| Plan: | Stedelijk gebied, woningbouwlocatie De Rogse Wieken Hooge Mierde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1667.BPHMrwieken2010-VAST |
Initiatiefnemer is voornemens om op de gronden gelegen in de ‘oksel’ van de Leendestraat en Sint Cornelisstraat te Hooge Mierde 94 woningen gefaseerd te realiseren. Vanwege de onverminderd grote woningbouwopgave en de steeds veranderende marktvraag en ontwikkelingen is het voornemen om een flexibel plan te realiseren waarbij in iedere nieuwe fase nieuwe keuzes gemaakt kunnen worden met betrekking tot aantallen, typering, etc.. De woningbouwontwikkeling zal starten in het westelijk deel van het projectgebied, in de 'oksel' van de Leendestraat en Sint Cornelisstraat, direct aansluitend op de kern Hooge Mierde. Vervolgens zullen de volgende gebieden in fases ontwikkeld worden.
Het planvoornemen is de gronden te herbestemmen ten behoeve woningbouw, dit planvoornemen past niet in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' van de gemeente Reusel-De Mierden. Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.
De ontwikkeling heeft betrekking op de gronden gelegen in de oksel van de Leendestraat en Sint Cornelisstraat, ten noordoosten van de kern Hooge Mierde. Het betreft een overgangsgebied naar het buitengebied, de locatie is navolgend indicatief weergegeven.
Figuur 1.1: Indicatie ligging plangebied (Bron: ek)
De toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet.
Het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische grond, waarvan het zuidwestelijke gedeelte op dit moment bestaat uit grasland en het noordoostelijke gedeelte wordt gebruikt voor akkerbouw. Daarnaast zijn er ook twee bestaande woonpercelen en een perceel met schuren onderdeel van het plangebied.
Figuur 2.1: Luchtfoto van plangebied
De gronden zijn kadastraal bekend als: Hooge en Lage Mierde, sectie G nummer 1288, 1292, 115, 1289, 1376, 1377, 4090, 7716 en gedeeltelijk 1185. Navolgend zijn de kadastrale percelen weergegeven. De tuinen worden toegevoegd aan het plangebied. Op perceel 115 staan twee schuren.
Figuur 2.2: Kadastrale percelen plangebied
De locatie wordt aan beide zijde omgeven door woningen en ligt als het ware ingeklemd tussen bebouwingslinten, aan de oostzijde door de woningen aan de Leendestraat en aan de westzijde door de woningen aan de Sint Cornelisstraat. Vanwege de inklemming tussen de verschillende woonstraten kent de directe omgeving van de locatie met name woon- en tuinbestemmingen. De woningen in de omgeving zijn veelal vrijstaande woningen op ruime percelen, met de gevel afwisselend evenwijdig aan of haaks op weg gesitueerd. Aan de Leendestraat zijn recent nog een aantal woonkavels ontwikkeld. De locatie gaat richting het noordoosten over in het buitengebied van de gemeente Reusel- De Mierden. De gronden zijn op dit moment niet direct ontsloten via één van de omliggende wegen. De omliggende bebouwing vormt, met name aan de Leendestraat, een harde overgang naar het buitengebied waarbij vanuit het landschap direct zicht is op de voorzijde van de woningen in de kern.
Navolgende figuur geeft een beeld van de huidige situatie ter plaatse waarbij ook de harde overgang naar het buitengebied duidelijk zichtbaar is.
Figuur 2.3: Kruising Sint Cornelisstraat en Leendestraat (Bron: Google Maps, april 2019)
Figuur 2.4: Sint Cornelisstraat in noordelijke richting (Bron: Google Maps, april 2021)
Figuur 2.5: Leendestraat in noordoostelijke richting (Bron: Google Maps, april 2019)
Figuur 2.6: plangebied vanaf de Leendestraat in westelijke richting (Bron: Google Maps, april 2019)
Buitengebied 2009
Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ (vastgesteld op 8 december 2011) de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden 1’ met de aanduidingen ‘landschappelijke openheid’, ‘extensiveringsgebied’ en (deels) ‘archeologische verwachtingswaarde’.
Figuur 2.7: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' ter plaatse van het plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op de gronden binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Er zijn geen binnenplanse wijzigingsmogelijkheiden voor het wijzigen van de gronden naar 'Wonen'.
In Hooge Mierde is er een lokale woonbehoefte voor de eigen inwoners. Een deel van de woningbouwbehoefte wordt opgevangen met enkele inbreidingslocaties. Daarbij gaat het om kleine aantallen, waar bovendien een langdurig ontwikkelproces voor nodig is. Het is daarom noodzakelijk om ook buiten de begrenzing van het stedelijk gebied te zoeken naar nieuwe woningbouwlocaties. Het realiseren van extra woonlocaties buiten de bestaande kern vraagt om een afgewogen verkenning naar de mogelijkheden hiertoe.
Een uitbreiding van de dorpskern is niet overal zomaar mogelijk. Het buitengebied en de dorpsranden herbergen uiteenlopende landschappelijke waarden. De gemeente Reusel - De Mierden wil de bestaande omgevingskwaliteiten dan ook leidend laten zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden. Om die reden is een uitgebreide gebiedsanalyse uitgevoerd, die de potentiële locaties voor wonen in beeld brengt. Daarnaast zijn de kansen en knelpunten benoemd voor een woonontwikkeling in relatie tot de landschappelijke waarden.
De gebiedsanalyse is uitgevoerd volgens de zogenaamde 'lagenbenadering'. De provincie Noord-Brabant hanteert dit als de aangewezen benadering voor het integraal en verdiepend in beeld brengen van de mogelijkheden voor veranderingen in de ruimtelijke inrichting van het buitengebied. De analyse is uitgevoerd voor Hooge Mierde als geheel en vervolgens is er ingezoomd per dorpsrand.
De volgende aspecten zijn daarbij meegenomen:
Daarnaast is er per dorpsrand het relevante beleid weergegeven:
Provincie/Regio
Gemeentelijk beleid
Op basis hiervan is per dorpsrand een samenvattende conclusie beschreven, een visiekaart opgesteld met daarop de ruimtelijke hoofduitgangspunten en er is een voorstel gedaan voor potentiële ontwikkellocaties. Per ontwikkellocatie zijn er afwegingen en/of aandachtspunten geformuleerd waar bij realisatie rekening mee gehouden dient te worden. Bij aanvang van een ontwikkeling dient op basis hiervan een uitgangspuntenkader opgesteld te worden.
Historische context
Het dorp Hooge Mierde ligt op de rand van het Kempisch plateau. Het landschap bestaat uit dekzandruggen doorsneden door noord-zuid gerichte beken, zoals de Reusel. Hooge Mierde is ontstaan op de grens van het beekdal van de Reusel en de hoger gelegen zandgronden. Het was een kleinschalige, zelfvoorzienende akkerdorp met lintvormige bebouwing. De lager gelegen en natte beekdalen werden gebruik als hooi- en grasland. Op de hoge delen ontstonden de eerste akkers. Rondom deze oude agrarische cultuurlandschappen lag de woeste heide. Na 1850 werden grote delen van de woeste gronden ontgonnen en bebost voor de productie van stuthout voor de mijnen, hierdoor ontstonden grote arealen bos. Ook vonden op de woeste gronden grootschalige agrarische ontginningen plaats, mede dankzij de intrede van de kunstmest en een betere waterbeheersing. Deze jonge heideontginningen zijn grootschalig verkaveld, met
rechthoekige percelen. Door deze opeenvolgende ontginningen zijn vier verschillende landschapstypen ontstaan, die nog steeds de basis vormen voor het landschap: de oude agrarische cultuurlandschappen, de beekdalen, de jonge heideontginningen en de uitgestrekte bossen met enkele heidecomplexen.
Mede door ruilverkaveling en schaalvergroting vanaf de jaren vijftig is de samenhang tussen het landschap en het bodemgebruik minder geworden en is de herkenbaarheid van de verschillende landschapstypen afgenomen. De van oudsher meanderende beken zijn gekanaliseerd, de beekdalen zijn grotendeels in agrarisch gebruik genomen en de elzensingels zijn verdwenen. Achter het historische dorpslint werden op de
oude akkercomplexen nieuwe uitbreidingswijken aangelegd.
Figuur 3.1: Historische kaart van 1840 van Hooge Mierde en omgeving (bron: EK stedenbouw en landschap)
Figuur 3.2: Historische kaart van 1810 van Hooge Mierde en omgeving (bron: analyse dorpsranden)
Geomorfologie
Hooge Mierde is ontstaan op een uitloper van een hogere dekzandrug ten westen van het beekdal van de Reusel. Daar omheen zijn terrasafzettingswelvingen gelegen.
Hoogtekaart en waterlopen
Hooge mierde ligt op een hoger gebied in het landschap. Ten opzichte van de beeks is er een hoogte verschil van circa 3,5 meter. Het water stroomt via de laagtes richting het beekdal van de Reusel.
Grondwaterstanden
De grondwaterstanden volgen het hoogte verloop van het landschap.
Figuur 3.3: Kaarten geomorfologie, hoogtekaart met Legger en Grondwaterstand (GHG) met Legger (bron: dorpsrandanalyse)
In de hoofdstructuur van het dorp is de samenkomst van wegen nog steeds herkenbaar. Aan de westzijde vormen de karakteristieke historische bebouwingslinten nog altijd de dorpsranden en zorgen zij voor een geleidelijke overgang tussen dorp en buitengebied. Aan de andere kanten van het dorp zijn achter de linten planmatige woonwijken, een kleinschalig bedrijventerrein en een sportcomplex ontwikkeld. Deze ontwikkelingen worden grotendeels omzoomd door groenopstanden.
De voorzieningen (horeca, bakker en maatschappelijke voorzieningen) in Hooge Mierde liggen centraal in het dorp.
Het landschap rondom het dorp wordt aan alle zijden gevormd door een open akkerlandschap met verre zichten. Enkel in de zone tussen de Hoogstraat en Smidsstraat is dit landschap kleinschaliger. Opvallend zijn de landwegen; ze gaan alle richtingen op. Er zijn geen paden die deze landwegen onderling verbinden. Ook zijn er geen mogelijkheden aanwezig om een ommetje vanui de wijk te kunnen maken.
Op afstand van de dorpsrand liggen grotere landschappelijke structuren, zoals het beekdal van de Reusel en bosgebieden zoals Zwartven (onderdeel van grensoverschreidend natuurgebied de Turnhoutsche Heide).
Figuur 3.4: Structurenkaart (bron: dorpsrandanalyse)
De dorpsranden van Hooge Mierde kenmerken zich door hun liggen in het landschap of aan infra. Hierdoor zijn er drie deelgebieden te definiëren. Daarvan is de Leendestraat aan de zuidoostzijde er een van.
Figuur 3.5: Locatie A in initiatieffase en Locatie B is een vastgesteld plan (bron: dorpsrandanalyse)
De hoofdconclusies uit de dorpsrandanalyse zijn:
De opgaves zijn:
De structuur van het dorp kenmerkt zich net als vroeger nog steeds door de bebouwingslinten. Dit zijn nu de Kerkstraat, Sint Cornelisstraat, Smidsstraat, Hoogstraat en De Stad. De ruimte achter en tussen deze linten is op een aantal plekken opgevuld met nieuwe woonwijken waardoor een meer concentrisch dorp is ontstaan met het Myrthaplein als middelpunt. Ruimtelijk gezien worden de plekken achter en tussen de linten gezien als een 'logische' ontwikkelrichting van het dorp. Ook deze ontwikkeling betreft de uitbreiding van een nieuwe woonwijk achter en tussen de linten. De beoogde ontwikkeling ligt achter de Cornelisstraat. Met de nieuwe ontwikkeling dient de kenmerkende lintenstructuur van het dorp behouden te blijven.
Met een ontwikkeling achter de linten wordt tevens een nieuwe afronding van het dorp gecreëerd. De afronding dient 'logisch' te zijn. Wat betekent dat deze moet aansluiten op de bestaande afronding van het dorp en passend moet zijn in de omgeving, ook het landschap moet daarbij betrokken worden.
Aan de Leendestraat heeft onlangs de ontwikkeling van een aantal nieuwe woningen plaatsgevonden. Daarnaast is tussen Leendestraat (ook een oude structuur) en De Stad in de jaren '80 en '90 een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Met deze nieuwe ontwikkeling wordt aangesloten op de bestaande structuren en aangesloten op de Leendestraat.
Het plangebied ligt in het oude cultuurlandschap, al is daar nu nog maar weinig van te herkennen. Waar vroeger het landschap werd gekenmerkt door kleine landbouwpercelen en bossingels, zijn het nu grote percelen en zijn de bossingels verdwenen. Wat verder naar het buitengebied toe zijn af en toe nog wat restanten van de oude landschapsstructen terug te vinden. In het stedenbouwkundig plan worden oude landschapsstructuur teruggebracht en wordt het omliggende landschap de nieuwe woonwijk binnen getrokken. Hiermee kan tevens het bebouwingslint in haar verschijningsvorm worden behouden.
De volgende uitgangspunten zijn genomen voor het stedenbouwkundig plan:
Figuur 3.6: Stedenbouwkundige uitgangspunten (bron: EK stedenbouw en landschap)
De genomen uitgangspunten worden hierna vertaald naar een aantal ontwerpprincipes die de structuur vormen en de basis zijn voor het inrichtingsplan. Een belangrijk aspect voor het inrichtingsplan is de afronding van het dorp en de verbinding met het landschap.
Voor de afronding van de kern wordt aangesloten bij de bestaande afronding ten zuidoosten van de Leendestraat. De nieuwe structuur sluit haaks aan op de Leendestraat, maar vormt vervolgens een meer ronde, organische vorm waardoor het landschap naar binnen gehaald wordt. Tevens wordt hiermee de bestaande lintstructuur van de Cornelisstraat behouden. De rand van de nieuwbouwwijk wordt ingepast met landschapselementen met kleine bossingels en solitaire bomen. Het is geen gesloten beplanting, maar met openingen. Hierdoor blijft zicht vanaf de nieuwe woonwijk op het landschap behouden. In de rand is tevens ruimte om de benodigde waterberging te realiseren.
