direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Nistelrodesedijk 6 Vorstenbosch
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01

Regels

Pré-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Nistelrodesedijk 6 Vorstenbosch en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22w van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22w van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22w' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22w’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - Wro-plannen
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.
1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Nistelrodesedijk 6 Vorstenbosch, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1721.TAM22w-VG01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 2.2 daarvan is afgeweken.

2.2 aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.47 gehanteerd.

2.3 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Nistelrodesedijk 6 Vorstenbosch.

2.4 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Bernheze.

2.5 verbeelding

de analoge en digitale voorstelling van de in het TAM-omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

2.6 aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.7 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.8 aangebouwde bijgebouwen

een uitbreiding van het hoofdgebouw, die wat afmetingen betreft ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.9 agrarisch grondgebruik

de aanwending van open grond ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

2.10 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.11 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.

2.12 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie of het toegelaten gebruik van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.

2.13 bestaand
  • a. bij bouwwerken:
    een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van de ontwerp wijziging omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik:
    het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van de ontwerp wijziging omgevingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.
2.14 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

2.15 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.16 caravan

een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag-, of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan.

2.17 carport/overkapping

een bouwwerk dat zowel feitelijk als in visueel ruimtelijke zin aan maximaal twee zijden, een gesloten, al dan niet eigen, wand kent.

2.18 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.19 erf

het perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en blijkens de functie die aan de gronden is gegeven voor deze inrichting in aanmerking komt.

2.20 functietype

verzamelnaam voor het soort bebouwing en gebruik zoals die op grond van artikel 4 op een bepaalde locatie van toepassing is.

2.21 gebruik

het gebruiken, het doen gebruiken en het laten gebruiken.

2.22 hoofdverblijf

de plaats die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van een persoon en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, die tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid.

2.23 huishouden

één persoon of een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die alleen of gezamenlijk een eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning.

2.24 kampeermiddel

een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

2.25 lawaaisporten

een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen gildes, de autosport, motorsport, (model)vliegsport, de schietsport met behulp van vuurwapens, de jachtsport wordt hier niet onder begrepen.

2.26 nevenactiviteit

een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit TAM-omgevingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. De nevengeschiktheid volgt in dit kader uit de afhankelijkheid van de hoofdfunctie.

2.27 omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit:

  • a. een bouwactiviteit;
  • b. het in stand houden van een bouwwerk; en
  • c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
2.28 parkeren

het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in-of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en/of lossen van goederen.

2.29 peil
  • d. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm;
  • e. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
  • f. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.
2.30 perceelsgrens

de kadastrale grens van een perceel.

2.31 permanente bewoning

het feitelijk bewonen van een gebouw gedurende het gehele jaar of grootste gedeelte van het jaar.

2.32 recreatiewoning

een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor het verblijven van een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar.

2.33 rijbak

een niet overdekt (geheel van ) bouwwerk(-en) geen gebouw(-en) zijnde met bijbehorende voorzieningen, ingericht voor het africhten, trainen, en berijden van paarden en pony’s en het anderszins beoefenen van de paardensport.

2.34 ruimtelijke uitstraling

de waarneembare invloed van landschappelijke, stedenbouwkundige, waterhuishoudkundige en cultuurhistorische aard op de omgeving.

2.35 spuitplaats

een plaats voor het schoonspuiten of wassen van machines en bedrijfswagens.

2.36 standplaats

een kavel, bedoeld voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.

2.37 teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf, fruitteeltbedrijf of boomkwekerij.

2.38 tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders

het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden, met een maximum van 8 maanden per jaar, op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten.

2.39 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorzieningen welke op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 aaneengesloten maanden per jaar. De voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik.

2.40 verhard

een verharding bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmede vergelijkbare vaste/gesloten materialen.

2.41 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

2.42 voorgevelrooilijn

de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen.

2.43 vrijstaand bijgebouw

een bijgebouw, dat gesitueerd is op een afstand van het hoofdgebouw en in functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.44 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen.

2.45 werk

een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.

2.46 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

2.47 woonunit

een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het tijdelijke woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 t/m 3.9.

3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

de maat tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het o pdat perceel voorkomend gebouw, waar die afstand het kortst is;

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.6 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.7 meten

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

3.8 ondergeschikte bouwonderdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

3.9 afstemming peil

Bij de afstemming met het peil, zoals omschreven in artikel 2.29, wordt bij nieuwe gebouwen de bovenkant van de afgewerkte beganegrondvloer aangehouden.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels'.

