direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, De Bunders, Heesch
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01

Regels

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie 'De Bunders, Heesch' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22d]) van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22d] van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22d]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22d]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan gemeente Bernheze

Dit TAM-omgevingsplan wijzigt het omgevingsplan van de gemeente Bernheze in die zin dat na hoofdstuk 22 een hoofdstuk 22d wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

1.2 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat afd. 22.2

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk (22d) zijn van toepassing op de locatie De Bunders, Heesch waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in artikel 1.1 van het omgevingsplan gemeente Bernheze zijn van overeenkomstige van toepassing op dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de volgende begrippen gehanteerd:

3.1 Omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Bernheze.

3.2 TAM-omgevingsplan

het ''TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, De Bunders, Heesch'' van het omgevingsplan gemeente Bernheze).

3.3 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

3.4 verbeelding

de analoge en digitale voorstelling van de in het TAM-omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

3.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.6 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.7 aanduidingsvlak

een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens.

3.8 aaneengebouwde woningen

een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen inclusief de van dit blok deel uitmakende eind- of hoekwoningen.

3.9 aangebouwde bijgebouwen

een uitbreiding van het hoofdgebouw, die wat afmetingen betreft ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

3.10 aan huis verbonden bedrijf

een bedrijf, niet zijnde een webshop, dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf.

3.11 aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep.

3.12 achtergevel

de gevel van een gebouw, die is gesitueerd tegenover de voorgevel van het betreffende gebouw.

3.13 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis.

Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt.

3.14 agrarisch grondgebruik

de aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf.

3.15 ander-werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid.

3.16 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.17 bed & breakfast

een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

3.18 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

3.19 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroep c.q. een bedrijf aan huis of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.

3.20 begane grond

de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau dan wel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1 m boven meetniveau is gelegen.

3.21 beperkt kwetsbaar object
  • a. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, dienst- en bedrijfswoningen van derden, sporthallen en -terreinen, zwembaden en speeltuinen;
  • b. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder c, vallen;
  • c. kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder d, vallen;
  • d. objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  • e. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

3.22 bestaande aantal woningen

het aantal woningen per perceel of bouwvlak dat op het moment van terinzagelegging van het omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald.

3.23 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het omgevingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.

3.24 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

3.25 bijgebouw

een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

3.26 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.27 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

3.28 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw.

3.29 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.30 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel.

3.31 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

3.32 bouwvlakgrens

de grens van een bouwvlak.

3.33 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

3.34 carport/overkapping

een bouwwerk dat zowel feitelijk als in visueel ruimtelijke zin aan maximaal twee zijden, een gesloten, al dan niet eigen, wand kent.

3.35 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.36 eindwoning

de eerste of laatste woning van een blok van aaneengebouwde woningen.

3.37 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit TAM-omgevingsplan die inrichting niet verbiedt.

3.38 erker

een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag.

3.39 extensieve dagrecreatie

recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten.

3.40 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.41 gebruiken

gebruiken, het doen gebruiken, het laten gebruiken en het in gebruik geven.

3.42 geschakelde woningen

woningen waarvan de hoofdgebouwen door middel van bijbehorende bouwwerken met elkaar verbonden zijn en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijdelingse bouwperceelsgrens is gebouwd.

3.43 gestapelde woningen

geheel of gedeeltelijk boven en/of onder elkaar gelegen woningen in een gebouw of gebouwcomplex.

3.44 grondgebonden agrarisch bedrijf

agrarisch bedrijf waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en geitenhouderij en waaronder mede begrepen een productiegerichte paardenhouderij en paardenfokkerij; intensief veehouderijbedrijf; glastuinbouwbedrijf; intensieve kwekerij, waaronder een viskwekerij en champignonkwekerij; melkveehouderij,

met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt.

3.45 grondgebonden woning

een gebouw dat uitsluitend één woning omvat, zijnde een vrijstaande-, twee-aaneengebouwde-, aaneengebouwde-, geschakelde- of patiowoning en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen en dat direct grenst aan en toegankelijk is vanaf de weg.

3.46 hoeksituatie

de zijgevel van een hoofdgebouw grenst aan openbaar gebied (een straat, openbaar groen of water).

3.47 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

3.48 huishouden

één persoon of een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die alleen of gezamenlijk een eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning.

3.49 kampeermiddel
  • a. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
  • b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is;

één en ander voor zover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

3.50 landschapselement:

punt-, lijn- en vlakelementen, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving. Een en ander met dien verstande dat onder landschapselementen niet worden verstaan elementen die zijn opgericht in het kader van nieuw groen is vrij groen.

3.51 locatiegrens

de grens van een locatievlak.

3.52 maatvoeringsgrens

de grens van een maatvoeringsvlak.

3.53 maatvoeringsvlak

een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt.

3.54 nevenactiviteit

een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit TAM-omgevingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. De nevengeschiktheid volgt in dit kader uit de afhankelijkheid van de hoofdfunctie.

3.55 normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.

3.56 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar nut.

3.57 openbaar gebied

de openbare weg, openbaar groen en water.

3.58 parkeren

het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

3.59 patiowoning

een woning met een geheel of gedeeltelijk omsloten binnenplaats of binnenhof gevormd door de zijmuren van naburige dan wel op het eigen (bouw)perceel aanwezige gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.60 peil
  • a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm;
  • b. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
  • c. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouw zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.

3.61 permanente bewoning

het feitelijk bewonen van een gebouw gedurende het hele jaar of het grootste deel van het jaar.

3.62 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

3.63 rug-aan-rug-woning

Een rug-aan-rug-woning is een woning waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een andere woning.

3.64 schuilgelegenheid:

een gebouw dat bedoeld is voor het bieden van beschutting en schuilruimte voor vee.

3.65 seksinrichting
  • a. een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden dan wel voor detailhandel in seks- en/of porno-artikelen.
  • b. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksautomaat of sekswinkel, al dan niet in combinatie met elkaar.

3.66 Staat van Bedrijfsactiviteiten

een als Bijlage 1 bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.

3.67 stacaravan

een onderkomen met een maximale grootte van 30 m², onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen en dat door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als stacaravan.

3.68 standplaats

een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.

3.69 stedenbouwkundige waarde/kwaliteit

de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situatie en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied.

3.70 twee- aaneengebouwde woningen

blokken van maximaal twee aaneen gebouwde woningen, waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar gekoppeld zijn.

3.71 tiny house

een volledig uitgeruste woning, met een zeer klein oppervlakte en is bedoeld om het hele jaar door bewoond te worden. Het is een onderdeel van een leefstijl waar bewoners bewust voor kiezen.

3.72 tuin

niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

3.73 uitbouw

de vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

3.74 vloeroppervlakte

de totale oppervlakte van alle vloeren op alle verdiepingen in een woning.

3.75 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

3.76 voorgevelrooilijn

de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen.

 

3.77 voorste bouwperceelgrens

de naar de weg gekeerde bouwperceelgrens of, indien het een bouwperceel betreft met meer dan één naar de weg gekeerde grens, de bouwperceelgrens die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

3.78 voorste bouwvlakgrens

De grens van het bouwvlak gelegen aan de zijde van de weg.

3.79 vrijstaand bijgebouw

een bijgebouw, dat gesitueerd is op een afstand van het hoofdgebouw en dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

3.80 vrijstaande woning

een hoofdgebouw zonder gemeenschappelijke wand met een ander hoofdgebouw.

3.81 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen.

3.82 webshop

een bedrijf, dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op de opslag en distributie van aankopen die via internet tot stand zijn gekomen, alsmede het beheren van de bijbehorende website, door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan en dat het niet is toegestaan voor consumenten om ter plaatse goederen af te halen.

3.83 werk

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.

3.84 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

3.85 woonunit

een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het tijdelijke woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.

3.86 zorgwoning

een gebouw in gebruik als zelfstandige woning gericht op het verlenen van zorg.

Onderstaande begrippen zijn specifiek van toepassing op hoofdstuk 3 Algemene regels over functies en hoofdstuk 5 Kostenverhaalregels.

3.87 Aanbestedingsprotocol

het gemeentelijk document waarin staat aangegeven op welke wijze de opdracht voor de uitvoering van werken en werkzaamheden wordt gegund.

3.88 Bestekken

de vastlegging naar plaats, omvang, materiaal en kwaliteit van tot stand te brengen objecten, tevens omvattende de administratieve voorwaarden, de algemene technische bepalingen en de bepalingen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden waaraan tijdens de totstandkoming van deze objecten moet worden voldaan, dienende ter verkrijging van prijsopgaven van inschrijvers en ter contractuele vastlegging tussen opdrachtgever en aannemer/leverancier, welke vastlegging gebaseerd is op de systematiek van de RAW.