In de nieuwe woonwijk is het terugbrengen van verdwenen structuren een uitgangspunt. Dit vormt in belangrijke mate de structuur van de wijk. Er is er voor gekozen om bossingels, zoals die vroeger ook aanwezig waren, terug te brengen. Hierdoor worden woonblokken ingesloten in beplantingsstroken en worden er als het ware kamers gecreëerd. Deze structuur sluit erg aan op de historische landschapsstructuur. Daarnaast sluit het aan op het omliggende landschap, die als het ware naar binnen in de nieuwe wijk gehaald wordt. In onderstaande principeschets is de landschapsstructuur in de nieuwe wijk weergegeven (figuur 3.7).
Figuur 3.7: Principeschets landschapsstructuur doorzetten in nieuwe wijk (bron: EK stedenbouw en landschap)
In figuur 3.8 is het stedenbouwkundig inrichtingsplan weergegeven. Met de realisering van de uitbreiding aan de Leendestraat wordt de oostelijke dorpsrand van Hooge Mierde afgerond. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande woonwijk aan de zuidzijde van de Leendestraat en zorgt ervoor dat er een duidelijke overgang ontstaat van de oostelijke dorpsrand naar het omliggende landschap; de dorpsrand wordt beter leesbaar.
Een belangrijk uitgangspunt van de woningbouwontwikkeling is het integreren van het bestaande landschap in de wijk. Het landschap wordt de wijk ‘ingetrokken’. Hierdoor ontstaat een verbinding tussen de kern en het omliggende landschap en wordt er een ‘zachte’ overgang naar het buitengebied gecreëerd. Door deze verbinding wordt de integratie met de kern en het landschap versterkt.
Door deze groene buffer aan te leggen tussen de huidige bebouwing (noordwestzijde) en de nieuw te realiseren bebouwing, ontstaat er als vanzelf afstand tot het bebouwingslint en de te ontwikkelen woonwijk. De karakteristiek van het bebouwingslint tussen Hooge Mierde en Lage Mierde blijft behouden en wordt eveneens in haar karakteristiek versterkt. Dit wordt tevens versterkt door het terugbrengen van historische landschapsstructuren van de bossingels (kunnen ook bomenrijen zijn).
Gemeente Reusel-De Mierden eist dat voor dit plan 75 m² groen per woning (paragraaf 4.4.4). Het groen zal een samenhangend geheel vormen en aansluiten op de karakteristiek van het omliggende landschap. Binnen het projectgebied zal in samenhang met de woningbouwontwikkeling een forse landschappelijke inpassing gerealiseerd worden. Een belangrijk uitgangspunt van de woningbouwontwikkeling is het doortrekken van het landschap in de wijk.
Door het toepassen van de verschillende voorkomende landschappelijke karakteristieken (o.a. boomgroepen, bosjes) kan de woningbouwontwikkeling in opeenvolgende fases worden uitgevoerd, zonder dat dit storend zal zijn voor het omliggende landschap.
Figuur 3.8: Stedenbouwkundig ontwerp riool (bron: Cincera, Bijlage 1 en Bijlage 2 )
Sfeer en karakteristiek
De nieuwe bebouwing sluit aan de noordzijde aan op de bestaande bebouwing aan de Leendestraat. De wijk vormt de nieuwe dorpsrand en zal zich kenmerken door een dorpse architectuur die samenhang kent in massavorm en kapvorm, maar elk deelgebied kan zijn eigen specifieke karakter krijgen door nuances in architectuur en materiaalgebruik. Hierdoor ontstaat een gevarieerd plan met woningen gebouwd in een dorpse stijl, die aansluit bij de gevarieerde bebouwing van Hooge Mierde.
Duurzaamheid
In het kader van duurzaamheid en energiezuinigheid zullen in het plan de woningen worden voorzien van zonnepanelen/ -collectoren. Deze panelen zullen zoveel mogelijk in het ontwerp worden geïntegreerd. De plaatsing gebeurt in een regelmatig patroon in overeenstemming met de dakvorm en in samenhang met andere elementen in het dakvlak, zoals dakkapellen en dakramen, evenwijdig aan de dakvoet of nok en niet uitstekend. Bij voorkeur zal een geïntegreerd systeem worden toegepast, waarbij de panelen in het dakvlak liggen in plaats van erop.
Deelgebieden
Het inrichtingsplan is opgedeeld in deelgebieden. Ieder deelgebied krijgt een eigen beeldkwaliteit. In figuur 3.9 is de verdeling in deelgebieden weergegeven, daarna is per deelgebied de beoogde beeldkwaliteit uitgewerkt.
Figuur 3.9: Deelgebieden voor beeldkwaliteitsplan (bron: Gewoon architecten)
Deelgebied A
Figuur 3.10: Beeldkwaliteit deelgebied A (bron: Gewoon architecten)
Deelgebied B
Figuur 3.11: Beeldkwaliteit deelgebied B (bron: Gewoon architecten )
Deelgebied C
Figuur 3.12: Beeldkwaliteit deelgebied C (bron: Gewoon architecten )
Deelgebied D
Figuur 3.13: Beeldkwaliteit deelgebied D (bron: Gewoon architecten)
Deelgebied E
Figuur 3.14: Beeldkwaliteit deelgebied E (bron: Gewoon architecten)
Door EK Stedenbouw en Landschap is het beeldkwaliteitsplan voor de openbare ruimte en landschap opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is bijgevoegd in bijlage 3. Hierna worden een aantal punten uit het beeldkwaliteitsplan uitgelicht.
In het beeldkwaliteitsplan zijn ontwerprichtlijnen opgenomen voor de openbare ruimte en het landschap. Voor de openbare ruimte wordt uitgegaan uniforme landschappelijke erfafscheidingen, parkeren in groene 'koffers' en bestrating in donkerbruine betonklinkers. Tussen de bouwblokken worden hoge houtopstanden met onderbeplanting voorzien voor een groene afscheiding. Voor het landschap wordt uitgegaan van een zachte overgang naar het omliggende weiland en een natuurlijk ingerichte wadi. In de noordoost rand van het bouwplan worden bomen geplant en wordt bloemrijk grasland aangelegd.
Figuur 3.15: Impressiefoto's uit beeldkwaliteitsplan (bron: EK Stedenbouw en landschap)
Figuur 3.16: Landschappelijk-stedenbouwkundig plan (Bron: EK stedenbouw en landschap)
De beoogde ontwikkeling beslaat het herontwikkelen van de gronden ten behoeve van woningbouw. De locatie is eerder door de gemeente aangewezen als ‘Verstedelijking afweegbaar’, dit is overgenomen door de provincie in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zie paragraaf 4.2.2.
Vanwege de ligging, ingesloten tussen reeds bestaande woningbouw en als afronding van de kern Hooge Mierde in het noorden, is het plangebied vanuit stedenbouwkundig oogpunt een geschikte locatie voor de ontwikkeling van woningbouw. Met de realisering van woningen aan de achterzijde van de Leendestraat wordt de oostelijke dorpsrand van Hooge Mierde afgerond, ook zal de ontwikkeling zorgen voor een zachte overgang van de dorpsrand in het omliggende landschap, waardoor de ruimtelijke omgeving beter leesbaar wordt. De locatie biedt de ideale mogelijkheid om met een groene omzoming een zachte en logische overgang naar het buitengebied te faciliteren. En tegelijkertijd de integratie van het omliggende landschap met de kern te versterken door het landschap de wijk in te trekken.
Het voornemen is om de woningbouwontwikkeling te starten in het westelijk deel van het projectgebied, in de ‘oksel’ van de Leendestraat en Sint Cornelisstraat. Direct aansluitend op de kern Hooge Mierde en vanuit daar verder uit te bouwen. Het is de bedoeling om gefaseerd 94 woningen te realiseren, waarvan 28 sociale woningen. Dit is 30% van het totaal. Hiermee wordt voldaan aan de woondeal. Dit kunnen sociale huur- en/of koopwoningen zijn. Met het plan wordt ingezet op de toekomst, met bouwen voor variërende doelgroepen. Het stedenbouwkundig plan is beschreven in paragraaf 3.2.
Landschapsplan
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de eerste fase van de ontwikkeling is het verplicht een landschapsplan op te nemen. De voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing is in de regels opgenomen in artikel 8.4.3.
Natuurinclusiviteit
In het plangebied worden vogelkasten in de gevels opgenomen en de wadi wordt aangelegd met bomen en struiken waar verschillende planten en diersoorten goed gedijen.
Initiatiefnemer beoogt een flexibel plan waarbij de woningbouw over een langere termijn wordt uitgesmeerd en stapsgewijs wordt uitgevoerd. In verschillende fases kan woningbouw over een periode van circa 10 jaar worden uitgesmeerd, afhankelijk van de vraag. Op deze manier van werken kunnen in iedere nieuwe fase van het traject nieuwe afwegingen en keuzes worden gemaakt om op die manier te kunnen blijven voldoen aan de steeds veranderende woningvraag en ontwikkelingen. Indien gewenst kan per fase een behoeftepeiling worden gedaan. Aan de hand van de dan aanwezige behoefte kan vervolgens een bouwfase verder vorm gegeven worden.
De verwachting is dat de woningbouwopgave de komende decennia onverminderd groot blijft. De vragen en behoeftes blijven wel telkens veranderen. Door aan de locatie de bestemming 'Wonen' met ruimte voor flexibiliteit en maatwerk toe te kennen kan in de toekomst worden geschakeld in bijvoorbeeld het type en de grootte van de woningen en bouwen voor verschillende doelgroepen (zelfbouw, koop-huur, oud-jong, lokaal-regio-expats etc.). Per fase zou dan onderzocht kunnen worden hoe kan worden voldaan aan de dan geldende behoefte.
Het beoogde programma is:
| Huur sociale sector | 10 |
| Koophuis vrijstaand | 15 |
| Koophuis twee-onder-een kap | 18 |
| Koophuis (incl. max. 18 sociale koop) tussen/hoekwoning | 51 |
| 94 |
3.2 Verkeer en parkeren
In het kader van het ruimtelijk plan dient te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid.
De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381. In het GVVP van de gemeente Reusel-De Mierden (GVVP, Module Ruimtelijke Ontwikkelingen, Reusel-De Mierden) is aangegeven dat de CROW-kencijfers leidend zijn voor de gemeente. Hierbij sluit de gemeente aan bij het gemiddelde van de bandbreedte. Volgens de CBS is de stedelijkheidsgraad van de gemeente Reusel-De Mierden 'weinig stedelijk'. Het projectgebied maakt deel uit van de categorie 'rest bebouwde kom'.
Bestaande situatie
Gemotoriseerd verkeer
In de omgeving van het projectgebied liggen de Leendestraat en de Sint Cornelisstraat. De Leendestraat en de Sint Cornelisstraat zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/u.
Langzaam verkeer
Op de erftoegangswegen rondom het projectgebied, deelt de fietser de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer en zijn geen fietsvoorzieningen aanwezig. Dit geldt niet voor de Sint Cornelisstraat, hier is door middel van rode klinkers langs beide zijden van de weg fietssuggestiestroken aangegeven. Langs de wegen rondom het projectgebied zijn voetpaden aanwezig.
Openbaar vervoer
Op circa 500 meter loopafstand van het projectgebied ligt langs de Sint Cornelisstraat een bushalte, waar elk uur buslijn 143 Reusel Busstation – Tilburg Centraal Station halteert.
Beoogde ontwikkeling
De planontwikkeling voorziet in de realisatie van 94 woningen, waarvan 28 sociale huur- en/of koopwoningen, 15 vrijstaande, 18 twee-onder-een-kapwoningen en 33 tussen/hoek koopwoningen.
Verkeersgeneratie
Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381. Hierbij wordt op basis het GVVP van de gemeente Reusel-De Mierden het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De CROW-kengetallen gelden voor gemiddelde weekdagen. Om ook de verkeersomvang op een gemiddelde werkdag te bepalen, is gebruik gemaakt van de omrekenfactor 1,11 (CROW 381).
De bestaande situatie betreft grasland en heeft geen verkeersaantrekkende werking.
Tabel 3.1: Berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie (Bron: Rho adviseurs)
| Toekomstige situatie | ||||
| Functie | Aantal | Kengetal | Weekdagintensiteit (mvt/etmaal) | Werkdagintensiteit (mvt/etmaal) |
| Koop, huis, vrijstaand | 15 | 8,2 per woning | 123 | 136,5 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 18 | 7,8 per woning | 140,4 | 155,8 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 51 | 7,4 per woning | 377,4 | 418,9 |
| Huur, huis, sociale sector | 10 | 5,6 per woning | 56 | 62,2 |
| Totale verkeersgeneratie toekomstige situatie | 94 | 696,8 | 773,4 | |
De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeersgeneratie van afgerond 773 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag (697 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag). Daarnaast dient bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling gekeken te worden naar het maatgevende (spits)uur. Als vuistregel geldt dat de verkeersintensiteit in het drukste uur circa 10% bedraagt van de totale etmaalintensiteit. Met een verkeersgeneratie van 773 motorvoertuigen op een etmaal betekent dit op drukste uur een verkeersgeneratie van 77 motorvoertuigen per uur.
Verkeerstoedeling
Het projectgebied wordt door middel van 3 aansluitingen ontsloten op de Leendestraat, waarna op de Sint Cornelisstraat wordt ontsloten. Op basis van de navigatietool van Google Maps is een inschatting gemaakt van hoe het verkeer vanaf het projectgebied wordt ontsloten. Er wordt uitgegaan dat het volledige projectgebied via de Leendestraat op de Sint Cornelisstraat wordt ontsloten. Hierna zal het verkeer zich opsplitsen in 50% naar het noorden en 50% naar het zuiden.
