direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1705.338-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

Voorliggend initiatief heeft betrekking op de locaties Zandvoort 29 en Flierensestraat 14, beiden gelegen in het buitengebied van Gendt, gemeente Lingewaard. Beide locaties beschikken in de bestaande situatie over bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning. Het voornemen is de bedrijfsbebouwing (kassen en bedrijfsgebouwen) te slopen en daar op basis van het functieveranderingsbeleid op elke locatie één nieuwe vrijstaande woning voor terug te bouwen. De bestaande bedrijfswoningen blijven bovendien behouden als reguliere woning. De twee locaties hebben geen onderlinge afhankelijkheid of relatie.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Lingewaard (zie paragraaf 3.4.6, maar dit initiatief wel, onder voorwaarden, mogelijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

Daar dit initiatief twee afzonderlijke locaties betreft, worden deze locaties in het vervolg van dit document ook gescheiden behandeld. Om duidelijk te maken welke bijlage bij welke locatie hoort beginnen de bijlagen behorende bij locatie aan de Zandvoort met 'Z', en bij de locatie aan de Flierensestraat met 'F'.

1.2 Ligging projectgebied

Zandvoort 29

Het projectgebied ligt aan de Zandvoort en maakt onderdeel uit van het buitengebied van Gendt, Lingewaard. Het betreft het kadastrale perceel GEN00-E-170 en GEN00-E-1411. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het projectgebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0002.png"

Globale ligging projectgebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

Flierensestraat 14

Het projectgebied ligt aan de Flierensestraat 14 en maakt onderdeel uit van het buitengebied van Gendt Lingewaard. Het betreft het kadastrale perceel GEN00-E-104. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het projectgebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0003.png" Globale ligging projectgebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit.

Besluit breder dan alleen voorliggende motivering

Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de motivering dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor en daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op in gegaan.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het projectgebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Zandvoort 29

Deze deellocatie ligt aan de Zandvoort 29 in het buitengebied van Gendt. Het projectgebied bevindt zich op de hogere en drogere gronden van de oeverwallen. In dit landschap wisselen akkerbouw, glastuinbouw en andere activiteiten, zoals wonen en bedrijvigheid, elkaar af. Rondom het projectgebied liggen voornamelijk woningen en agrarische gronden. Ten zuidoosten van het projectgebied ligt de kern Gendt en ten westen ligt de kern Haalderen. Het projectgebied zelf betreft een beëindigd glastuinbouwbedrijf met op het terrein een bedrijfswoning en een voormalige kas van circa 4.500 m2. Onderstaand een luchtfoto van het projectgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0004.png"

Luchtfoto met projectgebied (bron: Pdok)

Flierensestraat 14

Deze deellocatie ligt aan de Flierensestraat 14 in het buitengebied van Gendt. De Flierensestraat betreft een bebouwingslint waar voornamelijk vrijstaande woningen of agrarische bedrijven staan. Het projectgebied bevindt zich op de hogere en drogere gronden van de oeverwallen. In dit landschap wisselen akkerbouw, glastuinbouw en andere activiteiten, zoals wonen en bedrijvigheid, elkaar af. De Flierensestraat sluit ten oosten aan op de N838 en ten westen aan op de Hegsestraat, beide straten leiden naar de kern Gendt en vormen een lus in het buitengebied. Het projectgebied betreft het hele perceel van de Flierensestraat 14. Binnen het projectgebied staan stallen en schuren ten behoeve van de voormalige varkenshouderij, oppervlakte bebouwing ca. 845 m2. Ook is er een bedrijfswoning in het projectgebied aanwezig.

Onderstaand een luchtfoto van het projectgebied en het door de initiatiefnemer verstrekte kaartje met de te slopen bijgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0005.png"

Luchtfoto van projectgebied (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

Zandvoort 29

In de toekomstige situatie wordt alle agrarische bedrijfsbebouwing aan de Zandvoort 29 gesloopt. Dit betreft

een kas van circa 4.500 m2. Het voorste deel van het perceel wordt omgezet naar regulier woonperceel, waarbij de bestaande bedrijfswoning als reguliere woning behouden blijft of wordt herbouwd op dezelfde locatie. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan. Door de sloop van de kassen ontstaat een zichtlijn naar het westelijk gelegen open buitengebied. Naast de zichtlijn komen er langs de perceelsranden op verschillende plekken nieuwe landschapselementen waaronder enkele bomen op de achterste perceelsgrens en lage- en hoge hagen langs de randen van het woonperceel.

Op basis van de sloop van de kassen wordt op grond van het functieveranderingsbeleid tegenover Zandvoort 29 één nieuwe vrijstaande woning op een nieuw woonperceel ontwikkeld. Ook deze locatie wordt landschappelijk ingepast, voornamelijk door het toevoegen van geschoren lage hagen, een solitaire boom en een nieuwe struweelhaag. Bij de locatiekeuze van de nieuwe woning is afgewogen of het mogelijk is deze woning op te richten als extra woning op locatie Zandvoort 29, naast de bestaande woning. Het perceel Zandvoort 29 blijkt uiteindelijk niet breed genoeg om twee volwaardige woonpercelen naast elkaar te ontwikkelen. Een goed woon- en leefklimaat voor beide woningen blijkt niet haalbaar. Met o.a. het oog op privacy en bouwmogelijkheden voor bijgebouwen ontstaan teveel belemmeringen. Voor de nieuwe woning op basis van het functieveranderingsbeleid is daarom de alternatieve locatie tegenover nr. 29 gevonden. Daar is meer ruimte voor een woonperceel voor één vrijstaande woning. De woning krijgt een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 9- en 4,5 m, een inhoud van 850 m³ en bijgebouwen van maximaal 75 m² in lijn met de uitgangspunten van het functieveranderingsbeleid/ Gids ruimtelijke kwaliteit.

Voor de landschappelijke inpassing van de twee locaties aan Zandvoort

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0006.png"

Historische kaart van omstreeks 1935 van de Zandvoort en het aangrenzende landschap (bron: Topotijdreis)

Beide deellocaties aan de Zandvoort worden landschappelijk ingepast. Het historisch landschap aan de Zandvoort is één van de inspiraties bij de uitwerking van de voorgestelde nieuwe landschapselementen. Op de voorgaande kaartuitsnede is bijvoorbeeld zichtbaar dat verschillende boomgaarden aanwezig waren in het gebied. Ook werden verschillende perceelsgrenzen in oost-west richting begeleid door opgaande beplanting.

Voor de slooplocatie nr. 29 zijn deze historische aanknopingspunten doorvertaald in het onder andere terugbrengen van struweelhaag en knotbomen op de noordelijke perceelsgrens. In het veld komt er een duidelijk onderscheid tussen het woonerf en het daarachtergelegen weiland. De nieuwe grens wordt gemarkeerd door een nieuwe sloot met natuurvriendelijke oever. Direct daarachter komt, binnen het weiland, een boomgaard met 9 tot 12 hoogstam fruitbomen omgeven door kruidenrijk grasland. De sloop van de kassen zorgt bovendien op zichzelf al voor een kwaliteitswinst én er ontstaat een nieuwe zichtlijn naar het open achterland ten westen van Zandvoort.

Voor de nieuwbouwlocatie aan Zandvoort ong. is ruimte vrijgehouden om aan de noordwestkant van de locatie, aan de Zandvoort, een kleinschalige boomgaard aan te planten. De locatiekeuze maakt dat een voor dit gebied kenmerkend landschapselement zichtbaar wordt gemaakt vanaf de Zandvoort. Op deze locatie zijn verder hoge en lage hagen voorgesteld, net als twee solitaire bomen die de erfgrens aan de oostkant benadrukken.

