direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Agropark III
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1705.291-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het bestemmingsplan voor het plangebied 'Agropark III' vormt de ontwikkeling van het bedrijventerrein Agropark III. Het bedrijventerrein Agropark III is aansluitend gelegen, ten noordwesten, aan het bestaande bedrijven terrein Agropark II en biedt ruimte aan bedrijven die gelieerd zijn aan het glastuinbouwgebied. Het voorliggende bestemmingsplan vormt de juridische-planologische regeling voor de ontwikkeling van Agropark III.

Er is een grote behoefte aan bedrijfskavels binnen de gemeente Lingewaard. Bergerden is een grootschalig glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarentegen is de vraag naar tuinbouwkavels zeer beperkt gebleken in de afgelopen 20 jaar. Dit blijkt uit een behoefte onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Lingewaard. Bedrijventerreinen vormen een belangrijke bron van werkgelegenheid . De gemeente wil daarom haar areaal bedrijventerrein uitbreiden. Er is onderzoek gedaan naar een geschikte locatie binnen de gemeente voor een nieuw bedrijventerrein. Hierin is onder meer gekeken naar de ligging, omgeving, bereikbaarheid en duurzaamheid. Uit dit onderzoek volgt dat uitbreiding van het bedrijventerrein aansluitend aan Agropark II het meest voor de hand liggend is. Een deel van Bergerden, ca. 14 hectare, wordt ombestemd van glastuinbouw naar bedrijventerrein. Door de goede ligging centraal in de regio Arnhem-Nijmegen, kreeg deze locatie de hoogste score op de criteria. En kansen die er zijn voor de ontwikkeling van de ambitie in de Groene Metropoolregio is juist dit bedrijventerrein zo gewenst. De gemeente heeft instemming van het IOW om het bedrijventerrein Agropark uit te breiden met 11,6 ha. waarvan 10 ha netto uitgeefbaar aan regionaal bedrijventerrein.

Vaststelling bestemmingsplan

Gekozen is het bestemmingsplan gedeeltelijk vast te stellen. Hierbij wordt alleen het perceel ten behoeve van een te verplaatsen kassensloopbedrijf opgenomen. De toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is ongewijzigd. Voor de wijzigingen in de toelichting en onderzoeken in het vast te stellen bestemmingsplan wordt verwezen naar de oplegnotitie in bijlage 20.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in Bergerden en in de nabijheid van de A15. Het terrein is gelegen naast de biovergistingsinstallatie van Groen Gas Gelderland en nabij het warmtenet van Lingezegen Energy. Dit terrein ligt ten noordwesten van het bestaande bedrijventerrein Agropark II. De begrenzing van het plangebied 'Agropark III' is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 Begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor de gronden, gelegen binnen het plangebied, geldt het bestemmingsplan 'Bergerden' dat is vastgesteld op 4 februari 2016. Het plangebied heeft op basis van dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw 1' met bouwvlakken en de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ (gedeeltelijk). Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen Waarde -Archeologie 1, 3 en 5. Het uitbreiden van het bedrijventerrein past niet binnen het vigerend bestemmingsplan. Door het uitblijven van de vraag naar Glastuinbouwlocaties is het niet gelukt dit gebied verder te ontwikkelen. Een modern glastuinbouw gebied is op veel aspecten vergelijkbaar met een bedrijventerrein. Het gebruik van de gronden als bedrijventerrein is daarom meer voor de hand liggend dan op een agrarisch perceel elders in de gemeente, mede gezien de ligging. Het ombestemmen naar een regulier bedrijventerrein is daardoor meer aanvaardbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0002.png"

 

Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan 'Bergerden' (2016)

1.4 Leeswijzer

In deze toelichting wordt, na dit inleidende hoofdstuk, in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader en in hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten bij het plan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan uitgewerkt en is in hoofdstuk 6 de juridische planbeschrijving opgenomen.

Gekozen is het bestemmingsplan gedeeltelijk vast te stellen. Hierbij wordt alleen het perceel ten behoeve van een te verplaatsen kassensloopbedrijf opgenomen. De toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is ongewijzigd. Voor de wijzigingen in de toelichting en onderzoeken in het vast te stellen bestemmingsplan wordt verwezen naar de oplegnotitie in bijlage 20.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Omgeving plangebied

Het gebied maakt onderdeel uit van het huidige glastuinbouwgebied Bergerden van de gemeente Lingewaard. Het terrein is gelegen naast een biomassa vergisting installatie van Groen Gas Gelderland en nabij het warmtenet van Lingezegen Energy. Aan de zuidoostzijde grenst het plangebied aan het bedrijventerrein 'Agropark II'.

Plangebied

De kavels, in eigendom bij de gemeente, vallen binnen het glastuinbouwgebied Bergerden en hebben grotendeels de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw 1'. De omvang van het plangebied bedraagt circa 14 hectare. Momenteel worden de kavels gebruikt voor het verbouwen van gewassen zoals mais en een gedeelte van de kavels bestaat uit grasland.

2.2 Toekomstige situatie

Voor de wijzigingen in deze paragraaf in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

Bedrijventerreinen vormen een belangrijke bron van werkgelegenheid in Lingewaard. Op dit moment is er nog maar 1 kavel van de gemeente beschikbaar voor het vestigen van een bedrijf. Om die reden wordt Agropark uitgebreid. De gemeente heeft een duurzaam bedrijventerrein voor ogen en wil daarmee het toonbeeld worden voor de regio. Het bedrijventerrein zal gasloos worden uitgevoerd en krijgt een aansluiting op het warmtenet. De bedrijven zullen in hun eigen elektriciteitsbehoefte moeten voorzien door het opwekken van energie met behulp van zonnepanelen die op de daken van de bedrijven geplaatst zullen worden. Alle bedrijven dienen te voldoen aan de wettelijk energiemaatregelen. Voor het ontwerp en inrichting van het bedrijfspand biedt de gemeente een adviesgesprek met maatwerkrapportage aan over de verduurzamingskansen- en mogelijkheden voor het te vestigen bedrijf.

Bij de inrichting van het bedrijventerrein houdt de gemeente ook rekening met duurzaamheid en wil zij het gebied een groene uitstraling geven. Hierbij wordt gedacht om de buitenste randen van het bedrijventerrein groen aan te leggen en de bermen en slootranden biodivers in te richten. Verder is een groen inpassingsbeleid op de bedrijfskavel van toepassing en dienen de bedrijven natuur inclusief gebouwd te worden.

Ook wordt ingezet op NL Greenlabel certificering, waar naar alle relevante aspecten worden gekeken als het gaat om duurzaamheid. Dit geeft een snel inzicht in de duurzaamheidsscore van het gebied.

Om de architecten van de verschillende bedrijfsgebouwen een helder kader te bieden is specifiek voor Agropark III een beeldkwaliteitsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0003.png"

Figuur 2.1 Concept verkaveling

Het bedrijventerrein is bruto circa 14 hectare groot waarvan circa 11 hectare uitgeefbaar is. Er is met intergemeentelijk overleg werklocaties (IOW) ingestemd met een projectplan van circa 12 hectare, dat nu niet in zijn geheel gebruikt wordt. Van dit totaal oppervlak kan maximaal 10 hectare worden uitgegeven aan regionale bedrijvigheid conform de afspraken met het IOW. De oppervlaktes van de uit te geven kavels is flexibel waarbij een maximale kavelgrootte van 4 ha wordt gehanteerd conform gemaakte afspraken met de regio en Provincie. Primair is het bedrijventerrein gemengd klassiek en wordt er naar aansluiting gestreefd op de werkgelegenheidsbehoefte van Lingewaard. Op de meest noordwestelijke kavel zal zich een bedrijf vestigen dat momenteel elders is gevestigd. Het bedrijf sluit aan bij de doelstellingen zoals beschreven in dit bestemmingsplan. Door de verhuizing komt er op de locatie waar het bedrijf nu gevestigd is ruimte vrij voor het bouwen van woningen. Het vestigen van XXL-logistiek is niet gewenst. Voor het bedrijventerrein geldt een maximale milieucategorie van 3.2.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Voor de wijzigingen in dit hoofdstuk in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het bestemmingsplan relevante vigerende beleidskader. Hierin wordt tevens per relevante beleidskader aangegeven welke gevolgen deze heeft voor het bestemmingsplan. Paragraaf 3.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal- en regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4.

3.2 Rijksbeleid

Nationaal Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Voor de ontwikkeling relevante nationale belangen zijn:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • Betere bereikbaarheid, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot tot overlast;
  • Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte;
  • Land gebruik waarbij ruimte wordt gemaakt voor gezonde ondernemingen met een goed economisch perspectief en werken in en aan een gezonde leefomgeving.

Keuzes

De belangrijkste keuzes zijn:

  • Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit;
  • Ruimte voor overgang naar een circulaire economie;
  • Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden;
  • Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

De nationale belangen die juridische doorwerking vragen, zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Barro

Het Barro (voorheen AMvB Ruimte) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco).

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)

Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Een voorgenomen stedelijke ontwikkeling moet aan deze Ladder worden getoetst.

Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

Toetsing rijksbeleid

Voor toetsing aan de NOVI is het creëren van werkgelegenheid door deze ontwikkeling het meest relevant. Met de instemming van de IOW wordt 10 ha aan glastuinbouwkavels omgezet in bedrijfskavels. Dit zal een grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. De komst van nieuwe bedrijven zorgen voor meer werkgelegenheid met als gevolg dat het drukker zal worden op de wegen. Zowel de bereikbaarheid van de nieuwe bedrijven als het ervaren van een prettige, gezonde en veilige werkomgeving door de werknemers is van belang. Dit, in combinatie met de duurzaamheidsdoelstellingen die zijn geformuleerd ten aanzien van de ontwikkeling van dit bedrijvenpark, zorgen er voor dat de realisatie van het bedrijventerrein in het bestaand glastuinbouwgebied van Lingewaard goed past binnen het rijksbeleid.

Voor toetsing aan de Ladder wordt verwezen naar de onderbouwing die door Stec is opgesteld (zie bijlage 1).

De Ladder is alleen van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk maakt of een functiewijziging van zodanige aard en omvang dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervan is de ontwikkeling van Agropark III sprake. Er wordt namelijk een bedrijventerreinbestemming toegekend aan gronden in het plangebied waar dit op basis van het vigerende bestemmingsplan (agrarisch - glastuinbouw 1) niet mogelijk is.

Ofwel: het plan is Ladderplichtig. Dit betekent dat een beschrijving van de behoefte nodig is.

Kwantitatieve behoefte

Stec heeft geconstateerd dat de totale vraag in het ruimtelijk verzorgingsgebied de komende tien jaar circa 36,4 tot 71,2 hectare bedrijventerrein bedraagt. Het ruimtelijke verzorgingsgebied bestaat deels uit gemeente Lingewaard en deels uit buurgemeenten. In het ruimtelijk verzorgingsgebied is nu nog circa 34,6 hectare hard planaanbod beschikbaar. Hiervan is 2,2 hectare onder optie. Op basis daarvan is een behoefte aan circa 1,8 tot 36,6 hectare in het verzorgingsgebied geconstateerd. De beoogde bedrijventerreinontwikkeling Agropark III (van circa 11,1 hectare netto) kan daarmee voorzien in een behoefte in het ruimtelijk verzorgingsgebied.

Kwalitatieve behoefte

Op basis van de indicatieve verdeling naar werkmilieus, zoals deze is opgenomen in het RPW Arnhem-Nijmegen, wordt geconcludeerd dat er de komende tien jaar nog vraag is naar zo'n 12,8 tot 24,9 hectare klassiek-gemengde werkmilieus in het verzorgingsgebied. Op basis van het RPW Arnhem-Nijmegen blijkt namelijk dat zo'n 35% van de totale ruimtevraag in de regio toe te rekenen is aan het klassiek-gemengd werkmilieu. In het verzorgingsgebied is momenteel 7,6 hectare (hard) planaanbod beschikbaar op kavels geschikt voor klassiek-gemengde bedrijven. In dit segment bestaat in het ruimtelijk verzorgingsgebied de komende tien jaar nog een behoefte van 5,2 tot 17,3 hectare klassiek-gemengd bedrijventerrein. Agropark III kan daarmee ook in een behoefte in het ruimtelijk verzorgingsgebied voorzien.