4.2 Toedeling van functies aan locaties

Een als 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van het aanwezige besloten of halfopen landschap met een kleinschalige percelering, houtwallen, ruige perceelsranden en slootkanten;
  • b. behoud van landschapselementen;
  • c. het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden;
  • d. instandhouding van de typerende geologie/ geomorfologie;
  • e. agrarisch grondgebruik;
  • f. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
    • a. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf';
  • g. nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf en aan huis gebonden beroep in de bestaande aard en omvang;
  • h. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. extensieve dagrecreatie;
  • k. doeleinden van openbaar nut;
  • l. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' toegestaan;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals een spuitplaats, perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

4.3 Gebruiksactiviteit - specifieke functieregels
4.3.1 Aan huis verbonden beroep

Aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  • b. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
4.3.2 Specifiek

Functietype agrarisch bedrijf:

Als specifieke nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf zijn de volgende activiteiten toegestaan onder de

volgende voorwaarden:

  • a. de verkoop van streekeigen producten tot een verkoopvloeroppervlak van max. 100 m², evenals de verkoop van streek- of bedrijfseigen producten met een bestaand verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m²;
  • b. mestbewerking als nevenactiviteit ten behoeve van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat mestbewerking voor derden niet is toegestaan.
4.4 Gebruiksactiviteit - verboden
4.4.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies en niet voldoet aan het gestelde in 4.3.

4.4.2 Specifiek

Het is in ieder geval verboden om:

  • a. gronden te gebruiken of laten gebruiken als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
  • b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. gronden te gebruiken of laten gebruiken als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  • d. gebouwen te gebruiken of laten gebruiken voor de huisvesting van seizoensarbeiders;
  • e. bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen te gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning;
  • f. recreatiewoningen te gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van permanente bewoning;
  • g. gronden te gebruiken of laten gebruiken voor de beoefening van lawaaisporten;
  • h. activiteiten uit te voeren zoals bedoeld in VIII van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet toegestaan, behoudens wanneer met de uit te voeren activiteiten wordt voldaan aan de waarden zoals zijn opgenomen in artikel 5.39, onder 2 van het Bal;
  • i. blijvende ondersteunende voorzieningen aan te leggen voor teelt van gewassen vrij van de grond.
  • j. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie;
  • k. het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
  • l. de aanleg van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond.
4.5 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
4.5.1 Algemeen
  • a. Bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 4.2 genoemde functies;
  • b. Alleen de volgende bouwwerken zijn toegestaan:
    • 1. bedrijfsgebouwen;
    • 2. bedrijfswoningen;
    • 3. bijbehorende bouwwerken;
    • 4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.5.2 Beoordelingsregels die voor alle bouwwerken gelden

Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen op een als 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels' aangewezen locatie dient te worden aangetoond dat het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij getoetst wordt aan de volgende aspecten:

  • a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;
  • b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter;
  • c. de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan bebouwing mag worden gehandhaafd, hersteld, vervangen en uitgebreid met inachtneming van het bepaalde in dit lid, met dien verstande dat wanneer de bestaande bebouwing en bestaande maatvoering afwijken van hetgeen in de hierna volgende regels is aangegeven, de afwijking niet mag worden vergroot. De voorgaande volzin is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan;
  • d. nieuwe teeltondersteunende voorzieningen zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan.

Voor de op te richten bebouwing gelden (mede) de volgende regels:

  • e. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • f. vervangende nieuwbouw van de (bedrijfs)woning, al dan niet in combinatie met vervanging van het overige deel van het hoofdgebouw waar de bedrijfswoning onderdeel van uitmaakt, is toegestaan binnen de bestaande fundamenten, tot een maximale inhoudsmaat van 750 m³ danwel overeenkomstig de bestaande (grotere) inhoud;
  • g. teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan;
  • h. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen de bestaande fundamenten van gebouwen;
  • i. rijbakken zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan;
  • j. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde is uitsluitend toegestaan indien er voldoende waterberging wordt gerealiseerd en deze waterberging duurzaam in stand wordt gehouden, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in lid 8.2.
4.5.3 Beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van een doelmatig, reëel agrarisch bedrijf waarbij geldt dat overtollige of leegstaande bebouwing en reeds verstrekte vergunningen worden betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid en de noodzaak van de bebouwing;
  • b. bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd ten behoeve van deze functie. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn;
  • c. de goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer dan 12 meter bedragen;
  • e. de afstand van bedrijfsgebouwen tot aan de functie 'Verkeer' moet minimaal 15 meter bedragen;
  • f. de afstand van bedrijfsgebouwen tot aan de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 5 meter bedragen;
  • g. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning moet minimaal 2 meter bedragen;
  • h. een vergroting van maximaal 10% van de onder c t/m g genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits:
    • 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    • 2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    • 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid;
      • de externe veiligheid.
  • i. geringe mate van afwijking van de onder c t/m g genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.
4.5.4 Beoordelingsregels voor bedrijfswoningen

