direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Langeweg 2a en 2b Bruinisse
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Langeweg 2a

Initiatiefnemer (Stouten Fourage) heeft aan de Langeweg 2a in Bruinisse een fouragehandel dat voornamelijk gericht is op de op- en overslag van fourage. Om te kunnen inspelen op de groeiende markt en de hogere kwaliteitseisen ten aanzien van de opslag is het gewenst een extra loods te realiseren op gronden grenzend aan de noordoostzijde van het bedrijf. Daarnaast heeft het bedrijf een aantal (neven)activiteiten die niet volledig in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan dan wel dat hiervoor geen milieutoestemmingen voor aanwezig zijn.

Voor de gronden geldt onder andere het bestemmingsplan 'Buitengebied Schouwen-Duiveland' uit 2009 en het wijzigingsplan Langeweg 2A Bruinisse uit 2015. De realisatie van een loods is op basis van beide plannen niet mogelijk. Om de realisatie van de ontwikkeling mogelijk te maken en de (neven)activiteiten die niet passend zijn juridisch-planologisch te bestendigen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld voor deze locatie.

Langeweg 2b

Initiatiefnemer (Loonbedrijf van der Maas) is een loonbedrijf dat vanaf 2008 een op- en overslag depot heeft aan de Langeweg 2b in Bruinisse. Op het depot worden producten, circulaire stromen en bouwstoffen opgeslagen. Daarnaast wordt ondergeschikt aan de opslag ook producten verwerkt zoals het zeven van zand en puinbreken. Tevens loopt er een pilot voor het maken van bokashi.

Op het terrein zijn geen gebouwen aanwezig. Het bedrijf is voornemens op de locatie een loods te realiseren ten behoeve van de overdekte opslag waarin eveneens kantoorruimte is gevestigd. Daarnaast is het bedrijf de afgelopen decennia zodanig gegroeid dat de bedrijfsactiviteiten en de bedrijfsoppervlakte niet meer overeenkomstig het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Schouwen-Duiveland' uit 2009 zijn. Om de realisatie van de loods met kantoorruimte mogelijk te maken en de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijk aanwezige en beoogde activiteiten is voorliggend bestemmingsplan opgesteld voor deze locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland, bewerkt: Rho adviseurs).

1.2 Geldend juridisch beleidskader en milieutoestemmingen

Voor beide locaties geldt het 'Buitengebied Schouwen-Duiveland' (2009) en eveneens het 'Parapluplan parkeernormen Schouwen-Duiveland' (2018). Dit laatste plan heeft betrekking op parkeren. Daarnaast geldt voor de locatie Langeweg 2a ook het wijzigingsplan 'Langeweg 2A Bruinisse' (2015).

Langeweg 2a

Bestemmingsplan

In figuur 1.2 is een uitsnede van de plankaart van het bestemmingsplan 'Buitengebied Schouwen-Duiveland' (2009) weergegeven. De gronden zijn bestemd voor:

  • ter plaatse van de aanduiding 'fouragehandel': behorende tot categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • ter plaatse van de aanduiding 'visserij': ondersteunende voorzieningen voor visserijactiviteiten;
  • ter plaatse van de aanduiding op- en overslagbedrijf': op- en overslag van stukgoederen behorende tot categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • ondergeschikte detailhandel in goederen en producten afkomstig van het eigen bedrijf;
  • kantoren ten behoeve van het eigen bedrijf met een oppervlakte van ten hoogste 20% van het totale vloeroppervlakte aan gebouwen;
  • een bedrijfswoning;
  • bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

In de gebruiksregels zijn de volgende regels relevant:

  • opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabij gelegen bestemming Verkeer is niet toegestaan;
  • opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • ter plaatse van de aanduiding 'op- en overslagbedrijf' is de opslag van goederen, niet zijnde hooi, stro, kuilgras en ruwvoeders en visserijbenodigdheden, in de buitenlucht niet toegestaan;
  • opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • geluidshinderlijke inrichtingen en Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • lichtmasten en lichtreclame zijn niet toegestaan.

Wijzigingsplan

In 2015 is een planologische procedure doorlopen voor uitbreiding van het bouwvlak richting het noorden. Ter plaatse van het bouwvlak is maximaal 15.643 m2 aan bebouwing toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0002.png"

Figuur 1.2 Links: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Schouwen-Duiveland (2009), rechts: uitsnede wijzigingsplan Langeweg 2A Bruinisse (bewerkt Rho adviseurs).

Milieutoestemmingen

Voor de locatie zijn de afgelopen jaren meerdere meldingen gedaan (en verleend) in het kader van het Activiteitenbesluit Milieubeheer en is een milieuvergunning in het kader van de Wet Milieubeheer afgegeven1.

Langeweg 2b

In figuur 1.2 is een uitsnede van de plankaart van het bestemmingsplan 'Buitengebied Schouwen-Duiveland' (2009) weergegeven. De gronden zijn gedeeltelijk bestemd voor Bedrijf en voor Groen. Op deze gronden is toegestaan ter plaatse van de aanduiding:

  • Bedrijf;
    • 1. 'gronddepot': een grondbergingsbedrijf behorende tot categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
    • 2. ondergeschikte detailhandel in goederen en producten afkomstig van het eigen bedrijf;
    • 3. kantoren ten behoeve van het eigen bedrijf met een oppervlakte van ten hoogste 20% van het totale vloeroppervlakte aan gebouwen;
    • 4. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.
    • 5. in de gebruiksregels zijn de volgende regels relevant:
      • a. opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabij gelegen bestemming Verkeer is niet toegestaan;
      • b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
      • c. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
      • d. geluidshinderlijke inrichtingen en Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan;
      • e. lichtmasten en lichtreclame zijn niet toegestaan.
  • Groen:.
    • 1. Op deze gronden is toegestaan: groen, water, speelvoorzieningen, picknickplaatsen en voet- en fietspaden;
    • 2. nutsvoorzieningen.
  • De maximale oppervlakte aan bebouwing/bedrijfsgronden bedraagt 13.431 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0003.png"

Figuur 1.3 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Schouwen-Duiveland (2009).

Milieutoestemmingen

Voor de locatie zijn eveneens de afgelopen jaren meerder milieutoestemmingen gegeven in het kader van de Wet milieubeheer en eveneens een gedoogbeschikking2 . Echter niet alle activiteiten waarvoor een milieutoestemming is, is juridisch-planologisch legaal op basis van het hiervoor genoemde bestemmingsplan en wijzigingplan. In paragraaf 2.1 wordt hier nader op ingegaan.

1.3 Wat wordt met voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakt?

Langeweg 2a

  • Vormverandering bouwvlak ten behoeve van realiseren loods, netto 5.000 m2, de netto oppervlakte van de bedrijfsbestemming neemt niet toe.
  • Aan locatie toe te kennen bestemmingsregeling die specifiek is afgestemd op het bedrijf op basis van:
    • 1. voorheen geldend bestemmingsplan Buitengebied Schouwen-Duiveland; rekening houdend met;
    • 2. de feitelijke aanwezige en juridisch-planologisch te bestendigen activiteiten en toekomstige activiteiten (zie hiervoor paragraaf 2.1 en 2.2 ).

Langeweg 2b

  • Vergroten bedrijfsbestemming overeenkomstig feitelijke situatie naar 30.164 m2, verkleinen toegestaan aan m2 bebouwd oppervlak van 13.431 m2 naar 5.000 m2.
  • Aan locatie toe te kennen bestemmingsregeling die specifiek is afgestemd op het bedrijf op basis van:
    • 1. voorheen geldend bestemmingsplan (bestemmingsplan Buitengebied Schouwen-Duiveland en Wijzigingsplan Langeweg 2A Bruinisse); rekening houdend met;
    • 2. de feitelijke aanwezige en juridisch-planologisch te bestendigen activiteiten en toekomstige activiteiten (zie hiervoor paragraaf 2.1 en 2.2 ).

1.4 Leeswijzer

De opbouw van de ruimtelijke motivering is als volgt:

  • hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en de beoogde situatie van het plangebied en vervolgens wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving.
  • hoofdstuk 3 bevat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan het beleidskader;
  • in hoofdstuk 4 worden de milieu- en planologische aspecten getoetst;
  • in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en beoogde ontwikkeling

(Noot: de oppervlakten die in voorliggend bestemmingsplan worden genoemd kunnen in de marge (feitelijk) afwijken).

2.1 Huidige situatie plangebied en directe omgeving

Omgeving plangebied

Het plangebied ligt aan de Langeweg ten zuiden van de kern Bruinisse. De Langeweg is een doorgaande weg aan de oostzijde van het eiland vanaf Bruinisse naar het zuiden toe. Aan de weg liggen verschillende agrarische bedrijven afgewisseld met woningen. Het plangebied is in gebruik als kleinschalig bedrijventerrein en wordt aan de noord-, oost-, en zuidzijde omringd door agrarische gronden. Aan de westzijde grenst het aan de Langeweg. In de directe omgeving van het plangebied is aan de Langeweg 3 en 5 een agrarisch bedrijf gevestigd en aan de Langeweg 3a een woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0004.png"

Figuur 2.1 Globale ligging plangebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland, bewerkt: Rho adviseurs).

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0005.png"

Figuur 2.2 Direct omgeving plangebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland, bewerkt: Rho adviseurs), aangegeven rode nummers zijn huisnummers.

Langeweg 2a

Aan de Langeweg 2a is Stouten Fourage gevestigd en wordt ook ontsloten op deze weg. Stouten Fourage is een bedrijf gericht op fourage handel en op- en overslag op internationaal niveau in de agrarische sector. Het bedrijf grenst aan de zuidzijde aan Loonbedrijf van der Maas B.V.. De bruto oppervlakte van de gronden met een bedrijfsbestemming van het huidige terrein bedraagt circa 35.910 m2, inclusief een landschappelijke inpassing van 1.985 m2. Deze 1.985 m2 is conform overeenkomst die is opgesteld in het kader van het wijzigingsplan uit 2015. Er is dus sprake van maximaal 33.925 m2 netto beschikbaar c.q. effectief te gebruiken bedrijventerrein. Van de 33.925 m2 bedrijfsterrein mag in totaal 15.643 m2 worden bebouwd (zie tabel 2.1). De volgende activiteiten worden uitgevoerd op de locatie:

  • fouragehandel: fouragehandel in hooi, stro en strooisels, opslag hiervan;
  • op- en verslag van: fourage en aanverwante producten, landbouw producten, stelconplaten, zand, gebroken puin, machines en werktuigen, opslag voor derden;
  • transport: alles wat op open combi's vervoerd kan worden zoals: fourages en agrarische producten, metaal en staalproducten, landbouwmachines en werktuigen, houten kisten en pallets, visserij gerelateerde materialen zoals transportsystemen en ankers.

Het bedrijf probeert zo duurzaam en economisch de transporten van fourage te voorzien. Dit betekent dat er geen lege vrachtwagens heen of terug rijden. Maar dat er altijd voor wordt gezorgd dat er goederen mee heen of terug gaan. Vandaar het diverse pallet aan producten. Daarnaast heeft het bedrijf nog een aantal nevenactiviteiten, te weten:

  • ondersteunende voorzieningen voor visserijactiviteiten: opslag fuiken en visserijbenodigdheden, incidenteel worden er netten gedroogd aan de voorzijde van het terrein.
  • gladheidbestrijding:
  • garagebedrijf/werkplaats voor het onderhoud van het eigen wagenpark: waaronder bandenmachine en oppompkooi, balanceren van banden etc.
  • wasplaats ten behoeve van eigen wagenpark;
  • ondergeschikte detailhandel van het eigen bedrijf.

Op het terrein bevinden zich diverse loodsen waar de opslag van de goederen plaatsvindt en vindt er beperkte opslag in de buitenlucht plaats tot een hoogte van 5 meter. Deze hoogte is nodig in verband met de bedrijfsvoering. Daarnaast is er nog kantoorruimte en een bedrijfswoning aanwezig met rijbak.

De locatie waar de toekomstige loods is beoogd is in gebruik als terrein/ agrarische gronden. De aanwezige bedrijfsbebouwing heeft overwegend een goot- en bouwhoogte van maximaal 6 en 10 meter. Voor een aantal gebouwen bedraagt deze respectievelijk 8 en 14 meter. Dit is conform de omgevingsvergunning voor bouwen die is afgegeven. Niet alle (neven)activiteiten zoals die op dit moment worden uitgevoerd op het terrein zijn toegestaan op basis van het bestemmingsplan Buitengebied Schouwen-Duiveland en het Wijzigingsplan Langeweg 2A Bruinisse. In tabel 2.1 is aangegeven welke activiteiten zijn toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan en welke feitelijke aanwezig zijn. Aan de noordzijde zijn de gronden grotendeels voorzien van landschappelijke inpassing.

Tabel 2.1 Langeweg 2a

Activiteit, functie/ situatie   Huidige planologische situatie   Feitelijke situatie   Beoogde
planologische situatie  
fouragehandel   x   x   x  
op- en overslag   x   x   x  
ondergeschikte detailhandel   x   x   x  
drogen netten visserij   -   x   x  
gladheidsbestrijding   -   x   x  
ondergeschikte detailhandel in goederen en producten afkomstig van het eigen bedrijf (waaronder verkoop van banden)   -   x   x  
werkplaats ten behoeve van eigen wagenpark   -   x   x  
wasplaats ten behoeve van eigen wagenpark   x   x   x  
paard   x   x   -  
kantoor (max 20% van het totale vloeroppervlak van gebouwen)   x   x   x  
bedrijfswoning   x   x   x  
netto oppervlakte bedrijventerrein   33.925 m2   33.925 m2   33.925 m2  
netto maximaal bebouwd bouwvlak   15.643 m2   15.463 m2   15.643 m2  
landschappelijke inpassing - noordzijde terrein
voorzijde terrein (drogen netten)
nieuw zuid- en oostzijde in de plaats van bedrijfsgronden  
1.985 m2

2.028m2*
n.v.t.
 
1.985 m2

2.028 m2*
n.v.t.
 
