| Plan: | Cuijk, Valuwe, Mgr. Zwijssenstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1684.BPCuMgrZwijssenstr-VA01 |
De gemeente Cuijk heeft het voornemen om de voormalige basisschool- en gymzaallocatie aan de Mgr. Zwijssenstaat in de wijk de Valuwe in Cuijk te herontwikkelen. Het schoolgebouw is reeds gesloopt. De bebouwing van de gymzaal wordt binnenkort gesloopt. Daarvoor in de plaats worden een appartementengebouw en grondgebonden woningen gerealiseerd.
Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Mgr. Zwijssenstraat in de wijk de Valuwe in het noorden van de kern Cuijk. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Cuijk, De Valuwe", vastgesteld op 17 december 2012. Het plangebied heeft de bestemming 'Maatschappelijk' met voor een deel de functieaanduiding 'detailhandel'. De gehele locatie heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' en de gebiedsaanduidingen 'funnel' en 'vrijwaringszone - radar'. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt tevens het "Paraplubestemmingsplan Parkeren', vastgesteld op 3 februari 2020.
Uitsnede geldend bestemmingsplan (ruimtelijkeplannen.nl)
De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt in de Cuijkse wijk de Valuwe en wordt globaal omsloten door de Mgr. Zwijssenstraat (noord), de Professor van de Brinkstraat (oost), de Karel Doormanstraat (zuid) en de Spoorlijn Maaslijn (west). Vanaf 1967 is de eerste ontwikkeling van de wijk de Valuwe te zien. Het plangebied was toen een open groenplek in de wijk. In 1978 zijn in het plangebied een basisschool en een gymzaal gerealiseerd. Vanaf 1987 is de eerste aanzet van de wijk Heeswijkse Kampen ten westen van het plangebied te zien en is ten zuiden van de locatie een fietspad met tunnel onder het spoor aangelegd. In 2007 is het gebied ten noorden van de Mgr. Zwijssenstraat herontwikkeld, waarbij de strokenbouw is vervangen door een appartementengebouw. Het schoolgebouw in het plangebied is inmiddels gesloopt. De gymzaal wordt in 2020 gesloopt. De onderstaande afbeeldingen tonen de topografische kaarten van het plangebied in verschillende jaren en een actuele luchtfoto van het plangebied.
Topografische kaarten plangebied
Luchtfoto van het plangebied (bron: PDOK)
In het verlengde van de herstructurering van de wijk de Valuwe heeft de gemeente het voornemen om de locatie aan de Mgr. Zwijssenstraat te herontwikkelen. In het voortraject van dit plan heeft een informatieavond voor omwonenden plaatsgevonden. Aan de hand hiervan is een omgevingsvisie opgesteld voor onderhavige locatie en een voormalige schoollocatie aan de Robijnlaan. Deze omgevingsvisie is toegevoegd als bijlage 1. In de omgevingsvisie zijn twee stedenbouwkundige modellen opgenomen. De gemeenteraad heeft een voorkeursmodel gekozen dat de basis vormt voor het bestemmingsplan.
Met voorliggend plan worden maximaal 24 woningen in het plangebied gerealiseerd, waaronder een appartementengebouw met 14 appartementen en 10 grondgebonden woningen. Het plangebied krijgt een gemeenschappelijk binnenterrein, waarvan de inrit ten westen van het appartementengebouw aan de Mgr. Zwijssenstraat wordt gerealiseerd. Op het binnenterrein worden 28 parkeerplaatsen aangelegd. Langs de Mgr. Zwijssenstraat en bij de inrit worden 22 haaksparkeerplaatsen gerealiseerd. Het groen aan de west- en zuidzijde van het plangebied wordt versterkt. Het groen rondom de woningen krijgt een parkachtig karakter. De herinrichting tot snelfietsroute en de langsparkeerplaatsen aan de Prof. van de Brinkstraat vallen buiten het plangebied en blijven gehandhaafd. Bij de spoorzone in het westelijk deel van het plangebied wordt een wadi aangelegd ten behoeve van waterberging. De navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.