Deze en andere nieuwe landschapselementen zijn voorgesteld en inzichtelijk gemaakt in het landschappelijk inpassingsplan uit bijlage 1. De voorgestelde inpassingsmaatregelen zijn geconcretiseerd via een beplantingsplan. Daarin zijn ook beheermaatregelen opgenomen. De aanleg, instandhouding en het beheer van beide deellocaties conform het beplantingsplan en de sloop van de kassen zijn voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels van voorliggend initiatief. Daarmee is de ruimtelijke kwaliteitswinst planologisch geborgd. Een nadere toelichting van het initiatief op grond van het functieveranderingsbeleid volgt in paragraaf 3.4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0007.png"

Landschappelijk inpassingsplan (bron: Buro SRO)

De bestaande woning behoudt de inrit aan de Zandvoort. De nieuwe woning, aan de overzijde van de straat, krijgt een eigen inrit. Op zowel het bestaande als het nieuwe erf is voldoende ruimte om te parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0008.png"

Beplantingsplan Zandvoort (bron: Buro SRO)

Flierensestraat 14

Een aanzienlijk deel van de bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waardoor er in het kader van het functieveranderingsbeleid, zie ook paragraaf 3.4.2, mogelijkheid komt tot het bouwen van een nieuwe woning. De te slopen bebouwing is inzichtelijk gemaakt op de afbeelding onderaan voorliggende paragraaf. In de toekomstige situatie zijn er twee woonpercelen. Ook de bestaande bedrijfswoning blijft behouden en de gehele woonlocatie wordt omgezet naar reguliere woonlocatie. Van agrarische bedrijfsactiviteiten is geen sprake meer. Het bijgebouw behorende bij de bestaande woning blijft behouden. De nieuwe woning krijgt een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 9- en 4,5 m, een inhoud van 850 m³ en bijgebouwen van maximaal 75 m² in lijn met de uitgangspunten van het functieveranderingsbeleid/ Gids ruimtelijke kwaliteit.

De woningen krijgen een eigen ontsluiting. Binnen eigen terrein is meer dan voldoende ruimte beschikbaar voor het parkeren van drie auto's. Meer daarover volgt in paragraaf 5.4. Onderstaand de uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan. De bestaande beplanting, zoals de laagstamboomgaarden en andere bomen, wordt voor het merendeel behouden, en er wordt nieuwe beplanting toegevoegd. Bij de inrichting van de erven is rekening gehouden met het creëren van doorzicht naar het achterliggende land. Het centrale deel van het plangebied krijgt een functie als landschapszone. Het oprichten van gebouwen en bouwwerken en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is daarbinnen niet toegestaan. Het landschappelijk inpassingsplan is ook voor deze locatie doorvertaald naar een beplantingsplan, zie bijlage 3 van de regels. Ook voor deze locatie is de aanleg en het beheer van de locatie conform de uitgangsprincipes van het beplantingsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0009.png"

Landschappelijk inpassingsplan Flierensestraat (bron: Buro SRO)

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0010.png"

Beplantingsplan Flierensestraat 14 (Bron: Buro SRO)

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0011.png"

Te slopen bijgebouwen (bron: initiatiefnemer)

2.3 Duurzaamheid

In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en

groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame

stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen.

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor

energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie

Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt

dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid,

waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen.

Kansen

Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het

energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om

meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij

nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de

kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam

opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd.

Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het

aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de

hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied.

Projectspecifiek

Zandvoort 29

Met voorliggend initiatief is sprake van zuinig ruimtegebruik, omdat agrarische bedrijfsbebouwing met een

oppervlakte van circa 4.500 m2 wordt gesloopt en hiervoor in de plaats één nieuwe woning wordt gebouwd.

De woning zal voldoen aan de nieuwe eisen van energie en conform het Bouwbesluit gasloos worden

gebouwd.

Flierensestraat 14

Met voorliggend initiatief is sprake van zuinig ruimtegebruik, omdat agrarische bedrijfsbebouwing met een

oppervlakte van circa 845 m2 wordt gesloopt en hiervoor in de plaats één nieuwe woning wordt gebouwd.

De woning zal voldoen aan de nieuwe eisen van energie en conform het Bouwbesluit gasloos worden

gebouwd.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

Daar beide locaties grotendeels binnen dezelfde beleidsregels vallen, zijn in het merendeel van dit hoofdstuk de locaties niet apart behandeld, enkel bij de toetsing aan het functieveranderingsbeleid en het omgevingsplan in paragraaf 3.4.6.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

De projectlocaties liggen niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Daarmee is er op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend project betreft het omzetten van twee bedrijfswoningen naar reguliere woningen en het toevoegen van twee nieuwe woningen in het buitengebied.

De projectlocaties ligt in een intrekgebied. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen die de kwaliteit van het drinkwater beschermen. Nieuwe ontwikkelingen binnen 'intrekgebieden' mogen geen functies bevatten die de winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggende initiatieven maken de winning van fossiele energie niet mogelijk. Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locaties gesteld.

De initiatieven passen binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Het beleid van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is gericht op het fysieke domein. De organisatie onderscheidt vijf verschillende opgaven, waaronder ook de opgave 'Groene groeiregio'. De regio kent een grote (verstedelijkings-)opgave en een tekort aan woningen. Het doel van deze opgave is het terugbrengen van dit woningentekort. Ook staat het bieden van voldoende (betaalbare) woningen op de agenda. Balans tussen stedelijke ontwikkeling en leefbaarheid dient behouden te blijven. De GMR hanteert twee speerpunten voor deze opgave:

  • 1. Wonen in balans: versnellen van de woningbouw;
  • 2. Leefomgeving: verbinden van de ruimtelijke opgaven.

Op 8 maart 2023 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen geactualiseerd. Met de geactualiseerde Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave in de regio. De woondeal is een pakket met afspraken tussen gemeenten, provincie, rijk, corporaties en marktpartijen, waarmee samengewerkt wordt aan meer woningen en meer betaalbare woningen. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. De Woondeal 2.0 borduurt daarmee voort op de eerste Woondeal uit 2020.

In de woondeal zet conform de provinciaal bestuurlijke afspraken in op de bouw van minimaal 33.000 woningen tot en met 2030. En richting 2040 zo'n 55.000 woningen. Dit betekent een ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo'n 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen. Daarnaast wordt ingezet op het beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de

gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie 'meer landschap meer stad'.

3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid

Binnen de woondeal heeft de gemeente Lingewaard de ruimte gekregen om 1.410 nieuwe woningen te realiseren. Hierbinnen is voldoende ruimte voor de extra woningen uit voorliggend plan. Vanuit kwalitatief oogpunt spelen de plannen in op een actuele lokale vraag naar meer woningen. Dit wordt nader onderbouwd in paragraaf 3.4. De plannen past daarmee binnen de regionale woondeal.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Beleidsnota verruiming woonbeleid

Dit document beschrijft hoe er meer ruimte geboden wordt aan particuliere woningbouwinitiatieven. Het gaat daarbij om het mogelijk maken van extra woningen binnen bestaande kernen en, onder voorwaarden, in het buitengebied. De nota vormt een praktische uitwerking van de ja, mits-benadering uit de Omgevingswet en geeft initiatiefnemers duidelijkheid over wanneer de gemeente medewerking verleent aan het toevoegen van woningen.

Doelstellingen van het beleid zijn onder meer:

  • Het verruimen van het toelatingsbeleid voor kleinschalige woningbouw;
  • Het beter aansluiten op de Omgevingswet door flexibel te toetsen volgens “ja, mits”;
  • Het mogelijk maken van nieuwe woningen zonder aantasting van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit;
  • Het creëren van een overzichtelijke, uniforme beoordelingssystematiek voor initiatiefnemers.

In het buitengebied is er een terughoudendheid als het gaat om het toevoegen van woningen. Toetsing van dergelijke plannen gebeurt in eerste instantie aan het beleid voor functieverandering.

Projectspecifiek

De nieuwe woningen liggen in het buitengebied van de gemeente Lingewaard. Om die reden is het initiatief nader getoetst aan het functieveranderingsbeleid zoals uitgewerkt in paragraaf 3.4.2.

