direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Lodderdijk 9-11
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aurora V.O.F. is voornemens om de locatie aan de Lodderdijk 9-11 in Gemert te herontwikkelen tot woongebied. Op deze locatie was voorheen een wasserette gevestigd. In het beoogde project zijn 31 woningen voorzien. De aanwezige bedrijfsbebouwing wordt volledig gesloopt ten behoeve van het nieuwbouwplan.

De te realiseren woningen liggen tegen het centrum van Gemert aan en worden ingesloten door bestaand woongebied aan de west-, zuid- en oostzijde. Aan de noordzijde grens het plangebied openbaar groen en een sportschool. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van 4 woonblokken:

  • Blok A: rijwoningen 4x;
  • Blok B: beneden woningen en maisonnette woningen 12x;
  • Blok C: beneden woningen, appartementen en bergingen 13x; en
  • Blok D: bovenwoningen 2x en bergingen 18x.

In totaal worden er met het plan 31 woningen inclusief infrastructuur en groen mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0001.png"

Figuur 1.1: Voorgenomen ontwikkeling (Bron: Denkkamer architectuur & onderzoek, 19 mei 2025)

Het ter plaatse geldende omgevingsplan (er geldt altijd maar één omgevingsplan) staat de ontwikkeling niet toe. De beoogde herontwikkeling past niet geheel in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011'. De gemeente Gemert-Bakel heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het opstellen van een nieuw juridisch-planologisch kader. Dit TAM-omgevingsplan voorziet daarin. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden getoetst aan het geldende beleid en moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de instructieregels van het Rijk- en de provincie Noord-Brabant. De voorliggende motivering voorziet daarin en is onderdeel van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de rand van de dorpskern van Gemert en wordt begrensd door de Town Major Drakestraat in het zuiden, de Burgemeester de Bekkerlaan in het oosten, de Lodderdijk in het noorden en woonpercelen in het westen. Het plangebied heeft een omvang van 4.336 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0002.png"

Figuur 1.2: Ligging plangebied wit omcirkeld

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0003.png"

Figuur 1.3 Luchtfoto plangebied

1.3 Het omgevingsplan

Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.

Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vindt je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.

Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het plangebied de volgende bestemmingsplannen van toepassing, namelijk:

  • Het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011';
  • Het bestemmingsplan 'Parkeren Gemert-Bakel';
  • Het paraplubestemmingsplan 'detailhandel Gemert-Bakel';
  • Het paraplubestemmingsplan 'Tijdelijke huisvesting werknemers, Boerderijsplitsing, Uitbreiding oppervlak bijbehorende bouwwerken'

Bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011' (vastgesteld 29 juni 2011)

Het plangebied heeft volgens het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • enkelbestemming 'Bedrijf';
  • dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' (gedeeltelijk);

De gronden binnen de enkelbestemming 'Bedrijf' zijn bestemd voor industriële en ambachtelijke bedrijven/inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die vallen onder milieucategorie 1, 2, 3.1 en 3.2. Ook is er een bouwvlak opgenomen ter plaatse van de bedrijfsbebouwing binnen het plangebied.

Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in de grond voorkomende archeologische waarden. Deze bestemming ligt uitsluitend rond de bestaande bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0004.png"

Figuur 1.4: Uitsnede bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011' (bron: omgevingswet.overheid.nl/ regels-op-de-kaart)

Daarnaast gelden aanvullende/gewijzigde regels vanuit de bestemmingsplannen 'Tijdelijke huisvesting werknemers, Boerderijsplitsing, Uitbreiding oppervlak bijbehorende bouwwerken' (vastgesteld 7 oktober 2021) en het bestemmingsplan 'Parkeren Gemert-Bakel' (vastgesteld 23 januari 2018). Uit het paraplubestemmingsplan 'detailhandel Gemert-Bakel' volgen geen directe regels van toepassing op deze locatie.

Strijdigheid

De beoogde ontwikkeling is strijdig met het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel. Meer specifiek in relatie tot de voorheen geldende bestemmingsplan omdat in relatie tot het bestemmingsplan de beoogde bouw- en gebruiksactiviteiten niet zijn toegestaan.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de beschrijving van de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, het waterschap en de gemeente Gemert-Bakel. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan en de procedure aan de orde. In hoofdstuk 6 tenslotte is de conclusie en de belangenafweging opgenomen.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan en zijn omgeving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Ligging en gebruik

Het plangebied is gelegen aan de rand van de dorpskern van Gemert. Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van de Lodderdijk. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Lodderdijk, aan de oost-, zuid- en westzijde vormen woonpercelen de projectgrens. Binnen het plangebied ligt momenteel een wasserette.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0005.png"

Figuur 2.1.1 Ligging plangebied in omgeving (Bron: PDOK Viewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0006.png"

Figuur 2.1.2 Locatie gezien vanaf de noordzijde

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0007.png"

Figuur 2.1.3 Locatie gezien vanaf de noordoost zijde

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0008.png"

Figuur 2.1.4 Locatie gezien vanaf de zuidoost zijde

2.1.2 Structuren in en om het plangebied

Het plangebied presenteert zich als een afgesloten ensemble. Rondom het plangebied bevinden zich naast vele vrijstaande woningen ook een drietal grotere volumes. Het gaat om de beeldbepalende langgevelboerderij aan de Lodderdijk en de twee stroken met sociale woningbouw aan de Town Major Drakestraat. Gezien de gewenste typologie voor de nieuwbouw zijn deze lange volumes een vanzelfsprekende vorm voor de nieuwbouw op de projectlocatie.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Stedenbouwkundig plan

Voor de ontwikkeling van Lodderdijk 9-11 is een stedenbouwkundig plan opgesteld, zie bijlage 1. De locatie Lodderdijk wordt ontwikkeld tot woningbouwlocatie voor maximaal 31 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0009.jpg"

Figuur 2.2.1 Stedenbouwkundig plan (Bron: Denkkamer architectuur & onderzoek, 19 mei 2025 )

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0010.jpg"

Figuur 2.2.2: Vogelvlucht vanuit het zuidwesten (Bron: Denkkamer architectuur & onderzoek, 19 mei 2025)

2.2.2 Woningbouwprogramma

Het woningbouwprogramma bestaat uit 31 compacte woningen voor starters en senioren met diverse typologieën van grondgebonden woningen, appartementen, maisonnettes en studio's. De woningen bestaan uit één of twee lagen. Volumes zijn afgedekt met een afgeknotte kap in de dorpse omgeving en oude lintstructuur. Diverse goot- en nokhoogtes sluiten aan bij omliggende bebouwing in de omgeving. De woningen zijn verdeeld over 4 woonblokken:

  • Blok A: rijwoningen 4x;
  • Blok B: beneden woningen en maisonnette woningen 12x;
  • Blok C: beneden woningen, appartementen en bergingen 13x; en
  • Blok D: bovenwoningen 2x en bergingen 18x.

Van deze woningen worden 10 woningen gerealiseerd als sociale huurwoning (32,26%), 2 lage middeldure koop (6,5%), 8 als koop midden/hoge middeldure koop (25,8%), 8 als koop duur (25,8%) en 3 middeldure huur (9,7%).

Voor de definities en prijsgrenzen wordt aangesloten bij de actuele vastgestelde 'Regionale Begrippenlijst Wonen' van de Woningmarktregio Metropoolregio Eindhoven. Dit plan draagt hiermee bij aan de na te streven gemeente brede prijssegmentering.

2.2.3 Groen en water

De ruimtelijke opzet van woningbouwlocatie Lodderdijk bestaat uit een heldere opzet van (groen)structuren. In figuur 2.2.3 is een afbeelding weergegeven die de verschillende vormen groenvoorzieningen weergeven binnen het plangebied:

  • A. Lager herplanten bestaande hagen voor omsloten karakter, groene aansluiting omgeving;
  • B. Tuinen omzoomen met lage hagen;
  • C. Fruitbomen voor beleving woonerf;
  • D. Diverse nieuwe bomen op strategische punten voor optimale groenbeleving;
  • E. Nieuwe boom van grote omvang passend bij erf
  • F. Behouden bestaande treurwilg; en
  • G. Wanneer mogelijk, herplanten bestaande Noorse Rode Esdoorn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0011.jpg"

Figuur 2.2.3: Groennorm (Bron: Denkkamer architectuur & onderzoek, 19 mei 2025)

Hemelwater wordt geborgen middels een ondergrondse hemelwaterbuffer onder de verhardingen van het parkeerterrein. Deze is gelegen aan de zuidwestzijde van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0012.jpg"

Figuur 2.2.4: Waterberging binnen het plangebied (Bron: Denkkamer architectuur & onderzoek, 19 mei 2025)

2.2.4 Verkeer en parkeren

De parkeerbehoefte voor de beoogde woningen wordt binnen het plangebied opgelost door middel van geclusterd parkeren op gesloten verharding aan de zuidwest zijde en de noordoost zijde van het plangebied. In totaal wordt er binnen de projectlocatie voorzien in 35 parkeerplaatsen, waar er op basis van het parkeerbeleid een behoefte van 33 geldt. In figuur 2.2.4 is de parkeersituatie weergegeven. Door middel van een haag wordt de parkeerkoffer in het noordoosten van het plangebied zoveel mogelijk uit het zicht gehouden. Deze haag zal maximaal 60-80 cm hoog zijn in verband met de verkeersveiligheid.

De huidige inrit aan de noordoostzijde van het plangebied blijft gehandhaafd. Deze wordt echter verder naar het zuiden getrokken in verband met de rotonde die ten noordoosten van het plangebied ligt. Ten zuiden van het plangebied, aan de Town Major Drakestraat, wordt ook een inrit gerealiseerd. De huidige inrit ten zuiden van het plangebied wordt vervangen door een parkeerplaats en eventueel groen conform inrichting Town Major Drakestraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0013.jpg"

Figuur 2.2.5: Parkeersituatie beoogde situatie (Bron: Denkkamer architectuur & onderzoek, 19 mei 2025)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties

Toetsing

De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen. Gezien de aard van dit plan zijn vooral de volgende nationale belangen relevant:

(1) Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;

(2) Realiseren van een goede omgevingskwaliteit;

(5) Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften;

De voorgenomen ontwikkeling is ten gunste van nationale belangen zoals het tegengaan van het woningtekort. Er wordt een bijdrage geleverd aan nationale belangen door het toevoegen van woningbouw waarbij veel aandacht is voor groen, gezondheid en duurzaamheid.

Ten aanzien van nationaal belang 5 is de onderbouwing terug te vinden in paragraaf 4.1 (ladder voor duurzame verstedelijking). Uit die onderbouwing blijkt dat sprake is van een duurzame ontwikkeling die aansluit op de woningbehoeften.