Impressie toekomstige situatie
Voor de locatie is een (ontwerp)beeldkwaliteitsplan opgesteld, welke als bijlage 11 bij de toelichting is gevoegd en daarnaast ingevolge artikel 12 van de Woningwet afzonderlijk door de gemeenteraad als Welstandskader is/wordt vastgesteld.
In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen.
Bouwbesluit
Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen.
Kansen
Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied.
Planspecifiek
Het voorliggende plan betreft de herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie. Hiermee is sprake van duurzaam ruimtegebruik. De woningen worden BENG (bijna energie neutraal) en gasloos gebouwd. Er wordt ruimte geboden voor de toepassing van zonnepanelen (op daken en gevels). De hoeveelheid verharding zal zoveel mogelijk worden beperkt en regenwater zal op eigen terrein worden opgevangen. Tevens wordt het terrein groen ingericht. Deze groene inrichting heeft een functie voor de opvang van regenwater en ter voorkoming van hittestress.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Concreet is het belang 'Defensie' van toepassing binnen het plangebied. Ook zal moeten worden voldaan aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
Defensie
In het Barro zijn regels opgenomen om een veilig en doelmatige gebruik van defensieterreinen te waarborgen. Het gaat bijvoorbeeld om veiligheidszones rond munitiedepots, obstakelvrije aanvliegroutes en radarverstoringsgebieden. De gehele gemeente Cuijk heeft te maken met het radarverstoringsgebied van militair vliegveld Volkel. Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer gelden in een bepaald gebied rond een luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten, zoals woon- en kantoorgebouwen, antennemasten, windmolens en bomen. Hiermee wordt voorkomen dat radarsignalen worden verstoord en vliegtuigen met objecten in botsing kunnen komen. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbanen en berusten op internationale vastgelegde afspraken. In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen voor het radarverstoringsgebied. Bouwwerken hoger dan 65 meter + NAP vormen een belemmering voor het radarverstoringsgebied. In onderhavige situatie is van een dergelijke hoogte geen sprake.
Ladder duurzame verstedelijking
Met voorliggend plan worden 24 woningen gerealiseerd. Hiermee is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom dient de ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen.
Behoefte
Ten eerste dient de behoefte aan de woningen (10 grondgebonden woningen en 14 appartementen) te worden onderbouwd. In mei 2017 heeft de provincie Noord-Brabant haar bevolkings- en behoefteprognose geactualiseerd (zie paragraaf 3.3.1). In de provinciale prognose wordt gewerkt met een 'hoog scenario' en een 'laag scenario'. Wat betreft de kwantitatieve woningbehoefte heeft de gemeente Cuijk in 2017 het hoge scenario van de woningbehoefteprognose van de provincie Noord-Brabant als uitgangspunt voor de toekomstige woningbehoefte genomen. In dat scenario is er een behoefte aan 1.255 woningen tot en met 2030 (zie onderstaande tabel). De netto nieuwbouwopgave voor de gemeente Cuijk ligt in werkelijkheid nog iets hoger. Dit komt omdat er ook nog een aantal woningen is/wordt onttrokken (in totaal ongeveer 300). Het realiseren van 24 woningen met voorliggend plan levert een bijdrage aan de invulling van deze kwantitatieve behoefte.