3.4.2 Functieveranderingsbeleid

Het gemeentelijk beleid

De gemeente Lingewaard heeft in de notitie “Toepassing functieverandering in het buitengebied” (2015) haar

functieveranderingsbeleid voor het buitengebied vastgelegd (geactualiseerd in 2019). Het beleid ten aanzien

van functieverandering van agrarisch naar wonen is als volgt:

Functieverandering naar wonen kan plaatsvinden bij volledige beëindiging van de bedrijfsmatige activiteiten

op één agrarisch bouwperceel. In alle deelgebieden is functieverandering zonder toevoeging van woningen

toegestaan. Functieverandering met toevoeging van woningen is in een groot deel van het buitengebied

toegestaan. Op de bij de notitie behorende kaart is aangeven waar dit mogelijk is. Navolgende kaartuitsnede toont de kaart ter hoogte van beide deellocaties. Uit de kaart volgt dat zowel locatie Zandvoort als Flierensestraat (gele ellips) binnen het gebied 'functieverandering toegestaan icm scorekaart' ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0012.png"

De verhouding tussen te slopen kassen (alle glasopstanden en bedrijfsbebouwing) en te realiseren woningen is als volgt:

0 - 1.000 m² glasopstand   geen mogelijkheden voor bouw woning  
1.000 - 8.000 m² glasopstand   1 woning tot maximaal 850 m³  
meer dan 8.000 m² glasopstand   2 woningen tot maximaal 850 m³ per woning  

De verhouding tussen te slopen bedrijfsbebouwing van voormalige veehouderijen e.d. en te realiseren woningen is als volgt:

0 - 750 m² bedrijfsgebouwen   geen mogelijkheden voor bouw woning  
750 - 1.500 m² bedrijfsgebouwen   1 woning tot maximaal 850 m³  
meer dan 1.500 m² bedrijfsgebouwen   2 woningen tot maximaal 850 m³ per woning  

Voor het toevoegen van nieuwe woningen geldt dat deze niet op gas aangesloten mogen worden.

Ruimtelijke inpassing

Basis voor medewerking aan functieverandering is een goed inrichtingsplan. Het inrichtingsplan wordt op drie schaalniveaus getoetst:

  • 1. landschap: aansluiting bij het gebiedstype (oeverwallen of dijkzone);
  • 2. kavel: positionering van de bebouwing en de beplanting;
  • 3. bebouwing: vormen, materiaalgebruik en kleurstelling.

Projectspecifiek 

Per deellocatie is hieronder aangegeven hoe wordt voldaan aan de sloopvoorwaarden en de basisinspanningen voor ruimtelijke inpassing:

Zandvoort 29

De locatie Zandvoort ligt binnen het lichtgroene gebied, zie ook de voorgaande kaartuitsnede. Het toevoegen van een nieuwe woning is mogelijk, mits voldoende score wordt behaald op de scorekaart (1), er voldoende vierkante meters kassen gesloopt wordt (2) en een inpassingsplan wordt opgesteld (3).

  • 1. De scorekaart is raadpleegbaar via bijlage 3. Daaruit volgt dat met het initiatief het minimaal benodigde aantal van vijf punten worden gehaald.
  • 2. De kassen die gesloopt gaan worden aan Zandvoort 29 bedragen bij elkaar ca. 4.500 m2. Hierdoor mag één woning tot maximaal 850 m³ worden gerealiseerd.
  • 3. Voor de locatie Zandvoort is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en raadpleegbaar via bijlage 1. Het bijbehorende beplantingsplan is toegevoegd als bijlage 2 van de regels. De gemeente toets de inpassing op drie schaalniveau's:

  • Landschap

Voor locatie Zandvoort zijn een landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1) en een beplantingsplan (zie bijlage 2 bij de regels). In paragraaf 2.2 en op het scoreformulier is de landschappelijke inpassing van een toelichting voorzien. Bij de inpassingsmaatregelen is enerzijds rekening gehouden met de openheid van het buitengebied, terwijl ter hoogte van de bebouwingspercelen verschillende landschapselementen zijn toegevoegd in de vorm van lage en opgaande beplanting. Uitgangspunt van het oeverwallenlandschap is dat de openheid wordt vergroot en doorzichten worden versterkt. Het initiatief zorgt voor een versterking van beide kwaliteiten door de sloop van de kassen en de zichtlijn die daardoor ontstaan naar het ten westen gelegen open buitengebied.

  • Kavel

Voor beide locaties is een gebiedseigen inpassing voorgesteld met onder andere (laag en hoog) geschoren hagen en een kleinschalige boomgaard. Aan locatie Zandvoort 29 blijft de bestaande woning behouden of wordt op dezelfde locatie een woning herbouwd. Via het opnemen van een bouwvlak is geborgd dat deze woning niet verder richting het zuiden terug kan worden gebouwd, dit ter bescherming van de zichtlijn die ontstaat. Op de ontwikkellocatie tegenover nr. 29 is de nieuwe woning op basis van het functieveranderingsbeleid voorzien. Via een bouwvlak is de positionering en afstand van de woning tot de weg en de zijdelingse perceelsgrenzen vastgelegd.

  • Bebouwing

Voor de hoogtes en inhoud van de nieuwe woning wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het functieveranderingsbeleid en de Gids Ruimtelijke kwaliteit. De maximale bouw- en goothoogte van de woning is respectievelijk 9- en 4,5 m. De woning krijgt een inhoud van 850 m³. Het maximaal gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen bedraagt 75 m². Deze maatvoeringen zijn vastgelegd in de regels van voorliggend initiatief.

De nieuw te realiseren hoofdgebouwen zijn zodanig gepositioneerd dat deze aansluiten op de bestaande stedenbouwkundige opzet van de Zandvoort. De afstand tot de weg en de beoogde positionering van de woningen is vergelijkbaar met bestaande woningen in de straat.

Flierensestraat 14

Ook de locatie Flierensestraat 14 ligt binnen het lichtgroene gebied, zie ook de voorgaande kaartuitsnede. Het toevoegen van een nieuwe woning is mogelijk, mits voldoende score wordt behaald op de scorekaart (1), er voldoende vierkante meters kassen gesloopt wordt (2) en een inpassingsplan wordt opgesteld (3).

  • 1. De scorekaart is raadpleegbaar via bijlage 4. Daaruit volgt dat met het initiatief meer punten worden gehaald worden (6) dan nodig (5);
  • 2. De bedrijfsbebouwing die gesloopt gaat worden bedraagt ca. 845 m2. Er is minimaal 750 m2 aan sloopvierkante meters nodig. Dit betekent dat daar één woning voor teruggebouwd mag worden.
  • 3. Voor de locatie Zandvoort is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en raadpleegbaar via bijlage 2. Het bijbehorende beplantingsplan is toegevoegd als bijlage 3 van de regels. De gemeente toets de inpassing op drie schaalniveau's:

  • Landschap

Ook hier is gekozen voor een gebiedseigen inpassing met een duidelijke verwijzing naar de in dit gebied van oudsher voorkomende boomgaarden. Een aanzienlijk deel van het plangebied krijgt een landschappelijke inpassing van boomgaarden en zichtlijnen. Bebouwing is binnen een noemenswaardig deel van dit plangebied niet toegestaan (functie Agrarisch). De grootste kwaliteitswinst wordt behaald door het wegbestemmen van het agrarisch bedrijf. Hierdoor zorgt het initiatief voor een aanzienlijke milieuwinst voor de omgeving waarmee ook het woon- en leefklimaat van veel woningen uit de directe omgeving verbetert.

  • Kavel

De locatie Flierensestraat 14 bestaat in de toekomstige situatie uit twee op zichzelf staande woonerven en een landschapszone. De bestaande bedrijfswoning blijft behouden als reguliere woning en aan de noordoostkant van het plangebied komt op basis van het functieveranderingsbeleid een nieuwe woning. Rondom de woonerven blijven boomgaarden als onderdeel van de inpassing aanwezig, met daartussen zichtlijnen naar het achterliggende landschap. De kavelinrichting van de woonerven steekt duidelijk tegen de boomgaarden. Langs de randen van de erven komen nieuwe, voornamelijk, lage hagen. De nieuwe woning sluit qua afstand op de weg aan op het bestaande bebouwingslint ten noordoosten van het plangebied.