3.89 Bouwactiviteit

een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

3.90 Bouwrijp maken

in het Kostenverhaalsgebied zijn de volgende werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken voorzien:

  • a. het ontdoen van bebouwing, bouwresten, verhardingen, funderingen, kabels- en leidingen en andere boven- en ondergrondse obstakels, inclusief afvoeren en storten volgen de geldende wet- en regelgeving;
  • b. het ontgraven, ophogen en egaliseren van het terrein, inclusief afvoeren en storten volgens de geldende wet- en regelgeving;
  • c. het verwijderen van struiken, gewassen, bomen en boomstronken, inclusief afvoeren en storten volgende de geldende wet- en regelgeving;
  • d. het dempen van sloten en watergangen;
  • e. het aanbrengen van drainage in de openbare ruimte;
  • f. het afvoeren van grondwater en reguleren van grondwater;
  • g. het aanleggen van duikers, rioleringen ((verbeterd) gescheiden stelsel) en (riool)gemalen, persleidingen;
  • h. het aanbrengen van wadi's en/of andere waterbergingsvoorzieningen inclusief eventueel noodzakelijke grondkerende constructies zoals beschoeiing en/of damwand;
  • i. het aanleggen van de aansluiting op het omliggende wegennet;
  • j. het aanleggen van bouwwegen, (tijdelijke) openbare verlichting en (tijdelijke) parkeerplaatsen;
  • k. en overige voorkomende werkzaamheden.

3.91 Eindafrekening

afrekening van betaalde kostenverhaalsbijdragen als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Omgevingswet.

3.92 Functieregels

regels die conform artikel 4.1 lid 1 en artikel 4.2 lid 1 van de Omgevingswet in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen.

3.93 Kostenverhaalbeschikking

beschikking als bedoeld in artikel 13.18 van de Omgevingswet.

3.94 Kostenverhaalsbijdrage

de door een aanvrager van een bouwactiviteit aan de gemeente verschuldigde betaling in de kosten op grond van artikel 13.11 Omgevingswet.

3.95 Kostenverhaalsgebied

het kostenverhaalsgebied De Bunders, zoals aangeduid op de verbeelding (overige zone - kostenverhaalsgebied), waarop de kostenverhaalsregels uit hoofdstuk 5 en de overige regels van dit plan, waarin specifiek wordt verwezen naar het Kostenverhaalsgebied, van toepassing zijn.

3.96 Kostenverhaalplichtige activiteiten

de activiteiten, bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

3.97 Kostenverhaalsopzet

de kostenverhaalsopzet zoals opgenomen in bijlage 24 bij de toelichting.  

3.98 Kostenverhaalsregels

de kostenverhaalsregels als bedoeld in artikel 13.14 en artikel 13.15 van de Omgevingswet.

3.99 Nutsvoorzieningen

in het Kostenverhaalsgebied zijn de volgende werken en werkzaamheden voor de aanleg van nutsvoorzieningen, inclusief bijbehorende bovengrondse voorzieningen, voorzien:

  • a. aanleg van en, indien van toepassing, verplaatsing of aanpassing van nutsvoorzieningen. Hieronder worden in ieder geval verstaan: leidingen voor water, elektra, datatelecom zoals glasvezel of kopernetwerk en bestaande leidingen voor gas, inclusief de nodige onder- en bovengrondse voorzieningen, zoals transformatorhuisjes, verdeelkasten en installaties/gebouwen voor duurzame energievoorzieningen. Hierbij moet worden uitgegaan van standaard nutsinfra die wordt aangeboden. Er is geen sprake van extra nutsvoorzieningen die noodzakelijk zijn voor een bepaalde bedrijfsvoering.

3.100 Openbare ruimte

de gronden in en ten behoeve van het Kostenverhaalsgebied waarop de openbare voorzieningen worden gereconstrueerd of gerealiseerd, waaronder openbare wegen, waterwegen en groenvoorzieningen.

3.101 Plankosten

plankosten als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingsregeling.

3.102 Uitgeefbare gronden

de gronden waarop één of meer bouwactiviteiten mogelijk zijn met bijbehorend erf.

3.103 Werken en werkzaamheden

werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in de omschrijving van bouwrijp maken van het Kostenverhaalsgebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het woonrijp maken van het Kostenverhaalsgebied.

3.104 Woonrijp maken

in en ten behoeve van het Kostenverhaalsgebied zijn de volgende werken en werkzaamheden voor het (her)inrichten van de openbare ruimte voorzien:

  • a. het aanleggen, aanpassen dan wel herstellen van wegen en pleinen, zowel met een open verharding als asfalt, met bijbehorende (verkeers- en verkeersregulerende) voorzieningen en bermen;
  • b. het aanleggen van inritten, trottoirs, voet- en rijwielpaden en (definitieve) parkeerplaatsen;
  • c. het aanleggen van (definitieve) openbare verlichting;
  • d. het aanleggen van bluswatervoorzieningen of brandputten indien noodzakelijk vanuit veiligheidsdienst, waaronder begrepen brandkranen met aansluitingen;
  • e. het plaatsen van straatnaamborden, markeringen, verkeers- en waarschuwingsborden, bebakening en belijning;
  • f. het plaatsen van straatmeubilair, speelvoorzieningen, hondentoiletten, sierende elementen en afrasteringen in de openbare ruimte;
  • g. het aanleggen van groenvoorzieningen plus plantvakverbetering en watertoevoer / beluchtingsvoorzieningen inclusief het verzorgen van het eerstejaarsonderhoud hiervan;
  • h. het aanleggen van waterbergingsvoorzieningen;
  • i. het aanleggen van geluidwerende voorzieningen;
  • j. en overige voorkomende werkzaamheden.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

4.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens

de maat tussen de zijdelingse grens van een (bouw)perceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

4.2 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

4.3 bebouwingspercentage

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel;

4.4 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.5 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;

4.6 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

4.7 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

4.8 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.9 meten

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

4.10 ondergeschikte bouwonderdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

4.11 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

4.12 oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

4.13 afstemming peil

bij de afstemming met het peil, zoals omschreven in de begrippen wordt bij nieuwe gebouwen de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer aangehouden.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch - 1

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch - 1'.

5.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch - 1' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. de uitoefening van agrarische activiteiten in de vorm van agrarisch grondgebruik;

een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen.

5.3 Gebruiksactiviteit - verboden
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om:

  • a. gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden;
  • b. gronden en bouwwerken te gebruiken voor standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
  • c. gronden te gebruiken als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  • d. gronden te gebruiken voor de beoefening van lawaaisporten;
  • e. gronden te gebruiken de aanleg van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond;
  • f. op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - spuitzone' gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.

5.4 Bouwactiviteit - beoordelingsregels
5.4.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m.

Artikel 6 Agrarisch - 2

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch - 2'.

6.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch - 2' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' met uitzondering van een geitenhouderij;
  • c. een burgerwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
  • d. een nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf en aan huis gebonden beroep in de bestaande aard en omvang;
  • e. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. behoud van landschapselementen;
  • h. extensieve dagrecreatie;
  • i. doeleinden van openbaar nut;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

6.3 Gebruiksactiviteit - verboden

Het is verboden om:

  • a. gronden te gebruiken als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
  • b. gronden te gebruiken als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  • c. gebouwen te gebruiken voor voor de huisvesting van seizoensarbeiders;
  • d. bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen te gebruiken ten behoeve van bewoning;
  • e. recreatiewoningen te gebruiken ten behoeve van permanente bewoning;
  • f. gronden te gebruiken voor de beoefening van lawaaisporten;
  • g. blijvende ondersteunende voorzieningen aan te leggen voor teelt van gewassen vrij van de grond;
  • h. op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - spuitzone' gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.

6.4 Gebruiksactiviteit - specifieke regels
6.4.1 Aan huis verbonden beroep

Aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  • b. met dien verstande dat bij een cultuurhistorisch waardevol pand de als zodanig in gebruik genomen oppervlakte maximaal 150 m² mag bedragen;
  • c. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.

6.4.2 Nevenactiviteit agrarisch bedrijf

Als specifieke nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf zijn de volgende activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. de verkoop van streek- of bedrijfseigen producten tot een verkoopvloeroppervlak van max. 100 m², evenals de verkoop van streek- of bedrijfseigen producten met een bestaand verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m²;
  • b. mestbewerking als nevenactiviteit ten behoeve van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat mestbewerking voor derden niet is toegestaan.