1.985 m2

2.028 m2**
2.972 m2
 

* bedrijfsbestemming

** groen/ landschappelijke bestemming

Langeweg 2b

Algemeen

Loonbedrijf van der Maas B.V. is gevestigd aan de Langeweg 2b in Bruinisse. Het is een middelgroot grondverzetbedrijf, gespecialiseerd in grondverzet en grondtransport. Dit wordt gedaan door middel van de verhuur van graafmachines, tractoren en dumpers met machinist en chauffeur. In 2008 heeft het bedrijf een depot opgericht aan de Langeweg 2b in Bruinisse.

De oppervlakte van het terrein bedraagt circa 52.300 m2. Hiervan is 30.164 m2 in gebruik als bedrijventerrein. Op basis van het geldende bestemmingsplan bedraagt de bedrijfsbestemming 13.431 m2. Een groot gedeelte van de feitelijke activiteiten vindt nu plaats op gronden die daarvoor niet zijn bestemd, namelijk ter plaatse van de bestemming Groen.

Op het terrein vinden de volgende activiteiten plaats:

  • opslag van producten, circulaire stromen en bouwstoffen;
  • op- en overslag van: groenafval, houtafval, grond, zand, puin, bouwstoffen zoals straatstenen en menggranulaat, bodemverbeteraars straatstenen, restproducten afkomstig uit eigen bedrijfsvoering;
  • aan- en afvoer van bouw-, grond- en afvalstoffen;
  • shredderen van groenafval ten behoeve van verbranding;
  • zeven van groenafval en grond;
  • breken van puin (30 dagen per jaar);
  • maken bokashi (pilot);
  • stallen materieel: vrachtwagens, tractoren, werktuigen, containers, ten behoeve van uitvoeren bedrijf;
  • tanken eigen voertuigen;
  • klein kantoor.

Tabel 2.2 Langeweg 2b

Activiteit, functie/ situatie   Huidige planologische situatie   Feitelijke situatie   Beoogde
planologische situatie  
gronddepot/ opslagdepot   x   x   x  
op- en overslag van groenafval   -   x   x  
op- en overslag van houtafval   -   x   x  
op- en overslag van grond/zand   x   x   x  
op- en overslag van puin   -   x   x  
op- en overslag van bouwstoffen zoals straatstenen en menggranulaat   -   x   x  
op- en overslag van straatstenen   -   x   x  
op- en overslag van restproducten afkomstig uit eigen bedrijfsvoering   -   x   x  
versnipperen (shedderen) van groenafval   -   x   x  
zeven van grond   x   x   x  
zeven van groen   -   x    
maken bokashi (pilot)   -   x (pilot)   -  
ondergeschikte detailhandel in goederen en producten afkomstig van het eigen bedrijf   x   x   x  
kantoren t.b.v. de eigen bedrijfsvoering   x   x   x  
netto bedrijventerrein   13.431 m2   30.164 m2   30.164 m2  
netto maximaal bebouwd bouwvlak   13.431 m2   13.431 m2   5.000 m2  

De locatie waar de toekomstige loods met kantoor is beoogd is in gebruik als terrein en hier staat nu een klein gebouw waar nu het kantoor in zit. Rondom het terrein ligt een groenwal van circa 5 meter hoog ten behoeve van de landschappelijke inpassing. In tabel 2.2 is aangegeven welke activiteiten zijn toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan en welke feitelijke aanwezig zijn, eventueel op basis van milieutoestemmingen.

Pilot maken bokashi

Het begrip bokashi wordt gebruikt voor het proces van fermenteren van groenstromen onder toevoeging van specifieke hulpstoffen. Op dit moment is dit proces landelijk in ontwikkeling en geldt er nog geen afgebakend begrip voor bokashi. Het restmateriaal dat als ingangsstof voor het proces dient wordt (veelal) gezien als afvalstof. Bokashi is nog niet in het Landelijk Afvalbeheerplan (hierna LAP) opgenomen aangezien het nog niet is opgenomen als erkende verwerkingsmethode. De toepassing van bokashi op de bodem buiten een inrichting is volgens artikel 10.2 Wet milieubeheer niet toegestaan, ook kan bokashi niet worden toegepast binnen de Vrijstellingsregeling plantenresten en is deze niet opgenomen in de Meststoffenwet.

Het minsterie van LNV en I&W hebben samen met RWS samen de Biomassa Alliantie in het programme Circulair terreinbeheer een kennisprogramma opgezet dat wordt uitgevoerd door de WUR. Hierin wordt onderzoek gedaan door middel van pilots.

Op basis van de resultaten van het CT Kennisprogramma wordt bezien of en hoe beleid en

regelgeving, zowel binnen het milieurecht als in de meststofregelgeving zou kunnen worden aangepast om toepassing van bokashi of gecomposteerd maaisel of bladafval op duurzame en verantwoorde wijze mogelijk te maken. Loonbedrijf Maas van der Maas doet op dit moment mee met deze pilot.

Het is mogelijk dat de pilot positief uitpakt. Op dat moment zal op basis van op dat moment geldende wet- en regelgeving een afzonderlijke ruimtelijke procedure worden opgestart om deze activiteit juridisch-planologisch mogelijk te maken. In voorliggend bestemmingsplan is geen rekening gehouden met het verwerken van bokasi voor op de bodem buiten een inrichting zoals genoemd in artikel 10.2 Wet milieubeheer.

2.2 Toekomstige situatie

Langeweg 2a

Om te kunnen inspelen op de groeiende agrarische markt is het bedrijf genoodzaakt haar bedrijfsactiviteiten van de fouragehandel en opslag uit te breiden. Hierbij moet worden gedacht aan uitbreiding van het assortiment, overdekte opslag en meer efficiënte terreinindeling, waardoor er minder transportbewegingen op het terrein nodig zijn. Voor de overdekte opslag is het nodig een extra loods te realiseren. Deze is beoogd aan de noordoostzijde van het terrein. In figuur 2.3 is de locatie aangegeven.

De oppervlakte van de loods bedraagt maximaal 5.000 m2 en heeft een maximale bouwhoogte van 12 meter. Ten behoeve van de loods wordt het bestemmingsvlak en daarmee het bouwvlak aangepast.

Nabij de entree worden incidenteel visnetten gedroogd. Aangezien dit incidenteel is, is het hiervoor gezien de ruimtelijke uitstraling en zeer beperkte milieueffecten niet noodzakelijk om hiervoor een bedrijfsbestemming voor op te nemen. Deze gronden (2.028 m2) en een strook ten zuiden en aan de oostzijde van de bestaande bebouwing krijgen een groen/ landschappelijke bestemming 2.972 m2). Hierdoor is het mogelijk om aan de noordoostzijde de gronden te voorziening van een bedrijfsbestemming/ bouwvlak zonder dat er een toename is aan bedrijfsgronden. Daarnaast is buitenopslag toegestaan tot maximaal 4 meter, dit is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. In tabel 2.1 is aangegeven welke activiteiten met voorliggend plan juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt.

Conform de feitelijke aanwezige bebouwing bedraagt de maximale goot- en bouwhoogte voor bedrijfsbebouwing maximaal respectievelijk 8 en 14 meter.

Aan de noord- en oostzijde van de loods wordt de aanwezige landschappelijke inpassing doorgezet, zodat er een zachte overgang is van de agrarische gronden naar het bedrijventerrein. Voor een uitgebreide toelichting van de landschappelijke inpassing wordt onder het kopje landschappelijke inpassing' hier verder op ingegaan. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0006.png"

Figuur 2.3 Impressie locatie loods Langeweg 2a

Langeweg 2b

Algemeen

Op het terrein wordt nabij de entree een loods met kantoorruimten beoogd van maximaal 5.000 m2. De huidige bedrijfsactiviteiten binnen de groenwal worden conform de feitelijke situatie, zoals opgenomen in paragraaf 2.1 positief bestemd.

De oppervlakte van het bouwvlak wordt verkleind ten opzichte van de huidige bouwvlak, zie hiervoor tabel 2.2. De goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 8 en 11 meter. De al aanwezige wal zorgt ervoor dat het geheel goed is ingepast. Daarnaast zal nog worden voorzien in extra landschappelijke inpassing. Een uitgebreide toelichting over de landschappelijke inpassing is opgenomen onder het kopje 'landschappelijke inpassing'.

In tabel 2.2 is aangegeven welke activiteiten met voorliggend plan juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt. Voor de beleidsmatige onderbouwing wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0007.png"

Figuur 2.4 Impressie locatie loods + kantoor Langeweg 2b

2.3 Landschappelijke inpassing

Beide bedrijfslocaties worden zorgvuldig landschappelijk ingepast. Door Stichting Landschapsbeheer Zeeland is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De landschappelijke inpassing voor de locatie Langeweg 2b bestaat uit een grondwal rondom rondom het perceel. De grondwal wordt tevens aangeplant met knotbomen. Aan de voorzijde van het bedrijf wordt een aantal laanbomen in een groep geplant bij een waterpartij.

Voor de locatie langeweg 2a wordt voornamelijk aan de noordzijde voorzien in landschappelijke inpassing. Hier wordt een bossingel aangelegd en een waterpartij gegraven. De aanleg en beheer van de landschappelijke inpassing is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd. Het totale landschappelijke inpassingsplan is dan ook bijgevoegd in bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0008.png"

Figuur 2.5: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan (Stichting Landschapsbeheer Zeeland, 03-03-2023)

2.4 Afronding bedrijventerrein

Met voorliggende ontwikkeling en de realisatie van de landschappelijke ontwikkeling is voorliggend bedrijventerrein afgerond. Het ligt vooralsnog niet in de lijn van het provinciaal- en gemeentelijk beleid om in de toekomst de bedrijven meer uitbreidingsruimte te geven.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Algemeen

Hierna wordt ingegaan op het voor de ontwikkeling relevante (ruimtelijke) beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Toetsingskader

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Voor dit project relevante nationale belangen zijn:

  • bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • duurzaam economisch groeipotentieel.

Keuzes

De belangrijkste keuzes zijn:

  • duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit;
  • ruimte voor overgang naar een circulaire economie;
  • locaties van (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven, en zo de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken;
  • landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling raakt gezien de omvang geen belangen op Rijksniveau. Vanzelfsprekend wordt rekening gehouden met de inzetbaarheid van duurzame energie en zetten beide bedrijven zich in voor de circulaire economie.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro)

Toetsingskader

Het Barro Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen.

Toetsing en conclusie

Voor de ontwikkeling zijn de regels uit het Barro niet van toepassing.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame ontwikkeling

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat toch gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Uit jurisprudentie blijkt dat een functiewijziging van meer dan 500 m2 bvo wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Toetsing

Stedelijke ontwikkeling

Locatie Langeweg 2a

De bruto oppervlakte van de gronden met een bedrijfsbestemming van het huidige terrein bedraagt circa 35.910 m2, inclusief een landschappelijke inpassing van 1.985 m2. Deze 1.985 m2 is conform overeenkomst die is opgesteld in het kader van het wijzigingsplan uit 2015. Er is dus sprake van maximaal 33.925 m2 netto beschikbaar c.q. effectief te gebruiken bedrijfsterrein. Van de 33.925 m2 bedrijfsterrein mag in totaal 15.643 m2 worden bebouwd.

Stouten Fourage is voornemens om aan de noordoostzijde een loods te bouwen op gronden met een agrarische bestemming. Voor het realiseren van de loods is 5.000 m2 aan gronden met de bestemming bedrijf nodig.

Aan de voorzijde van het terrein worden gronden met de bedrijfsbestemming incidenteel gebruikt voor het drogen van netten. Gezien het incidentele karakter en de beperkte ruimtelijke uitstraling hiervan passen deze activiteiten ook in een groen/ landschappelijke bestemming. In paragraaf 2.2 wordt onder het kopje 'landschappelijke inpassing' nader toegelicht hoe dit wordt ingepast in de omgeving.

Daarnaast is een smalle strook aan de zuidzijde van de huidige bebouwing ingebruik als groen. Door de gronden aan de voorzijde van het terrein samen met de hiervoor genoemde strook groen te bestemmen met een groen/ landschappelijke bestemming komt er 5.000 m2 aan grond met de bestemming bedrijf vrij die zullen worden ingezet ten behoeve van de nieuwe loods. Hiervoor is het nodig om het huidige bestemmingsvlak c.q. bouwvlak te veranderen van vorm.

Dit betekent dat het netto beschikbaar c.q. effectief te gebruiken bedrijfsterrein maximaal 33.925 m2 blijft en het maximaal bebouwd oppervlak ook netto 15.643 m2 blijft.

De aangrenzende gronden krijgen een groen/ landschappelijke bestemming waardoor de zekerheid er is dat het terrein goed landschappelijk wordt ingepast in het landschap.

Op voorliggende locatie is geen toename van het aantal m2 aan gronden met een bedrijfsbestemming.

In beginsel is sprake van een stedelijke ontwikkeling aangezien het ingebruik nemen van de agrarische gronden leidt tot extra bebouwing. Echter op het terrein wordt een zelfde oppervlakte aan de beoogde gronden met een bedrijfsbestemming bestemd naar een groen/ landschappelijke bestemming. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling er is namelijk geen sprake van een toename aan bebouwing.

Locatie Langeweg 2b

De locatie heeft conform het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming Bedrijf met een omvang van 13.431 m2 en de bestemming Groen met een omvang van 38.869 m2. Het terrein wordt momenteel voor 30.164 m2 gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. Met het bestemmingsplan wordt de huidige omvang van bedrijfsactiviteiten van Loonbedrijf van der Maas vastgelegd. Daarmee wordt er planologisch meer dan 500 m2 toegevoegd (16.733 m2), en kan de ontwikkeling worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0009.png"

Figuur 3.1 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Schouwen-Duiveland, waarin ook de uitbreiding van het bestemmingsvlak Langeweg 2a (wijzigingsplan van 14 december 2015) is verwerkt (plangebied met rode stippellijn aangeduid).

Behoefte

Langeweg 2a

Stouten Fourage is een bedrijf dat zich grotendeels richt op de op- en overslag van fourage. De volgende activiteiten worden uitgevoerd op de locatie:

  • fouragehandel: fouragehandel in hooi, stro en strooisels en de opslag hiervan;
  • op- en overslag van fourage en aanverwante producten;
  • transport: alles wat op open combi's vervoerd kan worden.