Wat betreft de kwalitatieve behoefte blijkt uit een quickscan naar de woningbehoefte in de gemeente Cuijk dat er in de kern Cuijk vooral behoefte is aan grondgebonden koopwoningen. In de onderstaande tabel is de kwalitatieve woningbehoefte per wijk in de kern Cuijk weergegeven naar aantal beschikbare woningen in de plancapaciteit 2017-2030. In de tabel is te zien dat in de wijk de Valuwe de behoefte naar rij-/hoekwoningen, grondgebonden nultredenwoning en twee-onder-één-kap / geschakelde woningen het hoogst is. Uit het woonwensenonderzoek Brabant-Noordoost en uit aanvullende consultaties van lokale makelaars blijkt in de gemeente Cuijk een (nieuwe) grotere behoefte aan levensloopgeschikte woningen voor (vitale) senioren en medioren. De voorkeur gaat daarbij uit naar grondgebonden woningen. Appartementen kunnen hierbij als goed en geschikt alternatief dienen. Met onderhavig plan worden grondgebonden (nultreden)woningen, (rij/geschakeld) en appartementen mogelijk gemaakt. Hiermee voorziet het plan in de hierboven beschreven kwalitatieve behoefte.
Locatie
Daarnaast dient in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking te worden ingegaan op de locatie van het initiatief. De woningen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied op de locatie van een voormalige basisschool en gymzaal. Hiermee is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. De herontwikkeling van de Valuwe is ook genoemd als locatie voor nieuwbouwwoningen in Cuijk. De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee succesvol doorlopen.
Het initiatief is passend binnen het rijksbeleid.
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Met de Brabantse omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe zij hieraan wil werken.
De provincie gelooft dat men met elkaar moet zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat zij dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij zij streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.
Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.
De provincie heeft vier hoofdopgaven opgesteld. Aan de basis van deze hoofdopgaven liggen veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Dit is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen (milieu, wegen, ontgronden, natuurbescherming, ruimte en water).
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid.
Planspecifiek
Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het plangebied is hierop aangeduid als bestaand stedelijk gebied en landelijke kern. Hieronder worden de relevante artikelen uit de omgevingsverordening voor onderhavig plan besproken.
Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Artikel 3.16 externe werking natuur netwerk Brabant
In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd.
Het plangebied ligt op ruim 200 meter afstand van het dichtstbijzijnde NNN gebied. Voorliggend plan is van een dusdanig klein schaalniveau en ligt op ruime afstand van NNN gebied, waardoor er geen ecologische waarden of kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant worden aangetast.
Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling
Onderhavig plangebied ligt binnen stedelijk gebied. Op de locatie waren voorheen een basisschool en een gymzaal gevestigd. In navolgende paragraaf 'regionaal beleid' wordt toegelicht dat voorliggend plan passend is binnen de regionale woningbouwafspraken zoals opgesteld door de gezamenlijke gemeente van het Land van Cuijk. Hieronder wordt nader ingegaan op hoe het plan bijdraagt aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Met voorliggend plan is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6 Interim omgevingsverordening),
omdat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de onderbouwing van de Ladder
voor duurzame verstedelijking zie paragraaf 3.1. Wat betreft de lagenbenadering (artikel 3.7 Interim
omgevingsverordening) wordt rekening gehouden met de aanwezige waarden in het plangebied. Hier wordt
nader op ingegaan in hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid. Wat betreft meerwaardecreatie (artikel 3.8 Interim
omgevingsverordening) voorziet het plan in het geven van een nieuwe functie aan een inmiddels ongebruikt terrein. Er worden een appartementengebouw en grondgebonden woningen mogelijk gemaakt, waarbij bestaande omliggende functies zijn betrokken bij de planontwikkeling. In paragraaf 2.2 is bovendien de wijze waarop dit plan landschappelijk wordt ingepast, inzichtelijk gemaakt en toegelicht.
Conclusie
Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.
In mei 2017 heeft de provincie Noord-Brabant haar bevolkings- en behoefteprognose geactualiseerd. De prognose is een belangrijk richtinggevend kwantitatief instrument voor het volkshuisvestelijke beleid van de gemeente. In de provinciale prognose wordt gewerkt met een 'hoog scenario' (1.255) en een 'laag scenario' (1.040). Het verschil tussen beide scenario's zit in het al dan niet inlopen van het in 2017 becijferde woningtekort (215).