Ten aanzien van nationaal belang 1 en 2 kan worden opgemerkt dat in Hoofdstuk 4 het plan aan de hand van de relevante aspecten in de fysieke leefomgeving is gemotiveerd, gevolgd door een algehele afweging van het plan in Hoofdstuk 6. Op deze plek volstaat de conclusie dat met het plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit.

Overige nationale belangen zijn minder van relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.

Het plan past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.

Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.

In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:

  • 1. waarborgen van de veiligheid
  • 2. beschermen van de waterbelangen
  • 3. beschermen van de gezondheid en van het milieu
  • 4. beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
  • 5. behoud van ruimte voor toekomstige functies
  • 6. behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
  • 7. bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

Toetsing

Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit plan relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit plan voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit plan geen belemmering voor de werking van het meest nabijgelegen radarstation.

Voor zover verdere thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit plan, vindt een afweging van deze instructieregel plaats in Hoofdstuk 4 van deze motivering.

Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.

3.1.3 Conclusie

De ontwikkeling draagt bij aan het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:

  • 1. Werken aan de Brabantse energietransitie
  • 2. Werken aan een klimaatproof Brabant
  • 3. Werken aan de slimme netwerkstad
  • 4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan onder andere 'goed wonen binnen de bebouwde omgeving'. Voor sommige van deze ambities zijn regels nodig om ze te kunnen realiseren. Provincie Noord-Brabant heeft daarom een Omgevingsverordening vastgesteld. In de volgende subparagraaf wordt het plan getoetst aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden.

In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun omgevingsplannen. De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies. Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.

In het geval van dit plan zijn rechtstreeks werkende regels en de instructieregels voor gemeenten relevant. Hierna wordt aan deze regels getoetst. Volgens de verbeelding van de Omgevingsverordening ligt het plangebied geheel binnen de volgende werkingsgebieden:

  • Stedelijk gebied;
  • Norm wateroverlast stedelijk gebied
  • Stalderingsgebied;
  • Diep grondwaterlichaam;
  • Beperking grootschalige logistiek;
  • Geen attentiezone waterhuishouding.

Toetsing

Stedelijk gebied

Artikel 5.31 (Externe werking Natuur Netwerk Brabant) bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling die binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en die aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant geeft, de negatieve effecten waar mogelijk moet beperken en de overblijvende, negatieve effecten moet compenseren. Deze bepaling is niet van toepassing op aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In paragraaf 4.5 is gemotiveerd dat dit project gelet op de aard en omvang in verhouding tot de ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Compensatie is dan ook niet aan de orde.

Artikel 5.55 (Duurzame stedelijke ontwikkeling) bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals wonen, werken of voorzieningen in beginsel binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en dat daarbij gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling past binnen regionale afspraken en dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 3.4.3 van deze motivering is gemotiveerd dat er in regionaal verband voldoende ruimte is voor het toevoegen van 31 woningen.

Stalderingsgebied

Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.

Beperkingen grootschalige logistiek

Artikel 5.56a (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.

Norm wateroverlast stedelijk gebied

Artikel 2.2 (Omgevingswaarde wateroverlast stedelijk gebied) richt zich op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen en/of 1/10 per jaar voor overige gebieden.

In paragraaf 4.16 is omschreven op welke manier de berging en afvoer van water binnen de planlocatie is opgelost.

Diep grondwaterlichaam

Artikel 3.12 (diep grondwaterlichaam) beschrijft dat het verboden is om milieubelastende activiteiten, onconventionele winning van koolwaterstoffen, te verrichten binnen het diep grondwaterlichaam-gebied. Dit is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.

Geen attentiezone waterhuishouding

In Artikel 3.15 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem) staat dat een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem van het Bal niet is vereist als de onttrekking buiten de Attentiezone waterhuishouding ligt. Dit is het geval bij de beoogde ontwikkeling. Hoewel er geen omgevingsvergunning is vereist, zullen de in Artikel 3.15 genoemde activiteiten niet worden toegevoegd bij de beoogde ontwikkeling.

3.2.3 Conclusie

De beoogde woningbouwontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid.

3.3 Beleid waterschap

3.3.1 Waterschapsverordening

In het gebied van het plan is waterschap Aa en Maas de waterbeheerder. De ‘Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas 2024’ is in werking getreden op 3 april 2024. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur.

In de waterschapsverordening wordt met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.

Toetsing

Op basis van de Waterschapsverordening ligt de locatie niet binnen de invloeds- en/of attentiegebieden. De toetsing aan de waterhuishouding is opgenomen in paragraaf 4.16.

3.3.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling strijkt met het beleid van Waterschap Aa en Maas.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Gemert-Bakel

De Omgevingsvisie Gemert-Bakel is op 27 mei 2025 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten in de Omgevingswet. Hiermee wordt richting gegeven aan de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving op lange termijn. De omgevingsvisie beschrijft hoe er gezorgd kan worden dat de gemeente Gemert-Bakel ook in 2040 bestaat uit zeven vitale kerkdorpen en een toekomstbestendig buitengebied. Want ‘vitale kernen’ en ‘toekomstbestendig buitengebied’ zijn de twee ambities die de omgevingsvisie nastreeft. Om de kernen vitaal te houden wordt ingezet op beschikbaarheid van voldoende voorzieningen in alle kernen, voldoende woningen en een goede bereikbaarheid.

Als Gemert in woningen en inwonersaantallen groeit wordt daarbij ook een mobiliteitstoename verwacht. Vooral voor de zoeklocatie aan de oostzijde is een goede ontsluiting een randvoorwaarde. Vooralsnog kan op het bestaande wegennet ontsloten worden. In de mobiliteitsvisie wordt nader onderzocht of en welke maatregelen genomen moeten worden om dit ook in de toekomst te waarborgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0014.png"

Figuur 3.1: Uitsnede Omgevingsvisie Gemert, plangebied rood omcirkeld (Bron: Gebiedsgerichte uitwerking Gemert-Bakel)

Toetsing

Het plangebied is in de Ontwerp omgevingsvisie aangewezen als 'kern'. De beoogde ontwikkeling van woningbouw sluit aan bij de ambities van de omgevingsvisie, zowel om te voldoen aan de beoogde woningbouwopgave als voor de gekozen locatie.

Het plangebied valt binnen de zoeklocatie voor woningbouw, namelijk inbreiding. De mobiliteitstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling kan in overeenstemming met de omgevingsvisie vooralsnog ontsloten worden op het bestaande wegennet.

3.4.2 Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017

Met de Nota Parkeernormen biedt de gemeente een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Gemert-Bakel om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen of wijzigingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.

Om deze doelstelling te halen wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • 1. De parkeernormen moeten een positieve invloed hebben op de leefbaarheid en bereikbaarheid van de gemeente Gemert-Bakel;
  • 2. Elke initiatiefnemer van (bouw)plannen is verantwoordelijk voor het aanleveren van een berekening voor zijn eigen parkeeropgave en het realiseren van de eigen parkeeroplossing;
  • 3. Een bouwinitiatief of wijziging van een functie van een locatie mag geen parkeerproblemen in de openbare ruimte veroorzaken of vergroten;
  • 4. Er bestaat de mogelijkheid om maatwerk te leveren.

Op 23 januari 2018 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemert-Bakel' vastgesteld. De parkeernormen uit de nota zijn vertaald in dit bestemmingsplan en dienen toegepast te worden bij het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Toetsing

De toetsing aan de gemeentelijke parkeernormen vindt plaats in paragraaf 4.3. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De algemene parkeerregeling uit het paraplubestemmingsplan wordt overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

3.4.3 Woonzorgvisie Samen Thuis in Gemert-Bakel

De visie ‘Samen Thuis in Gemert-Bakel, wonen – zorg – welzijn' is op donderdag 21 november vastgesteld door de gemeenteraad. De visie wordt als volgt beschreven:

Met deze visie zetten we ons in voor een prettige woonomgeving, passende woningen en een zorgzame samenleving. We willen een groene leefomgeving met (sport-)voorzieningen en voldoende woningen voor iedereen: een gemeente waar het fijn leven is, een plek waar iedereen zich thuis voelt.

Gemert-Bakel wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven. Prettig en passend wonen draagt bij aan de kwaliteit van leven, van huishoudens, de leefbaarheid van buurten, dorpskernen en de gemeente als geheel. Daartoe werkt de gemeente samen met haar partners aan een goed functionerende woningmarkt. De woonzorgvisie is een sturingsinstrument in dit voortdurende streven.

Verschillende trends en ontwikkelingen hebben consequenties voor de woningvraag, woningvoorraad, zorgvraag en woonomgeving. Hier speelt de gemeente Gemert-Bakel met deze woonzorgvisie op in. Zo neemt het aantal huishoudens in de komende jaren toe als gevolg van bevolkingsgroei en krimp van de gemiddelde huishoudensomvang. In het bijzonder wordt geconstateerd dat de groep 65-plussers de komende jaren verder toeneemt. Zij blijven ook steeds vaker en langer zelfstandig wonen waardoor mede de vraag naar passende woningen toeneemt.

Op basis van de trends en ontwikkelingen zet de woonzorgvisie in op de volgende drie ambities:

  • Prettige leefomgeving. Gestreefd wordt naar een prettige leefomgeving met voldoende kwalitatief goede voorzieningen, een goed ingerichte en toegankelijke openbare ruimte met oog voor duurzaamheid én waar voor iedereen een plek is.
  • Passende woningen. Een passende woningmarkt bij de woningvraag en -behoefte, focus op betaalbare huur- en koopwoningen voor iedereen, ingespeeld op ontwikkelingen om het wonen nog aantrekkelijker te maken. Op naar uitvoering van een nieuw evenwicht in de woningmarkt van Gemert-Bakel.
  • Zorgzame samenleving. Gestreefd wordt naar een inclusieve en zorgzame samenleving waar men naar elkaar omkijkt, iedereen een plek heeft en mee kan doen met regie over eigen leven en ondersteuning waar nodig.

Toetsing

In paragraaf 2.2.2 is het woningbouwprogramma opgenomen. Daaruit blijkt dat met de ontwikkeling wordt voorzien in een gevarieerd aanbod aan woningen in verschillende segmenten. De ontwikkeling maakt woningen mogelijk voor o.a. starters en ouderen. De segmentering van het woningbouwprogramma is verankerd in een met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in de realisatie van voldoende openbare ruimte/groen, wat de kans op ontmoeten en bewegen vergroot.