Bedrijfswoningen voldaan aan de volgende kenmerken:

  • a. bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd ten behoeve van deze functie. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn;
  • b. de goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 meter bedragen;
  • d. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m³ bedragen.
  • e. de afstand van bedrijfswoningen tot aan de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 5 meter bedragen;
  • f. de afstand van aangebouwde bijgebouwen tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning moet minimaal 2 meter bedragen;
  • g. een vergroting van maximaal 10% van de onder b t/m f genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits:
    • 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    • 2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    • 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid;
      • de externe veiligheid.
  • h. geringe mate van afwijking van de onder b t/m f genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.
4.5.5 Beoordelingsregels voor vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning

Vrijstaande bijgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. de goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning mag niet meer dan 100 m² bedragen.
  • d. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot aan de bedrijfswoning moet minimaal 3 meter en mag maximaal 20 meter bedragen;
  • e. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot aan de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 5 meter bedragen;
  • f. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning moet minimaal 2 meter bedragen;
  • g. een vergroting van maximaal 10% van de onder a t/m f genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits:
    • 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    • 2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    • 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid;
      • de externe veiligheid.
  • h. geringe mate van afwijking van de onder a t/m f genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.
4.5.6 Beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en/of artikel 22.36 van het omgevingsplan, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 1 meter voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    • 2. 2 meter achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning.
  • b. carports/overkappingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
    • 1. de hoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van carports/overkappingen mag niet meer dan 30 m² bedragen;
    • 3. per bouwvlak zijn maximaal 2 carports/overkappingen toegestaan.
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 6 meter bedragen.

4.6 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting

van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het woonmilieu van de omgeving, waaronder in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden;

vergunningvoorschriften danwel maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

 

4.7 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken
4.7.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning kan worden verleend:

  • a. voor een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens als bepaald in 4.5.3, 4.5.4 en 4.5.5, onder de voorwaarden dat:
    • 1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    • 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
  • b. voor een grotere gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen zoals bepaald in 4.5.5. In geval van sloop van overtollige bebouwing (overmaat) mag maximaal 75% van het te slopen oppervlak worden vervangen tot een maximum oppervlakte van 500 m², met dien verstande dat deze maximale oppervlakte inclusief de reeds bestaande oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning betreft;
  • c. voor het oprichten van gebouwen op een kleinere afstand tot de functie 'Verkeer' als bepaald in 4.5.3 en 4.5.4, onder de voorwaarde dat:
    • 1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    • 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
  • d. voor het oprichten van erfafscheidingen, in afwijking van het bepaalde in 4.5.6, waaronder mede worden begrepen terreinomheiningen en open hekwerken buiten het bouwvlak tot een maximum hoogte van 2 meter, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting is van de open structuur van de omgeving.
  • e. voor het in afwijking van het bepaalde in 4.5.2, onder f oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten, onder de voorwaarden, dat:
    • 1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
    • 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
    • 3. er geen sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand.
  • f. voor het, in afwijking van het bepaalde in 4.5.2, onder d, toestaan van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, onder de voorwaarden, dat:
    • 1. uitsluitend tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
    • 2. de hoogte van de teeltondersteunende voorzieningen niet hoger zijn dan 4,5 meter;
    • 3. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de waarden omschreven in 4.2.
  • g. voor het bepaalde in 4.5.3 voor een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter voor bedrijfsgebouen, onder de voorwaarde dat:
    • 1. er geen onevenredige aantasting is van de omgeving.
    • 2. er sprake is van goede ruimtelijke uitstraling.
4.7.2 Bijzondere aanvraagvereisten