In relatie tot de nieuwe prognose heeft de gemeenteraad in zijn vergadering van 18 december 2017 een nieuw woningbouwprogramma voor de periode 2018-2030 vastgesteld, waarbij behalve met de beleidsmatige ruimte volgens de provinciale prognose ook rekening is gehouden met de vervangende sloop-/nieuwbouwopgave als gevolg van tal van herstructureringen in Cuijk. Het totale programma komt daarmee op (afgerond) 1.440 woningen en is meegenomen als uitgangspunt bij de opstelling van de regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk.
In 2018 hebben de vijf gemeenten in het Land van Cuijk en de provincie Noord-Brabant een nieuwe gezamenlijke regionale woningmarktstrategie vastgesteld, de vorige dateert van 2013. In deze strategie wordt rekening gehouden met de meest actuele volkshuisvestelijke ontwikkelingen.
Belangrijke trends daarin zijn de demografische ontwikkelingen als vergrijzing, ontgroening, gezinsverdunning, de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens en de toenemende vraag voor de huisvesting van specifieke doelgroepen.
Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van levensloopbestendige woningen (patiowoningen) en appartementen, waarmee gereageerd wordt op de oplopende vraagdruk ten aanzien van deze woningentypen.
Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de kwantitatieve randvoorwaarden van het gemeentelijke woningbouwprogramma en invulling geeft aan de (toenemende) vraag naar levensloopbestendige woningen en appartementen (voor eenpersoonshuishoudens).
Op basis van de prognose en de uitgangspunten van de regionale woningmarktstrategie wordt jaarlijks het woningbouwprogramma geactualiseerd waarbij de nieuwste inzichten telkens richtinggevend zijn.
De 24 in dit bestemmingsplan opgenomen woningen maken deel uit van het gemeentelijk woningbouwprogramma en leiden er niet toe dat de voor de gemeente Cuijk toegestane harde plancapaciteit voor woningbouw wordt overschreden.
In de Structuurvisie Cuijk is op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weergegeven.
De structuurvisie is opgedeeld in twee gebieden:
Het plangebied is gelegen in het gebied 'Dynamisch Cuijk'. De altijd al aanwezige dynamiek in 'Dynamisch Cuijk' dient behouden en versterkt te worden. Belangrijk is dat dit gebied zich blijft ontwikkelen, zowel in landschappelijk als in economisch opzicht, om haar nieuwe identiteit en kwaliteit inhoud en vorm te kunnen geven. Ten opzichte van Vitaal landelijk Cuijk biedt Dynamisch Cuijk meer mogelijkheden voor 'stedelijke' ontwikkelingen en/of grootschaligere c.q. bezoekersintensievere ontwikkelingen die bijdragen aan de gewenste ambitie om een aangename en veelzijdige leef- en werkomgeving te creëren met goede basisvoorzieningen en oog voor kwaliteit en duurzaamheid. Daar waar geen bestaande bebouwingslocatie aanwezig is, dient terughoudend te worden omgegaan met het faciliteren van ontwikkelingen.
De gemeente hanteert de volgende leidende principes om te komen tot het totaalbeeld van de toekomstige ruimtelijke structuur:
Op het gebied van wonen wil de gemeente blijven werken aan een aantrekkelijke, veilige en duurzame woon- en leefomgeving. Hier is het prettig wonen in gevarieerde woonmilieus; van stedelijk in de kern Cuijk tot zeer landelijk in de kleinere dorpskernen. De kwaliteit van het wonen kan aantrekkelijker worden gemaakt door ontwikkelingen te stimuleren en daarbij de leidende principes te hanteren. In de kern Cuijk moeten daartoe de woon- en centrumfuncties versterkt worden, onder meer door meer diversiteit in aanbod. Voor de gemeente Cuijk ligt er tot en met 2030 nog een bouwopgave van circa 1.500 woningen.
