee is vanuit de richtlijnen van het waterschap geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

De gemeente Bernheze heeft echter aanvullend beleid opgenomen. Vanuit de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) geldt dat voor iedere toename van het verhard oppervlak aanvullende compensatie nodig is op eigen terrein. Daarbij mag een eventuele afname van het verhard oppervlak niet worden meegerekend. Dit betekent dus dat iedere m² aan nieuwe bebouwing en/of verharding gecompenseerd moet worden, ongeacht of op een locatie ook wordt gesloopt en/of verharding wordt verwijderd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het realiseren van diverse voorzieningen ten behoeve van een paardenhouderij. In totaal is er sprake van een toename in verhard oppervlak met 352,5 m2.

Vanuit de VFL geldt voor compensatie dat per m² aan nieuwe bebouwing of verharding minimaal 20 millimeter aan compenserende waterberging nodig is. Voor de voorgenomen ontwikkeling betekent dit dat minimaal 7 m³ aan compenserende waterberging nodig is. Op welke wijze compensatie zal plaatsvinden is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 5.5.3).

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

De locatie grens aan het Peelrandbreukenstelsel. De Peelrandbreuk speelt een cruciale rol in de grondwaterstromen, met een duidelijke scheiding tussen relatief natte en droge gebieden. Het is van belang dat de grondwaterstromen niet worden geschaad. Daarnaast is rondom breuklijnen vaak sprake van wijstvorming. Dit heeft vooral betrekking op de wijstgebieden op de hoger gelegen delen rondom de breuklijnen. Bij ontwikkelingen is het van belang hier rekening mee te houden.

De ontwikkeling van de paardenhouderij leidt niet tot significante ingrepen in het natuurlijke waterpeil of de waterafvoer. Er worden geen grote drainage- of ontwateringssystemen aangelegd die de grondwaterstromen in het gebied zouden kunnen verstoren.

De locatie is niet in een wijstgebied of nabij wijstgronden gelegen. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de wijstgronden en zal geen sprake zijn van wateroverlast als gevolg van wijstverschijnselen op de locatie.

De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor de waterhuishouding ter plaatse. Daarbij zal deze zelf voldoende maatregelen treffen om een mogelijke aantasting van het watersysteem en/of wateroverlast te voorkomen.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

5.5.3 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 5.5.2) is voor de voorgenomen ontwikkeling minimaal 7 m3 aan compenserende waterberging nodig.

Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. De GHG ter plaatse bedraagt tussen de 61 en 164 centimeter onder maaiveld.

Voor de opvang van het hemelwater wordt aan de oostzijde van het erf een wadi gerealiseerd met een oppervlakte van 119 m². Uitgaande van een GHG van tenminste 61 cm onder maaiveld is dit ruimschoots voldoende om 7 m³ aan hemelwater te bergen. Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning en/of een ontheffing noodzakelijk. Mocht een omgevingsvergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

5.6 Duurzaam ontwikkelen

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op duurzame wijze ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (voor het bijdragen aan de energiedoelstellingen) en klimaatadaptatie.

5.6.1 Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het van belang te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar wordt gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.

Gemeenten kunnen in de regels van het omgevingsplan vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevinswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Ook in de gemeentelijke Verordening Fysieke Leefomgeving zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.

Bij de ontwikkeling van de paardenhouderij op de locatie Nistelrodesedijk 6 te Vorstenbosch is rekening gehouden met duurzaamheid, passend bij de ambities vanuit de Omgevingswet en de bredere maatschappelijke beweging richting toekomstbestendig bouwen en ondernemen.

Waterbeheer

Er wordt aandacht besteed aan het omgaan met hemelwater. Regenwater van daken en verharde delen wordt zoveel mogelijk op eigen terrein geïnfiltreerd om bij te dragen aan een natuurlijke waterhuishouding en wateroverlast te voorkomen. Hiermee wordt aangesloten bij de bredere klimaatdoelstellingen omtrent waterberging en het voorkomen van verdroging.

