direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Borger-West - CPO seniorenwoningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt woningbouw mogelijk te maken op de locatie Daalkampen II. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22[a] van het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22[a]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22[a]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna hiervan is afgeweken. In aanvulling zijn de volgende begripsbepalingen van toepassing.

1.1 plan:

het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn;

1.2 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Borger-West - CPO seniorenwoningen met identificatienummer NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01 van de gemeente Borger-Odoorn;

1.3 aan woning gebonden beroep

het uitoefenen van een beroep of het verlenen van diensten op juridisch, medisch, therapeutisch, administratief, kunstzinnig of daaraan verwant gebied, als ondergeschikt onderdeel in een woning, waarbij de woonfunctie centraal staat.

Commerciële dienstverlening als bankfilialen, uitzendbureaus, makelaardij en reisbureaus, alsmede detailhandel en horeca worden niet gerekend onder een aan een woning gebonden beroep;

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 aaneengebouwde woning:

een grondgebonden woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meerdere woningen, waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd;

1.7 aardkundige waarden:

landvormen en aardlagen met een informatiewaarde (over de natuurlijke ontstaanswijze van het gebied), een belevingswaarde (omdat zij identiteit en variatie aan het landschap geven) en een ecologische waarde (als aiotische basis van de biodiversiteit);

1.8 achtererfgebied:

gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied;

1.9 archeologisch deskundige:

een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie;

1.10 archeologisch onderzoek:

onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, gravend onderzoek, begeleiding van bodemingrepen) verricht door een daartoe bevoegde instantie of onderneming;

1.11 archeologische verwachtingswaarden:

waarden die aan een gebied zijn toegekend op basis van de kans op het voorkomen van archeologische resten, ook wel archeologische verwachting genoemd. De archeologische verwachting zegt iets over de dichtheid waarin archeologische terreinen binnen een landschappelijke eenheid voorkomen of worden verwacht. Hoe hoger de archeologische verwachting, hoe groter de verwachte dichtheid aan archeologische resten. Hoe groter de dichtheid aan archeologische resten, hoe groter de (verwachte) archeologische waarde van een bepaalde landschappelijke eenheid. Met de termen hoge, middelhoge en lage verwachting wordt dit tot uitdrukking gebracht;

1.12 archeologische waarden:

waarden die aan een gebied zijn toegekend vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. Bij toetsing aan de archeologische waarde zal telkens de Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Borger-Odoorn toetsingskader zijn;

1.13 bebouwde oppervlakte:

de som van de oppervlakte van alle gebouwen op een bouwperceel;

1.14 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.15 bestaamd
  • 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan van het Omgevingsplan Borger-Odoorn aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  • 2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening, of een andere planologische toestemming.
1.16 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.17 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.18 bouwperceel:

een aaneengesloten terrein waarop krachtens het omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.19 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.20 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.21 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.22 gebouwerf:

bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;

1.23 gevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van en bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;

1.24 hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het TAM-omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;

1.25 huishouden

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voer(t)(en) of wil(len) voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen);

1.26 nokrichting

richting van het hoogste punt waarin twee rechte dakvlakken elkaar aan de bovenzijde ontmoeten;

1.27 nutsvoorziening:

voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.28 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat functioneert als overdekking en dat met een of twee wanden is omgeven; hieronder wordt in elk geval een carport verstaan;

1.29 peil:
  • a. peil gebouw: de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. peil ander bouwwerk: de hoogte ter plaatse van het gemiddelde afgewerkte terrein;
1.30 permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

1.31 voorgevel:

de naar de weg, het voetpad of andere openbare ontsluiting toegekeerde gevel van een gebouw, met dien verstande dat slechts één gevel als zodanig kan worden aangemerkt;

1.32 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer en waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit;

1.33 weg:

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, met dien verstande dat zelfstandige fiets- en voetpaden, brandgangen en naar de aard daarmee gelijk te stellen voor openbaar verkeer openstaande paden hier niet onder worden begrepen;

1.34 wonen:

het huisvesten in een woning van één afzonderlijk huishouden;

1.35 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 4 (Groen), artikel 7 (Verkeer- Verblijf), artikel 8 (Woongebied) en artikel 9 (Waarde - Archeologie 1) van de beheersverordening 'Borger - Daalkampen fase II' (vastgesteld op 16 januari 2020), artikel 4 (Maatschappelijk) van het bestemmingsplan Locatie Esdal College Borger (vastgesteld op 7 juli 2020), artikel 14 (Groen), artikel 21 (Verkeer) en 'Verkeer - Verblijf' (artikel 22) van het bestemmingsplan Borger, Borger Dorp (vastgesteld op 18 juli 2024) en het Facetbestemmingsplan Wonen met zorg (zoals dat is vastgesteld op 27 juni 2024).
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd;
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 blijven buiten toepassing, indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l Borger-West - CPO seniorenwoningen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1681.TAMH22l-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.2 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.3 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 afstand tot de zijdelingse (bouw)perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens;

3.6 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 ondergeschikte bouwdelen:
  • a. bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en toegangsportalen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de buitenzijde van de gevel niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  • b. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden wolfseinden niet meegerekend.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die niet zijn toegestaan op grond van dit TAM-omgevingsplan zijn verboden tenzij sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, met uitzondering van bestaande functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Gebruiksregels

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;

en tevens voor:

  • b. sport- en speelvoorzieningen;
  • c. halfverharde voetpaden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. een windhaag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag';

met de bijbehorende:

  • f. (overige) openbare nutsvoorzieningen;
  • g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt de volgende regel:

  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m.