Planspecifiek
Doordat er zowel appartementen als grondgebonden woningen mogelijk worden gemaakt op een ongebruikte voormalige schoollocatie en de openbare ruimte groen en parkachtig wordt ingericht, draagt dit plan bij aan meer diversiteit in het woningaanbod, een aantrekkelijk woonmilieu en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan sluit daarmee aan bij de Structuurvisie Cuijk.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een vooronderzoek bodem uitgevoerd om te achterhalen of er bodemverontreinigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden in het plangebied. De rapportage is toegevoegd als bijlage 2. Op basis van dit vooronderzoek wordt geconcludeerd dat een (relevante) bodemverontreiniging niet wordt verwacht in het plangebied. De locatie kan als 'onverdacht' worden aangemerkt. In het kader van de voorgenomen bestemmingswijziging is een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd, zie bijlage 3. Hierin is geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de voogenomen ontwikkeling en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Ten behoeve van de nieuw te realiseren snelfietsroute te Cuijk is in 2018 o.a. een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd langs de oostzijde van voorliggend plangebied, ter plaatse van de Professor van de Brinkstraat. Het onderzoekrapport is toegevoegd als bijlage 4. Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat er binnen de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging wordt verwacht. Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er in de grond bijmengingen zijn aangetroffen van puin, slakken, beton en menggranulaat. Voor het overige zijn er geen waarnemingen gedaan welke kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Specifiek wordt vermeld dat er geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het meest nabijgelegen rekenpunt 61941 (aan de Beersebaan) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2017 (µg/m3) | 21,5 µg/m3 | 20,2 µg/m3 | 12,5 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 24 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van meerdere geluidgevoelige objecten. Het plangebied ligt aan de Mgr. Zwijssenstraat. Industrielawaai is hier niet aan de orde. De Mgr. Zwijssenstraat en de omliggende wegen van het plangebied zijn rustige 30 km/uur wegen. Deze wegen hebben volgens artikel 74 lid 2 van de Wgh geen geluidszone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. De geplande woningen liggen wel binnen de geluidszone van de westelijk gelegen spoorlijn Nijmegen - Venlo. Daarom is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 5. Hierin is geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor een aantal woningen wordt overschreden. De hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 68 dB wordt niet overschreden. Het treffen van maatregelen die de geluidbelasting terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde, is gezien de beperkte schaal van dit plan niet mogelijk en/of ongewenst. Daarom worden hogere waarden aangevraagd. In het akoestisch rapport zijn de te verlenen hogere waarden te raadplegen.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Met voorliggend plan worden nieuwe milieugevoelige objecten toegevoegd (24 woningen). Het plangebied ligt in een woonwijk met rondom geen andere functies dan wonen. De dichtstbijzijnde andere functie is een multifunctionele accommodatie ten oosten van het plangebied aan de De Valuwe 1. Deze functie kan vergeleken worden met de functie buurt- en clubhuizen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. De VNG heeft hiervoor een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Met een feitelijke afstand van circa 175 meter wordt ruimschoots aan deze richtafstand voldaan. Overige functies liggen op een nog grotere afstand van het plangebied. Met voorliggend plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de 24 toe te voegen woningen. Tevens worden met de ontwikkeling geen bedrijven of functies belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart met plangebied blauw omkaderd
Uit de risicokaart is op te maken dat ten op enkele locaties ten zuiden van het plangebied gevaarlijke stoffen liggen opgeslagen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze inrichtingen. Ten zuiden van het plangebied ligt een gasleiding op circa 830 meter afstand. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, de rivier de Maas, op circa 850 meter afstand. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze transportroute. Verder bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen, risicobronnen, buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen of basisnetroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg of het spoor.
Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:
Planspecifiek
Het onderhavige plan betreft het realiseren van 24 woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht.
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in deze toelichting ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.
Toetsing
Voorliggend plan betreft een functiewijziging van het plangebied waarbij de komst van 24 woningen mogelijk wordt gemaakt. Deze ontwikkeling zorgt niet voor belemmeringen wat betreft gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook is er gezien de aard van de ontwikkeling geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid door bijvoorbeeld rampen.
De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.