3.4.4 Groennorm Gemert-Bakel

De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie een groene gemeente te willen zijn. Het streven is om een goede balans te vinden tussen ruimte, economie en leefbaarheid. De te respecteren uitgangspunten zijn cultuurhistorie, natuurvriendelijkheid en duurzaamheid. Bij nieuwe ontwikkelingen wil de gemeente de kwaliteit en de kwantiteit van het ruimtebeslag garanderen en waarborgen. Bij initiatieven met het toevoegen van woningen wordt als tegenprestatie 75 m2 extra groen per woning verwacht. Deze groennorm van 75 m2 dient als richtgetal voor een benodigde hoeveelheid recreatief groen in stedelijk gebied. De groennorm wordt toegepast voor alle initiatieven die een uitbreiding van het bestand aan woningen en appartementen tot doel hebben. De toepassing van de groennorm is uitgewerkt in 'Uitwerking groennorm Gemert-Bakel'. Eind 2024 is de groennorm geactualiseerd. Het doel van de Groennorm 2.0 is om de kwaliteit van de leefomgeving te garanderen door het stimuleren van de gezonde leefomstandigheden, klimaatrobuustheid en bevorderen van de biodiversiteit.

Per wooneenheid dient 'fysiek' 75 m2 groen met de eigenschap 'permanent openbaar toegankelijk' gerealiseerd te worden. Dit heeft vergaande consequenties voor de wijze van vormgeving en inrichting van het groen. Het te realiseren groen heeft door deze kwalificatie een blijvend, tenminste (semi-) openbaar karakter. Het groen hoeft niet per definitie eigendom van de gemeente te zijn (of te worden). Indien niet voorzien kan worden in de tegenprestatie is het mogelijk om een bedrag te storten in het Groenfonds. De mogelijkheid om geld te storten in het fonds dient als uitweg voor het geval dat een (gehele of gedeeltelijke) fysieke invulling van de groennorm onlogisch of onmogelijk is. Dit op basis van het beleid en afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De Groennorm 2.0 staat voor herontwikkellocaties en inbreidingslocatie een saldering met bestaande verhardingen toe en relateert de benodigde groennorm beter aan de omvang van het te ontwikkelen gebied.

Als de directe leefomgeving rondom een initiatieflocatie beschikt over voldoende groen, dan is het niet nodig om van het inbreidingsinitiatief een volwaardige fysieke invulling van de groennorm ter plekke van het initiatief te eisen. Een geschikt groen- of uitloopgebied is permanent (24/7) openbaar toegankelijk, kan bestaan uit recreatief ontsloten parken, groenzones, speelterreinen en trapveldjes. Ook het buitengebied kan geschikt zijn voor het maken van 'ommetjes' via openbare routes of zandpaden. De werkelijke loopafstand van 300 m (enkele afstand) naar omliggend groen of het buitengebied wordt als norm gehanteerd.

Toetsing

De ontwikkeling van Lodderdijk betreft een stedelijke inbreiding. Gezien de sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing is er sprake van een herontwikkeling. Derhalve geldt voor deze ontwikkeling de norm van 75 m² per wooneenheid minus sloop met correctie naar 25-50% van plangebied. Voor de berekening van de groennorm is de rekentool Groennorm 2.0 doorlopen, zie pagina 33 in bijlage 1.

Met de gecorrigeerde norm bestaat er een groennorm van 1.099 m² voor het plangebied. Uit de rekentool Groennorm 2.0 blijkt dat de ontwikkeling een groenscore heeft van 1.811,4 m2. Hieruit volgt dat met de beoogde groene inrichting voldoende kwalitatief groen wordt ontwikkeld en dat ruimschoots aan de groennorm wordt voldaan.

3.4.5 Conclusie

De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Fysieke leefomgeving

4.1 Ladder

4.1.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

4.1.2 Toetsing

Het geldende omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In dit geval geldt er voor de locatie een stedelijke bestemming (detailhandel). Er worden 31 woningen mogelijk gemaakt, bestaande uit 13 huurwoningen en 18 koopwoningen. Het toevoegen van 31 woningen wordt op deze plek gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat de locatie binnen het bestaand stedelijk gebied ligt, hoeft de locatiekeuze niet gemotiveerd te worden.

Beschrijving behoefte

De relevante regio voor wonen is De Peel binnen de regio Zuidoost-Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0015.jpg"

Figuur 4.1.1: Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017)

De woningbehoefte in de gemeente Gemert-Bakel blijkt uit diverse onderzoeken. Hierna worden deze onderzoeken beschreven.

Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2023

Tot 2050 komen er in Noord-Brabant nog ruim 225.000 huishoudens bij. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens meer dan 40% een eenpersoonshuishouden is. Vooral het aantal oudere alleenstaanden (75+) neemt sterk toe. De komende jaren wacht Brabant nog een flinke woningbouwopgave. Alleen al tot 2035 zal de woningvoorraad nog met 165.000 woningen moeten toenemen, oftewel zo'n 13.500 woningen per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en woningtekorten terug te dringen. De indicatie voor de gemeente Gemert-Bakel is 2.115 woningen in de periode 2023-2035.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0016.jpg"

Figuur 4.1.2: Indicatie toename woningvoorraad

Monitor Bevolking en Wonen (juni 2025)

De provincie Noord-Brabant heeft in haar laatste monitor Bevolking en Wonen een update gegeven wat betreft de benodigde capaciteit. De provincie heeft berekend dat er voor subregio de Peel in de periode 2024 tot en met 2033 totaal 6.735 woningen bij moeten komen. En er is harde plancapaciteit voor 1.965 woningen. In Gemert-Bakel gaat het om 2.000 woningen en een harde plancapaciteit voor 620 woningen.

Regionale afstemming Peelgemeenten

Binnen deze woonregio zijn de Woonafspraken De Peel gemaakt, die jaarlijks worden geactualiseerd. Deze woonafspraken zijn nu in uitvoering en vormen de leidraad waarlangs gewerkt wordt. Plannen worden onderling gedeeld en er vindt afstemming plaats over de woningbouw. De afspraken gaan onder andere over afstemming van uitbreidingslocaties, niet-traditionele woonvormen en de huisvesting van specifieke doelgroepen, waaronder arbeidsmigranten en doelgroepen die 'claims' leggen op Wmo-budget. Onderhavig plan ligt binnen bestaand stedelijk gebied en de harde plancapaciteit blijft lager dan de gemeentelijke bruto nieuwbouwopgave zoals opgenomen in de Woondeal Zuidoost-Brabant (max. 100% harde plancapaciteit).

Woningbouwversnelling

De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie om te groeien naar 35.000 inwoners. Groei biedt kansen om een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te blijven bieden. De woningbehoefte voor eigen inwoners van de gemeente is groot. In de periode 2022 tot en met 2032 wil de gemeente samen met ontwikkelaars 2.400 woningen realiseren. Om dit voor elkaar te krijgen heeft het college van B&W prioriteiten gesteld in de woningbouwprojecten die door de gemeente worden opgepakt.

Focus op de grotere woningbouwplannen

Er wordt volop ingezet op plannen die snel gerealiseerd kunnen worden en waarin het soort woningen wordt gebouwd waar in de gemeente behoefte aan is. Er is namelijk vooral behoefte aan betaalbare huur en koopwoningen voor starters, senioren en kleine huishoudens. Dit is daarom het soort woningen waarvoor de gemeente de komende 10 jaar de bouw stimuleert. De gemeente gaat aan de slag met circa 30 woningbouwprojecten, verdeeld over de zeven kernen van de gemeente. De gemeente focust op grotere woningbouwplannen. Het project Lodderdijk is één van de 15 projecten binnen de kern Gemert dat deel uit maakt van de geprioriteerde projecten. Aanvragen voor de bouw van een klein aantal woningen kosten namelijk veel tijd en leveren niet de gewenste snelheid op. Bij de afweging van woningbouwplannen geeft de gemeente Gemert-Bakel prioriteit aan het ontwikkelen van inbreidingslocaties. Binnen de kernen wordt verdicht met oog voor de leefbaarheid. Bij uitbreidingslocaties wordt ingestoken op afronding van de kernen met nieuwe aanbreidingswijken, waarbij kwaliteit voorop staat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0017.jpg"

Figuur 4.1.3: Woningbouwprojecten gemeente Gemert-Bakel (bron: gemeente)

Woonzorgvisie Gemert-Bakel 2020-2024

De kwalitatieve woningbehoefte is beschreven in de gemeentelijke visie 'Samen thuis in Gemert-Bakel, visie op wonen - zorg - welzijn' (november 2024), zogenaamd de woonzorgvisie. Ook zijn twee verordeningen vastgesteld waarin regels zijn opgenomen voor sociale woningbouw en middenhuur. In de gemeentelijke woonzorgvisie wordt bij de realisatie van de totale plancapaciteit gestreefd naar een verdeling over de verschillende marktsegmenten. De gemeente Gemert-Bakel bouwt versneld met balans in het woningaanbod voor iedere doelgroep, met de focus op starters en senioren. In het plangebied wordt daarbij aangesloten door 31 woningen voor diverse doelgroepen mogelijk te maken. De ontwikkeling maakt woningen mogelijk voor o.a. starters, ouderen en gezinnen. Het gaat om 31 grondgebonden, meerlaagse/ boven- en beneden woningen bestaande uit 18 koopwoningen en 13 huurwoningen. Met dit gevarieerd woningaanbod voor diverse doelgroepen in zowel koop- als huursegment sluit de ontwikkeling aan bij de woningbouwprogrammering uit de Woonvisie 2020-2024 en de opvolger daarvan, de Woonzorgvisie, zie paragraaf 3.4.3, en wordt er zorg gedragen voor evenwicht in de huidige woningmarkt. De segmentering van het woningbouwprogramma is verankerd in een met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst.

Woningbouwopgave Woondeal zuidoost-Brabant (mei 2025)

In de op 9 maart 2023 vastgestelde Regionale Woondeal Zuidoost-Brabant heeft het Rijk prestatieafspraken gemaakt met onder andere de provincies en gemeenten. Deze Woondeal zuidoost-Brabant is vigerend. Echter de woningbouwopgave is geactualiseerd naar 2025. Voor Gemert-Bakel wordt vooralsnog uitgegaan van de volgende (concept) woningbouwaantallen.

De minimale opgave 2022 t/m 2030 voor de gemeente Gemert-Bakel is 1.750 woningen. De aantallen uit de regionale Ontwikkelstrategie gelden de komende jaren als richtinggevende ambitie. De opgave 2025 - 2040 is in Gemert-Bakel 3.555 woningen. De gemeente Gemert-Bakel komt de regionale afspraken na en zorgt dat de minimale woningbouwbehoefte gerealiseerd wordt.

Conclusie behoefte

Het toevoegen van de beoogde woningen geeft invulling aan de woningbehoefte van diverse doelgroepen, waaronder starters en senioren.

4.1.3 Conclusie

De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte.

4.2 M.e.r.-beoordeling

4.2.1 Wettelijk kader

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.

Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen.

4.2.2 Toetsing

De realisatie van 31 woningen kan worden gezien als een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit, te weten categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is in dat geval geen mer-plicht van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk.

In de bijlagen bij deze motivering is deze mer-beoordeling opgenomen, zie Bijlage 2 Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Voorgaande betekent dat er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure. Op basis van deze aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.

