direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Borger-West - CPO seniorenwoningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Borger-Odoorn wil in de uitbreidingswijk Daalkampen II in Borger, ten zuiden van de provinciale weg, de N374, een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (vanaf hier: CPO) woningbouw initiatief faciliteren. Het betreft de derde fase van Daalkampen II, ter plaatse van het perceel kadastraal bekend gemeente Borger, sectie L, nummer 4645. Specifiek gaat het hier om maximaal 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen.

Daalkampen I is een uitbreidingswijk van het dorp Borger. De gemeente Borger- Odoorn is op dit moment bezig met de ontwikkeling van de tweede uitbreidingswijk Daalkampen II. Deze wijk wordt ten noorden van Daalkampen I ontwikkeld.

De woningbouw is niet mogelijk op basis van de beheersverordening Borger - Daalkampen fase II, bestemmingsplan Borger, Borger dorp en het bestemmingsplan Locatie Esdal College Borger zoals dat onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn.

Om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is er een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Bij een wijziging van het omgevingsplan hoort een motivering die aantoont dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Borger- Odoorn, tussen de provinciale weg (de N374) en de uitbreidingswijk Daalkampen I. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. Het plangebied is onderdeel van de uitbreidingswijk Daalkampen II. Ten noordwesten van het plangebied is een bedrijventerrein en enkele agrarische percelen aanwezig. De westkant van het plangebied wordt ontsloten door de Poolse Bevrijderslaan, waarvoor een maximale snelheid geldt van 50 km/uur. Ten oosten van het plangebied zijn de brandweer kazerne, het Esdal College Borger, woon-werk locaties, de N34 en woningen van het dorp Borger. Aan de zuidkant van het plangebied ligt de uitbreidingswijk Daalkampen I. Aan de westkant van het plangebied ligt het buitengebied van de gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0001.jpeg"

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied (Bron: Pdok Viewer)

1.3 Geldende regeling

In de gemeente Borger-Odoorn geldt per 1 januari 2024 van rechtswege het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn.

De volgende beheersverordening en bestemmingsplannen maken onderdeel uit van dit omgevingsplan en zijn van toepassing op het plangebied:

  • beheersverordening Borger - Daalkampen fase II (zoals dat is vastgesteld op 16 januari 2020);
  • bestemmingsplan Locatie Esdal College Borger (zoals dat is vastgesteld op 7 juli 2022);
  • bestemmingsplan Borger, Borger Dorp (zoals dat is vastgesteld op 18 juli 2022);
  • Facetbestemmingsplan Wonen met zorg (zoals dat is vastgesteld op 27 juni 2024).

Beheersverordening Borger - Daalkampen fase II

In de beheersverordening is het plangebied bestemd als 'Woongebied' (artikel 8), 'Groen' (artikel 4) en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' (artikel 9). Binnen de bestemming 'Woongebied' is sprake van bouwvlakken, specifieke aanduidingen binnen de bouwvlakken (minimum dakhelling, maximum bouwhoogtes en type woningen). De ontwikkeling van 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen is voor een deel beoogd buiten de bestemming 'Woongebied' en tevens buiten de daarbij behorende bouwvlakken. De woningbouw valt voor een deel binnen de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming, waarbinnen de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (en deels zijn voorzien van de aanduiding voor een ontsluiting), is de bouw van woningen niet mogelijk.

De woningbouwontwikkeling is tevens voorzien van groenelementen en bijbehorende verkeersvoorzieningen. Deze voldoen deels niet aan de geldende bestemmingen, maar worden met de wijziging van het omgevingsplan voorzien van de juiste bestemming.

Bestemmingsplan Locatie Esdal College Borger

Voor een deel van het plangebied geldt op grond van het bestemmingsplan Locatie Esdal College Borger de bestemming 'Maatschappelijk' (artikel 4). De woningbouwontwikkeling wordt voorzien van een groenstructuur, bestaande uit struwelen binnen de maatschappelijke bestemming. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk', zijn de gronden bestemd voor educatieve doeleinden, waaronder begrepen bijvoorbeeld een school, een peuterspeelzaal, kinderopvang en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen met onder meer de daarbij behorende groenvoorzieningen. De groenstructuur wordt ingericht ten behoeven van de woningbouw, dus past niet binnen deze bestemming.

Bestemmingsplan Borger, Borger Dorp

Een deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Borger, Borger dorp binnen de bestemmingen 'Groen' (artikel 14), en 'Verkeer' (artikel 21) en 'Verkeer - Verblijf' (artikel 22). Een deel van de groenstructuur van de woningbouwontwikkeling is voorzien binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. De verkeersvoorzieningen, zoals de fietsaansluiting en een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg. Deze nieuwe weg wordt verbonden met de Poolse Bevrijderslaan.

Facetbestemmingsplan Wonen met zorg

Dit bestemmingsplan voorziet in een algemene regeling waarbij wonen met zorg wordt uitgesloten, met uitzondering van bestaande wonen met zorg locaties. Deze regeling is deels van toepassing op het plangebied en zal in de wijziging worden verwerkt. Bij wonen met zorg gaat het om collectieve woonvormen waar cliënten een combinatie van wonen en zorg afnemen. Cliënten hebben een zorgindicatie, maar kunnen behoren tot verschillende doelgroepen en leeftijdsklassen. Andere vormen van zorg aan huis (die langer thuis wonen mogelijk maken) vallen hier niet onder.

1.4 Leeswijzer

Deze ruimtelijke motivering is onderdeel van het wijzigingsbesluit voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn en dient te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De opbouw van deze motivering is als volgt:

Hoofdstuk 2: Hier wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de bestaande functies en de activiteiten in het plangebied. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor het plangebied.

Hoofdstuk 3: Hier wordt beschreven hoe participatie is vormgegeven.

Hoofdstuk 4: In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante beleidskaders.

Hoofdstuk 5: In dit hoofdstuk worden de aspecten van de fysieke leefomgeving getoetst en wordt ingegaan op de mer-beoordeling.

Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk is de juridisch toelichting op het wijzigingsbesluit opgenomen.

Hoofdstuk 7: In dit hoofdstuk wordt de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan besproken.

Hoofdstuk 8: Ten slotte wordt in dit hoofdstuk de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de borging in het omgevingsplan besproken.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt ten zuidwesten van Borger, in stedelijk gebied midden op de oude Borger es Daalkampen. De zuid- en westzijde van deze es grenzen aan het beekdallandschap. De essen, het akkerland van het dorp, waren van oudsher onbebouwd. Eind vorige eeuw is met de aanleg van de wijk Daalkampen een aanvang gemaakt met de uitbreiding van Borger op de es ten westen van de N34.

Op dit moment is het plangebied onbebouwd en bestaat het uit een braakliggend terrein met zwarte grond en een betegelde straat die dwars door het plangebied loopt. Het gebied is op enig moment in 2023 bouwrijp gemaakt ten behoeve van de uitbreidingswijk Daalkampen II. Er staan 8 verplante bomen in de noordwestelijke hoek van het plangebied. Het is de intentie om deze bomen te handhaven. Als dit niet mogelijk is, dan worden de bomen wederom verplant. In het noorden van het plangebied ligt een smalle drooggevallen sloot, met hierachter (buiten het plangebied) een strook bosschage. Er is geen wateroppervlakte aanwezig in het plangebied. Ten zuidwesten ligt een wadi/sloot met een vijver die recent is aangelegd. De oevers van de vijver zijn nog erg kaal en nagenoeg zonder vegetatie.

De directe omgeving bestaat aan de zuid- en oostkant uit bebouwing en aan de westkant uit open landschap. De bebouwing bestaat uit woningen, het Esdal College Borger, de brandweerkazerne en enkele bedrijven. Er is zowel vrijstaande bebouwing als meer geconcentreerde bebouwing in de uitbreidingswijken Daalkampen I en II. Daarnaast is er veel groen te vinden en ligt er richting het zuidwesten een zonnepark. Een luchtfoto van de bestaande situatie is weergegeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0002.jpeg"

Figuur 2.1 Luchtfoto van de bestaande situatie in het plangebied (Bron: PDOK)

Het plangebied ligt in het esdorpenlandschap. In figuur 2.2 is het plangebied in relatie met de omgeving afgebeeld. Zoals te zien is geeft het plangebied invulling aan het braakliggende terrein naast de Poolse Bevrijderslaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0003.jpeg"

Figuur 2.2 Luchtfoto plangebied in relatie met de omgeving (Bron: Pdok Viewer)

Esdal College Borger

Aan de IJzertijdstraat 2 ligt het Esdal College Borger. De kavel voor het Esdal College is circa 10.815 m² groot. Het programma van eisen voorziet in een school voor 150 tot 200 leerlingen. De gronden van het Esdal College Borger liggen op ongeveer 20 meter van het plangebied.

Brandweer kazerne en ambulancepost

Aan de oostzijde van het plangebied liggen de brandweerkazerne en de ambulancepost op ongeveer 170 meter afstand. De brandweerkazerne ligt bij de rotonde van de N374 en valt op in het landschap. Het is een glazen gebouw inclusief kunstwerk dat op enige hoogte op de hoek van Borger staat (figuur 2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0004.png"

Figuur 2.3 Brandweerkazerne Borger (Bron: Google Streetview)

Provinciale wegen

Het plangebied is midden op de es Daalkampen gesitueerd. Halverwege de vorige eeuw vonden de eerste grote ingrepen in de es plaats met de aanleg van de provinciale wegen; de N34, de N374 en de N857. De es werd doorsneden en in stukken gedeeld. De relatie tussen de es en het dorp Borger is door de aanleg van de N34 veranderd. De N34 ligt op ongeveer 300 meter afstand van het plangebied, de N374 op ongeveer 50 meter afstand en de N857 op ongeveer 100 meter afstand.

Bedrijvigheid

Een aantal (dienstverlenende) bedrijven en kantoren in de nabijheid van het plangebied is gevestigd langs de N34. Het gaat hier om bedrijven met een bestemming voor 'Bedrijf - Wonen en werken'. Daarnaast ligt er ten noorden van het plangebied een kleinschalig bedrijventerrein.

Wonen

Het plangebied is onderdeel van de uitbreidingswijk Daalkampen II in Borger. Er is hier sprake van een planmatig ontworpen woongebied. In de jaren zestig en zeventig is er veel in twee bouwlagen met kap gebouwd, in de jaren negentig is één bouwlaag met kap de meest voorkomende vorm. De vrijstaande woningen werden rond 2000 groter; aan de hoofdvorm werden zijvleugels toegevoegd en er werd meer in twee bouwlagen gebouwd. De woningen zijn gebouwd van steenachtige, donkere stenen en er is samenhang te zien in het bebouwingsbeeld.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Voorgenomen ontwikkeling

De gemeente Borger-Odoorn wil in de uitbreidingswijk Daalkampen II in Borger, ten zuiden van de provinciale weg, de N374, een woningbouwinitiatief faciliteren. De gemeente Borger-Odoorn beoogt in de gehele wijk verschillende vormen van (betaalbare) woningen voor verschillende doelgroepen aan te bieden. Vanuit de samenleving in de gemeente Borger-Odoorn zijn verschillende initiatieven ontstaan om gezamenlijk woningen te realiseren middels een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (zogenaamde CPO's). Deze werkwijze biedt de volgende voordelen:

  • 1. Een CPO kan over het algemeen voor lagere kosten woningen realiseren ten opzichte van een traditionele ontwikkelaar. Dit komt de betaalbaarheid van woningen ten goede.
  • 2. Een CPO versterkt de collectiviteitsgedachte. Deelnemers aan een CPO hebben een gezamenlijk doel en ambitie.
  • 3. Een CPO bouwt vooral voor de lokale inwoners.

De ontwikkeling van de (levensloopbestendige) seniorenwoningen is een onderdeel van de derde fase van de ontwikkeling van Daalkampen II en vormt een integraal onderdeel van de gebiedsontwikkeling Borger-West (zie figuur 2.4).

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0005.jpg"

Figuur 2.4 Gewenste ontwikkeling Borger-West (bron: gemeente Borger-Odoorn)

Dit CPO woningbouwinitiatief gaat specifiek om maximaal 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen. Naast de woningen komt er een gezamenlijke (mandelige) tuin, moestuin en/of boomgaard met de uitstraling van een brink.