Daarnaast heeft het bedrijf nog een aantal nevenactiviteiten, te weten:

  • ondersteunende voorzieningen voor visserijactiviteiten: opslag fuiken en visserijbenodigdheden;
  • gladheidbestrijding:
  • garagebedrijf/werkplaats voor het onderhoud van het eigen wagenpark;
  • wasplaats ten behoeve van eigen wagenpark;
  • stro hakselen;
  • ondergeschikte detailhandel van het eigen bedrijf.

Met de ontwikkeling wordt deels de bestaande situatie juridisch-planologisch vastgelegd, en deels wordt een vormverandering van het bedrijfsoppervlak mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van uitbreiding. Er is alleen sprake van een aanpassing van de vorm/begrenzing van het netto bedrijfsterrein met een daarop afgestemd bestemmingsvlak c.q. bouwvlak, waarbij de oppervlakte van de netto beschikbare bedrijfsgronden gelijk blijft.

Om in te kunnen spelen op de groeiende markt en de hogere kwaliteitseisen ten aanzien van de opslag is het gewenst een extra loods te realiseren. De eisen voor opslag van producten worden steeds strenger. Het is gewenst om het stro e.d. binnen op te slaan. Daar is in de huidige situatie niet voldoende ruimte voor. De oppervlakte van de loods bedraagt maximaal 5.000 m2. Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van toename aan gronden met een bedrijfsbestemming.

Langeweg 2b

Loonbedrijf Van der Maas B.V. is een middelgroot grondverzetbedrijf, gespecialiseerd in grondverzet en grondtransport. Aan de Langeweg is het depot gevestigd. Hier kunnen zowel bedrijven als particulieren terecht om producten te halen of brengen.

Op het terrein vinden de volgende activiteiten plaats:

  • opslag van producten, circulaire stromen en bouwstoffen;
  • op- en overslag van: groenafval, houtafval, grond, zand, puin, bouwstoffen zoals straatstenen en menggranulaat, bodemverbeteraars, straatstenen, restproducten afkomstig uit eigen bedrijfsvoering;
  • aan- en afvoer van bouw-, grond- en afvalstoffen;
  • shredderen van groenafval ten behoeve van verbranding;
  • zeven van groenafval en grond;
  • breken van puin (30 dagen per jaar);
  • stallen materieel: vrachtwagens, tractoren, werktuigen, containers, ten behoeve van uitvoeren bedrijf;
  • tanken eigen voertuigen;
  • klein kantoor.

Ook voor deze locatie geldt dat deels de bestaande situatie planologisch wordt vastgelegd.Daarnaast wordt een loods met kantoor mogelijk gemaakt op het huidige terrein. In de afgelopen decennia is het bedrijf zodanig gegroeid en ontwikkeld dat de bedrijfsactiviteiten niet meer overeenkomen met de mogelijkheden in het huidige bestemmingsplan. Om deze activiteiten voort te kunnen zetten is het nodig om dit te regelen in voorliggend nieuw bestemmingsplan. Daarnaast is het bedrijf voornemens om de bedrijfsactiviteiten uit te breiden om in te spelen op ontwikkelingen in de (agrarische) sector.

Door middel van het vergroten van het bouwvlak wordt een loods en kantoor mogelijk gemaakt op het huidige terrein. De loods zal worden opgericht voor het opslaan van goederen die gevoelig zijn voor weersinvloeden. In de huidige situatie is een dergelijke opslagmogelijkheid niet aanwezig. Daarnaast wordt een gedeelte van de loods in gebruik genomen als kantoor, wat ten goede komt aan de bedrijfsvoering op het depot.

Algemene behoefte aan bedrijventerrein

In de Prognose bedrijventerreinen Zeeland (2020) is de kwantitatieve en kwalitatieve verhouding tussen vraag en aanbod in de provincie Zeeland in beeld gebracht. De vraag is of het aantal hectares dat nog uitgeefbaar is, voldoende is om in de uitbreidingsvraag te voorzien. De uitbreidingsvraag wordt bepaald op basis van de scenario's hoog en laag van de studie Welvaart en Leefomgeving (WLO), opgesteld door het CPB en BPL (2015). Het scenario Hoog combineert een relatief hoge bevolkingsgroei met een hoge economische groei van 2% per jaar. Het scenario Laag combineert een beperkte demografische ontwikkeling met een gematigde economische groei van ongeveer 1% per jaar. Het verschil tussen de scenario's geeft een realistische en onderscheidende bandbreedte voor de toekomstige ontwikkeling van de ruimtevraag naar bedrijventerreinen in (de regio's van) Zeeland. Het is wenselijk om deze bandbreedte te hanteren in de regionale bedrijventerreinenprogrammering. Het kiezen voor een van de scenario's heeft namelijk als risico dat de ruimtevraag wordt over- of onderschat. Immers, de werkelijke ontwikkeling van de ruimtevraag zal van jaar tot jaar fluctueren, afhankelijk van de conjunctuur. Landelijke ervaringscijfers laten zien dat de uitgifte in de praktijk tussen het lage en hoge scenario beweegt.

In de provinciale prognose wordt voor de provincie geconcludeerd dat er voorlopig voldoende planaanbod is om in de uitbreidingsvraag te voorzien. Tegenover de uitbreidingsvraag van 108 tot 207 hectare tot en met 2030 staat een hard planaanbod van 180 hectare. In het lage scenario is er een overaanbod van 72 hectare, in het hoge scenario is er echter een tekort van 27 hectare bedrijventerrein.

Ook op regionale schaal is de vraag uitgezet tegenover het aanbod (figuur 3.2). Daaruit blijkt dat voor de regio Schouwen-Duiveland het harde planaanbod de komende jaren rond het lage scenario van de uitbreidingsvraag ligt. In het scenario hoog ontstaat er een tekort. Dit betekent dat de behoefte de komende jaren zal bewegen tussen een evenwicht en een behoefte aan uitbreiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0010.png"

Figuur 3.2 Confrontatie vraag en aanbod per regio provincie Zeeland

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0011.png"

Figuur 3.3 Confrontatie vraag en aanbod per regio provincie Zeeland

Naast de kwantitatieve behoefte is in de prognose ook de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. Daarbij gaat het om de doelgroep van de bedrijventerreinen. Geconcludeerd wordt dat in Schouwen-Duiveland het grootste deel van het aanbod is geconcentreerd in Zierikzee (Straalweg en Business Park). Dit past vanuit aspecten als ligging, bereikbaarheid en arbeidsmarkt ook bij de regionale uitbreidingsvraag. Logistieke en industriële ruimtevraag kunnen hier prima gehuisvest worden. In de overige kernen is niet of nauwelijks aanbod beschikbaar. Mogelijk zijn kleinschalige uitbreidingen van bestaande terreinen gewenst om in de lokale uitbreidingsvraag te voorzien.

Locatieafweging

De locatie Langeweg 2a 2b liggen in het buitengebied van Bruinisse. Omdat met de ontwikkeling een stedelijke functie in het buitengebied wordt uitgebreid is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Dat betekent dat in beeld gebracht moet worden waarom de ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden.

Vestigingseisen Langeweg 2a

De ontwikkeling betreft deels het planologisch vastleggen van het huidige en toekomstige gebruik en het realiseren van een loods (5.000 m2) op gronden die agrarisch in gebruik zijn. Stouten Fourage is al een lange tijd op deze locatie gevestigd, en heeft ook een functionele link met het agrarisch gebied. De volgende uitgangspunten zijn van belang bij een (nieuwe) vestigingslocatie.

  • Het zoekgebied is de gemeente Schouwen-Duiveland.
  • Mogelijkheid om de bedrijfsactiviteitenop één locatie te realiseren. Een splitsing van de bedrijfsactiviteiten is om bedrijfseconomische redenen niet haalbaar.
  • Een minimale omvang van 33.925 m2 netto oppervlak aan bedrijventerrein.
  • Het terrein moet geschikt zijn voor de specifieke bedrijfsactiviteiten, zoals toegelicht in paragraaf 2.1 en 2.2.
  • De locatie moet goed bereikbaar zijn voor grote voertuigen.

Vestigingseisen Langeweg 2b

Ook het Loonbedrijf Van der Maas B.V. is al een aantal jaren gevestigd aan de Langeweg 2b. Met de ontwikkeling wordt het bestaande en toekomstige gebruik planologisch vastgelegd. De omvang zal niet gewijzigd worden. Daarnaast is er een loods met kantoorruimte beoogd. Bebouwing is nu nog niet aanwezig op de locatie. Bij het zoeken naar een nieuwe locatie binnen bestaand stedelijk gebied zijn de volgende vestigingseisen van belang.

  • Het zoekgebied is de gemeente Schouwen-Duiveland.
  • Een minimale omvang van33.164 m2 netto oppervlak aan bedrijventerrein.
  • Het terrein moet geschikt zijn voor de bedrijfsactiviteiten. Dit bestaat voornamelijk uit opslag van goederen, maar moet ook geschikt zijn voor zwaardere activiteiten, zoals schredderen, zeven van groenafval en grond en puinbreken. Daarnaast moet ook groot materieel opgeslagen kunnen worden.
  • De locatie moet goed bereikbaar zijn voor grote voertuigen.

Beschikbaar bestaand aanbod

Via Funda in Business is het aanbod aan bedrijfshallen, bouwgrond en verhard buitenterrein in de gemeente Schouwen-Duiveland geïnventariseerd. In de gemeente wordt geen bouwgrond en verhard buitenterrein aangeboden. Wel worden er 10 bedrijfshallen aangeboden (figuur 3.5). De omvang van de locatie is het belangrijkste criterium.

Het meeste aanbod is te vinden in Zierikzee (8), daarnaast worden 2 panden in Burgh-Haamstede aangeboden. Het grootst aangeboden bedrijfspand heeft een omvang van 457 m2. De rest van de aangeboden locaties zijn allemaal kleiner dan 400 m2. Deze locatie zijn niet van voldoende omvang voor vestiging van de bedrijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0012.png"  afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0013.png"

Figuur 3.5 Aanbod 'bedrijfshallen' Schouwen-Duiveland (bron: Funda in Business, dd. 20-05-2022)

De gemeente Schouwen-Duiveland heeft de volgende bedrijventerrein.

  • Buinisse-Zuid: dit is een grootschalig bedrijventerrein met een omvang van 14,8 hectare (Bedrijventerreinprogramma Schouwen-Duiveland, 2017). Via de website van de gemeente is te zien dat er geen uitgeefbare kavels meer beschikbaar zijn.
  • Gouwepoort in Zierikzee: het bedrijventerrein Gouwepoort heeft 3 kavels van elk circa 4.000 m2 beschikbaar. Deze omvang is niet voldoende voor zowel Stouten als Van der Maas. Ook de activiteiten van de twee bedrijven functie is niet passend bij de toegestane bedrijfsactiviteiten (maximaal milieucategorie 2.1).
  • Businesspark Zierikzee: zijn ook nog twee kavels beschikbaar. Deze (totaal circa 7.000 m2) zijn ook te klein, en zijn daarnaast speciaal bedoeld voor bedrijven met een kantoorfunctie.
  • Straalweg zijn momenteel nog twee kavels beschikbaar. Deze zijn echter ook te klein (circa 1.000 en 4.000 m2).

Op basis van voorgaande inventarisatie wordt geconcludeerd dat binnen het bestaand stedelijk gebied op basis van de vestigingseisen geen geschikte locaties beschikbaar zijn.

Beschikbaar toekomstig aanbod

Op dit moment is een visie voor de Zuidoostflank van Zierikzee in ontwikkeling (zie paragraaf 3.4.3). In de concept visie wordt rekening gehouden met uitbreiding van bedrijfsgronden aan de Straalweg in Zierikzee. De verwachting is dat de gebiedsvisie in april 2023 wordt vastgesteld. Op dat moment zijn de actuele contouren bekend van het bedrijventerreinprogramme voor de komende 30 tot 50 jaar.

Op dit moment is niet duidelijk voor welke doelgroep de bedrijfsgronden zijn en op welke termijn de gronden beschikbaar komen, er zal uiteindelijk eerst een planologische-procedure moeten worden doorlopen om dit mogelijk te maken.

Gezien de huidige onzekerheid en de specifieke vestigingseisen, is het niet realistisch dat de bedrijven op korte termijn hier naartoe kunnen verhuizen

Conclusie

Aan de Langeweg 2a en 2b wordt de planologische situatie van de bedrijfsactiviteiten van Stouten Fourage en Loonbedrijf Van der Maas B.V. in overeenstemming gebracht met het huidige daadwerkelijke gebruik en toekomstig gebruik. Daarnaast zal op de locatie Langweg 2a een extra loods worden gerealiseerd en op de locatie Langweg 2b een loods met kantoorruimte. Daarnaast wordt voorzien in een landschappelijke afronding.

De behoefte aan de ontwikkelingen is tweeledig; een bedrijfsspecifieke behoefte en de algemene behoefte aan bedrijventerreinen in Schouwen Duiveland. Om in te kunnen spelen op de ontwikkelingen in de (agrarische) sector is het voor beide bedrijven noodzakelijk dat deze ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Allereerst is vastleggen van het huidige gebruik nodig om de huidige activiteiten te kunnen blijven uitvoeren.

Daarnaast zijn de toekomstige activiteiten en de beoogde nieuwbouw nodig om te kunnen voldoen aan de groeiende markt, en hogere eisen ten aanzien van opslag. De ontwikkeling maakt daarmee een duurzame bedrijfsvoering en functioneren mogelijk.

Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland is er sprake van een krappe markt ten aanzien van bedrijventerreinen. De vraag is in het lage scenario ongeveer even groot als het aanbod, maar bij een groei volgens het hoge scenario zal het aanbod niet voldoende zijn. Dit betekent dat er de komende periode behoefte is aan uitbreiding van bedrijfslocaties.

Het huisvesten van de twee bedrijven op een bedrijventerrein binnen de gemeente leidt tot een extra ruimtevraag naar nieuw bedrijventerrein. Binnen het bestaand stedelijk gebied zijn gelet op de kavelomvang geen mogelijkheden om de bedrijven te huisvesten. De toekomstige mogelijkheden zijn nog in een zodanig pril stadium dat hierop wachten niet realistisch is voor beide bedrijven. Daarnaast betekent dit ook dat er nog langer sprake is van bedrijfsmatige activiteiten die niet volledeig planologisch zijn toegestaan.