  • Bebouwing

Voor de hoogtes en inhoud van de nieuwe woning wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het functieveranderingsbeleid en de Gids Ruimtelijke kwaliteit. De maximale bouw- en goothoogte van de woning is respectievelijk 9- en 4,5 m. De woning krijgt een inhoud van 850 m³. Het maximaal gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen bedraagt 75 m². Deze maatvoeringen zijn vastgelegd in de regels van voorliggend initiatief.

Nieuwe bijgebouwen zijn niet toegestaan binnen de landschapszone.

Voorliggende initiatieven passen binnen het functieveranderingsbeleid.

3.4.3 Omgevingsvisie Lingewaard

De omgevingsvisie van Lingewaard is op 11 mei 2023 vastgesteld. De visie schetst een algemeen beeld van de gewenste fysieke leefomgeving. Dat betekent dat er op hoofdlijnen wordt gekeken naar de gemeente als geheel waarbij bij verschillende onderwerpen en uitdagingen de samenhang wordt bekeken. In de omgevingsvisie worden twee vergezichten benoemd die de ambities van de gemeente Lingewaard beschrijven in 2035:

  • 1. Een toekomstbestendige leefomgeving voor jong en oud, waarin alle ontwikkelingen bijdragen aan gezonde, duurzame en leefbare kernen waar fijn en groen wonen de norm is. Saamhorigheid, identiteit en leefbaarheid staan centraal in de Lingewaards kernen.
  • 2. Lingewaard als onderdeel van de Groene Metropoolregio, waarbij Lingewaard zich inzet op:
    • a. het versterken van de economische kracht van het tuinbouwgebied NEXT-garden (duurzame voedselproductie) en de lokale bedrijvigheid;
    • b. het versterken van een landschap dat uitnodigt om dicht bij de eigen woonomgeving buiten te ontspannen.

Daarnaast wordt er binnen de visie ook specifiek gekeken naar de verschillende kernen binnen het gebied, waarin de ambities worden opgedeeld per deelgebied:

A. Sterke en ontwikkelde centrumgebieden

B. Gezonde en leefbare wijken

C. Veilige en goed bereikbare kernen

D. Buitengebied: lokaal en regionaal groen middengebied

E. Binnenstedelijk ontwikkelen

F. Park Lingezegen

G. Werkgebieden

H. Aantrekkelijke en hoogwaardige dorpsrand

De locaties vallen onder deelgebied D: Buitengebied: lokaal en regionaal groen middengebied. Ambities voor dit deelgebied is onder andere het tegengaan van verrommeling en leegstand door functieverandering.

Navolgende afbeelding geeft de locaties i.r.t. de visiekaart voor Gendt weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0013.png"

Visiekaart Gendt (bron: Omgevingsvisie Lingewaard)

Projectspecifiek

Beide locaties liggen in het buitengebied van Gendt. In het buitengebied wordt de kwaliteit van het landschap verder ontwikkeld, onder meer door versterking van het landschap. Daarnaast ligt er voor de gemeente Lingewaard een opgave voor verduurzaming en vergroening van de (woon)omgeving. De verduurzaming gaat vooral over de energietransitie, zodat de gemeente in 2050 energieneutraal kan zijn. Er wordt met name ingezet op energiebesparing, duurzame opwek en de warmtetransitie alsook klimaatadaptatie, biodiversiteit en vergroening van de publieke ruimte.

Voor beide initiatieven is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt en is inzichtelijk gemaakt hoe de ontwikkelingen bij kunnen dragen aan een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving, en het landschap kunnen versterken.

Het initiatief past binnen het bepaalde in de Omgevingsvisie Lingewaard.

3.4.4 Gids Ruimtelijke Kwaliteit

Op 19 september 2018 heeft de gemeente Lingewaard de Gids Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. De Gids Ruimtelijke Kwaliteit is een actualisatie van de Welstandsnota. De Welstandsnota dateert van direct na de herindeling. Deze is verouderd, gebruiksonvriendelijk en sluit niet meer aan op de huidige wetgeving. Het doel van de Gids voor Ruimtelijke Kwaliteit is het waarborgen van bestaande ruimtelijke kwaliteiten en het inspireren van initiatiefnemers bij het realiseren van bouwplannen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kleine bouwwerken en grotere bouwopgaven. Voor kleine bouwwerken zijn concrete criteria opgesteld. Voor grotere bouwopgaven zijn geen 'harde' criteria opgeteld, voor deze locaties wordt uitgegaan van 'maatwerk'. Voor de grotere bouwopgaven zijn richtlijnen opgesteld die op gebiedsniveau nader worden gespecificeerd.

Op navolgende afbeelding is te zien dat beide locaties in het landelijk gebied en in de oeverwallen liggen. Bijbehorende richtlijnen zijn bijvoorbeeld dat het ontwerp

  • is afgestemd op de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur
  • de kwaliteit van de omgeving verbetert en een positieve bijdrage levert aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving
  • markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk

Projectspecifiek

Beide locaties voldoen aan de richtlijnen zoals hierboven omschreven. Zo wordt door middel van een landschappelijk inpassingsplan afstemming gezocht met de landschappelijke structuur, wordt leegstand van gebouwen vervangen door woningen, wat een positief effect heeft op de leefbaarheid en sociale veiligheid, en wordt door middel van beplanting duidelijk onderscheid gemaakt tussen openbaar en privégebied. Zie verder ook de toets aan het Functieveranderingsbeleid uit paragraaf 3.4.2.

Het initiatief past binnen het bepaalde uit de Gids Ruimtelijke Kwaliteit.

3.4.5 Nota Wonen 2020 – 2025 gemeente Lingewaard

Met deze woonvisie wil de gemeente de huidige en nieuwe inwoners de kans geven binnen de gemeente een wooncarrière te doorlopen. Lingewaard ziet het als haar taak om naar vermogen al hun inwoners passend en goed te huisvesten in een aantrekkelijk woonmilieu. Passend huisvesten houdt in dat het woningaanbod is afgestemd op de financiële mogelijkheden die mensen hebben. Goede huisvesting betekent dat ook in het betaalbare segment sprake is van een goede kwaliteit en toekomstwaarde van de woningen. Focus ligt op versneld bouwen, flexibel nieuw-bouwprogramma, actiever regisseren, doelgroepen senioren en starters, ook kleinere woningen en meer (particuliere) woningen mogelijk maken.

Wat doet de gemeente daarvoor?

In de nota wordt een groot aantal acties genoemd om dit doel te bereiken. Samen met bewoners, zorginstellingen, ontwikkelaars en andere overheden zal de gemeente de samenwerking moeten zoeken om tot resultaten te komen. Met de corporaties en huurdersorganisaties legt de gemeente dit vast in nieuwe prestatieafspraken.

De doelstellingen van de nota zijn weergegeven in de onderstaande afbeelding:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0014.png"

Overzicht doelstellingen uit de Nota Wonen 2020 – 2025 gemeente Lingewaard

Projectspecifiek

Met onderhavig initiatief worden twee nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt een bijdrage geleverd aan het woonaanbod in de gemeente door het mogelijk maken van vrijstaande woningen welke voldoen aan de actuele normen op het gebied van duurzaamheid en energie. Het plan past daarmee binnen de Nota Wonen 2020 - 2025.

3.4.6 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Zandvoort 29

Ter plaatse van het projectgebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarin is het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied Lingewaard", vastgesteld op 31 oktober 2013 door de raad van de gemeente Lingewaard, verwerkt als het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het voormalige bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen' met dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5'. Verder ligt er de functieaanduiding glastuinbouw.

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0015.png"

Uitsnede omgevingsplan (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Ter plaatse van de locatie waar de woningen zijn beoogd, is het op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet toegestaan om meer dan één woning te bouwen. Daarnaast is er enkel een agrarische bedrijfswoning toegestaan. Voorliggend plan is daarmee niet passend binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan “Buitengebied Lingewaard”.

Flierensestraat 14

Ter plaatse van het projectgebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarin is het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied Lingewaard", vastgesteld op 31 oktober 2013 door de raad van de gemeente Lingewaard, verwerkt als het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het voormalige bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen' met dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' en 'Waarde – Archeologie 5'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0016.png"

Uitsnede voormalige bestemmingsplan "Buitengebied Lingewaard" (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Ter plaatse van de locatie waar de woningen zijn beoogd, is het op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet toegestaan om meer dan één woning te bouwen. Daarnaast is er enkel een agrarische bedrijfswoning toegestaan. Voorliggend plan is daarmee niet toegestaan op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan “Buitengebied Lingewaard”.