De uitgangspunten van de seniorenwoningen zijn als volgt:

  • maximaal 12 levensloopbestendige woningen;
  • waarvan maximaal 3 aaneen te bouwen woningen;
  • bouwvolume 1 laag met kap;
  • goothoogte maximaal 3,5 meter;
  • bouwhoogte maximaal 8 meter;
  • dakhelling minimaal 30 en maximaal 60 graden;
  • beperkte omvang privé kavel, maximale omvang 240 m²;
  • per kavel mag een maximale footprint van 120 m² worden gerealiseerd.
  • erfafscheidingen (bij voorkeur in de vorm hagen) met een maximale hoogte van 1 meter;
  • gezamenlijk bouwwerk zoals een gemeenschappelijke schuur voor (tuin) gereedschap van minimaal 15 m² en maximaal 30 m². De goothoogte van de schuur bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte 5 meter.
  • bergingen zijn onderdeel van het hoofdvolume.

De woningen worden gebouwd binnen een door de gemeente geprojecteerd bouwvlak, welk omringd is door onbebouwde grond. Figuur 2.5 geeft een uitsnede van het plan voor de woningbouwlocatie weer. Daaromheen wordt het plangebied groen ingericht met struwelen. Verder zal een deel van de nu maatschappelijke bestemming worden gebruikt als groenstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0006.png"

Figuur 2.5 Inrichtingstekening locatie CPO-seniorenwoningen Borger-West (bron: gemeente Borger-Odoorn)

Het projectvoornemen wijkt af van het opgestelde Beeldkwaliteitsplan Daalkampen II uit 2012 zoals deze onderdeel uitmaak van de Welstandsnota Borger - Odoorn. Voor de ontwikkeling wordt van het geldende beeldkwaliteitsplan afgeweken en worden de regels voor het uiterlijk van bouwwerken samen de wijziging van het omgevingsplan vastgesteld en voorzien van regels in het omgevingsplan. Hier wordt in paragraaf 2.2.3 verder op ingegaan.

2.2.2 Ruimtelijke inpassing

Het dorp Borger ligt op de Hondsrug. In vergelijking met de aangrenzende gebieden was er op de Hondsrug al vroeg permanente bewoning. De bevolking concentreerde zich in nederzettingen, waarvan Borger een van de oudste is.

Tussen 1850 en 1940 is de bebouwing van Borger aanzienlijk uitgebreid. Enerzijds voltrok zich een verdichting van het bestaande bebouwingspatroon, waarbij er plaatselijk, met name aan de Hoofdstraat, straatwanden ontstonden, anderzijds vond er uitbreiding plaats langs de uitvalswegen (lintbebouwing). Het dorp heeft haar agrarische karakter behouden, ondanks dat er in de periode 1850-1940 in toenemende mate niet agrarische bebouwing (woningen, bedrijfsgebouwen, winkels en andere voorzieningen) gebouwd werden. Qua aard van de bebouwing is er rond 1940 binnen het dorp een soort van twee-eenheid ontstaan. In het oude noorden een agrarisch karakter en in het nieuwe zuiden een niet-agrarisch karakter.

De uitbreidingen na 1940 vonden met name plaats ten zuiden van de historische kern. De meest recente woonwijk van Borger betreft Daalkampen. Deze wijk ligt als enige ten westen van de provinciale weg N34. De woonwijk wordt gerealiseerd in meerdere fasen. In 2009 is gestart met de uitgifte van Daalkampen II.

De stedenbouwkundige opzet van Daalkampen I en II is ruim van opzet en kenmerkt zich door veel groen, brede profielen en gemiddeld vrij grote kavels. De woonstraten hebben aan weerszijden bermen, voorzien van een of een dubbele bomenrij. Een structurerend element in de wijk is de centrale, noord-zuid gerichte groene as die aan weerskanten wordt begeleid door woonstraten. De beide assen van Daalkampen I en II liggen niet in elkaars verlengde, maar verspringen ten opzichte van elkaar.

Een andere belangrijke 'drager' is een oost-west georiënteerde, extensief ingerichte groenzone. Deze is toegankelijk voor wandelaars en wordt begrensd door dubbele rijen woonkavels. Een tweede, eveneens oost-west georiënteerde, maar intensiever ingerichte groenzone vormt een scheiding tussen Daalkampen I en II. Beide groenzones staan in contact met het buitengebied en spelen een rol in de ecologische dooradering van het dorpsgebied van Borger. Het oostelijk deel heeft een parkachtig karakter. Het westelijk deel is meer als natuurstrook ingericht, en is de aansluiting op de infiltratiezone aan de westzijde van het plan.

De stedenbouwkundige opzet van Daalkampen I en II is ook voor het plangebied het uitgangspunt. De groene elementen dienen terug te komen. Door de stedenbouwkundige uitgangspunten als bovenstaand omschreven aan te houden, wordt de ruimtelijke kwaliteit geborgd en is sprake van een goede ruimtelijke inpassing.

Deze locatie is goed zichtbaar vanuit het aangrenzende open landschap van het beekdal en is daarom met extra zorg ingepast. Daarnaast maakt deze locatie onderdeel uit van de oude structuur van het Nuisveen. De noordwestelijke hoek van deze locatie is daarbij het zichtbaarst. Deze moet dus zowel vanuit het beekdallandschap als vanuit de gedachte van de groene erfkamers vorm geven aan de plek. Het samenwonen met gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een moestuin of boomgaard, kan als een Drentse brink worden vormgegeven. Zie verder ook paragraaf 2.2.3.

2.2.3 Beeldkwaliteit

Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van een gebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het (concept) beeldkwaliteitsplan is in bijlage 1 opgenomen. Het document geeft duidelijke criteria voor de bebouwing en de indeling van de kavels.

Het beeldkwaliteitsplan is opgesteld om:

  • Een aantrekkelijk ruimtelijke kwaliteit tot stand te brengen;
  • De Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit gemeenten (Libau) een passend kader te bieden waarbinnen de toetsing van bouwplannen dient plaats te vinden.

Het beeldkwaliteitsplan zoals vastgesteld op ... is een aanvulling op de vastgestelde welstandsnota van de Gemeente Borger-Odoorn.

Hoofdstuk 3 Participatie en vooroverleg

3.1 Participatie

Participatie is een belangrijk element binnen de Omgevingswet en verplicht bij een omgevingsplan. Voor de woningbouwontwikkeling aan zowel de Borger Koesteeglocatie en Daalkampen II fase 3 (Borger-West) is een uitgebreid participatietraject uitgevoerd. Het doel van dit proces was om de betrokkenheid van de gemeenschap te verzekeren bij de ontwikkeling van het nieuwbouwproject en om de input van de inwoners op te nemen in het ontwerpproces. Deze participatie verliep via diverse kanalen. Het gehele participatieproces is opgenomen in bijlage 2 Participatieverslag Koesteeglocatie en Daalkampen II (fase 3)

Binnen het participatietraject zijn veel meningen opgehaald. De conclusies die zijn opgenomen in de uitgangspunten worden voornamelijk gedeeld (bijvoorbeeld veel groen,

betaalbaarheid, etc.). Het meest positief is gereageerd op aspecten uit denkrichting 3: Wonen op Oergrond. Door de stedenbouwkundig ontwerper zijn drie denkrichtingen uitgewerkt. Er wordt voornamelijk positief gereageerd op het gemengde wonen (zowel arm/rijk, als jong/oud door elkaar). Uit het participatietraject blijkt dat parkeren aan huis voor veel mensen een belangrijk punt is en is het centrale parkeren minder gewenst. Het beste uit de drie denkrichtingen wordt gecombineerd tot het uiteindelijk ontwerp. Denkrichting 'Wonen op Oergrond' heeft hiervoor de basis gevormd.

Wonen op Oergrond

• Wonen in een raatakker

• Divers en groen

• Familie erven voor meerdere generaties

• Maximaal 3 lagen

• Dorpse maat en schaal

3.2 Vooroverleg ketenpartners

Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken, kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd.

De gemeente legt de wijzing van het omgevingsplan ook in het kader van het informeel vooroverleg ter beoordeling voor aan de overlegpartners. De gemeente zal de overlegpartners verzoeken aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het omgevingsplan.

3.3 Ontwerp TAM-omgevingsplan

Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Iedereen is in de gelegenheid gesteld om het ontwerp te raadplegen. Tijdens deze termijn van tervisielegging is gelegenheid geboden om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te brengen op het ontwerpplan bij de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het TAM-omgevingsplan wordt daarmee ongewijzigd vastgesteld door de raad. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het wordt vervolgens nog een keer voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

Hoofdstuk 4 Beleid en regelgeving

4.1 Rijk

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven:

De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen;

  • Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Realiseren opgaven

In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:

De Omgevingsagenda

Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd:

  • 1. Druk op de ruimte in het landelijk gebied vraagt om gezamenlijke keuzes;
  • 2. Benutten van de brede effecten van de energietransitie;
  • 3. Economisch perspectief ten aanzien van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw;
  • 4. Toekomstgerichte bereikbaarheid van Noord-Nederland;
  • 5. Versterken Stedelijk Netwerk Noord-Nederland;
  • 6. Toekomstkracht voor gebieden met bevolkingsdaling en sociaaleconomische achterstand;
  • 7. Water als verbindende schakel in klimaatadaptieve maatregelen;
  • 8. Waarborgen van de omgevingskwaliteit.

De NOVI-gebieden

Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regiodeal en/of een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Borger-Odoorn deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling in het plangebied.

Uitvoering

De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.

De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken.

4.2 Provincie

4.2.1 Omgevingsvisie Drenthe

Op 13 september 2022 is door de Provinciale Staten van Drenthe de Omgevingsvisie Drenthe 2022 vastgesteld. Een belangrijke opgave uit de omgevingsvisie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang is het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie, aardkundig erfgoed en rust (stilte en duisternis).

Naast bovenstaande kernkwaliteiten hecht de provincie Drenthe waarde aan een zorgvuldig ruimtegebruik en de bescherming van de milieu- en leefomgevingskwaliteit. Veel ingrepen in de ruimte hebben gevolgen voor de langere termijn en beperken ontwikkelingsmogelijkheden in de toekomst. Het zorgvuldig gebruiken van de ruimte is van provinciaal belang.

Het beschermen van de milieukwaliteit van de leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn van provinciaal belang. In Hoofdstuk 5 worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten besproken.

Hieronder wordt het voornemen getoetst aan de kernkwaliteiten uit de Omgevingsvisie.

Kernkwaliteit Landschap

Binnen de provincie Drenthe zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden namelijk:

  • Esdorpenlandschap;
  • Esgehuchtenlandschap;
  • Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning;
  • Wegdorpenlandschap van de randveenontginning;
  • Landschap van de veenkoloniën;
  • Landschap van de Koloniën van Weldadigheid (UNESCO Werelderfgoed, zie 4.2.3.3).

Het plangebied valt binnen het landschapstype Esdorpenlandschap binnen het gebied Es. Naast de landschapstypen is er specifiek beleid voor enkele zichtbare overgangen in het landschap, te weten de macrogradiënt (overgangen met veel reliëf, de wegpanorama's, de stads- en dorpsranden, de harde grens tussen stad en land en hoogbouw.

Het plangebied valt binnen het gebied wegpanorama.

Het Drents Plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen: het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide.

Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos).

Rond de dorpen liggen de landschapsonderdelen die vanouds in het landbouwsysteem elk hun eigen functie hadden. Direct aan de rand van het dorp lagen de ‘goorns’: kleinschalige, verkavelde gebieden met hagen en singels, waar onder andere groenten voor menselijke consumptie werden verbouwd. Op de hoger gelegen gronden ontwikkelden zich door de eeuwen heen de essen, omzoomd door bosjes, strubben of soms een ringwal. In het lagergelegen beekdal lagen de graslanden, tot aan het begin van de vorige eeuw onverdeeld, de zogenaamde madelanden. Later zijn de beekdalen sterk verkaveld en hebben ze door de aanleg van houtwallen een kleinschalig, besloten karakter gekregen. Buiten de gecultiveerde wereld lag de grote ‘woestenij’: het veld, de heide. Dit is een vaak enorm grote ruimte die gebruikt werd om de schapen te weiden. Door ontginning en bebossing (tot ver in onze eeuw) zijn de meeste van deze heidevelden verdwenen.