4.2.3 Conclusie

Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.

4.3 Verkeer en parkeren

4.3.1 Wettelijk kader

Op het gebied van verkeer en vervoer stellen de Ow, het Bkl en de provinciale TAM-omgevingsverordening geen (instructie)regels. Verkeer en parkeren moeten bij een ruimtelijk plan dat activiteiten mogelijk maakt als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.


De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel, 2017'. Het plangebied is gelegen op de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Veiligheidshalve is er daarom voor gekozen om binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid uit te gaan van een ligging in het gebiedsprofiel 'Rest bebouwde kom overige kernen'.

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 744. Hierbij wordt voor het bepalen van de te hanteren kencijfers op basis van CBS data voor de gemeente Gemert-Bakel een stedelijkheidsgraad aangehouden van 'Matig stedelijk'. Voor de ligging van het plangebied wordt uitgegaan van 'Rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Gemert-Bakel, welke afkomstig zijn van het CBS, bij het bepalen van het juiste kencijfer, het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd.

4.3.2 Toetsing

Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017 (vastgesteld op 1 juni 2017, vanaf nu: Nota Parkeernormen) gaat wel op deze aspecten in. Naast het gemeentelijk beleid bieden de CROW-richtlijnen een belangrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangezien het richtlijnen betreft, kan er onderbouwd worden afgeweken. Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang.

4.3.2.1 Ontsluiting

De ontsluitingsstructuur van de projectlocatie is weergegeven in figuur 4.3.1.

Voetgangers

Het plangebied ligt in de uiterste noordoosthoek van een groot verblijfsgebied, waar de maximumsnelheid voor gemotoriseerd verkeer 30 km/u bedraagt. Dit gebied wordt in de omgeving van het projectgebied begrenst door de Lodderdijk in het noorden en de Burgemeester de Bekkerslaan in het oosten. De omliggende wegen en straten zoals de Town Major Drakestraat, Lodderdijk en Burgemeester de Bekkerslaan zijn voorzien van trottoirs. Langs de Town Major Drakestraat zijn deze met 1,20m wel smaller dan wenselijk.

De gebiedsontsluitingswegen Lodderdijk en Burgemeester de Bekkerslaan kruisen elkaar met een rotonde, direct aangrenzend aan het projectgebied. Daar zijn de wegen dan ook het veiligst over te steken. Oversteken wordt bemoeilijkt door het feit dat de rotonde, ondanks dat deze binnen de bebouwde kom ligt, niet is voorzien van zebrapaden.

Voor de ontsluiting te voet is het van groot belang dat er zich nuttige bestemmingen binnen redelijke loopafstand bevinden. Dat is het geval. Binnen ongeveer 500 meter van de projectlocatie kunnen bijvoorbeeld een huisartsenpraktijk, een basisschool, een sportschool, enkele sportverenigingen en een cultuurcentrum bereikt worden. Horeca en detailhandel is echter slechts zeer beperkt binnen loopafstand aanwezig. Al met al is de projectlocatie redelijk te voet ontsloten.

Fietsers

Van de projectlocatie naar het centrum en bijvoorbeeld vestiging Macropedius van de middelbare school Commanderij College gaat de snelste fietsroute over de Lodderdijk, die richting het westen overgaat in de Sint Annastraat. Deze weg is min of meer ingericht als GOW30-weg; De weg is met 6 meter niet te breed, is voorzien van elementenverharding, een asmarkering is achterwege gelaten en fietsers worden gefaciliteerd met een fietsstrook, intensiteiten gemotoriseerd zijn met 5 á 6.000 motorvoertuigen per etmaal passend voor het wegtype. Eén belangrijk aspect is echter niet conform de richtlijnen van een GOW-30-weg: de maximumsnelheid is 50 km/u. Maar vanwege de overige aspecten zal het gemotoriseerde verkeer vaak langzamer rijden. Overigens zijn er richting het centrum diverse alternatieve routes mogelijk over erftoegangswegen met veel lagere intensiteiten en een maximumsnelheid van 30 km/u die niet veel langer zijn dan de route over de Sint Annastraat.

De bedrijven in het noordoosten van Gemert zijn het snelst te bereiken via de Lodderdijk in noordoostelijke richting. In deze richting is de weg voorzien van vrijliggende fietspaden. Vanaf de Lodderdijk kan het bedrijventerrein via het solitaire fietspad langs de Molenbroekseloop of via de van vrijliggende fietspaden voorziene Scheiweg worden ingestoken, waardoor alle bedrijven op het terrein vlot en veilig per fiets bereikbaar zijn.

De projectlocatie ligt zo centraal in Gemert, en Gemert is dermate compact, dat zo goed als alle bestemmingen in Gemert binnen 2 kilometer fietsen bereikbaar zijn; een afstand waarbij veel mensen de fiets als vervoermiddel overwegen. Al met al is de projectlocatie goed per fiets ontsloten.

Openbaar vervoer

Gemert is per openbaar vervoer alleen met bussen ontsloten. De dichtstbijzijnde halte is halte Lodderdijk, welke direct naast de projectlocatie is gelegen Hiervandaan vertrekt 1 maal per uur bus 25 naar Helmond. Deze buslijn wordt bediend van 6:46 tot 18:51. De reis naar Helmond duurt ongeveer een half uur. Ook lijn 321 naar Eindhoven vertrekt vanaf deze halte, 2 keer per uur, maar wordt ook in de avond niet bediend.

Vanaf het Pastoor Poelplein vertrekken meer bussen, naar onder meer Uden, Eindhoven, Deurne en Helmond via een snellere route. Deze halte is op ongeveer 1 kilometer lopen van de beoogde ontwikkeling gelegen. De halte is voorzien van (gedeeltelijk overdekte) fietsenstallingen. Deze halte is vanaf Eindhoven tot na middernacht bereikbaar. Hiermee is de beoogde ontwikkeling per openbaar vervoer matig ontsloten. In combinatie met de fiets is de ov-bereikbaarheid redelijk.

MaaS

In Gemert zijn geen deelfietsen of -scooters beschikbaar. Wel is er een aanbod van deelauto's. OnzeAuto biedt deelauto's aan, waarvan de dichtstbijzijnde op ca. 400 meter van de beoogde ontwikkeling is gestationeerd, op de Alde Biezenstraat.

Auto 

De beoogde ontwikkeling is voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Town Major Drakestraat. Deze sluit aan op de Burgemeester de Bekkerlaan, vlak bij de kruising met de Lodderdijk. Via de Lodderdijk kan in westelijke richting het centrum van Gemert bereikt worden, en in oostelijke richting alle bestemmingen richting het noorden en oosten zoals Venray, Venlo of Nijmegen. Automobilisten met bestemmingen of herkomsten elders zullen meestal gebruikmaken van de Burgemeester de Bekkerlaan en het Heijtsveld om de N272 te bereiken. De rit naar het einde van de bebouwde kom is ongeveer 1,5km lang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0018.png"

Figuur 4.3.1: Ontsluiting per auto (rood) fiets (blauw) en enkele belangrijke bestemmingen voor voetgangers (groen)

4.3.2.2 Parkeren

Auto's

Om te bepalen of er in voldoende parkeergelegenheid is voorzien is het ontwerp getoetst aan de Nota Parkeernormen. Nota Parkeernormen voorziet in de mogelijkheid om de parkeerbehoefte die verdwijnt vanwege het opheffen van de activiteiten te af te trekken van de parkeerbehoefte die de realisatie van de woningen veroorzaakt (salderen).

Bovenstaande in acht nemend zijn de volgende stappen uitgevoerd om te toetsen of de beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen uit de parkeernota:

  • de normatieve parkeerbehoefte is berekend van de beoogde ontwikkeling door het aantal woningen per categorie te vermenigvuldigen met de parkeernorm die geldt voor deze categorie.
  • bovenstaande stap is herhaald voor de verdwijnende functies.

De relevante toe te voegen functies zijn koop, tussen/hoek koop appartement klein koop appartement groot huur, appartement klein. In de Nota Parkeernormen wordt een groot appartement gezien als een appartement met een oppervlakte van meer dan 100 m2 bvo.

Het aantal te realiseren parkeerplaatsen = (parkeerbehoefte op basis van nieuwe functie) minus (parkeerbehoefte van oude functie).

Normatieve parkeerbehoefte

In tabel 4.2 is de berekening weergegeven van het benodigde aantal te realiseren extra parkeerplaatsen. Dit aantal bedraagt 9. Dit aantal is berekend door is van de normatieve parkeerbehoefte van de beoogde situatie (49,6) de normatieve pareerbehoefte van de bestaande situatie (41,15) af te trekken.

Tabel 4.2: Parkeerbehoefte auto's

    norm per woning / 100m2 bvo   aantal   behoefte      
Beoogd programma1             
koop, tussen/hoek   1,8   4   7,2      
koop appartement klein   1,6   8   12,8      
koop appartement groot   1,9   6   11,4      
huur, appartement klein   1,4   13   18,2      
Totaal               49,6  
Bestaande situatie            
Kantoor (zonder baliefunctie)   2,3   -2   -4,6      
Bedrijf arbeidsintensief (industrie, laboratorium, werkplaats)   1,7   -21,5   -36,55      
Totaal               -41,15  
Saldo               8,45  

Momenteel zijn er op de projectlocatie 24 parkeerplaatsen aanwezig. Met de extra benodigde 9 parkeerplaatsen zijn er in totaal dus 33 parkeerplaatsen benodigd. Beoogd is om er 34 te realiseren op de projectlocatie. Daarnaast kan er 1 extra langsparkeerplaats worden gerealiseerd op de Town Major Drakestraat op de plaats waar zicht nu de uitrit van het perceel bevindt. De door de beoogde ontwikkeling veroorzaakte extra parkeerbehoefte wordt dus ruimschoots gefaciliteerd.

Aanvullend is een parkeerdrukmeting uitgevoerd om te onderzoeken of er in de omgeving voldoende vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn, zie Bijlage 3.

In onderstaande tabel staan de resultaten van de parkeerdrukmetingen van het parkeeronderzoek, uitgesplitst per onderzoekmoment. Gedetailleerde gegevens uitgesplitst per sectie en onderzoekmoment staan in bijlage I van het rapport en de overzichtskaarten met een visualisatie van de bezettingsgraad staan in bijlage II van het rapport.

Tabel Resultaten parkeerdrukmetingen

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0019.png"

Onderstaand een opsomming van de constateringen tijdens het parkeeronderzoek:

  • De hoogst gemeten bezettingsgraad in het onderzoeksgebied is 44% en is waargenomen op dinsdag 8 april 2025 om 10.00 uur.
  • Tijdens de hoogst gemeten bezettingsgraad zijn in het onderzoeksgebied 56 vrije parkeerplaatsen, 1 object en 1 foutparkeerder in de openbare ruimte waargenomen.
  • De laagst gemeten bezettingsgraad in het onderzoeksgebied is 18% en is waargenomen op donderdag 10 april 2025 om 20.00 uur.
  • Tijdens de laagst gemeten bezettingsgraad zijn in het onderzoeksgebied 80 vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte waargenomen.