Conclusie

Uit de Ladderonderbouwing volgt de conclusie dat de realisatie van de beoogde uitbreiding niet zal leiden tot overaanbod van bedrijventerreinen en/of zal leiden tot onaanvaardbare leegstand van bedrijfsruimte in het ruimtelijk verzorgingsgebied. Naar verwachting zullen er zich geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voordoen.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland en op 1 maart 2019 in werking getreden.

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal:

  • Gezond en veilig:
    • 1. een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna;
    • 2. voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen;
    • 3. aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
  • Schoon en welvarend:
    • 1. een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen;
    • 2. het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen;
    • 3. het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De focus wordt verdiept door middel van 7 ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. De 7 ambities zijn energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat thematische visieschetsen. De visieschetsen dienen als onderlegger om met partners het gesprek te voeren over de thema's, vraagstukken en oplossingsrichtingen, zowel op de schaal van Gelderland als op regionale en lokale schaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0004.png"

Figuur 3.1 De omgevingsvisie (Bron:Provincie Gelderland)

De Gelderse economie heeft grote behoefte aan voldoende en kundige mensen. De concurrentie op de arbeidsmarkt is groot. Gelderland wil haar strategische ligging en de aantrekkingskracht van de Gelderse regio’s vergroten, zodat mensen hier willen (blijven) wonen en zich willen binden aan Gelderland. Sterke stedelijke netwerken en toegankelijke ontmoetingsplekken zijn van vitaal belang. Plekken die goed ontsloten zijn, zoals innovatieve campussen, bruisende binnensteden en dynamische bedrijventerreinen. Het concentreren en combineren van activiteiten heeft daarbij onze voorkeur, boven versnippering door de hele provincie. Het omvormen van bestaande en leegstaande bedrijvenlocaties heeft de voorkeur, boven de aanleg van nieuwe terreinen. Pas als er geen andere mogelijkheden zijn, kan uitbreiding plaatsvinden aan de randen van de steden of dorpen. Verder wordt gekeken hoe de inrichting van de Gelderse werklocaties zo duurzaam mogelijk gemaakt kan worden in termen van energie en klimaat. De Provincie denkt mee met deze bedrijven en helpen ze bij de toegang tot kennis, middelen, markten, netwerken, locaties en het onderwijs.

De ambitie:

  • Gelderland wil haar concurrerende positie binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen verder versterken. Om onderscheidend te blijven, halen zij in 2050 maximaal profijt uit hun unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten.
  • In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. We zijn koploper in Nederland.


De aanpak:

  • Gelderland zorgt voor een gevarieerd aanbod aan goed ontsloten, kwalitatief hoogwaardige, duurzame werklocaties. De Provincie gaat hierover in gesprek met de Gelderse regio’s en maakt regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van werklocaties. Het concentreren van economische activiteiten heeft daarbij de voorkeur, boven versnippering. En: het omvormen van bestaande en leegstaande bedrijvenlocaties gaat boven de aanleg van nieuwe terreinen.
  • Samen met de regio’s wordt ingespeeld op de veranderende behoeften van het bedrijfsleven. Toekomstige behoeften veranderen immers continue, dit vraagt om regelmatig herzien van de regionale afspraken. Ook wordt het omvormen van bestaande gebouwen en locaties gestimuleerd, zodat deze weer aansluiten bij de wensen van bedrijven en werknemers.
  • Gelderland zorgt er voor dat bedrijven die zich hier willen vestigen of die willen uitbreiden snel en effectief geholpen worden bij het vinden van een zo optimaal mogelijke locatie.
  • Gelderland stimuleert de aansluiting tussen het Gelderse onderwijs en de arbeidsmarkt. Zij stimuleren dit ook in fysieke zin met campusontwikkeling.
  • Gelderland stimuleert (kleinschalig) ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. Zeker wanneer ondernemers een duurzaam Gelderland dichterbij brengen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0005.png"

Figuur 3.1 Gaaf Gelderland Vestigingsklimaat

Toetsing Omgevingsvisie

Met het voorliggende plan wordt een andere invulling gegeven aan een bestaand gebied dat bestemd is voor glastuinbouw waar geen vraag meer naar is. De gronden zijn al bijna 20 jaar te koop zonder dat zich een gegadigde heeft gemeld. Er is wel behoefte aan bedrijventerreinen. Het bedrijventerrein Agropark III sluit aan op de bestaande bedrijventerreinen Agropark I en II waarmee wordt voldaan aan de wens van de Provincie activiteiten zo veel mogelijk te concentreren. Verder heeft de gemeente Lingewaard als doel gesteld een duurzaam bedrijventerrein te realiseren dat aansluit bij de ambities van de Provincie om in 2050 alle werklocaties duurzaam in te richten. Hiermee past het plan in de Omgevingsvisie van de Provincie Gelderland.

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening (actualisatieplan 7 Omgevingsverordening, 31 maart 2021) is de vertaling van provinciaal beleid in regels. De gemeentelijke bestemmingsplannen moeten met de Omgevingsverordening in overeenstemming worden gebracht.

Artikel 2.6 Regionaal Programma Werklocaties

Per regio stellen de gemeentebesturen een Regionaal programma werklocaties op voor de typen werklocaties, waarvan door Gedeputeerde Staten voor die regio is aangegeven dat daarover regionale afspraken nodig zijn.

Artikel 2.10 Bedrijventerreinen

  • 1. Een bestemmingsplan maakt een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein alleen mogelijk voor zover deze ontwikkeling past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties.
  • 2. Als een ontwikkeling niet past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerste actualisatie een nieuw bedrijventerrein of de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
    • a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
    • b. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling; en
    • c. Gedeputeerde Staten stemmen in met de ontwikkeling.
  • 3. Bij het maken van regionale afspraken over nieuwe bedrijventerreinen uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen houden de gemeentebesturen rekening met artikel 2.11 van de Omgevingsverordening.

Artikel 2.16 (nieuwvestiging en uitbreiding glastuinbouwbedrijf)

  • 1. Een bestemmingsplan laat nieuwvestiging en uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf met een glasopstand vanaf twee hectare alleen toe binnen een glastuinbouwontwikkelingsgebied.
  • 2. Een bestemmingsplan laat in een glastuinbouwontwikkelingsgebied een andere functie dan glastuinbouw alleen toe als die andere functie bijdraagt aan de herstructurering van de glastuinbouwsector.

Artikel 2.38 (instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied)

Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk.

Artikel 2.65b (klimaatadaptie)

  • 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken
    • a. waterveiligheid;
    • b. wateroverlast;
    • c. droogte; en
    • d. hitte.

De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Toetsing Omgevingsverordening

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de wijziging van de bestemming glastuinbouw naar bedrijventerrein. In Lingewaard is er veel vraag naar bedrijventerrein. Op dit moment is er nog één gemeentelijke bedrijfskavel voor uitgifte beschikbaar. De bedrijventerreinen vormen een belangrijke bron (ca. 30%) voor de werkgelegenheid in Lingewaard. Ook vragen bedrijven naar ontwikkelruimte om te kunnen groeien en innoveren.

Na onderzoek en een integrale afweging van verschillende uitbreidinglocaties voor bedrijventerreinen binnen Lingewaard, is Agropark als voorkeurslocatie aangewezen. Deze afweging is in samenwerking met de Stec groep uitgevoerd conform de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde uitgangspunten met betrekking tot het RPW voor de uitbreiding bedrijventerreinen.


Belangrijke redenen voor deze voorkeurslocatie zijn:

  • Goede bereikbaarheid zowel nationaal als internationaal. Het bedrijventerrein ligt in de nabijheid van de rijksweg A15, de railterminal in Valburg en de containerterminal in Nijmegen.
  • Er is bewezen veel vraag in Lingewaard aan bedrijventerrein. Zeker voor de werkgelegenheid voor lokale bewoners en bijbehorende arbeidsvraag en voorkomen van forensen(verkeer).
  • Goede inrichting en nabijheid van het warmtenet. Dit om een duurzaam en gasvrij bedrijventerrein te kunnen ontwikkelen. Op dit moment wordt met ondernemers op het bestaande bedrijventerrein Agropark II gesproken om het doortrekken van het warmtenet haalbaar te maken.
  • De gronden ligt al bijna 20 jaar te koop zonder dat er een gegadigde c.q. koper zich heeft gemeld. Dit heeft een zwaar negatief effect op de gemeentelijke grondexploitatie. Ook de hooggespannen verwachte uitbreidingsbehoefte van de in het gebied gevestigde tuinders heeft niet tot verkoopresultaten geleid.
  • De verplaatsingsregelingen voor de glastuinbouw heeft niet de verwachte toestroom teweeggebracht. Voor de (voorlopig) laatste ronde (2022) van de verplaatsingsregeling heeft er zich geen enkel glastuinbouwbedrijf aangemeld.
  • Agribusinessbedrijven zijn ook toegestaan op Agropark III. Hierdoor wordt de verbinding tussen de glastuinbouwsector en het bedrijventerrein versterkt.
  • De ruimtelijke inpassing van een bedrijventerrein op deze locatie en de impact hiervan op de omgeving, relatief beperkt aangezien het geldende bestemmingsplan reeds kassen mogelijk maakt tot een hoogte van 10 m. Dit ook in de wetenschap dat de glastuinbouwkassen de komende jaren gaan transformeren tot bedrijfshal-achtige vormen waarbij er ruimtelijk geen verschillen zijn tussen kassen en bedrijfshallen.


Op basis van deze analyse en argumenten is eind februari 2021 (voor 1 maart 2021) een adviesaanvraag ingediend bij het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW). Het IOW heeft conform het RPW de adviesaanvraag beoordeeld, evenals (zachte) plannen van andere gemeenten.

Deze beoordeling, uitgevoerd door een specialistisch onafhankelijk extern bureau, heeft plaatsgevonden in aanwezigheid en betrokkenheid van de provincie.


Om te beoordelen welke zachte plannen in ontwikkeling mogen worden genomen is het RPW-stappenplan (blz. 38 en 39 RPW II) doorlopen. Een en ander conform de procedure zoals beschreven in de 'verdeling ontwikkelingsruimte werklocaties 1e tranche op basis van het RPW 2021-2024 . Bij de beoordeling van deze adviesaanvragen is door het IOW een integrale ruimtelijke afweging gemaakt. Alle aspecten zijn hierbij beoordeeld waaronder ligging, huidige planologische situatie, financiën, energietransitie en duurzaamheid.


Conform de in het RPW II opgenomen procedure is door het hiervoor bevoegde PFO Economie van de regio op basis van het advies van Ecorys van 30 april 2021 inzake de verdeling van ontwikkelruimte RPW regio Arnhem Nijmegen 2021 - 2024, op 6 december 2021 ingestemd met het voorstel van het IOW voor uitbreiding van Agropark. Hiervan is het college van gedeputeerde staten op de hoogte gesteld.

Tevens wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 2.10 lid 2 onder a, b en c. Er is een Laddertoets opgesteld waarin geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De bestemmingsregeling sluit aan bij de mogelijkheden die op regionale bedrijventerreinen worden geboden.

Gelet op artikel 2.16 zijn binnen een glasuinbouwontwikkelingsgebied alleen andere functies toegestaan als deze bijdragen aan de herstructurering van de glastuinbouwsector.

Een bestemmingsplan laat in een glastuinbouwontwikkelingsgebied een andere functie dan glastuinbouw alleen toe als die andere functie bijdraagt aan de herstructurering van de glastuinbouwsector. Het gaat bij deze andere functies om functies die de glastuinbouw in het glastuinbouwontwikkelingsgebied ondersteunen en versterken. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld groenstroken voor landschappelijke inpassing, waterberging, ontsluitingswegen, bedrijfswoningen, huisvesting voor arbeidsmigranten, toeleverende bedrijven en logistieke ondersteuning. Het voorliggende bestemmingsplan is niet gericht op versterking van de glastuinbouw en is daarom in strijd met de omgevingsverordening. In april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard de provincie verzocht om de omgevingsverordening aan te passen, zodat het bedrijventerrein kan worden gerealiseerd. Bij brief van 10 januari 2023 laten Gedeputeerde Staten weten dat zij in principe bereid zijn om Provinciale Staten voor te stellen om de omgevingsverordening aan te passen. Hierbij wordt opgemerkt dat het voorliggende bestemmingsplan pas kan worden vastgesteld nadat de Omgevingsverordening is vastgesteld. Vaststelling van de Omgevingsverordening is voorzien in het najaar van 2023.

Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

De Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is, als opvolger van de Regio Arnhem-Nijmegen, op 1 januari 2021 van start gegaan. Tot de Groene Metropoolregio behoren achttien gemeenten, waaronder gemeente Lingewaard. Deze gemeenten werken samen aan de koers van de regio. Zij staan voor de uitdaging hoe om te gaan met groei van wonen, werken en mobiliteit. Op zo'n manier dat een balans gevonden kan worden tussen levendige stedelijkheid en ontspannen leefkwaliteit: groene groei.

In de visie van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is opgenomen wat de gezamenlijk ambitie is van de regio:

  • zich positioneren als dé groene metropoolregio van Nederland;
  • zich profileren als dé (inter)nationale circulaire topregio 2050;
  • samenwerken aan dé ontspannen groeiregio in balans.

De Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen houdt zich onder andere bezig met het opstellen van de verstedelijkingsstrategie Arnhem Nijmegen Foodvalley.

Verstedelijkingsstrategie Arnhem Nijmegen Foodvalley

De Verstedelijkingsstrategie richt zich op de langetermijnplanning van toekomstige woon- en werklocaties tot 2040. Deze strategie laat zien hoe de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen de groei van landschap, wonen, economie en mobiliteit goed vorm geeft. Ook helpt de strategie de daarvoor benodigde investeringen te vinden. Partners die hierbij betrokken zijn, zijn de Rijksoverheid (ministeries van BZK en IW, LNV en EZK), de provincie Gelderland, Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen, de Regio Foodvalley en de 26 gemeenten in de beide regio’s. De verstedelijkingsstrategie voor de 26 gemeentes wordt uitgewerkt in acht gebiedsuitwerkingen. Gebiedsuitwerking 6: Middengebied Arnhem-Nijmegen bevat de gemeente Lingewaard en Overbetuwe. In de gebiedsuitwerking is opgenomen dat uitgegaan wordt van een extra woonbehoefte in de regio. Deze woonbehoefte levert ook weer een vraag aan regionale werkgelegenheid op. Agropark III kan hier een directe bijdrage leveren aan de regionale werkgelegenheid.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Lingewaard 2012-2022

In de gemeentelijke structuurvisie wordt aangegeven dat de werkgelegenheid in Lingewaard voortkomt uit verschillende sectoren. De meeste werkgelegenheid is afkomstig uit de sectoren zorg, zakelijke dienstverlening, detail- en autohandel en industrie. Qua interne en externe profilering springt de glastuinbouwsector er echter uit. Er is een opmars waarneembaar van werkgelegenheid in de sectoren handel, bouw, zorg en dienstverlening (voornamelijk zakelijke dienstverlening).

Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als concentratie gebied glastuinbouw zonder herstructurering (zie figuur 3.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0007.png"

Figuur 3.2 Uitsnede structuurvisiekaart

Goede bereikbaarheid van een bedrijventerrein is, evenals een goede ontsluiting essentieel. Bereikbaarheid wordt onder andere bepaald door de route vanaf het bedrijventerrein naar de hoofdinfrastructuur. De Azalealaan en Veronica ontsluit bedrijventerrein Agropark III. Aansluitend op de Azalealaan ligt de Karstraat deze vormt een belangrijke route voor vrachtverkeer richting de hoofdinfrastructuur. Naast een gedegen route naar de hoofdinfrastructuur speelt de afstand tot de hoofdontsluiting vanaf het bedrijventerrein een belangrijke rol. Voor bedrijventerrein Agropark III geldt dat de afstand van de bedrijventerreinen tot de hoofdinfrastructuur beperkt en dus gunstig is.

Toetsing

In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de genoemde voorwaarden. Het herbestemmen volgt onder meer uit het wijzigen van de bestemming glastuinbouw naar bedrijventerrein.

Gebiedsvisie NEXTgarden (2021)

NEXTgarden is een glastuinbouwgebied in de gemeente Lingewaard. In NEXTgarden zijn 70 glastuinbouwondernemers gevestigd die een glasareaal van 180 ha in gebruik hebben. Deze bedrijven bestaan uit verschillende teelten. Tevens zijn veredelaars actief in NEXTgarden, oftewel een eigen vestiging ofwel in samenwerking met een lokaal glastuinbouwbedrijf. Daarnaast zijn diverse koploperbedrijven die zich bezighouden met nieuwe (consumenten)concepten, verduurzaming en innovatieve teeltoplossingen gevestigd in NEXTgarden.

NEXTgarden ligt in de gemeente Lingewaard en is daarmee onderdeel van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen. Het glastuinbouwgebied ligt ten noorden van de gemeente, tegen de bebouwde kom van Huissen aan. NEXTgarden ligt in de overgangszone met de kern Huissen en de uiterwaarden van Rijn aan de noordzijde van het gebied en landschapspark Park Lingezegen aan de zuidzijde. Door de ligging, heeft NEXTgarden een uniek (ruimtelijk) profiel als schakel tussen stad en land. Ook als (landschappelijke) verbindingszone tussen natuur- en recreatiegebieden.

De gemeente Lingewaard werkt al geruime tijd aan de ontwikkeling van glastuinbouwgebied NEXTgarden. De rode lijn voor de toekomst van het gebied is uiteengezet in de Strategische Visie NEXTgarden.

In de gebiedsvisie zijn vier ambities opgenomen:

  • Dynamisch glastuinbouwgebied: NEXTgarden als kraamkamer voor innovaties in de glastuintuinbouw.
  • Robuuste en duurzame energiemix: NEXTgarden is klaar voor opschaling met realisatie van grote investeringen in duurzame energievoorziening.
  • Verbonden met consument, burger en jeugd: NEXTgarden betrekt burgers bij ontwikkelingen in de glastuinbouw en staat in direct contact met consumenten.
  • Aantrekkelijk vestigingsklimaat en gebiedsinrichting: NEXTgarden biedt ontwikkelruimte voor bedrijven en ontwikkelt zich als ruimtelijk samenhangend gebied met oplossingen voor verouderde glasgebieden.

De laatste ambitie inzake aantrekkelijke vestigingsruimte en gebiedsinrichting is ruimtelijk vertaald in de gebiedsvisie NEXTgarden. Er zijn ruimtelijke deelgebieden benoemd waarvoor het ruimtelijk perspectief is geschetst vanuit o.a. de functionele optiek zoals intensivering- en extensiveringsgebieden, glastuinbouwreservegebied en bedrijventerrein. Specifiek voor het deelgebied Agropark is het de functie bedrijventerreinen verder uitgewerkt.

Toetsing

Er is met name raakvlak met de laatste ambitie 'Aantrekkelijk vestigingsklimaat en gebiedsinrichting'. Door regionale programma werklocatie (RPW) zijn bindende afspraken gemaakt over de ontwikkelen bedrijventerreinen. Het doel van het RPW is om voldoende aanbod met goede kwaliteit van bedrijventerreinen te hebben en realiseren. Maar ook met voldoende flexibiliteit om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en op de vraag van bedrijven. Binnen de gebiedsvisie is het ruimtelijk beleid van Agropark (Bergerden) opgenomen als bedrijventerrein. Gezien de grote vraag naar bedrijfskavel is deze ontwikkeling in overeenstemming met de Gebiedsvisie NEXTgarden.

Mobiliteitsvisie Lingewaard (2021)

De wereld van mobiliteit is continue in beweging. Dat is te zien aan de opkomst van de e-bike, elektrische auto en diverse andere technologische ontwikkelingen. Dit verandert de mobiliteit en brengt daarmee samenhangende uitdagingen met zich mee, zoals verkeersveiligheid. De bereikbaarheid op lokaal en regionaal niveau staan onder druk en er moet meer aandacht komen voor leefbaarheid en duurzame mobiliteit. De mobiliteitsvisie is opgesteld om in te spelen op de toekomst. Daarvoor zijn zes strategische mobiliteitsopgaven opgesteld, met als doel Lingewaard in een groeiende regio aantrekkelijk en bereikbaar te houden, waarbij verkeersveiligheid en leefbaarheid gewaarborgd zijn.

De zes strategische mobiliteitsopgaven van Lingewaard:

  • Verkeersveiligheid heeft prioriteit;
  • Leefbaarheid voor de inwoners staat centraal;
  • Toekomstbestendige hoofdstructuur Lingewaard;
  • Meer inzet op de fiets (op korte en lange afstand);
  • Snel en aantrekkelijk OV bereikbaarheid voor iedereen;
  • Inspelen op innovaties slimme mobiliteit en logistiek.

Toetsing

De ontwikkeling van het bedrijventerrein Agropark III heeft meer mobiliteit tot gevolg. De doelstellingen zoals gesteld in de mobiliteitsvisie zijn meegenomen in het verkeerskundig onderzoek waarin de gevolgen van de ontwikkeling van het bedrijventerrein met betrekking tot mobiliteit zijn onderzocht. Met een aantal maatregelen kan hier aan voldaan worden.

Economisch beleidsplan Lingewaard (2022)

Het Economisch beleidsplan Lingewaard bepaalt de economische richting en biedt passende randvoorwaarden aan, om de Lingewaardse economie te faciliteren en toekomstbestendig te maken. Het plan zet de koers voort die in de afgelopen jaren al was ingeslagen. Om mee te kunnen doen met de huidige economische groei wordt ingezet op partnerschappen met bedrijven en een beter ondernemersklimaat. In het kort zorgt een economische groei voor een goed lokale gemeenschap.

Het economisch beleidsplan Lingewaard zet zich in op zes kernthema's:

1. Toekomstbestendige economie & Profilering;

2. Borgen & Boosten Bedrijventerreinen;

3. Compacte & Comfortabele Centra ;

4. Bewaken & Benutten Buitengebied;

5. Daadkrachtige Dienstverlening ;

6. Samenwerking & Synergie: lokaal en regionaal.

Toetsing

De ontwikkeling van Agropark III is meegenomen in kernthema 2 "Borgen en boosten bedrijventerreinen". De bedrijventerreinen van Lingewaard zorgen, samen met de toeleveranciers, voor 50% van de werkgelegenheid in Lingewaard en vervullen daarmee een belangrijke economische rol binnen de gemeente. Het beleidsplan wil de bestaande economie borgen en verder ontwikkelen naar toekomstbestendige bedrijventerreinen waarbij rekening gehouden wordt met onder andere de energietransitie, klimaatadaptatie, vergroening, etc. Deze elementen komen allemaal terug in en bij de ontwikkeling van Agropark III. Daarmee past dit nieuwe bedrijventerrein binnen het Economisch beleidsplan Lingewaard.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Duurzaamheid

Voor de wijzigingen in deze paragraaf in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

4.1.1 Inleiding

De gemeente Lingewaard heeft het voornemen een nieuw bedrijventerrein in de gemeente te ontwikkelen, Agropark III genaamd. De Gemeente heeft hoge ambities op het gebied van duurzaamheid en wil een toekomstbestendig bedrijventerrein realiseren. Daarnaast heeft de gemeente Lingewaard de ambitie om met dit toekomstbestendige bedrijvenpark een voorbeeld te stellen voor de nog te ontwikkelen bedrijventerreinen in de (nabije) omgeving of regio.