Dit betekent dat de ontwikkeling moet plaatsvinden buiten het bestaand stedelijk gebied. De huidige locaties hebben overwegend al een bedrijfsfunctie, en zijn geschikt voor de bedrijfsactiviteiten die plaats (zullen) vinden.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Zeeuwse Omgevingsvisie

Toetsingskader

Algemeen

De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:

  • 1. uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland;
  • 2. balans in de grote wateren en het landelijk gebied;
  • 3. een duurzame en innovatieve economie;
  • 4. klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Het beleid van de Zeeuwse is op hoofdlijnen meegenomen in de Zeeuwse Omgevingsvisie.

Bedrijvigheid

Het merendeel van het Zeeuwse Bedrijfsleven behoort tot het midden- en kleinbedrijf en is belangrijk voor de werkgelegenheid. Goede werk- en bedrijfslocaties zijn nodig om economische ontwikkeling te faciliteren. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, met name op grootschalige terreinen. Bestaande kleinschalige bedrijventerreinen hebben onder voorwaarden de mogelijkheid om eenmalig beperkt te worden afgerond. Een verdere toename van kleinschalige bedrijventerreinen is ongewenst.

Natuur

De volgende hoofdambities zijn van toepassing voor het aspect natuur:

  • verbeteren van biodiversiteit;
  • versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur;
  • versterken van de verbinding tussen natuur en economie.

Circulaire economie

Doel is het sluiten van kringlopen op (bij voorkeur) regionale schaal in combinatie met het behoud van waarde van materialen en het stimuleren van circulatriteit in de keten. De aanpak is gericht op drie speerpunten:

  • het ontwikkelen van circulaire verdienmodellen;
  • omschakelen naar (biobased) brandstoffen;
  • hergebruik van grondstoffen.

Klimaatbestendig

Doel is dat Zeeland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Concreet betekent dit dat dat hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zoveel mogelijk worden beperkt.

Duurzaamheid

De provincie Zeeland heeft duurzaamheids doelen gesteld op het vlak van duurzame energie, klimaatadaptatie en zoet water.

Toetsing en conclusie

Bedrijvigheid

De gronden maken deel uit van een kleinschalig bedrijventerrein. Met voorliggende ontwikkeling is sprake van de afronding van dit terrein. De realisatie van een goede landschappelijke inpassing maakt hier onderdeel van uit. Voor een onderbouwing van het programma wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3. De ontwikkeling sluit, gezien het voorgaande, aan bij het provinciale beleid.

Natuur

Bij voorliggende ontwikkeling wordt de kans gegrepen om de biodiversiteit in het gebied te vergroten. Voor de ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld in samenwerking met Stichtingslandschap Beheer Zeeland. Deze organisatie richt zich op beheer en ontwikkeling van het Zeeuwse cultuurlandschap. Door deze samenwerking is er voor de gronden een goede landschappelijke invulling ontstaan waarbij natuur en de activiteiten op beide bedrijven samengaan. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 2.2. De ontwikkeling sluit, gezien het voorgaande, aan bij het provinciale beleid.

Circulaire economie

Bij circulariteit wordt uitgegaan van een wereld zonder afval, en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt. Beiden bedrijven spelen in op circulariteit en dit is ook basis van de bedrijfsvoering.

Langeweg 2a

De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf zit in de keten van de circulaire economie. Met de op- en overslag van bijvoorbeeld stelconplaten, puin etc. wordt ervoor gezorgd dat materiaal wordt hergebruikt.

De uitbreiding van een extra loods zorgt ervoor dat hierop nog beter kan worden ingespeeld.

Zoals in hoofdstuk 2 aangegeven streeft het bedrijf naar zo duurzaam mogelijke transporten. Dit betekent dat er geen lege vrachtwagens heen of terug rijden. Hierbij is niet direct sprake van circulariteit maar dit heeft wel tot resultaat dat er minder grondstoffen worden gebruikt en sprake is van minder uitlaatgassen.

Langeweg 2b

De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf (toegelicht in hoofdstuk 2) richt zich met uitstek op de circulaire economie en is voor de regio Zeeland hierin een belangrijke speler.

Klimaatbestendig

Voor de ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld. Hierbij is rekening gehouden met de realisatie van voldoende groen ter voorkoming van hittestress. Daarnaast wordt er op beide terrein voorzien in voldoende waterberging en de natuurlijke buffering hiervan om water vast te houden. Dit voorkomt wateroverlast en daarnaast zorgt de buffer ervoor

Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 2.3

Duurzaamheid

In paragraaf 4.13 Duurzaamheid wordt nader ingegaan op deze aspecten. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het provinciale beleid.

3.3.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018

Toetsingskader

Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Er zijn algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaande stedelijke gebied. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar de realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

Bedrijven (artikel 2.3)

Artikel 2.3 geeft aan dat bedrijventerreinen alleen zijn toegelaten op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening daartoe zijn bestemd. Er zijn hier enkele uitzonderingen op, waaronder functioneel aan het buitegebied gebonden bedrijvigheid en de vestiging van nieuwe economische dragers bij agrarische bedrijven.

Op kaart 2 bij de verordening zijn de grootschalige bedrijventerreinen aangegeven. Deze is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinprogramma's. Het betreft terreinen met een zekere ontwikkelingspotentie gezien de ligging, de ontsluiting en het economisch belang.

Bij de uitbreiding van een kleinschaligbedrijventerrein is uitbreiding niet toegestaan, tenzij sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. De uitbreiding betreft een netto uitbreiding. Onder een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt niet verstaan het verwezenlijken van de gebruikelijke strook landschappelijke inpassing. Die maakt deel uit van de reguliere eisen die aan een dergelijke ontwikkeling wordt gesteld. Gedacht moet worden aan: een aanzienlijke verbetering van de openbare ruimte/de inrichting of de ontsluiting van het terrein of de directe omgeving ervan, het oplossen van hinder door geur, trilling, geluid, stof, het oplossen van knelpunten op het gebied van externe veiligheid etcetera.

Daarnaast is extra uitbreiding mogelijk bij een kleinschalig bedrijventerrein indien aannemelijk is gemaakt dat naast het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en de sanering en voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare. Als er dus sprake is van een win-win situatie.

Toetsing

Lid 1:

In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht dat de ontwikkeling (vestiging en uitbreiding) van bedrijvigheid in beginsel moet plaatsvinden op daartoe bestemde locaties. Hiermee wordt onder andere bedoeld de geldende bedrijfsmatige bestemming in het vigerende bestemmingsplan.

De locaties aan de Langeweg 2a en b zijn in het vigerende bestemmingsplan bestemd als bedrijf.

Lid 2:

In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op:

  • a. grondstoffenwinning;
  • b. olie- en gaswinning;
  • c. waterwinning;
  • d. afvalstort;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. horeca- en recreatiebedrijven;
  • g. agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A alsmede overige krachtens deze verordening toegelaten bedrijvigheid;
  • h. overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid;
  • i. solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied.

De locaties aan de Langeweg 2a en b worden beide gezien als een 'overig functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf'. Voor de fouragehandel aan de Langeweg 2a is dit evident. Maar ook het op- en overslagbedrijf aan Langeweg 2b is dat. Hier wordt immers groenafval verwerkt, en producten opgeslagen ten behoeve van dijkverzwaringsprojecten. Beide locaties zijn daarom uitgezonderd van lid 1.

Lid 3:

In het derde lid is bepaald dat nieuwe bedrijventerreinen, alsmede de uitbreiding van een bedrijventerrein wordt toegelaten onder de voorwaarde dat:

  • a. het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80% van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen, en;
  • b. duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is.

Het beoogde plan is niet in strijd met de doelstelling dat 80% van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen. De beide percelen (Langeweg 2a en b) zijn immers opgenomen in het regionaal bedrijventerreinenprogramma Schouwen-Duivenland en door de provincie akkoord verklaard. Tevens zijn beide percelen vermeld op de BIS kaart 'Bedrijven terreinen en subsidies', zie figuur 3.6. De op de BIS kaart aangeduide omvang van het bedrijventerrein is de uitgangssituatie voor de toetsing aan de regels uit de provinciale omgevingsverordening ten aanzien van kleinschalige bedrijventerreinen. Voor een uitgebreide motivering ten aanzien van het bestaande (kleinschalige) bedrijventerrein Langeweg 2a/b wordt verwezen naar bijlage 12.

Voor de locatie Langeweg 2a is geen uitbreiding voorzien dan reeds is opgenomen in het regionaal bedrijventerreinenprogramma. Deze locatie voldoet daarmee aan de voorwaarde uit lid 3. Verdere toetsing van dit initiatief aan de regels uit artikel 2.3 van omgevingsverordening is niet nodig.

Alleen voor de locatie Langeweg 2a wordt in een kleine uitbreiding voorzien met ten hoogste 5.000 m2. Voor deze uitbreiding is lid 4 uit artikel 2.3 van de omgevingsverordening van toepassing. De toetsing hieraan volgt hierna.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0014.png"

Figuur 3.6: Uitsnede BIS kaart 'Bedrijven terreinen en subsidies', uitbreiding met rood kader aangeduid (Bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/bedrijventerreinen)

Lid 4:

In het vierde lid wordt een beperkte uitbreiding van ten hoogste 20% of maximaal 0,5 hectare toegelaten, waarbij ook de ruimtelijk kwaliteit verbetert.

Voor de locatie Langeweg 2a, maar in feite beide locaties, zorgen voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hierna wordt verbetering van de ruimtelijke kwaliteit per locatie beschreven.

Locatie Langeweg 2a:

Zoals in paragraaf 2.1 is aangeven is op grond van de geldende bedrijfsbestemming op deze locatie sprake van maximaal 33.925 m2 netto beschikbaar c.q. effectief te gebruiken bedrijfsterrein, waarvan in totaal maximaal 15.643 m2 mag worden bebouwd.

Voor de beoogde ontwikkelingen op locatie Langeweg 2a wordt het bouwperceel met een omvang van ten hoogste 5.000 m2 uitgebreid, zie figuur 3.6.

Bij het perceel Langeweg 2a is sprake van een landschappelijke inpassing waarbij aan de noordwestzijde een inspanning wordt gedaan bij te dragen aan de biodiversiteit. Dit wordt gedaan door een zone van circa 5.500 m² aan de noordwestzijde landschappelijk in te richten met onder andere twee poelen. Doel is, behalve waterberging, er voor te zorgen dat het water in het voorjaar vroeger warm wordt. Hier kunnen amfibieën en andere dieren van profiteren. Daarnaast wordt ook het volledige bedrijf landschappelijk ingepast en niet alleen de bedrijfsuitbreiding.

Daarnaast wordt het bedrijf landschappelijk ingepast.

Locatie Langeweg 2b:

Het bedijf heeft in 2008 het depot opgericht. Sindsdien zijn de bedrijfsactiviteiten verder uitgebreid op het perceel tot een oppervlakte van circa 30.164 m2. Deze ruimte was nodig in verband met een goede bedrijfsvoering en de benodigde ruimte door verleende milieutoestemmingen, zie hiervoor paragraaf 2.1.

Zoals in paragraaf 2.1 toegelicht is voor de uitvoering van de bedrijvigheid geen bebouwing gerealiseerd tot nu toe. Wel is er op dit moment een bouwperceel aanwezig op het perceel met een omvang van netto 13.431 m2 (het gehele bestemmingsvlak 'Bedrijf'). In de toekomstige situatie wordt dit bouwperceel verkleind naar een omvang van netto 5.000 m2 ten behoeve van de realisatie van een loods en kantoorruimte. Het terugbrengen van de bouwmogelijkheden draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit.

Om vrijwel het gehele perceel van Langeweg 2b is een aarden wal gerealiseerd om de geluidbelasting op de omgeving te voorkomen. In de nieuwe situatie zal deze wal ook aan de voorzijde gesloten worden. De hoogte en volledige omranding van het perceel is  geluidstechnisch niet strikt noodzakelijk, maar zorgt wel voor aanvullende geluidsreductie op woningen in de omgeving. Dit is een extra inspanning om bij te dragen aan een betere ruimtelijke kwaliteit.

De aarden wal rondom het perceel Langeweg 2b, fungeert als landschappelijk inpassing (zie ook landschapsplan bijlage 1 bij de regels bij het bestemmingsplan), de maat van de aarden wal is bovendien met 20 meter breedte ruimschoots breder dan de verplichte 5 meter.  In de nieuwe situatie wordt een extra inspanning gedaan door aan de buitenranden knotwilgen te planten en aan de voorzijde populieren. Daarnaast wordt aan de voorzijde een grote waterpartij gemaakt die bijdraagt aan de klimaatadaptatie (hittestress en waterberging) en wordt deze voorzien van een natuurvriendelijke oever. Dit draagt bij aan de biodiversiteit in de omgeving.  

Zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht is er sprake van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op beide locaties. Naast een goede landschappelijke inpassing, en beperking van het bebouwd oppervlak op de locatie Langeweg 2b, worden met betrekking van het aspect geluid verschillende maatregelen genomen. Zie hiervoor paragraaf 4.9.

Op basis van lid 4 uit artikel 2.3 van de omgevingsverordening kan het bedrijfsperceel van locatie Langeweg 2a worden uitgebreid met een omvang van ten hoogste 5.000 m2.

Vervangingsvraag:

Los van bovenstaande motivering onderzoekt gemeente op dit moment de ongebruikte (planologische) capaciteit op bestaande bedrijventerreinen om zodoende op een nul-saldo uit te komen voor het areaal bedrijfsterreinen binnen de gemeente. Door gemeente is aan STEC gevraagd de onbenutte bedrijfsoppervlakten in kaart te brengen. Uit een voorlopige conclusie blijkt dat circa 1,2 hectare als 'vervangingsvraag' bestempeld kan worden.

Gemeente onderzoekt of zij deze 1,2 hectare kan inzetten ten behoeve van de voorgenomen uitbreiding op locatie Langeweg 2a. Echter aangezien deze uitbreiding reeds is toegestaan conform de omgevingsverordening van de provincie kan deze ook elders in de gemeente benut worden.

Conclusie

De ontwikkeling past binnen de doelstellingen van het provinciaal beleid ten behoeve van het afronden van een kleinschalig bedrijventerrein in het buitengebied en afname van bebouwing. Tevens is er sprake van een kwaliteitsverbetering voor de omgeving.