Fietsen

Voor het berekenen van de benodigde stalling van fietsen is in de Nota Parkeernormen geen methodiek opgenomen, en voor woningen ook geen normen opgenomen. Om te bepalen of er voldoende en voldoende kwalitatieve stallingsmogelijkheden voor fietsen zijn beoogd is daarom gebruik gemaakt van de Fietsparkeerkencijfers 2025 van onderzoeksinstituut CROW en de Leidraad Fietsparkeren, ook van het CROW. Er is gebruik gemaakt van de kencijfers voor de rest van de bebouwde kom van een weinig stedelijk gebied. Volgens de Nota Parkeren is de gemeente Gemert-Bakel een gemeente waar het fietsgebruik gemiddeld is, wat volgens dezelfde nota aanleiding is om gebruik te maken van het midden van de bandbreedte van de kencijfers. In tabel 2 is de berekening weergegeven. Te zien is dat er behoefte is aan 126 stallingsplaatsen voor bewoners en 6 voor bezoekers. De stallingsbehoefte voor bewoners wordt bij voorkeur inpandig opgelost, in een goed bereikbare, maar tegen weer en wind beschermde en afsluitbare ruimte. Voor bezoekers zijn stallingsmogelijkheden in de buitenruimte wenselijk, dicht bij de bestemming, met aanbindmogelijkheden. Waar de stallingsmogelijkheid tekortschiet of op een onprettige of moeilijk vindbare locatie is geplaatst levert dat al snel wildstallen op.

Tabel: Stallingsbehoefte fietsen

  programma   kengetal bewoners   kengetal bezoekers   per   stallingsbehoefte bewoners   stallingsbehoefte bezoekers   programma  
Koop, huis, tussen/hoek   4   woning   5,00   0,2   woning   20,0   0,8  
Koop, appartement, <75 m² bvo   2   woning   3,25   0,2   woning   6,5   0,4  
Koop, appartement, 75-100 m² bvo   6   woning   4,25   0,2   woning   25,5   1,2  
Huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo   11   woning   3,25   0,2   woning   35,8   2,2  
Huur, appartement, sociale huur, 75-100 m² bvo   2   woning   4,25   0,2   woning   8,5   0,4  
Koop, appartement, >100 m² bvo   6   woning   5,00   0,2   woning   30,0   1,2  
          TOTAAL   126   6  

Fietsenstalling voor bewoners is gefaciliteerd in bergingen op de begane grond van gebouwen C en D. Iedere woning heeft een eigen berging van 5 á 6 m2. Hiermee is het voor iedereen mogelijk om fietsen veilig en beschermd tegen weer en wind te stallen. Daarnaast hebben de bewoners van de rijwoningen en de benedenwoningen de beschikking over eigen buitenruimte waar eventueel een fiets kan worden gestald. In figuur 2 zijn de locaties van de bergingen in blauw weergegeven. Hiermee is het stallen van fietsen voor bewoners voldoende gefaciliteerd.

Voor bezoekers zijn 2 stroken gereserveerd waar fietsen kunnen worden gestald. Deze zijn weergegeven met rode cirkels, en zijn ruim voldoende groot om 6 fietsen te kunnen stallen. De locaties zijn goed gekozen, georiënteerd op de belangrijkste fietsuitvalsroutes, en dichter bij de bestemming dan de autoparkeerplaatsen, maar ook op een plaats die het niet logisch maakt om met de fiets de collectieve binnenruimte in te rijden. Ervan uitgaande dat er een aanbindmogelijkheid wordt gerealiseerd is het stallen van fietsen van bezoekers voldoende gefaciliteerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0020.png"

Figuur 4.3.2: Voorzieningen voor het stallen van fietsen

4.3.2.3 Verkeersgeneratie

Met behulp van de kencijfers uit de meest recente publicatie van het CROW (744) is de te verwachten verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend. Conform de stedelijkheidsgraad van gemeente Gemert-Bakel is uitgegaan van de kencijfers voor een weinig stedelijk gebied. Als locatie binnen het gebied is 'rest van de bebouwde kom' gekozen. Het midden van de bandbreedte is aangehouden. Dit komt overeen met het autobezit in de gemeente, wat ten opzichte van gemeenten in Nederland met een vergelijkbare stedelijkheidsgraad gemiddeld is.

De resultaten zijn weergegeven in tabel 1. Te zien is dat het beoogde programma aanzienlijk minder verkeersbewegingen genereert dan het bestaande programma. Op de maatgevende werkdag is de verkeersgeneratie van de beoogde situatie 126 motorvoertuigen lager dan de bestaande situatie.

Tabel: Verkeersgeneratie beoogde situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0021.png"

Aangezien vanwege de beoogde ontwikkeling de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer in de omgeving afneemt, heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

4.3.3 Conclusie

De planlocatie is goed bereikbaar met alle modaliteiten, ook en vooral de meest actieve en duurzame modaliteiten lopen en fietsen. Door de afname van de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer vanwege de ontwikkeling is er geen negatief effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling te verwachten. Parkeren voor zowel auto's als fietsen is adequaat gefaciliteerd. Verkeer en parkeren vormen daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Ecologie: soortenbescherming

4.4.1 Wettelijk kader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Omgevingswet en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Omgevingswet voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

De Omgevingswet maakt onderscheid tussen bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en bepalingen met betrekking tot de bescherming van dier- en plantensoorten.

Soortenbescherming

De activiteit die een TAM-omgevingsplan mogelijk maakt en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.

Bij een wijziging van het omgevingsplan is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.

In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

4.4.2 Toetsing

Voor de beoogde ontwikkeling is in januari 2025 een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 4. Uit de resultaten van de quickscan kan het volgende geconcludeerd worden:

De veldonderzoeken, uitgevoerd in de dagperiode op 2 december 2024 en 7 januari 2025, zijn buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. De veldonderzoeken kunnen daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.

Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Deze zijn niet aangetroffen. Bij het veldbezoek voor de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. Er zijn geen kieren en openingen in de gevels van het bedrijfspand en de aansluitingen van de daken op de wanden zijn dichtgekit. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. Alhoewel dit een momentopname betreft, wordt de bedrijfsruimte, vanwege het ontbreken van de juiste verblijfsmogelijkheden, als weinig kansrijk beschouwd voor verblijfplaatsen voor fauna.

Door de sloop van het bedrijfspand en de hierop volgende nieuwbouw van woningen, wordt het karakter van het gebied niet beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden.

Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden.

4.4.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor beschermde soorten, een vergunning voor een flora en fauna activiteit is niet noodzakelijk. Wel dient rekening gehouden te worden met zorgmaatregelen tijdens sloop- en bouwwerkzaamheden.

4.5 Ecologie: gebiedsbescherming

4.5.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Een wijziging van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

Houtopstanden (bos)

Mocht de wijziging van het omgevingsplan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.

4.5.2 Toetsing

Natura 2000-gebieden

De beoogde ontwikkeling zal, gezien zijn ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden, waarschijnlijk geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling niet leidt tot significante negatieve effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Aanvullend is berekend of de bouw en het gebruik van de woningen stikstofdepositie veroorzaken op de gevoelige en overbelaste delen van Natura 2000-gebieden. Door middel van de meest recente AERIUS-rekentool is inzicht verkregen in de mogelijke toename van stikstof in de aanleg- en gebruiksfase, zie Bijlage 5. Uit de resultaten van de AERIUS-berekening kan het volgende geconcludeerd worden:

Met behulp van de vigerende Aerius Calculator (versie 2025.0.1), is de stikstofdepositie bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden, door de sloop van het bedrijfspand en de realisatie van de nieuwe woningen / appartementen aan de Lodderdijk 9 in Gemert.

Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2026. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet nabij Natuurnetwerk Nederland/ Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plangebied ligt op ruim 1,3 kilometer afstand van NNB. Hiermee kan geconcludeerd worden dat door de werkzaamheden geen NNB verloren gaat. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

Houtopstanden

De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, bovendien zijn binnen het plangebied geen bos en bomen van een dergelijke omvang aanwezig. De bomen op de onderzoekslocatie vallen dan ook niet onder de definitie houtopstanden. Het aspect houtopstanden is daarom niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling van woningbouw binnen de bebouwde kom van Gemert.

4.5.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden. Het aspect gebiedsbescherming vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.6 Bomen

4.6.1 Wettelijk kader

De te beschermen bomen en boomstructuren zijn opgenomen op de Groene Kaart van de gemeente Gemert-Bakel. Voor het kappen van bomen of (delen van) houtopstanden op de Groene Kaart is een ontheffing nodig. Ook voor het kappen van een boom binnen de structuurlijnen en groenvlakken zoals aangegeven op de Groene Kaart is een ontheffing nodig.

Als de aanvraag voor kap ingediend wordt omdat instandhouding van de boom niet langer verantwoord lijkt dan is aanvullend een rapportage noodzakelijk. Uit deze rapportage, opgesteld door een boomdeskundige (minimaal ETW gecertificeerd), blijkt dat de boom niet veilig in stand gehouden kan worden.

Daarnaast zijn in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan mogelijk bepalingen opgenomen of voor het kappen van een boom of houtopstand een omgevingsvergunning noodzakelijk is.

4.6.2 Toetsing

In en of nabij het plangebied zijn volgens de Groene Kaart beschermde bomen en groenstructuren aanwezig, zie figuur 4.6.1. Daarnaast geldt voor niet beschermde bomen een kapvergunningplicht bij bomen met een stamomvang groter dan 30 cm1 op 1,3 m1 hoogte boven het maaiveld.

Volgens de Groene Kaart van de gemeente Gemert-Bakel bevindt zich binnen het plangebied één waardevolle boom. Deze boom blijft behouden. Daarnaast grenst het plangebied aan de waardevolle groenstructuur van de Lodderdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0022.png"

Figuur 4.6.1 Uitsnede Groene Kaart Gemeente Gemert-Bakel met planlocatie rood omlijnd

Om de status van de (beschermde) bomen binnen en direct grenzend aan het plangebied in beeld te brengen, is een Bomen Effect Analyse (hierna: BEA) uitgevoerd, zie Bijlage 6. Uit de BEA blijkt dat plan niet van negatieve invloed is op beschermde bomen en groenstructuren. De beschermde boom wordt ruimtelijk ingepast. De niet beschermde boom binnen het plangebied (zie boom 1 op figuur 4.6.2) kan niet behouden blijven, deze boom zal gecompenseerd worden door de aanplant van een nieuwe boom. De niet beschermde bomen 6 t/m 11 op de perceelsgrens hebben een beperkte levensverwachting. Duurzame inpassing van deze bomen is niet mogelijk.