Figuur 3.15: Verkeerstoedeling beoogde ontwikkeling (Bron: Rho adviseurs)
De beoogde ontwikkeling zal worden ontsloten op de Leendestraat en vervolgens op de Sint Cornelisstraat. De Leendestraat heeft een wegbreedte van circa 4,6 meter en Sint Cornelisstraat een wegbreedte van circa 4,7 meter. De voorrang op de kruispunten is gelijkwaardig en er zijn een beperkt aantal snelheidsremmers op de betreffende wegen aanwezig. De Leendestraat en de Sint Cornelisstraat zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen. Een erftoegangsweg kan normaal gesproken een verkeersintensiteit tussen de circa 4.000 en 6.000 mvt/etmaal vlot en veilig verwerken.
Leendestraat
Volgens verkeerstellingen uit 2022 bedraagt de verkeersintensiteit op de Leendestraat 593 mvt/etmaal (werkdag). Doordat de intensiteiten uit 2022 zijn worden deze naar het jaar 2032 omgerekend aan de hand van een autonome groei van 1% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 655 mvt/etmaal.
Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Leendestraat dan ook ruim onder de capaciteit van de Leendestraat (tussen de 4.000 en 6.000 mvt/etmaal) zal zitten. Wanneer de planbijdrage wordt toegevoegd aan de Leendestraat bedraagt de verkeersintensiteit in de toekomstige situatie (655 + 773=) 1.428 mvt/etmaal. De verkeersafwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten op de Leendestraat.
Ook voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat de toename als gevolg van het plan dermate gering is en de wegen een relatief lage verkeersintensiteit kennen ten opzichte van de capaciteit van de weg, dat de verkeersveiligheid op deze wegen na planontwikkeling niet leidt tot knelpunten.
Sint Cornelisstraat (tussen Kerkpad en Poelshof)
Volgens verkeerstellingen uit 2022 bedraagt de verkeersintensiteit op de Sint Cornelisstraat 2.007 mvt/etmaal (werkdag). Doordat de intensiteiten uit 2022 zijn worden deze naar het jaar 2032 omgerekend aan de hand van een autonome groei van 1% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 2.217 mvt/etmaal.
Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Sint Cornelisstraat dan ook ruim onder de capaciteit van de Sint Cornelisstraat (tussen de 4.000 en 6.000 mvt/etmaal) zal zitten. Wanneer de planbijdrage wordt toegevoegd aan de Sint Cornelisstraat bedraagt de verkeersintensiteit in de toekomstige situatie (2.217+(773*50%)=) 2.604 mvt/etmaal. De verkeersafwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten op de Sint Corneliusstraat).
Ook voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat de toename als gevolg van het plan dermate gering is en de wegen een relatief lage verkeersintensiteit kennen ten opzichte van de capaciteit van de weg, dat de verkeersveiligheid op deze wegen na planontwikkeling niet leidt tot knelpunten.
Sint Cornelisstraat (tussen Leendestraat en Kuilenrode)
Volgens verkeerstellingen uit 2022 bedraagt de verkeersintensiteit op de Sint Cornelisstraat 2.007 mvt/etmaal (werkdag). Doordat de intensiteiten uit 2022 zijn worden deze naar het jaar 2032 omgerekend aan de hand van een autonome groei van 1% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 2.217 mvt/etmaal.
Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Sint Cornelisstraat dan ook ruim onder de capaciteit van de Sint Cornelisstraat (tussen de 4.000 en 6.000 mvt/etmaal) zal zitten. Wanneer de planbijdrage wordt toegevoegd aan de Sint Cornelisstraat (2.217+(773*50%)= 2.604 mvt/etmaal) de verkeersafwikkeling dan ook niet tot leidt knelpunten.
Ook voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat de toename als gevolg van het plan dermate gering is en de wegen een relatief lage verkeersintensiteit kennen ten opzichte van de capaciteit van de weg, dat de verkeersveiligheid op deze wegen na planontwikkeling niet leidt tot knelpunten.
Verkeersveiligheid schoolkinderen
Gezien de breedte van de omliggende wegen, kan worden geconcludeerd dat er voldoende ruimte voor het gemotoriseerd verkeer is om de fietsende schoolkinderen veilig in te kunnen halen. De beoogde ontwikkeling zal gezien de relatief beperkte toename niet leiden tot verkeersonveilige situaties.
Conclusie
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.
De parkeerbehoefte is berekend aan de hand van de kencijfers vanuit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd.
| Toekomstige situatie | |||||
| Functie | Aantal | Kengetal | Parkeerbehoefte | ||
| Bewoners | Bezoekers | Totaal | |||
| Koop, huis, vrijstaand | 15 woningen | 2,3 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers) | 30 | 4,5 | 34,5 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 18 woningen | 1,8 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers) | 9 | 5,4 | 14,4 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 51 woningen | 1,6 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers) | 66,3 | 15,3 | 81,6 |
| Huur, etage, midden/goedkoop | 10 woningen | 1,6 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers) | 13 | 3 | 16 |
| Totale parkeerbehoefte | 118,3 | 28,2 | 146,5 | ||
De totale normatieve parkeerbehoefte komt op afgerond 147 parkeerplaatsen, waarvan 29 parkeerplaatsen voor bezoekers. In de onderstaande tabel is het parkeeraanbod binnen het plangebied weergegeven, inclusief de berekeningswaarde die aangehouden wordt voor parkeervoorzieningen bij woningen.
| Type Parkeerplaats | Aantal | Norm | Totaal |
| Garage met enkele oprit | 21 | 1,0 | 21 |
| Garage met lange oprit | 0 | 1,3 | 0 |
| Garage met dubbele oprit | 15 | 1,8 | 27 |
| Parkeerplaats | 100 | 1,0 | 117 |
| Totaal | 165 |
In totaal wordt binnen het plangebied voorzien in 165 parkeerplaatsen. Hiermee wordt de volledige parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling opgevangen binnen het plangebied.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk.
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd.
De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten :
Omgevingsinclusieve benadering
Centraal in de te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting uit de Omgevingswet van het begrip fysieke leefomgeving en wordt de noodzakelijke integraliteit van afwegingen benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen.
Het doel van de toekomstige Omgevingswet (deze wet in werking per 1 januari 2024) is namelijk het bereiken van een balans tussen: '(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'.
Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in de omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving. Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het maken van beleidskeuzes. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw.
Afwegingsprincipes
Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen.
Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:
Toetsing planvoornemen
In de NOVI is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. Het planvoornemen is op nationale schaal dermate kleinschalig dat er geen strijdigheid kan bestaan met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Voor deze ontwikkeling vindt de afweging dat wordt voldaan aan de principes van een goede ruimtelijke ordening décentraal plaats.
Nederland heeft behoefte aan een toegankelijk, betaalbaar woonlandschap van goede kwaliteit. De opgave is complex: ze vraagt om een gerichte inspanning van alle betrokkenen. Samen met belangrijke partners in het woonveld, zoals medeoverheden, woningcorporaties en marktpartijen, bundelt het Rijk de krachten om de geconstateerde problemen en oorzaken aan te pakken en de doelstellingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda te realiseren.
Iedereen moet goed kunnen wonen. Op dit moment is dit helaas niet altijd het geval. De beschikbaarheid van een passende woning staat voor veel mensen onder druk: mensen zijn onvoldoende in staat om snel een woning te vinden die bij hen past. Dit hangt sterk samen met de betaalbaarheid van wonen: veel mensen hebben moeite met hun woonlasten of kunnen geen voor hen betaalbare woning vinden. Daarnaast is de kwaliteit in toenemende mate een probleem: veel woningen passen niet bij de levensfase of woonbehoefte, zijn niet duurzaam of staan in een wijk waar sprake is van slecht onderhoud of waar de kwaliteit van de leefomgeving onder druk staat.
De oorzaken hiervoor zijn:
Het overkoepelende doel van deze Nationale Woon- en Bouwagenda (maart 2022) is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. In het document worden de drie belangrijke kerndoelen beschreven:
Deze kerndoelen worden in zes programma's uitgewerkt:
Toetsing planvoornemen
Het toevoegen van 94 nieuwe en betaalbare woningen in diverse typologieën draagt bij aan de beschikbaarheid van woningen in de kern Hooge Mierde en aan de kwaliteit van woningen aan de rand van een dorpskern dicht bij het groene buitengebied.
Het is de bedoeling om gefaseerd 94 woningen te realiseren. Uitbreiding of nieuwe functies zijn niet zonder meer mogelijk omdat sprake moet zijn van 'zorgvuldig ruimtegebruik'. Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten daarom worden getoetst aan Artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk gerealiseerd kunnen worden. Het initiatief bestaat uit meer dan 11 woningen op een locatie met een agrarische bestemming. In dat geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, zo blijkt uit vaste jurisprudentie. In het kader van de ladder dient de behoefte aan extra woningen in Hooge Mierde onderbouwd te worden.
Beschrijving behoefte
De woningbehoefte in de gemeente Reusel-De Mierden en specifiek in Hooge Mierde blijkt uit diverse onderzoeken, prognoses, regionale afspraken en actuele marktcijfers. Deze worden hierna behandeld.
De relevante regio voor wonen is De Kempen binnen de regio Zuidoost-Brabant.
Figuur 4.1: Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017)
Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020)
Voor het woningbouwprogramma van de gemeente Reusel- De Mierden is de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefte-prognose Noord-Brabant (2020)' van de provincie Noord-Brabant richtinggevend. Hierin wordt de kwantitatieve woningbehoefte geraamd op het toevoegen van 565 woningen in de periode tot en met 2030 en nog 335 in de periode 2030-2040.
Figuur 4.2: Indicatie toename woningvoorraad per gemeente (bron: Provincie Noord-Brabant)
Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2021/2022
In de Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage staat dat er in de regio Zuidoost Brabant in de periode 2021-2031 nog 43.500 woningen nodig zijn en er slechts harde plancapaciteit is voor 23.300 woningen.
Figuur 4.3: Woningbouwcapaciteit en opgaven
Woondeal Regio Zuidoost Brabant (2023)
In Reusel-De Mierden is afgesproken dat in de periode 2022-2030 minimaal 550 woningen worden toegevoegd, waarvan 2/3de in het betaalbare segment. Dit is onderverdeeld in 30% sociale huurwoningen, 16% middenhuurwoningen en 20% koopwoningen tot 355.000 euro. Er is slechts harde plancapaciteit voor 390 woningen.
Het project Rogse Wieken in Hooge Mierde is een van de sleutelprojecten (project 45, uitbreiding circa 90 woningen).
Kempische Visie op Wonen 2019-2023 (2019)
In maart 2019 hebben vier Kempengemeenten (Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden) de regionale woonvisie vastgesteld. De visie is in lijn met de Brabantse Agenda Wonen opgesteld en kent vijf speerpunten:
De regionale visie is leidend, maar een gemeente kan hiervan afwijken (maatwerk), ingegeven door specifieke (lokale) omstandigheden. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose is richtinggevend voor de toekomstige woningbehoefte. De Kempen is en blijft een regio die bij uitstek geschikt is voor gezinnen met kinderen. Er zijn relatief ruime woningen, diverse kernen met goede voorzieningen en stedelijke voorzieningen op korte afstand. Maar waar het aantal gezinnen de komende jaren stabiliseert, zal het aantal 1- en 2 persoonshuishoudens de komende tien jaar sterk toenemen. Dat komt met name door de groei van het aantal huishoudens van 55 jaar en ouder. Zij wonen nu vooral in ruime, grondgebonden woningen. Een deel van hen wil (én kan) daar wellicht blijven wonen, maar een deel van hen wil ook kleiner gaan wonen. Daarnaast is het woningaanbod voor starters in de koopsector beperkt. De toch al relatief prijzige woningvoorraad (door het grote woonoppervlak) wordt door de grote vraag nog prijziger. Om zowel voor de groep starters als 55-plussers het woningaanbod te vergroten, willen de regiogemeenten sterker inzetten op kleinere, levensloopgeschikte woningen.
De behoefte aan dit woningtype wordt overigens bevestigd in het woningbehoefteonderzoek van de Metropoolregio Eindhoven (2018). Verreweg de grootste woningbehoefte voor de Kempengemeenten is te zien bij de grondgebonden koopwoningen tot €200.000, gevolgd door grondgebonden woningen tussen de €200.000 en €345.000.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de regionale tekorten, met accenten van de segmenten waar per gemeente de meeste behoefte aan is:
Figuur 4.4: Kwalitatieve woningbehoefte
Figuur 4.5: Verwachte woningbehoefte per gemeente 2018-2028
In Reusel-De Mierden is de meeste behoefte aan betaalbare eengezins koopwoningen. Er is vooral behoefte aan betaalbare huur en koopwoningen. Inbreiding gaat voor uitbreiding, maar er moet wel rekening worden gehouden met beperkte ruimte in sommige dorpen. Op gemeenteniveau zijn er voldoende inbreidingslocaties om de woningbouwopgave voor de komende jaren te realiseren. Maar in een aantal kernen zijn de inbreidingsmogelijkheden zeer beperkt of zelfs helemaal niet aanwezig. De regiogemeenten vinden het belangrijk dat -bij aantoonbare behoefte - in elk dorp van de regio gebouwd kan worden. De kwantitatieve behoefte manifesteert zich weliswaar met name in de grotere kernen, maar een kleine toevoeging in een klein dorp kan al van wezenlijke invloed zijn op de leefbaarheid en vitaliteit van een kern. Bijvoorbeeld als daardoor een aantal jongeren met elkaar een CPO-project opstarten, zodat ze in hun eigen dorp kunnen blijven wonen. Het streven is daarom om woningbouw zoveel mogelijk op inbreidingslocaties te realiseren (conform de Ladder voor duurzame verstedelijking). Maar het blijft onder voorwaarden wel mogelijk om op uitbreidingslocaties te bouwen. Dit kan als het een woningbouwinitiatief betreft in een kern waar geen inbreidingslocaties meer voorhanden zijn of door met uitbreiding beeldbepalend openbaar groen binnen de bebouwde kom te beschermen. Bij woningbouw op een uitbreidingslocatie moet er wel sprake zijn van een aantoonbare woningbehoefte, te onderbouwen door de initiatiefnemer. Met deze beleidslijn conformeren de regiogemeenten zich als subregio aan de uitgangspunten van de Brabantse Agenda Wonen.