3.4.7 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteiten passen binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkelingen zijn echter in strijd met de regels van het omgevingsplan, daar het er niet toegestaan is om te wonen of te bouwen. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid Waterschap Rivierenland

Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.

In Artikel 3.22.3 van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland is een vrijstelling van de compensatieplicht voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlakte opgenomen. Van deze vrijstelling mag gebruik gemaakt worden als 1) er voor het betreffende perceel, of het grotere planologische geheel, nog niet eerder gebruik van is gemaakt en 2) wanneer de toename van verhard oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.500 m2 (buiten de bebouwde kom). Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.

Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening:

Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436

Planspecifiek

Zandvoort 29

Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Rivierenland. In het vervolg van voorliggende paragraaf komen de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten aan bod.

Waterberging

Het toekomstig verhard oppervlak van de woning en omliggende verharding bedraagt circa 750 m² voor beide beoogde woonlocaties binnen deze deellocatie. De totale verharding blijft onder de 1.500 m². Op grond van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland kan daarmee gebruik worden gemaakt van de eenmalige vrijstellingsgrens van de compensatieplicht. Wel zullen maatregelen worden getroffen om hemelwater binnen eigen terrein te verwerken. Zeker op slooplocatie nr 29 ontstaat er door de sloop van de kassen veel meer onverhard oppervlak waardoor overtollig hemelwater via de bodem kan infiltreren.

Bij de aanvraag van de vergunning voor het bouwen is pas bekend hoeveel verhard oppervlakte er exact gerealiseerd wordt. Mede daarom betreft de in deze paragraaf berekende waterberging een schatting. Om de wateropgave in te vullen is er de keuze uit een aantal bergingsvoorzieningen. Voorzieningen die hiervoor gebruikt kunnen worden, zijn grindkoffers, kratten, een greppel, wadi of een vijver / poel in de tuin. Daarnaast is het mogelijk om bij de aanleg en inrichting van de tuin rekening te houden met de waterberging. Er zijn daarmee voldoende mogelijkheden om op eigen terrein in de benodigde waterberging te voorzien. De concrete uitwerking van de waterberging wordt opgenomen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Wateradvies

Waterschap Rivierenland is via het wateradvies op de hoogte gebracht van voorliggende ontwikkeling, zie Bijlage 5. Uit het advies volgt dat een normale procedure van toepassing is. In voorliggende paragraaf is aangetoond hoe om wordt gegaan met het waterbelang. Nadere afstemming met het waterschap is op dit moment niet aan de orde, dit komt aan bod bij de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Overige aspecten

Binnen het projectgebied en net daarbuiten zijn geen primaire of secundaire watergangen, andere vormen van oppervlaktewater, waterkeringen en (grond)waterbeschermingszones aanwezig. Aan de achterzijde van het westelijke perceel ligt een tertaire watergang, en op ca. 330 m afstand ligt viswater Het Broek. In het ontwerp wordt de watergang niet verstoord. Bij de nadere uitwerking van het beoogde bouwplan zal aandacht worden besteed aan de afvoer van regen- en afvalwater. Voor de verwerking van het afvalwater krijgt de nieuwe woning een aansluiting op het gemeentelijke vuilwaterstelsel. Tijdens de bouw worden geen uitloogbare materialen gebruikt.

Flierensestraat 14

Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Rivierenland. In het vervolg van voorliggende paragraaf komen de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten aan bod.

Waterberging

Het toekomstig verhard oppervlak van de nieuwe woning en omliggende verharding bedraagt circa 880 m². Daarnaast wordt een aanzienlijk deel van de bedrijfsbebouwing gesloopt. De totale verharding blijft onder de 1.500 m². Op grond van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland kan daarmee gebruik worden gemaakt van de eenmalige vrijstellingsgrens van de compensatieplicht. Wel zullen maatregelen worden getroffen om hemelwater binnen eigen terrein te verwerken. Zeker door de sloop van bedrijfsbebouwing en de komst van een landschapszone waarbinnen geen gebouwen zijn toegestaan, verbetert het bergend vermogen van het plangebied aanzienlijk. Bij de aanvraag van de vergunning voor het bouwen is pas bekend hoeveel verhard oppervlakte er exact gerealiseerd wordt. Mede daarom betreft de in deze paragraaf berekende waterberging een schatting. Om de wateropgave in te vullen is er de keuze uit een aantal bergingsvoorzieningen. Voorzieningen die hiervoor gebruikt kunnen worden, zijn grindkoffers, kratten, een greppel, wadi of een vijver / poel in de tuin. Daarnaast is het mogelijk om bij de aanleg en inrichting van de tuin rekening te houden met de waterberging. Er zijn daarmee voldoende mogelijkheden om op eigen terrein in de benodigde waterberging te voorzien. De concrete uitwerking van de waterberging wordt opgenomen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Wateradvies

Waterschap Rivierenland is via het wateradvies op de hoogte gebracht van voorliggende ontwikkeling, zie Bijlage 6. Uit het advies volgt dat een normale procedure van toepassing is. In voorliggende paragraaf is aangetoond hoe om wordt gegaan met het waterbelang. Nadere afstemming met het waterschap is op dit moment niet aan de orde, dit komt aan bod bij de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Overige aspecten

Binnen het projectgebied en net daarbuiten ligt een beschermingszone van een primaire watergang. Binnen de beschermingszone is geen nieuwe bebouwing en beplanting voorzien. De watergang en beschermingszone ondervinden geen hinder door voorliggend initiatief. Verder zijn er geen primaire, secundaire of tertaire watergangen, andere vormen van oppervlaktewater, waterkeringen en (grond)waterbeschermingszones aanwezig. In het ontwerp wordt de beschermingszone niet verstoord.

Bij de nadere uitwerking van het beoogde bouwplan zal aandacht worden besteed aan de afvoer van regen- en afvalwater. Voor de verwerking van het afvalwater krijgt de nieuwe woning een aansluiting op het gemeentelijke vuilwaterstelsel. Tijdens de bouw worden geen uitloogbare materialen gebruikt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Zandvoort 29

Dit initiatief bestaat uit twee delen: het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning en het bouwen van een nieuwe woning.

De bestaande bedrijfswoning, die wordt herbouwd en in de toekomstige situatie een reguliere woning betreft, is in de bestaande situatie reeds milieugevoelig voor bedrijven uit de omgeving. De woning wordt op dezelfde locatie teruggebouwd, waardoor de afstand tot andere bestaande bedrijven niet verandert. Er treden geen veranderingen op. Dat betekent dat milieuzonering geen problemen oplevert voor dit deel van het initiatief.

Het realiseren van een nieuwe woning betreft wel een nieuw milieugevoelig object. De dichtstbij gelegen milieubelastende activiteiten zijn de visvijvers, deze liggen op ca. 330 meter afstand. Qua milieubelasting kunnen visvijvers vergeleken worden met golfbanen. Deze hebben een richtafstand van 10 m. Daaraan wordt dus ruim voldaan. Overige milieubelastende activiteiten liggen ook op geruime afstand van het projectgebied. Daarmee, en omdat andere milieugevoelige functies dichter bij omliggende bedrijven en functies liggen, kan ook gesteld worden dat de nieuwe woning deze bedrijven en functies niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

Flierensestraat 14

Dit initiatief bestaat uit twee delen: het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning en het bouwen van een nieuwe woning.

De bestaande bedrijfswoning is in de bestaande situatie reeds milieugevoelig voor bedrijven uit de omgeving. De woning blijft behouden, waardoor de afstand tot andere bestaande bedrijven niet verandert. Er treden geen veranderingen op. Dat betekent dat milieuzonering geen problemen oplevert voor dit deel van het initiatief.