Van provinciaal belang zijn:

  • de essen: deze voor het esdorpenlandschap kenmerkende open ruimtes zijn veelal omgeven met esrandbeplanting;
  • de beekdalen: onbebouwd gebied met kleinschalige beplantingstructuren en beekdal(rand) beplanting.

Wegens bovenstaande belangen is het provinciaal beleid gericht op:

  • behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting;
  • behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand) beplanting.

De gewenste ontwikkeling van de 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen vindt plaats binnen de uitbreidingswijk Daalkampen II binnen het dorp Borger, waardoor de openheid en het karakter van het landelijk gebied niet wordt aangetast. Het karakteristiek van het esdorpenlandschap wordt behouden. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp en es, waarbij de esdorpen en essen als een keten op de Hondsrug liggen afgewisseld met scherp begrensde boswachterijen. Binnen Daalkampen II wordt rekening gehouden met het esdorpenlandschap door het gebruik van groene elementen in de wijk. De ruimtelijke opzet van de esdorpen zal zorgvuldig worden doorgezet. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied.

Het plangebied ligt tevens binnen de gebiedsaanduiding wegpanorama. Veel waarde wordt gehecht aan een zorgvuldige presentatie van Drenthe aan de hoofdinfrastructuur. De karakteristieken van de landschapstypen en het contrast tussen stad en land, gezien vanaf de infrastructuur, wil de provincie zichtbaar houden. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet om gefixeerde fotomomenten die luttele seconden een blik op het landschap werpen. De essentie van het begrip wegpanorama’s zit in het beleefbaar houden van de afwisseling tussen bebouwd en onbebouwd gebied én, daar waar langs wegen ontwikkeld wordt, dit met kwaliteit gepaard gaat.

 

Kernkwaliteit Natuur

Drenthe heeft nog veel grootschalige, robuuste natuurgebieden. Daarnaast is in de ontginningsperiode veel bos aangeplant waardoor forse groene gebieden zijn ontstaan. Samen met enerzijds de bestaande natuurgebieden en anderzijds de natuurontwikkelingsgebieden vormen ze een belangrijk aandeel in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied bevat geen natuurwaarden en is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In paragraaf 5.4 wordt hier verder op ingegaan.

Kernkwaliteit Cultuurhistorie

Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota 'Cultuurhistorisch Kompas Drenthe'. Twee doelstellingen staan hierin centraal:

  • Ten eerste wil de provincie de cultuurhistorie herkenbaar houden. Het provinciaal belang Cultuurhistorie is vastgelegd in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur.
  • Ten tweede is het versterken van de ruimtelijke identiteit van belang. Dit wordt gedaan door ruimtelijke ontwikkelingen te sturen vanuit samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten. Daarin is ruimte voor inspiratie en eigen afwegingen van partners.

Het plangebied ligt binnen het deelgebied Hondsrug. Voor de ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de karakteristieken van de Hondsrug.

Deze bestaan uit:

  • De oorspronkelijke middeleeuwse routes die de dorpen verbinden en die vrijwel intact en functioneel zijn;
  • De noord - zuidketen van esdorpen, waarvan de typerende structuren en elementen nog merendeels herkenbaar zijn;
  • Een grote dichtheid aan prehistorische (en historische) bewoningssporen, zoals hunebedden, grafheuvels en celtic fields, waarvan een deel als keten een prehistorische route over de Hondsrug markeert;
  • Een reeks van grote boseenheden, vooral staatsboswachterijen, door de rechthoekige vormen en hun massa scherp begrensd en zichtbaar in het landschap.

In de planvorming is hier rekening mee gehouden en beschreven in paragraaf 2.2.2 en 2.2.3.

Kernkwaliteit Archeologie

Het provinciaal archeologiebeleid heeft haar grondslag in de Cultuurnota 2021-2024, het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe; de Erfgoedwet (2016); het Overgangsrecht Monumentenwet 1988 en de Omgevingswet. De kernkwaliteit Archeologie heeft directe doorwerking in de Provinciale Omgevingsverordening.

Het provinciaal beleid voor de Drentse archeologie richt zich zowel op instandhouding en bescherming van het bodemarchief als op het ontsluiten, beleven en benutten ervan door een zo groot mogelijk publiek. Voor de gewenste ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch beleid en hoe er wordt omgegaan met de archeologische waarden in dit gebied wordt verder besproken in paragraaf 4.2.2 en 5.11.

De volgende waarden kunnen worden toegekend voor zover relevant voor het plangebied.

Waarde archeologie 1:

Voor de bekende archeologische waarden die behoren tot de Kernkwaliteit Archeologie wordt in principe het uitgangspunt gehanteerd dat ze in situ (in het landschap/de bodem) behouden moeten blijven voor toekomstige generaties en toekomstig wetenschappelijk onderzoek. Alleen in geval van zwaarwegende, maatschappelijke belangen en het ontbreken van alternatieven voor behoud in situ kan hiervan worden afgeweken. Het gaat hierbij om bekende en deels ook zichtbare archeologische monumenten/waarden: alle Drentse hunebedden en zekere Celtic fields; een selectie van grafheuvelgroepen en grafvelden, de aangetoonde middeleeuwse veenterpen/huisplaatsen in de Onlanden, voldoende zekere tracés van veenwegen, offerveentjes, nederzettingsterreinen, de karrenspoorbundels; het Spaans kerkhof bij Norg; de Valtherschans en de schans Portugal bij Een; de middeleeuwse spieker van Lhee en een selectie van erfgoed van de Tweede Wereldoorlog (met een ondergrondse component). Voor bekende archeologische vindplaatsen van provinciaal belang geldt geen onderzoeksvrijstelling.

Het plangebied maakt hier op grond van de visie echter geen onderdeel van uit en er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in paragraaf 5.11.2. Op grond van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is wel sprake van 'Waarde - archeologie 1'. De gemeente beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart die in 2011 is vastgesteld en in 2014 is gewijzigd. Aan een deel van het plangebied is een hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend.

Waarde archeologie 3:

Het gaat hierbij om archeologische verwachtingsgebieden/verwachte archeologisch monumenten: alle Drentse essen, beekdalen, inclusief voordenzones en mogelijke Celtic fields; het Drentsche Aa- gebied; het Holtingerveld (voorheen Havelterberg); verwachte tracétrajecten van veenwegen en de veenterpen/huisplaatsen verwachtingsgebieden (omringende gebieden) van de Onlanden. Als hier archeologische waarden worden aangetroffen, verwachten wij dat deze door hun ruimtelijke spreiding, samenhang, zeldzaamheid, tijdsdiepte en/of goede fysieke kwaliteit van provinciaal belang zullen zijn.

Een onderzoeksvrijstellingsgrens van maximaal 1000 m2 wordt gehanteerd, tenzij binnen 50 m van de bodemingrepen een bekende archeologische vindplaats ligt, en een verticale onderzoeksvrijstelling van 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen (in agrarisch gebied). Er is een uitzondering als het gaat om de verticale vrijstelling van 30 cm, die staat voor de gemiddelde bouwvoor in Drenthe. Natuurgebieden zoals heidevelden hebben vaak geen of beperkt agrarisch gebruik gekend dat gepaard ging met omzetting van de bodem. In deze gebieden is dan ook in de regel geen bouwvoor van 30 cm aanwezig, maar liggen de archeologische waarden direct onder het maaiveld. Voor deze gebieden, zonder bouwvoor, geldt voor de Kernkwaliteit Archeologie géén verticale onderzoeksvrijstellingsgrens. Een tweede uitzondering geldt voor de voordenlocaties in de beekdalen. Als hier een horizontale vrijstelling van 1000 m2 zou worden gehanteerd is de kans klein dat er nog overblijfselen van deze oversteekplaatsen zullen worden aangetroffen. Zij kenmerken zich immers door kleine houtconstructies, keienconcentraties en een enkele, verloren, vondst.

Het plangebied maakt onderdeel van de Drentse essen, maar niet van de genoemde uitzonderingen dus een onderzoeksvrijstellingsgrens van 1.000 m² kan gehanteerd worden. (zie ook paragraaf 4.2.2).

Kernkwaliteit Aardkundig erfgoed

De identiteit van Drenthe en het Drentse landschap wordt sterk bepaald door het natuurlijke bodem- en grondwatersysteem. Kenmerkende aardkundige elementen, de opbouw van de ondergrond (bijvoorbeeld de aanwezigheid van keileem en het voorkomen van bijzondere bodems) en actieve geologische processen (bijvoorbeeld meandering en zandverstuiving) worden beschouwd als aardkundig erfgoed. De provincie stelt in deze gebieden voor om mogelijk aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen te gebruiken. In en rondom het plangebied is sprake van een hoog beschermingsniveau voor aardkundige waarden.

In gebieden met een hoog beschermingsniveau is het de ambitie om de context en het referentiebeeld van de aardkundige eenheid te behouden of te herstellen. In deze gebieden staat de provincie ontwikkelingen alleen toe als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden. Voorzover dit op deze schaal mogelijk is wordt bij ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden met deze kernkwaliteit, zodat deze niet wordt aangetast. Hier wordt in de volgende paragraaf (4.2.2) onder Aardkundige waarden verder op ingegaan.

Kernkwaliteit Rust

De provincie heeft twaalf gebieden aangewezen als stiltegebied. Deze vallen veelal volledig binnen bestaande natuurgebieden. Duisternis is van belang voor zowel mens, plant als dier. In de Natura 2000-gebieden en in de Nationale Parken Dwingelderveld, Drents-Friese Wold en Drentsche Aa zetten zet de provincie in op het behouden van de duisternis.

Het plangebied ligt niet binnen of nabij een stiltegebied of gebied waar de provincie inzet op de hoogste bescherming ten aanzien van het behouden van duisternis. Er is geen nadelige invloed op deze kernkwaliteit door de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

Met de Omgevingsverordening 2024 vertaalt de provincie Drenthe de Omgevingsvisie Drenthe door naar een Verordening voor de planologisch relevante aspecten in de fysieke leefomgeving. De Verordening schrijft voor dat, wanneer bij een ruimtelijk project kernkwaliteiten betrokken zijn, deze in het project uiteengezet worden. Daarbij wordt aangegeven in welke mate het project bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van de betrokken kernkwaliteiten. De Omgevingsvisie Drenthe en de uitwerkingen daarvan geven hiervoor aanwijzingen.

Het projectgebied voor woningbouw ligt binnen Bestaand Stedelijk Gebied. Op grond hiervan gelden op grond van de omgevingsverordening geen regels. Door de krapte op de woningmarkt krijgen gemeenten meer ruimte voor woningbouw. Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen, strategisch beleid voeren op het handhaven van een passende woningvoorraad op de lange termijn en met de gebiedspartners afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de gemeentelijke woonvisie. Dorpen, steden en het landelijk gebied functioneren binnen de woningmarkt als aanvulling op elkaar of soms als concurrerend, de provincie beoogt met de bepalingen een gezonde woningmarkt in stand te houden met ruimte voor regionale verschillen. De in de verordening opgestelde voorwaarden hebben betrekking op woningbouw in het landelijk gebied.

De volgende regels zijn wel van toepassing op het plangebied.

Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap

Zoals al aangegeven in paragraaf 4.2.1 is het plangebied gelegen in de Kernkwaliteit landschap (esdorpenlandschap en gebiedsaanduiding wegpanorama). Het omgevingsplan is gehouden aan de volgende randvoorwaarden:

  • houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en;
  • bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan;
  • bij een en stads- of dorpsrand wordt rekening gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden.

In paragraaf 2.2.1 en 2.2.2 wordt ingegaan op de ruimtelijke inpassing van de gewenste woningbouwontwikkeling en in 2.2.3 op de randvoorwaarden met betrekking tot de beeldkwaliteit. Door rekening te houden met de uitgangspunten uit deze paragrafen wordt voldoende rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. De kernkwaliteit landschap wordt niet aangetast.

Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie

Het plangebied ligt binnen de Kernkwaliteit Cultuurhistorie binnen de Hondsrug. Voor de Hondsrug geldt de beschermingscategorie 'rekening houden met'. Het omgevingsplan moet rekening houden met de kernkwaliteiten. In de planvorming is hier rekening mee gehouden en beschreven in paragraaf 2.2.2 en 2.2.3.