Het kleinschalige bedrijventerrein Langeweg 2a/b breidt uit met een omvang van maximaal 5.000 m2 ten opzichte van wat reeds is toegestaan blijkens de BIS kaart 'Bedrijven terreinen en subsidies' (figuur 3.6) en het regionaal bedrijventerreinenprogramma Schouwen-Duivenland. Hiermee wordt voldaan aan voorwaarden uit de provinciale omgevingsverordening voor bedrijven.

Verder onderzoekt gemeente nog de onbenutte (planologische) capaciteit aan m2 bedrijventerrein binnen de gemeente. Eventueel kunnen onbenutte m2 ingezet worden voor de uitbreiding van de bedrijfslocatie Langeweg 2a/b in Bruinisse, maar eventueel ook voor bedrijfslocaties elders binnen de gemeente. Dit onderzoek van gemeente staat de beoogde ontwikkeling van bedrijfslocatie Langeweg 2a/b in ieder geval niet in de weg aangezien voldaan wordt aan provinciale regels voor uitbreiding van bedrijven uit artikel 2.3 van de omgevingsverordening.

3.3.3 Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland

In de Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland (versie 21 december 2021) staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving als de Omgevingwet in werking treedt. Naar verwachting is dit 1 januari 2024. Op basis van een globale toetsing op hoofdlijnen voldoet de beoogde ontwikkeling ook aan de regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' (2011)

Toetsingskader

De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien.

In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'.

In de visie wordt specifiek aangegeven dat bedrijvigheid wordt gestimuleerd. De bestaande bedrijventerreinen in Bruinisse en Zierikzee worden uitgebreid en de bestaande bedrijventerreinen in de kernen onder bepaalde voorwaarden worden uitgebreid.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling sluit aan bij het beleid om bedrijvigheid te stimuleren. Er kan niet worden voldaan om de bedrijven naar de aanwezige bedrijventerreinen te verplaatsen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3.

3.4.2 Bedrijventerreinprogramma Schouwen-Duiveland

Beide bedrijven zijn groter dan 1 hectare. Beide bedrijven zijn in het bedrijventerrein programma van de gemeente aangewezen als kleinschaligbedrijventerrein, zijnde voormalige solitaire bedrijfslocaties in het buitengebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3.

3.4.3 Concept-Gebiedsvisie Zuidoostflank Zierikzee (mei 2022)

Aanleiding van de visie is:

  • de energietransitie claimt ruimte in de vorm van een tweede 150 KV station op het eiland;
  • uitgifte van bedrijfsgronden is sneller gegaan dan verwacht;
  • de behoefte aan een extra ontsluitingsweg.

Voor het gebied zijn verschillende visies gemaakt, waarbij ook rekening wordt gehouden met uitbreiding van het bedrijventerrein aan de Straalweg voor de komende 30 tot 50 jaar. De verwachting is dat de gebiedsvisie in apeil 2024 wordt vastgesteld. Op dat moment is er zicht op het actuele bedrijventerreinprogramma.

3.4.4 Energie, klimaat en kringloopeconomie

Toetsingskader

Energie-agenda

De algemene doelstelling binnen de gemeentelijke Energie-Agenda is het realiseren van een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040. Specifieke doelstellingen voor 2023 zijn het realiseren van een energiebesparing van 3% ten opzichte van het huidige gebruik (referentiejaar 2017) en 16% van het energieverbruik wordt duurzaam opgewekt.

Klimaatadaptatiestrategie

In het kader van het nationale deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Inzet is dat overheden er samen met andere partijen voor gaan zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt. De overheden gaan, in nauwe samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties, in drie stappen te werk:

  • 'Weten': analyseren wat de gevolgen zijn van klimaatverandering voor de diverse functies in een
  • gebied in de periode tot 2050 (met een doorkijk naar 2100) zijn;
  • 'Willen': concrete doelen stellen voor het verbeteren van de waterrobuustheid en
  • klimaatbestendigheid in de periode tot 2050 en een daarbij passende strategie formuleren;
  • 'Werken': de doelen en de strategie vastleggen in bijvoorbeeld beleidsplannen, wetten en regels en programma's voor uitvoering, beheer en 'groot' onderhoud.

Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om in 2050 klimaatbestendig en water robuust te zijn. Momenteel wordt er in samenspraak met andere partijen in Zeeland een klimaatadaptatiestrategie opgesteld.

Het wordt steeds belangrijker om het regenwater wat er valt te hergebruiken, omdat de kans op schaarste van zoet water steeds groter wordt in de toekomst. Zoetwater bergen voor de landbouw is dan een goede mogelijkheid, naast het gebruik van regenwater voor een grijswatercircuit (onder meer spoelen toiletten).

Door klimaatverandering is de verwachting dat er steeds langere perioden van droogte en hitte ontstaan. Zorg voor voldoende opgaande beplanting. Beplanting kan voor schaduw zorgen, maar ook rond de beplanting is door water verdamping uit de plant de lucht koeler. Daarnaast kan beplanting zorgen dat wateroverlast minder wordt, doordat het water opgenomen wordt door de plant, en het water in de bodem opgenomen wordt, waardoor de bodem minder snel uitdroogt.

Kringloopeconomie

De circulaire of kringloop economie is een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. De landelijk doelstelling is om in 2030 een halvering van het grondstoffengebruik te halen en in 2050 volledig circulair te zijn. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is bij te dragen aan een economisch systeem waarbij geen eindige grondstofvoorraden worden uitgeput en waarin reststoffen volledig opnieuw worden ingezet in het systeem.

Toetsing en conclusie

Voor een toelichting op deze aspecten wordt verwezen naar paragraaf 4.13 Duurzaamheid.

3.4.5 Milieubeleidsplan Schouwen-Duiveland

Toetsingskader

Het milieubeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland is vastgelegd in het milieubeleidsplan. Het beleid wordt besproken en vastgelegd in een aantal modules die elke een apart milieuthema behandelen. Hierna worden de belangrijkste aandachtspunten uit de diverse modules genoemd.

Module Geluid en Stilte (2008)

Schouwen-Duiveland is niet of nauwelijks bekend met het fenomeen geluidhinder. Toch zijn er gebieden op het eiland waar het nodige geluid wordt geproduceerd, zoals recreatiegebieden en langs hoofdwegen. De gemeente wil voorkomen dat de geluidsruimte die er is, gestaag dichtslibt. Het doel is om ook voor de toekomst een veilig, ruim en rustig werk- en leefklimaat te behouden, en waar nodig te versterken. Daarbij moet tevens ruimte zijn voor economische ontwikkeling. Met het geluidbeleid richt de gemeente zich onder andere op de onderwerpen: rust en stilte, ecologische situatie, evenementen en verkeer. Zo komen er geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen op geluidbelastende locaties.

Module Licht en Duisternis (2009)

Op Schouwen-Duiveland is nog echte duisternis te ervaren. Mensen, dieren en planten varen wel bij een goede balans tussen licht en donker. Deze kwaliteit dient te worden gewaarborgd, want hij staat onder druk. Duisternis is te behouden door een viertal instrumenten toe te passen; preventie (niet verlichten), duurzaam verlichten (milieubewuster), gericht verlichten en bewust verlichten. Het duisternisbeleid richt zich op openbare verlichting, verlichting bij bedrijven en terreinverlichting.

Module Energie en Klimaat (2009)

De uitstoot van fossiele brandstoffen versterkt het natuurlijke broeikaseffect, waardoor het op aarde steeds warmer wordt en het klimaat veranderd. De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee het eiland klimaatbestendig en energieneutraal wordt. Dat kan op twee manieren:

  • de klimaatbestendige aanpak. Dit houdt in dat er bij het bestemmen, inrichten en beheren van gebieden nadrukkelijk en telkens weer rekening gehouden moet worden met drie kernkarakteristieken: de weerstand, de veerkracht en het aanpassingsvermogen van gebieden;
  • broeikasreductie. Dit is te bereiken door energie te besparen en de energievraag te beperken, als dat mogelijk is duurzame energiebronnen te benutten en het zo efficiënt mogelijk gebruiken van fossiele brandstoffen, indien niet anders kan.

Bij de aanpak staan verduurzaming en energiezuinigheid voorop. De gemeente richt zich op onder andere de volgende sectoren:

  • gebouwen: hanteren van een 10% strengere EPC norm en het energiezuinig ontwerpen van gebouwen. Voor gemeentelijke gebouwen geldt een 20% strengere EPC norm;
  • opzetten van een energiemanagementsysteem voor gemeentelijke gebouwen;
  • verkeer en vervoer: stimuleren van gebruik van het openbaar vervoer en de fiets;
  • duurzame energie: kansen onderzoeken om energieneutraal te worden. Gebruik maken van deze kansen, zoals warmtekoude opslag;
  • duurzame bedrijven: bij bedrijven en bedrijvigheid gaan voor duurzaamheid.
    (Energie)verspilling voorkomen.

Module Luchtkwaliteit (2008)

De luchtkwaliteit op Schouwen-Duiveland is, zeker vergeleken met andere gebieden in Nederland, goed. Die bijzondere positie moet behouden blijven. Waar mogelijk moet er naar gestreefd worden om de luchtkwaliteit zelfs nog te verbeteren. Het verminderen van autoverkeer kan daarbij helpen. Autoverkeer is een belangrijke vervuilingsbron. De volgende instrumenten worden hiertoe gehanteerd: stimuleren van andere en schonere vervoerswijzen, een betere doorstroming van het verkeer en stimuleren van duurzame energie. In het uitvoeringsprogramma wordt met name genoemd dat het fietsverkeer gestimuleerd kan worden door de realisatie van extra fietspaden en goede fietsenstallingen.

Module Bodem (2010)

Iedere bodem heeft zijn kwaliteiten. Hier liggen kansen en knelpunten. Door in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen deze in beeld te brengen, zijn knelpunten vroegtijdig in beeld en kunnen kansen optimaal benut worden, waardoor er optimaal recht wordt gedaan aan de aanwezige bodemkwaliteiten. Hierdoor worden ook toekomstige beheerskosten beter in beeld gebracht en kunnen ze deel uitmaken van de afwegingen die leiden tot het definitieve plan.

Module Externe Veiligheid (2010)

Externe veiligheid betreft de maatregelen die moeten voorkomen dat er buiten de poort van een bedrijf/inrichting slachtoffers vallen, als er door het betreffende bedrijf wordt gewerkt of opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt gedoeld op omwonenden maar ook op recreanten op kampeerterreinen of in jachthavens. Schouwen-Duiveland moet een plek zijn waar het veilig werken, wonen, winkelen en recreëren is. Toch blijft de gemeente ruimte bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven/inrichtingen die veiligheidsrisico's met zich meebrengen. Deze risico's dienen echter wel aanvaardbaar te zijn, en minimaal te voldoen aan de landelijke voorschriften. Het bestemmingsplan moet ervoor zorgen dat er geen ongewenste ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid kunnen voordoen. Dat gebeurt door:

  • externe veiligheid te betrekken bij actualisering van bestemmingsplannen;
  • externe veiligheid vroegtijdig te betrekken bij nieuwe ontwikkelingsplannen;
  • het hanteren van afstandseisen voor recreanten ten opzichte van gevaarlijke stoffen binnen een inrichting;
  • inrichtingseisen te stellen aan kampeerterreinen en jachthavens.

Concreet wordt het volgende nagestreefd:

  • bestemmingsplannen voorzien van risicocontouren bij BEVI-inrichtingen en bij propaantanks met een inhoud die groter zijn dan 13 m³;
  • bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de veiligheidseffectrapportage (v.e.r.) toepassen.

De activiteiten die in het kader van bovengenoemde milieumodules moeten worden opgestart en uitgevoerd, staan beschreven in een uitvoeringsprogramma. In dit programma, dat is onderverdeeld in thema's, is aandacht voor het doel van de activiteiten, de rol van de gemeente, de externe partijen waarmee de gemeente de activiteit wil uitvoeren, het betreffende gebied en een tijdplanning.

Toetsing

De vastgestelde modules gelden voor het hele gemeentelijk grondgebied van de gemeente Schouwen-Duiveland. De modules beschrijven per milieuonderwerp welke doelen binnen welke periode bereikt moeten worden. Voor de onderwerpen is de paragraaf aangegeven waar een nadere toelichting is gegeven.

  • Geluid en Stilte, zie paragraaf 4.9;
  • Externe Veiligheid, zie paragraaf 4.7;
  • Luchtkwaliteit, zie paragraaf 4.6;
  • Bodem, zie paragraaf 4.4;
  • Module energie en klimaat, zie paragraaf 4.13;
  • Module Licht en Duisternis, zie paragraaf 4.14.

Conclusie

Verwezen wordt naar hoofdstuk 4, waar de resultaten van de sectorale toetsingen zijn opgenomen. De sectorale aspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4.6 Parkeerbeleid (2017-2020)

Toetsingskader

De gemeente heeft beleid opgesteld waaraan een ontwikkeling moet voldoen met betrekking tot het aspect parkeren. Bij nieuwbouw betreft dit de CROW 317 "kencijfers parekeren en verkeersgeneratie". In principe wordt bij ontwikkelingen uitgegaan van parkeren op eigen terrein.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling voldoet aan het beleid, zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.1.

 

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante milieuaspecten en overige planologisch relevante aspecten. Er wordt onder andere getoetst of er ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, of er geen bedrijven gehinderd worden in hun bedrijfsvoering door de ontwikkeling en of er ecologische en/of culturele waarden in het geding zijn door de ontwikkeling.

4.1 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de kencijfers van het CROW. Parkeerbehoefte wordt bepaald op basis van de gemeentelijke parkeernormen.

Toetsing

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid.

De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De gemeente Schouwen-Duiveland kent de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. De beoogde ontwikkeling heeft de ligging 'buitengebied'.

Ligging plangebied

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied wordt ontsloten op de Langeweg. De Langeweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/u.

Langzaam verkeer

Op de Langeweg deelt de fietser de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer en zijn geen fietsvoorzieningen aanwezig. Echter is de Lageweg breed genoeg zodat het gemotoriseerd verkeer het fietsverkeer veilig kan inhalen. De ontsluiting van het plangebied voor langzaam verkeer kan als voldoende verkeersveilig worden beoordeeld.