Het realiseren van een nieuwe woning betreft wel een nieuw milieugevoelig object. Het dichtstbij gelegen bedrijf betreft het agrarisch bedrijf aan Flierensestraat 22a in Gendt. Op locatie geldt een vergunning voor het mogen houden van 18 paarden (bron: I-GO viewer). De gevolgen van dit bedrijf ten aanzien van geur volgt in paragraaf 4.6. Voor de overige bedrijfsactiviteiten geldt een maximale richtafstand van 30 m (bedrijven en milieuzonering, categorie 'paardenfokkerij). Aan deze richtafstand wordt voldaan. De afstand tussen de dichtstbij gelegen bedrijfsgebouwen en het nieuwe woonperceel bedraagt 30 m. Het buitenerf van de paardenhouderij en de ontsluiting liggen op ruimere afstand, minimaal 60 m tot het nieuwe woonperceel.

Het agrarisch bedrijf wordt ook niet gehinderd in de ontwikkelingsmogelijkheden vanwege de aanwezigheid van verschillende bestaande woningen in de directe omgeving van het bedrijf. Ter plaatse van de beoogde nieuwe woning is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Voor de deellocatie Zandvoort 29 is een voorafgaand bodemonderzoek (bureauonderzoek) verricht, zie bijlage 7. Daaruit volgt dat een hypothese is opgesteld, namelijk onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal ook het veldonderzoek gevoegd worden.

Het voorafgaande bodemonderzoek voor locatie Flierensestraat is toegevoegd als bijlage 8. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn enkele hypotheses opgesteld. De hypotheses zijn gebaseerd op de eerdere bedrijfsactiviteiten op locatie, waaronder de aanwezigheid van teeltvelden waardoor hogere waarden van sommige stoffen gevonden zullen worden. Dat is altijd makkelijk oplosbaar. Daarnaast zijn wat kleinere lokale verontreinigingen te verwachten bij de locatie van een voormalige bovengrondse olietank, druppelzones en overige asbestverdachte deellocaties. Om uit te sluiten/ na te gaan of sprake is van bodemverontreiniging is het advies verkennend (asbest)bodemonderzoek uit te voeren. Er is geen reden vanuit ervaringen elders aan te nemen dat de kosten hiervoor de reikwijdte van dit plan te buiten gaat. E.e.a. wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen verder uitgewerkt en is zo ook wettelijk geborgd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Zandvoort 29

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 51468751_15565758, op ca. 500 m afstand. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   12,8 µg/m3   15 µg/m3   8,3 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (1.500 woningen, 3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het projectgebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Flierensestraat 14

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 51468751_15565800, op ca. 1,2 km afstand. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   12,1 µg/m3   15,1 µg/m3   8,5 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (1.500 woningen, 3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het projectgebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (artikel 4.723d lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de ruimtelijke ordening word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits dit gemotiveerd kan worden. Deze praktijk wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volgende aandachtspunten zijn van belang:

  • 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en);
  • 2. wat is het huidige gebruik van de gronden / welke teelten vinden plaats;
  • 3. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en welke spuitmethode wordt gebruikt;
  • 4. wat zijn de effecten van drift reducerende middelen (vaak hagen en bomenrijen);
  • 5. wat is de overheersende windrichting.


Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woon- en leefklimaat. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt.


Planspecifiek

In de omgeving van beide deellocaties liggen enkele agrarische percelen waarop gewassen mogen worden verbouwd waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Om de mogelijke gevolgen van het gebruik van deze middelen voor de nieuwe woonpercelen te onderzoeken, zijn locatiespecifieke onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn toegevoegd in bijlagen 9 (Zandvoort 29) en 10 (Flierensestraat 14). De belangrijkste uitkomsten zijn voor beide locaties dat op basis van de locatiespecifieke onderzoeken er geen aantoonbare risico's zijn en de aanwezige onzekerheden aanvaard kunnen worden. In het verlengde van deze conclusies zal er via voorliggend plan via inwaarts zoneren worden geregeld dat:

  • op locatie Flierensestraat, ter plaatse van de functie 'Agrarisch', en
  • op locatie Zandvoort 29, binnen de functie 'Agrarisch' ten westen van het woonperceel

geen gewasbeschermingsmiddelen meer mogen worden gebruikt. Dit wordt geregeld via een aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' met een bijbehorende regel dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van deze zone niet is toegestaan.


Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek

Zandvoort 29

Dit initiatief bestaat uit twee delen: het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning en het bouwen van een nieuwe woning.

Allereerst het omzetten van de bedrijfswoning. Deze bestaande bedrijfswoning is reeds geurgevoelig voor andere bedrijven uit de omgeving van het plangebied. De woning wordt herbouwd en verandert naar reguliere woning. De afstand tussen de woning en bedrijven verandert niet. Er blijft sprake van een aanvaard woon- en leefklimaat.

Het realiseren van een nieuwe woning betreft wel een nieuw geurgevoelig object. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Aan de Zandvoort en aangrenzende wegen liggen voornamelijk tuinbouwbedrijven. De dichtstbij gelegen agrarische bedrijven liggen op ruime afstand (vanaf ca 1 km) ten noordoosten in de omgeving van de Flierensestraat. Vanwege deze ruime afstand kan geurhinder op voorhand worden uitgesloten. Ter plaatse van de nieuwe vrijstaande woning is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Flierensestraat 14

Dit initiatief bestaat uit twee delen: het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning en het bouwen van een nieuwe woning.

Allereerst het omzetten van de bedrijfswoning. Deze bestaande bedrijfswoning is reeds geurgevoelig voor andere bedrijven uit de omgeving van het plangebied. De woning wordt herbouwd en verandert naar reguliere woning. De afstand tussen de woning en bedrijven verandert niet. Er blijft sprake van een aanvaard woon- en leefklimaat.

Flierensestraat 22a

Het realiseren van een nieuwe woning betreft wel een nieuw geurgevoelig object. Het dichtstbij gelegen bedrijf betreft het agrarisch bedrijf aan Flierensestraat 22a in Gendt. Op locatie geldt een vergunning voor het mogen houden van 18 paarden (bron: I-GO viewer). Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De afstand tussen de dichtstbij gelegen bedrijfsgebouwen en de beoogde woning bedraagt 60 m. Er wordt voldaan aan de geldende afstandseisen. De oprichting van de nieuwe woning is begrensd via een bouwvlak waardoor de afstand tussen woning en de paardenhouderij ook niet kan verkleinen. Het bestaande agrarisch bedrijf dient voor de ontwikkelingsmogelijkheden in de bestaande situatie al rekening te houden met bestaande woningen in de directe omgeving van het bedrijf. De nieuwe woning uit voorliggend plan komt op verdere afstand en benadeeld de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf niet. Geconcludeerd kan worden dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. En het bedrijf wordt niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden.

Flierensestraat 31

Tegenover het plangebied ligt een rundveebedrijf aan Flierensestraat 31. Het bedrijf heeft een vergunning voor het houden van 13 rundveedieren (zoogkoeien ouder dan 2 jaar: 10, vrouwelijk jongvee tot 2 jaar: 3, bron: IGO-viewer). Er is sprake van een zeer kleine veehouderij. Voor een rundveebedrijf gelden bovendien vaste afstanden van 50 m. De nieuwe woning aan de Flierensestraat komt op minimaal 50 m te staan tot het bestaande erf met bedrijfsbebouwing waaronder de stal(len). Vanwege deze ruime afstand en de kleinschalige aard van het rundveebedrijf kan noemenswaardige geurhinder worden uitgesloten en kan in voldoende mate worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. De nieuwe woning komt op dezelfde afstand tot het bedrijf te staan als de bestaande woning aan Flierensestraat 18. De nieuwe woning heeft daarmee geen belemmerende werking op de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Het riante agrarisch bouwvlak maakt dat het bedrijf aan de achterzijde van het erf nog voldoende mogelijkheden heeft voor eventuele uitbreidingswensen. Een uitbreiding aan de achterzijde van het erf is om verschillende ruimtelijke redenen bovendien veel logischer.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Projectspecifiek

Voor beide locaties is een akoestisch onderzoek weggeluid uitgevoerd. De onderzoeken zijn toegevoegd als Bijlage 11 (Zandvoort) en Bijlage 12 (Flierensestraat). De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van de paragraaf opgenomen.