NVM Transactiecijfers NVM-Regio Zuidoost Brabant
Uit actuele marktcijfers van NVM (1e kwartaal 2023), blijkt dat er sprake is van krapte op de woningmarkt en een grote woningbehoefte. De krapte-incicator staat op gemiddeld 3,2. Dat betekent dat een potentiele koper keuze heeft uit 3 woningen. Vanaf 5 is sprake van een ontspannen woningmarkt.
Lokale vraag scan
Om de koppeling te leggen met de hedendaagse praktijk is een rapportage gemaakt op basis van gegevens van zogenoemde 'serieuze zoekers' op Funda Bijlage 4. Uit deze rapportage (d.d. 11 mei 2021) blijkt dat er op dat moment 200 'serieuze zoekers' actief zijn die zoeken naar een woonhuis in Hooge Mierde. Daar tegenover stonden 6 woonhuizen die te koop worden aangeboden en 4 woonhuizen die in de 4 maanden daarvoor zijn verkocht. De vraagzijde overstijgt de aanbodzijde dus in hoge mate.
Over het type woning waar de serieuze zoekers naar op zoek zijn kan op basis van deze rapportage ook iets gezegd worden. De meeste zoekers zijn op zoek naar woningen in categorie van €300.000,- tot €500.000. Met als grootste prijsklasse €350.000-400.000 (circa 23,5% van de serieuze zoekers), navolgend is de bijbehorende grafiek weergegeven.
Figuur 4.6: Serieuze zoekers per prijsklasse
Uit de gegevens blijkt dat met name wordt gezocht naar woonhuizen met 6 kamers of meer. De serieuze zoekers zijn met betrekking tot 'gebruiksoppervlakte wonen' op zoek naar een woonhuis met een oppervlakte vanaf 125 m² of meer. Voor de perceeloppervlakte geldt dat de zoekcategorieën tussen de 150 m² en 650 ² het meest worden gebruikt. Verder is meer dan de helft van de zoekers (60%) op zoek naar een vrijstaande woning, ongeveer een kwart van de zoekers is op zoek naar een 2-onder-1-kapwoning. Overige zoekcategorieën waar in mindere mate naar gezocht wordt zijn de tussenwoning en de hoekwoning.
Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een grote woningbehoefte. Het gebied aan de Leendestraat biedt voldoende ruimte om een mix van vrijstaande woningen, 2-onder-1 kapwoningen en tussenwoningen te realiseren, waarvan een groot deel betaalbare woningen.
Waarom niet binnenstedelijk
Binnen de gemeente Reusel-De Mierden zijn in Hooge Mierde twee inbreidingslocatie aangewezen, te weten Zonneke en De Stad. Navolgend zijn de betreffende locaties weergegeven.
Figuur 4.7: Inbreidingslocaties
Belangrijk is om aan te tonen dat vanuit kwantitatief of kwalitatief oogpunt binnen 'Stedelijk gebied' onvoldoende ruimte is voor ontwikkeling. Binnen de kern Hooge Mierde zijn twee inbreidingslocatie aangewezen, deze locaties bieden mogelijkheden voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen. De inbreidingslocaties zullen op de lange termijn, vanwege de beperkte oppervlakte en beperkingen door milieuzoneringen, onvoldoende ruimte bieden om te kunnen voldoen aan de onverminderd grote vraag naar woningen. De ontwikkeling van het projectgebied aan de Leendestraat maakt het wel mogelijk om in circa 10 jaar een groter aantal woningen te realiseren voor de kern Hooge Mierde en daarmee in te spelen op de aanhoudende marktvraag. Ook in regionaal verband is geconstateerd dat uitbreidingslocaties nodig zijn om in de regionale woningbehoefte te kunnen voorzien. Er zijn hiervoor sleutelprojecten aangewezen. Het project Rogse Wieken is een van deze sleutelprojecten.
Er is gekozen voor een locatie aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt kan worden gezien als een logische locatie voor woningbouwontwikkeling. Vanwege de ligging en de directe omgeving van het projectgebied levert de woningbouwontwikkeling ter plaatse een belangrijke bijdrage aan het afronden van de oostelijke dorpsrand van de kern Hooge Mierde. Tegelijkertijd worden belangrijke waarden, zoals de huidige karakteristiek van het bebouwingslint, beschermd en versterkt. Dit gebeurt door het aanleggen van een groene buffer die zorgt voor afstand tot het bebouwingslint. Hierdoor wordt het lint in verschijningsvorm versterkt. Het omliggende landschap wordt in de wijk getrokken waardoor de verbinding tussen de kern en het omliggende landschap wordt versterkt. De locatie is daarmee vanuit kwalitatief oogpunt geschikt voor woningbouwontwikkeling.
In iedere fase zal opnieuw afgewogen worden hoe kan worden ingespeeld op de dan heersende marktvraag en hoe het plan zich verhoudt tot andere woningbouwontwikkelingen binnen de gemeente. De woningbouwontwikkeling zal pas starten als de woningen op de Leeuwerik grotendeels verkocht zijn. Mochten er ontwikkelingen op touw zijn voor inbreidingslocaties dan willen initiatiefnemers van onderhavig plan flexibiliteit bieden zodat ontwikkelingen op inbreidingslocaties, indien gewenst, tussen de fases van dit plan door ontwikkeld kunnen worden.
Conclusie
De opgave in de gemeente tot en met 2030 is minimaal 550 woningen en er is slechts harde plancapaciteit voor 390 woningen. Er is een grote woningbehoefte en de druk op de woningmarkt is groot. Woningen worden hierdoor voor een steeds grotere groep mensen onbetaalbaar. Er is vooral behoefte aan sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbare grondgebonden koopwoningen onder de 355.000 euro (Woondeal maart 2023). De subregio wil dat er onder voorwaarden in ieder dorp mogelijkheden zijn voor woningbouw. Als geen inbreidingslocaties voorhanden zijn, dan behoort uitbreiding ook tot de mogelijkheden. Hooge Mierde heeft twee inbreidingslocaties, maar die kunnen onvoldoende in de woningbehoefte voorzien gelet op de aanhoudende behoefte aan nieuwe woningen. Het project Rogse Wieken is een uitbreidingslocatie die regionaal als sleutelproject is aangewezen, om te kunnen voorzien in de regionale woningbehoefte.
De toevoeging van woningen kan ook een wezenlijke meerwaarde zijn voor de leefbaarheid en vitaliteit van Hooge Mierde. Denk hierbij aan het vasthouden van starters en jonge gezinnen, wat een positief effect heeft op het draagvlak voor de basisschool en een levendig verenigingsleven.
De Omgevingsvisie van Noord-Brabant is vastgesteld in december 2018 en neemt alvast een voorschot op de nieuwe Omgevingswet. In de omgevingsvisie worden de belangrijkste uitgangspunten besproken aan de hand waarvan keuzes vastgelegd worden in de Omgevingsverordening.
De Provincie Noord-Brabant benadert toekomstige ontwikkelingen vanuit het principe diep, rond en breed kijken. Diep kijken heeft betrekking op gelaagdheid, er wordt niet alleen gekeken naar de zichtbare effecten maar ook naar de minder zichtbare lagen. Met rond kijken wordt de vraag gesteld hoe een ontwikkeling zo kan worden vormgegeven dat deze bijdraagt aan de balans tussen People, Planet en Profit in Brabant. Breed kijken betekent dat de Brabander en betrokkenen centraal staan door betrokkenheid en participatie.
Het planvoornemen past binnen het principe van diep, rond en breed kijken. Diep: passend in landschap, en logische afronding van de kern gezien de historische ontwikkeling. Rond: woningen conform BENG (bijna energie neutraal gebouw) en van het gas af. Breed: dialoog met omgeving. Met het plan wordt nagedacht over de bijdrage die de woningbouwontwikkeling kan leveren aan ruimtelijk-kwalitatieve opgaven en participatie zal een belangrijk onderdeel van het proces worden.
Met betrekking tot Duurzame verstedelijking worden in de Omgevingsvisie Noord-Brabant verschillende aspecten aangehaald waar toekomstige ontwikkelingen bij aan moeten sluiten, de volgende aspecten zijn van belang voor het planvoornemen:
Toetsing planvoornemen
Het planvoornemen beoogt een uitbreiding van het bestaande stedelijke gebied in het dorp Hooge Mierde. Dit toegevoegde kwaliteit in de vorm van 'de zachte overgang van de dorpsrand in het omliggende landschap' wordt beschreven in paragraaf 3.1. De concrete marktvraag wordt onderbouwd in de ladder onderbouwing in paragraaf 4.1.3. Door gefaseerd te bouwen zal worden ingesprongen op de dan geldende behoefte. Per fase kan gebouwd worden naar gelang de behoefte. Deze fasering wordt beschreven in paragraaf 3.4.
In het plan is veel ruimte voor groen en landschappelijke inpassing. De toekomstige bewoners zullen aan de rand van het dorp wonen waardoor ze zo het agrarisch landschap in kunnen wandelen. Deze nauwe verbinding tussen het dorp en het buitengebied bevordert de gezondheid van de toekomstige bewoners.
In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening NoordBrabant (Iov NB) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2022 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de
definitieve omgevingsverordening.
De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen
waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen.
In het kader van de nieuwe Omgevingswet wordt ook de provinciale regelgeving vernieuwd. De Interim Omgevingsverordening NoordBrabant is op 15 april 2022 opnieuw geconsolideerd. Een bestemmingsplan moet de 'instructieregels aan gemeenten' uit de Iov NB volgen. Hieronder wordt het planvoornemen getoetst aan deze instructieregels.
Toetsing planvoornemen
Het plangebied ligt in 'Verstedelijk afweegbaar' gebied, 'Aardkundig waardevol gebied' en 'Gemengd landelijk
gebied'. Daarom moet getoetst worden aan de volgende artikelen uit de Iov NB:
landschappelijke waarden:
Figuur 4.8: Plangebied in Verstedelijking afweegbaar en Aardkundig waardevol gebied, kaart 3 Iov NB (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 4.9: Plangebied in Gemengd landelijk gebied, kaart 6 Iov NB (Bron: ruimelijkeplannen.nl)
Paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Lid 1
Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Lid 2
Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:
Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
Lid 2
Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.
Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering
Lid 1
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking
met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
Lid 2
De lagenbenadering omvat de effecten op:
Lid 3
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Artikel 3.8 Meerwaardecreatie
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
Lid 1
Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Lid 2
Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd doordat:
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:
Lid 4
Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.
Toetsing planvoornemen aan paragraaf 3.1.2
Zorgvuldig ruimtegebruik
De nieuwvestiging vindt plaats buiten het stedelijk gebied van de landelijke kern Hooge Mierde, omdat er binnen de kern geen ruimte is voor 94 woningen. De behoefte aan extra woningen in dit dorp wordt beschreven in paragraaf 4.1.3. De nieuwe woningen zijn beoogd aan de rand van de kern in een bestaande 'oksel' tussen twee woonstraten. Met de realisering van woningen aan de achterzijde van de Leendestraat wordt de oostelijke dorpsrand van Hooge Mierde afgerond, ook zal de ontwikkeling zorgen voor een zachte overgang van de dorpsrand in het omliggende landschap, waardoor de ruimtelijke omgeving beter leesbaar wordt.
Lagenbenadering
In de milieuparagrafen in Hoofdstuk 5 wordt per milieu aspect beschreven of en hoe de beoogde ontwikkeling het aspect beïnvloed. In de lagenbenadering wordt dit per laag bekeken:
De ondergrond: De bodemkwaliteit is onderzocht, het is niet nodig om aanvullend onderzoek uit te voeren (paragraaf 5.2). De bodem is veilig om op te kunnen wonen. De archeologische verwachtingen blijven gehandhaafd nadat het booronderzoek is uitgevoerd. Om er zeker van te zijn dat de archeologische waarden niet verstoord worden door de ontwikkeling, is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (paragraaf 5.11). Doordat de nieuwe ontwikkeling zorgt voor een toename van verhard oppervlak, dient er 1.639 m3 gecompenseerd te worden (paragraaf 5.13). Dit gebeurt onder andere middels een wadi.
De netwerklaag: Middels het verkeer- en parkeeronderzoek worden verkeersremmende maatregelen getroffen, waardoor de nieuwe ontwikkeling niet zorgt voor onwenselijke of gevaarlijke situaties op de omliggende wegen.
De bovenste laag: De huidige agrarische gronden bieden geen specifieke cultuurhistorische of landschappelijke waarden. Zoals in de 'Dorpsrandanalyse' omschreven is, zorgt deze ontwikkeling voor een zachte overgang van de rand van het dorp naar het omliggende agrarische landschap. Deze overgang past beter dan de harde lijn in de huidige situatie waarin er vanaf het akkerland op de voorkanten van de huizen wordt gekeken. Doordat de nieuwe woningen op voormalige agrarische gronden komen te staan, neemt de stikstofuitstoot per saldo af. In Hoofdstuk 5 wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de milieuaspecten. Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten worden vervolgonderzoeken uitgevoerd.
Meerwaardecreatie
In de ecologie paragraaf 5.3 is berekend dat deze grote bijdragen aan de blijvende woningbehoefte geen extra stikstofdepositie veroorzaakt, doordat ze in de plaats komen van bestaande agrarische gronden.
Bewoners die graag in Hooge Mierde willen blijven wonen hebben daar nu de mogelijkheid toe. Doordat een grotere groep bewoners zich in Hooge Mierde kan vestigen, kunnen voorzieningen zoals een basisschool en verenigingen blijven bestaan. Dit komt de leefbaarheid van het dorp ten goede.