Openbaar vervoer

Op circa 1.500 meter loopafstand van het plangebied ligt langs de N59 een bushalte. Hier halteren de volgende buslijnen:

  • Buslijn 133 halteert elke 25 minuten tussen Oude-Tonge en Middeldurg;
  • Buslijn 395 halteert elk halfuur tussen Rotterdam, Zuidplein en Zierikzee;

De ontsluiting van het plangebied per openbaar vervoer kan daarmee als voldoende worden beoordeeld.

Verkeersgeneratie

Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De gemeente Schouwen-Duiveland kent de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. De beoogde ontwikkeling heeft de ligging 'buitengebied'

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de bedrijven wordt, gezien de grootte, aangesloten bij tabel A7 en A8 van het CROW (publicatie 381). Gezien de mix van activiteiten wordt aangesloten bij de categorie 'I Gemengd Terrein'. Voor dit type werkmilieu geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 158 mvt/etmaal per netto hectare bedrijventerrein. Deze verkeersgeneratie is onderverdeeld in 128 personenauto's per etmaal en 30 vrachtwagens per etmaal. Tabel A9 specificeert het aandeel vrachtverkeer verder in middelzwaar (41%) en zwaar vrachtverkeer (59%). Voor het lichte verkeer geldt hiervoor 128 mvt/etmaal (werkdag). Op basis van de huidige bedrijfssituatie ligt dit kengetal onrealistisch hoog. Daarom wordt voor het bereken van de lichte voertuigbewegingen uitgegaan van 50% van het kengetal (64 mvt/werkdag).

De CROW-kentallen gaan uit van werkdagintensiteiten. De gemiddelde weekdagintensiteit is bepaald door gebruik te maken van een omrekenfactor 1,33 welke CROW-381 noemt voor werkfuncties.

Stouten Fourage

Bestaande situatie

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de hierna genoemde aannamens zijn gebaseerd op de huidige bedrijfsactiviteiten/ bedrijfsvoering.

In de bestaande situatie kent Stouten een oppervlakte van 3,1 hectare. In de bestaande situatie bestaan de activiteiten van Stouten onder fourage en overige activiteiten. Hierbij wordt aangenomen dat 90% van de verkeersgeneratie valt onder fourage en de overige 10% van de verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Van de overige activiteiten wordt aangenomen dat circa 25% planologisch niet zijn toegestaan.

Om hier zoveel mogelijk rekening mee te houden, is er voor gekozen om de verkeersgeneratie van deze overige activiteiten te minderen met 25%. Hierdoor wordt een realistische verkeersgeneratie bepaald op basis van de bestaande planologische situatie.

Voor de lichte motorvoertuigbewegingen wordt uitgegaan van 50% van het kengetal (128*50% = 64 mvt per netto ha). De reden hiervoor is dat de lichte motorvoertuigen in de feitelijek situatie aanzienlijk minder bedragen dan de helft van het kengetal.

Het terrein heeft een grootte van 3,1 ha, waardoor de totale lichte motorvoertuigbewegingen (64*3,1) 230,4 mvt/werkdag * 90% bedraagt. Hiermee bedraagt de verkeersgeneratie voor de fourage 178,6 mvt/werkdag.

De verkeersgeneratie (lichte mvt) voor de overige activiteiten is als volgt berekend: ((128*50%)*3,1*10%*75%) = 14,9

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt dezelfde berekening als voor de fourage gebruikt. Echter was aangenomen dat 10% van de totale verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Daarnaast wordt aangenomen dat 25% van de overige activiteiten planologisch niet zijn toegestaan, oftewel 75% van de overige activiteiten zijn wel toegestaan. Daarom wordt verkeersgeneratie nog vermenigvuldigd met 75%.

Tabel 4.1 Verkeersgeneratie bestaande planologische situatie Stouten

  Huidige planologische situatie (mvt/werkdag)  
  licht   middelzwaar  
Fourage   178,6   83,7  
Overige activiteiten   14,9   7  
Totaal   193,4   90,7  

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie blijft de oppervlakte 3,6 ha en de verdeling 90% fourage en 10% overige activiteiten gelijk.

Tabel 4.2 Verkeersgeneratie toekomtige situatie Stouten

  Beoogde situatie (mvt/werkdag)  
  licht   zwaar  
Fourage   178,6   83,7  
Overige activiteiten   19,8   9,3  
Totaal   198,4   93  

Tabel Verkeersgeneratie toekomtige situatie Stouten

Per saldo leidt dit tot de volgende toename in verkeersgeneratie:

Tabel 4.3 Verkeersgeneratie per saldo Stouten

  Toename per saldo(mvt/werkdag)  
  licht   zwaar  
Huidige planologische situatie   193,4   83,7  
Beoogde situatie   198,4   9,3  
Totaal   5   2,3  

De beoogde ontwikkeling leidt tot een totale toename van 7,3 mvt/werkdag, bestaande uit 5 mvt/etmaal voor licht verkeer en 2,3 mvt/etmaal voor zwaar verkeer.

Loonbedrijf Van der Maas

Bestaande situatie

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de hierna genoemde aannamens zijn gebaseerd op de huidige bedrijfsactiviteiten/ bedrijfsvoering.

In de bestaande situatie bestaan de activiteiten van Stouten onder op- en overslag activiteiten en overige activiteiten. Hierbij wordt aangenomen dat 75% van de verkeersgeneratie valt onder op- en overslag en de overige 25% van de verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Van alle activiteiten wordt aangenomen dat circa 25% planologisch niet zijn toegestaan. Om hier zoveel mogelijk rekening mee te kunnen houden is er voor gekozen om de verkeersgeneratie van te minderen met 25% om zo een realistische verkeersgeneratie te bepalen op basis van de bestaande planologische situatie.

Voor de lichte motorvoertuigbewegingen wordt uitgegaan van 50% van het kengetal (128*50% = 64 mvt per netto ha). Het terrein heeft een bestaande grootte van 1,3 ha, waardoor de totale lichte motorvoertuigbewegingen (64*1,3) 83,2 mvt/werkdag bedraagt. Daarnaast werd aangenomen dat van de totale verkeersgeneratie 75% valt onder de op- en overslag activiteiten. Hiermee bedraagt de verkeersgeneratie (lichte mvt) voor de op- en overslag activiteiten (83,2*75%) 62,4 mvt/werkdag. Verder wordt aangenomen dat 25% van de activiteiten planologisch niet zijn toegestaan, oftewel 75% van de overige activiteiten zijn wel toegestaan. Daarom wordt verkeersgeneratie nog vermenigvuldigd met 75%.

De verkeersgeneratie (lichte mvt) voor de overige activiteiten is als volgt berekend: ((128*50%)*3,6*25%*75%) = 17,3

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt dezelfde berekening als voor de fourage gebruikt. Echter was aangenomen dat 10% van de totale verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Daarnaast wordt aangenomen dat 25% van de overige activiteiten planologisch niet zijn toegestaan, ofwel 75% van de overige activiteiten zijn wel toegestaan. Daarom wordt verkeersgeneratie nog vermenigvuldigd met 75%.

Tabel 4.4 Verkeersgeneratie bestaande planologische situatie Maas

  Huidige planologische situatie (mvt/werkdag)  
  licht   zwaar  
Op- en overslag   46,8   21,9  
Overige activiteiten   15,6   7,3  
Totaal   62,4   29,3  

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie neemt de oppervlakte van het terrein toe van 1,3 naar 3,0 ha. De verdeling van 75% op- en afvoer activiteiten en 25% voor overige activiteiten blijft gelijk.

Tabel 4.5 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Maas

  Beoogde situatie (mvt/werkdag)  
  licht   zwaar  
Op- en overslag   144,0   67,5  
Overige activiteiten   48,0   22,5  
Totaal   192,0   90,0  

Per saldo leidt dit tot de volgende toename in verkeersgeneratie:

Tabel 4.6 Verkeersgeneratie per saldo Maas

  Toename per saldo(mvt/werkdag)  
  licht   zwaar  
Huidige planologische situatie   97,2   45,6  
Beoogde situatie   32,4   15,2  
Totaal   129,6   60,8  

 

De beoogde ontwikkeling leidt tot een totale toename van 190,4 mvt/werkdag, bestaande uit 129,4 mvt/etmaal voor licht verkeer en 60,8 mvt/etmaal voor zwaar verkeer.

Toename als gevolg van gehele ontwikkeling

De gehele ontwikkeling (Stouten en Maas gezamelijk) leidt tot een verkeerstoename van 198,9 mvt/werkdag.

Tabel 4.7 Verkeersgeneratie gehele ontwikkeling (Stouten + Maas)

  Toename per saldo(mvt/werkdag)  
  licht   zwaar  
Stouten   5   2,3  
Maas   129,6   60,8  
Totaal   134,6   63,1  

Verkeerstoedeling

Het plan wordt via de Langeweg ontsloten. Op basis van de navigatietool van Google Maps en expert judgment is een inschatting gemaakt van de toedeling van het verkeer vanaf het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat incidenteel een vervoersbeweging richting het zuiden gaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0015.png"

Figuur 4.1 Verkeerstoedeling plangebied

Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid

Voor beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie tijdens het maatgevende uur van belang. Als vuistregel geldt dat de verkeersomvang tijdens het maatgegevens uur circa 10% van de etmaalwaarde bedraagt. In dit geval gaat het in het drukste uur op werkdagen dan om (197,7 *10%) om 20 voertuigen. Deze geringe toename van verkeer kan zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende kruispunten en wegen en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling.

Voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat met de geringe toename van het verkeer 20 motorvoertuigen in het drukste uur dit geen effect heeft op de verkeersveiligheid. De verkeersveiligheid wordt dan ook niet negatief beïnvloed als gevolg van het project.

Parkeren

Op beide terreinen is voldoende ruimte aanwezig om in de feitelijke situatie al te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In de toekomstige situatie veranderd dit niet.

Conclusie

De verkeersgeneratie leidt niet tot onacceptabel hoge verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. Het plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer de uitvoering van het plan niet in

4.2 Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1 Cultuurhistorie

Toetsingskader

In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Toetsing

Uit provinciaal kaartmateriaal en andere gegevens blijkt dat het gebied niet cultuurhistorisch waardevol is. Aan de Langeweg liggen verschillende historische boerderijen op basis van het provinciaal beleid. Deze zijn aangegeven in figuur 4.1. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze boerderijen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0016.png"

Figuur 4.2 Groene stippen, historische boerderijen in de nabijheid van het plangebied, rood: globale ligging plangebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/cultuurhistorie, bewerkt Rho adviseurs).

Conclusie

Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling.

4.2.2 Archeologie

Toetsingskader

In Europees verband is het zogenoemde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Hiertoe wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.

Aan de beleidskaart van het Beleidsplan Archeologie zijn beleidsadviezen gekoppeld die als input dienen voor de voorwaarden bij ontwikkelingen. De archeologische onderzoeksgebieden dienen planologisch te worden beschermd.

Ten aanzien van de vergunningverlening wordt een aantal gebieden onderscheiden, waarvoor verschillende drempelwaarden en voorwaarden gelden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0017.png"

Drempelwaarden vergunningen behorende bij archeologische waarden (bron: Beleidsplan Archeologie - Schouwen-Duiveland)

NB: de termen 'aanlegvergunning' en 'sloopvergunning' zijn met de inwerkingtreding Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden' en 'Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk'.

Toetsing en conclusie

Voor de gronden geldt Waarde - Archeologie 7 zoals opgenomen in de tabel hiervoor. Voor de gronden is een bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek dat is uitgevoerd in 2019 is opgenomen in bijlage 1. Conclusie uit het bureauonderzoek was dat als de ingrepen niet dieper reiken dan 1,5 meter onder maaiveld geen nader onderzoek noodzakelijk is. Echter conform provinciaal beleid is ook een aanvullend booronderzoek noodzakelijk.

Met de gemeente is overeengekomen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen of bij andere activiteiten waar een vergunningplicht voor geldt op dat moment wordt beoordeeld of een aanvullend booronderzoek nodig is. Dit betekent dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeolgie 7' in voorliggend plan is opgenomen in de regels.

4.3 Water

Toetsingskader

Beleids- en toetsingskader

Voor ruimtelijke plannen dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is Waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het Waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg.

Om na te gaan of het voorliggende plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd.

Toetsing en conclusie

Voor de ontwikkeling zal conform het beleid van het Waterschap Scheldestromen extra waterberging worden gerealiseerd. De locatie hiervoor is opgenomen in het inrichtingsplan van de landschappelijke inpassing, voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.3. In lid 3.5.3 van de regels is opgenomen dat de waterberging, minimaal 1.742 m3, binnen 2 jaar na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan moet zijn gerealiseerd overeenkomstig het landschappelijke inpassingsplan.

De watertoetstabel is opgenomen in bijlage 2. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

De waterparagraaf is ter beoordeling toegezonden aan het Waterschap Scheldestromen. De reactie van het waterschap wordt opgenomen en verwerkt is voorliggende toelichting, bijlage toelichting en mogelijk ook in het landschapsplan.

4.4 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Toetsing

Locatie Langeweg 2a

Voor de locatie Langeweg 2a is een bodemonderzoek uitgevoerd in 2018. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Geconcludeerd is dat bij verschillende mengmonsters er een overschrijding is van de achtergrondwaarde op het gebied van lood, kwik barium en molybdeen. Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten. De resultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Locatie Langeweg 2b

Voor de locatie Langeweg 2b is een bodemonderzoek uitgevoerd in 2018. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij verschillende mengmonsters er een overschrijding is van de achtergrondwaarde op het gebied van kobalt en minerale olie.

Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten. De resultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Milieuhygiënisch onderzoek

Voor het plangebied is in april 2022 aanvullend op de hiervoor genoemde onderzoeken een milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Geconcludeerd is dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die aanleiding geven een asbestverontreining op de locatie te verwachten. Op basis van het onderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek.

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is geconcludeerd dat er in de huidige situatie en voor de toekomstige activiteiten geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn.

4.5 Ecologie

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natuurnetwerk Nederland (NNN);
  • Natura-2000 gebieden.

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Toetsing

Gebiedsbescherming

Natura2000/Natuurbeschermingswet

Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. De afstand tot een Natura 2000-gebied Oosterschelde bedraagt 850 meter en voor Natura 2000-gebied Grevelingen en 2.000 meter. Om te onderzoeken of er sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een Aerius-berekening uitgevoerd, de memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 7.