Zandvoort 29

Voor deze deellocatie is het onderzoek uitgevoerd voor zowel de te herbouwen woning als de nieuwe. De hoogte belasting van het gezamenlijk geluid is met 49 dB lager dan de standaardwaarde van 53 dB. Hieruit volgt dat het geluid van het verkeer ter plaatse in elk geval aanvaardbaar is. Voorliggend plan voldoet voor deze deellocatie voor wat betreft geluid aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Flierensestraat 14

Voor deze deellocatie is het onderzoek uitgevoerd voor de nieuw te realiseren woning. De hoogte belasting van het gezamenlijk geluid is met 51 dB lager dan de standaardwaarde van 53 dB. Hieruit volgt dat het geluid van het verkeer ter plaatse in elk geval aanvaardbaar is. Voorliggend plan voldoet voor deze deellocatie voor wat betreft weggeluid aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In paragraaf 4.2 milieuzonering is nader ingegaan op het effect van het geluid van omliggende bedrijven op de nieuwe woning.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Zandvoort 29

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Hieronder een uitsnede van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0017.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat op het project niet binnen een plaatsgebonden risiocontour of een aandachtsgebied ligt. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Flierensestraat 14

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Hieronder een uitsnede van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0018.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat op het project niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of een aandachtsgebied ligt. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 Gezondheid en geitenhouderijen

In het kader van het programma Veehouderijen en Gezondheid Omwonenden (hierna VGO) zijn onderzoeken uitgevoerd naar de gezondheid van mensen die in de nabijheid van veehouderijen wonen.

Naar aanleiding van deze VGO-onderzoeken zijn er consistente aanwijzingen dat er een grotere kans is op longontsteking binnen zone rondom geitenhouderijen. Het verband wordt verondersteld causaal te zijn. Er wordt nog volgonderzoek uitgevoerd (VGO-III). De resultaten hiervan worden in 2024 verwacht.

Werkwijze gemeente Lingewaard

Binnen de gemeente Lingewaard zijn enkele geitenhouderijen actief. Ten aanzien van nieuwe ruimtelijke ontwikellingen hanteert de gemeente de volgende werkwijze:

  • 1. De gemeente meldt bij een eerste gesprek over een ruimtelijke initiatief/gebiedsontwikkeling dat de projectlocatie is gelegen in de invloedsfeer van 1 kilometer van een geitenhouderij. De gemeente is zeer terughoudend bij een dergelijk initiatief aangezien de minister heeft aangegeven met een minimale afstandseis te komen die ligt tussen de 500 en 1000 meter. Als een locatie op 500 meter of minder van een geitenhouderij ligt (bijvoorbeeld bij functieverandering), kan een nieuwe hindergevoelige functie niet op de betreffende locatie worden gerealiseerd. We treden dan in overleg met de initiatiefnemer om te bezien of de te bouwen hindergevoelige functie (veelal een woning) elders gebouwd kan worden.
  • 2. In een onderbouwing ETFAL voor een nieuwe ontwikkeling binnen 1 km afstand tot een geitenhouderij wordt een paragraaf opgenomen waar wordt ingegaan op het aspect gezondheid in relatie tot de geitenhouderijen. De ligging van de projectlocatie ten opzichte van de geitenhouderij wordt daarbij in beeld gebracht. Hierin wordt tevens vermeld dat en op welke wijze potentiële kopers worden geïnformeerd over het gezondheidsrisico.
  • 3. In de anterieure overeenkomst wordt verwezen naar de motivering ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) bij zowel een wijziging van het omgevingsplan als bij een omgevingsvergunning (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) waarin wordt ingegaan op de het aspect gezondheid en veehouderijen indien de projectlocatie zich binnen de zone van 1 kilometer bevindt. Ook wordt de verplichting opgenomen dat de initiatiefnemer potentiële kopers informeert over het extra gezondheidsrisico als gevolg van de aanwezigheid van de geitenhouderij.

Planspecifiek

In bijlage 13 is een kaart opgenomen waarop de twee deellocaties uit voorliggend plan in relatie tot bestaande geitenhouderijen is weergegeven. De locatie Zandvoort is aangegeven met de oranje stip, locatie Flierensestraat met de blauwe stip. Uit de kaart blijkt dat locatie Zandvoort op verdere afstand van 2 km van een geitenhouderij ligt. Locatie Flierensestraat ligt op iets minder dan 1,5 km tot een geitenhouderij.

Binnen de 2 kilometer zone rondom de geitenhouderij wonen meer dan 10.000 mensen. Met onderhavig plan wordt één extra woning en dus één enkel huishouden toegevoegd, met een gemiddelde omvang van een huishouden van 2,4 (bron: gemeente Lingewaard) gaat het afgerond om 3 extra inwoners, een toename van de populatie van het effectgebied van 0,03%. Gemiddeld krijgen in Nederland ongeveer 253.000 mensen longontsteking. Hiervan belandt 15% in het ziekenhuis (bron: Longfonds). Binnen het betrokken gebied (10.000) inwoners rond de veehouderij gaat het dan over 0,15 tot 0,75 vermijdbare ziekenhuisopnamens per jaar. Voor het plangebied met 3 extra inwoners ligt dit aantal circa 3.334 x lager (10.000/3).

Er bestaat een grote behoefte aan de bouw van woningen. Aan het belang om woningen te bouwen wordt veel gewicht toegekend.

De dichtstbijzijnde deellocatie van voorliggend initiatief ligt op ca. 1,5 km afstand van de dichtstbij gelegen geitenhouderij ten westen van de kern Gendt. Er zijn geen klachten in de omgeving van het plangebied ten aanzien van geuroverlast van de dichtstbij gelegen geitenhouderij. Op basis van voorgaande motivering luidt de conclusie dat er sprake is van een zeker gezondheidsrisico maar het risico is niet groot. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gewaarborgd worden, zeker in relatie tot andere overwegingen zoals bijvoorbeeld het volkshuisvestelijke belangen en kwaliteitsverbeteringen van de bestaande woonwijk. De initiatiefnemers brengen toekomstige bewoners op de hoogte van de aanwezigheid van de geitenhouderij en de bijbehorende risico's, zodat zij een eigen afweging kunnen maken.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Zandvoort 29

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van één nieuwe woningen. Dit valt niet onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Staande jurisprudentie geeft namelijk aan dat woningbouw tot en met 11 woningen niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt kan worden. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.

Flierensestraat 14

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van één nieuwe woning.

Dit valt niet onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit).

Staande jurisprudentie geeft namelijk aan dat woningbouw tot en met 11 woningen niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt kan worden. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.

4.11 Explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Lingewaard heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het projectgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht.  De gemeente Lingewaard adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.

Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Zandvoort 29

Voorliggend initiatief voorziet in het ontwikkelen van twee woningen.

Het aantal te realiseren woningen bedraagt minder dan 12, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

Flierensestraat 14

Voorliggend initiatief voorziet in het ontwikkelen van twee woningen.

Het aantal te realiseren woningen bedraagt minder dan 12, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Zandvoort 29

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.

Archeologie

Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Lingewaard (2021) weergegeven met het projectgebied rood omkaderd. Het projectgebied ligt binnen een gebied met Waarde-Archeologie 5 en heeft een middelhoge verwachte dichtheid aan archeologische resten (gele kleur). Voor de middelhoge verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Deze waarden worden niet overschreden. Archeologisch onderzoek niet is nodig. De bestaande dubbelbestemming is overgenomen in voorliggend plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0019.png"

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (bron: Gemeente Lingewaard)

Flierensestraat 14

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.

Archeologie

Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Lingewaard (2021) weergegeven met het projectgebied zwart omkaderd. Het projectgebied ligt voor het grootste deel binnen een gebied met Waarde-Archeologie 3; 'historische dorpskern, oude woongrond en overige terreinen van archeologisch belang' (rode kleur). Hier geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Deze waarden worden overschreden. Archeologisch onderzoek is nodig. Dit wordt opgepakt bij de omgevingsvergunning voor het bouwen. De onderliggende regeling uit het bestemmingsplan blijft, ook na de ontwikkeling, van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.338-VG01_0020.png"

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (bron: Gemeente Lingewaard)

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggend initiatief is een quickscan Natuur uitgevoerd voor de deellocaties. Ook zijn stikstofonderzoeken uitgevoerd. De belangrijskte conclusies zijn verwerkt in voorliggende paragraaf.