Artikel 3.3 Kernkwaliteit Archeologie

Het plangebied ligt binnen de Kernkwaliteit Archeologie zoals deze is toegekend in de omgevingsverordening. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Kernkwaliteit Archeologie:

  • houdt rekening met de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen;
  • bevat de resultaten van het conform de normen van de Kwaliteits Norm Nederlandse Archeologie (KNA) verrichte onderzoek, alsmede de afstemming die hierover heeft plaatsgevonden met de provincie, en;
  • stelt regels en voorschriften ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen.

Deze werken door in de toegekende dubbelbestemming 'Waarde archeologie - 3'. De onderzoeksplicht geldt voor zover dit omgevingsplan niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1000 m² en een diepte van 30 cm gemeten vanaf het maaiveld, met dien verstande dat deze dieptemaat wordt gesteld op 0 centimeter voor zover geen bouwvoor aanwezig is en op 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen in agrarische gebieden. Hiermee is in de bestemming rekening gehouden.

De gemeente beschikt ook over een archeologische beleidsadvieskaart die in 2011 is vastgesteld en in 2014 is gewijzigd. Het plangebied kent op grond van de beleidsadvieskaart verschillende archeologische (verwachtings)waarden.

In het noordelijk deel bevindt zich een AMK-terrein met bufferzone (geel en blauw). De overige gronden hebben een hoge verwachting (beekdal/essen; groen/bruin). Een archeologisch onderzoek is uitgevoerd (zie paragraaf 5.11.2).

Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk. Ter bescherming van de archeologische waarden is hier de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen.

Artikel 3.4 lid 3 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden

Het plangebied ligt binnen het gebieden Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog, waarbij het omgevingsplan:

  • rekening houdt met de aanwezige kernkwaliteiten;
  • regels stelt ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.

In het tweede lid van artikel 3.4 is aangegeven welke kernkwaliteiten van toepassing zijn op het plangebied. Deze staan in bijlage 3 Kernkwaliteiten Aardkundige waarden bij de omgevingsverordening.

Voor het Hoog beschermingsniveau geldt:

Instandhouding van de macrogradient, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties. De aardkundige kenmerken zijn normerend voor wat mogelijk is. Deze gebieden moeten in omgevingsplannen via een dubbelfunctie beschermd worden. Waterbeheer, terrein- en landschapsbeheer moeten zodanig zijn dat de kenmerken in stand worden gehouden. Ontgronding ten behoeve van zandwinning is niet toegestaan. Aanleg van nieuwe infrastructuur moet worden vermeden. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk, echter, verandering van inrichting en beheer, zoals diepploegen en egalisatie zijn verboden. Aanleg van drainage is alleen mogelijk wanneer dit niet leidt tot aantasting van de aardkundige kenmerken van gebieden en eenheden.

In het plangebied geldt dat de aardkundige waarden al grotendeels zijn aangetast. In het verleden hebben verschillende veranderingen plaatsgevonden waardoor de aardkundige waarden eerder zijn verstoord. Het gaat hier om de woningbouwontwikkeling binnen de uitbreidingswijken Daalkampen I en II, het bouwrijp maken van de gronden en de realisatie van de provinciale wegen. Daarbij zijn de kenmerken zoals reliëf, bodemsoorten, geologische formaties en erosieverschijnselen reeds aangetast door menselijke activiteiten. Het gaat hier om bodemverstoring door bouwactiviteiten, veranderingen in de waterhuishouding, verstoring van natuurlijke processen en aantasting van landschappelijke kenmerken door infrastructurele ingrepen. Er is destijds de keuze gemaakt om dit gebied in te richten als woningbouwlocatie, verder onderzoek of maatregelen of het stellen van regels in het kader van aardkundige waarden is niet nodig.

4.2.3 Conclusie

Bij de woningbouwontwikkeling bij de Daalkampen II in Borger wordt rekening gehouden met de toegekende kernkwaliteiten zoals opgenomen in de omgevingsverordening. Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie BuitenGewoon Borger-Odoorn

De OmgevingsvisieBuiten Gewoon is op 19 oktober 2023 vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een toekomstbeeld voor Borger-Odoorn en geeft aan waar kansen worden gezien en met welke opgaven de gemeente aan de slag wilt. Met het toekomstbeeld in gedachte en de uitdagingen in beeld, heeft de gemeente vijf ambities geformuleerd:

  • 1. Behoud het goud
  • 2. Buitengewoon wonen en leven
  • 3. Vitaal landelijk gebied In het landelijk gebied
  • 4. Duurzaam in alles
  • 5. Uitnodigend ondernemend Ruimte voor ondernemers die passen bij onze aard en schaal.

De voorgenomen ontwikkeling past bij de tweede ambitie: 'Buitengewoon wonen en leven'. Een passende woningvoorraad om jong te zijn en oud te kunnen worden is het uitgangspunt. Passend wat betreft type en plek en bereikbaar voor verschillende doelgroepen. De dynamiek op de woningmarkt is de laatste jaren enorm toegenomen. De veranderende inzichten rond wonen en werken door de Covid-crisis, de grote behoefte aan doorstroming en de wens voor bijzondere woonvormen. Dit alles maakt dat de vraag naar woningen groot is. Daarom is vooruitlopend op de Omgevingsvisie al een Woonvisie en een Woonzorgvisie (in BOCE-verband) vastgesteld. Hier wordt in de volgende paragraaf verder op ingegaan.

De gemeente richt zich op de ambitie om tot 2030, 500 woningen toe te voegen. Binnen de huidige bestuursperiode (tot 2026) is het wenselijk hiervan 200 realiseren. Daarnaast wordt ingezet op het toevoegen van nieuwe woningen uitgaande van groei van de woningvoorraad. Daarbij zijn de dorpen Borger, Exloo, Nieuw-Buinen en Klijndijk prominent in beeld. De uitbreiding Borger- West is nodig om aan de woonopgave te kunnen voldoen. Daalkampen II is hier onderdeel van.

4.3.2 Woonvisie 2022+

De Woonvisie 2022+ 'Wonen met toekomst op 'oergrond' is in maart 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. Borger-Odoorn is een groene plattelandsgemeente. Het onderscheid tussen 'zand' (op de Hondsrug) en 'veen' kenmerkt het landschap. De gemeente telt 25 kernen met ruim 11.000 huishoudens en ruim 25.000 inwoners. Basisvoorzieningen zijn geclusterd in vier leefgebieden; dankzij de goede bereikbaarheid vinden bewoners ook hun weg buiten de gemeente. Rust en ruimte zijn de kernkwaliteiten van Borger-Odoorn. De woningen zijn overwegend grondgebonden, groot en karakteristiek. De energetische kwaliteit blijft in verhouding wel achter, wat lokaal tot energie-armoede kan leiden. Ook is de huidige woningvoorraad niet berekend op de vergrijzing die in de komende jaren verwacht wordt. Anders dan eerder voorspeld wordt krimp tot 2030 niet verwacht. Leefbaarheid en tevredenheid over de woonomgeving zijn overal voldoende, maar aan de zandkant wel hoger. Zorg en welzijn wordt een steeds belangrijker thema. Op duurzaamheidsgebied is vooral de afhankelijkheid van aardgas opvallend. Wel wordt er al veel duurzame energie opgewekt. De auto wordt relatief veel gebruikt. Klimaatadaptatie en luchtkwaliteit spelen een kleine rol.

Steeds meer mensen gaan bewust landelijk wonen. Dat kan bij uitstek in Borger-Odoorn, met goed bereikbare, levendige en aantrekkelijke dorpskernen. Het landschap vertelt hier echt een verhaal en trekt naast bewoners ook recreanten en toeristen. Zij zien karakteristieke en moderne woningen voor alle doelgroepen. Daar horen ook levensloopbestendige bijzondere woonvormen bij. Borger-Odoorn is een stabiele en toekomstbestendige gemeente. In deze tijden van grote vraag betekent dat extra nieuwbouw en groei van het aantal huishoudens, tot wel 500 in de periode tot 2030. Dat stimuleert de doorstroming op de woningmarkt, zodat ook jonge starters hier kunnen slagen. Dorps wonen schept een band en betekent ook omzien naar elkaar: naoberschap. Hier wonen diverse maar ook hechte gemeenschappen. Bewoners en corporaties trekken samen op bij het verduurzamen van de woningvoorraad. Woningen worden energiezuiniger en gaan stapsgewijs van het gas af. Het aandeel duurzame energie blijft groeien. Mensen laten de auto vaker staan en dragen zo bij aan een schonere leefomgeving met meer woonkwaliteit.

Borger-Odoorn wil groeien. En daar is ook ruimte voor. Ruimte in realistische scenario's, die rekening houden met de werkelijke druk op de woningmarkt en de impuls die het noorden krijgt om daar antwoord op te geven. En ruimte in de gemeente. Meer dan 500 woningen passen er binnen de verschillende dorpskernen nog bij. Borger is en blijft de sterke voorzieningenkern, maar ook in de kleinere kernen is ruimte voor toevoeging. De nieuwbouw onderscheidt zich door een hoge mate van flexibiliteit en kwaliteit. Betaalbaar, bijzonder en levensloopbestendig bouwen heeft de hoogste prioriteit. De woongebieden krijgen meer variatie en diversiteit. De bestaande woningvoorraad wordt energiezuiniger dankzij inzet van bewoners, gemeente en corporaties. Door betere woningisolatie worden energierekening en CO2-uitstoot lager en het wooncomfort hoger. Hiervoor kunnen ook middelen uit het Volkshuisvestingsfonds worden ingezet. Borger-Odoorn is terughoudend met het inzetten van instrumenten die groei afremmen, maar zorgt juist voor voldoende aanbod en stimuleert gericht de kwetsbare groepen die dat nodig hebben.

In de Woonvisie van de gemeente Borger- Odoorn worden de uitbreidingswijken Daalkampen I en II als sleutellocatie voor woningbouw gezien. Uit de woonvisie volgt dat er relatief veel behoefte is voor nieuwe woningen rondom Borger ten opzichte van andere kernen in de gemeente. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een toekomstbestendige gemeente en (levensloopbestendige) seniorenwoningen geschikt voor ouderen. Daarnaast wordt de doorstroom gestimuleerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande kernkwaliteiten en wordt er voldoende ruimte gehouden voor openbaar groen. Als laatste is de gemeente eigenaar van de gronden en voert zij zelf de planologische procedure. Hierbij is de haalbaarheid van woningbouw hier aannemelijk. De woningbouwontwikkeling in Borger sluit aan op de Woonvisie van de gemeente.

4.3.3 Uitvoeringsagenda woonvisie 2022+

Op 22 maart 2022 heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2022+ vastgesteld. De uitwerking van deze Woonvisie krijgt vorm in de Uitvoeringsagenda. Hierin vertaalt de gemeente haar ambities naar een concreet programma.

Op veel plaatsen zal nieuwbouw juist voor een impuls zorgen, voor meer variatie in aanbod en meer draagkracht voor verschillende voorzieningen. Het feit dat bewoners in veel kernen zelf actief meegedacht hebben over mogelijke inbreidingslocaties onderstreept dat. De gemeente zet zich ten volle in om deze ambitie met én voor haar bewoners te realiseren.

De gemeente Borger-Odoorn geeft een hoge prioriteit aan het realiseren van de woonopgave. In het totaal moeten er 500 nieuwe woningen gerealiseerd worden in 2030. Ongeveer 40% van deze woningen worden in het dorp Borger gerealiseerd.

Als onderdeel van het uitvoeringsprogramma zijn enkele locatiescans uitgevoerd. Hierin is de afronding van Borger aan de westkant en de overgang van Borger naar Daalkampen opgenomen. Volgens de locatiescans blijkt op deze locaties ruimte voor grondgebonden levensloopbestendige woningen, twee-onder- één kap of vrijstaande woningen. Het voornemen van de 12 levensloopbestendige woningen past binnen het woonprogramma van de gemeente en is onderdeel van de zogenoemde 'harde' plannen uit het Uitvoeringsprogramma om de gestelde ambities kwantitatief waar te maken en een levensbestendig aanbod te realiseren.

4.3.4 Welstand

In de Welstandsnota Borger-Odoorn 2013 heeft de gemeente criteria opgesteld voor bouwplannen. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veilig stellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Daar waar dit gewenst en mogelijk is, zal een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het doel zijn. In de welstandsnota zijn algemene criteria voor bouwplannen opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan Daalkampen II, dat dateert uit 2012 en voorziet in 32 woningen in een groenzone, is onderdeel van de Welstandsnota van de gemeente Borger-Odoorn. De geplande ontwikkeling van 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen voldoet niet aan de beeldkwaliteitseisen en uitgangspunten over het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in dit beeldkwaliteitsplan.