Voor de ontwikkeling is in AERIUS Calculator een berekening gemaakt voor de aanlegfase en een verschilberekening voor de gebruiksfase. Deze zijn bijgevoegd in bijlage 8 en bijlage 9.

Gebruiksfase

AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de gebruiksfase (rekenjaar 2023). In de berekening is het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd. Het Adblue verbruik bedraagt ongeveer 4% van het dieselverbruik.

Aanlegfase

AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de aanlegfase (rekenjaar 2023). In de berekening is het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd. Daarnaast is hierbij uitgegaan dat het gebruik van een hijskraan elektrisch is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0018.png"

Figuur 4.3 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland)

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 700 meter (bloemendijk bij watergang) en de Willempolder en de Slikken van Rumoirt op circa 1.500 meter.

De ontwikkeling heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0019.png"

Figuur 4.4 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland)

Soortenbescherming

Om na te gaan of de ontwikkeling een nadelig effect heeft op beschermde planten- en diersoorten is een quickscan uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 6.

Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek uit 2019 en het geactualiseerde onderzoek uit 2022 weergegeven.

Binnen het plangebied zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen:

  • algemene broedvogels;
  • kans op vestiging van de rugstreeppad indien water stagneert tijdens de voortplantingsperiode.

Het volgende wordt geadviseerd (voor een uitgebreidere toelichting hierop wordt verwezen naar de rapportage):

  • in de omgeving kunnen vogels broeden. Bij werkzaamheden zoals heien of het trillen van damwanden is het wenselijk rekening te houden met de broedperiode en deze te plannen buiten de broedperiode tussen 1 augustus en 1 maart. Het verstoren van broedende vogels is conform Wet natuurbescherming niet toegestaan;
  • bij grondwerkzaamheden in de voorplantingsperiode van de rugstreeppad (april tot half september) moet worden voorkomen dat ondiepe waterplassen ontstaan en de rugstreeppad zich alsnog vestigt.

Conclusie

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Uit AERIUS berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin-, grondwaterbeschermings- of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.

Soortenbescherming

Door conform het advies rekening te houden met eventueel broedende vogels, worden

effecten eenvoudig voorkomen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor de plannen niet noodzakelijk.

4.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Wet milieubeheer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 4.8. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

Toetsing

Op basis van de NIBM-tool is de bijdrage als gevolg van de toename van verkeersgeneratie zoals aangegeven in paragraaf 4.1 berekend (figuur 4.5). De maximale bijdrage bedraagt 0,64 µg/m³ voor NO2 en 0,05 µg/m³ voor PM10. De beoogde ontwikkeling zal 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0020.png"

Figuur 4.5 Berekeningsresultaten luchtkwaliteit NIBM-tool (versie 2022)

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N59 ten noorden van het plangebied (zie figuur 4.3). Uit de NSL-monitoring blijkt dat in 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties minder bedraagt dan 35 µg/m3. Aangezien direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0021.png"

Figuur 4.6 Luchtkwaliteit rondom plangebied (Bron: www.nsl-monitoring.nl, bewerkt: Rho adviseurs).

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.7 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;

  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
  • Risicorelevante inrichtingen

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Toetsing

Risicorelevante inrichtingen

Er bevinden zich geen risicorelevante inrichtingen in de nabijheud van het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de omgeving van het plangebied vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen over de Zijpe/Mastgat, deze route maakt onderdeel uit van de vaarroute tussen het Kanaal van Zuid-Beveland en de Krammersluizen. De route is opgenomen Basisnet als zijnde 'zwarte vaarwegen'. Voor zwarte vaarwegen geldt dat de PR-contour niet buiten de waterlijn komt. Dit betekent geen nieuwe kwetsbare objecten op/in het water.

Een zwarte vaarweg beschikt tevens over een plasbrand aandachtsgebied (PAG). Conform het Basisnet water blijkt het plasbrand aandachtsgebied 25 m landwaarts te zijn vanaf de waterlijn en in uiterwaarden van vrijstromende rivieren. De ontwikkeling voorziet niet in een ontwikkeling binnen het plasbrand aandachtsgebied.

Het groepsrisico hoeft niet betrokken te worden bij voorliggende besluitvorming.

Buisleidingen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingenn aanwezig, waarvan de relevante plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de

meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorieindeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Toetsing

In de beoogde situatie worden de feitelijke activiteiten mogelijk gemaakt en wordt bedrijventerrein toegevoegd. Conform de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering is gekeken naar gevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied.

In tabel 1 zijn de (hoofd)bedrijfsactiviteiten weergegeven gekoppeld aan een SBI-code uit Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. In tabel 2 zijn de nevenactiviteiten bij de bedrijfsvoeringen weergegeven. In tabel 3 zijn de richtafstanden behorende bij de bedrijfsactiviteiten getoetst om de omliggende woningen Langeweg 3, 3a en 5. Bij de toetsing aan de richtafstanden wordt de kortste afstand gemeten tussen gevel van de woning en de grens van de aanduiding voor de betreffende bedrijfsactiviteit zoals weergegeven is op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Niet voor alle bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied zijn in de lijst met bedrijfsactiviteiten uit Handreiking Bedrijven en milieuzonering richtafstanden opgenomen. Wanneer geen richtafstand is bepaald wordt een bedrijfsactiviteit uit de lijst genomen welke het meest aansluit bij de daadwerkelijke bedrijfsactiviteit. Sommige aanduidingen voor bedrijfsactiviteit binnen het plangebied betreffen een combinatie van een aantal activiteiten. In dat geval wordt uitgegaan van de acitiviteit met de hoogste milieucategorie (tabel 1 en 2) en de grootste richtafstand per aspect (tabel 3).

Tabel 1: (hoofd)bedrijfsactiviteiten

Nr.   aanduiding   bedrijfsactiviteit   SBI   Hoogste milieucategorie  
1   'specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel'   fouragehandel

transportbedrijf/b.o. >1000 m2  
4621

494.0  

3.2  
2   'specifieke vorm van bedrijf - op- en overslagbedrijf'   op- en overslag  
52109  

2  
3   'specifiek vorm van bedrijf - depot'   op- en overslag

groothandel in zand en grind
b.o. >200 m2

groothandel in afval en schroot b.o. >1.000 m2

groothandel in hout en bouwmaterialen b.o. >2.000 m2  
52109

46735.5


4667.0


4673.1  





3.2  

Tabel 2: nevenactiviteiten

Nr.   aanduiding   bedrijfsactiviteit als nevenactiviteit   SBI   Hoogste milieucategorie  
4   'specifieke vorm van bedrijf - gladheidsbestrijding'   gladheidsbestrijding
b.o. <=500 m2  

773  

3.1  
5   'specifieke vorm van bedrijf - verwerken groenafval'   verwerken /hakselen groenafval
<20.000 ton/jr  

381.B  

3.1  
6   'specifieke vorm van bedrijf - puinbreker'   breken van puin <100.000 t/jr   383202.A1   4.2  
7   'specifieke vorm van bedrijf - versnipperaar'   verwerken/ verkleinen van groenafval   383202.A1   4.2  
8   'specifieke vorm van bedrijf - visserij'   drogen van visnetten   0312   3.1  

Tabel 3: toetsing aan richtafstanden (nummers refereren aan nummer uit tabel 1 en 2)

Nr.   Geur (m)   Stof (m)   Geluid (m)   Gevaar (m)   Afstand tot woning Langeweg 3   Afstand tot woning Langeweg 3a   Afstand tot woning Langeweg 5  
1   30   30   50   30   82   65   200  
2   0   0   30   10   82   65   200  
3   10   30   100   10   80   90   230  
4   10   0   50   10   82   65   200  
5   30   30   50   30   80   90   230  
6   30   100   300   10   220   230   370  
7   30   100   300   10   370   270   300  
8   50   0   50   10   200   50   128  

Magenta: voldoet niet aan de richtafstanden

Geluid

Geluid is in voorliggende situatie het meest bepalend. Voor de bedrijfsactiviteiten puinbreken en groenversnipperen wordt niet voldaan aan de richtafstanden uit de handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is derhalve onderzoek uitgevoerd naar het aspect inrichtingslawaai. In paragraaf 4.9 wordt dit onderzoek met resultaten verder toegelicht.

Samenvattend kan worden gesteld dat het aspect geluid geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Het borgen van geluidaspecten in het voorliggend bestemmingsplan is gebeurd door het vastleggen van de locaties voor puinbreken/versnipperen en het regelen van de hoogte waaraan afschermende voorzieningen ten minste moeten voldoen. Geluidgrenswaarden zijn/worden geregeld in het milieuspoor (Activiteitenbesluit of milieuvergunning).

De puinbreker wordt voor maximaal 30 werkdagen toegestaan (1 uur per dag). Gezien de beperktheid van de inzet van het materieel (doorzet) en de puinbreker maximaal 30 werkdagen kan worden gebruikt is de intensiteit lichter dan waar in de milieucategorie 4.2 is uitgegaan.

De locatie van de shredder (versnipperaar) is op de verbeelding vastgelegd. Voor het gebruik van de shredder voor maximaal 1 uur per dag zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Mocht meer uren noodzakelijk zijn dat is afscherming richting de woningen van ten minste 3 meter door middel van in ieder geval een tijdelijke voorziening noodzakelijk. Aangezien geluid het maatgevende aspect is kan geconcludeerd worden dat door het treffen van maatregelen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit is in de regels opgenomen.

Geur, stof en gevaar

Voor de aspecten geur, stof en gevaar wordt in alle gevallen voldaan aan de richtafstanden uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Dit vormt derhalve geen belemmering.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en gezien de specifieke bedrijfsactiviteiten is onderzoek uitgevoerd naar het aspect inrichtingslawaai. In paragraaf 4.9 wordt dit onderzoek met resultaten verder toegelicht. Met het borgen van een aantal maatwerkregels in voorliggende regeling is sprake van een goede ruimtelijke ordening richting de omgeving.

4.9 Geluid

Toetsingskader

Wegverkeerslawaai

Indien bij een ruimtelijke procedure nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.

Inrichtingslawaai

Voor het aspect inrichtingslawaai wordt getoetst aan diverse toetsingskaders. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar bijlage 10. Getoetst wordt aan:

  • richtafstanden VNG;
  • Handreiking industrielawaai en vergunningverrlening;
  • Activiiteitenbesluit;
  • indirecte hinder;
  • vergundee geluidniveaus.

Industrielawaai

Indien in een bestemmingsplan (of ruimtelijke procedure) een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de zone van een geluidbron.

Toetsing en conclusie

Wegverkeerslawaai/ inrichtingslawaai

Voor de ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 10 . Het volgende is geconcludeerd. Voor wat betreft Loonbedrijf Van der Maas geldt dat er in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) wordt voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) in de dagperiode voor wat betreft de directe hinder, ook als er op één dag met name zand wordt aangevoerd met 90 vrachtwagens per dag.


Het breken van puin veroorzaak een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van ten hoogste 55 dB(A) in de dagperiode. Omdat dit maximaal 30x per jaar voorkomt en bijvoorbeeld kan worden gezien (milieuspoor) als een regelmatig afwijking.

Voor de puinbreker is op de verbeelding een vast locatie aangegeven om geluid verder te reduceren. Voor deze locatie geldt dat met een afscherming van 4 meter hoogte richting de omliggende woningen het geluidniveau vanwege puinbreken in de dagperiode kan worden beperkt tot 50 dB(A). Dit is een permanente voorziening en wordt in de regels en op de verbeelding geborgd.


Het shredderen (ook wel versnipperen) van groenafval is eveneens een dominante geluidbron. De shredder heeft eveneens een vast locatie toegewezen gekregen die op de verbeelding is opgenomen. Bij minder dan 1 uur per dag is geen afscherming nodig,

In de regels is opgenomen dat bij gebruik van de shredder tussen de 1 en maximaal 8 uur per dag afscherming nodig is om te voldoen aan de richtwaarde van 45 dB(A). Er is dan afscherming nodig richting de woningen aan de Langeweg met een hoogte van ten minste 3 meter richting de woningen. Dit is een permanente voorziening en wordt in de regels en op de verbeelding geborgd.


Stouten Fourage V.O.F. voldoet niet aan de richtwaarde van 45 dB(A) (2 dB te hoog in de avond), maar wel aan de geluid-voorschriften van het Activiteitenbesluit wat rechtstreeks werkend is en ook nu reeds van toepassing. De grenswaarden van 50 dB(A) in het kader van een ruimtelijke beoordeling wordt ook niet overschreden.


Het cumulatieve effect voor beide bedrijven is beperkt omdat de woningen waar beide bedrijven maatgevend zijn verschillen. De ruimtelijke grenswaarde (VNG) van 50 dB(A) wordt niet overschreden.


Gezien de afstand tot omliggende woningen zijn er ten aanzien van maximale geluidniveaus geen knelpunten. Dit geldt tevens voor het aspect indirecte hinder. Het eventueel borgen van geluidaspecten in het bestemmingsplan zou kunnen door het vastleggen van de locaties voor puinbreken/houtshrederen en/of geluidafscherming. Geluidgrenswaarden zijn/worden geregeld in het milieuspoor (Activiteitenbesluit of milieuvergunning).

Industrielawaai

Dit aspect is niet van toepassing.

Conclusie

Wegverkeerslawaai/ inrichtingslawaai

Gezien de afstand tot omliggende woningen zijn er ten aanzien van maximale geluidniveaus geen knelpunten. Dit geldt tevens voor het aspect indirecte hinder.

Samenvattend kan worden gesteld dat het aspect geluid geen belemmering is voor vaststelling van het bestemmingsplan. Met hierbij als aandachtspunt dat puinbreken en alleen is toegestaan op een vaste locatie en met een geluidwerende voorziening. En dat daarnaast langdurig gebruik (meer dan 1 uur per dag) van een shredder alleen onder voorwaarde van het realiseren van een geluidafschermende voorziening is toegestaan, ook de locatie van de shredder dient daarnaast vast te liggen. De hiervoor genoemde voorwaarden zijn in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan vastgelegd.

Industrielawaai

Dit aspect is niet van toepassing.

4.10 Landschappelijke inpassing

Voor de ontwikkeling is een landschappelijks inpassingsplan opgesteld door Stichting Landschapsbeheer Zeeland deze is opgenomen in Bijlage 1 van de regels. Beide terreinen worden landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting.Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de rapportage. Buiten de singel komt een waterpartijten behoeve van de waterberging.