6.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit
6.5.1 Recreatieve nevenactitviteiten bij een woning
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van recreatieve nevenactiviteiten zoals bed & breakfast, theeschenkerij bij een woning (functietype 'wonen').
  • b. De omgevingsvergunning voor recreatieve nevenactiviteiten zoals bed & breakfast, theeschenkerij bij een woning (functietype 'wonen') wordt alleen verleend indien;
    • 1. de bed&breakfast is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - woonwerkontwikkelingsgebied';
    • 2. deze nevenactiviteit is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen toegestaan;
    • 3. de nevenactiviteit is ondergeschikt van aard;
    • 4. bed&breakfast vindt uitsluitend plaats in bestaande gebouwen, er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast plaats;
    • 5. de gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m2;
    • 6. ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn 5 kamers en in totaal maximaal 10 (éénpersoons)bedden toegestaan;
    • 7. geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen wordt veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
    • 8. permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
    • 9. het kampeerterrein qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
    • 10. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    • 11. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    • 12. wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5.2 Verbrede landbouw en recreatieve nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijf
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van verbrede landbouw of recreatieve nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf').
  • b. De omgevingsvergunning om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van verbrede landbouw of recreatieve nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') wordt alleen verleend indien:
    • 1. de activiteit blijft ondergeschikt aan het bestaand gebruik van het perceel;
    • 2. de activiteit qua aard en omvang dient te passen bij de specifieke agrarische kwaliteit en schaal van de omgeving;
    • 3. de maximale oppervlakte voor de recreatieve nevenactiviteit niet groter mag zijn dan 500 m²;
    • 4. de activiteit niet mag leiden tot toename van bebouwing;
    • 5. de activiteit geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
    • 6. de activiteit qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
    • 7. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m2 en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2;
    • 8. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    • 9. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    • 10. sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;
    • 11. wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5.3 Nevenactiviteiten in de vorm van inpandige opslag bij agrarisch bedrijf
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bestaande opstallen bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') te gebruiken voor een niet-agrarische nevenactiviteit in de vorm van inpandige statische opslag van caravans, boten en daarmee vergelijkbare objecten.
  • b. De omgevingsvergunning om bestaande opstallen bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') te gebruiken voor een niet-agrarische nevenactiviteit in de vorm van inpandige statische opslag van caravans, boten en daarmee vergelijkbare objecten wordt alleen verleend indien:
    • 1. de opslag niet mag plaatsvinden in kassen;
    • 2. de vloeroppervlakte van de bestaande bebouwing welke wordt aangewend voor de nevenactiviteit niet meer mag bedragen dan 1000 m²;
    • 3. detailhandel ten behoeve van deze niet-agrarische nevenactiviteit niet is toegestaan;
    • 4. wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5.4 Nevenactiviteiten in de vorm van een kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de gronden bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') te gebruiken voor een niet-agrarische nevenactiviteit in de vorm van een kampeerterrein.
  • b. De omgevingsvergunning om de gronden bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') te gebruiken voor een niet-agrarische nevenactiviteit in de vorm van een kampeerterrein wordt alleen verleend indien:
    • 1. het maximaal 25 kampeerplaatsen betreft;
    • 2. kampeermiddelen tot maximaal 50 m van de grens van het agrarisch bouwvlak geplaatst mogen worden;
    • 3. ten behoeve van het kampeerterrein geen extra bebouwing en/of verharding ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag worden opgericht;
    • 4. de kleinschalige kampeerplaats zorgvuldig dient te worden ingepast in het landschap;
    • 5. geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen wordt veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
    • 6. het kampeerterrein qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
    • 7. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    • 8. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    • 9. voor het kamperen geen stacaravans worden gebruikt;
    • 10. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m2 en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2;
    • 11. sanitaire voorzieningen zijn uitsluitend binnen bestaande bebouwing toegestaan;
    • 12. wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

6.5.5 Nevenactiviteit tijdelijke huisvestiging seizoensarbeiders bij agrarisch bedrijf
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bestaande opstallen bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') te gebruiken ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders.
  • b. De omgevingsvergunning om bestaande opstallen bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') te gebruiken ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders wordt alleen verleend indien:
    • 1. uit een verkregen advies van een agrarisch deskundige is gebleken dat de tijdelijke huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
    • 2. de huisvesting plaatsvindt in de bedrijfswoning van dat bedrijf, of in (een gedeelte van) een bestaand, aangepast bedrijfsgebouw van dat bedrijf;
    • 3. de huisvesting uitsluitend medewerkers betreft, die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
    • 4. de huisvesting niet meer bedraagt dan 8 maanden per kalenderjaar;
    • 5. de totale vloeroppervlakte van de huisvesting maximaal 15 m2 per werknemer bedraagt;
    • 6. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 7. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    • 8. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    • 9. er geen zelfstandige woonruimte ontstaat;
    • 10. wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De omgevingsvergunning wordt ingetrokken indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijke grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is.

6.5.6 Nevenactiviteit mantelzorg
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijgebouwen te gebruiken ten behoeve van mantelzorg.
  • b. De omgevingsvergunning voor het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg wordt alleen verleend indien:
    • 1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
    • 2. tot een maximum oppervlak van 100 m2 
    • 3. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeenteweg erkende instelling;
    • 4. belangen van derden (natuur, veiligheid en milieu) niet worden geschaad;
    • 5. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    • 6. er geen zelfstandige woonruimte ontstaat;
    • 7. er een privaatrechtelijke overeenkomst (met boetebedingen) is afgesloten om controle en beëindiging van het tijdelijke gebruik als woonruimte veilig te stellen;
    • 8. wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De omgevingsvergunning wordt ingetrokken en het tijdelijke gebruik als woonruimte wordt beëindigd als, en zodra de noodzaak inzake mantelzorg komt te vervallen.

6.6 Bouwactiviteit - beoordelingsregels
6.6.1 Algemeen
  • a. gebouwen mogen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;
  • b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter;
  • c. per bouwvlak, zonder de aanduiding 'wonen', is ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen toegestaan;
  • d. per bouwvlak met de aanduiding 'wonen' is maximaal één woning toegestaan;
  • e. vervangende nieuwbouw van de (bedrijfs)woning, al dan niet in combinatie met vervanging van het overige deel van het hoofdgebouw waar de bedrijfswoning onderdeel van uitmaakt, is toegestaan binnen de bestaande fundamenten, tot een maximale inhoudsmaat van 750 m3 danwel overeenkomstig de bestaande (grotere) inhoud. Cultuurhistorisch waardevolle panden mogen niet worden herbouwd.
  • f. in afwijking van het bepaalde onder b mogen permanente palen ten behoeve van vraatnetten/ hagelkappen of ter ondersteuning van bomen tot 4,5 meter hoog en teeltondersteunende voorzieningen, anders dan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een tijdelijk karakter worden opgericht buiten het bouwvlak;
  • g. teeltondersteunende kassen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak van een 'agrarisch bedrijf';
  • h. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen de bestaande fundamenten van gebouwen;
  • i. rijbakken zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan.

6.6.2 Bouwen agrarisch bedrijf
  • a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' gelden de volgende regels:
goothoogte   max. 6 m.  
bouwhoogte   max. 12 m.  
afstand tot bestemming Verkeer   min. 15 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
afstand tot voorgevelrooilijn   min. 2 m.  

  • b. Voor het bouwen van bedrijfswoningen inclusief aangebouwde bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' gelden de volgende regels :
goothoogte   max. 6 m.  
bouwhoogte   max. 10 m.  
inhoud   max 750 m3.  
afstand woning tot bedrijfsgebouwen   min. 3 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
afstand bijgebouwen tot voorgevelrooilijn   min. 2 m.  

  • c. Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' gelden de volgende regels:
goothoogte   max. 3 m.  
bouwhoogte   max. 6 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen   max. 100 m2.  
afstand tot bedrijfswoning   min. 3 m en max. 20 m.  
afstand tot voorgevelrooilijn   min. 2 m.  

  • d. Voor het realiseren bouwwerken, geen gebouwen zijnde (anders dan teeltondersteunende voorzieningen) ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' gelden de volgende regels:
  bouwhoogte   gezamenlijke oppervlakte   aantal  
erfafscheidingen   max. 2 m.      
erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn   max. 1 m.      
carport/overkapping   max. 3 m.   max 30 m2   max 2  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   max. 12 m.      

  • e. Voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van een agrarisch bedrijf gelden de volgende regels ten aanzien van de bouwhoogte:
overige teeltondersteunende voorzieningen (geen kassen)   max. 4,5 m.  
tijdelijke vraat- en hagelnetten en regenkappen   max. 4,5 m.  

  • f. Er mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van een doelmatig, reëel agrarisch bedrijf waarbij geldt dat overtollige of leegstaande bebouwing en reeds verstrekte vergunningen worden betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid en de noodzaak van de bebouwing;

6.6.3 Bouwen wonen
  • a. Voor het bouwen van woningen, inclusief aangebouwde bijgebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'wonen' gelden de volgende regels:
goothoogte   max. 6 m.  
bouwhoogte   max. 10 m.  
inhoud   max. 750 m3  
afstand tot bestemming Verkeer   min. 15 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
afstand bijgebouwen tot voorgevelrooilijn   min. 2 m.  

  • b. Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen bij de woning ter plaatse van de aanduiding 'wonen' gelden de volgende regels:
goothoogte   max. 3 m.  
bouwhoogte   max. 6 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
afstand tot woning   min. 3 m en max 20 m.  
afstand tot voorgevelrooilijn   min. 2 m.  

  • c. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'wonen' gelden de volgende regels:
  bouwhoogte   gezamenlijke oppervlakte   aantal  
erfafscheidingen   max. 2 m.      
erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn   max. 1 m.      
carport/overkapping   max. 3 m.   max. 30 m2   max. 2  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   max. 3 m.      