Landschappelijke inpassing en biodiversiteit
De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting, zoals opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan. Deze beplanting draagt niet alleen bij aan een verzorgde uitstraling, maar biedt ook ruimte voor biodiversiteit. Door het gebruik van inheemse soorten wordt bijgedragen aan het versterken van de natuurlijke omgeving.

Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die bijdraagt aan de doelstellingen voor duurzaamheid.

5.6.2 Energietransitie

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op duurzame en schone wijze wordt opgewekt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Ook in de gemeentelijke Verordening Fysieke Leefomgeving zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.

In de bedrijfsvoering wordt rekening gehouden met het beperken van fossiele brandstoffen. Bijvoorbeeld door te kiezen voor elektrische apparatuur en werktuigen waar dat haalbaar is. Daarnaast wordt gezocht naar mogelijkheden om transportbewegingen te beperken, wat indirect ook bijdraagt aan minder uitstoot.

Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die bijdraagt aan de doelstellingen voor energietransitie.

5.6.3 Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen maatgevende buien steeds vaker voor. Het is van belang om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft in paragraaf 3.4 van de Verordening Fysieke Leefomgeving regels opgenomen over de afvoer van hemelwater en waterberging. Deze regels zijn aan te merken als aanvullende regels voor klimaatadaptatie. Toetsing aan deze regels heeft reeds plaatsgevonden in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5). Uit deze toetsing blijkt dat met het initiatief aan deze aanvullende regels kan worden voldaan. Voor het overige heeft de gemeente nog geen aanvullende regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie vastgesteld. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie.

Bij de ontwikkeling van de paardenhouderij op de locatie Nistelrodesedijk 6 te Vorstenbosch is rekening gehouden met klimaatadaptatie.

Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen
Hoewel de primaire focus van klimaatadaptatie ligt op het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, blijft het verminderen van de oorzaak — de uitstoot van broeikasgassen — essentieel. De paardenhouderij wordt zodanig ingericht dat het energieverbruik beperkt blijft door onder andere goede isolatie en efficiënte bedrijfsvoering. Waar mogelijk wordt gebruikgemaakt van duurzame om bij te dragen aan een lagere CO2-uitstoot. Dit sluit aan bij de bredere doelstellingen van de energietransitie.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een zeer beperkte toename van verhard oppervlak. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5), sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij wordt voorzien in compenserende waterberging. Daarbij is deze voldoende groot aangelegd om de verharde oppervlakte op de locatie in zijn geheel te compenseren volgens de richtlijnen van het waterschap en de gemeente.

Daarnaast is de locatie gelegen op zandgronden met een relatief hoge infiltratiecapaciteit. Dit betekent dat in geval van extreme neerslag inundatie van percelen rondom de locatie mogelijk is, waarbij delen van de percelen gedurende één dag onder water kunnen staan zonder dat dit overlast veroorzaakt aan omliggende percelen.

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag.

Overstromingen:

De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (tussen de 6,5 en 7 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag. Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu is voor de locatie opgenomen dat deze deels niet zal overstromen en de kans op een overstroming op het andere deel niet hoger is dan 1 keer in de 100.000 jaar. Dat betreft geen grote kans op een overstroming.

Verder zijn de eerste en tweede verdieping van de woning en de daken van de bedrijfsbebouwing veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot onevenredige risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress
Hittestress kan zowel dieren als mensen beïnvloeden. Daarom wordt bij de inrichting van het terrein gezorgd voor voldoende groenvoorzieningen die zorgen voor schaduw en verkoeling. De landschappelijke inpassing bevat streekeigen groen dat niet alleen het beeld van het landschap versterken, maar ook bijdragen aan temperatuurregulatie.

Rekening houden met droogte
De locatie wordt ingericht met aandacht voor waterbeheer. Door het aanleggen van voldoende onverharde, groene zones wordt de infiltratiecapaciteit van regenwater behouden, wat bijdraagt aan het op peil houden van het grondwater.

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van klimaatadaptatie.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële haalbaarheid

6.1.1 Kostenverhaal

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten en aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen.