De Gemeente gaat nu het bestemmingsplan voor dit nieuwe bedrijventerrein in procedure brengen. De Gemeente heeft een gespecialiseerd ingenieursbureau gevraagd hierin mee te denken en hiervoor input te leveren in de vorm van een 'Notitie Duurzaamheidsparagraaf Bestemmingsplan'. Het doel is om voorliggende notitie als Duurzaamheidsparagraaf toe te voegen aan het Bestemmingsplan en daarmee:

  • 1. Inzichtelijk maken dat er hoge ambities zijn op het gebied van duurzaamheid. De Gemeente wil een toekomstbestendig bedrijventerrein realiseren dat zoveel mogelijk klaar is voor de toekomst;
  • 2. Inzichtelijk maken op welke manier invulling - en borging daarvan - gegeven wordt aan de alle subthema's van het aspect Duurzaamheid (voor meer info, zie paragraaf 4.1.3):
    • a. Ontwerp, realisatie en beheer (SDG 12);
    • b. Producten en materialisatie (SDG 3 en 12);
    • c. Energie en klimaatbestendigheid (SDG 6 & 7.2 & 12);
    • d. Bodem en water (SDG 3 &13.1 & 15);
    • e. Biodiversiteit en landschappelijke waarden (SDG 3 & 11 & 14 & 15);
    • f. Relatie mens en omgeving (SDG 8, 9 & 11 & 13);
    • g. Borging en beleid (SDG 12).
    • h. Hierbij wordt aan het maximale aantal SDG's, zie figuur 1, invulling gegeven. Specifiek voor Agropark III zien wij kans voor bovengenoemde SDG's.
  • 3. Inzichtelijk maken hoe het verkoopproces van de kavels er uit ziet. De gemeente gaat een 'kopers-begeleiding traject' faciliteren met als doel: het voorkomen van 'erosie van ambities'.


afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0008.png"

Figuur 4.1 De sustainable development goals van de Verenigde Naties (https://sdgs.un.org/goals)

4.1.2 Agropark III: een toekomstbestendig bedrijventerrein

De gemeente wil een toekomstbestendig bedrijventerrein ontwikkelen. Dat wil zeggen: een bedrijventerrein dat zoveel mogelijk voldoet aan de duurzame eisen van het Nederlandse Klimaatakkoord en de Europese wetgeving met betrekking tot de eisen van 2030 en 2050 en aan zoveel mogelijk SDG's. Zowel op gebiedsniveau als op kavel- en gebouwniveau. Er wordt daarmee verder gegaan dan hetgeen verplicht is conform huidige wet- en regelgeving.


Het wordt niet zinvol geacht om in de huidige tijdsgeest nog te investeren in 'Bijna Energie Neutrale Gebouwen', terwijl we tegelijkertijd in de wetenschap leven dat we over - maximaal - 28 jaar, in 2050, een klimaat-neutrale samenleving gerealiseerd dienen te hebben. Ervaring leert dat investeringen in met name lokale utiliteitspanden vaak gedaan worden voor een langere periodes. Gezien de kaders van het klimaatakkoord en de Europese wetgeving is het dus verstandig om daarop te anticiperen en deze panden meteen toekomstbestendig te maken.


Daarnaast heeft de gemeente Lingewaard de ambitie om met dit toekomstbestendige bedrijvenpark een voorbeeld te stellen voor de nog te ontwikkelen bedrijventerreinen in de (nabije) omgeving of regio. Als inspiratiebron. En om te laten zien dat investeren in duurzaamheid juist ook kan leiden tot hogere financiële resultaten (zie paragraaf 4.1.4), aantrekkelijke subsidies en een betere marktpositie. Maar ook tot aantrekken - en behoud - van personeel, want personeel heeft in toenemende mate behoefte om zich te verbinden aan bedrijven met een duurzame visie en een gezonde werkomgeving.

4.1.3 Invulling geven aan het thema Duurzaamheid
4.1.3.1 NL-Greenlabel op gebiedsniveau

Om de toekomstbestendigheid van Agropark III te waarborgen, gaat de gemeente het keurmerk van 'NL-Greenlabel' inzetten. NL-Greenlabel is een keurmerk voor gebieden en terreinen, waarmee een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving op een integrale manier ontworpen wordt. Alle urgente opgaves, zoals energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en biodiversiteitsverlies, zijn onderdeel van dit integrale keurmerk. Waarbij aandacht is voor burgerparticipatie. Maar ook voor de noodzakelijke borging, middels beleid. Alle subthema's van duurzaamheid komen aan bod (zie bijlage 18 en 19 ):

  • a. Ontwerp, realisatie en beheer (SDG 12);
  • b. Producten en materialisatie (SDG 3 en 12);
  • c. Energie en klimaatbestendigheid (SDG 6 & 7.2 & 12);
  • d. Bodem en water (SDG 3 &13.1 & 15);
  • e. Biodiversiteit en landschappelijke waarden (SDG 3 & 11 & 14 & 15);
  • f. Relatie mens en omgeving (SDG 8, 9 & 11 & 13);
  • g. Borging en beleid (SDG 12).

Hierbij wordt aan het maximale aantal SDG's, zie figuur 4.1, invulling gegeven. Specifiek voor Agropark III zien wij kans voor bovengenoemde aanvullende SDG's, bovenop de genoemde standaard SDG's zoals benoemd in bijlage 18 .


Elk subthema krijgt invulling door middel van specifieke maatregelen en wordt op een integrale manier inzichtelijk en meetbaar/toetsbaar gemaakt. Het keurmerk sluit aan op de doelen en systematiek van de VN middels de Sustainable Development Goals (SDG's).


NL-Greenlabel is een keurmerk voor gebieden (in dit geval het bedrijventerrein als geheel) en terreinen (in dit geval de kavels en gebouwen), waarbij de gemeente zelf het gebiedslabel voor het hele bedrijvenpark voor haar rekening neemt en waarbij er door de kopers een terreinlabel verkregen dient te worden op kavelniveau. De gemeente streeft hierbij naar het hoogste haalbare niveau van terreinlabel: in de range van A t/m G streeft de gemeente naar niveau A. De Gemeente laat zich hierbij adviseren door de organisatie van NL-Greenlabel, ten behoeve van begeleiding van het proces rondom en borging van verkrijging van het keurmerk.

4.1.3.2 NL-Terreinlabel en Programma van Eisen op kavel-en gebouwenniveau

De Gemeente laat zich ook adviseren door een specialist van het ingenieursbureau, een specialist op het gebied van circulair en gezond vastgoed. Deze specialist is verantwoordelijk voor het schrijven van de Notitie, waarin alle thema's en subthema's volledig worden uitgewerkt en van waaruit een Programma van Eisen wordt opgesteld met betrekking tot de eisen die door de Gemeente op kavel- en gebouwniveau gesteld worden. Voor meer info over de indicatoren met betrekking tot de eisen op kavel-niveau, zie de eisen van het NL-terreinlabel (bijlage 19).


De kopers kunnen met betrekking tot het terreinlabel een ambitieniveau kiezen:

  • 1. Voldoende: duurzaamheid zichtbaar in de ontwikkeling (eisen gaan verder dan huidige wet- en regelgeving);
  • 2. Goed: Voldoen aan de eisen van 2030;
  • 3. Excellent: Het maximale doen, hiermee voldoet men aan de eisen van 2050.


Bij ieder stapje hoger worden er extra eisen gesteld, maar zal ook de prijs van de aan te kopen kavel lager zijn: dit werkt middels een systeem van staffeling. Eveneens wordt inzichtelijk gemaakt voor welke subsidies de potentiële koper in aanmerking kan komen, alsmede inzicht in welke extra stappen nodig zijn om (nog) meer subsidie te verkrijgen. Dit alles met als hoofddoelstelling: het motiveren van ondernemers om een of meerdere stapjes extra te zetten. Om daarmee, samen met de gemeente, een bedrijventerrein te ontwikkelen dat zoveel mogelijk voldoet aan de eisen die conform het Nederlandse klimaatakkoord, de Europese wetgeving en de Sustainable Development Goals gesteld worden aan energieneutraal, circulair en maatschappelijk verantwoord ondernemen.


De specialist is ook verantwoordelijk voor borging van het aspect duurzaamheid binnen het projectteam van Agropark III en voor het kopers-begeleidingstraject op het gebied van duurzaamheid (zie paragraaf 4.1.4).

4.1.4 Het aankoop-proces van de kavels

De gemeente wil duurzaamheid bij kopers van kavels stimuleren. De kopers kunnen gebruik maken van een duurzaamheidsadviseur. Deze adviseur wijst de kopers op de mogelijkheden en voordelen van duurzaam en circulair bouwen en materiaalgebruik, een duurzame inrichting van de buitenruimte en de hiervoor beschikbare subsidiemogelijkheden en overheidsregelingen (MIA). Ook worden de kopers begeleid in het proces om hun gebouw/terrein te certificeren (NL Greenlabel). Dit advies is onderdeel van het verkoopproces. Dit proces is nader omschreven in de ontwikkelingskaders (soort kavelpaspoort) die voor de verschillende kavels worden vastgesteld .

4.2 Verkeer en parkeren

Voor de wijzigingen in deze paragraaf in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt er gekeken naar de 'Parkeernormen Lingewaard 2020' en de verkeersgeneratie wordt berekend aan de hand van de kencijfers uit CROW publicatie 381. Hierbij is uitgegaan van een niet-stedelijke omgeving, buitengebied. Er wordt uitgegaan van het gemiddelde kengetal binnen de bandbreedte.

Onderzoek

Voor de beoogde ontwikkeling is een verkeersstudie uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusies hiervan worden hierna beknopt weergegeven.

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

De Azalealaan doorkruist het plangebied. Dit is een erftoegangsweg (type I) met een maximum snelheid van 60 km/u. In noordelijke richting wordt het achterliggende gebied buiten de kern bereikt. In zuidelijke richting sluit de Azalealaan door middel van een rotonde aan op de Karstraat, een gemeentelijke gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom van Huissen. Buiten de bebouwde kom is de Karstraat onderdeel van de provinciale weg N839. De N839 is een belangrijke verbinding tussen Huissen en Bemmel die richting Bemmel aansluit op de A15. Vanaf het plangebied is hierdoor een goede verbinding met het hoofdwegennet aanwezig.

Langzaam verkeer

Fietsers kunnen op Veronica gebruik maken van fietssuggestiestroken en langs de Azalealaan zijn vrijliggende fietsvoorzieningen (conform het wegencategoriseringsplan). Voor voetgangers zijn beperkt voorzieningen beschikbaar.

Planontwikkeling

De gemeente Lingewaard is voornemens het huidige bedrijventerrein Agropark uit te breiden met Agropark III (met invulling voornamelijk gemengd klassiek, tot maximaal milieucategorie 3.2). Het gaat in totaal om een uitbreiding van circa 14,1 hectare bruto, waarvan 11,1 hectare uitgeefbaar/netto.

Effecten verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling

De conclusies voor deze thema's zijn integraal overgenomen uit het verkeersrapport van Goudappel Coffeng d.d. 31-1-2022. Voor een nadere analyse van de effecten van de planontwikkeling op de verkeersveiligheid wordt verwezen naar het verkeersrapport van Goudappel, welke te vinden is in bijlage 2.