6.7 Bouwactiviteit - omgevingsplanactiviteit

Een omgevingsvergunning kan worden verleend:

  • a. voor een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan is bepaald in 6.6.2 en 6.6.3, onder de voorwaarden dat dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. voor een grotere gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen van maximaal 100 m² zoals bepaald in 6.6.2 en 6.6.3. In geval van sloop van overtollige bebouwing (overmaat) mag maximaal 25% van het te slopen oppervlak worden vervangen tot een maximum oppervlakte van 200 m²;
  • c. voor het oprichten van gebouwen op een kleinere afstand tot de bestemming 'Verkeer', zoals bepaald in 6.6.2 en 6.6.3, onder de voorwaarden dat dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • d. voor het oprichten van erfafscheidingen, in afwijking van het bepaald in 6.6.2 en 6.6.3, waaronder mede worden begrepen terreinomheiningen en open hekwerken, buiten het bouwvlak tot een maximum hoogte van 2 m., onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting is van de open structuur van de omgeving;
  • e. voor het oprichten van schuilgelegenheden buiten het bouwvlak ten behoeve van het hobbymatig houden van vee tot een maximum oppervlakte van 15 m² en een maximale hoogte van 2,5 m en minimaal één zijde open, onder de voorwaarden dat het desbetreffende perceel een aaneengesloten oppervlakte heeft van tenminste 2500 m² en er geen onevenredige aantasting is van de open structuur van de omgeving;
  • f. in afwijking van het bepaalde in 6.6.1 onder b voor boomteelthekken met een hoogte van maximaal 4,5 m onder de voorwaarden dat is gebleken dat de voorzieningen noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf;
  • g. in afwijking van het bepaalde in 6.6.1 onder f voor het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
    • 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
    • 3. er geen sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand;
  • h. in afwijking van het bepaalde in 6.6.1 onder j voor het oprichten van een rijbak ten behoeve van hobbymatig gebruik met een maximale oppervlakte van 800 m² onder de voorwaarden, dat:
    • 1. bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan achter de voorgevelrooilijn, aansluitend op het bouwvlak, dan wel aansluitend aan de aanduiding 'wonen';
    • 2. de hoogte van de omheining maximaal 1,5 m mag bedragen;
    • 3. lichtmasten niet zijn toegestaan;
    • 4. de afstand tot de woningen op omliggende percelen minimaal 25 m bedraagt;
    • 5. de rijbak landschappelijk wordt ingepast;
  • i. in afwijking van het bepaalde in 6.6.2 voor een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter voor bedrijfsgebouwen, onder de voorwaarde dat een doelmatige bedrijfsvoering deze grotere hoogte noodzakelijk maakt en er sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;
  • j. in afwijking van het bepaalde in 6.6.2 voor het vergroten van de maximale goothoogte en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen met 3 meter, onder de voorwaarde dat:
    • 1. is gebleken dat vergroting van de bouwhoogte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het recreatiebedrijf;
    • 2. de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
    • 3. sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;
  • k. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldoende aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Groen'.

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • b. parken en plantsoenen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. honden uitlaatveld/honden uitlaatstrook;
  • e. paden voor langzaam verkeer (voet- en fietspaden);
  • f. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • g. kunstwerken;
  • h. parkeervoorzieningen.

7.3 Gebruiksactiviteit - verboden
7.3.1 Algemeen

Tot een strijd gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. het gebruik van de paden voor (doorgaand) gemotoriseerd verkeer;
  • b. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van grond;
  • c. het gebruik van de gronden als tuin of erf.

7.3.2 Tijdelijk voortgezet gebruik

De voor 'Groen' aangewezen gronden mogen, uiterlijk tot het moment waarop de realisatie van de nieuwe woonwijk start en de gronden in het plangebied bouwrijp worden gemaakt, tijdelijk worden gebruikt ten behoeve van de voorzetting van het bestaande agrarisch grondgebruik, dit met uitzondering van de activiteit toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 'Agrarisch -1'.

7.4 Bouwactiviteit - beoordelingsregels
7.4.1 Algemeen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

7.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal:

lichtmasten en kunstwerken   6 m.  
erf- en terreinafscheidingen   2 m.  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  

Artikel 8 Verkeer

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wegen en straten, wandel- en fietspaden;
  • b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. kunstobjecten;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

een en ander met bijbehorende gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde.

8.3 Gebruiksactiviteit - verboden
8.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staan van de in 8.2 genoemde functies.

8.3.2 Tijdelijk voortgezet gebruik

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen, uiterlijk tot het moment waarop de realisatie van de nieuwe woonwijk start en de gronden in het plangebied bouwrijp worden gemaakt, tijdelijk worden gebruikt ten behoeve van de voorzetting van het bestaande agrarisch grondgebruik, dit met uitzondering van de activiteit toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 'Agrarisch -1'.

8.4 Bouwactiviteiten - beoordelingsregels
8.4.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen.

8.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal:

lichtmasten en kunstwerken   6 m.  
kunstobjecten   6 m.  
terreinafscheidingen   2 m.  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  

Artikel 9 Water

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Water'.

9.2 Functieomschrijving

Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • b. waterberging en waterlopen;

een en ander met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

9.3 Gebruiksactiviteit - verboden

9.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staan van de in 9.2 genoemde functies.

9.3.2 Tijdelijk voortgezet gebruik

De voor 'Water' aangewezen gronden mogen, uiterlijk tot het moment waarop de realisatie van de nieuwe woonwijk start en de gronden in het plangebied bouwrijp worden gemaakt, tijdelijk worden gebruikt ten behoeve van de voorzetting van het bestaande agrarisch grondgebruik, dit met uitzondering van de activiteit toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 'Agrarisch -1'.

9.4 Bouwactiviteit - beoordelingsregels
9.4.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

9.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde anders dan voor de waterwegaanduiding of geleiding, bedraagt maximaal voor:

bruggen en viaducten   8 m.  
lichtmasten   6 m.  
erf- en terreinafscheidingen   2 m.  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  

Artikel 10 Wonen

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen'.

10.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies :

  • a. woningen;
  • b. aan huis verbonden beroepen;
  • c. tuinen en erven;
  • d. bermen en beplanting;
  • e. voet- en fietspaden;
  • f. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • g. verhardingen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. voorzieningen ter verbetering van het microklimaat (geluidhinder, windhinder, regen e.d.), waaronder wallen, schermen, luifelconstructies e.d.;
  • k. kunstwerken;

een en ander met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.3 Gebruiksactiviteit - verboden
10.3.1 Algemeen

Het is verboden om:

  • a. gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staan van de in 10.2 genoemde functies van de gronden;
  • b. gebouwen en gronden te gebruiken voor bedrijfsmatige activiteiten;
  • c. bijgebouwen te gebruiken ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  • d. woningen te gebruiken voor tijdelijke buitenlandse werknemers;
  • e. gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' te gebruiken in de vorm van een (verhard) terras met een oppervlakte van meer dan 16 m² per tiny-house.

10.3.2 Tijdelijk voortgezet gebruik

De voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen, uiterlijk tot het moment waarop de realisatie van de nieuwe woonwijk start en de gronden in het plangebied bouwrijp worden gemaakt, tijdelijk worden gebruikt ten behoeve van de voorzetting van het bestaande agrarisch grondgebruik, dit met uitzondering van de activiteit toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 'Agrarisch -1'.

10.4 Gebruiksactiviteit - specifieke regels
10.4.1 Aan huis verbonden beroepen

Aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan huis verbonden beroepen bedraagt in totaal ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van de woning met een maximum van 50 m²;
  • b. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • c. de activiteiten mogen alleen in gebouwen plaatsvinden;
  • d. er mag geen detailhandel plaatsvinden, behalve als ondergeschikte nevenactiviteit.

10.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit
10.5.1 Aan huis verbonden bedrijf of webshop
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten in de vorm van aan huis verbonden bedrijf of webshop te verrichten;
  • b. De omgevingsvergunning voor het toestaan van activiteiten in de vorm van aan huis verbonden bedrijven en webshops wordt alleen verleend indien.
    • 1. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan huis verbonden beroepen, aan huis verbonden bedrijven en webshops in totaal ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van de woning met een maximum van 50 m² bedraagt;
    • 2. een aan huis verbonden bedrijf is uitsluitend toegestaan als het een bedrijf betreft genoemd in de categorieën 1 of 2 in bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, of voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2;
    • 3. geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    • 4. geen afhaalmogelijkheid van goederen plaatsvindt;
    • 5. de activiteiten alleen in gebouwen plaatsvinden;
    • 6. er geen detailhandel plaatsvindt, behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
    • 7. bij een webshop detailhandel is uitgesloten.
    • 8. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.5.2 Huisvesting van tijdelijke buitenlandse werknemers
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten in de vorm van huisvesting van tijdelijke buitenlandse werknemers te verrichten;
  • b. De omgevingsvergunning voor het toestaan van activiteiten in de vorm van huisvesting van tijdelijke buitenlandse werknemers wordt alleen verleend indien:
    • 1. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
    • 2. er geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu;
    • 3. het parkeren in overeenstemming is met het bepaalde in 12.6;
    • 4. er geen afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse;
    • 5. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.6 Bouwactiviteit - beoordelingsregels
10.6.1 Algemeen
  • a. Bouwwerken zijn toegestaan mits deze ten dienste staan van de functies genoemd in 10.2, en mits wordt voldaan aan het bepaalde paragraaf 7.3 en 7.4 van het beeldkwaliteitsplan (bijlage 2 bij de regels);
  • b. Het aantal woningen binnen de functie 'Wonen' mag in totaal niet meer bedragen dan 325.