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

De voorgestane ontwikkeling aan de Nistelrodesedijk 6 te Vorstenbosch betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. De initiatiefnemer is daarbinnen onder andere verantwoordelijk voor de kosten die de gemeente maakt voor het toetsen en in procedure brengen van deze wijziging van het omgevingsplan. Deze kosten worden verhaald middels een anterieure overeenkomst (zoals bedoeld in artikel 13.13 Ow). Het is daardoor niet noodzakelijk om kostenverhaalsregels op te stellen. Het verhaal van kosten is anderszins verzekerd.

6.1.2 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten.
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld:

  • een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan.
  • een regel in het omgevingsplan. Deze moet rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten.
  • een maatwerkvoorschrift.

Als een omgevingsplan regelt dat voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, is niet het omgevingsplan de schadeoorzaak. Dat is in die situatie de omgevingsvergunning.

Ingeval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakende besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende schade leiden. De gemeente verhaalt de kosten die zij hiervoor maakt middels de hiervoor genoemde anterieure overeenkomst. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd (zoals bedoeld in artikel 13.3C Ow.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).

Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.

De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:

Voorbereiding:

Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.

Ontwerpen:

In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende regels opgesteld of gewijzigd.

Besluiten:

Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.

Bekendmaking:

Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Rechtsbescherming:

In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

Hoofdstuk 7 Juridische planopzet

Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat.

Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Het realiseren van een productiegerichte paardenhouderij op deze locatie is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (in casu 22w) toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22w van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Nistelrodesedijk 6 te Vorstenbosch (tenzij ze daarmee strijdig zijn en niet van toepassing worden verklaard). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld de reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor het plangebied beschreven. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor het TAM-omgevingsplan voor de locatie is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Voor de functie 'Agrarisch met waarden' is aangesloten op andere recente plannen binnen de gemeente en bij de geldende functies op deze betreffende percelen. Regels die niet van toepassing zijn, zijn hierbij niet overgenomen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor de nieuwe ontwikkelingen, dus voor alle in het plan opgenomen functies.

Bijlagen bij de regels

Dit zijn de bijlagen waarna in de regels wordt verwezen. De overige bijlagen zijn als bijlagen bij de toelichting gevoegd.

Hoofdstuk 8 Belangenafweging en conclusie

Bij het nemen van een besluit op een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan gelden in ieder geval de volgende criteria:

  • 1. de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet)
  • 2. de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet)
  • 3. de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
  • 4. de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening.

Redenen voor de gemeente om het omgevingsplan niet te wijzigen zijn dan bijvoorbeeld:

  • 1. De gewenste ontwikkeling past niet binnen gemeentelijk beleid. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie en programma's van de gemeente. Dan is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of is er strijd met andere doelen van de Omgevingswet.
  • 2. Voor de gewenste ontwikkeling zijn regels nodig die in strijd zijn met de doelen van de Omgevingswet.
  • 3. Er is geen bereidheid bij de gemeenteraad om het omgevingsplan aan te passen. Hierbij kunnen ook financiële overwegingen meespelen.

De aanvrager dient bij zijn aanvraag de gegevens aan te leveren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en die hij redelijkerwijs kan krijgen. De gemeente Bernheze mag besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aangeleverde stukken (ook na aanvulling) onvoldoende zijn. Zie de artikelen 3:10, derde lid, 4:2, tweede lid en 4:5 en Awb.

8.1 Doelen van de wet (Omgevingswet artikel 1.3)

De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld.

Het initiatief draagt met een goede landschappelijke inpassing en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit, bij aan meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en aan een betere omgevingskwaliteit. Daarnaast is sprake van het vervullen van een maatschappelijke behoefte zonder dat deze ten koste gaat van de gebruiksmogelijkheden voor toekomstige generaties.

Er wordt daarmee bijgedragen aan de doelstellingen van de Omgevingswet.

8.2 Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Uit artikel 1.2 van de Omgevingswet volgt welke activiteiten in elk geval tot de fysieke leefomgeving behoren.

Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren.

De gemeente Bernheze beoordeelt aan de hand van de gegevens of er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstuk 5).

Gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving is er voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bernheze waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.