Naast de bomen is ook naar de vitaliteit van de hagen gekeken. Aanbevolen wordt om de bestaande hagen in te passen. Deze hagen zijn in het stedenbouwkundig plan opgenomen en worden geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0023.jpg"

Figuur 4.6.2 Advies behoud bomen (bron: Boomeffectanalyse)

Uit de BEA volgen verder verschillende adviezen om tijdens de werkzaamheden rekening te houden. Deze worden zo veel mogelijk meegenomen in de projectuitwerking. Tijdens de uitvoering van het planvoornemen zullen de bomen beschermd worden.

4.6.3 Conclusie

Het aspect 'bomen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit

4.7.1 Wettelijk kader

Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze activiteit alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het Bkl bevat omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide, lood, en fijn stof (PM10 en PM2,5) (artikel 2.3 t/m 2.6 Bkl). Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De omgevingswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel Omgevingswaarden stikstofdioxide en fijn stof

stof   toetsing van   omgevingswaarden  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Bestuursorganen kunnen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

"Niet in betekenende mate"(nibm)

Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) van 1,2 µg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Het gaat onder andere om het toelaten van:

  • gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
    • 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
    • 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van:
    • 1. ten hoogste 100.000 m² bij één ontsluitingsweg; en
    • 2. ten hoogste 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

4.7.2 Toetsing

De beoogde ontwikkeling maakt 31 woningen mogelijk aan Lodderdijk te Gemert. Gelet op het aantal woningen valt de ontwikkeling daarmee onder de standaardactiviteiten, zoals genoemd in artikel 5.54. Deze activiteiten dragen 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Om die reden is nader onderzoek met toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Lodderdijk is de maatgevende weg. Uit de tool blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0024.png"

Figuur 4.7.1 Toetspunt directe omgeving plangebied rood omcirkeld met plangebied room omkaderd (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)

Tabel Concentraties NO2

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0025.png"

Tabel Concentraties PM10 

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0026.png"

Tabel Concentraties PM2,5

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0027.png"

4.7.3 Conclusie

De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect 'Luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

4.8.1 Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. Geluid kan afkomstig zijn van (spoor)wegen, industrieterreinen en andere activiteiten. In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. In de volgende paragraaf (4.9) komt geluid vanwege activiteiten aan bod.

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 5.6. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.6. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:

  • bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;
  • bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);
  • bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;
  • bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;
  • bij een niet-geluidgevoelige gevel.

Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.

Tabel Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0028.jpg"

4.8.2 Toetsing

Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeersweglawaai uitgevoerd, zie Bijlage 7. In het onderzoek is de ontwikkeling getoetst aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en is aangegeven wat hiervan de consequenties zijn. Hierbij is rekening gehouden met het geluid door wegen op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Op basis van de resultaten is beoordeeld of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is vervolgens beoordeeld of voor de ontwikkeling extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.

Besluit kwaliteit leefomgeving / geluidbeleid gemeente Gemert

Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de standaardwaarden en maximale grenswaarden dient per geluidbron (gemeentelijke of rijks-wegen) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De standaardwaarde bedraagt voor gemeentelijke wegen 53 dB voor nieuwe woonfuncties. Verder bedraagt de grenswaarde 70 dB.

Met uitzondering van oostgevel van woonblok 3, wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Op de oostgevel van woonblok 3 bedraagt het gezamenlijke geluid 54 dB.

Op de locatie zijn geen maatregelen reëel in de vorm van bronmaatregelen of afschermende maatregelen, vanwege verkeerskundige, stedenbouwkundige en financiële redenen. Alle woningen beschikken over een geluidsluwe gevel en een buitenruimte aan een geluidsluwe zijde van het gebouw. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid.

Door een gevelwering van minimaal 21 dB bij woonblok 3, wordt het woon- en leefklimaat binnen de woningen geborgd.

Ter plaatse van woonblok 3 is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwering' opgenomen in de plankaart. Met een planregel wordt geborgd dat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid en dat het binnenniveau voldoet.

Geconcludeerd kan worden dat uit akoestisch oogpunt er geen belemmeringen bestaan tegen de realisatie van de woningen.

4.8.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Geluid door activiteiten

4.9.1 Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. In deze paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod.

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in de tabellen 5.7 en 5.8 (instructieregels Bkl).

Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   70 dB(A)   70 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   65 dB(A)   65 dB(A)  

Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)  
4.9.2 Toetsing

Met de beoogde ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt, waarmee sprake is van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De locatie is grotendeels omgeven door woningen. Ten noorden van het plangebied vinden activiteiten plaats die mogelijk geluid veroorzaken. Dit zijn sportcomplex Molenbroek en de sportschool aan de Vicaris van der Asdonckstraat. Beide activiteiten worden van het plangebied gescheiden door de Lodderdijk en groene inrichting.

Sportcomplex Molenbroek ligt circa 40 meter ten noorden van het plangebied. Op het sportcomplex vinden verschillende sporten plaats. De activiteiten op de atletiekbaan liggen op een afstand van minimaal 80 meter het dichts bij het plangebied. Gezien de afstand vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de beoogde geluidgevoelige gebouwen.

De sportschool ligt aan de Vicaris van Asdonckstraat samen met andere indoor sportactiviteiten. Deze activiteiten vinden plaatst op meer dan 50 meter afstand van het plangebied. Gezien de afstand en de indoor activiteiten vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de beoogde geluidgevoelige gebouwen.

In de directe omgeving van de projectlocatie liggen verder geen geluidsveroorzakende bronnen.

4.9.3 Conclusie

Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen. Het aspect 'geluid door activiteiten' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Geluid van installaties

4.10.1 Wettelijk kader

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) stelt regels aan het geluid van uitpandig geplaatste installaties voor warmte- en koudeopwekking. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in:

  • het geluid op aangrenzende percelen met een woonfunctie (artikel 4.107 lid 2), en;
  • het geluid ter plaatse van andere woonfuncties op hetzelfde perceel (artikel 4.108 lid 3).

Het geluid van een installatie bedraagt ten hoogste 40 dB op de perceelsgrens van een naastgelegen woonperceel en/of ter plaatse van een te openen geveldeel van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woonfunctie op hetzelfde perceel. Elke nieuw te plaatsen installatie ten behoeve van een nieuwe woonfunctie in het plangebied moet voldoen aan deze regels.

Aan het gecumuleerd geluid als gevolg van meerdere uitpandige installaties ter plaatse van omliggende woonfuncties worden geen wettelijke grenswaarden gesteld. In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet onderbouwd worden dat het gecumuleerd geluid aanvaardbaar is.

In deze paragraaf wordt alleen onderbouwd dat het gecumuleerde geluid als gevolg van meerdere uitpandige installaties ter plaatse van omliggende woonfuncties aanvaardbaar is. Iedere afzonderlijke installatie moet zonder meer voldoen aan de eisen uit het Bbl. Dat betekent dat ter plaatse van de erfgrens tussen twee woningen een niveau van ten hoogste 40 dB(A) mag optreden, gemeten op 1,5 meter boven de onderkant van de betreffende installatie.

4.10.2 Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van 4 blokken woningen zie figuur 4.10.1. Omliggende bestaande woonfuncties zijn geel gemarkeerd.

  • afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0029.png"

Figuur 4.10.1 Omliggende bestaande woonfuncties

Blok A

Voor Blok A geldt dat installaties geplaatst worden in de dakconstructie, het afgeknotte deel (dakvorm, zie '1' in onderstaande figuur). De installaties worden bouwkundig afgeschermd en zijn aan het zicht onttrokken. In totaal worden er 4 installaties geplaatst (één per woning). De installaties worden per woning gecentreerd geplaatst zodanig dat er geen sprake is van resonantie. De installaties worden op een betonnen vloer met akoestische dempers geplaatst. De dakvorm steekt nog minimaal 30 cm boven de installatie uit en deze dakvorm wordt aan de beide zijkanten bekleed met akoestisch materiaal. De kopse kanten van het bouwblok worden eveneens afgeschermd, zodat een doosconstructie ontstaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0030.png"

Figuur 4.10.2 Afbeelding Blok A

Het bronvermogen van warmtepompen is door middel van Europese regelgeving beperkt tot ten hoogste 70 dB(A) voor pompen van 6 tot 12 kW, en 65 dB(A) voor pompen tot 6 kW. Een installatie heeft conform gangbare marktinstallaties een representatief bronvermogen van circa 58–60 dB(A) per installatie. Indien meerdere installaties gelijktijdig in bedrijf zijn, leidt energetische optelling in theorie tot een toename van het totale geluidniveau van ten hoogste 6 dB, ervan uitgaande dat de vier installaties pal naast elkaar zijn geplaatst. Dat is hier niet het geval.

Geluidreductie vanwege de maatregelen

De hierboven beschreven bouwkundige inpassing heeft een aantoonbaar geluidreducerend effect, met name door:

  • afscherming van directe geluiduitstraling;
  • beperking van reflectie en richtingswerking;
  • positionering buiten directe zichtlijnen.

Maximaal bronvermogen vanwege art. 4.107 Bbl

Blok A heeft, gemeten op de noklijn, een lengte van 20 meter. Uitgaande van 4 warmtepompen met een onderling gelijke afstand tot elkaar, is elke warmtepomp geplaatst op circa 2,5 meter van de erfgrens. Volgens formule 2.10 van het reken- en meetvoorschrift (bijlage IVh Or) is het bronvermogen dan maximaal circa 57 dB(A).

Geluidreductie vanwege de afstand

De kortste afstand tussen de woning Lodderdijk 5 en de dichtstbij gepositioneerde warmtepomp van Blok A bedraagt hemelsbreed circa 8 meter. Deze gevel is bovendien geplaatst op de erfgrens. Uitgaande van het eerder bepaalde bronvermogen van 57 dB(A) bedraagt het geluidsniveau ter plaatse van de gevel dan 34 dB(A). Ervan uitgaande dat alle warmtepompen voor Blok A op dezelfde positie zijn geplaatst én tegelijkertijd zijn ingeschakeld, bedraagt het gecumuleerd geluid 34 + 6 = 40 dB(A). Dit is gelijk aan de grenswaarde voor 1 installatie volgens het Bbl. Gelet op de afstand tot de overige woonblokken (29 meter tot blok B) is de bijdrage van de warmtepompen van die blokken verwaarloosbaar te noemen. In deze berekeningen is geen rekening gehouden met de verticale weglengte en de eerder benoemde afschermende dakconstructie rond de warmtepompen. Het daadwerkelijk geluid zal beduidend lager zijn.