Verkeersveiligheid

Uitbreiding van bedrijventerrein Agropark leidt tot een relatieve stijging van de verkeersintensiteit van meer dan 10% op diverse wegvakken in de omgeving. Op deze wegvakken is er op basis van de huidige vormgeving echter nog voldoende restcapaciteit om de toekomstige intensiteiten na uitbreiding te verwerken. Wel worden voor een aantal wegen aanbevelingen gedaan:

  • Het verbreden van de rijbaanbreedte van Veronica van 6,2 m naar 6,8 m, de aanleg van fietssuggestiestroken van 1,5 m breed in rood asfalt en de aanleg van een voetpad van 1,5 m breed.
  • De bebouwde kom uitbreiden, zodat de wegen op het nieuwe bedrijventerrein en Azalealaan tussen de huidige bebouwde kom en het nieuwe bedrijventerrein binnen de bebouwde kom komen te liggen.
  • De verhardingsbreedte van de Azalealaan tussen het nieuwe bedrijventerrein en het deel met middenberm verbreden tot circa 6,8 m. Door de uitbreiding van het bedrijventerrein neemt het vrachtverkeer op deze weg toe. Met deze verbreding kunnen vrachtwagens elkaar gemakkelijk passeren en neemt het risico op bermschade af. Een optie hiervoor is het aanbrengen van bermverharding

Verkeersafwikkeling

De verkeerstoename als gevolg van Agropark III heeft het volgende effect op de drie kruispunten:

  • Het kruispunt Karstraat – Veilingweg heeft voldoende restcapaciteit om extra verkeer als gevolg van de op dit moment vastgestelde ruimtelijke ontwikkelingen te verwerken. De verkeersafwikkeling wordt echter onvoldoende wanneer ook alle 'zachte' plannen worden gerealiseerd. De matige/slechte verkeersafwikkeling is dus niet het gevolg van de individuele ontwikkeling van Agropark III, maar het gevolg van alle harde, middelharde en zachte plannen samen (inclusief Agropark III). De ontwikkeling van alleen Agropark III leidt dus niet tot noodzakelijke maatregelen.
  • De verkeersafwikkeling op het kruispunt Karstraat – Azalealaan is goed in zowel de huidige als toekomstige situaties. De verkeersveiligheid kan op enkele kleine punten worden verbeterd, maar er ontstaan geen extra knelpunten als gevolg van Agropark III.
  • Op het kruispunt Karstraat – Nijverheidsstraat wordt de verkeersafwikkeling in de toekomst slecht na realisatie van de vastgestelde plannen (exclusief Agropark III). Ook zijn er verbeterpunten met betrekking tot de verkeersveiligheid. Agropark III maakt het belang van de aanpak van dit kruispunt groter aangezien de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid door de verkeerstoename verder zullen verslechteren. De ontwikkeling van Agropark III leidt dus tot noodzakelijke maatregelen. In 2024 wordt door de gemeente een integrale verkeerstudie voor het bedrijventerrein Pannenhuis uitgevoerd. Het kruispunt Karstraat - Nijverheidsstraat is hier ook onderdeel van.

Effecten openbaar vervoer

Het verkeersonderzoek van Goudappel d.d. 31-1-22 concludeert het volgende over de effecten van de planontwikkeling op het openbaar vervoer.

Buslijn 300 tussen Nijmegen en Arnhem heeft een halte nabij het kruispunt Karstraat – Azalealaan. De loopafstand tussen deze halte en het Agropark III is minimaal 500 meter. Daarnaast hebben enkele bedrijven een eigen buslijn (lijn 72) georganiseerd tussen Arnhem-Centraal en Bergerden via de Karstraat en Azalealaan. Een mogelijke optie is het toevoegen van een extra halte aan deze lijn ter hoogte van Agropark, waardoor de loopafstand tot de dichtstbijzijnde bushalte wordt verminderd.

Parkeren

Het verkeersonderzoek van Goudappel d.d. 31-1-22 concludeert het volgende over het parkeren van de planontwikkeling.

De op dit moment bekende invulling van het bedrijventerrein is 'gemengd klassiek', tot maximaal milieucategorie 3.2. Wanneer een specifieke invulling van een perceel bekend is, kan aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen worden bepaald hoeveel parkeerplaatsen noodzakelijk zijn en kan worden getoetst of deze zijn opgenomen op eigen terrein. Nieuwe bedrijfsontwikkelingen en uitbreidingen dienen dus te voldoen aan de parkeernormen door de benodigde parkeerplaatsen geheel op eigen terrein te realiseren.

Fietsparkeren

Net zoals er verplicht ruimte moet zijn voor het parkeren van motorvoertuigen wordt geadviseerd bedrijven ook te verplichten op eigen terrein voldoende ruimte te reserveren voor de stalling van fietsen voor eigen personeel (overdekt en eventueel voorzien van oplaadmogelijkheden).

Conclusie

De uitbreiding van Agropark zorgt voor verslechtering van de verkeersafwikkeling op het kruispunt Karstraat – Nijverheidsstraat. Door de verslechtering van de verkeersafwikkeling zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. In 2024 wordt een integrale verkeersstudie uitgevoerd door de gemeente Lingewaard. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zullen aanvullende maatregelen geformuleerd worden, die vervolgens zullen worden uitgevoerd. Met het doorvoeren van de noodzakelijke maatregelen staat het aspect verkeer en parkeren de ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens beoordeeld of sprake kan zijn van een uitstralingseffect op bestaande woningen in de omgeving als gevolg van de toename van het verkeer.

Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. In dit onderzoek is als uitgangspunt gehanteerd, dat alle wegen waar sprake is van een intensiteittoename van 25% of meer en waarlangs geluidsgevoelige bestemmingen aanwezig zijn, worden meegenomen in het onderzoek. Bij een toename van de verkeersomvang met minder dan 25% is er namelijk sprake van een geluidstoename van minder dan 1 dB. Een dergelijke toename van het geluid is voor het menselijk gehoor niet waarneembaar.

Onderzoek en conclusie

Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Tevens worden geen nieuwe wegen / aanpassingen aan wegen mogelijk gemaakt waar binnen bestaande geluidsgevoelige functies zijn gelegen. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan hierdoor achterwege blijven.

Het verkeer wordt afgewikkeld via de Azalealaan en de Karstraat. De toename van verkeer als gevolg van het verbreden van de bedrijfsbestemming is dermate beperkt dat een verkeerstoename op zal gaan in het heersende verkeersbeeld (zie paragraaf 4.2). De maximale theoretische verkeerstoename is in paragraaf 4.2 berekend op circa 1.940 mvt/etmaal. Ook indien het bestemmingsplan niet wordt gewijzigd, bedraagt deze theoretische verkeerstoename circa 1.940 mvt/etmaal per werkdag. Er is zodoende geen sprake van een verkeerstoename van 25% of meer en daarmee niet tot een geluidstoename van meer dan 1 dB. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Voor de wijzigingen in deze paragraaf in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. In bijlage is een toelichting op de aanpak van milieuzonering opgenomen met behulp van de 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'.

Onderzoek

In de beoogde situatie wordt een bedrijventerrein gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Het plangebied is gelegen op een locatie waarbij er sprake is van een hoge functiemenging. Zo is er sprake van verschillende bedrijventerreinen, kantoren, detailhandels en glastuinbouw. Tevens zijn woonbestemmingen in minderde mate aanwezig dan bedrijfsfuncties en is de locatie niet gelegen nabij woonwijken. De omgeving van het plangebied kan daardoor worden getypeerd als 'gemengd gebied'.

De beoogde ontwikkeling bestaat uit het omzetten van agrarische gronden naar een bedrijventerrein. Voor het bedrijventerrein geldt een maximale milieucategorie van 3.2. Hierbij is gebruik gemaakt van een inwaartse zonering, zie bijlage 3. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de gevoelige functie een beschermende bufferzone gecreëerd. Dit heeft tot gevolg dat bij de invulling van het bedrijventerrein minder belastende activiteiten op kleine afstand en meer belastende activiteiten op grote afstand worden toegelaten ten opzichte van gevoelige bestemmingen zoals woningen. In tabel 4.1 is een overzicht gegeven van de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden. Omdat de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als gemengd gebied, is uitgegaan van de richtafstanden waarbij één afstandsstap terug is gedaan. Met inwaartse zonering is gewaarborgd dat bedrijven uit milieucategorie 2 minimaal 10 meter afstand houden tot gevoelige bestemmingen, voor bedrijven uit milieucategorie 3.1 is dit minimaal 30 meter en voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 is dit minimaal 50 meter. Rond het plangebied zijn tevens bedrijfswoningen planologisch mogelijk. Ook hiervoor geldt dat inwaartse zonering is toegepast.

Tabel 4.1 Richtafstanden

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 meter   0 meter  
2   30 meter   10 meter  
3.1   50 meter   30 meter  
3.2   100 meter   50 meter  

Ten noorden van het plangebied is een biogasinstallatie aanwezig. Voor het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd voor de biogasinstallatie, zie bijlage 4. Uit de resultaten volgt dat na aanpassing ter plaatse van de omliggende woningen kan worden voldaan aan de richt- en grenswaarden als gedefinieerd in het provinciaal beleid. Uit de resultaten blijkt dat in de vergunde situatie de richtwaarden voor categorie C objecten (verblijfsobjecten, niet zijnde woningen of vergelijkbare objecten) alleen ter plaatse van een zeer klein deel van het zuidwestelijk van de inrichting gelegen terrein worden overschreden (donkerpaarse cirkel). Binnen de contouren van deze richtwaarden kunnen in principe geen zelfstandige kantoren of vergelijkbare verblijfsobjecten worden gebouwd. Met de beoogde ontwikkeling worden echter geen zelfstandige kantoren of vergelijkbare verblijfsobjecten mogelijk gemaakt. Hiermee vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0009.png"

Figuur 4.1 Geurcontouren van 0,5; 1,5 en 5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde als gevolg van BEB te Bemmel in de vergunde situatie

Spuitzonering

In de zuidelijke hoek, direct naast het plangebied, ligt een agrarisch bedrijf dat behouden blijft en geen onderdeel zal uitmaken van Agropark III. Het betreffende perceel is bestemd als glastuinbouw, waardoor de gewassenbestrijding voornamelijk inpandig plaatsvindt. Hierdoor zal bij het mogelijke toepassen van bestrijdingsmiddelen slechts een kleine concentratie in het plangebied neerkomen. De afstand tussen het zuidelijke gedeelte van het plangebied en de locatie die bestemd is als glastuinbouw wordt tevens vergroot door een watergang. Voor het oostelijke deel van het plangebied dat aan de glastuinbouw grenst geldt dat op basis van de tekeningen geconcludeerd wordt dat de ontsluiting van de nieuwe bedrijfsgebouwen niet aan de zijde van het agrarisch bedrijf zullen worden gesitueerd. Dit zal in de regels van dit bestemmingsplan geborgd worden. De kans is hierdoor klein dat toekomstige werknemers lang blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen door in de buitenlucht te werken.

Conclusie

Door de gehanteerde milieuzonering wordt zorg gedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies en worden bestaande bedrijven niet in hun functioneren belemmerd. Voor de nieuw te vestigen bedrijven is er sprake van een goed verblijfsklimaat.

4.5 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek

Bij een functiewijziging dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de beoogde functie. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Als er sprake is van een gevoeliger terreingebruik, dient bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Door BK Ingenieurs zijn verkennende bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Ondanks dat hiervan geen sprake is, zijn de door BK Ingenieurs en ingenieursbureau Land uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken in het kader van verkoop van de percelen, gebruikt voor het vaststellen van de bodemkwaliteit voor de bestemmingsplanprocedure. De onderzoeken zijn te vinden in bijlagen 5 en 6.

In het onderzoek van BK is het plangebied opgedeeld in 3 locaties: kavel IIIb, kavel IIIc en kavel IVa. Het onderzoek van Land betreft alleen aanvullend onderzoek PFAS voor kavel IIIc, vandaar dat de resultaten van beide onderzoeken onderstaand integraal zijn weergegeven.

Kavel IIIb

  • In de bovengrond overschrijden de gehalten cadmium, kobalt en nikkel de achtergrondwaarde. In de ondergrond overschrijden de gehalten kobalt en nikkel de achtergrondwaarde.
  • De bovengrond voldoet op basis van de parameters PFAS en GenX aan de bodemfunctieklasse 'landbouw/natuur'.
  • In de bovengrond zijn geen bestrijdingsmiddelen vastgesteld.
  • In het grondwater overschrijden de concentraties barium en naftaleen de streefwaarde.

Kavel IIIc

  • In de bovengrond overschrijdt het gehalte nikkel de achtergrondwaarde. In de ondergrond worden geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde gemeten.
  • De boven- en ondergrond voldoet op basis van de parameter PFAS aan de bodemfunctieklasse 'landbouw/natuur'.
  • In de bovengrond zijn geen bestrijdingsmiddelen vastgesteld.
  • In het grondwater overschrijden de concentraties barium en naftaleen de streefwaarde.

Kavel IVa

  • In de bovengrond overschrijdt het gehalte nikkel de achtergrondwaarde. In de ondergrond worden geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde gemeten.
  • De bovengrond voldoet op basis van de parameters PFAS en GenX aan de bodemfunctieklasse 'landbouw/natuur'.
  • In de bovengrond zijn geen bestrijdingsmiddelen vastgesteld.
  • In het grondwater overschrijden de concentraties barium en naftaleen de streefwaarde.