Kwaliteitsverbetering landschap
Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Ter uitwerking van het vereiste tot kwaliteitsverbetering van het landschap ex artikel 3.9 Iov-NB zijn in regionaal verband afspraken gemaakt. Ten aanzien van planmatige stedelijke ontwikkelingen in het zoekgebied voor verstedelijking geldt op basis van de handreiking kwaliteitsverbetering landschap van de provincie een minimale investering van 1% van de uitgeefbare grond.
Gemeente Reusel-De Mierden houdt een uitgifteprijs aan van €300, per m2 voor reguliere woningen en € 150 per m2 voor sociale huur/koop. De uitgeefbare grond in het plan bedraagt voor reguliere woningen 12.740 en voor sociale huur/koop 3.881 m2. Dit houdt in dat 1% van 12.740 x 300 +3.881 x 150 = €44.041,50,- in kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden geïnvesteerd.
De kwaliteitsverbetering moet plaatsvinden in het buitengebied. 4.573 m2 van de groenbestemming is opgenomen aan de buitenrand van het plangebied. Deze gronden krijgen een landschappelijk natuurlijke inrichting. Voor een groot deel zal deze inrichting bestaan uit wadi's met vegetatie in en rondom de wadi's die hierbij past. De biodiversiteit wordt hierdoor enorm versterkt ten opzichte van de huidige bioarme agrarische grond. Daarmee levert het planvoornemen een grote bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit. De uitvoering van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt uitgevoerd door de ontwikkelaar onder directievoering van het infrastructurele bureau.
De investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap bestaat uit de aanleg van een kruidenrijk grasland, de aanleg van een natuurvriendelijke oever en waterberingsvoorziening, de aanplant van bomen en het plaatsen van een veeraster. In bijlage 5 is de berekening van de landschapsinvestering uitgewerkt. In totaal bedraagt de investering voor de aanleg en het beheer €45.904,63. Daarmee wordt voldaan aan de benodigde kwaliteitsverbetering.
De ontwikkeling van de nieuwe woonstraten zorgt voor een zachte overgang van de dorpsrand in het omliggende landschap en zorgt er voor dat het landschap meer de wijk in wordt getrokken. Dit is een verbetering ten opzichte de harde overgang van het agrarisch landschap op de voorzijde van de woningen in de kern.
Paragraaf 3.2.4 Aardkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden
Artikel 3.28 Aardkundige waarden
Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied:
Toetsing planvoornemen aan artikel 3.28
Het aardkundig waardevol gebied is het Peelrandbreukenstelsel. De Peelrand- en Feldbissbreuk zijn unieke voorbeelden van actieve breuken in los ‘gesteente’, met duidelijk zichtbare wisselwerking met hydrologie en vegetatie (voorkomen wijstgronden). Ook in de rest van het gebied is invloed te zien van de breukwerking in het landschap (paragraaf 5.12).
In aardkundig waardevol gebied geldt voor ontgrondingen met oppervlakte van meer dan 2.000 m2, altijd de vergunningplicht op basis van de Ontgrondingenwet. Met de vergunningplicht wordt beoogd een goede afweging te maken en eventuele schade aan aardkundige waarden zo nodig te voorkomen dan wel te beperken via vergunningvoorschriften.
Het plangebied heeft een oppervlakte van 35.548 m². Voor deze ontwikkeling wordt de bodem echter niet op diepte geroerd. De aardkundige waarden bestaande uit breuklijnen diep in de bodem blijven intakt bij deze woningbouwontwikkeling. Daarnaast is de invloed van de breuklijn in de huidige situatie niet merkbaar in het landschap binnen het plangebied en zal door de nieuwe ontwikkeling dus ook niet verstoord worden.
Afdeling 3.5 Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit
Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
Lid 2
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Lid 3
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over:
Artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar
In afwijking van Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als:
Toetsing planvoornemen aan artikel 3.42 en 3.43
Duurzame stedelijke ontwikkeling
De ontwikkeling van 94 woningen is een duurzame stedelijke ontwikkeling, omdat er met dit planvoornemen meerwaarde wordt gecreëerd voor de toekomstige bewoners, ecologie en het landschap. In de toetsing aan artikel 3.6 en aan artikel 4.34 staat beschreven dat er zorgvuldig gebruik gemaakt wordt van de beschikbare ruimte.
Alle nieuwe woningen worden gasloos en BENG opgeleverd volgens de meest recente regels uit het bouwbesluit.
Voor iedere nieuwe woning wordt meer dan 80 m2 aan groen gerealiseerd (paragraaf 4.4.4). Hierdoor wordt hittestress tegengegaan en kan water op een natuurlijke manier infiltreren in de bodem, waardoor de kans op wateroverlast en droogte worden verkleind. In paragraaf 5.13 is berekend hoeveel watercompensatie er nodig is door toename aan verharding en staat beschreven op welke manier dat wordt gerealiseerd.
Door nieuwe woningen in deze landelijke kern aan te bieden, wordt de druk op de bestaande woningen verkleind.
Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar
Binnen de dorpsgrenzen van Hooge Mierde is geen ruimte om 94 woningen te realiseren. De behoefte aan nieuwe woningen in deze landelijke kern wordt onderschreven in de ladder onderbouwing in paragraaf 4.1.3. In deze ladder wordt ook beschreven dat dit planvoornemen een grote bijdragen kan leveren aan de invulling van de onverminderd
grote regionale woningbehoefte.
Tevens zullen het stedenbouwkundige en landschappelijke plan een belangrijke bijdrage leveren aan de omgevingskwaliteit in het gebied, door zorg te dragen voor behoud en versterking van aanwezige waarden en rekening te houden met een duurzame afronding van het stedelijke gebied. Het dorp en het buitengebied worden middels deze ontwikkeling beter met elkaar verbonden.
Paragraaf 3.6.7 Ontwikkeling van niet agrarische functies
Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied
Lid 1
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat:
Lid 2
Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als:
Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen
In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in:
Toetsing planvoornemen aan artikel 3.68 en 3.69
Binnen het landelijk gebied is het in beginsel niet mogelijk om een woning toe te voegen. Binnen het verstedelijking afweegbaargebied is woningbouw wel mogelijk, zoals hierboven onderbouwd. Door de realisatie van de nieuwe woningen binnen de ontwikkeling De Rogse Wieken wordt de landelijke kern Hooge Mierde uitgebreid. Een wijziging van de begrenzing, waardoor De Rogse Wieken tot de structuur van de Landelijke kern, gaat behoren, zou recht doen aan de nieuwe situatie en leidt tot een logische afronding van het stedelijk gebied.
Het wijzigen van de begrenzing van het ‘Stedelijk Gebied’ gaat officieel via een bestemmingsplanprocedure waarbij moet worden aangetoond dat door de wijziging een logische stedenbouwkundige opzet ontstaat. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
besluiten uiteindelijk over een dergelijke herbegrenzing.
Wijziging grenzen bestaand stedelijk gebied
De structuur ‘Landelijk gebied’ moet gewijzigd worden naar de structuur ‘Stedelijk gebied, Landelijke kern’. Volgens artikel 5.3 Wijzigen grenzen van werkingsgebieden zijn Gedeputeerde Staten bevoegd de in de Interim Omgevingsverordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet:
Voor een wijziging van de grenzen van Verstedelijking Afweegbaar geldt aanvullend dat:
Toetsing planvoornemen aan artikel 5.3
De nieuwe woningen van De Rogse Wieken gaan deel uit maken van het dorp Hooge Mierde. De regels die gelden voor het huidige dorp, gelden straks ook voor de woningen in dit nieuwe gedeelte van het dorp. Het is doelmatiger om de nieuwe woningen deel uit te laten maken van het stedelijk gebied, landelijk kern, dan van het huidige landelijke gebied. De wijziging paat binnen de uitgangspunten en basisprincipes van de Interim
Omgevingsverordening. Het planvoornemen is hierboven getoetst aan deze basisprincipes.
Het planvoornemen past binnen de regionale afspraken, dit staat beschreven in de ladderonderbouwing in paragraaf 4.1.3. In paragraaf 3.1 staat beschreven dat de ontwikkeling zorgt voor een logischere en zachtere overgang van de kern naar het landelijk gebied. De locatie is eerder door de gemeente aangewezen als ‘Verstedelijking afweegbaar’, dit is daarna overgenomen door de provincie in de Interim Omgevingsverordening.
Gelet op het voorgaande is provincie NoordBrabant verzocht om medewerking te verlenen aan herbegrenzing.
TAM-omgevingsverordening
Op 1 januari 2024 is de “TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant” met planidn:
NL.IMRO.9930.TAMOvrNBrabant-va01 in werking getreden. Na vaststelling van de TAM-omgevingsverordening hebben er nog verschillende kaart- en regelwijzigingen plaatsgevonden. Op 17 september 2024 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de "TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2024" met planidn: NL.IMRO.9930.Ovrwijzkaarten2024-va01 vastgesteld. Hiermee hebben Gedeputeerde Staten verschillende kaartaanpassingen doorgevoerd vanwege benodigde actualisaties, zoals van het stedelijk gebied, waarbij ontwikkelingen zoals nieuwe woonwijken op de kaart worden gezet. Een van deze kaartaanpassingen betreft een herbegrenzing van de provinciale gebiedsaanduidingen ‘Landelijk gebied’ en ‘Stedelijk gebied’ ter plaatse van het plangebied. Het hele plangebied ligt hierdoor binnen ‘Stedelijk gebied’.
Figuur 4.10: Uitsnede TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2024, kaart 1 toevoeging stedelijk gebied (Bron: Regels op de kaart)
Op 9 maart 2023 hebben 21 gemeenten en 13 woningcorporaties, samen met minister Hugo de Jonge, de regionale woondeal Zuidoost-Brabant getekend. Met deze woondeal zetten ze zich samen in om tot en met 2030 ruim 45.000 woningen te bouwen in de regio, waaronder 14.000 sociale huurwoningen. De harde plancapaciteit is slechts 25.660 woningen.
In de woondeal zijn sleutelprojecten opgenomen. Sleutelprojecten zijn locaties die een wezenlijke bijdrage leveren aan de lokale en regionale woningbouwopgave, zowel kwantitatief als kwalitatief. Op deze locaties wordt ca. 85% van de opgave gerealiseerd. Deze projecten zijn ruimtelijk akkoord bevonden en regionaal afgestemd.
Ook zijn afspraken gemaakt over de woningbouwopgave per gemeente en het aandeel betaalbare woningen.
Toetsing
Afgesproken is dat regio in de periode 2022-2030 minimaal 45.130 woningen realiseert, waarvan 2/3de in het betaalbare segment. Dit is onderverdeeld in 30% sociale huurwoningen, 16% middenhuurwoningen en 20% koopwoningen tot 355.000 euro. In Reusel-De Mierden is afgesproken dat in de periode 2022-2030 minimaal 550 woningen worden toegevoegd, waarvan ook 2/3de betaalbaar. Er is slechts harde plancapaciteit voor 390 woningen.
Het project Rogse Wieken in Hooge Mierde is een van de sleutelprojecten (project 45, uitbreiding 90 woningen).
Op 2 juli 2024 heeft de gemeenteraad de Kempische visie op Wonen 2024-2028 vastgesteld. De woonvisie is opgesteld aan de hand van vijf thema’s. Per thema worden bepaalde ambities gesteld. Deze thema's en ambities zijn:
Toetsing planvoornemen
Van deze 5 thema's zijn vooral 'De (schaal)sprong vooruit', 'Toegroeien naar een betaalbaardere woningvoorraad', 'Werken aan vitaliteit in de kernen' en 'Op weg naar een duurzame toekomst' van toepassing.
Het realiseren van 94 nieuwe woningen draagt bij aan de ambitie om voor de periode t/m 2030 minimaal 3.220 woningen te realiseren. Door het gevarieerde aanbod van betaalbare woningen in verschillende typologieën draagt het plan ook bij aan de ambitie om meer in te zetten op gemixte woonwijken waarbij woningen worden toegevoegd voor alle doelgroepen, zowel jong als oud. Vanuit de autonome vraag richten we ons vooral op starters en senioren. Hier ligt het accent op sociale huur en betaalbare koop. Voor de regionale vraag zien we naast betaalbare woningbouw ook vraag naar het middeldure en dure segment, met name voor gezinnen. Het aanbrengen van diversiteit in eenzijdige wijken heeft invloed op de leefbaarheid en vitaliteit in delen van de gemeente waar dit onder druk staat. Zo biedt het plan kansen voor lokale starters en jonge gezinnen. Ook betrekt het nieuwe bewoners bij het sociale leven in de dorpen. Ook het laatste thema is van toepassing in het plan. In het kader van duurzaamheid en energiezuinigheid zullen in het plan de woningen worden voorzien van zonnepanelen/ -collectoren. Deze panelen zullen zoveel mogelijk in het ontwerp worden geïntegreerd. Ook worden alle nieuwe woningen gasloos en BENG opgeleverd volgens de meest recente regels uit het bouwbesluit.
Op 22 mei 2018 heeft de gemeente Reusel- De Mierden de omgevingsvisie vastgesteld, de visie laat zien wat de ambities zijn voor de toekomst en hoe deze bereikt kunnen worden. In de Omgevingsvisie zijn verschillende kaartbeelden opgenomen, o.a. een visiekaart en een strategiekaart. Op de visiekaart is de omgeving van de locatie aangewezen ten behoeve van ‘versterking relatie dorp-landschap (oriëntatie op doorzicht en aansluiting op padennetwerk)’. De opgave voor Hooge Mierde wordt aanvullend als volgt omschreven: De opgave voor Hooge Mierde ligt vooral in het verder versterken van de ruimtelijke structuur van linten, kavelrichting en bebouwing haaks op de weg en het niet laten dichtslibben van open zichten vanaf de linten naar het achterliggende landschap. Het sterke netwerk van recreatieve routes rond de kern kan tegelijkertijd beter benut worden. Op die manier voegt Hooge Mierde zich naadloos in het landschap en biedt het een aantrekkelijk pauzemoment aan de recreanten. De ontwikkeling sluit aan op deze opgave en zal hieraan een bijdrage leveren door het landschap en de kern met elkaar te verbinden middels een forse landschappelijke inpassing aansluitend op het omliggende landschap. Doordat de locatie reeds ingesloten ligt tussen bebouwing gaan geen belangrijke doorzichten verloren.