10.6.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen van woningen gelden de volgende regels:

  • a. per bouwperceel is één hoofdgebouw toegestaan;
  • b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • c. hoofdgebouwen zijn toegestaan in de volgende bebouwingstypen:
    • 1. vrijstaande woning;
    • 2. twee-aaneengebouwde woningern;
    • 3. aaneengebouwde woningen;
    • 4. geschakelde woningen;
    • 5. patio-woningen;
  • d. in afwijking van lid c. mogen ter plaatse van de aanduidingen:
    • 1. 'gestapeld' uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;
    • 2. 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' uitsluitend tiny houses worden gebouwd
    • 3. 'specifieke bouwaanduiding - rug-aan-rug', uitsluitend rug-aan-rug woningen worden gebouwd
  • e. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte,
  • f. in afwijking van lid e bedraagt bij patiowoningen de bouwhoogte maximaal 3,5 m, met dien verstande dat maximaal 50% van het bebouwde oppervlak van de patiowoning mag worden bebouwd met een bouwhoogte van maximaal 6 meter;
  • g. de diepte van een hoofdgebouw op een bouwperceel met een diepte van minder dan 30 m bedraagt maximaal:
    • 1. 13 m bij vrijstaande woningen, twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen;
    • 2. 11 m bij aaneengebouwde woningen;
  • h. de diepte van een hoofdgebouw op een bouwperceel met een diepte van meer dan 30 m, bedraagt maximaal:
    • 1. 15 m bij vrijstaande woningen, twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen;
    • 2. 12 m bij aaneengebouwde woningen;
  • i. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal:
    • 1. bij vrijstaande woningen en gestapeld gebouw: aan twee zijden 3 m;
    • 2. bij twee-aaneengebouwde woningen: aan één zijde 3 m;
    • 3. bij aaneengebouwde, geschakelde woningen en rug-aan-rugwoningen: aan de niet-aangebouwde zijde van de eindwoningen 1 m,
    • 4. in afwijking van het bepaalde onder lid 3. mag de afstand bij een brandgang 0 m bedragen.
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rug-aan-rug' mag het bebouwingspercentage van een bouwperceel niet meer bedragen dan 80%;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' bedraagt:
    • 1. het totaal aantal tiny houses maximaal 18;
    • 2. de maximale oppervlakte per tiny house maximaal 32 m²;
    • 3. de onderlinge afstand tussen de tiny-houses maximaal 5 m;
    • 4. de afstand tot de grens van het bestemmingsvlak minimaal 5 m.

10.6.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen dienen binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen mag per bouwperceel niet meer bedragen dan:
    • 1. 60 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 70% bedraagt;
    • 2. 70 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
    • 3. 80 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 700 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
    • 4. 90 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 800 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
    • 5. 100 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 800 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
  • c. In afwijking van het bepaalde onder lid b mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' de gezamenlijke oppervlakte van een vrijstaand en niet-vrijstaand bijgebouw per tiny-house maximaal 4 m2 bedragen, waarbij de bijgebouwen per tiny-house ook in de vorm van een gezamenlijk bijgebouw mogen worden gerealiseerd.
  • d. per hoofdgebouw is maximaal één vrijstaand bijgebouw toegestaan;
  • e. met uitzondering van ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' mogen bijgebouwen worden gesitueerd minimaal 4 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • f. met uitzondering van ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' mag in hoeksituaties de zijgevelrooilijn van de op het bouwperceel gelegen hoofdgebouw door het bijgebouw worden overschreden:
    • 1. tot op de zijdelingse perceelsgrens indien er geen woningen aan dezelfde zijde in de zijstraat zijn gesitueerd;
    • 2. tot op minimaal 1 m van de zijdelingse perceelsgrens indien er woningen zijn gesitueerd aan dezelfde zijde in de zijstraat;
  • g. de goothoogte van niet-vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,25 m bedragen;
  • h. de dakhelling van niet-vrijstaande bijgebouwen mag niet steiler zijn dan de kap van het hoofdgebouw;
  • i. de goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,25 m respectievelijk 5,5 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses maximaal 3 respectievelijk 3,25 m mag bedragen.

10.6.4 Carport/overkapping

Voor het bouwen van carports/overkappingen/veranda's gelden de volgende regels:

  • a. per hoofdgebouw is maximaal 1 carport toegestaan;
  • b. carports/overkappingen dienen maximaal 1 m voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gesitueerd;
  • c. de oppervlakte mag maximaal 25 m² bedragen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' een overkapping van maximaal 12 m² is toegestaan;
  • d. de hoogte mag maximaal 3,25 m bedragen.

10.6.5 Ondergeschikte onderdelen van woningen

De voorgevelrooilijn mag naar de wegzijde toe uitsluitend worden overschreden door ondergeschikte onderdelen van woningen (erkers) die voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. de horizontale diepte mag maximaal 1,5 m bedragen;
  • b. de breedte mag maximaal 60% van de breedte van de totale voorgevel (exclusief overkapping boven de voordeur) bedragen;
  • c. de afstand tot de voorste bouwperceelgrens dient minimaal 1,5 m te bedragen;
  • d. de goothoogte mag maximaal 0,25 m boven de bovenzijde van de afgewerkte verdiepingsvloer van het hoofdgebouw bedragen.

met dien verstande dat het doortrekken van een erker aan de voorgevel tot voorbij en aan één zijgevel is toegestaan mits:

    • 1. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens minimaal 2 m bedraagt;
    • 2. de breedte aan de zijgevel niet meer dan 1,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt;
    • 3. de diepte aan de zijgevel maximaal gelijk is aan de diepte van het hoofdgebouw.

10.6.6 Overkappingen boven de voordeur

Overkappingen boven de voordeur zijn toegestaan en voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. de breedte mag maximaal 120% van de breedte van de entreepartij bedragen, tenzij de overkapping één constructie vormt met een erker;
  • b. de horizontale diepte mag maximaal 1,5 m bedragen;
  • c. er dient sprake te zijn van een open constructie zonder tot de constructie behorende wanden.

10.6.7 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:

  • a. 1 m bij erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
  • b. 2 m bij erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat in hoeksituaties de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vanaf (het verlengde van) de voorgevel tot 4 m. daarachter maximaal 1 m bedraagt;
  • c. 3 m bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.6.8 Ondergronds bouwen

Ten aanzien van het oprichten van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bouwregels:

  • a. ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend ter plaats van de aanduiding 'gestapeld' binnen de contouren van de bovengrondse bebouwing worden opgericht;
  • b. de maximale (verticale) bouwdiepte, inclusief de fundering, bedraagt 3,5 m onder peil.

10.7 Bouwactiviteit - omgevingsplanacitiveit
10.7.1 Afstand aaneengebouwde woningen tot zijdelingse perceelsgrens

Een omgevingsvergunning wordt verleend voor het bouwen van de eindwoning van een rij aaneengebouwde of geschakelde woningen op minder dan 1 m van de zijdelingse bouwperceelsgrens (dit in afwijking van het bepaalde in lid 10.6.2 onder 1.3 ) mits:

  • a. het een woning betreft waarvan het bouwperceel van de niet-aangebouwde zijde grenst aan een straat, openbaar groen of water;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad;
  • d. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.7.2 Afwijkende goothoogte

Een omgevingsvergunning wordt verleend in afwijking van het bepaalde in lid 10.6.2 onder i voor het bouwen van een hoofdgebouw met een afwijkende goothoogte (dit in afwijking van het bepaalde in lid 10.6.2 ), mits:

  • a. de goothoogte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 11 m;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad;
  • d. kan worden voldaan aan het bepaalde onder 10.6.2;
  • e. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 11 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan, en;
    • 2. het bepaalde in 22.286 van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 12 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

12.1 Woningbouwcategorieën

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning dan wel het gebruiken van een woning op grond van artikel 10 is uitsluitend onder de voorwaarden zoals opgenomen in 12.1.1 tot en met 12.1.4 toegestaan waarbij tevens aan de Doelgroepenverordening gemeente Bernheze 2023 dient te worden getoetst.

 

12.1.1 Sociale huur
  • a. Ten minste 30 % van het totaal aantal te bouwen woningen in het kostenverhaalsgebied, aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied', dient als sociale huurwoningen te worden gebouwd.
  • b. Binnen de bouwblokken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale huur' dient per bouwblok ten minste 60% van de woningen in de vorm van sociale huurwoningen te worden gebouwd.
  • c. De overige woningen binnen de bouwblokken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale huur' dient te worden gebouwd in de categorie 'middeldure huur'.
  • d. Een sociale huurwoning is een woning, zoals bepaald in artikel 5.161c, lid 1a Besluit kwaliteit leefomgeving, zijnde een huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
  • e. Sociale huurwoningen, als bedoeld onder a tot en met c, dienen voor een periode van minimaal 25 jaar als zodanig in stand te worden gehouden, nadat de woning voor het eerst in gebruik is genomen, en gedurende die periode onder de huurprijs uit de Wet op de huurtoeslag te blijven. De aanvrager van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit dient beide onderdelen bij de aanvraag aan te tonen.
  • f. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel. Handelen in strijd met dit artikel leidt tot een bestuurlijke boete te voldoen door de verhuurder aan de gemeente Bernheze ten bedrage van € 5.150,- per overtreding.