Aangezien artikel 12a lid 1 van de Woningwet is komen te vervallen, is het niet langer mogelijk om de bestaande Welstandsnota te wijzigen. In het omgevingsplan is, via de bruidsschat geregeld dat nog wel getoetst kan worden aan de geldende welstandsregels (waarbij verwezen wordt naar de welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid van de Wongingwet) zoals opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht, wat betekent dat de welstandsnota een beleidsregel is als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Voor deze wijziging moeten nieuwe beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken in het plangebied worden vastgesteld, aangezien deze niet passen binnen de bestaande welstandsregels over het uiterlijk van bouwwerken.

Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van een gebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het (concept) beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1toegevoegd. Het document geeft duidelijke criteria voor de bebouwing en de indeling van de kavels.

Het beeldkwaliteitsplan is opgesteld om:

  • Een aantrekkelijk ruimtelijke kwaliteit tot stand te brengen;
  • De welstandscommissie een passend kader te bieden waarbinnen de toetsing van bouwplannen dient plaats te vinden.

Dit beeldkwaliteitsplan dient als gemeentelijkbeleid voor de toekomstige welstandsbeoordeling van de bouwplannen voor het plangebied. Daarmee vormt dit beeldkwaliteitsplan een aanvulling op de vastgestelde welstandsnota van de Gemeente Borger-Odoorn. Het beeldkwaliteitsplan geeft een meer concrete invulling aan de ruimtelijke aspecten voor het plangebied en de toetsing hiervan.

4.3.5 Conclusie gemeentelijk beleid

Uit het beleid van de gemeente Borger-Odoorn komt duidelijk naar voren om Borger-West voor woningbouw verder te ontwikkelen. Daarnaast is er een duidelijke behoefte naar ruimte voor (levensloopbestendige) seniorenwoningen. De voorgenomen ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

De gevolgen voor de fysieke leefomgeving door activiteit(en) waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt aangevraagd dienen bij nieuwe ontwikkelingen in kaart te worden gebracht. De aard, omvang en locatie van de activiteit(en) zijn bepalend voor de milieu-, en omgevingsaspecten en andere thema's die onderzocht moeten worden als onderdeel van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan. Dit is nodig met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo dient in elk geval rekening worden gehouden met de instructieregels uit het Bkl en de provinciale verordening.

Daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, is aandacht nodig voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook welke gevolgen de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit. De instructieregels uit het Bkl (en provinciale omgevingsverordening) kunnen verplichten tot het verbinden van voorschriften aan het omgevingsplan. Hiervoor dient extra aandacht te zijn bij het onderzoek naar de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving.

5.1 M.e.r.-beoordeling

5.1.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.


Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).

5.1.2 Toetsing

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen. De gewenste locatie van de maximaal 12 levensloopbestendige woningen is op dit moment al deel van de wijk Daalkampen II en bestemd als woongebied. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van woningen (onderdeel J11 Bijlage V van het Omgevingsbesluit) geldt dat beoordeeld moet worden of deze activiteiten aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

Een stedelijk ontwikkelingsproject, waar woningbouw onder valt, is een activiteit uit kolom 1 van bijlage VI van het Ob en valt onder categorie J11. Uit kolom 2 volgt dat de mer-plicht niet van toepassing is. De mer-beoordelingsplicht uit kolom 3 is wel van toepassing. Daarom moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Gelet op de schaal van het project, de situering tegen bebouwd stedelijk gebied, de huidige bestemming als woongebied en de kenmerken van de potentiële effecten van een dergelijk project zullen er geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze verder in dit hoofdstuk zijn opgenomen. De ontwikkeling heeft geen onaanvaardbaar effect op de onderliggende gronden of andere functies in de omgeving. Onaanvaardbare hinder door geluid is door verschillende akoestische onderzoeken uitgesloten. De landschappelijke en stedenbouwkundige elementen rondom het plangebied worden behouden. Ook is er geen stikstofdepositie (zie paragraaf 5.4) door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1.3 Conclusie

Een m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

5.2.1 Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand en is opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (vanaf hier: Bkl). Artikel 5.129g lid 1 is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

In Lid 2 (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) is geregeld dat, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, met nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden wordt met:

  • de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
5.2.2 Toetsing

De woningbouwontwikkeling bestaat uit maximaal 12 (levensloopbestendige) seniorenwoningen binnen stedelijk gebied. Op grond van vaste jurisprudentie is een plan vanaf 12 woningen in beginsel een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets moet alleen uitgevoerd worden wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De vraag is dan of meer bebouwing mogelijk wordt gemaakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. Dit gaat over bestaande bebouwing en bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast. Deze is toegepast op de in de beheersverordening Borger - Daalkampen II opgenomen plannen. Het aantal van 225 woningen zoals in de woningbouwontwikkeling Daalkampen fase II wordt met deze wijziging van het omgevingsplan niet overschreden.

5.2.3 Conclusie

Uit de Woonvisie van de gemeente volgt dat de uitbreidingswijken Daalkampen I en II als sleutellocatie voor woningbouw worden gezien. Voor een gedeelte van het plangebied gelden momenteel al planologische mogelijkheden voor woningbouw.

5.3 Mobiliteit en parkeren

5.3.1 Wettelijk kader

Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. Inzicht moet worden gegeven in de mobiliteitskeuzes en -strategie die zijn afgestemd op de doelgroepen, de kenmerken van de locatie en de te verwachten effecten. Ook dient te worden aangetoond dat het extra verkeer op een goede manier kan worden afgewikkeld en dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. De CROW-richtlijnen blijven net als in de huidige praktijk belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren.

De beoogde ontwikkeling heeft gevolgen voor de parkeersituatie in de omgeving van het plangebied. Ook verandert het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Om deze reden wordt de toegevoegde verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 744).

5.3.2 Toetsing

Toetsing verkeer

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 12 levensloopbestendige seniorenwoningen. Voor de toetsing van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een representatieve invulling van het plan met 3 vrijstaande woningen, 6 twee-onder-één-kapwoningen en 3 rijwoningen. Voor deze woningtypes wordt gerekend met de volgende verkeersgeneraties (uitgaande van de maximale bandbreedte):

  • 8,6 verkeersbewegingen per dag voor een vrijstaande woning;
  • 8,2 voor een twee-onder-één-kapwoning;
  • 8,0 voor een rijwoning.

Op basis van deze uitgangspunten resulteert het plan in een toename van circa 110 verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag. De nieuw te realiseren seniorenwoningen zullen worden ontsloten via de bestaande inrit/weg naar de school. Deze weg sluit via de Weefklos aan op de Poolse Bevrijderslaan. De Poolse Bevrijderslaan sluit aan op de N374 en de N857. Hier gaan de verkeerbewegingen op in het heersend verkeersbeeld. Gezien de goede ontsluiting zal verkeer geen belemmering vormen voor het plan.

Toetsing parkeren

Voor het plan CPO Senioren Daalkampen zijn parkeerberekeningen uitgevoerd op basis van de richtlijnen uit CROW-publicatie 744. De berekeningen zijn terug te vinden in bijlage 3. Daarbij is gekeken naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor verschillende woningtypen en gebruiksscenario’s.

Parkeercapaciteit op eigen terrein en in openbaar gebied

In het plan worden 12 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd (1 parkeerplaats per woning). Daarnaast worden 12 openbare parkeerplaatsen aangelegd. De resterende parkeerbehoefte moet aanvullend worden opgevangen.

Toepassing parkeernormen

Afhankelijk van het woningtype gelden de volgende parkeernormen (inclusief bezoekers) conform de CROW-publicatie 744 (uitgaande van de maximale bandbreedte):

  • 2,6 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoningen.
  • 2,5 parkeerplaatsen per wee-onder-een-kap koopwoning.
  • 2,4 parkeerplaatsen per rijwoningen

Aan de hand van deze normen zijn verschillende scenario’s doorgerekend.

Scenario 1: Zonder rekening houdend met aanwezigheidspercentages of dubbelgebruik (bewoners, bezoekers en Esdal)

Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de maximale parkeerbehoefte van bewoners en bezoekers tegelijk optreedt, komt de benodigde parkeercapaciteit uit op 30 parkeerplaatsen.

Scenario 2: Rekening houdend met aanwezigheidspercentages/dubbelgebruik van bewoners en bezoekers, maar zonder het Esdal

In de praktijk valt de piek van bewoners niet samen met die van bezoekers. Als hiermee rekening wordt gehouden, valt de grootste parkeerbehoefte tijdens een werkdagnacht. In dat geval is de benodigde capaciteit 28 parkeerplaatsen, mits minimaal 3 daarvan (2,4 afgerond) openbaar toegankelijk zijn voor bezoekers.

Scenario 3: Rekening houdend met aanwezigheidspercentages/dubbelgebruik van bewoners, bezoekers en het Esdal College

Naast het CPO-plan ligt het parkeerterrein van het Esdal College. Dit terrein met 18 parkeerplaatsen is tijdens werkdag- en vrijdagmiddagen volledig bezet. De rest van de week is het terrein grotendeels leeg. Er wordt van uitgegaan dat deze 18 plaatsen uitsluitend voor het Esdal nodig zijn. Wanneer ook dit gebruik wordt meegenomen in de berekening, blijkt dat de grootste parkeerdruk op vrijdagmiddag optreedt. De benodigde parkeercapaciteit komt dan uit op 21 parkeerplaatsen, waarvan ten minste 3 openbaar toegankelijk moeten zijn voor bezoekers van de woningen. Indien gebuik kan worden gemaakt van het parkeerterrein van het Esdalcollege kan het plan voorzien in de parkeerbehoefte.

Doelgroepbenadering

In de praktijk zal de werkelijke parkeerbehoefte bovendien lager uitvallen dan op basis van de maximale CROW-normen is berekend. Het woningprogramma is namelijk gericht op de doelgroep senioren, die gemiddeld genomen minder auto's per huishouden bezitten en minder bezoekers met de auto ontvangen dan andere doelgroepen. Dit draagt bij aan een lagere parkeerdruk binnen het plangebied.

5.3.3 Conclusie

Het plan resulteert in een toename van circa 110 verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag. Gezien de goede ontsluiting zal verkeer geen belemmering vormen voor het plan.

In het plangebied worden 24 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er zijn 28 extra parkeerplaatsen nodig indien géén gebruik kan worden gemaakt van het parkeerterrein van het Esdal College. Indien het parkeerterrein van het Esdal beschikbaar is voor medegebruik, daalt de benodigde parkeerbehoefte naar 21 extra parkeerplaatsen. In dat geval kan het plan voorzien in de parkeerbehoefte.

Om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat door het initiatief is het noodzakelijk een parkeerregeling op te nemen in het omgevingsplan. Deze regeling houdt in dat de realisatie van voldoende parkeerplaatsen een voorwaarde is voor het verlenen van een vergunning voor een bouwplan. Door deze voorwaarde op te nemen wordt geborgd dat het plan uitvoerbaar is.

5.4 Natuur

5.4.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wijst de Natura 2000-gebieden aan. In de Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Verder zijn er nog Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. B

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Hiervoor gelden instandhoudingsdoelstellingen die ook door De Minister zijn vastgelegd. De instandhouding moet zijn gericht op behoud. Het gaat ook om herstel dat moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden)

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van:

  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen.

Bijzondere natuurgebieden en landschappen

Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen.

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Ow legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming  

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. in de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn.

5.4.2 Toetsing
5.4.2.1 Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied en maakt zodoende geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Onderstaande afbeelding toont de projectlocatie en de omliggende NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 900 meter van het plangebied. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0007.jpg"

Figuur 5.1. Overzicht Natuurnetwerk Nederland(bron: Provincie Drenthe)

Stikstof

De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten betreft Drouwenerzand gelegen op circa 4,1 kilometer. Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is terug te vinden in bijlage 5.