De gemeente stipt in haar omgevingsvisie aan dat zij flexibel om wil gaan met initiatieven die maatschappelijke meerwaarde creëren. Dit wordt, aansluitend op de omgevingswet, omschreven als uitnodigingsplanologie waarbij vertrouwen het vertrekpunt is.
Addendum omgevingsvisie (december 2020)
In de Kempische visie op wonen 2019-2023 en de Beleidsregels beoordeling woningbouwinitiatieven is de volkshuisvestelijke taakstelling voor sociale woningbouw gelegd op 40%. De Nota Impuls sociale woningbouw zorgt voor stimulering en borging van de taakstelling sociale woningbouw bij nieuwbouwprojecten. Het uitgangspunt is dat bij nieuwe woningbouwprojecten 40% sociale woningbouw wordt gerealiseerd. Indien een initiatiefnemer kan aantonen dat dit niet haalbaar of wenselijk is kan alsnog medewerking worden verleend aan een initiatief als de resterende opgave voor sociale woningbouw elders wordt gerealiseerd. Indien dit ook niet haalbaar blijkt kan bepaald worden dat op een locatie een lager percentage of helemaal geen sociale woningbouw gerealiseerd hoeft te worden. In dat geval moet een financiële compensatie plaatsvinden in de vorm van een afdracht in een vereveningsfonds sociale woningbouw.
Met gelden vanuit het vereveningsfonds kan elders het tekort aan sociale woningbouw gecompenseerd worden. Een initiatiefnemer die meer dan 40% sociale woningbouw in de gemeente Reusel-De Mierden realiseert kan in aanmerking komen voor een bijdrage uit het fonds, als compensatie voor het verschil in grondprijs/uitgeefbaar m².
Toetsing planvoornemen
Initiatiefnemer wil met dit plan bijdragen aan een toekomstbestendig Reusel-De Mierden, onder meer door met de woningbouw aan te sluiten op de dan geldende vraag, trends en ontwikkelingen.
In het beoogde plan zal 30% aan sociale woningen worden gerealiseerd, waarvan 10 sociale huurwoningen en 18 sociale huur- / koopwoningen. Met deze 30% wordt voldaan aan de Woondeal.
De gemeente Reusel-De Mierden heeft haar beleid ten aanzien van woningbouwinitiatieven vastgelegd in de "Beleidsregels beoordeling woningbouwinitiatieven". De gemeenteraad heeft deze beleidsregels vastgesteld op 22 mei 2018. Op 15 december 2020 heeft de raad deze voor het laatst gewijzigd.
In het beleid van de gemeente gelden verschillende eisen waar woningbouwinitiatieven aan moeten voldoen. Het initiatief moet passen binnen de uitgangspunten en randvoorwaarden van provinciale en gemeentelijke kaderstellende documenten. Deze beleidsregels gelden voor alle initiatieven om woonruimte toe te voegen, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan, zoals nieuwbouw, transformatie (functieverandering naar woningbouw) en woningsplitsing. Initiatiefnemers worden gestimuleerd om kwalitatief goede plannen te ontwikkelen met een toekomstbestendig woningaanbod of sociale woningbouw.
De volgende plannen hebben hierbij de voorkeur:
Toetsing planvoornemen
In voorliggend plan wordt de rand van het dorp verder afgerond en gezorgd voor een zachte overgang van het stedelijk gebied in het dorp naar het buitengebied. Met de toevoeging van 94 woningen, waarvan 10 sociale huurwoningen en 18 sociale huur/koopwoningen, worden 30% sociale huur- en/of koopwoningen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de Woondeal.
Op 16 november 2021 heeft de gemeenteraad het Beleidsplan 'Groen op de kaart', openbaar groen 2022-2031' vastgesteld. Het Beleidsplan verwoordt de gemeentelijke groenvisie en beschrijft de kaders voor het gemeentelijk groen en biedt zodoende duidelijkheid over groene vraagstukken aan zowel de samenleving als de eigen interne organisatie.
Het Beleidsplan openbaar groen kent de volgende centrale doelen:
Relevant voor voorliggend plan is de volgende afspraak:
Minimaal het huidige groenareaal behouden en de ambitie om dit areaal te vergroten, waarbij het gemeentelijk kengetal van 75 m2 groen per woning geldt als minimum.
Toetsing planvoornemen
Het oppervlakte aan groen in het stedenbouwkundig plan bedraagt circa 7.740 m2. Deze oppervlakte is in het bestemmingsplan ook zo veel mogelijk als 'groen' bestemd, met uitzondering van 'snippergroen'.
Voor 94 woningen betekent dit dat er circa 7.740/94 = 82,3 m2 openbaar groen per woning in het plan aanwezig is. Hiermee wordt het minimum van 75 m2 openbaar groen per woning behaald.
De voorwaardelijke verplichting van 75 m2 groen per woning is opgenomen in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
Beleid en normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat' (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2).
Toetsing
De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van 94 woningen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2000. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is waarin dit document voorziet. Gelet op de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan, zie Bijlage 6.
Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan- of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning een besluit genomen te worden op de m.e.r.-beoordeling.
Conclusie
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het plan niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij is het wel van belang dat de maatregelen worden getroffen zoals beschreven in paragraaf 3.9 uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling in Bijlage 6.
Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
Besluit
Op 13 februari 2023 heeft het bevoegd gezag beoordeeld dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. Het beoordelingsrapport is te lezen in Bijlage 7.
Beleid en normstelling
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek
Doordat de functie wijzigt van agrarisch naar wonen is een bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 8). De onderzochte locatie is gelegen aan de Leendestraat te Hooge Mierde, gemeente Reusel - de Mierden. Kadastraal is de locatie bekend onder kadastrale gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie E, nr. 4090; en sectie G, nrs. 1209, 1288, 1289 en 1292.
Algemeen
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,8 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. In de uitkomende grond in de bovengrond is lokaal volledig menggranulaat gevonden die duidt op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid.
Grond
In de grondmengmonsters MM01 t/m MM03, MM07 t/m MM10, MM13 en MM14 (bovengrond) en MM04 t/m MM06, MM11 en MM12 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden.
In het grondmonster B101-1 (brandplek, bodemlaag 0,00 – 0,50 m-mv) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond.
In het grondmengmonster MM101 (‘caravan/opslag’, bodemlaag 0,00 – 0,50 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten koper en zink aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de achtergrondwaarden.
Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlagen indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden.
Grondwater
In het grondwater uit peilbuizen PB01 en PB25 zijn analytisch licht verhoogde concentraties met barium en zink aangetoond. In het grondwater uit peilbuizen PB02 en PB03 zijn licht verhoogde concentraties met barium aangetoond. In het grondwater uit peilbuis PB26 zijn licht verhoogde concentraties met barium, cadmium, nikkel en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden.
Asbest in grond
In grondmengmonsters MMASB01 t/m MMASB09, zijnde de bovengrond, zijn geen verhoogde gehaltes aangetoond.
Asbest in puin
In het zuidelijke gedeelte van de onderzoekslocatie is een puinpad aanwezig. Hiervan is een productcertificaat voorhanden die bij dit rapport als bijlage 7 is bijgevoegd.
Toetsing hypothese
De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde gehalten in grond en grondwater, formeel worden aanvaard.
Toetsing hypothese asbest
De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten worden aanvaard.
Nader bodemonderzoek
Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde.
Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen transactie op deze locatie.
Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken:
Feldbrisbreuk
Door het plangebied loopt een aardkundig waardevol gebied, genaamd het Peelrandbreukenstelsel (figuur 5.1). Ter hoogte van Hooge Mierden heet dit gedeelte de Feldbisbreuk. De Peelrand- en Feldbisbreuk zijn unieke voorbeelden van actieve breuken in los ‘gesteente’, met duidelijk zichtbare wisselwerking met hydrologie en vegetatie (voorkomen wijstgronden). Ook in de rest van het gebied is invloed van de breukwerking in het landschap te zien.
Figuur 5.1: Aardkundig waardevol gebied: Peelrandbreukenstelsel (Bron: Aardkundig waardevolle gebiedenkaart, provincie Noord-Brabant)
Figuur 5.2: Feldbisbreuk
Figuur 5.3: Overzicht breuken in de Provincie Noord-Brabant
Het plangebied is gelegen in een overige breukzone. Dit betekent in theorie dat de breukweerstand gelijk is aan de oorspronkelijke watervoerendheid van het pakket.
Conclusie
Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen transformatie op de onderzochte locatie. Ook vormt de Peelrandbreuk geen belemmeringen voor het planvoornemen.
De langzaamverkeersverbinding tussen de Leendestraat en het hofje is onderzocht in het kader van de eerdere realisatie van woningbouw aan de Leendestraat. Uit dit onderzoek concluderen we dat er geen verontreiniging aanwezig izs
In het noordwesten van het plangebied liggen nog een aantal niet onderzochte percelen. Reden hier voor is dat nog niet bekend is wanneer deze gronden bebouwd gaan worden. Voor deze percelen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels (artikel 8.4.5 ). De te bouwen woning(en) ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – nader bodemonderzoek' mogen pas worden gebouwd als aan de verplichting in artikel 8.4.5 is voldaan om via een door het bevoegd gezag goedgekeurd bodemonderzoek aan te tonen dat de bodem geschikt is voor wonen.
Beleid en normstelling
Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bevindt zich op circa 1,1 kilometer van het plangebied (figuur 5.4). Dit gebied is stikstofgevoelig. Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Brabant (figuur 5.5). Het dichtstbijzijnde NNN, betreft Bos, ligt op circa 583 meter ten oosten van het plangebied. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.
Figuur 5.4: Natura 2000-gebieden t.o.v. het plangebied (bron: AERIUS Calculator)
Figuur 5.5: Natuurnetwerk Nederland t.o.v. het plangebied (bron: Provincie Noord-Brabant)
Stikstof
De realisatie van de nieuwe woonwijk en de wijzigingen in verkeersstromen zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de realisatie- en de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in 9 Met het rekenmodel AERIUS Calculator zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. Deze zijn te zien in bijlagen 10 en 11. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2024.1.3) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Ook op hexagonen met hersteldoelen of op buitenlandse Natura 2000-gebieden worden geen toenames aan stikstofdepositie berekend. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten.
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ingrepen dient in kaart te worden gebracht of actuele beschermde natuurwaarden van de locatie worden bedreigd. Daarom is er in mei 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 12). In dit onderzoek is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd voor de lcoatie specifiek en de directe omgeving ervan. De resultaten hiervan zijn bijgevoegd in Bijlage 13.
In het plangebied komen mogelijk leefgebied en/of jaarrond beschermde nestlocaties van Huismussen of Steenuilen voor. Bij ruimtelijke ingrepen wordt mogelijk een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming veroorzaakt. Vervolgonderzoek hiernaar is noodzakelijk.
In het plangebied komen mogelijk leefgebied en nestlocaties voor van Rode Eekhoorn, Bunzing, Hermelijn, Steenmarter, Boommarter, Wezel. Bij ruimtelijke ingrepen wordt mogelijk een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming veroorzaakt. Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van deze gebieden en locaties is noodzakelijk.
In het plangebied komen mogelijk leefgebied, fourageer- of trekroutes en nestlocaties voor van Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger. Bij ruimtelijke ingrepen wordt mogelijk een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming veroorzaakt. Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten is noodzakelijk.
Vervolgonderzoek soorten
Er is vervolgonderzoek uitgevoerd naar de volgende soorten (bijlage 14) :
Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er binnen het projectgebied
verblijfplaatsen van de bunzing en de steenmarter verwacht kunnen worden.
Tevens is er een vliegroute van de gewone dwergvleermuis vastgesteld binnen het projectgebied.
In het projectgebied is een roepende steenuil waargenomen nabij een nestkast voor steenuilen. Tevens waren er poepsporen aanwezig op en rond de nestkast. Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze nestkast als nestlocatie / verblijfplaats functioneert voor de steenuil. Tevens is het veld in het projectgebied als jachtterrein
onderdeel van het functioneel leefgebied voor de steenuil.
Binnen het projectgebied zijn gedurende de onderzoeken geen (sporen van) individuen en verblijfplaatsen van de boommarter, eekhoorn, hermelijn en de wezel vastgesteld. Tevens zijn er geen nestlocaties of essentieel leefgebied van de huismus vastgesteld.
Gedurende het vleermuisonderzoek zijn geen kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen of zwermplaatsen vastgesteld.
In onderstaande tabel is weergegeven welke beschermde functies zijn aangetroffen in het projectgebied.
Een ontheffing Wet natuurbescherming is noodzakelijk. De aanvraag hiervoor is in gang gezet. In artikel 8.4.6 van de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Bomenkap
Bij bomenkap kunnen 3 beschermingsregimes aan de orde zijn:
Wet Natuurbescherming onderdeel houtopstanden
De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt zogenaamde houtopstanden. Dit zijn groepen bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Deze houtopstanden mogen niet zomaar worden gekapt. Er geldt een meldplicht Indien buiten de bebouwde kom houtopstanden, bomen of beplanting worden verwijderd:
Tevens is herplanting verplicht.
Er zijn enkele uitzonderingen op de meldings- en herplantingsplicht. Deze plicht geldt niet voor:
In de Wnb is bepaalt dat de provincies verantwoordelijk zijn voor regels ten aanzien van de bomenkap.