12.1.2 Sociale koop
  • a. Ten minste 15 % van het totaal aantal te bouwen woningen in het kostenverhaalsgebied, aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied', dient als sociale koopwoningen te worden gerealiseerd.
  • b. Binnen de bouwblokken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale koop' mogen uitsluitend sociale koopwoningen worden gebouwd;
  • c. Binnen de bouwblokken met de volgende aanduidingen moet het genoemde aantal van de woningen als sociale koopwoningen te worden gebouwd, dus:
    • 1. binnen de aanduiding'specifieke vorm van wonen - sociale koop 2' moeten ten minste 2 sociale koopwoningen worden gebouwd;
    • 2. binnen de aanduiding'specifieke vorm van wonen - sociale koop 4' moeten ten minste 4 sociale koopwoningen worden gebouwd;
    • 3. binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale koop 5' moeten ten minste 5 sociale koopwoningen worden gebouwd;
  • d. Een sociale koopwoning is een woning, zoals bepaald in artikel 5.161c, lid 1b Besluit kwaliteit leefomgeving, zijnde een koopwoning zoals opgenomen in het beleidsdocument 'NTI Update woonvisie en kader woningbouwprijzen 2024' van de gemeente Bernheze met een koopprijs vrij op naam van maximaal € 301.000,- (prijspeil 1 januari 2024). Deze maximale koopprijs wordt jaarlijks door de gemeente geactualiseerd op basis van de inflatie en marktontwikkelingen.
  • e. Een sociale koopwoning, als bedoeld onder a tot en met d, wordt verkocht aan een woningzoekende die past binnen de doelgroep van natuurlijke personen van 18 t/m 35 jaar die op zoek is naar een zelfstandige koopwoning en geen woning leeg achterlaat, dan wel die een woning huurt en deze leeg achterlaat.
  • f. Sociale koopwoningen, als bedoeld onder a tot en met d, dienen voor een periode van 10 jaar als zodanig in stand te worden gehouden, nadat de woning voor het eerst in gebruik is genomen, en gedurende die periode onder de koopprijs volgens artikel 12.1.2, sub b te blijven. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient beide onderdelen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning aan te tonen. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning dit niet kan aantonen, eist de gemeente dat hiertoe een overeenkomst wordt gesloten, waarin deze vereisten worden gewaarborgd.
  • g. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel. Handelen in strijd met dit artikel leidt tot een bestuurlijke boete te voldoen door de verhuurder aan de gemeente Bernheze ten bedrage van € 5.150,- per overtreding.

12.1.3 Middeldure huur
  • a. Ten minste 5 % van het totaal aantal te bouwen woningen in het kostenverhaalsgebied, aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied', dient als geliberaliseerde woningen voor 'middeldure huur' te worden gerealiseerd.
  • b. Binnen de bouwblokken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - middeldure huur' mogen uitsluitend geliberaliseerde woningen voor middeldure huur worden gebouwd.
  • c. Een geliberaliseerde woning voor middeldure huur is een woning, zoals bepaald in artikel 5.161c, lid 1c Besluit kwaliteit leefomgeving, zijnde een huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een aanvangshuurprijs zoals opgenomen in beleidsdocument 'NTI Update woonvisie en kader woningbouwprijzen 2024' van de gemeente Bernheze van maximaal € 1.100,- per maand (prijspeil 1 januari 2024).
  • d. Geliberaliseerde woningen voor middeldure huur, als bedoeld onder a tot en met b, dienen voor een periode van 15 jaar als zodanig in stand te worden gehouden, nadat de woning voor het eerst in gebruik is genomen, en gedurende die periode onder de huurprijs als genoemd onder c te blijven. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient beide onderdelen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning aan te tonen. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning dit niet kan aantonen, eist de gemeente dat hiertoe een overeenkomst wordt gesloten, waarin deze vereisten worden gewaarborgd.
  • e. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel. Handelen in strijd met dit artikel leidt tot een bestuurlijke boete te voldoen door de verhuurder aan de gemeente Bernheze ten bedrage van € 5.150,- per overtreding.

12.1.4 Particulier opdrachtgeverschap
  • a. Tenminste 1,5 % van het totaal aantal te bouwen woningen in het kostenverhaalsgebied, aangeduid als 'overige zone- kostenverhaalsgebied', dient te worden gerealiseerd op kavels voor particulier opdrachtgeverschap. Van een kavel voor particulier opdrachtgeverschap is sprake als een particulier volledige juridische zeggenschap heeft en de verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de grond, het ontwerp en de bouw van de eigen woning.
  • b. Binnen de bouwblokken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - particulier opdrachtgeverschap' mogen uitsluitend woningen in particulier opdrachtgeverschap worden gebouwd.
  • c. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel. Handelen in strijd met dit artikel leidt tot een bestuurlijke boete te voldoen door de verhuurder aan de gemeente Bernheze ten bedrage van € 5.150,- per overtreding.

12.2 Onderzoeksaspecten

Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning dient te worden aangetoond dat het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij getoetst wordt aan de volgende milieuaspecten:

  • a. water: er dient voldoende waterberging te worden gerealiseerd en deze waterberging dient te worden gehandhaafd waarbij voldaan wordt aan de regeling in artikel 13.3;
  • b. stikstof; de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden mag niet meer dan 0,00 mol/ha bedragen;
  • c. bodemkwaliteit: de bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie.

12.3 Koppeling van de activiteiten

Binnen het kostenverhaalsgebied, aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied', worden vier gebieden onderscheiden. De gronden binnen deze gebieden zijn op de verbeelding aangeduid als 'overige zone - gebied 1', 'overige zone - gebied 2', 'overige zone - gebied 3' en 'overige zone - gebied 4'.

Binnen deze gebieden gelden de volgende regels ten aanzien van koppelingen van activiteiten:

  • a. Een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen of voor een omgevingsplanactiviteit werken en werkzaamheden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'overige zone - gebied 1', overige zone - gebied 2', 'overige zone - gebied 3' en 'overige zone - gebied 4' kan worden verleend vanaf 1-1-2026. Indien een vergunning voorafgaand aan dit tijdvak wordt ingediend, dan zal deze vergunning pas worden verleend bij aanvang van dit tijdvak.
  • b. Een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen binnen de aanduidingen 'overige zone - gebied 1' en 'overige zone - gebied 2' wordt pas verleend op het moment dat de riooloverstort binnen aanduiding 'overige zone - riooloverstort 1' naar de aanduiding 'overige zone - riooloverstort 2' is verplaatst.
  • c. Een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen binnen de aanduiding 'overige zone - gebied 2' en 'overige zone - gebied 3' wordt pas verleend op het moment dat de voorzieningen (bestaande uit de herinrichting van de Bunderstraat-noord in combinatie met de instelling van een 30-km zone) binnen de 'overige zone - hoofdstructuur verkeer 1' en de voorzieningen ( bestaande uit realisatie van een fysieke knip in de Zoggelsestraat en de aanpassing van de kruising/aansluiting van de Zoggelsestraat op de Bunderstraat ) binnen de 'overige zone - hoofdstructuur 2' zijn gerealiseerd.
  • d. Een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen binnen de aanduiding 'overige zone - gebied 4' wordt pas verleend op het moment dat de voorzieningen (bestaande uit de herinrichting van de Bunderstraat-zuid in combinatie met de instelling van een 30-km zone) binnen de aanduiding 'overige zone - hoofdstructuur verkeer 3' zijn gerealiseerd.
  • e. Met de uitvoering van een bouwactiviteit, zoals opgenomen in de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen, mag pas worden begonnen, nadat deze bouwactiviteit rechtstreeks ontsloten is via een bouwweg, die voldoet aan de in paragraaf 2 opgenomen eisen en regels voor Werken en werkzaamheden (bijlage 2 van 7 Toelichting Exploitatieopzet en kostenverhaalregels ) behorende bij het Kostenverhaalsgebied De Bunders.
  • f. Het is verboden werken, werkzaamheden en bouwactiviteiten uit te voeren die in strijd zijn met het bepaalde onder a tot en met e.
  • g. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwen of voor werken en werkzaamheden verlenen in afwijking van het bepaalde onder a tot en met e van dit artikel mits hiermee geen belangen op het gebied van de waterhuishouding of infrastructuur worden geschaad.

12.4 Bodem

(Graaf)werkzaamheden in de bodem, ter plaatse van de in het bodemonderzoek aangetroffen asbestverontreinigingen (bijgevoegd als bijlage 3), zijn niet zondermeer mogelijk zonder toestemming van het bevoegd gezag. Het gebruiken en/of laten gebruiken van de genoemde gronden is alleen toegestaan, mits voorafgaand aan de werkzaamheden een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan is opgesteld en eventuele saneringsmaatregelen getroffen zijn om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik.

12.5 Natuurwaarden
  • a. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen dient middels onderzoek aangetoond te worden dat er geen verstoring plaatsvindt van de leefomgeving van:
    • 1. de steenuil, door vervolgonderzoek;
    • 2. de kerkuil, door vervolgonderzoek;
    • 3. de huismus, door vervolgonderzoek;
    • 4. de buizerd, door vervolgonderzoek;
    • 5. de kleine marterachtigen en de steenmarter, door vervolgonderzoek;
    • 6. de vleermuis, door vervolgonderzoek.

een en ander beschreven in bijlage 4 bij deze regels.

  • b. indien uit bovengenoemde aanvullende onderzoeken naar voren komt dat aanvullende maatregelen dienen te worden getroffen of dat omgevingsvergunningen voor flora- en fauna acitiveiten benodigd zijn moeten deze maatregelen zijn getroffen dan wel moeten deze omgevingsvergunningen verleend zijn voordat de omgevingsvergunningen voor het bouwen of slopen kunnen worden verleend.

12.6 Parkeren
  • a. Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, dient voor de gronden bestemd voor 'Agrarisch - 1', 'Agrarisch - 2', en 'Wonen' inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd dan wel in stand gehouden wordt ten behoeve van deze bestemming. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of later te volgen versies;
  • b. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.