Langeweg 2a

Het terrein is deels al goed landschappelijk ingepast, maar de beplanting moet voor een deel nog groeien. De landschappelijke inpassing die nodig is voor de verplaatsing van de bedrijfsbestemming komt in de noordoosthoek van het terrein. Hier wordt de bestaande groensingel verbreed waardoor deze er groener/ bosachtiger er uit komt te zien.

Langeweg 2b

Het terrein wordt alsvolgt ingepast:

  • aan de voet van de bestaande wal rond het terrein worden knotwilgen aangeplant in enkele of dubbele rijen;
  • aan de wegzijde worden populieren geplat nabij de natuurvriendelijke oever;
  • de natuurvriendelijke oever wordt ten behoeve van de waterberging verlengd;
  • het gras op de wal wordt zodanig beheerd dat dit de natuurwaarde verhoogd.

4.11 Planologisch relevante kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologische relevantie

Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van:

  • elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV;
  • brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger;
  • brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4 inch en hoger;
  • buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter.

Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.

Grondroeringsregeling

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

Toetsing en conclusie

Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.12 Niet gesprongen explosieven

Toetsingskader

In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In het kader van de aanleg van de parallelweg zal de bodem namelijk worden geroerd.

Toetsing en conclusie

Op basis van de kaart behorende bij de Beleidsnota Conventionele Explosieven van de gemeente heeft een gedeelte van de gronde een verhoogde trefkans op niet-gesprongen explosieven. In gebieden met een hoge trefkans wordt geadviseerd bij grondroerende werkzaamheden maatregelen te treffen in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse of detectie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00265BphBR-VA01_0022.png"

Figuur 4.7 Uitsnede kaart niet-gesprongen explosieven behorende bij de Beleidsnota Conventionele Explosieven van de gemeente Schouwen-Duivveland.

4.13 Duurzaamheid

Bouweisen

Voor de realisatie van de gebouwen/loodsen geldt dat deze moeten voldoen aan het BENG( Bijna energie neutrale gebouwen). Om dit doel te bereiken zal duurzame energie, zoals toepassing van zonnepanelen, moeten worden toegepast. De gebouwen zullen zodanig worden vormgegeven dat dit ook mogelijk is. Daar waar mogelijk zal hergebruik van materialen plaatsvinden.

Klimaatadapatie

Bij het landschappelijk inpassen van het terrein zal extra waterberging worden gerealiseerd. Daarnaast zal het zodanig worden vormgegeven met beplanting zodat er biodiversiteit kan ontstaan.

Zoetwater

Het is belangrijk om zoetwater zo veel mogelijk vast te houden in de ondergrond.Als er niet genoeg zoetwater is dan komen gewassen niet op en kan de oogst mislukken, natuurgebieden hebben zoetwater nodig, want als het te droog is is er kans op natuurbranden.

De beschikbaarheid van zoetwater is beperkt in de provincie Zeeland vanwege de zilte.

De gronden aan deLangeweg 2a en 2b liggen in een overgangsgebied van zoet- en zoutwater. Echter op basis van de Verkenningenkaart zoet water (provincie Zeeland) maken de gronden deel uit van een zoekgebied naar de extra opslag van zoetwater

Voor de locatie geldt dat het dan ook belangrijk is om het water langer vast te houden en te hergebruiken. Zoals toegelicht in paragraaf 4.10 wordt er extra waterberging gerealiseerd, waardoor regenwater wordt vastgehouden. Het regenwater van de gebouwen zal hiernaar toe worden afgevoerd.

4.14 Licht en duisternis

De gemeente heeft beleidsmatig een aantal uitgangspunten gesteld ten behoeve van verlichting (aan gevels en op de percelen) en is daarbij een prioriteringsvolgorde bepaalt die daarbij gehanteerd moet worden:

  • 1. alleen licht plaatsen als het echt noodzakelijk is;
  • 2. alleen dan verlichten als het licht noodzakelijk is;
  • 3. alleen die plaats verlichten waar licht nodig is;
  • 4. daarbij geen onnodig fel licht gebruiken;
  • 5. alle buitenverlichting dynamisch (bewegingssensors), alleen neerwaarts gericht en zodanig aangebracht dat er van buiten het terrein geen zicht is op de lichtbron.

Op beide locatie wordt alleen verlichting toegepast ter plaatse van de bedrijfsbestemming. Deze verlichting is dynamisch en met een lichtsterkte die niet meer dan noodzakelijk is voor de activiteiten in de avond.

Ter plaatse van de gronden met een landschappelijke inpassing is verlichting niet toegestaan. In de regels is dit vertaald.

4.15 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten:

  • de plaats van het project;
  • de omvang van het project;
  • de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria).

Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 11.3) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde. Het project is als activiteit opgenomen in bijlage D van het Besluit m.e.r..Omdat deze onder de drempelwaarden blijft, is er geen sprake van een rechtstreekse PlanMER-, ProjectMER- of m.e.r.-beoordelingsplicht. Volgens het Besluit m.e.r. moet bij projecten die onder de drempelwaarden vallen, een besluit genomen worden of een MER nodig is. Bij dat besluit moet een afweging worden gemaakt of het plan belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld (opgenomen in bijlage 11) op basis waarvan het bevoegd gezag besluit neemt.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Toelichting op de juridische regeling in het bestemmingsplan

Algemeen

Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat de nieuwe regeling de beoogde ontwikkeling in het plangebied mogelijk maakt.

Plansystematiek

Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels, een verbeelding en een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna volgt een toelichting op de afzonderlijke onderdelen. De verbeelding is een kaart van het plangebied waarop onder andere te zien is waar, welke bestemming geldt en waar bouwvlakken liggen waarbinnen gebouwen opgericht dienen te worden. Op de verbeelding zijn de volgende hoofdgroepen opgenomen:

  • enkelbestemmingen;
  • dubbelbestemming;
  • functieaanduidingen;
  • bouwvlakken;
  • bouwaanduidingen;
  • maatvoeringen.

Uit de bestemmingsregels blijkt hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingsplanregels bestaan altijd uit de volgende vier hoofdstukken:

  • 1. inleidende regels;
  • 2. bestemmingsregels;
  • 3. algemene regels;
  • 4. overgangs- en slotregels.

De opzet van de verbeelding en regels sluit aan op de wettelijk vastgelegde Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Verder zijn de bestemmingen zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gronden.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridische plangedeelte, dient het wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels.

Toelichting op de bestemmingen

Artikel 3 Bedrijventerrein - Kleinschalig

Aan beide locaties is een bestemmingsregeling opgenomen die specifiek is afgestemd op het bedrijf. De hoofdactiviteiten zoals genoemd in paragraaf 2.1 en 2.2 zijn per locatie planologisch geregeld met de volgende aanduidingen: 'specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel', specifieke vorm van bedrijf - op- en overslag' en 'specifieke vorm van bedrijf - depot'

Daarnaast zijn de verschillende toegestane nevenactiviteiten per locatie aangegeven met de aanduidingen: 'specifieke vorm van bedrijf - visserij', specifieke vorm van bedrijf - gladheidsbestrijding', 'specifieke vorm van bedrijf - verwerken groenafval' en 'specifieke vorm van bedrijf - puinbreker'.

Tevens zijn er nog een aantal ondergeschikte activiteiten toegestaan die worden toegelicht in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2. en zijn ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'kantoor' aangegeven waar een bedrijfswoning en/of een kantoor is toegestaan. Ondergeschikt betekent in dit geval dat de activiteit in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan de hoofdfunctie.

Binnen de bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken. In de regels zijn onder meer de toegestane goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen vastgelegd. Met betrekking tot de situering van de hoofdgebouwen zijn op de verbeelding bebouwingsvlakken ingetekend, waar de gebouwen gesitueerd dienen te worden.

De maximum oppervlakte van de bedrijfsgebouwen is op de verbeelding aangeduid. Het gebruik van een mobiele puinbreker en een versnipperaar is eveneens aangeduid met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - puinbreker' en 'specifieke vorm van bedrijf - versnipperaar'. Daarnaast zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de het versnipperen en puinbreken.

Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisering van waterberging en de landschappelijke inpassing. Binnen twee jaar na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan dient deze gerealiseerd te zijn.

Artikel 4 Groen - Landschappelijk

Om de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de terreininrichting te borgen in beide deelgebieden is in de gebruiksregels een bepaling opgenomen dat binnen twee jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan beplanting rondom de bouwvlakken is aangelegd overeenkomstig het landschappelijk inpassingplan dat opgenomen is in bijlage 1 van de regels. Het kappen of rooien van bomen en of het afgraven van dijklichamen is alleen onder voorwaarden toestaan.

Voor de ondersteunende visserijactiviteiten voor het drogen van netten is een aparte aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - visserij' opgenomen.

Artikel 5 Waarde - Archeologie - 7

Overeenkomstig het facetbestemmingsplan 'Archeologie' is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 7' opgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. In de bestemmingsregeling zijn onder andere regels ten aanzien van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en werkzaamheden enerzijds en het slopen anderzijds opgenomen.

Algemene regels

Artikel 6 Algemene bouwregels

In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een aantal aanvullende gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

In het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is een aantal aanvullende gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

In het artikel 'Algemene wijzigingsregels' is een aantal aanvullende gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden.

Artikel 10 Overige regels

Antidubbeltelregeling

De antidubbeltelregeling Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Om hiervan een voorbeeld te geven: binnen de bestemming Wonen mag een bepaald percentage van het erf worden bebouwd. Indien het absolute oppervlak (uitgedrukt in m²) niet is bereikt, kan door het bijkopen van een stuk erf van het aangrenzend perceel extra bebouwing tot dit maximum worden gerealiseerd. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken.

Werking wettelijke regeling

Deze regeling is opgenomen omdat in een aantal gevallen in de regels van bestemmingsplannen wordt verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

Voorrangsregeling (dubbel)bestemmingen

Deze regeling geeft aan dat als er uitvoering wordt gegeven aan een enkelbestemming, allereerst getoetst moet worden aan de dubbelbestemming.

OVergangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

In artikel 11 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 12.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 12.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Planologische afweging

Met dit bestemmingsplan wordt in hoofdessentie op zowel locatie Langeweg 2a als Langeweg 2b voorzien van een adequate en specifiek op het bedrijf afgestemde bestemmingsregeling, voor bestaande en gewenste bedrijfsactiviteiten voor zover passend binnen actuele wet-/regelgeving en beleid.

De ontwikkeling is het realiseren van:

  • Langeweg 2a: vormverandering bestemmingsvlak/bouwvlak bedrijfsbestemming ten behoeve van de realisatie van een loods en positief bestemmen van de activiteiten die nu plaatsvinden (en eventueel op basis van milieutoestemmingen nu plaatsvinden);
  • Langeweg 2b: realiseren loods en kantoorruimte nabij entree terrein, afstemmen van de bedrijfsbestemming (waaronder vergroting van het bestemmingsvlak) op de feitelijk aanwezige situatie, beperken bouwmogelijkheden (maximale oppervlakte aan gebouwen), positief bestemmen van de activiteiten die nu plaatsvinden (en eventueel op basis van milieutoestemmingen nu plaatsvinden).
  • het realiseren en waarborgen van een goede landschappelijke inpassing en daarmee tevens ook van de ruimtelijke afronding van de beide bedrijfsterreinen.

De ontwikkeling past binnen het beleid zoals genoemd in hoofdstuk 3. Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan relevante milieuaspecten (Hoofdstuk 4). Deze vormen geen belemmering voor het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie en de beoogde ontwikkeling met in achtneming van de maatregelen voor het aspect geluid, zoals genoemd in paragraaf 4.9.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het ruimtelijk plan maatschappelijk draagvlak heeft. Conform de wettelijke eisen zal het ontwerp van de omgevingsvergunning met de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing voor eenieder ter inzage worden gelegd.

Resultaten ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan ‘Langeweg 2a en 2b Bruinisse' heeft van 22 december 2023 tot en met 2 februari 2024 ter inzage gelegen waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan Tijdens de ter inzage legging is door de Provincie Zeeland een zienswijze ingediend. Een samenvatting van deze zienswijze en de bijbehorende beantwoording door de gemeenteraad vindt u in bijlage 13.

Naar aanleiding van de ingediende zienswijze is overleg met de provincie gevoerd. Naar aanleiding van de zienswijze en het hieropvolgende overleg zijn vervolgns aanvullingen in de toelichting van het bestemmingsplan gedaan en is een overeenkomst bereikt over de compensatie van met elders vrijgekomen bedrijventerrein die zal worden weggestreept in het bedrijventerreinenprogramma.

6.3 Financiële uitvoerbaarheid

Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening:

  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m² bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen hoeven te worden vastgesteld. Tevens is wettelijk geregeld dat voor onbenutte bouwruimte die al opgenomen was in een bestemmingsplan dat nog op basis van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening was opgesteld en vastgesteld en bij de herziening van dat bestemmingsplan na 1 juli 2008 geen andere bestemmingsregeling is vastgesteld, geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

Door als gemeente alle gronden en opstallen in eigendom te hebben, zelf de grondexploitatie te voeren en de bouwgrond uiteindelijk bouwrijp tegen een marktconforme prijs te leveren wordt ook voldaan aan de eis van verplichte kostenverhaal. De kosten van grondexploitatie worden in dat geval verhaald via de gronduitgifteprijs.

Voorliggende ontwikkeling

Omdat het plan een particulier initiatief betreft zijn er voor de gemeente Schouwen-Duiveland geen financieel-economische consequenties aan verbonden. De uitvoeringsrisico's liggen bij de initiatiefnemer.

Alle aan de planontwikkeling verbonden kosten (zoals plan- en procedure, gemeentelijke begeleiding en eventuele claims voor planschade) komen voor rekening van de initiatiefnemers. Dit zal in een anterieure overeenkomst worden overeengekomen. Daarnaast zal in deze overeenkost afspraken ook voorwaarden worden opgenomen over de realisering, beheer en duurzaamonderhouden van de gronden van de landschappelijke inpassing en het realiseren van voldoende waterberging.

De financieel-economische haalbaarheid is hiermee voldoende verzekerd en er kan daarom worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.