Binnen het plangebied staan niet veel bomen. Alleen op de achterzijde van de percelen van de woningen van de Sint Cornelisstraat staan een aantal houtopstanden welke mogelijk gekapt gaan worden ten behoeve van het woningbouwplan. Deze houtopstanden staan op erven en in tuinen. Derhalve geldt hiervoor geen meldings- en herplantingsplicht.
Verordening fysieke leefomgeving Reusel- De Mierden
In de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Reusel- De Mierden is een verbod opgenomen voor het vellen of te doen vellen van houtopstanden, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat daarvoor een vergunning is verleend van het bevoegde gezag (college van B&W). Het verbod geldt uitsluitend voor:
Bij de aanleg van de nieuwe woonwijk dienen houtopstanden te worden gekapt. Dit zijn de houtopstanden op de achterzijde van de percelen van de woningen van de Sint Cornelisstraat. Waar mogelijk zullen zoveel mogelijk bomen behouden blijven. Voor de bomen die wel gekapt moeten worden zal een melding ingediend worden bij gemeente. Ook worden de te kappen bomen herplant. Binnen het plangebied worden veel meer bomen geplant dan er zullen worden gekapt. Nieuwe bomen komen onder andere in het straatbeeld en in de landchappelijke inpassing van het woningbouwplan. Er daarmee ten alle tijden worden voldaan aan de voorwaarden voor het mogen kappen van houtopstanden.
Aanlegvergunningstelsel in het bestemmingsplan
In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' is een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Hieris zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden (waar onder het kappen van houtopstanden) ter plaatse van de aanduidingen:
Binnen het plangebied zijn geen van bovengenoemde aanduidingen opgenomen. Het aanlegvergunningstelsel is binnen het plangebied niet van toepassing.
Binnen het plangebied worden wel een aantal bomen gekapt. Dit zijn de bomen uit de bossingel ten noordwesten binnen het plangebied, zie onderstaande figuur. Voor de bomenkap zal ter zijner tijd de benodigde kapmelding-/vergunning aangevraagd worden.
Figuur 5.6: Kaart met de te kappen bomen
Natuurinclusiviteit
In het plangebied worden voorzieningen voor gebouwbewonende soorten, zoals vleermuizen, de huismus en gierzwaluw in de gevels opgenomen. Daarnaast wordt de wadi aangelegd met bomen en struiken rondom waar verschillende planten en diersoorten goed gedijen.
Conclusie
De stikstofdepositieberekeningen en de regels voor het vellen van houtopstanden leveren geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Er is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig voor gronden in het noordwesten van het plangebied. Hiervoor wordt gewerkt met een uitgestelde ontheffingsprocedure. De reden hier voor is dat nog niet bekend is wanneer deze gronden bebouwd gaan worden. Op de verbeelding is een aanduiding ('overige zone – ontheffing Wet natuurbescherming') opgenomen voor de gronden waar dit betrekking op heeft in combinatie met de volgende voorwaardelijke verplichting in artikel 8.4.6: De te bouwen woning(en) ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ontheffing Wet natuurbescherming' mogen pas worden gebouwd als de mitigerende maatregelen ter voorkoming van negatieve gevolgen voor beschermde soorten als bedoeld in de Wet natuurbescherming zijn uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld en door het bevoegde gezag goedgekeurd activiteitenplan en werkprotocol.
Beleid en normstelling
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Het hoofddoel van de Wgh is het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.
In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Industrielawaai
Voor de geluidgevoelige bestemming geldt een voorkeursgrenswaarden van 50dB(A) met een maximale ontheffingswaarde van 55-60dB(A)
Wegverkeerslawaai
Voorkeursgrenswaarde van 48dB met een maximale ontheffingswaarde van:
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Nieuwe situaties
Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning).
Aftrek ex artikel 110g Wgh
De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB.
Toetsing
Binnen het plangebied worden geluidgevoelige functies gerealiseerd, namelijk 94 woningen.
Wegverkeerslawaai:
Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de weg Kuilenrode. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze wegen geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat dient de geluidbelasting op de gevels van nieuw te bouwen woningen nabij 30 km/uur wegen echter alsnog te worden bepaald. Derhalve is in het onderhavige akoestisch onderzoek tevens de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen Leendestraat en Sint Cornelisstraat inzichtelijk gemaakt. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd in Bijlage 15.
Voor de 30 km/uur weg Sint Cornelisstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.
Voor de 30 km/uur weg Leendestraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde wordt overschreden indien de in tabel 5.1 genoemde afstanden tot de wegas niet in acht worden genomen. Echter, voor 30 km/uur wegen kan geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Leendestraat ongeacht de positionering van de woningen niet aan de orde.
Voor de gezoneerde weg Kuilenrode geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele positie binnen het beschouwde grid overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde.
Tabel 5.1: Geluidbelasting t.g.v. het wegverkeer op de beschouwde wegen
Industrielawaai
De woningen liggen niet in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Industrielawaai is niet aan de orde.
Conclusie
Aangezien voor de nieuwe woningen geen sprake is van een procedure hogere waarde is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels formeel niet noodzakelijk.
Echter, indien de in tabel 5.1 genoemde afstanden tot de wegas niet in acht worden genomen, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Een dergelijk onderzoek kan tevens worden geëist door de gemeente. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij de voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden.
Beleid en normstelling
De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:
Voorgrondbelasting geur
Dit betreft de individuele hinder. Wat is de voorgrondbelasting van individuele veehouderijen in de omgeving op het plangebied. Berekening voorgrondbelasting geur met V-stacks vergunning.
Woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting geur)
In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur van veehouderijen. Achtergrondbelasting geur dient te zijn berekend met het rekenprogramma V-stacks gebied.
Vaste afstanden
Indien in de omgeving van het plangebied veehouderijen zijn gelegen met dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, zoals melkrundvee en paarden, zal getoetst moeten worden aan de vaste afstandseisen zoals bedoeld in artikelen 4 en 5 van de Wgv.
Omgekeerde werking
Tussen veehouderijen en het plangebied wordt beoordeeld of ondernemers niet in hun belangen worden geschaad door het plangebied.
Toetsing
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De nieuw op te richten woningen worden gezien als geurgevoelige objecten. Hiervoor dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat.
Aan de Lemenweg, op circa 300 meter bevindt zich een melkrundveehouderij. Volgens Het Besluit melkrundvee en het Besluit akkerbouw geldt een minimale afstandseis van 50 meter van een gevoelige functie tot een melkrundveehouderij. Er wordt voldaan aan deze afstand.
Conclusie
Vanwege de grote afstand tot omliggende veehouderijbedrijven en de lage uitstoot ter plaatse kan geconcludeerd worden dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van geur ter plaatse van het plangebied.
Beleid en normstelling
Ter plaatse planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).
Toetsing & conclusie
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Wet Milieubeheer
In de Wet milieubeheer (Wm) is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofdioxiden (NOx als NO2), zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemmingplan is mogelijk omdat:
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
Toetsing
Het voornemen is om 94 woningen mogelijk te maken. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kempenbaan, direct ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 12,6 µg/m³ voor NO2, 15,6 µg/m³ voor PM10 en 8,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 ,bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarbij kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.
Onderzoek
Spuitzones zijn voornamelijk relevant bij fruitboomteelt en boomteelt omdat de bespuiting met name omhoog en zijwaarts is gericht. Ten noordoosten en van het plangebied liggen agrarische percelen waar voornamelijk gras, bieten en maïs worden verbouwd. Dit zijn gewassen waarvoor geen omhoog of zijwaarts gericht gespoten wordt met gewasbeschermingsmiddelen. Tevens komt in de beoogde sitautie een groenstrook met beplanting tussen de agrarische percelen en de woonwijk. Hierdoor is er geen sprake van risico's voor de volksgezondheid.
Conclusie
Spuitzones vormen geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Beleid en normstelling
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloeden, in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar, hiervan maatgevend is en welke indicatieve afstand hierbij in acht genomen moet worden.
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Het voorkomen van hinder en gevaar door voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en milieugevoelige functies (woningen). Deze zijn de richtafstanden. Het voorafgaande heeft 2 doelen: voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en de zekerheid bieden aan bedrijven dat activiteiten uitgeoefend kunnen worden.
Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: "Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven".
Toetsing
In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Gezien het feit dat er in de directe omgeving van het plangebied zich voornamelijk woningen en agrarische gronden bevinden, wordt de omgeving van het plangebied getypeerd als een 'rustige woonwijk'.
Het gebied ten noordwesten van het plangebied, aan de Kuilenrode 9, heeft de bestemming 'bedrijf'. Planologisch is hier een caravanstalling toegestaan die volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 valt met een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk. De afstand van het plangebied tot dit bedrijf bedraagt circa 270 meter. Er wordt voldaan aan deze richtafstand.
Figuur 5.6: Caravanstalling op circa 270 meter van het plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Aan de Lemenweg, op circa 300 meter bevindt zich een melkrundveehouderij. Volgens Het Besluit melkrundvee en het Besluit akkerbouw geldt een minimale afstandseis van 50 meter van een gevoelige functie tot een melkrundveehouderij. Er wordt voldaan aan deze afstand.
Figuur 5.7: Melkrundveehouderij op circa 300 meter van het plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie
Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Normstelling en beleid
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Toetsing
Figuur 5.8: Uitsnede openbare risicokaart
Uit de informatie op de openbare risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door buisleidingen plaatsvindt. Er bevinden zich ook geen risicovolle inrichtingen in de buurt van het plangebied.
Figuur 5.9: VEO Bommenkaart (bron: explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/)
Op de bommenkaart van Vereniging voor Explosieven Opsporing is te zien dat ter plaatse van het plangebied geen vooronderzoek of opsporing naar NGE is gedaan. Deze bron is ook gebruikt in het vooronderzoek voor archeologie (Bijlage 16). Voor het verkennend bodemonderzoek is ook onderzoek naar NGE's gedaan (Bijlage 8). In beiden onderzoeken zijn geen risico's op NGE's gevonden.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Beleid en normstelling
Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dan in 1992 door Nederland werd ondertekend. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel.
Onderzoek
Figuur 5.10: Archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2021 gemeente Reusel- De Mierden
Volgens de Archeologische verwachtingen- en waardenkaart geldt ter plaatse van het plangebied een hoge archeologische verwachting (categorie 3 en 4). Volgens de Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden gelden de volgende regels:
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 40.000 m2 en met het aanleggen van geheel nieuwe funderingen zal dieper dan 0,4 meter de grond in worden gegaan. Archeologisch onderzoek is dus noodzakelijk. In Bijlage 16 is het onderzoeksrapport van het archeologisch onderzoek bijgevoegd. Hieronder staan de resultaten.
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Er zijn geen aanwijzingen dat in of in de directe omgeving van het plangebied open water heeft gelegen nadat de Maas en Rijn uit het gebied zijn verdwenen. Daarnaast zijn er in het onderzoeksgebied ook geen resten van jagers en verzamelaars gevonden. Er geldt dan ook een lage verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. De locatie is geschikt voor landbouwers. Direct aansluitend ten oosten van het plangebied zijn sporen en vondsten blootgelegd uit de IJzertijd tot en met Nieuwe tijd. Mogelijk is daar de periferie aangetroffen van een nederzetting uit de IJzertijd die door kan lopen in het huidige plangebied. Vondsten uit het Neolithicum en Bronstijd ontbreken in het onderzoeksgebied. Op basis van deze waarnemingen geldt er een middelhoge verwachting voor het Neolithicum en de Bronstijd en een hoge verwachting voor de perioden IJzertijd tot en met de Middeleeuwen. Het plangebied ligt tussen twee historische wegen. Het historisch kaartmateriaal laat echter zien dat het plangebied vanaf de eerste helft van de 19e eeuw tot in de tweede helft van de 20e eeuw onbebouwd is en in agrarisch gebruik. Hierdoor worden geen bewoningssporen uit de Nieuwe tijd
verwacht. Mogelijk zijn er sporen en vondsten aanwezig die gerelateerd kunnen worden aan off-site complexen zoals landbouw. Er geldt een hoge verwachting voor off-site sporen en vondsten uit de Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De bodemopbouw komt grotendeels overeen met de resultaten van de opgraving direct aan de oostzijde van het plangebied. Daar zijn onder het esdek/oude akkerlaag sporen aangetroffen uit de IJzertijd en de Middeleeuwen. Met betrekking tot de resten uit de IJzertijd, gaat het wellicht om de periferie van een nederzetting in de omgeving. Het zou kunnen dat de nederzetting in het huidige plangebied ligt. Bij zes boringen ontbreekt een esdek/oude akkerlaag. Hier ligt onder de bouwvoor een geroerde laag (van ongeveer 10-15 centimeter dik) of direct de C-horizont (dekzand). Eén boring ligt tussen boringen met een esdek/oude akkerlaag. Dus waarschijnlijk betreft dit een lokale verstoring. De andere vijf boringen liggen allemaal aan de noordoostzijde van het plangebied. Waarschijnlijk als gevolg van agrarische bewerking is de bodem hier in een recent verleden geroerd en is het potentiële archeologische sporenniveau aangetast. Het is onduidelijk of deze verstoring dermate diepgaand is dat er geen archeologische resten meer te verwachten zijn.
Advies
Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.
Proefsleuvenonderzoek
VUhbs archeologie heeft van 13 februari tot en met 17 februari 2023 in opdracht van Gispro BV een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Hooge Mierde-Leendestraat, gemeente Reusel-De Mierde. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 17.