Artikel 13 Algemene beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

13.1 Algemene verboden

Tot een gebruik in strijd met de functies wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

13.2 Landschappelijke inrichting

Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop dit plan van toepassing is, is alleen toegestaan, mits:

  • a. in voldoende mate verzekerd is dat voldaan wordt aan de landschapsinvesteringsregeling, door het aanleggen en in stand houden van natuur- en landschapselementen en/of het doen van een financiële bijdrage in het gemeentelijke landschapsinvesteringsfonds;
  • b. wanneer sprake is van een fysieke investering aangetoond wordt op welke wijze wordt voldaan aan de kwaliteitsverbetering van het landschap in het buitengebied;
  • c. de gezamenlijke waarde van de onder a bedoelde investering niet minder bedraagt dan 1% van de uitgifteprijs van de gronden;
  • d. voldaan wordt aan de voorwaarde dat de (landschappelijke) inrichting die is opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan, dat als bijlage 5 onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan, en als zodanig is gekoppeld aan de betreffende 'overige zone - gebied 1', 'overige zone - gebied 2', 'overige zone - gebied 3' en 'overige zone - gebied 4' voor het betreffende (deel)gebied geheel is uitgevoerd binnen twee jaar na realisatie van de woningen binnen het betreffende (deel(gebied en als zodanig in stand zal worden gehouden.

13.3 Hemelwaterberging

Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden van de bestemmingen 'Agrarisch - 1', 'Agrarisch - 2' en 'Wonen' is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de ontwikkeling niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater op het oppervlaktewater;
  • b. de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
  • c. de compensatie tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt;
  • d. de compensatie in de openbare ruimte tenminste 70 mm per m2 verharding bedraagt;
  • e. de compensatie bij particuliere berging 20 mm per m² verharding bedraagt;
  • f. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen of de omgevingsvergunning werken en werkzaamheden danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt, uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

13.4 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit
13.4.1 Omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken en werkzaamheden uit te voeren die betrekking hebben op het bouw- en woonrijp maken van de uitgeefbare gronden, de aanleg van de nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte.

13.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan worden verleend en de werken en werkzaamheden op basis van een verleende vergunning mogen worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:

  • a. De bestekken en tekeningen voor de uitvoering van werken en werkzaamheden voor het Bouw- en Woonrijp maken van de uitgeefbare gronden, de aanleg van de nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte, dienen te voldoen aan de eisen in de paragrafen 6 en 7 van het Beeldkwaliteitsplan ( bijlage 2) en aan de technische eisen zoals opgenomen in het Programma van Eisen Leefomgeving (bijlage 6, waarbij in geval van een discrepantie tussen de eisen het gestelde in het Beelkwaliteitsplan prevaleert;
  • b. Als onderdeel van het bouwrijp maken, dient het terrein te worden geëgaliseerd c.q. aangevuld met schoon zand c.q. grond (van milieucategorie Altijd toepasbaar (AW2000) Wonen en Industrie) tot maaiveldhoogte, een en ander zoals opgenomen in het document 6;
  • c. Het is verboden te starten met de uitvoering van werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het Kostenverhaalsgebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte, voordat het bestek ter goedkeuring is voorgelegd aan en is goedgekeurd door Burgemeester en wethouders.
  • d. De bestekken en tekeningen zullen worden getoetst aan de gestelde eisen in het in lid a genoemde documenten. Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes weken na ontvangst van de bestekken en tekeningen omtrent de goedkeuring van deze stukken.
  • e. De werken en werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met de door de gemeente goedgekeurde bestekken en tekeningen voor het bouw- en woonrijp maken van de uitgeefbare gronden, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in bijlage 6. De partij die uitvoert, is aansprakelijk voor schade die zijn bouwactiviteiten veroorzaken.
  • f. De uitvoering van werken en werkzaamheden voor het bouw- en woonrijp maken van de uitgeefbare gronden, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte vinden plaats onder toezicht van een door Burgemeester en wethouders aangewezen toezichthouder. De toezichthouder geeft aanwijzingen over de route van het bouwverkeer. Na de start van de uitvoering van de werkzaamheden heeft de toezichthouder te allen tijde toegang tot de gronden van het Kostenverhaalsgebied, waarop de uitvoering plaatsvindt. De aanwijzingen van de toezichthouder dienen te worden opgevolgd.
  • g. Partijen die de werken en werkzaamheden uitvoeren, zijn verplicht tot het onderhouden van de bouwwegen, totdat deze wegen als onderdeel van de openbare ruimte woonrijp zijn gemaakt.
  • h. Zodra de werken en werkzaamheden zijn voltooid, wordt hiervan door partijen schriftelijk melding gedaan aan Burgemeester en wethouders. Bij die melding wordt een voltooiingverslag gevoegd, dat een aanduiding van de werken en werkzaamheden inhoudt, waarop de melding betrekking heeft.
  • i. Een voltooiingverslag behoeft de schriftelijke instemming van Burgemeester en wethouders. Uiterlijk 8 weken na ontvangst van dat verslag wordt omtrent de instemming besloten.
  • j. Burgemeester en wethouders onthouden zich van instemming met een voltooiingverslag, indien daarin naar hun oordeel niet aannemelijk is gemaakt, dat de daarin begrepen werken en werkzaamheden zijn uitgevoerd in overeenstemming met de goedgekeurde bestekken en tekeningen voor het bouw- en woonrijp maken van de uitgeefbare gronden, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen, zoals opgenomen in lid a en b.
  • k. Na overdracht van de openbare ruimte aan de gemeente geldt een garantieperiode van 12 maanden, waarin eventuele gebreken dienen te worden hersteld voor rekening en risico van de partij die de openbare ruimte heeft ingericht.
  • l. Het is verplicht de diensten, werken en werkzaamheden namens de gemeente openbaar aan te besteden volgens de richtlijnen 2014/24/EU van het Europees Parlement en de raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG, zoals gepubliceerd in PbEU 2014, L 94/65 d.d. 28 maart 2014. Wat betreft opdrachten met een opdrachtsom onder het betreffende drempelbedrag uit de voornoemde richtlijnen, dient voorts het gemeentelijk aanbestedingsbeleid te worden gevolgd. Deze is te vinden op de website van de gemeente via: https://www.bernheze.org/inwoners-en-ondernemers/ondernemen/inkopen-en-aanbeste den/.
  • m. Om te garanderen dat aan het in lid l bepaalde wordt voldaan, dient de raming van de Werken en werkzaamheden 13 weken voorafgaand aan de geplande aanleg ter controle aan de gemeente voor te leggen. Daarbij dient tevens een aanbestedingsprotocol in overleg met de inkoopadviseur van de gemeente Bernheze te zijn opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze de opdracht voor de uitvoering van werken en werkzaamheden wordt gegund. De inkoopadviseur van de gemeente is bereikbaar via aanbestedingen@bernheze.org. Dit aanbestedingsprotocol dient aan Burgemeester en wethouders te worden voorgelegd. Burgemeester en wethouders beslissen uiterlijk 8 weken na ontvangst van de raming en het protocol omtrent de instemming met het protocol.
  • n. De gunning van opdrachten voor de uitvoering van werken en werkzaamheden vindt plaats in overeenstemming met het aanbestedingsprotocol waarmee door Burgemeester en wethouders is ingestemd.
  • o. Het is verboden werken, werkzaamheden en bouwwerken uit te voeren in strijd met de eisen zoals opgenomen in lid a tot en met n van deze regels.

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten

15.1 Bevoegdheden

Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, kan in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 worden verleend van:

  • a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen, mits dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;
  • b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een geringe mate van afwijking is toegestaan, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
  • c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m, mits er geen belemmering plaatsvindt van het radarverstoringsgebied in verband met de vliegbasis Volkel;
  • d. de regels en toestaan dat bouwwerken voor het verkrijgen van duurzame energie zoals zonnecollectoren en windturbines worden gebouwd, met een maximale bouwhoogte van 10 m;
  • e. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 m.

15.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.1 kan slechts worden verleend, mits:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
  • c. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 16 Waarde - Archeologie 3

16.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

16.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01 is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.

16.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3' heeft als functie bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

16.4 Bouwactiviteit - beoordelingsregels

16.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

16.5 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit
16.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 16.3 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.

16.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het in 16.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;
  • c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  • d. de werken en werkzaamheden
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

16.5.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 17 Waterstaat - Beschermingszone watergang

17.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

17.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01 is aangewezen voor de functie 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.

17.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' heeft als functie de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang.

17.4 Bouwactiviteit - beoordelingsregels

Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd.

17.5 Bouwactiviteit - omgevingsplanactiviteit
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen deze bestemming te bouwen ten dienste van en conform de (basis)bestemming.
  • b. Een omgevingsvergunning ten dienste van en conform de (basis)bestemming kan slechts worden verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de watergang, en onder de voorwaarden dat:
    • 1. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in 24.1 bedoelde watergang;
    • 2. de beslissing met betrekking tot de omgevingsvergunning aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.

17.6 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit
17.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van gronden;
  • b. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.

17.6.2 Uitzondering vergunningplicht

Het in 17.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

17.6.3 Beoordelingsregels

Een in 17.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan. Met betrekking tot de gevolgen voor de waterbergend vermogen wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie.

Hoofdstuk 5 Kostenverhaalregels

Artikel 18 Algemene regels kostenverhaal

18.1 Verdeling van de kosten over de activiteiten
18.1.1

Voor het verdelen van de kosten worden de in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen categorieën bouwactiviteiten per kostenverhaalsgebied onderverdeeld in uitgiftecategorieën.