Op basis van bovenstaande resultaten is het uitvoeren van nader bodemonderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie

Op basis van alle beschikbare informatie vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid

Voor de wijzigingen in deze paragraaf in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Beleidsvisie externe veiligheid Lingewaard

De gemeente Lingewaard wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Lingewaard het externe veiligheidsbeleid geformuleerd. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Lingewaard aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico’s om dient te worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting aangaande het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. De beleidsvisie focust op nieuwe situaties.

Onderzoek

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0010.png" Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omlijnd

Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Uit de uitsnede van de risicokaart blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied geen aardgastransportleidingen zijn gelegen waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A15. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied betreft 4 kilometer. Het plangebied is op een afstand van circa 1.400 meter van de A15 gelegen en bevindt zich hiermee in het invloedsgebied. Omdat de afstand echter groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient vanwege de ligging in het invloedsgebied nader te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in een beknopte verantwoording.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 1.300 meter bevindt zich de Betuweroute. Op een afstand van circa 3.500 meter ten westen van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Over beide spoortrajecten vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van beide spoorlijnen wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van de Betuweroute en het spoortraject Arnhem - Nijmegen. Omdat de afstand tot beide spoortrajecten meer dan 200 meter bedraagt, kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording.

Risicovolle inrichtingen

Naast het plangebied ligt de inrichting Groen Gas Gelderland B.V. Hiervoor is een risicoanalyse uitgevoerd, zie bijlage 7. Hieronder worden de conclusies weergegeven.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Plaatsen met een gelijk risico worden door risicocontouren op een kaart weergegeven. Het plaatsgebonden risico van 10-6/jr dient volgens het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) gehanteerd te worden als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Figuur 4.2 toont de plaatsgebonden risicocontouren. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen de 10-6 risicocontour zijn (beperkt) kwetsbare objecten uitgesloten. Om geen beperkingen op te leggen aan de risicovolle inrichting Groen Gas Gelderland zijn in de noordelijke kavel van het plangebied kwetsbare objecten, zoals kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2, volledig uitgesloten. Hierdoor is er sprake van speelruimte voor het risicovolle bedrijf en de uitkomst van de berekende 10-6 risicocontour wordt minder leidend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0011.png"

Figuur 4.2 Plaatsgebonden risicocontouren

Groepsrisico

Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve: op de verticale as staat de cumulatieve kans per jaar f op een ongeval met N of meer slachtoffers en op de horizontale as het aantal slachtoffers N. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is gelijk aan 10-3 / N2, dat wil zeggen een frequentie van 10-5 /jr voor 10 slachtoffers, 10-7 /jr voor 100 slachtoffers en geldt vanaf het punt met 10 slachtoffers.

In de huidige situatie bevinden zich geen personen binnen het invloedsgebied en is er geen sprake van een groepsrisico. Het berekende aantal slachtoffers in de toekomstige situatie is kleiner dan 10. Formeel is er dan evenmin sprake van een groepsrisico.

Toetsing beleidsvisie externe veiligheid gemeente Lingewaard

Op bedrijventerreinen accepteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime dan in woon- en recreatiegebieden. Op deze terreinen is de komst van risicobronnen onder voorwaarden mogelijk. Verder moeten bestaande Bevi-inrichtingen niet worden benadeeld in ontwikkelingsperspectief door de groei van kwetsbare objecten in hun omgeving. Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Er is hierdoor ook geen sprake van een Bevi-inrichting waarvan het invloedsgebied over een woongebied komt. Hiermee wordt er voldaan aan de beleidsvisie van de gemeente.

Verantwoording groepsrisico

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute, spoorlijn Arnhem - Nijmegen en de toekomstige snelweg A15 (zie onderdelen H en I) en Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) artikel 12 vanwege de inrichting Groen Gas Gelderland. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 09-06-2022 met het kenmerk 2022-002583. Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

A. Personendichtheid

Het plan voorziet in een omzetting van agrarische bestemming naar een bestemming bedrijventerrein. Hierdoor neemt het aantal personen binnen het invloedsgebied toe. Deze toename is echter beperkt omdat het invloedsgebied alleen maar een klein gedeelte over de meest noordelijk gelegen kavel ligt. De kavel bedraagt ca. 7.700 m2, de gemiddelde bezettingsgraad is 40 personen per hectare (PGS 1 deel 6). Hierdoor bedraagt de toename van het aantal personen maximaal 10 personen. Deze toename is minimaal.

B. Hoogte groepsrisico

Voor Groen Gas Gelderland is risicoberekening uitgevoerd, genaamd: Risicoanalyse Groen Gas Gelderland, uitbreiding bedrijventerrein in Bemmel, project: 214777, d.d. 3 februari 2022. Uit de risicoberekening blijkt dat er in de huidige situatie zich geen mensen bevinden in het invloedsgebied en er geen sprake van een groepsrisico is. Het berekende aantal dodelijk slachtoffers in de toekomstige situatie is minder dan 10. Formeel is er dan evenmin sprake van een groepsrisico. Het groepsrisico is immers pas genormeerd vanaf 10 dodelijke slachtoffers.

C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de inrichting

De gemeente Lingewaard ziet geen andere mogelijkheden om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning van Groen Gas Gelderland.

F. De voor en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico

Omdat het invloedsgebied van Groen Gas Gelderland heel beperkt is en er geen groepsrisico wordt berekend ziet de gemeente Lingewaard geen andere mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico. Wel worden er op de meest noordelijk gelegen kavel kantoren groter dan 1.500 m2 uitgesloten. Hiermee wordt de personendichtheid beperkt gehouden binnen het invloedsgebied.

G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst

De gemeente Overbetuwe is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken.

H. Bestrijdbaarheid

Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron.

In de plannen is de toegangsweg tot het plangebied direct naast het terrein van de biogascentrale gelegen. In geval van calamiteit kan het voorkomen dat men vanuit het plangebied niet de mogelijkheid heeft om te vluchten. Er wordt daarom geadviseerd om een tweede ontsluiting te laten realiseren, om het gebied veilig te kunnen verlaten. Op die wijze kan er ten alle tijden van de risicobron af gevlucht worden.

Geur

I. Zelfredzaamheid

Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem - Nijmegen, de nog aan te leggen snelweg A15 en de inrichting Groen Gas Gelderland. Op basis van bovenstaande verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

Conclusie

In een deel van het plangebied ligt de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de inrichting Groen Gas Gelderland B.V. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk gemaakt worden. Voor de inrichting is geen groepsrisico berekend. Het plangebied bevindt zich tevens in het invloedsgebied van de Betuweroute en de A15. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusie

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.8 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De verkeersgeneratie van het plan is weergegeven in paragraaf 4.2. De verkeersgeneratie is berekend per werkdagetmaal. Omdat voor milieuonderzoeken de weekdaggemiddelde nodig is, is de verkeersgeneratie gedeeld door het kencijfer 1,33. De ontwikkeling van Agropark III leidt tot een maximale toename van het verkeer van 1.203 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde), waarvan 150,4 mvt/etmaal (12,5%) vrachtbewegingen zijn. Met de NIBM-tool is berekend of de toename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0012.png"

Tabel 4.2 Berekening bijdrage extra verkeer op luchtkwaliteit

Uit de NIMB-tool blijkt dat de verkeerstoename mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is noodzakelijk. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Karstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0013.png"

Figuur 4.2 Concentratie stikstofdioxide en fijn stof in de omgeving van het plangebied

In tabel 4.3 zijn de achtergrondconcentraties ter plaatse van de maatgevende weg Karstraat weergegeven en is getoetst of in 2020 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. Er is uitgegaan van de hoogste achtergrondconcentratie ter plaatse van de maatgevende weg.

Tabel 4.3 Toetsing (2020) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer

stof   maximale planbijdrage 2023 volgens NIBM rekentool   hoogste achtergrondconcentratie 2020 (Karstraat)   maximaal optredende concentratie 2023   grenswaarde Wm  
stikstofdioxide (NO2)   2,70 µg/m³   19,11 µg/m³   21,81 µg/m³   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   0,30 µg/m³   16,61 µg/m³   16,91 µg/m³   40 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   0,30 µg/m³   9,35 µg/m³   9,65 µg/m³   25 µg/m³  

Uit tabel 4.3 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020, alsnog ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg Karstraat. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de vaststelling van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.9 Water

Waterbeheer en watertoets

In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. De watertoets voor deze ontwikkeling is te vinden in bijlage 17.

Beleid provincie Gelderland

Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie Gelderland de Omgevingsverordening februari 2022 opgesteld. Hierin zijn onder meer gebieden met een speciale status opgenomen, waarvoor mogelijke restricties gelden. Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied, boringsvrije zone. Het plangebied grenst aan het Natuurnetwerk Nederland en op circa 100 m ten zuiden ligt een KRW water (De Linge).

Beleid waterschap Rivierenland

Een bestemmingsplan dient standaard gepaard te gaan met een waterparagraaf waarin gemotiveerd wordt waarom het initiatief geen negatieve invloed heeft op de waterhuishouding. Het plangebied ligt in het stroomgebied van waterschap Rivierenland. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma (2022-2027). Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor de waterhuishouding. Tevens is in de Keur een verplichting opgenomen om nieuwe verharding en bebouwing hydrologisch neutraal te ontwikkelen. In beginsel is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Bij een toename van meer dan 5.000 m2 verhard oppervlak dient een aparte berekening te worden gemaakt.

Er wordt gerekend met twee ontwerpbuien namelijk:

  • T=10+10% neerslag: Daarbij mag het peil niet meer dan 30 cm stijgen. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak;
  • T=100+10% neerslag: Hierbij is een peilstijging toegestaan tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak.

Bij een halfverhard oppervlak kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, afhankelijk van de aard van de verharding. Deze situaties zullen afzonderlijk moeten worden berekend. Halfverharding rekent het waterschap als 50% onverhard. Vegetatiedaken als nieuw verhard oppervlak moeten voor 70% in open water worden gecompenseerd. Dit geldt alleen voor een vegetatiedakoppervlak van minimaal 1.000 m².

Beleid gemeente Lingewaard

De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Wet milieubeheer en Waterwet). In de Waterwet is ook vastgelegd dat de gemeente de zorg heeft voor het treffen van maatregelen in openbaar gebied om nadelige gevolgen van de grondwaterstand (in samenhang met de bestemming) te voorkomen of te beperken.

Het waterbeleid van de gemeente Lingewaard is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021. Het gemeentelijk beleid van de gemeente Lingewaard op het gebied van de waterhuishouding volgt het beleid van het waterschap. De gemeente heeft drie zorgplichten t.a.v. stedelijk waterbeheer:

  • Inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater naar een zuiveringstechnisch werk;
  • Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater dat perceeleigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen verwerken;
  • Treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voorwaarde hierbij is dat de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap of provincie behoren. De gemeente dient het loket te zijn voor grondwatervraagstukken binnen haar beheersgebied.

Huidige situatie

Algemeen

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op bedrijventerrein Agropark III in de gemeente Lingewaard. Momenteel is het plangebied bestemd voor glastuinbouw en is volledig onverhard. Het plangebied bestaat in totaal uit circa 14 ha.

Bodemopbouw

Uit boorprofielen binnen het plangebied afkomstig van het DINOloket blijkt dat de toplaag tot circa 2,5 m onder maaiveld bestaat uit klei, met daaronder een zandpakket. Op basis van de boorprofielen kan gesteld worden dat de bodem slecht waterdoorlatend is met op circa 2,5 m diepte een zandlaag met een betere doorlatendheid.

Maaiveldhoogte

De hoogteligging van het plangebied ligt gemiddeld op circa +9,45 m NAP en varieert tussen circa +9,40 m NAP in het oostelijke deel tot +9,50 m NAP in het noordwestelijke deel o.b.v. de AHN3. De aanliggende straat aan de noordoostzijde ligt op circa +9,30 m NAP en wordt van het plangebied gescheiden door een watergang.