Het onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er meerdere vindplaatsen binnen het plangebied aanwezig zijn. De eerste vindplaats betreft een prehistorisch nederzettingslandschap. Verreweg de meeste sporen behoren tot deze vindplaats. De vindplaats grenst aan de zuidzijde tegen het onderzoeksgebied van de opgraving 2019. De westelijke en noordelijke grens liggen (vermoedelijk) buiten het plangebied. De sporen liggen verspreid over een relatief grote zone en bestaan hoofdzakelijk uit kuilen en paalkuilen. Er zijn hoogstwaarschijnlijk meerdere gebouwstructuren aangesneden. De tweede vindplaats ligt langs de noordelijke grens van het onderzoeksgebied en overlapt met de eerste vindplaats. In werkput 74 en 43 zijn sporen en structuren aangetroffen die duidelijk tot een jongere bewoningsperiode behoren. Het type bijgebouw in werkput 74 wijst op een datering in de Romeinse tijd. In een kuil in werkput 43 is ook Romeins aardewerk aangetroffen, maar een jongere datering in de Vroege Middeleeuwen kan hier vooralsnog ook niet uitgesloten worden. Mogelijk worden tijdens de uitwerking in de tussenliggende proefsleuven nog meer sporen herkend die tot deze vindplaats gerekend kunnen worden. De derde vindplaats ligt eveneens langs de noordelijke grens van het plangebied, maar dan verder richting het noordoosten. Hier is een huisplaats aangesneden in werkput 75. Een datering in de Middeleeuwen lijkt vooralsnog het meest aannemelijk. De sporen van de drie vindplaatsen zijn goed geconserveerd.
Evaluatierapport opgraving
Omdat een gedeelte van het plangebied is aangemerkt als een gebied met archeologische waarden, heeft in opdracht van Gispro BV onderzoeks- en adviesbureau BAAC een opgraving uitgevoerd in een gedeelte van het plangebied. De opgravingen hebben plaatsgevonden ter plaatse van de gronden waar voorgenomen werkzaamheden plaats zullen vinden. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 20 opgravingsputten met een totale oppervlakte van 16.783 m2 onderzocht. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 18.
Conclusie
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, blijft door het booronderzoek gehandhaafd. Op basis van het behoud van een middelhoge/hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.
Conform het proefsleuvenonderzoek kon voor een gedeelte van het plangebied geconludeerd worden dat hier geen archeologische waarden aanwezig zijn en kon dit gedeelte dus worden vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. Voor het overige gedeelte gold dat hier archeologische waarden aanwezig zijn. Ter plaatse van een gedeelte van dit gebied zullen werkzaamheden plaatsvinden. Om deze reden hebben hier opgravingen plaatsgevonden, waarna dit gebied kon worden vrijgegeven. Het overige gedeelte van het gebied met hoge archeologische waarden waar geen opgravingen hebben plaatsgevonden heeft ter bescherming van de waarden de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' gekregen. Indien hier in de toekomst werkzaamheden gewenst zijn, dient eerst aangetoond te worden dat archeologische waarden niet aangetast worden, voordat met de werkzaamheden kan worden gestart.
Beleid en normstelling
Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Toetsing
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart 2021 van de gemeente Reusel- De Mierden (figuur 5.11) blijkt dat ter plaatse van het noordelijk deel van het plangebied een hoge historische geografische waarde geldt. In de nieuwe situatie krijgt dit deel van het plangebied een groenbestemming en wordt er landschappelijke kwaliteit toegevoegd aan het buitengebied.
Figuur 5.11: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart 2021 gemeente Reusel- De Mierden
Na raadpleging van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (figuur 5.12) blijkt het plangebied niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele straten van redelijk hoge waarde, zoals de Sint Cornelisstraat en de Leendestraat. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden, met onderhavig plan zal dan ook geen aanpassing dan wel aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden.
Figuur 5.12: Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie evenals de peelrandbreuk vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
Beleid en normstelling
Bij ieder ruimtelijke plan dient te worden beoordeeld of het plan invloed heeft op de waterhuishoudkundige situatie. Ieder plan dient namelijk minimaal 'hydrologische neutraal' te worden ontwikkeld.
Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn:
Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De volgende driestapsstrategieën zijn leidend:
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De belangrijkste kaders worden hierna beschreven.
Regionaal Water- en Bodemprogramma 2022-2027
Het Regionale Water- en Bodemprogramma 2022-2027 (hierna: RWP) is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). De urgentie is echter afgelopen jaren sterk toegenomen. Dit RWP geeft invulling aan het op orde houden van de basis van het natuurlijk water- en bodemsysteem en is mede gebaseerd op wettelijke regels en beleid. Dit is onder andere vastgelegd in de wettelijk omschreven rollen en taken in het waterbeleid in Nederland, dat uitgaat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het RWP formuleert de tussendoelen voor 2027 die nodig zijn om de uiteindelijke ambitie in 2050 te behalen.
Dit RWP is voorbereid onder de Waterwet en door Provinciale Staten vastgesteld als regionaal waterplan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting op 1 januari 2023, is dit RWP een verplicht programma onder de Omgevingswet. Samen met het middels de Visie Klimaatadaptatie door Provinciale Staten vastgestelde beleidskader voor klimaatadaptatie (incl. vitale bodem) en verdrogingsbestrijding vormen zij het kader voor de uitvoering van de wettelijke taken en de doelen uit de Brabantse Omgevingsvisie. In het RWP wordt met het begrip "Bodem" de RWP-beleidsopgave "Vitale Bodem” bedoeld, waarin de relatie tussen de bodem en het watersysteem in vooral het landelijk gebied centraal staat. De overige facetten van bodem zoals beleidsontwikkelingen rond bodemkwaliteit, saneringen en ondergrond zijn geen onderdeel van het RWP. Deze onderwerpen worden ingevuld vanuit het Beleidskader Milieu. Ook stedelijke bodem behoort niet tot de scope van het RWP, dit onderwerp valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het beleid voor vitale bodem is weliswaar geen wettelijke taak, maar wordt wel ingezet mede om de wettelijke taken op het vlak van verdrogingsbestrijding en doelbereik KRW in te vullen. Ditzelfde geldt voor de beleidsopgave klimaatadaptatie: dit is geen wettelijke taak, maar draagt wel bij aan wettelijke taken op het vlak van verdrogingsbestrijding en doelbereik KRW.
Het RWP biedt waterschappen en gemeenten een kader voor hun eigen beleid. Een belangrijk onderdeel van dit kader is de toekenning van functies en de vastlegging van grond- en oppervlaktewaterlichamen om te voldoen aan de KRW. Voor een aantal aspecten van het oppervlakte- engrondwater, zoals vastgelegd in de KRW, is het rechtstreeks bindend voor waterschappen. Ook geeft het RWP inwoners en ondernemers zicht op de provinciale koers en nodigt het overheden en de samenleving uit om samen de schouders te zetten onder het realiseren van een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant in 2050.
Handelingsprincipes
De Brabantse Omgevingsvisie kent kernwaarden voor het handelen van de provincie. Dit zijn meerwaardecreatie, kwaliteit boven kwantiteit, sociale en technologische innovatie, continue verbeteringvan de leefomgeving en proactief en preventief handelen. Ze zijn vertaald in zeven handelingsprincipes, specifiek voor het beleid en de uitvoering op het vlak van water- en bodem.
Integrale lijnen
Om te komen tot een samenhangende aanpak voor voldoende, schoon en veilig water, een vitale bodem en klimaatadaptatie, en te voldoen aan onze ambitie werken we langs zes integrale lijnen.
Beleidsopgaven en doelen
Het RWP bevat de beleidsopgaven, doelen en aanpak voor de periode 2022-2027, op weg naar de ambitie om in 2050 een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem te hebben dat bestand is tegen extremen.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving
Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:
Keur Waterschap De Dommel 2015
In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien:
Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.
Hydrologisch neutraal bouwen
Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.
Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 (VGRP)
Het beleid van de gemeente Reusel-De Mierden is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 (VGRP), zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 2016. Dit beleid is met 2 jaar verlengd, dus geldt ook voor 2023. Het VGRP is een beleidsmatig planinstrument van de gemeente en betreft de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het VGRP sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. In het Keur worden bergingseisen voor hemelwater gesteld bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2. Voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 2.000 m2 gelden de bergingseisen uit het VGRP. In het VGRP zijn de volgende opgaven en aandachtspunten voor de komende planperiode opgesomd:
Stedelijk afvalwater
Hemelwater
Grondwater
Oppervlaktewater
Bedrijfsvoering en financiën
Huishoudelijk afvalwater kan geloosd worden via een vuilwater/gemengd riool naar het rwzi. Voor de verwerking van hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Kwalitatief:
Toetsing
De ontwikkeling heeft betrekking op de gronden gelegen in de oksel van de Leendestraat
en Sint Cornelisstraat, ten noordoosten van de kern Hooge Mierde. Het betreft een
overgangsgebied naar het buitengebied. Initiatiefnemer is voornemens om hier woningen gefaseerd te realiseren. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een waterplan opgesteld. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 19.
Huidige situatie
Bodemopbouw
Door Lankelma is op 25 mei een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,8 m-mv overwegend uit matig fijn, matig
siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend.
Grondwater
Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een
grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de bodemkaart bestaat een groot deel van de
grond van het plangebied uit lemig fijn zand. Met betrekking tot grondwater is in een deel van het plangebied sprake van grondwatertrap VIIIo. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) 96 centimeter onder maaiveld ligt. De maaiveldhoogte aan de Noordoostzijde van het plangebied licht op 28.20 + NAP. Op basis hiervan is de GHG 27.24 + NAP.
Nabij het plangebied in de berm van de Leendestraat ter hoogte van de aansluiting
Vossenhof is een peilbuis geplaatst. (Peilbuiskenmerk B50H0429pf01) Deze peilbuis meet
sinds begin 2018 het grondwater. Op basis van deze metingen is de gemiddelde hoogste
grondwaterstand (GHG) vastgesteld op 27.63 + NAP. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bedraagt 26.41 + NAP. (bijlage 1 van de rapportage) Aangezien de peilbuismetingen een nauwkeuriger beeld geven van de GHG zijn we in de planuitwerking uitgegaan van een GHG van 27.63 + NAP.
Doorlatendheidsonderzoek
Uit het doorlatendheidsonderzoek (bijlage 2) blijkt dat K-waarde van de onverzadigde zone
van het plangebied tussen de 0,8 m/dag en 2,7 m/dag is. De K-waarde van de verzadigde
zone van het plangebied varieert tussen 0,8 m/dag en 3,4 m/dag. Aangenomen wordt dat
infiltratie in de bodem bij een k-waarde groter dan 0,8m/dag goed is. (bron: bestemmingsplan RHO Adviseurs)
Omdat een groot gedeelte van het riool boven de GHG ligt is gekozen om een infiltratieriool tot te passen. Doordat het infiltratieriool geen afvoer heeft kan deze niet omgekeerd werken als een drainageleiding.
Toekomstige situatie
Uitgangspunten
Het ontwerp wordt mede bepaald door een aantal randvoorwaarde (reeds gemaakte ontwerpkeuzes). Dit omvat, het onderstaande:
Verhardoppervlak en hemelwaterberging
Door een toename van het verhard oppervlak dient een waterberging te worden
gerealiseerd van 1125 m³. Op basis van het voorliggende ontwerp kan er 1.129 m³ worden
geborgen in de wadi. In onderstaande tabel is het toekomstige verhard oppervlak aangegeven en de daarbij behorende hemelwaterberging welk wordt gerealiseerd.
Tabel 5.2 Bergingsopgave
Conclusie
De bergingsopgave bedraagt 1.125 kuub. In totaal wordt er 1.129 kuub hemelwaterberging
gerealiseerd waardoor het plan voldoet aan de bergingseis van 60 mm. De drie woningen welke worden gerealiseerd aan de Leendestraat worden aangesloten op de watergang welke gelegen is naast de Leendestraat.
Op 15 juni 2022 zijn de direct omwonenden uitgenodigd voor een eerste informatiebijeenkomst. De avond werd geopend met een presentatie waarin een korte terugblik werd gegeven op het proces wat vooraf ging. Daarna is het concept stedenbouwkundig plan toegelicht en is verteld welke stappen er gezet gaan worden om te kunnen gaan bouwen. Vervolgens is een globale planning tot aan realisatie weergegeven. De presentatie heeft circa 25 minuten in beslag genomen. Na de presentatie is ruimte gegeven aan de deelnemers om te reageren op het plan en vragen te stellen.
De sfeer tijdens de informatiebijeenkomst was te omschrijven als rustig en informatief. Het verslag is bijgevoegd in Bijlage 20.
In het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, woningbouwlocatie De Rogse Wieken Hooge Mierde' zijn de bestemmingen voor het nieuw te realiseren woongebied vastgelegd. Dit nieuwe woongebied wordt in twee fases gerealiseerd, waardoor er ingespeeld kan worden op de ontwikkelingen in de woningmarkt.
Er is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de gemeente en de ontwikkelaar.
Het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, woningbouwlocatie De Rogse Wieken Hooge Mierde' heeft tot doel een juridisch planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van gronden en gebouwen. Het bestemmingsplan is gericht op het nieuw te bouwen woongebied.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor zover mogelijk is ook vooruitgelopen op de aanstaande Omgevingswet.
Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering, die per 1 januari 2010 wettelijk verplicht is, voldoet het plan ook aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Dit bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, maar treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid wordt geschaad.
Overeenkomstig de SVBP 2012 zijn de regels van dit bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk Inleidende regels bevat de inleidende regels. In hoofdstuk Bestemmingsregels zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk Algemene regels en Overgangs- en slotregels bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 7.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen.
Binnen de bestemming is agrarisch grondgebruik toegestaan, ten behoeve van een (vollegronds) teeltbedrijf. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorziening
Binnen deze bestemming zijn regels opgenomen ten behoeve van nutsvoorzieningen.
Er zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Binnen de bestemming zijn regels opgenomen voor het gebruik van de gronden als tuin en erf.
Net als binnen de bestemming 'Groen' zijn hierbinnen regels opgenomen voor gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
In deze regeling is een maximum aantal woningen geregeld. Het type woningen is op de verbeelding als 'specifieke bouwaanduiding' opgenomen. Voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bouwregels opgenomen. Voor geluidwering en landschappelijke inpassing zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen in de regels van deze bestemming.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 2
In deze artikelen wordt geregeld dat bij grondwerkzaamheden vanaf bepaalde oppervlakten en verstoringsdiepten van te voren archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.