De bijdrage aan de stikstofdepositie van de bouw van 12 seniorenwoningen is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2024.1.2). Door middel van een AERIUS-berekening is inzichtelijk gemaakt of er sprake is van depositie van stikstof op omliggende Natura-2000 gebieden en in welke mate. Uit deze berekening blijkt dat nergens sprake is van een depositie die hoger is dan 0,00 m/ha/jaar is. De kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten verslechtert niet. Het project heeft geen significant verstorend effect. Daarmee zijn er geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het project. Voor het aspect stikstofdepositie is er geen sprake van een vergunningplicht voor het project in het kader van natuurbescherming. Het omgevingsaspect ecologie gebiedsbescherming zal de voorgenomen ontwikkeling niet belemmeren.

5.4.2.2 Soortenbescherming

Ten behoeve van dit project is een Natuurtoets uitgevoerd waarin onderzoek is gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor het realiseren van de nieuwe woningen. De Natuurtoets is opgenomen in bijlage 4. De beoogde ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwet- en regelgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Uit het onderzoek blijkt dat er rekening moet worden gehouden met beschermde soorten, namelijk de algemene broedvogels.

Onderstaande voorzorgsmaatregelen voorkomen dat er negatieve gevolgen zijn voor de beschermde soorten. Door deze voorzorgsmaatregelen zal er geen sprake zijn van een flora- en fauna- activiteit en is een vergunning niet nodig.

Algemene broedvogels

Voorafgaand aan de werkzaamheden is het van belang om contact op te nemen met een ter zake kundig ecoloog om te bepalen of een broedvogelcontrole noodzakelijk is. Het broedseizoen loopt over het algemeen van maart tot en met augustus. Buiten deze periode is de kans dat er een broedvogelcontrole uitgevoerd dient te worden een stuk kleiner. Er wordt geadviseerd om een werkprotocol op te stellen met regels over het broedseizoen, nestelende vogels en verlichting. Mochten de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende het broedseizoen van vogels, dan bestaat een kans op vertraging vanwege de kans op verstoring van broedende vogels in en rondom het plangebied. Het is mogelijk nodig om een verstoringsvrije zone in te richten rondom een actief nest van een broedende vogel. Binnen deze zone mogen geen tot zeer bepekt werkzaamheden worden uitgevoerd.

5.4.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is onderzocht op het aspect natuur, voor zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming. Beide vormen geen belemmering voor het realiseren van de ontwikkeling. Er is de mogelijkheid voorzorgsmaatregelen uit te voeren, waardoor de uitvoerbaarheid van het projectvoornemen niet in het geding komt. Vanuit het aspect natuur is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Wettelijk kader

In het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Borger Odoorn is niet aangewezen als concentratiegebied.

5.5.2 Toetsing

Het plangebied bevindt zich niet in één van de in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. In totaal betreft het initiatief de realisatie van maximaal 12 woningen. Door het geringe aantal woningen valt het initiatief onder de standaardgevallen 'niet in betekenende mate luchtkwaliteit'. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl.

Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de plangebieden ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 2.4 en Artikel 2.5 van het Bkl) lagen. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar.

5.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Geluid

5.6.1 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.6.1.1 Wettelijk kader

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw (woningen) in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen dient de geluidbelasting te worden beoordeeld. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid.

5.6.1.2 Toetsing

De nieuw te realiseren woningen zijn gelegen in het geluidaandachtsgebied van de provinciale wegen N34, N347 en N857 en de gemeentewegen Nuisveen / Koesteeg, Poolse Bevrijderslaan en IJzertijdstraat. Omdat er sprake is van nieuwe geluidgevoelige gebouwen is een akoestisch onderzoek naar het geluid op de gevels van de nieuw te realiseren woningen uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is terug te vinden in bijlage 6. Het geluid door de gemeentewegen is getoetst aan de standaard- en grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het geluid door provinciale wegen is getoetst aan de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare waarde uit de Wet geluidhinder (overgangsrecht) Hieronder worden de resultaten van het akoestisch onderzoek samengevat.

Geluid door provinciale wegen

Uit de resultaten volgt het volgende:

  • N34: De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de N34 voldoet met 41 dB incl. aftrek aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het geluid vanwege de N34 is daarmee aanvaardbaar
  • N374: De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de N374 bedraagt ten hoogste 54 dB incl. aftrek. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale toelaatbare waarde van 63 dB. Aangezien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dienen hogere waarden te worden vastgesteld.
  • N857: De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de N857 is inclusief aftrek op alle toetspunten lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de N857 vormt geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Geluid door gemeentewegen

Uit de resultaten volgt dat het geluid door gemeentewegen op de grens van het bouwvlak ten hoogste 47 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB nergens overschreden. Het geluid door gemeentewegen is in deze situatie aanvaardbaar.

Gecumuleerd geluid

Het gecumuleerde geluid wordt veroorzaakt door het geluid door provinciale wegen en gemeentewegen en bedraagt ten laagste 48 dB ten hoogste 55 dB. Het geluid wordt daarmee gekwalificeerd als goed tot redelijk.

Gezamenlijk geluid

Omdat geluid door wegen de enige relevante geluidbronsoort is voor dit project is het gecumuleerde geluid en het gezamenlijk geluid gelijk aan elkaar. Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan regels op te nemen voor geluid die zich richten op:

  • De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Ter overweging wordt meegegeven om één generieke waarde voor het gezamenlijk geluid vast te leggen.

5.6.1.3 Conclusie

Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Het gezamenlijk geluid (55 dB) dient te worden vastgelegd in de regels van het te wijzigen omgevingsplan. De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Daarnaast dienen hogere waarden te worden vastgesteld (overgangsrecht) van ten hoogste 54 dB als gevolg van wegverkeerslawaai afkomstig van de provinciale weg N374.

5.6.2 Geluid door activiteiten

5.6.2.1 Wettelijk kader

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid.

5.6.2.2 Toetsing

Aan de oostzijde van het plangebied ligt de brandweerkazerne op ongeveer 220 meter afstand. Het plan ligt daarmee buiten de richtafstand van 50 meter uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering.

Aan de IJzertijdstraat 2 ligt het Esdal College Borger. De gronden van het Esdal College Borger liggen op ongeveer 30 meter ten van het plangebied. Het plan ligt daarmee buiten de richtafstand van 30 meter uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering.

In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (bijlage 6) worden deze activiteiten ook beschreven. In het onderzoek worden de activiteiten gezien de afstanden beschouwd als akoestisch niet relevant.

5.6.2.3 Conclusie

Gezien de afstand van het plan tot de brandweerkazerne en de school kan het geluid door activiteiten worden beschouwd als niet akoestisch niet relevant. Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Geur

5.7.1 Wettelijk kader

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De algemene regels met betrekking tot geur zijn van toepassing op het toelaten:

  • op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw;
  • van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen.

In het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

5.7.2 Toetsing

De nieuwe woningen betreffen geurgevoelige gebouwen. Er bevinden zich echter geen geurveroorzakende bedrijven in de omgeving. Het aspect geur vormt zodoende geen belemmering voor het project.

5.7.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Omgevingsveiligheid

5.8.1 Wettelijk kader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:

  • de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en
  • het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;
  • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

Er zijn 3 categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

  • Zeer kwetsbare gebouwen

Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Het gaat daarbij onder meer om de volgende gebouwen: woonfunctie voor 24-uurszorg, basisscholen en kinderopvang.

  • Kwetsbare gebouwen en locaties

Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie en sportfunctie.

  • Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. De nadruk ligt op de bescherming van de kwetsbare gebruiksfunctie van een gebouw.

Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw.

5.8.2 Toetsing

Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk gemaakt.

Op basis van de gegevens uit de EV Signaleringskaart in de omgeving bepaald. De uitsnede van deze kaart is op onderstaande figuur weergegeven. De blauwe punt toont het plangebied. Het plangebied ligt buiten een brand- en explosieaandachtgebied. Ook maakt dit project geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01_0008.png"

Figuur 5.2. Omgevingsveiligheid (bron: EV Signaliseringskaart)

5.8.3 Conclusie

Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9 Trilling

5.9.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.

In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Daarvan is vooralsnog nog geen sprake.

5.9.2 Toetsing

De nieuw te realiseren woningen betreffen trillinggevoelige gebouwen conform artikel 5.80 Bkl. Er vinden in de omgeving geen trillingen plaats door activiteiten. Het plangebied bevindt zich niet in een trillingaandachtsgebied van een spoor. Het plangebied bevindt zich wel in de nabijheid van gemeentewegen en de provinciale wegen N374 en N34. Met name over de N374 en de N34 rijden zware voertuigen zoals vrachtwagens en bussen die trillingen kunnen laten ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden. De N374 kent in de nabijheid van de projectlocatie geen oneffenheden zoals brugdelen die trillingen kunnen doen veroorzaken. Trillingen zullen derhalve geen belemmering vormen voor het project.

5.9.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Slagschaduw en windhinder

5.10.1 Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.

5.10.2 Toetsing

Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. De nieuwe woningen hebben een maximale hoogte van 8 meter. Gezien de bouwhoogte en de afstand tot de omliggende bebouwing zal het omgevingsaspect schaduwhinder en windhinder geen belemmeringen opleveren.

5.10.3 Conclusie

Vanuit het aspect schaduw- en windhinder is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Cultureel erfgoed

5.11.1 Wettelijk kader

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd.

5.11.2 Toetsing

Archeologie

Binnen het plangebied geldt binnen de hiervoor geldende planologische regeling de dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3'. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor behoud van archeologische waarden, voor zover het gronden betreft met een archeologische waarde, een hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde. Bij bodemingrepen dieper dan 0,3 meter dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Op grond van de Omgevingsverordening Drenthe 2023 geldt de 'Waarde - Archeologie 3'. Deze bestemming is overgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. Een onderzoeksplicht geldt hier vanaf 1.000 m² (zie voor een uiteenzetting paragraaf 4.2).

Voor het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is terug te vinden in bijlage 7. Het onderzoek sluit aan op de onderzoeken die vanaf 2020 door RAAP te Borger-Daalkampen zijn uitgevoerd, en vormt een aanvulling op zowel deze onderzoeken als op de eerder binnen Borger-Daalkampen uitgevoerde onderzoeken.

Het voorgaande proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat in de ondergrond een behoudenswaardige archeologische vindplaats aanwezig is (Hielkema & De Wit, 2005). Omdat het niet mogelijk is om deze vindplaats duurzaam in de ondergrond te behouden, is door de bevoegde overheid besloten dat de aanwezige archeologische resten dienen te worden opgegraven. Het veldwerk is uitgevoerd tussen 11 en 19 maart 2024.

Tijdens het onderzoek zijn 12 monsters genomen en 61 vondsten gedaan. Daarnaast zijn er 28 sporen gevonden. Het vondst- en monstermateriaal (in de context met grondsporen) heeft een hoge informatie- en ensemblewaarde. Een nadere analyse en uitwerking van de sporen, vondsten en monsters is noodzakelijk. In het rapport worden vervolgstappen beschreven voor de nadere analyse.

Met de uitvoering van het archeologisch onderzoek is voldaan aan de onderzoeksplicht.

Cultuurhistorie

De provinciale cultuurhistorische waardenkaart is geraadpleegd en bekeken in samenhang met de Kernkwaliteit cultuurhistorie. Op de waardenkaart maakt het plangebied deel uit van de waarden aangegeven in paragraaf 4.2.2. In deze paragraaf heeft de beoordeling reeds plaatsgevonden.

Landschap

Het plangebied kent bijzondere landschappelijke waarden waarmee bij de planontwikkeling rekening moet worden gehouden. Het plangebied maakt deel uit van het esdorpenlandschap en wegpanorama. In paragraaf 4.2.1 is hier op ingegaan.

5.11.3 Conclusie

Vanuit de aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.12 Bodem

5.12.1 Wettelijk kader

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Een bodemgevoelig gebouw is:

  • a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of
  • b. een woonschip of woonwagen.


Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Bal, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.

5.12.2 Toetsing

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Woningen worden als bodemgevoelig gebouw aangemerkt. Voor het plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 8 Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat op de onderzoekslocatie geen verontreinigde stoffen aanwezig zijn in de grond. Daarnaast geeft het onderzoek een indicatie van de aard en de gehalten concentraties van mogelijk aanwezige verontreinigende stoffen in de grond en het grondwater.