Zandvoort 29

Soortenbescherming

Uit de quickscan Natuur (bijlage 14) blijkt dat voorafgaand aan de sloop van bebouwing met aanvullend onderzoek aangetoond dient te worden of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen en vleermuizen. Op basis van de in de quickscan Natuur genoemde motivering (paragraaf 4.2) is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zou kunnen worden. Daarmee kan geconcludeerd worden dat voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het onderdeel natuur, soortenbescherming. De aanvullende onderzoeken zullen in het kader van de sloopactiviteiten worden ingediend bij het bevoegd gezag. Tijdens de realisatie van het initiatief zal rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Gebiedsbescherming

De projectlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie. Het perceel ligt op circa 1 km afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie Bijlage 15. De belangrijkste conclusie hieruit is dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op het nabij gelegen Natura 2000-gebied. Uit de Quickscan Natuur blijkt bovendien dat gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied er ook geen sprake is van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen).

Flierensestraat 14

Soortenbescherming

Uit de quickscan Natuur (bijlage 16) blijkt dat voorafgaand aan de sloop van bebouwing met aanvullend onderzoek aangetoond dient te worden of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor (kleine) marterachtigen, vleermuizen, huismus en de steenuil. Op basis van de in de quickscan Natuur genoemde motivering (paragraaf 4.2) is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zou kunnen worden. Daarmee kan geconcludeerd worden dat voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het onderdeel natuur, soortenbescherming. De aanvullende onderzoeken zullen in het kader van de sloopactiviteiten worden ingediend bij het bevoegd gezag. Tijdens de realisatie van het initiatief zal rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Gebiedsbescherming

De projectlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie. Het perceel ligt op circa 1,8 km afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie Bijlage 17. De belangrijkste conclusie hieruit is dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op het nabij gelegen Natura 2000-gebied. Uit de Quickscan Natuur blijkt bovendien dat gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied er ook geen sprake is van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Zandvoort 29

De nieuwe woning aan de Zandvoort zorgt voor een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. De verkeersaantrekkende werking neemt door de nieuwe woning toe , namelijk met maximaal 8,6 verkeersbewegingen per dag op basis van de maximale kengetallen van het CROW. De bestaande bedrijfswoning wordt herbouwd tot reguliere woning. Er treden voor deze woning geen veranderingen op ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking. Beide woonpercelen krijgen een ontsluiting op de Zandvoort. De Zandvoort en omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen.

Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeervoorzieningen in het projectgebied toe. In de Nota Parkeernormen Lingewaard 2024 zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente Lingewaard. Dit is voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied van Lingewaard 2,4 voor bewoners en bezoekers samen. Afgerond zijn dit 3 parkeerplaatsen. Voor beide woningen geldt dat deze parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden ingevuld.

Flierensestraat 14

De verkeersaantrekkende werking neemt ook voor deze deellocatie beperkt toe door de nieuwe woning, met maximaal 8,6 verkeersbewegingen per dag. Het projectgebied wordt ontsloten via de Flierensestraat, welke voldoende capaciteit heeft voor deze extra verkeersbewegingen. Ook binnen dit deelgebied is er voldoende ruimte binnen eigen terrein aanwezig om per woning 3 auto's te kunnen parkeren.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Voor beide initiatieven is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt en is inzichtelijk gemaakt hoe de ontwikkelingen bij kunnen dragen aan een duurzame, klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving, en het landschap kunnen versterken.

Zandvoort 29 Gendt

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat er bij een hevige regenbui van 140 mm per twee uur weinig tot geen wateroverlast optreedt binnen het projectgebied. Het grootste gedeelte van het perceel blijft onverhard, waardoor het regenwater voldoende ruimte heeft om te infiltreren.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte neemt op veel plaatsen toe. Ter hoogte van het projectgebied is dat een lage kans. De kans op een natuurbrand bij langdurige droogte blijft in de toekomst nagenoeg gelijk aan de huidige situatie.

Hitte

In zijn algemeenheid neemt het aantal tropische dagen in Nederland toe en zullen er langere periodes van hitte optreden. Door de beperkte hoeveelheid bebouwing in het projectgebied is er veel minder kans op hittestress dan in stedelijke gebieden, die juist veel bebouwing hebben.

Overstroming

Het projectgebied ligt op enige afstand van de Linge, de Waal en de Rijn. De kans op overstroming is middelgroot; 1/30-1/300 per jaar.

Flierensestraat 14 Gendt

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat er bij een hevige regenbui van 140 mm per twee uur weinig tot geen wateroverlast optreedt binnen het projectgebied. Het grootste gedeelte van het perceel blijft onverhard, waardoor het regenwater voldoende ruimte heeft om te infiltreren.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte neemt op veel plaatsen toe. Ter hoogte van het projectgebied is dat een lage kans. De kans op een natuurbrand bij langdurige droogte blijft in de toekomst nagenoeg gelijk aan de huidige situatie.

Hitte

In zijn algemeenheid neemt het aantal tropische dagen in Nederland toe en zullen er langere periodes van hitte optreden. Door de beperkte hoeveelheid bebouwing in het projectgebied is er veel minder kans op hittestress dan in stedelijke gebieden, die juist veel bebouwing hebben.

Overstroming

Het projectgebied ligt op enige afstand van de Linge, de Waal en de Rijn . De kans op overstroming is middelgroot; 1/30-1/300 per jaar.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 4. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 5. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22j] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22j] van het omgevingsplan Lingewaard. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

  • Wonen, waarbij de nieuwe woningen zijn toegestaan binnen de daarvoor opgenomen bouwvlakken. Bestaande woningen zijn ook buiten bouwvlakken toegestaan. In de regels is bepaald dat de maximale bouw- en goothoogte respectievelijk 10 en 6 m bedraagt. In afwijking daarvan geldt dat voor de nieuwe woningen die worden opgericht op basis van het functieveranderingsbeleid een toegestane bouw- en goothoogte van respectievelijk 9- en 4,5 m. De aanleg, instandhouding en het beheer van beide deellocaties conform de daarvoor opgestelde beplantingsplannen is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend initiatief.

Verder geldt binnen het plangebied de functie 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen' (zonder bouwvlak). Voor beide deellocaties geldt dat binnen deze functie de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet meer is toegestaan. Ook gelden verschillende archeologische dubbelbestemmingen en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'. De dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit het voormalige bestemmingsplan. De aanduidingen zijn overgenomen op de verbeelding, waarbij er in de regels een verwijzing is gemaakt naar de bestaande bijbehorende regels uit de voormalige bestemmingsplannen, die zijn opgenomen als tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Projectspecifiek

Voor beide locaties geldt dat de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving , zijnde de omwonenden, op de hoogte gebracht. Deze direct belanghebbenden staan positief tegenover de ontwikkeling.

Zienswijzeperiode

Het TAM-omgevingsplan heeft gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Voor de deellocatie Zandvoort is één zienswijze ingediend. Via een Nota van beantwoording zienswijzen is de zienswijze te raadplegen en van een reactie voorzien namens de gemeente Lingewaard.

Reactienota zienswijzen 

Tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft gezorgd voor enkele planaanpassingen aan de verbeeling, uitwerking van de landschappelijke inpassingsplannen van beide locaties en enkele tekstaanpassingen in voorliggende onderbouwing. In bijgevoegde Bijlage 18 Reactienota zienswijzen is een nadere toelichting opgenomen van de ingediende zienswijze, de reactie daarop van de gemeente en een toelichting op de ambtshalve wijzigingen.

8.2 Kostenverhaal

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is.

Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op

voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet

mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het

bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning

voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante

regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor

kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal

en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten

uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden

is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob).

Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

Projectspecifiek

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd

dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke

kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.