Blok B

Voor Blok B geldt eveneens dat installaties geplaatst worden in de dakconstructie, het afgeknotte deel (dakvorm). De installaties worden bouwkundig afgeschermd en zijn aan het zicht onttrokken. In totaal worden er 12 installaties geplaatst (één per woning). De installaties worden per tweetal geplaatst. De installaties worden op een betonnen vloer met akoestische dempers geplaatst. De dakvorm steekt nog minimaal 30 cm boven de installatie uit en deze dakvorm wordt aan de beide zijkanten bekleed met akoestisch materiaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0031.png"

Figuur 4.10.2 Afbeelding Blok B

Voor Blok B ligt de meest nabijgelegen bestaande woning op circa 25 m. ligt. Het betreft de woning Burgemeester de Bekkerlaan 63.

Maximaal bronvermogen vanwege art. 4.107 Bbl

Blok A heeft, gemeten op de noklijn, een lengte van circa 38 meter. Uitgaande van 6 duo's warmtepompen met een onderling gelijke afstand tot elkaar, is elke warmtepomp geplaatst op circa 3,2 meter van de erfgrens. Volgens formule 2.10 van het reken- en meetvoorschrift (bijlage IVh Or) is het bronvermogen dan maximaal circa 59 dB(A).

Geluidreductie vanwege de afstand

Uitgaande van een bronvermogen van 59 dB(A) bedraagt het geluidsniveau als gevolg van 1 warmtepomp op 25 meter afstand circa 24 dB(A). Ervan uitgaande dat alle warmtepompen voor Blok B op dezelfde positie zijn geplaatst én tegelijkertijd zijn ingeschakeld, bedraagt het gecumuleerd geluid 24 + 10log(12) = 35 dB(A). Dit is lager dan de grenswaarde uit het Bbl voor een enkele installatie.

Voor Blok C, 13 woningen, wordt gekozen voor één gezamenlijke buitenunit op maaiveld. De unit wordt geplaatst ter plekke van het plantsoen aan de zijde van de Burgemeester de Bekkerlaan. De unit wordt akoestisch afgeschermd (omhulsel) en wordt landschappelijk ingepast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0032.png"

Figuur 4.10.2 Situatie Blok C

De woningen Burgemeester de Bekkerlaan 54 ligt het meest nabij. Gelet op de tussengelegen verkeersfunctie is geen sprake van naastgelegen percelen met een woonfunctie in de letterlijke taalkundige betekenis. De afstand van gevel tot gevel is circa 15 m. Uitgaande van deze afstand bedraagt het bronvermogen van de gezamenlijke installatie ten hoogste 73 dB(A). Dit is hoger dan het toegestane bronvermogen volgens CE-markering. Het bronvermogen van warmtepompen is door middel van Europese regelgeving beperkt tot ten hoogste 70 dB(A) voor pompen van 6 tot 12 kW, en 65 dB(A) voor pompen tot 6 kW. Het geluid op de gevel zal daarom lager zijn dan de grenswaarde volgens het Bbl aangezien één enkele installatie moet voldoen aan artikel 4.107 lid 2 en artikel 4.108 lid 3 Bbl (van cumulatie is geen sprake).

Voor Blok D geldt dat de installaties inpandig worden gerealiseerd en er geen directe geluidemissie naar buiten optreedt, of dat deze verwaarloosbaar is te noemen.

4.10.3 Conclusie

Individuele installaties moeten voldoen aan het Bbl. Aan het gecumuleerd geluid als gevolg van meerdere uitpandige installaties ter plaatse van omliggende woonfuncties worden geen wettelijke grenswaarden gesteld. In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet onderbouwd worden dat het gecumuleerd geluid aanvaardbaar is.

Voor blok A en B geldt dat de installaties bouwkundig afgeschermd worden, uit het zicht worden geplaatst en dat er akoestische maatregelen worden getroffen. Op basis van een kwalitatieve beoordeling wordt geconstateerd dat het gecumuleerde geluid op de omliggende woningen aanvaardbaar.

Voor Blok C wordt één buiteninstallatie geplaatst. Deze installatie moet voldoen aan het Bbl. Bij Blok D worden de installaties inpandig gerealiseerd en is er geen directe geluidsemissie naar buiten, of is deze verwaarloosbaar.

4.11 Geur

4.11.1 Wettelijk kader

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt.

Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.

In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).

4.11.2 Toetsing

Op een afstand van circa 770 meter van de projectlocatie ligt ten noordoosten een veehouderij voor vleesvee. In het verlengde van deze veehouderij ligt een veehouderij voor vleesvarkens op een afstand van circa 1,1 kilometer.

In artikel 22.3.12 van de bruidsschat is bepaald dat tussen een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een veehouderij met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet geen geuremissiefactor geldt (zoals melkvee en paarden), een vaste afstand van 100 meter moet worden aangehouden. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0033.png"

Figuur 4.11.1 uitsnede KDR kaart met het plangebied rood omcirkeld (Bron: I-GO)

Op basis van de geurkaart van de GGD is de achtergrondbelasting op het plangebied bepaald, zie figuur 4.11.2. De projectlocatie valt binnen de categorie 'Goed'. Hiermee kan gesteld worden dat de geurbelasting op de planlocatie goed is en er sprake is van een gezond woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0034.png"

Figuur 4.11.2 Achtergrondbelasting geur (Bron: GGD)

Geur van overige activiteiten

Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen.

De meest nabij gelegen bedrijfsmatige activiteiten (Sportschool aan de Vicaris van Asdonckstraat en sportcomplex Molenbroek) veroorzaken geen geur. In de directe omgeving van het plangebied vinden verder geen activiteiten plaats die geur veroorzaken en daarmee kunnen leiden tot geurhinder op de beoogde geurgevoelige woningen. Ook de ontwikkeling zelf zorgt niet voor geurhinder op geurgevoelige gebouwen.

4.11.3 Conclusie

Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Omgevingsveiligheid

4.12.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Daarnaast is in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crisissen rekening gehouden wordt met het belang van:

  • a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
  • b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en
  • c. de geneeskundige hulpverlening.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

Groepsrisico/aandachtsgebieden

Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Kwetsbare functies

Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:

  • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig?
  • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen?
  • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.

Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.

4.12.2 Toetsing

In figuur 4.12.1 is te zien welke risicobronnen er in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Uit de figuur blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied waarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied voor explosie, brand of gifwolk van een risicobron in de omgeving. Dit levert dan ook geen belemmeringen op.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0035.png"

Figuur 4.12.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

4.12.3 Conclusie

Met het oog op bovenstaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Cultureel erfgoed

4.13.1 Wettelijk kader

Besluit kwaliteit leefomgeving

Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Gemeentelijk beleid

Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie.

4.13.2 Toetsing
4.13.2.1 Archeologie

Het beleidsplan archeologie van de gemeente is vertaald in de diverse bestemmingsplannen, zo ook in het voor het plangebied geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011' en daarmee het nu geldende omgevingsplan. Hierin is voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen, zie paragraaf 1.3. Binnen deze dubbelbestemming mogen alleen bouwwerken gebouwd worden tot een oppervlakte van respectievelijk maximaal 2.500 m2 en niet dieper dan 0,40 meter onder maaiveld. In 2016 is het archeologische beleid van de gemeente aangepast. De archeologische waarde is in 2016 echter niet aangepast ten opzichte van 2011, daarmee zijn de voorwaarden uit de opgenomen dubbelbestemming gelijk aan het geldende archeologiebeleid.

De dubbelbestemming is enkel gelegen rond de bestaande bebouwing. De grond onder de bestaande bebouwing is reeds geroerd en vrijgegeven. Het beoogde planvoornemen voorziet niet in bodemingrepen binnen de archeologische dubbelbestemming groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,40 meter onder maaiveld. Een archeologisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Ter bescherming van mogelijke archeologische resten in de grond blijft de dubbelbestemming rond de bestaande bebouwing echter van kracht. Indien alsnog bodemingrepen plaatsvinden met een omvang groter dan 2.500 m2 én dieper dan 0,40 m onder maaiveld is op basis van deze dubbelbestemming een omgevingsvergunning noodzakelijk.

4.13.2.2 Cultuurhistorie

Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024, zie figuur 4.13.1, van de provincie Noord-Brabant is beoordeeld of er cultuurhistorische waarden aanwezig zijn binnen de planlocatie. Op de kaart is te zien dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied. De meest nabij gelegen historische route betreft de Lodderdijk. Deze cultuurhistorische structuur wordt met het projectvoornemen in stand gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0036.png"

Figuur 4.13.1 cultuurhistorische waarden in en direct rond het plangebied

4.13.3 Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie heeft geen impact op beoogde ontwikkeling.

4.14 Bodem

4.14.1 Wettelijk kader

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:

  • 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  • 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);
  • 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.14.2 Toetsing

Om te beoordelen of de bodemkwaliteit binnen het plangebied geschikt is voor de beoogde functie, wonen, is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat op de locatie meerdere bodemonderzoeken zijn uitgevoerd.

Uit het onderzoek blijkt dat de resultaten overeen komen met eerdere metingen/resultaten. De vervolgstappen voor de daadwerkelijke bodemsanering worden nader uitgewerkt. 

Bij de eerder in het gebied uitgevoerde bodemonderzoeken is een bodemverontreiniging met VOCl aangetoond. Deze verontreiniging is vermoedelijk ontstaan uit één bron. Dit betreft de voormalige chemische wasserij ter plaatse van de Lodderdijk 9 te Gemert, waar tussen 1958 en 1988 kleding chemisch gereinigd werd. Hierbij werd vooral gebruik gemaakt van tetrachlooretheen (per) en trichlooretheen (tri). Uit de periode waarin chemisch gereinigd werd, kan worden afgeleid dat de verontreiniging is ontstaan voor 1988.

De bodemverontreiniging gaat met VOCL gesaneerd worden om het voorgenomen plan mogelijk te maken, waarbij geen (humane) risico's mogen achterblijven voor het toekomstige gebruik 'Wonen'. In Bijlage 12 is de beschikking nader onderzoek en saneringsplan opgenomen.

Het verkennend bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707 wordt uitgevoerd zodra de bestaande bebouwing gesloopt is en voordat de bodem gesaneerd wordt, aangezien het saneringsplan gewijzigd kan worden aan de hand van de resultaten van het bodemonderzoek. Hierna wordt een plan van aanpak opgesteld met betrekking tot fase 2 van de sanering VOCL en eventuele andere verontreinigingen. Dit plan van aanpak wordt ter instemming voorgelegd aan de ODZOB.

4.14.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling mits de noodzakelijke bodemsanering uitgevoerd wordt voorafgaand aan het beoogde gebruik.

4.15 Ontplofbare oorlogsresten

4.15.1 Wettelijk kader

Bij ontwikkelingen waar na de Tweede Wereldoorlog nog niet in de grond is geroerd en geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, is een kans aanwezig dat nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. In het kader van aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw gebouw stemt de initiatiefnemer met de gemeente Gemert-Bakel af of en in hoeverre een detectie-onderzoek voor de betreffende bouwlocatie noodzakelijk is.