In het uitgevoerde bodemonderzoek zijn de volgende conclusies getrokken:

  • In zowel de boven- als ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters in een verhoogd gehalte aangetoond;
  • Zowel de boven- als de ondergrond valt indicatief in de kwaliteitsklasse “Altijd toepasbaar” volgens het besluit bodemkwaliteit;
  • In het grondwater ter plaatse van vier van de vijf peilbuizen zijn uitsluitend licht verhoogde concentraties aan cis + trans-1,2-Dichlooretheen en tetrachlooretheen (peilbuis 02), cadmium en zink (peilbuis 04) en barium (peilbuis 03, 04 en 05) aangetoond. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor de uitvoering van een nader onderzoek.
5.12.3 Conclusie

De ontwikkeling vormt voor het milieuaspect bodem geen belemmeringen. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de bodem grotendeels geschikt is voor de functies die met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.

5.13 Water

5.13.1 Wettelijk kader

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moet het verantwoordelijke Waterschap Hunze en Aa's worden betrokken. Het waterschap is verantwoordelijk voor waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

Bij ontwikkelingen moet 'weging van het waterbelang' plaatsvinden. De 'weging van het waterbelang' heeft met ingang van de Omgevingswet de watertoets vervangen. De digitale watertoets wordt nog wel gebruikt. De 'weging van het waterbelang' zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke projecten in een vroeg stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water. Gezien het belang van het water wordt het wateraspect ook sturender bij ontwikkelingen.

5.13.2 Toetsing

Voor de ontwikkeling van de seniorenwoningen is de watertoets uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 9. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan. Voor de normale procedure verstrekt het waterschap standaard een wateradvies. Dit wateradvies geeft handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het opstellen van het ruimtelijke plan of besluit.

Veilig

Uit de watertoets blijkt dat er geen laag met primaire waterkeringen, regionale en/of lokale waterkeringen, hoofdwateren, rioolwaterpersleidingen, Grondwaterbeschermingsgebied, vrij voor de boezem en een waterzuiveringsobject worden geraakt.

Waterkwantiteit

Door de realisatie van de seniorenwoningen neemt het aandeel verhard oppervlak toe. Verhardingstoename door uitbreiding van een bebouwing en/of bestrating zorgt ervoor dat hemelwater versneld afvoert. Dit kan ervoor zorgen dat het oppervlaktewatersysteem zwaarder belast wordt, waardoor overlast kan ontstaan. Om dit te voorkomen zal het nodig zijn om compenserende waterberging en/of vertraagde afvoer van hemelwater te realiseren.

Bij de ontwikkeling van de woonwijk Daalkampen is het uitgangspunt gehanteerd dat (schoon) hemelwater zoveel mogelijk wordt geïnfiltreerd. Hiervoor is onder meer aan de westkant van de wijk een infiltrerende waterpartij als berging aangelegd. In de plannen die er eerder voor dit plangebied zijn gemaakt, werden op deze locatie woningen geprojecteerd. In overleg met het waterschap dient te worden bepaald hoeveel water er naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling nog dient te worden gecompenseerd.

Voor het project kunnen wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem nodig zijn. In de meeste gevallen moeten wijzigingen worden gemeld of moet een watervergunning worden aangevraagd, om ongewenste gevolgen voor het watersysteem te voorkomen en/of te beperken. Het bergend vermogen in het watersysteem mag niet afnemen (bijvoorbeeld door een (gedeeltelijke) demping) op locaties waar dit tot wateroverlast kan leiden en het doorstroomprofiel van het watersysteem mag niet worden gehinderd. In de Keur van het waterschap en in de Algemene Regels staan aangegeven onder welke voorwaarden fysieke aanpassingen aan het watersysteem plaats mogen vinden.

Er is onderzoek gegaan naar het watersysteem van de wijk Daalkampen. Het watersysteem van de wijk is getoetst op hydraulisch functioneren bij extreme neerslag (bijlage 10). In Daalkampen hebben mensen vanuit de koopovereenkomst de verplichting om het regenwater op eigen terrein de infiltreren. Lukt dat niet, dan wordt het regenwater via de wijk geïnfilteerd. Al het regenwater kan op 3 plekken in de wijk verzameld worden in wadi's. Aan de noordoostkant ligt een wadi met een bergend vermogen van rond de 3.250 m3, in de zuidoosthoek van het plan ligt een wadi met een bergend vermogen van ca. 2.250 m3 en in het midden van het plan aan de oostkant ligt nog een klein wadi van ca. 200 m3.

Uit de berekeningen blijkt dat het stelsel voldoet aan de hedendaagse ontwerp criteria voor hemelwaterriolering (standaardbui 9) en de wijk Daalkampen goed is voorbereid op klimaatsverandering, mits er bij de realisatie van de komende uitbreidingen voldoende terrein wordt opgehoogd. Uit het onderzoek blijkt dat het ontworpen stelsel robuust genoeg is en voorbereid op de klimaatsverandering.

Waterkwaliteit

Om de waterkwaliteit te waarborgen heeft het waterschap de zorg voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen. In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. In dit thema zijn, indien van toepassing, alle voor dit plan specifieke waterschapsbelangen beschreven die impact hebben op de waterkwaliteit.

Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuilt is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd.

Voor de verdere uitwerking van het plangebied zal aandacht worden besteed aan een zo duurzaam mogelijk ontwerp. Dit past binnen de wens voor de realisatie van duurzame woningen en een toekomst bestendige woonwijk.

Waterveiligheid

Waterveiligheid betreft het voorkomen, zo mogelijk uitsluiten, van levensbedreigende overstromingsrisico's voor mens en dier en het voorkomen van schade aan have en goed. Risico's die met name zullen optreden bij het doorbreken van een zeekering (primaire kering) of boezemkade (secundaire kering). Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, alle waterschapsbelangen beschreven die vanwege de waterveiligheid extra bescherming genieten of anderzijds van belang zijn voor de waterveiligheid. Voor de woningen is geen advies afgegeven op deze op voldoende hoogte aan te leggen. Dit thema vormt geen probleem voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.13.3 Conclusie

Vanuit het aspect water is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.14 Duurzaamheid

5.14.1 Wettelijk kader

De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel.

5.14.2 Toetsing

De te realiseren woningen worden ontwikkeld met duurzaamheid als leidend principe. Allereerst wordt bij de bouw van deze woningen sterk ingezet op isolatie, waardoor een hoge energie-efficiëntie wordt bereikt. Dit draagt niet alleen bij aan het comfort voor de bewoners, maar ook aan een aanzienlijke vermindering van het energieverbruik en daarmee de CO2-uitstoot. Bovendien worden de woningen gebouwd zonder gasaansluiting, waardoor ze toekomst bestendig zijn en bijdragen aan de transitie naar duurzame energiebronnen.


Daarnaast wordt binnen het plangebied ruimte gecreëerd voor groen, wat bijdraagt aan klimaatadaptatie en het behoud en de bevordering van lokale ecosystemen. Door voldoende groenvoorzieningen wordt de biodiversiteit bevorderd en ontstaat er een aangename leefomgeving. De groene elementen dragen bovendien bij aan het verminderen van hittestress en het opvangen van overtollig regenwater, wat essentieel is in het kader van klimaatadaptatie.

5.14.3 Conclusie

Er is rekening gehouden met het thema duurzaamheid.

5.15 Gezondheid

5.15.1 Wettelijk kader

Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

5.15.2 Toetsing

De beoogde woningbouwontwikkeling is van relatief kleine schaal en maakt deel uit van de grotere gebiedsontwikkeling van de wijk Daalkampen. Het aspect gezondheid wordt in deze paragraaf naar aard en omvang van het project behandeld. Hoewel dit specifieke projectplan kleinschalig is, maakt het deel uit van een bredere gebiedsontwikkeling waarin gezondheid een belangrijk aspect is. De gemeente streeft ernaar om bij grotere projecten het aspect gezondheid meer nadruk te geven en een groter platform te bieden.

Het plangebied zal een groene inrichting krijgen, overeenkomstig met de stedenbouwkundige opzet van Daalkampen I en II. Wonen in een groene omgeving heeft positieve effecten op de gezondheid, zoals het verminderen van stress, stimuleren van fysieke activiteit en verbeteren van de luchtkwaliteit.

Levensloopbestendige woningen in het project zorgen ervoor dat senioren langer zelfstandig kunnen blijven wonen, wat bijdraagt aan zowel hun mentale als fysieke gezondheid. Deze woningen zijn ontworpen voor toegankelijkheid en veiligheid, wat valincidenten kan verminderen en een veilige leefomgeving bevordert.

Bovendien zal de wijk goed aansluiten op de wandel- en fietsroutes in de omgeving, waardoor bewoners gemakkelijk toegang hebben tot recreatieve en actieve vervoersmogelijkheden, wat een positieve invloed heeft op hun algehele gezondheid.

5.15.3 Conclusie

In het project wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen en bevorderen van de gezondheid van de mens. Ondanks de kleinschaligheid, draagt het bij aan de bredere gezondheidsdoelstellingen van de gebiedsontwikkeling van de wijk Daalkampen. De combinatie van een groene omgeving, (levensloopbestendige) seniorenwoningen, en goede fiets- en wandelroutes zorgt ervoor dat dit nieuwbouwproject een positieve bijdrage levert aan de fysieke en mentale gezondheid van de toekomstige bewoners.

5.16 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen

5.16.1 Wettelijk kader

Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden toegelaten. Dat betekent echter niet dat nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden volledig kunnen worden uitgesloten. Er zijn nog veel onduidelijkheden over de mogelijke relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade. Op grond van het Bkl gelden weliswaar geen specifieke instructieregels, maar bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in elk geval rekening worden gehouden met het belang van de volksgezondheid. In dat kader dienen ook de mogelijke gezondheidsgevolgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te worden beoordeeld.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt. Bij deze locatiespecifieke beoordeling dient niet alleen te worden gekeken naar het bestaande, feitelijke gebruik van de agrarische gronden. Uitgangspunt vormen de maximale mogelijkheden (rekening houdend met eventuele omschakeling naar andere teeltvormen en intensivering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen).

5.16.2 Toetsing

Ten westen van het plangebied zijn aan de overzijde van de Poolse Bevrijderslaan agrarische gronden met bijbehorende bestemming 'Agrarisch' gelegen. De afstand van de grens van de agrarische gronden tot de beoogde seniorenwoningen is kleiner dan 50 meter. Gemeten vanaf de grens van het bestemmingsvlak van de bestemming 'Woongebied' bedraagt de minimale afstand circa 40 meter vanaf grens woongebied naar de agrarische bestemming.

De ter plaatse geldende agrarische bestemming van de agrarische gronden biedt in algemene zin ruimte voor grondgebonden agrarische bedrijven. In de huidige situatie is sprake van akkerbouw met wisselende teelten van niet-opgaande gewassen. Omschakeling van akkerbouw naar nieuwe boom- en fruitteelt, met uitzondering van teelt van niet-opgaande gewassen en houtteelt en bosbouw zijn op grond van deze bestemming niet toegestaan.

Voor de beoordeling van de potentiële gezondheidseffecten is van belang dat alleen sprake kan zijn van lage teelten. Over het algemeen is de kans op drift / verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij lage teelten kleiner dan bij hoge teelten. De afstand van 50 meter die volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is gebaseerd op het beleid van de provincie Gelderland uit de jaren negentig voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. In die periode waren gewasbeschermingsmiddelen toegelaten die inmiddels niet meer zijn toegestaan en vervangen door alternatieven met een beperktere potentiële schadelijkheid. Bovendien zijn ook de eisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waar het gaat om de toe te passen driftreducerende maatregelen aangescherpt. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is vastgelegd dat bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen in de open lucht een driftreducerende techniek moet worden gebruikt. De spuittechniek moet de drift met ten minste met 75% reduceren ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Vanwege de aanscherping van de eisen wordt de afstand van 50 meter in de praktijk vaak gehalveerd (25 meter) en in sommige gevallen nogmaals gehalveerd (12.5 meter) wanneer uitsluitend sprake is van neerwaartse gewasbehandeling. Verder is van belang dat in de omgeving van watergangen rekening dient te worden gehouden met bufferzones waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Dat geldt alleen voor sloten en greppels die tussen 1 april en 1 oktober (spuitseizoen) water bevatten. De omvang van de bufferzone is afhankelijk van het specifieke gewas en blijft beperkt tot hooguit enkele meters. Ter hoogte van de aansluiting van de Poolse Bevrijderslaan op de N374 zijn bermsloten gelegen waarlangs beperkingen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gelden.