Oppervlaktewater en peilbeheer

Het plangebied ligt volledig in peilgebied OVB156 met het streefpeil op +7,70 m NAP. Rondom het plangebied is oppervlaktewater (A-watergangen) aanwezig, waarvan de beschermingszone van 4 m breed op enkele locaties binnen het plangebied valt. De A-watergang langs de Veronica ligt geheel binnen de plangebiedsgrenzen. Deze watergangen zijn bij het waterschap in eigendom en beheer. Het maaiveld in het plangebied bevindt zich op circa +9,45 m NAP waardoor de huidige drooglegging 1,75 m is.

Grondwater

Er zijn geen grondwatermeetreeksen in het plangebied beschikbaar. De dichtstbijzijnde representatieve peilbuizen zijn peilbuis B40D2286-2 (gemeentelijk meetnet) op 400 m afstand ten zuidoosten van het plangebied en B40B0443 (DINOloket) op 900 m ten noordoosten gelegen. Op basis van deze data wordt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het plangebied geschat op circa +8,67 m NAP. De ontwateringsdiepte bedraagt daardoor circa 80 cm.

Waterkwantiteit

Conform de Legger van waterschap Rivierenland grenzen aan het plangebied waterlopen met een A-status, zie figuur 4.3. Deze zijn van primair belang voor het waterbeheer en wordt door het waterschap onderhouden. De beschermingszones van deze waterlopen is vier meter breed, gemeten vanuit de bovenzijde van de oever (insteek). Langs B-watergangen zijn de beschermingszones één meter breed. De aangrenzende perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor het onderhoud.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0014.png"

Figuur 4.3 Uitsnede Legger wateren waterschap Rivierenland

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering, zie figuur 4.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0015.png"

Figuur 4.4 Uitsnede Legger waterkeringen waterschap Rivierenland

Riolering

Het vuilwater van bestaande omliggende gebouwen wordt verzameld middels een vuilwaterafvoerstelsel (DWA) en afgevoerd via een persrioolleiding die onder de Veronica en de Azalealaan aanwezig is. Onder de Veronica ligt aan weerszijden een HWA-leiding met enkele putten.

Overige waterbelangen

In het plangebied liggen geen KRW-wateren, maar wel op 100 m ten zuiden van het plangebied (De Linge). Het oppervlaktewater dat grenst aan de zuidzijde van het plangebied is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. De negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Toekomstige situatie

Algemeen

Om het bedrijfsleven ruimte te bieden voor nieuwe huisvesting en/of doorgroeimogelijkheden wordt Agropark uitgebreid. Circa 14 hectare zal herbestemd worden van glastuinbouw naar bedrijventerrein.

Oppervlaktewater en peilbeheer

De ontwikkelingen in het plangebied hebben geen consequenties voor het peilbeheer onder normale omstandigheden en in droge perioden.

 

Toename verharding

In tabel 4.4 zijn zowel voor de huidige als voor de toekomstige situatie de verdeling van verschillende typen oppervlak gegeven, gebaseerd op het voorlopig ontwerp. Het aandeel bestrating op bedrijfskavels waarvan is uitgegaan bedraagt 20% (dit is een maximum en zal in de praktijk waarschijnlijk lager zijn). De gebouwen nemen circa 70% van de ruimte in, waardoor minimaal 10% bestaat uit onverhard oppervlak. De parkeerplaatsen zijn als volledig verhard opgenomen, maar de ambitie is om deze zoveel mogelijk uit te voeren als halfverharding vanwege de groene uitstraling en de reductie van hittestress en afstromend hemelwater. Uit de berekening blijkt dat in het plan het verhard oppervlak zal toenemen met maximaal 101.425 m2. Het onverharde oppervlak (groenstroken, oppervlaktewater en tuinen) bedraagt 36.315 m2.

Tabel 4.4 Verdeling van oppervlakten per categorie in de huidige en toekomstige situatie binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0016.png"

Wateropgave

Waterschap Rivierenland geeft aan dat er geen wateropgave voor het bedrijventerrein meer ligt. Bij de realisatie van tuinbouwgebied Bergerden (omstreeks 2002) is reeds waterberging aangelegd ter compensatie van de verhardingstoename, waarbij is uitgegaan van bijna volledige verharding van het plangebied. Hierin is meer dan benodigd oppervlaktewater (categorie A-water) aangelegd, omdat in het huidige plan minimaal 26% bestaat uit onverhard oppervlak (36.315 m2 / 140.550 m2). Ondanks dat reeds voldaan is aan de wateropgave, is het de ambitie om van Agropark III een klimaatbestendig bedrijventerrein te maken. Hierbij wordt rekening gehouden met hittestress, waterinfiltratie en een groene uitstraling. Het heeft de voorkeur om zo weinig mogelijk verhard oppervlak (bestrating) aan te brengen in de openbare ruimte.

Inrichting en onderhoud infiltratievoorziening

Naast de reeds gegraven oppervlaktewateren bestaan meerdere aanvullende mogelijkheden om waterberging te realiseren of om de waterbergingsopgave te verminderen. Dit geldt als bonus bovenop de waterbergingsopgave om het bedrijventerrein klimaatbestendig in te richten. Hier wordt in het toekomstige waterhuishoudkundige ontwerp in voorzien. Maatregelen waaraan gedacht kan worden zijn oppervlakkige waterberging in groenvoorzieningen (bodempassages), waterpasserende verharding of waterberging in de wegfundatie. Hiervoor zal wel plaatselijk grondverbetering moeten worden aangebracht. Ook kan waterberging op particulier terrein gerealiseerd en gestimuleerd worden. Hier kan onder andere gedacht worden aan groenblauwe daken, waterberging in tuinen zoals een watertank, regentuinen of voorzieningen t.b.v. hergebruik.

Bouwpeilen

De bouwplannen mogen geen negatieve effecten hebben op het grondwater en de bouwpeilen dienen hoog genoeg te worden aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Om (grond)wateroverlast te voorkomen is het belangrijk om inzicht te hebben in de volgende aspecten:

  • Freatische grondwaterstand

Volgens open data bronnen ligt de huidige ontwateringsdiepte in de ordegrootte van 80 cm en dit is voldoende voor de beoogde functies.

  • Meldingen wateroverlast

Er zijn geen meldingen of situaties bekend met betrekking tot (grond)wateroverlast.

  • Maaiveldhoogten

Om de aangegeven drooglegging van 1,30 m te behalen dient de maaiveldhoogte minimaal +9,0 m NAP te bedragen en dit is lager dan het huidige maaiveld. Het is tevens aan te raden om de vloerpeilen minimaal 20 cm boven de straat in het plangebied aan te leggen, zodat bij calamiteiten waterberging op maaiveld plaats kan vinden zonder dat schade aan de gebouwen optreedt.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Afvoer afvalwater en hemelwater

Binnen het plangebied wordt het vuilwater vanuit de gebouwen aangesloten op een nieuw aan te leggen vuilwaterriool. De gemeente geeft aan dat het nieuwe vuilwaterriool bij voorkeur onder vrij-verval op het bestaande persrioolstelsel aan de Veronica aangesloten moet worden. Dit dient bij nadere uitwerking van het plan te worden onderzocht en afgestemd met de gemeente en het waterschap. De voorkeur gaat uit naar de aanleg van een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel, omdat het een bedrijventerrein betreft waarbij het risico groter is dat afstromend regen- en bluswater verontreinigd is.

De gemeente stelt voor om een apart HWA-stelsel aan te leggen voor het schone dakwater. De uitstroomlocaties van het hemelwaterriool op het oppervlaktewater dienen te worden afgestemd met het waterschap.

Beheer en onderhoud watergangen

Het onderhoud van de bestaande (A-)watergangen ligt bij het waterschap, maar hiervoor dienen de onderhoudsstroken zoals aangegeven op de legger bereikbaar en begaanbaar te blijven. Bij het inrichten van het plangebied dient hier rekening mee gehouden te worden. De verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van de DWA en HWA in de openbare ruimte ligt bij de gemeente Lingewaard en op particulier terrein ligt dit bij de perceeleigenaar.

Veiligheid en waterkeringen

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Conclusie

Het plan is uit oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar.

4.10 Ecologie

Voor de wijzigingen in deze paragraaf in het vastgestelde bestemmingsplan wordt verwezen naar de Oplegnotitie in bijlage 20.

Toetsingskader 

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura 2000-gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de Provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden  beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb.

In de provincie Gelderland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de 'overig' beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Gelders Natuurnetwerk (GNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Rijntakken bedraagt circa 2,4 km en het dichtstbijzijnde GNN-gebied grenst aan de zuidzijde van het plangebied (dynamisch moeras). Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het GO ligt op circa 65 meter ten westen van het plangebied (figuur 4.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0017.png" Figuur 4.3 Gelders Natuurnetwerk

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0018.png"

Figuur 4.4 Natura 2000-gebieden

Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen deel van de Rijntakken is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen.

Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn)

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in getreden. Hierdoor hoeft een berekening van de aanlegfase niet uitgevoerd te worden.

Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn er AERIUS-berekeningen uitgevoerd. In bijlage 8 is de memo toegevoegd, in bijlage 9 de verschilberekening van rekenjaar 2023, in bijlage 10 de verschilberekening voor 2024 en bijlage 11 de verschilberekening van 2025. Uit de verschilberekeningen met AERIUS Calculator (2022.2) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. In het rekenjaar 2023 is er sprake van een afname van 0,09 mol/ha/j, in 2024 is de afname 0,08 mol/ha/j en in 2025 is de afname 0,11 mol/ha/j. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland

Voor de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora & fauna uitgevoerd, zie bijlage 12. Daarin is ook een effectbeoordeling op Natuurnetwerk Nederland uitgevoerd. Hierna worden de bevinden weergegeven.

Het plangebied behoort niet tot het NNN maar grenst er wel direct aan. Het betreft het deelgebied Overbetuwe. De kernkwaliteiten van dit gebied zijn onder andere zeer rijk leefgebied voor steenuil, leefgebied voor das en kamsalamander, de ecologische verbindingszones en wat hier verder ontwikkeld kan worden zijn de cultuurlandschappen.

Door de voorgenomen plannen treedt geen verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring op in het GNN. De realisatiefase en de gebruiksfase hebben mogelijk een verstorend effect op het GNN door geluid, trilling en licht. Door de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare broedperiode (globaal van half maart tot en met juli) kunnen effecten op soorten die voorkomen in het GNN worden verminderd. Tevens kan het bedrijventerrein ingericht worden met natuurvriendelijke verbindingen. Door het gebruik van verlichting in de gebruiksfase te minimaliseren wordt ook de verstoring op soorten die voorkomen in het GNN verminderd.

Door het nemen van maatregelen (bij het ontwerp, de realisatiefase en de gebruiksfase) kunnen de negatieve effecten op het GNN worden beperkt en worden de kernkwaliteiten van het deelgebied Overbetuwe niet aangetast. Bij het ontwerp dient gekozen te worden voor de aanleg van natuurvriendelijke verbindingen (zoals stroken met ruigtebegroeiing) en het behouden van de wallen en de vegetatie die erop groeit. Bij de realisatiefase dient lichtverstoring te worden beperkt door enkel overdag te werken en het plangebied tijdens de schemering en nacht niet extra te verlichten. Tijdens de gebruiksfase dient het gebied minimaal verlicht te worden met vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Dit is ook in de regels geborgd.

Soortenbescherming

In de quickscan flora en fauna (bijlage 12) zijn tevens beschermde soorten in het plangebied onderzocht. Hieruit blijkt dat in het plangebied mogelijk verschillende soorten voorkomen die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht.

De akkers bieden geschikte nestgelegenheid voor weidevogels. Bij het aanleggen van een bedrijventerrein gaat broedgelegenheid verloren voor weidevogels. Weidevogels kunnen uitwijken naar geschikte akkers in de omgeving van het plangebied. Door de werkzaamheden op de akkers uit te voeren buiten de broedperiode worden weidevogels niet verstoord.

De randen van het plangebied (ruigte, struiken, riet en waterkanten) bieden geschikte nestgelegenheid voor verschillende vogelsoorten. Bij werkzaamheden in de randen kunnen nesten worden vernietigd en broedgevallen worden verstoord. Door de randen van het plangebied te behouden worden vogels die daar mogelijk broeden niet verstoord.