Artikel 6 Verkeer - Verblijf

6.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen, bestaande uit ten hoogste twee rijstroken, met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, met daarbij inbegrepen paden, bermen, bushaltes, parkeervoorzieningen en dergelijke

met daaraan ondergeschikt:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 8 m.

Artikel 7 Woongebied

7.1 Gebruiksregels

In het voor 'Woongebied' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen;

met daarbij behorend en ondergeschikt:

  • b. aan woning gebonden beroep, mits
    • 1. deze niet meer bedraagt dan 30% van de begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel met een maximum van 50 m2;
    • 2. de verkoop van producten beperkt blijft tot producten die een directe relatie hebben met het beroep.
  • c. een moestuin, fruitbomen, streekeigen beplanting, hagen, collectieve voorzieningen zoals een ontmoetingsplek of een jeu-de-boulesbaan;
  • d. gemeenschappelijke inpandige opslag van (tuin)gereedschap, hobbyschuur en inpandige ontmoetingsplaats;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. tuinen, erven en terreinen;
  • g. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;
  • h. groen- en speelvoorzieningen;
  • i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het maximum aantal woningen mag niet meer bedragen dan 12;
  • c. de maximum oppervlakte bedraagt per hoofdgebouw niet meer dan 120 m²;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • f. de dakhelling van de woningen bedraagt ten minste 30° en ten hoogste 60°;
  • g. de afstand van de zijgevels van de woningen, niet zijnde de aangebouwde zijgevels of geschakelde zijden van de woningen, tot de zijdelingse grens van het bouwperceel bedraagt ten minste 0,5 m, dan wel de bestaande afwijkende maat;
  • h. de afstand van de achtergevel van het hoofdgebouw tot de erfgrens aan de achterzijde bedraagt ten minste 3,5 m;
  • i. de woningen mogen ten hoogste 3 aaneen worden gebouwd;
  • j. maximaal 3 woningen hebben dezelfde nokrichting;
7.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen mogen alleen worden gebouwd ten behoeve van het in lid 7.1 onder d genoemde gebruik;
  • b. het aantal gebouwen bedraagt niet meer dan 1;
  • c. de oppervlakte bedraagt niet minder dan 15 m2;
  • d. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 30 m2;
  • e. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,00 m;
  • f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 5,00 m.
7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel en erfafscheidingen, anders dan erf- of perceelafscheidingen in lid 1, bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 8 m.
7.2.4 Afwijken beoordelingsregels

Mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gebouwen, het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid, mag in afwijking van:

  • a. lid 7.2.1 onder f het hoofdgebouw plat worden afgedekt tot maximaal 25% van de oppervlakte van een hoofdgebouw;
  • b. lid 7.2.1 onder e, de bouwhoogte naar maximaal 9 m worden vergroot, voor ten hoogste 50% van het oppervlak van een woning;

Artikel 8 Waarde - Archeologie 1

8.1 Gebruiksregels

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van archeologische waarden, voor zover het gronden betreft met een archeologische waarde, een hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde.

8.2 Bouwregels
8.2.1 Bouwwerken

Voor bouwwerken, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zin vastgesteld; en,
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, en
  • c. indien sprake is van een terrein van provinciaal belang archeologie betreft, vraag het college van burgemeester en wethouders de provincie om advies.

8.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 8.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een gecertificeerd archeologisch bureau dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
  • d. indien het gestelde onder c van toepassing is wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn van de vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
8.2.3 Uitzondering onderzoeksplicht

De leden 8.2.1 en 8.2.2 zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bodemingreep die niet dieper reikt dan 0,3 m beneden maaiveld in een terrein;
  • c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,3 m beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of;
  • d. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m.
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
8.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ophogen van de bodem;
  • b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verbreden of dempen van watergangen, vijvers en andere wateren;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  • e. het diepploegen, mengwoelen of afgraven dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, het egaliseren van natuurlijk reliëf, ontginnen, en het aanleggen of rooien van bos en boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

8.3.2 Onderzoeksplicht

De aanvrager van een in lid 8.3.1 genoemde omgevingsvergunning, legt een (onderzoeks)rapport over bij het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

8.3.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.3.1 kan slechts worden verleend indien, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders

  • a. uit het rapport als bedoeld in lid 8.3.2 blijkt dat de schade door de werken of werkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, waarbij
  • b. In het geval dat het een terrein van provinciaal belang archeologie betreft, de provincie om advies wordt gevraagd, alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend.