De geldende eisen uit het Bal in combinatie met het feit dat op de agrarische gronden nabij het plangebied alleen sprake kan zijn van lage teelten, biedt ruimte om een kleinere afstand aan te houden dan de vuistregel van 50 meter die volgt uit jurisprudentie. Met een minimale afstand van circa 40 meter is de afstand tussen de nieuwe woningen en de agrarische gronden nog steeds aanzienlijk. Om mogelijke nadelige gezondheidseffecten te voorkomen wordt bovendien extra beplanting gerealiseerd tussen de agrarische gronden en de beoogde woningen.

De windhaag bestaat uit verschillende elementen met daartussen zeer beperkte openingen vanwege de inpassing van het aanwezige fietspad en de gewenste zichtlijnen. De locatie van deze windhaag is vastgelegd op de verbeelding en de realisatie (en het in stand houden) is met een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van het omgevingsplan. Deze borging is in lijn met jurisprudentie van de Afdeling waaruit blijkt in dat een kleinere afstand aanvaardbaar kan zijn wanneer driftreducerende maatregelen worden getroffen, bijvoorbeeld ARRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3160. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in het geval het agrarische perceel direct gelegen is naast het perceel met de gevoelige functie, door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat een kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. Naast deze voorgeschreven windhaag is tot slot van belang dat langs de Poolse Bevrijderslaan ook reeds bestaande beplanting aanwezig is, die de maximale drift in enige mate zal beperken.

5.16.3 Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de agrarische gronden in de omgeving van het plangebied niet zal leiden tot onaanvaardbare gezondheidseffecten voor de toekomstige bewoners.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Toepassingsbereik

Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch planologische mogelijkheden en de regels uit het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Drenthe.

In het toepassingsbereik, zoals opgenomen in artikel 2 van de planregels, is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.

Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die onderdeel uitmaken van het Omgevingsplan gemeente Borger - Odoorn zoals dat op 1 januari 2024 geldt. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. Vergunningplichten voor bouwactiviteiten voor het bouwen van een bouwwerk en het bouwwerken in stand te houden en te gebruiken zijn in deze wijziging niet opgenomen, dit is al geregeld in de bruidsschat.

Sommige regels uit de bruidsschat zijn alleen van toepassing op het tijdelijk deel van omgevingsplan en om ze ook op deze wijziging van het tijdelijk van toepassing te laten zijn, zijn ze hier ook opgenomen. De bruidsschat (dus het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor dit deel) zelf wordt hiermee dus niet gewijzigd. Het is deels een verplichting om bepaalde regels uit de bruidsschat ook voor deze wijziging en locatie te laten gelden, en voor zover het geen verplichting is, geldt de regeling ook voor deze wijziging van het omgevingsplan om uniformiteit in de regeling te behouden voor de gemeente.

Dit geldt voor:

  • aanvraagvereisten voor de lactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid (artikel 22.284 van de bruidsschat), geen verplichting, maar ook bij deze wijziging opgenomen;
  • de vrijstelling van archeologisch onderzoek voor activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m² (artikel 22.22 van de bruidsschat), wel een verplichting;

De gemeente moet projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrijstellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Maar de gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bij de dubbelbestemming 'Waarde archeologie - 1' is de vrijstellingsgrens op 0 gelegd conform de bestaande regeling. Voor de bestemming 'Waarde - archeologie 3' is gekozen voor een grotere vrijgestelde oppervlakte van 1.000 m² zoals deze vanuit de provinciale omgevingsverordening geldt (geldt ook op basis van gemeentelijke beleidsadvieskaart). De mate van vrijstelling is dus afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van een gebied.

6.2 Begrippen

De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. Dit geldt onder meer voor de begrippen gebouw, bouwwerken en bouwen deze zijn opgenomen in de begripsbepalingen bij de Ow. De begripsbepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. Tevens zijn de aanvullende begrippen opgenomen die nodig zijn voor dit TAM-omgevingsplan.

 

In de begripsbepalingen hoeven daarom bijvoorbeeld geen begrippen meer opgenomen voor bijbehorend bouwwerk, hoofdgebouw, achtererfgebied en gebouwerf te worden opgenomen. Deze begrippen komen terug in het Bbl. Voor de leesbaarheid van het plan zijn deze begrippen, omdat ze vaak in de regeling voorkomen, wel opgenomen.

6.3 Algemeen verbod

In het algemene verbod is opgenomen dat alle niet genoemde functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan, verboden zijn. Er is echter een uitzondering voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, en voor bestaande functies en activiteiten. Dit betekent dat als een activiteiten niet in het plan staat, deze niet is toegestaan, tenzij het een binnenplanse activiteit is die vergunningsplichtig is, of als het een bestaande situatie betreft. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het inwerking treden van dit TAM-omgevingsplan.

6.4 Functies en activiteiten

Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Omgevingswet standaarden STOP/TPOD. De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst.

Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de RO standaarden 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat bestemmingen. De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels en aanlegregels. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt deels aangesloten op de systematiek en regels uit het bestemmingsplan Borger - Borger Dorp.

De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels (de bouwregels zijn de beoordelingsregels die bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het (ruimtelijk) bouwen worden gebruikt. De vergunningplicht is al opgenomen in de bruidsschat die al onderdeel is van het omgevingsplan, deze wordt niet gewijzigd) en aanlegregels (vergunningplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).

Groen

De bestemming 'Groen' (artikel 5) zorgt voor een groene en bebouwingsvrije zone tussen het omliggende agrarisch gebied. Agrarische activiteiten zijn niet meer mogelijk. Daarbij is rekening gehouden met het toestaan van een windhaag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag' in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zie hiervoor ook paragraaf 5.16). Deze windhaag is via de algemene regels geborgd met een voorwaardelijke verplichting (zie paragraaf 6.5).

Het groen is een belangrijke drager van ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het gebied waaraan het beeldkwaliteitsplan ten grondslag ligt (zie ook paragraaf 2.2.2 en 2.2.3). Binnen de bestemming wordt dan ook naast de groenvoorzieningen, onder meer sport- en speelvoorzieningen, halfverharde voetpaden en parkeervoorzieningen toegestaan. Verder zijn de gronden bestemd voor de daarbij behorende (overige) openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.

Verkeer - Verblijf

De gronden zijn binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijf' (artikel 6) bedoeld voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk. De bouw van gebouwen en overkappingen is niet toegestaan.

Perceel- en erfafscheidingen zijn met een omgevingsvergunning toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 m en overige bouwwerken tot een hoogte van maximaal 8 m.

Woongebied

De bestemming 'Woongebied' (artikel 7) maakt het wonen mogelijk binnen het bestemmingsvlak (is gelijk aan het bouwvlak) conform de gewenste woningbouwontwikkeling en met inachtname van de uitgangspunten ten aanzien va ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2 en 2.2.3. Tevens is het ondergeschikte gebruik voor een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. De bestemming 'Woongebied' is een meer globale bestemming dan de bestemming 'Wonen'. Die keuze biedt de mogelijkheid om binnen de bestemming nog ruimte te bieden voor de wijzen van bouwen van de woningen. Wel moet worden voldaan aan randvoorwaarden zoals de maximaal toegestane bouw- en goothoogte, het maximum aantal woningen, aantal vierkante meters per woning, de nokrichting en de maximale oppervlakte van het bouwperceel. Binnen deze randvoorwaarden kunnen verschillende plannen, mits passend binnen die randvoorwaarden, uitgevoerd worden.

Tevens is ook een moestuin, fruitbomen, streekeigen beplanting, hagen, collectieve voorzieningen zoals een ontmoetingsplek of een jeu-de-boulesbaan toegestaan. Tevens mag een gebouw worden gebouwd op de gronden ten behoeven van het gebruik voor gemeenschappelijke inpandige opslag van (tuin)gereedschap, hobbyschuur, inpandige ontmoetingsplaats voor aanliggende gronden is ook toegestaan.

Waarde - Archeologie 1 en 3

Op een deel van het plangebied is de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' van toepassing. Deze gronden zijn, behalve voor het andere daar toegestane gebruik, mede en 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' geldt voor iedere bouwactiviteit en uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en een onderzoeksplicht respectievelijk onderzoeks- en vergunningplicht vanwege de hoge en zeer hoge archeologische waarde. Een archeologisch onderzoek ten behoeve van deze woningbouwontwikkeling uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn raadpleegbaar in paragraaf 5.11.2.

Voor de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt voor de bouwactiviteit en uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een onderzoeksplicht respectievelijk onderzoeks- en vergunningplicht vanaf 1.000 m². De oppervlakte is bepaald in de Omgevingsverordening Drenthe 2023. Er is hier geen spraken van een voordenzone, waar een oppervlakte vanaf 500 m² geldt.

Er zijn een aantal uitzonderingen op deze onderzoeks- en vergunningplicht, zoals voor normale werkzaamheden.

6.5 Algemene regels

Binnen de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregels opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).

De aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid zijn opgenomen in artikel 11, de motivering daarvan is opgenomen in paragraaf 6.1.

In de algemene bouwregels (artikel 12) zijn de regels over het uiterlijk van bouwwerken opgenomen, waarbij het beeldkwaliteitsplan Beeldkwaliteitsplan 'CPO Daalkampen 3B Borger', zoals dat is vastgesteld op .. de basis biedt. In de regels is hiernaar verwezen.

Om aan artikel 5.89l van het Bkl te voldoen moeten regels worden opgenomen ten aanzien van een melding voor een bouwactiviteit die niet bouwvergunningplichtig is. Deze zijn opgenomen in artikel 13.

Tevens is een aantal gebiedsaanduidingen opgenomen in artikel 14.

geluidzone - gezamenlijk geluid

Het berekende gezamenlijk geluid dient te worden vastgelegd in de regels van het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 5.6.1. Hieraan is uitvoering gegeven door ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - gezamenlijk geluid' het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw ten hoogste Lden = 55 dB mag bedragen zoals opgenomen in paragraaf 5.3, hoofdstuk 6 en de figuren en tabellen in bijlage 1.

In de algemene afwijkingsregels is de standaard 10% regeling conserverend overgenomen uit de bestaande regels.

In de algemene regels zijn de parkeerregels opgenomen en een voorwaardelijke verplichting. De parkeerregels zorgen ervoor dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien bij het verlenen van de omgevingsvergunningen. Hierbij worden de CROW-normen gehanteerd uit de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering', waarbij de volgende normen worden gehanteerd (zie ook pararaaf 5.3):

      • 2,6 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoning:
      • 2,5 parkeerplaatsen per twee-onder-een-kap koopwoning;
      • 2,4 parkeerplaatsen per rijwoningen.

De voorwaardelijke verplichting zorgt ervoor dat bij de realisatie en ingebruikneming van de woningen binnen de bestemming 'Woongebied' uitsluitend is toegestaan indien en voor zover ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag' binnen de bestemming 'Groen' een windhaag met dichte opgaande beplanting gerealiseerd en in stand gehouden. Deze verplichting zorgt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woning ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zie ook paragraaf 5.16).

6.6 Overgangsregels

Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als gebruik.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid

De Omgevingswet bepaalt dat het bestuursorgaan de kosten die het vanwege bij die maatregel aangewezen kostensoorten maakt, verhaalt op degene die bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht, voorzover:

  • a. de kostensoorten toerekenbaar zijn aan het kostenverhaalsgebied, en
  • b. de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat het kostenverhaalsgebied van de kostensoorten heeft.

In het Omgevingsbesluit zijn de kostensoorten opgenomen die verhaalbaar zijn, waaronder de kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek. Het voorliggende plan is daarmee een verhaalbare kostensoort.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 12 woningen, in de derde fase van de woningbouwontwikkeling Daalkampen II. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit.

De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. De gemeente heeft de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom. Hierdoor is het kostenverhaal niet aan de orde. De gemeente is zelf exploitant, waardoor de kosten voor rekening van de gemeente zijn. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald.

De conclusie is dat deze wijziging van het omgevingsplan financieel uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.

Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de deze wijziging van het omgevingsplan, nader onderzocht in deze motivering.

Afweging

Met de beoogde ontwikkeling wordt in de uitbreidingswijk Daalkampen II in Borger, ten zuiden van de provinciale weg, de N374, in een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap door de gemeente de bouw van maximaal 12 woningen gefaciliteerd. Het betreft de derde fase van Daalkampen II. Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt het geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl.

In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende milieu wet- en regelgeving. In de beoordeling is gebleken voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.