Een in 4.7.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. de waterhuishoudkundige situatie.
4.8 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
4.8.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 4.2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven;
  • b. het ophogen;
  • c. het vergraven;
  • d. het diepploegen en -woelen;
  • e. het egaliseren;
  • f. het indrijven van voorwerpen in de grond;
  • g. het aanleggen van drainage;
  • h. het aanleggen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het dempen van kleine geisoleerde wateren;
  • l. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;
  • m. het rooien van houtgewas;
  • n. het aanplanten van houtgewas (anders dan ten behoeve van een boomkwekerij);
  • o. het omzetten van grasland in bouwland;
  • p. het omzetten van grasland in boomkwekerij of sierteeltgrond;
  • q. het aanbrengen van verhardingen groter dan 200 m²;
  • r. het aanbrengen van verhardingen op wegen en (fiets)paden;
  • s. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
  • t. het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels.
4.8.2 Uitzonderingen

Het in artikel 4.8.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;
  • b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan.
4.8.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

4.8.4 Waarden

Onder de in 4.8.3 genoemde waarden worden verstaan:

  • a. ten aanzien van de in 4.8.1 onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, l, q, r en s genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de typerende geologie/geomorfologie zoals tot uitdrukking komend in de aardkundige vorm van het object of gebied (oude stroomgeulen, steilranden etc.), bodemopbouw en instandhouding van de grondwaterstand in klei-of veengebieden;
  • b. ten aanzien van de in 4.8.1 onder k, l en m genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van plassen en poelen, bepaald door:
    • 1. matig voedselrijk;
    • 2. gevoed door grondwater;
    • 3. ondiep;
    • 4. omgeven door ruigtekruiden en struweel, hydrologisch geïsoleerd in cultuurlandschap.
  • c. ten aanzien van de in 4.8.1 onder a, b, c, d, e, f, m, p, q en t genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van slootkanten, bepaald door:
    • 1. gemiddeld hoge grondwaterstand;
    • 2. microreliëf;
    • 3. geleidelijke gradiënt in nat-droog;
    • 4. soms ondoorlatende laag in ondergrond;
    • 5. extensief maaibeheer;
    • 6. flauw talud sloot.
  • d. ten aanzien van de in 4.8.1 onder m genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van struwelen en houtwallen, bepaald door:
    • 1. aanwezigheid van een gevarieerde boom-, struik en kruidlaag;
    • 2. microreliëf;
    • 3. (gedeeltelijk) aaneengesloten linten.
  • e. ten aanzien van de in 4.8.1 onder i, j en m genoemde werken of werkzaamheden: het besloten coulissenlandschap, bepaald door landschappelijke elementen afgewisseld met landbouwgronden in kleine eenheden;
  • f. ten aanzien van de in 4.8.1 onder o, p en t genoemde werken of werkzaamheden: het open landschap, bepaald door het ontbreken van opgaande begroeiing en bebouwing;
  • g. ten aanzien van de in 4.8.1 onder a, b, c, d, e, n, q, r en t genoemde werken of werkzaamheden: het open akkercomplex, bepaald door reliëf, vorm en functie van de akkers;
4.8.5 Advies

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werken en/of werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 5 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en als dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 7 Specifieke beoordelingsregels bouwen

7.1 Algemeen

Bij de beoordeling van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan worden buiten beschouwing gelaten:

  • a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Parkeren
  • a. Er dient voldoende parkeergelegenheid voor auto's in stand gehouden te worden ten behoeve van de functie(s) als bedoeld in Hoofdstuk 2. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers.
  • b. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.
8.2 Hemelwaterberging

Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de ontwikkeling niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater op het oppervlaktewater;
  • b. de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
  • c. de compensatie ten minste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt;
  • d. de compensatie in de openbare ruimte tenminste 70 mm per m² verharding bedraagt;
  • e. de compensatie minimaal 20 mm per m² verharding bedraagt;
  • f. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen of de omgevingsvergunning werken en werkzaamheden danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt, uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project wordt gerealiseerd en in stand gehouden.
8.3 Landschappelijke inpassing

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen overeenkomstig de functie is alleen toegestaan, indien de landschappelijke inpassing ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen – landschappelijk inpassing' binnen maximaal 24 maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is aangelegd conform het inrichtingsplan en aldus in stand wordt gehouden. Onder inrichtingsplan wordt in deze planregels verstaan het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels.

8.4 Natura2000-gebieden

De stikstofemissie veroorzaakt door alle activiteiten onlosmakelijk verbonden aan het plangebied mogen niet leiden tot een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.

8.5 Anti-dubbeltelregeling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.