Toetsing
Het voormalige gebruik van het plangebied met de maatschappelijke functie en de beperkte aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen in het plangebied zorgen ervoor dat het project zich niet in een qua milieu kwetsbaar gebied bevindt. Zoals beschreven in dit bestemmingsplan ligt het plangebied niet binnen gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en water aspecten.
De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.
Toetsing
Gezien de beperkte omvang en de aard van de ontwikkeling, is er geen sprake van onevenredige effecten voor het milieu in de omgeving.
Conclusie
Uit het voorgaande is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming van personen tegen trillingshinder. Er kan echter ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen:
Planspecifiek
De woningen komen op circa 40 meter afstand van het spoor te liggen en daardoor is trillingshinder op voorhand niet uit te sluiten. Om te bepalen of er onevenredige trillingshinder op zal treden, is een trillingsonderzoek uitgevoerd. Het trillingsonderzoek is opgenomen in bijlage 12. Hierin is geconcludeerd dat er in tenminste de nachtperiode voor de woningen sprake zal zijn van weinig of matige trillinghinder. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtlijn SBR-B. Met maatregelen kan de trillinghinder worden ingeperkt. De mogelijk te nemen maatregelen zijn opgenomen in het onderzoeksrapport. In de fase van de omgevingsvergunning zal nader worden uitgewerkt welke maatregelen worden genomen.
Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect trillingen.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Beleid Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas
Voor dit plan is het beleid van Waterschap Aa en Maas mede van belang. De volgende drie principes zijn richtinggevend bij de advisering over ruimtelijke plannen:
Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 2.000 m². Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 kan de volgende rekenregel worden toegepast voor het berekenen van de benodigde compensatie:
Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06
De gevoeligheidsfactor zegt iets over de kenmerken van een gebied (droogte, kans op overstroming, ligging ten opzichte van natuurgebieden en bebouwde kom). De gevoeligheidsfactor is bepaald op de 'Kaart Algemene Regel afvoer regenwater door verhard oppervlak' van de waterschappen. Er zijn drie mogelijke waarden: laag (¼), gemiddeld (½) en hoog (1). De factor 0,06 m vertegenwoordigt een maatgevende bui van 60 mm per uur (600 m³/ha).
Waterbeheerplan 2016-2021
In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen.
In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s:
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Voor onderhavig plan is een watermemo opgesteld. In deze memo is het beleid van Waterschap Aa en Maas beschreven en wordt ingegaan op de watertoets. De watermemo is toegevoegd als bijlage 8. Concluderend kan worden dat in onderhavig initiatief afkoppeling van hemelwater uitgangspunt is, waarbij het water op het eigen terrein wordt opgevangen en daarna wordt geïnfiltreerd (en waar nodig vertraagd afgevoerd). Via de rekentool van het Waterschap Aa en Maas is berekend hoeveel m3 berging nodig is. Geconcludeerd wordt dat het gebied ruim genoeg is om hiervoor voorzieningen aan te brengen op eigen terrein. Bij de uitwerking wordt aandacht besteed aan hoe het water naar de voorzieningen gebracht wordt. Dit zal in het inrichtingsplan verder worden uitgewerkt. Realisatie van het initiatief past binnen de uitgangspunten van het Waterschap Aa en Maas en is daarmee uitvoerbaar op het gebied van water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Sint Jansberg'. Dit gebied ligt op circa 3 km kilometer afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten worden uitgesloten. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 6), waarbij tevens het woningbouwplan aan de Robijnlaan is betrokken. Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkelingen op beide locaties waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van significante effecten op beschermde Natura 2000 gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Soortenbescherming
In het kader van de sloop van de basisschool in het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 7. Hierin wordt geconcludeerd dat het plangebied geen betekenis heeft voor beschermde soorten waarvoor een ontheffing nodig is. Het plangebied heeft evenmin betekenis voor vogels waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn. Er kunnen op het terrein
algemene soorten vogels broeden. Verstoring van broedende vogels moet bij de werkzaamheden worden voorkomen. De werkzaamheden kunnen zonder ontheffing worden uitgevoerd.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Voorliggend plan betreft de realisatie van 24 woningen op de locatie van een voormalige basisschool en gymzaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Mgr. Zwijssenstraat. Met de ontwikkeling kan het aantal verkeersbewegingen iets toenemen. In het worst-case scenario genereert onderhavig plan 192 verkeersbewegingen per dag (8 verkeersbewegingen/woning/etmaal x 24). De Mgr. Zwijssenstraat en de omliggende wegen van het plangebied hebben voldoende capaciteit om een eventuele verkeerstoename op te vangen.