8.3.4 Voorwaarden

Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende voorschriften aan de in lid 8.3.1 genoemde omgevingsvergunning verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerd archeologisch bureau dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
  • d. indien het gestelde onder c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

8.3.5 Uitzondering vergunningplicht c.q. onderzoeksplicht

Het bepaalde in lid 8.3.1 tot en met 8.3.4 is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud;
  • b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning;
  • c. werken of werkzaamheden die in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen wordt uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie;
  • d. niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen) tot niet meer dan 0,1 m onder de bouwvoor (bouwvoordikte 0,3 m).

Artikel 9 Waarde archeologie - 3

9.1 Gebruiksregels

De voor 'Waarde archeologie - 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor het andere daar toegestane gebruik, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Bouwwerken

Voor bouwwerken, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zin vastgesteld; en,
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, en
  • c. indien sprake is van een terrein van provinciaal belang archeologie betreft, vraag het college van burgemeester en wethouders de provincie om advies.

9.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 9.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een gecertificeerd archeologisch bureau dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
  • d. indien het gestelde onder c van toepassing is wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn van de vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

9.2.3 Uitzondering onderzoeksplicht

De leden 9.2.1 en 9.2.2 zij niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

  • e. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • f. bij grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte tot en met 1000 m²;
  • g. een diepte van meer dan 30 cm gemeten vanaf het maaiveld, met dien verstande dat deze dieptemaat wordt gesteld op 0 centimeter voor zover geen bouwvoor is en op 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen in agrarische gebieden;
  • h. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m.
9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

 Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ophogen van de bodem;
  • b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verbreden of dempen van watergangen, vijvers en andere wateren;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  • e. het diepploegen, mengwoelen of afgraven dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, het egaliseren van natuurlijk reliëf, ontginnen, en het aanleggen of rooien van bos en boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.3.2 Onderzoeksplicht

De aanvrager van een in lid 9.3.1 genoemde omgevingsvergunning, legt een (onderzoeks)rapport over, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

9.3.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3.1 wordt verleend indien, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders:

  • a. uit het rapport als bedoeld in lid 9.3.2 blijkt dat de schade door de werken of werkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, waarbij
  • b. In het geval dat het een terrein van provinciaal belang archeologie betreft, de provincie om advies wordt gevraagd, alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend.

9.3.4 Voorwaarden

Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende voorschriften aan de in lid 9.3.1 genoemde omgevingsvergunning verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerd archeologisch bureau dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
  • d. indien het gestelde onder c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

9.3.5 Uitzondering vergunningplicht c.q. onderzoeksplicht

Het bepaalde in lid 9.3.1 tot en met 9.3.4 is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud;
  • b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning;
  • c. werken of werkzaamheden die in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen wordt uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie;
  • d. niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen) tot niet meer dan 0,1 m onder de bouwvoor (bouwvoordikte 0,3 m);
  • e. het aanbrengen van drainage;
  • f. een bodemingreep die een oppervlakte beslaat van niet meer dan 1.000 m².

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning, uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk en/of de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken, zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan 'CPO Daalkampen 3B Borger' zoals vastgesteld op 13-11-2025.
  • b. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid a betrekt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit de regels over het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan 'CPO Daalkampen 3B Borger', zoals vastgesteld op 13-11-2025.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid a betrekt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit de regels over het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan 'CPO Daalkampen 3B Borger' zoals vastgesteld op 13-11-2025.
  • d. De omgevingsvergunning kan ook worden verleend indien Burgemeester en Wethouders in afwijking van het advies van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

Artikel 13 Bodemgevoelig gebouw bouwen

13.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor de gebouwen, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist, geldt een meldingplicht voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl.

13.2 Indieningsvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
  • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
  • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
  • 4. de dagtekening; en
  • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
  • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 gezamenlijk geluid

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - gezamenlijk geluid' geldt dat het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw ten hoogste Lden = 55 dB bedraagt zoals opgenomen in paragraaf 5.3, hoofdstuk 6 en de figuren en tabellen in bijlage 1 uit het Akoestisch onderzoek Nieuwbouw woningen plangebied Daalkampen 3B in Borger zoals opgenomen in bijlage 1.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

Van de in de beoordelingsregels in hoofdstuk 2 genoemde maten en afmetingen, met uitzondering van de oppervlaktematen, kan worden afgeweken tot ten hoogste 10% van die maten en afmetingen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 16 Overige regels

16.1 Parkeerregels
  • a. een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  • b. bij een omgevingsvergunning voor bouwen of wijzigen van gebruik wordt beoordeeld of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld onder a, op basis van de normen die zijn opgenomen in de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering', waarbij de volgende normen worden gehanteerd:
      • 2,6 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoning:
      • 2,5 parkeerplaatsen per twee-onder-een-kap koopwoning;
      • 2,4 parkeerplaatsen per rijwoningen.
  • c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
16.2 Voorwaardelijke verplichting

De realisatie en ingebruikneming van de woningen binnen de bestemming 'Woongebied' is uitsluitend toegestaan indien en voor zover ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag' binnen de bestemming 'Groen' een windhaag met dichte opgaande beplanting gerealiseerd en in stand gehouden wordt met een breedte van ten minste 2 m en een hoogte van ten minste 3 m. Voor de windhaag dient een gebiedseigen plantensoort toegepast te worden.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
17.2 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.