18.1.2

Per uitgiftecategorie wordt:

  • a. een basiseenheid vastgesteld, uitgedrukt in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte of vloeroppervlakte, een aantal woningen of een daarmee vergelijkbare maatstaf;
  • b. het gewogen aandeel per basiseenheid berekend door de opbrengsten van de grond per basiseenheid te delen door de totale opbrengsten in het kostenverhaalsgebied, en;
  • c. het bedrag van de te verhalen kosten per basiseenheid berekend door het totaal van de te verhalen kosten in het kostenverhaalsgebied te vermenigvuldigen met het gewogen aandeel als bedoeld onder b.

18.1.3

De opbrengsten van de grond per basiseenheid, bedoeld in het tweede lid, onder b, worden geraamd:

  • op basis van de in het beleidsdocument 'NTI Update woonvisie en kader woningbouwprijzen 2024' van de gemeente Bernheze vastgestelde grondprijzen, of;
  • met toepassing van de residuele methode, de comparatieve methode of een daarmee vergelijkbare methode voor raming van grondprijzen.

18.1.4

Onder het totaal van de te verhalen kosten wordt verstaan:

  • a. bij kostenverhaal met tijdvak: het bedrag van de kosten dat op grond van artikel 13.14, tweede lid, van de Omgevingswet ten hoogste kan worden verhaald, en;
  • b. bij kostenverhaal zonder tijdvak: het maximum van de kosten, bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

18.2 Methode raming plankosten

Bij de raming van de kosten per kostenverhaalsgebied wordt in dit omgevingsplan voor de plankosten uitgegaan van het bedrag aan plankosten dat kan worden verhaald op grond van artikel 13.2 van de Omgevingsregeling.

18.3 Aanvraagvereisten kostenverhaalbeschikking

Bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking moeten de volgende gegevens en bescheiden aan de gemeente worden verstrekt:

  • a. een aanduiding van de met de kostenverhaalplichtige activiteiten te realiseren aantallen bouwwerken, oppervlakten en gebruiksfuncties, en;
  • b. een aanduiding van de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteiten worden uitgevoerd.

18.4 Eindafrekening
18.4.1

Binnen drie maanden na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.

18.4.2

Bij de eindafrekening wordt de geldsom die op het moment van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking zou zijn verschuldigd, herberekend overeenkomstig de rekenmethodiek die is opgenomen in artikel 18.1, met dien verstande dat:

  • a. het bedrag van de te verhalen kosten de daadwerkelijke kosten betreft van de werken, werkzaamheden en maatregelen die zijn uitgevoerd of nog zullen worden uitgevoerd.
  • b. de totale opbrengsten van de grond worden herberekend op basis van het aantal basiseenheden per uitgiftecategorie dat is gerealiseerd of nog zal worden gerealiseerd.
  • c. voor de opbrengsten van de grond per basiseenheid van een uitgiftecategorie hetzelfde bedrag wordt toegepast als bij de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.
  • d. bij kostenverhaal met tijdvak de kosten, bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, van de Omgevingswet in mindering worden gebracht.

18.4.3

Indien een aanvrager van een kostenverhaalsbeschikking op basis van artikel 13.20, tweede lid, van de Omgevingswet recht heeft op terugbetaling, wordt rente vergoed vanaf de datum van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.

18.5 Eindafrekening op verzoek
18.5.1

Op eindafrekeningen op verzoek, als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet, wordt jaarlijks op 1 juli door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste vier weken voor die datum zijn ontvangen.

18.5.2

Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking;
  • b. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling, en;
  • c. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.

18.5.3

Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 18.4.

18.6 Indexering

Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, wordt bij de raming van de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalbeschikking, een eindafrekening of een eindafrekening op verzoek:

  • a. een door het bevoegd gezag te kiezen, objectieve index toegepast.

18.7 Rente
18.7.1

Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, worden bij de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalbeschikking, een eindafrekening of een eindafrekening op verzoek de volgende renteparameters toegepast:

  • a. voor de debetrente in perioden waarin de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, hoger zijn dan de opbrengsten met toepassing van renteparameter 0,5%.
  • b. voor de creditrente in perioden waarin de opbrengsten hoger zijn dan de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, door toepassing van renteparameter 0,5%.

18.7.2

Als bij een eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag verhoogd met een samengestelde rente met toepassing van renteparameter 0,5%.

Artikel 19 Kostenverhaalsregels voor het kostenverhaalsgebied De Bunders

19.1 Aanduiding van het tijdvak

Het 'Kostenverhaalsgebied De Bunders' kent een tijdvak van 10 jaar met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit artikel.

19.2 Gehanteerde parameters

Op basis van de geraamde fasering worden alle kosten en opbrengsten, met inachtneming van indexeringen, naar het einde van het tijdvak gerekend (de eindwaarde) en vervolgens naar het begin van het tijdvak (de contante waarde). In onderstaande tabel zijn de parameters voor rente en indexering van de totale kosten en totale opbrengsten opgenomen, een en ander zoals uitgewerkt en nader onderbouwd in bijlage 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01_0032.png"

PARAMETERS KOSTENVERHAALSOPZET

19.3 Raming van de inbrengwaarde

De totale inbrengwaarde, gevormd door de waarde van de gronden en opstallen, kosten voor vrijmaken van de grond van rechten en kosten sloop voor zover toe te rekenen aan het kostenverhaalsgebied, wordt geraamd op € 6.772.240,- inclusief kostenstijging, zie onderstaande tabel en de onderbouwing in bijlage 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01_0033.png"

RAMING VAN DE INBRENGWAARDE EN SLOOPKOSTEN

19.4 Raming van de andere (verhaalbare) kosten

De overige aan het kostenverhaalsgebied De Bunders toe te rekenen kosten worden geraamd op € 10.599.661,00 inclusief kostenstijging, zie onderstaande tabel en de onderbouwing in bijlage 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01_0034.png"

RAMING VAN DE ANDERE KOSTEN VAN HET KOSTENVERHAALSGEBIED

19.5 Raming van de opbrengsten

In het Kostenverhaalsgebied worden tot de raming van de opbrengsten gerekend:

  • opbrengsten van uitgifte van de gronden in het Kostenverhaalsgebied;
  • opbrengsten van bijdrage en subsidies van derden;
  • opbrengsten die worden verkregen of toegekend in verband met het in exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen.

In onderstaande tabel is aangegeven welke opbrengsten, incl. opbrengstenstijging, worden verkregen uit de uitgifte van gronden in het Kostenverhaalsgebied. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01_0035.png"

RAMING VAN DE OPBRENGSTEN VAN HET KOSTENVERHAALSGEBIED

19.6 Toets maximaal verhaalbare kosten

De totaalsom van de contante kosten (€16.526.722,00) volgend uit artikel 19.3 en artikel 19.4 gecorrigeerd met de (gerealiseerde) contante overige opbrengsten (€ 9.720,00) volgend uit artikel 19.5 is € 16.517.002,00. Dit is lager dan de totaalsom van de contante opbrengsten uit uitgifte, €18.538.901,00 volgend uit artikel 19.5 waardoor alle contante kosten kunnen worden verhaald. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 7.

19.7 Berekening Kostenverhaalsbijdrage per gewogen eenheid

De bruto Kostenverhaalsbijdrage, die bij het verlenen van de aanvraag voor een Bouwactiviteit moet worden berekend, wordt als volgt berekend:

  • 1. Ten eerste worden de uitgiftecategorieën vastgesteld (zie artikel 19.5 van deze Kostenverhaalsregels). Zo nodig wordt daarbinnen een verder onderscheid aangebracht.
  • 2. Vervolgens wordt per onderscheiden categorie een basiseenheid vastgesteld in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte, een hoeveelheid vierkante meters vloeroppervlakte of een andere hiermee vergelijkbare maatstaf.
  • 3. Daarna worden, door elke basiseenheid te vermenigvuldigen met een per categorie vastgestelde gewichtsfactor, gewogen eenheden vastgesteld.
  • 4. Vervolgens worden de gewogen eenheden in het Kostenverhaalsgebied bij elkaar opgeteld tot een totaal van gewogen eenheden van het Kostenverhaalsgebied.
  • 5. Ten slotte is het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid het ten hoogste verhaalbare bedrag, bedoeld in artikel 13.14 lid 2 Ow, gedeeld door het overeenkomstig het totaal berekende aantal gewogen eenheden.

In onderstaande tabel is de berekening van het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid weergegeven per contantewaardedatum 1 januari 2024. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22d-VG01_0036.png"

BEREKENING VERHAALBARE BEDRAG PER GEWOGEN EENHEID

19.8 Kostenverhaalsbijdrage voor een activiteit
19.8.1

Op basis van de aanvraag voor de Bouwactiviteit kan de bruto kostenverhaalsbijdrage in het kostenverhaalsgebied worden berekend. De bruto kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald door het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid te vermenigvuldigen met de uitgiftecategorieën die in de aanvraag voor de Bouwactiviteit zijn opgenomen.

19.8.2

De bepaalde bruto Kostenverhaalsbijdrage wordt met de navolgende kosten verminderd:

  • a. de inbrengwaarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, en;
  • b. de kosten die door de aanvrager zijn gemaakt, voor zover die kosten gelijk zijn aan of lager zijn dan de raming van de kosten in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.14, derde lid, onder a.

19.8.3

Na aftrek van de bovenstaande inbrengwaarde van de Uitgeefbare gronden en de bovenstaande kosten resteert de netto Kostenverhaalsbijdrage. Deze netto Kostenverhaalsbijdrage is de aanvrager van de Bouwactiviteit aan de gemeente verschuldigd en wordt door Burgemeester en wethouders bij beschikking vastgesteld.