Wat betreft parkeren geldt in het plangebied het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' (2020). Dit plan gaat uit van de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets gemeente Cuijk 2016 -2023', waarin wordt aangesloten bij de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. Met onderhavig initiatief worden 10 grondgebonden woningen en 14 appartementen gerealiseerd.
|
Woningtype |
aantal woningen | parkeernorm* | parkeerbehoefte |
| Appartementen (koop, midden) | 14 | 1,9 | 26,6 |
| Grondgebonden woningen (uitgegaan van rij- / patiowoningen) | 10 | 2 | 20 |
| Totaal | 46,6 |
* rest bebouwde kom
Uit de kencijfers van het CROW blijkt dat er afgerond 47 parkeerplaatsen nodig zijn. In het plangebied worden in totaal 50 parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangeleged. Hiermee wordt aan de parkeernorm voldaan.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig die met de ontwikkeling aangetast zouden kunnen worden.
Archeologie
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Cuijk. Hierop is te zien dat het plangebied is aangeduid als 'Waarde - Archeologie 5'. Binnen deze verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 meter.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Cuijk
Met voorliggend plan is het oppervlak van de bodemingrepen groter dan 2.500 m². Daarom is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 9. Hierin wordt geconcludeerd dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Op basis hiervan is een archeologisch vervolgonderzoek voorgesteld in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Het rapport van dit proefsleuvenonderzoek is toegevoegd als bijlage 10. Hierin wordt geconcludeerd dat er enkele archeologische sporen en vondsten zijn aangetroffen. De bodem van het plangebied is echter grotendeels verstoord door de bouw en de sloop van de basisschool op de locatie. Door de grootschalige verstoringen en het gebrek aan samenhangende archeologische indicatoren wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkelingen.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De gemeente Cuijk is initiatiefnemer van de beoogde ontwikkeling. Voor deze ontwikkeling is een grondexploitatie opgesteld met een positief resultaat. Voor beide locaties heeft deze grondexploitatie een positief resultaat. Eventuele planschadekosten worden gedekt uit deze grondexploitatie. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Voor het gehele plangebied gelden de gebiedsaanduidingen 'overige zone - funnel' en 'vrijwaringszone – radar' die voorzien in het vrijwaren van het luchtruim ten behoeve van de vliegbasis Volkel.
Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg toegezonden aan de provincie, het Waterschap en de brandweer. De provincie heeft aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben. De adviezen van het Waterschap en de brandweer zijn in het plan verwerkt.
In het voortraject van voorliggend plan heeft op 5 september 2019 een informatieavond voor omwonenden plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is een omgevingsvisie opgesteld voor deze locatie en de andere voormalige schoollocatie aan de Robijnlaan (zie bijlage 1). Omdat de omgeving op deze manier al bij de planvorming is betrokken, wordt voor dit plan geen formele inspraakprocedure doorlopen. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van woensdag 23 september 2020 tot en met dinsdag 3 november 2020 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er één zienswijze ingediend door Prorail met betrekking tot trillingen door spoorverkeer. Naar aanleiding daarvan is een trillingsonderzoek uitgevoerd en is paragraaf 4.1.7 over trillingshinder toegevoegd aan de toelichting. Tevens is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het voorkomen van trillingshinder toegevoegd in artikel 7.3.