Het plangebied biedt voor kerkuil en steenuil geen geschikte nestgelegenheid, maar kan wel een essentieel onderdeel vormen van het foerageergebied van deze soorten. Nader onderzoek in het plangebied is noodzakelijk voor kerkuil en steenuil. Indien het plangebied een essentieel onderdeel vormt van het leefgebied van uilen dient voor het vernietigen van het leefgebied een ontheffing te worden verkregen en mitigerende maatregelen te worden genomen.

Vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en de watergangen als vliegroute. Door het aanleggen van het bedrijventerrein verdwijnt foerageergebied voor vleermuizen. De watergangen blijven intact, dus de vliegroutes ook, mits ze niet extra verlicht worden. Door het plangebied minimaal te verlichten met amberkleurige verlichting kan een deel van het bedrijventerrein in gebruik blijven als foerageergebied en door geen verlichting te richten op de watergangen kunnen deze in gebruik blijven als vliegroutes.

De ruige randen, wallen en waterkanten bieden geschikte habitat voor brede wolfsmelk, kleine wolfsmelk, akkerdoornzaad en kluwenklokje. Door de wallen te behouden en niet te werken in de akkerranden en waterkanten waar ruigtevegetatie groeit worden negatieve effecten op de beschermde plantensoorten voorkomen. Indien werkzaamheden plaatsvinden aan de akkerranden, wallen en waterkanten waar ruigtevegetatie groeit dient te worden onderzocht of hier beschermde planten groeien en dienen passende maatregelen genomen te worden. Dit is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd.

Grote modderkruiper kan voorkomen in de wateren in en rondom het plangebied. Wanneer werkzaamheden aan de sloten nodig zijn, dient vooraf onderzocht te worden of grote modderkruiper aanwezig is. Indien dit het geval is dienen passende maatregelen te worden getroffen of een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen.

De ruige randen, wallen en waterkanten kunnen door bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander worden gebruikt als land- en overwinteringshabitat. Bij werkzaamheden in de ruigtevegetatie kunnen verblijfplaatsen van amfibieën worden vernietigd en individuen worden verstoord en gedood. Aan de oppervlaktewateren in en om het plangebied worden geen werkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden hebben geen effect op voortplantingshabitat van amfibieën. Voor bovengenoemde amfibiesoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming, wel geldt de algemene zorgplicht. Door de wallen te behouden en niet te werken in de akkerranden en waterkanten waar ruigtevegetatie groeit worden negatieve effecten op de amfibieën en het land- en overwinteringshabitat voorkomen.

Door de werkzaamheden verdwijnt leefgebied van algemene muizensoorten en haas, en mogelijk verdwijnen ook verblijfplaatsen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming, wel geldt de algemene zorgplicht. Door voorzichtig en in één richting te werken kunnen aanwezige individuen vluchten.

Wanneer in de ruigtevegetaties wordt gewerkt, kunnen (essentiële) migratieroutes van bunzing, vos, hermelijn, steenmarter, wezel en das worden onderbroken. Door de ruigtevegetaties ongemoeid te laten worden mogelijk essentiële migratieroutes niet onderbroken.

Vervolgstappen en maatregelen

Overtreding van de Wet natuurbescherming dient te worden voorkomen door het nemen van de volgende vervolgstappen en maatregelen:

  • 1. Door de ruigtevegetatie op de wallen, akkerranden en waterkanten te behouden kunnen beschermde flora, amfibieën, vogels en zoogdieren gebruik blijven maken van het plangebied.
  • 2. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd aan de sloten is nader onderzoek nodig naar grote modderkruiper.
  • 3. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd aan de akkerranden, wallen en waterkanten waar ruigtevegetatie groeit dient te worden onderzocht of hier beschermde planten groeien.
  • 4. Nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door steenuil en kerkuil is nodig omdat mogelijk essentieel foerageergebied voor deze soorten verdwijnt.
  • 5. Afhankelijk van de uitkomst van het uilenonderzoek kunnen de werkzaamheden in de akkers worden uitgevoerd buiten de broedperiode van weidevogels.
  • 6. Door het bedrijventerrein minimaal te verlichten en de watergangen niet te verlichten (realisatiefase en gebruiksfase) kunnen vleermuizen gebruik blijven maken van het plangebied als foerageergebied en vliegroutes.

Naar aanleiding van de quickscan flora & fauna is gebleken dat werkzaamheden mogelijk een negatief effect hebben op essentieel foerageergebied van kerkuilen, steenuilen, standplaats van brede wolfsmelk, kleine wolfsmelk, akkerdoornzaad en kluwenklokje, en leefgebied van de grote modderkruiper, bunzing, steenmarter, wezel, das en hermelijn. Nader onderzoek naar deze soorten heeft plaatsgevonden en is bijgevoegd als bijlage 13. Hieruit blijkt het volgende:

Marterachtigen

Werkzaamheden in de met ruigte begroeide wallen kunnen plaatsvinden zonder negatieve effecten op marters; ten aanzien van marters wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden en is geen ontheffing nodig. Ook het nemen van aanvullende maatregelen ten aanzien van marters is niet noodzakelijk.

Grote modderkruiper

In het plangebied ontbreekt geschikt habitat voor grote modderkruiper. Nader onderzoek naar grote modderkruiper heeft uitgewezen dat de aanwezigheid van deze soort uitgesloten kan worden.

Kerk- en steenuil

In (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen kerkuilen aangetroffen. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van een steenuilterritorium. Het territorium kan ondanks uitvoering van de werkzaamheden in stand worden gehouden. Er is voldoende foerageergebied beschikbaar na afronding van de werkzaamheden en de steenuil is slechts in beperkte mate verstoringsgevoelig. Ten aanzien van uilen worden er door de werkzaamheden geen verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming overtreden.

Beschermde plantensoorten

Werkzaamheden in het plangebied kunnen plaatsvinden zonder negatieve effecten op groeiplaatsen van beschermde plantensoorten; ten aanzien van akkerdoornzaad, brede wolfsmelk, kleine wolfsmelk en kluwenklokje wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden en is geen ontheffing nodig. Ook het nemen van aanvullende maatregelen ten aanzien van voornoemde planten is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect ecologie geeft geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Vanuit nationale wetgeving dienen gemeenten zorg te dragen voor de archeologische waarden in de bodem. Ook de provincie Gelderland onderschrijft in haar structuurvisie dat zorgvuldig dient te worden omgegaan met het bodemarchief.

Onderzoek en bestemmingslegging

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.291-VG01_0019.png"

Figuur 4.5 In blauw de fossiele loop van de Waalbeek (naar Haarhuis 1997). In oranje de op basis van de proefsleuve gereconstrueerde omvang van de vindplaatsen.

Bekende archeologische onderzoeken

De volgende archeologische onderzoeken zijn ter plaatse van de locatie bekend;

  • Glastuinbouwlokatie Huissen-Bergerden, RAAP, rapport 244, februari 1997 (bijlage 14);
  • Bergerden Glastuinproject, BAAC, rapport 02.101, december 2002 (bijlage 15);
  • Sleuven in het land, Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie en Monumenten, Rapport 9, februari 2008 (bijlage 16).

Op basis van het uitgevoerd onderzoek ter plaatse van de voor de betreffende percelen geldt dat het gebied met een middelmatige archeologische verwachting voldoende is onderzocht. Hier zijn geen archeologische belemmeringen vastgesteld (geen dubbelbestemming noodzakelijk).

Ter plaatse van het gebied met een zeer hoge archeologische verwachting is een archeologische vindplaats vastgesteld. De archeologische vindplaats zal middels een dubbelbestemming “Waarde archeologie 2” beschermd worden. Ontwikkelingen binnen dit gebied zijn niet zonder vervolgonderzoek dan wel een archeologische opgraving mogelijk. Mocht hieruit blijken dat de locatie archeologische waarden heeft, dan dienen maatregelen genomen te worden om deze te beschermen. Zo kunnen nadere eisen worden gesteld aan het bouwen op de locatie.

Cultuurhistorie

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een agrarisch onbebouwd gebied. Van beschermenswaardige cultuurhistorische waarden is geen sprake.

4.12 Vormvrije mer-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Ook de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein is mer-beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om circa 14 hectare te herbestemmen van glastuinbouw gebruik naar bedrijventerrein. De beoogde ontwikkelingen zijn daarmee dusdanig klein dat deze ruim onder de drempelwaarden blijven.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Op basis hiervan neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbeslissing waarin wordt aangegeven dat geen volledige m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een project.

De in het plangebied gelegen nog uitgeefbare gronden zijn eigendom van de gemeente. De dekking voor de gemeentelijke kosten zit in de gemeentelijke grondexploitatie. De economische uitvoerbaarheid van het plan kan hierdoor als aangetoond worden beschouwd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop inwoners en andere belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken.

Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan Waterschap Rivierenland, Gasunie, TenneT en Liander. Met de provincie Gelderland heeft overleg plaatsgevonden.

Genoemde instanties hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben, dan wel in te stemmen met het bestemmingsplan.

Omdat geen sprake is van een nieuw beleidsvoornemen, is het bestemmingsplan direct als ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kon een ieder zijn zienswijze kenbaar maken. Gedurende de zes weken dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen is één zienswijze ingekomen. In bijlage 21 is de Reactienota zienswijzen opgenomen waarin is verwoord hoe met de zienswijzen wordt omgegaan. De wijzigingen die zijn aangebracht in de toelichting zijn opgenomen in de Oplegnotitie in bijlage 20. Na de vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Raad van State.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemming. De omvang van de diverse functies is verankerd in de bestemmingslegging. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd. Voor de inhoud en opzet van de regels is aangesloten op het bestemmingsplan 'Agropark II'.

6.2 Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

6.3 De bestemmingen

Bedrijventerrein

De gronden die overeenkomstig het huidige bestemmingsplan 'Bergerden' zijn bestemd voor 'Agrarisch - Glastuinbouw 1' zijn bestemd met de bestemming 'Bedrijventerrein', waarbij steeds een categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten is aangegeven. De toelaatbaarheid van de bedrijven is bepaald, mede aan de hand van de ligging van de bedrijven in de directe omgeving van gevoelige functies. Voor de bedrijven is een passende regeling opgenomen, overeenkomstig de huidige milieucategorie. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, zodat het bevoegd gezag bedrijven kan toestaan uit ten hoogste twee subcategorieën hoger en bedrijven die niet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voorwaarde hierbij is dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorie.

Naast bedrijven zijn binnen deze bestemming tevens de bijbehorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water toegestaan.

Overeenkomstig het bestemmingsplan 'Agropark II' is een maximum bebouwingspercentage opgenomen van 70% van het bouwvlak. De maximum bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt 10 meter met een afwijkingsbevoegdheid tot 15 meter.

Groen

Hieronder vallen de openbare groenvoorzieningen, voet- en fietspaden alsmede nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Om de groenstroken voor de toekomst veilig te stellen is het enkel mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het groen te realiseren die te maken hebben met de groenfunctie. In deze bestemming is de bouw van kunstobjecten toegestaan.

Verkeer

De in het plangebied aanwezige openbare wegen en parkeervoorzieningen zijn in deze bestemming opgenomen. Binnen de bestemming is ook ruimte voor nuts-, groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ten behoeve van deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Water

Binnen deze bestemming is de watergang aan de noordzijde van het plangebied opgenomen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen die ten dienste staan aan de bestemming, zoals constructies voor bruggen, kademuren en duikers, zijn toegestaan.

Waarde - Archeologie (dubbelbestemmingen)

Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen is voorzien in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Agropark II'.

Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het college van burgemeester en wethouders aan de archeologische waarden. Vanwege deze archeologische verwachtingswaarde, dient voorafgaand aan werkzaamheden in een aantal gevallen een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau. Indien uit het onderzoek blijkt dat er resten aanwezig zijn, dan dient in overleg met de provinciaal archeoloog te worden bepaald hoe met deze resten wordt omgegaan. Behoud in situ is hierbij echter uitgangspunt.

Waterstaat - Waterstaatkundige functie (dubbelbestemming)

De beschermingszone rondom de A-watergangen die grenzen aan het plangebied (4 meter aan weerszijden) is door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' vastgelegd.