4.15.2 Toetsing

Het mogelijk treffen van onontplofte oorlogsresten betreft een uitvoeringsaspect. Indien één of meerdere conventionele explosieven (CE) in de bodem zijn achtergebleven is dat een risico voor betrokken personeel in de uitvoeringsfase (Arbo-veiligheid). Daarnaast kan een risico ontstaan in het kader van de openbare orde en publieke veiligheid. Bij het bepalen van risico's die ontstaan door het uitvoeren van werkzaamheden in een gebied waar mogelijk CE zijn achtergebleven, betreft dit een gecombineerde verantwoordelijkheid in het kader van de 'openbare orde en publieke veiligheid' en 'Arbo-veiligheid'. Bovendien kan na het aantreffen van CE stagnatie ontstaan.

In het kader van de ruimtelijke procedure, bij de afweging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, vormt dit aspect dan ook niet direct voor een belemmering. Bovendien is de bodem van de projectlocatie reeds grotendeels geroerd. Hiermee kan gesteld worden dat in het verleden eventueel aanwezige onontplofte oorlogsresten al zijn gevonden en nu niet meer aanwezig zijn. Desondanks geldt de zorgplicht, wat inhoudt dat stel er worden oorlogsresten gevonden met de realisatie van het planvoornemen, deze gemeld wordt bij het bevoegd gezag. Vanuit het thema ontplofbare oorlogsresten is het dan ook aanvaardbaar de betreffende functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.

4.15.3 Conclusie

Het aspect 'onontplofbare oorlogsresten' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.16 Water

4.16.1 Wettelijk kader

Provincie Noord-Brabant

Regionaal Water en Bodem Programma

Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden.

Het doel van het RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Met de ambitie dat Brabant in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem heeft, dat bestand is tegen extremen. Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen:

  • Voldoende water: Niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen.
  • Schoon water: Schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden.
  • Veilig water: Veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem.
  • Vitale bodem: Vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productiever mogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit.
  • Klimaatadaptatie: Aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid.

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vervangt onder meer de Verordening ruimte, Verordening water en Provinciale milieuverordening. In de Omgevingsverordening staan regels omtrent waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden en zijn gebieden aangewezen als reserveringsgebied voor waterberging.

Deze gebieden worden ingezet om wateroverlast uit regionale watersystemen (beken, waterlopen) tegen te gaan. Voorts zijn normen opgenomen voor regionale waterkeringen, wateroverlast, de beoordeling van de waterveiligheid, afspraken over het beheer van wateren, waterwegen en waterkeringen, peilbesluiten en planvorming. Ook zijn milieuregels opgenomen die het drinkwater moeten beschermen. Het grondwater rond de Brabantse drinkwaterwinningen worden beschermd met speciale zones, waarbinnen bepaalde activiteiten beperkt of niet zijn toegestaan zonder vergunning.

Waterschap Aa en Maas

Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Waterbeheerplan 2022-2027 (WBP)

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027 (WBP). In het Waterbeheerplan staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:

  • Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:

  • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
  • de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
  • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
  • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; waterschapsverordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)

Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico's voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater:

  • Opnieuw gebruiken;
  • Vasthouden / in laten trekken in de grond;
  • Water bergen;
  • Afvoeren naar sloten of rivieren;
  • Afvoeren naar een riool.

Waterschapsverordening

De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing.

In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: 'Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam'). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij:

  • Het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
  • de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of;
  • de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
  • De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:

  • De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
  • Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha;
  • De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
  • Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist.

Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.

Gemeente Gemert-Bakel

Het waterbeleid van de gemeente Gemert Bakel is vast gesteld in het Gemeentelijk watertakenplan (GWTP). In het GWTP zijn de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater uitgewerkt. De gemeente houdt bij de (her)inrichting van de openbare ruimte rekening met de verwerking van extreme neerslaghoeveelheden. Nieuwe ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd. De initiatiefnemer is daarbij zelf verantwoordelijk voor de verwerking van regen- water op eigen terrein om versnelde afvoer van hemelwater te voorkomen wordt compensatie geëist. Vanuit de gemeente wordt voor de waterberging die binnen een ontwikkeling dient te worden gerealiseerd de volgend eisen gehanteerd:

  • De waterbergingsvoorziening moet 60 liter per m2 verhard oppervlak probleemloos kunnen bergen.
  • De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 I/s/ha zijn (conform beleid van het waterschap).
  • De voorziening moet binnen 5 dagen leeggelopen zijn.
  • De voorziening moet controleerbaar zijn op de werking (dus zichtbaar of toegankelijk).
  • De voorziening moet de mogelijkheid hebben tot reinigen, inspectie en onderhoud.
  • De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).
  • De voorziening voor het hemelwater moet altijd zodanig ontworpen worden dat het bijdraagt aan het verminderen van piekafvoeren en niet leidt tot wateroverlast.
  • Het aan te leggen systeem in een situatie waar meerdere woningen/bedrijven worden gerealiseerd, dient te worden getoetst op bui9 en bui10 +10% van de kennisbank riolering en extreme buien (stresstest).
  • De aanwezigheid van een overloopvoorziening (bij voorkeur bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is.

4.16.2 Toetsing

Hoogteligging

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van 16,50 m +NAP. In onderstaande figuur is een uitsnede van het AHN weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0037.png"

Figuur 4.16.1 Uitsnede AHN (Bron: AHN_5)

Bodem 

Het plangebied ligt volgens de bodemkaart van Nederland, in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een hoge zwarte enkeergrond (zEZ21), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand.

Op basis van een uitgevoerd bodemonderzoek (Tritium, 2501081TB-01, versie 0, zie bijlage 8), blijkt de bodem binnen het plangebied overwegend te bestaan uit zwak siltig matig fijn zand. Tussen 1,0 en 2,5 meter beneden maaiveld zijn lokaal sterk humeuze, zwak tot sterk zandige leemlagen aangetroffen. De eerste meter vanaf maaiveld is de bodem bovendien matig humeus. Lokaal wordt de humeuze bodemlaag dieper waargenomen.

Bij de eerder in het gebied uitgevoerde bodemonderzoeken als ook tijdens het onderzoek van Tritium is een bodemverontreiniging met VOCl aangetoond. De grondverontreiniging beperkt zich tot het perceel van de wasserij (bronlocatie) en strekt zich uit over een oppervlakte van circa 515 m². Als gevolg van het gebruik is op de locatie ook een omvangrijke grondwaterverontreiniging ontstaan. De omvang van de grondwaterverontreiniging is voldoende afgeperkt en bevindt zich in diverse trajecten. Uit onderzoek is gebleken dat zowel bij het huidige gebruik en toekomstige gebruik sprake is van onaanvaardbare risico's voor de verspreiding in het grondwater. Omdat bij het huidige gebruik en het toekomstige gebruik van de locatie sprake is van onaanvaardbare risico's wordt de locatie gesaneerd. Totdat de sanering is uitgevoerd, geldt op de bronlocatie een verbod op graafwerkzaamheden zonder melding bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. In aanvulling hierop is voor de locatie van de hele verontreiniging, zonder melding bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming, een verbod van toepassing op het onttrekken van grondwater binnen de interventiewaarde contour van de grondwaterverontreiniging.

 

Waterdoorlatendheid

Een regenwaterberging moet binnen 1 tot 5 dagen weer volledig beschikbaar zijn. Lediging van de regenwaterberging gebeurt bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Afvoer op oppervlaktewater of regenwaterriolering is mogelijk als infiltratie niet mogelijk is. Om meer inzicht te krijgen in de lokale waterdoorlatendheid van voorkomende bodemlagen is op locatie één doorlatendheidsmetingen uitgevoerd in de onverzadigde zone (M & A Bodem & Asbest BV, 225-GLo9-wi-v1). De veldmetingen zijn uitgevoerd middels de zogenaamde Porchet-methode (omgekeerde boorgatmethode). Ten behoeve van het meten van de waterdoorlatendheid is één boring geplaatst tot 2 meter beneden maaiveld. Vervolgens is in het boorgat een dichte pijp (diameter 7 cm) geplaatst, welke alleen aan de onderzijde en bovenzijde open was. Nadat het boorgat diverse keren is gevuld met water (voornatting), is vervolgens de daling van het waterpeil gemeten. Met deze meting is de verticale infiltratiesnelheid bepaald. Vervolgens is de pijp uit de boorgaten verwijderd en is dezelfde procedure herhaald met het vullen met water. Ook hierna is de daling van het water gemonitord, waarmee de horizontale infiltratiesnelheid is bepaald.

Uit onderzoek is gebleken dat de verticale waterdoorlatendheid is te verwaarlozen. Voor de horizontale waterdoorlatendheid is ene k-waarde gemeten van 1,6 m/dag. Op basis van deze waarde is door M & A Bodem & Asbest BV geconcludeerd dat de in het veld gemeten infiltratie-snelheid voldoende is om het hemelwater succesvol af te voeren naar de bodem. Vanwege de aanwezige verontreinigingssituatie is het echter niet toegestaan om op locatie hemelwater te infiltreren.

Grondwater 

Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).

In de omgeving van het plangebied zijn binnen de beschikbare literatuur (BRO-loket en Grondwatertools) enkele grondwaterpeilbuizen gelegen. De beschikbare gegevens zijn geïnterpoleerd naar het plangebied. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in westelijke richting. Op basis van de gegevens van de grondwaterpeilbuizen uit de omgeving alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor het plangebied ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op 15,75 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op 0,75 tot 0,85 m -mv bevinden.

Ten behoeve van de uitvoering van het bodemonderzoek (Tritium, 2501081TB-01, versie 0) is op 14 april 2024 in acht peilbuizen de grondwaterstand gemeten. Op 14 april 2024 is een grondwatertand gemeten tussen de 0,21 en de 1,23 meter beneden maaiveld.

Peelrandbreuk

Volgens de geologische (breuken)kaart van de provincie Noord-Brabant bevinden zich in de omgeving van Gemert meerdere breuken, waaronder de Peelrandbreuk. De Peelrandbreuk is een geologische breukzone in Limburg en Noord-Brabant. De breuk loopt in Nederland grofweg van Roermond tot Oss. Oostelijk van de breuk ligt de Peelhorst (horsten), die omhoog gedrukt wordt en ten westen ligt de Roerdalslenk (slenken), die langzaam daalt.

De grondwaterstroom vanaf de hoge Peelhorst kan bij de breuklijn stagneren vanwege de overgang van grof naar fijn zand.

Daardoor kunnen, als gevolg van lokaal hogere grondwaterstanden, de hoger gelegen horsten toch aanzienlijk natter zijn dan het lager gelegen landschap in de slenk. Door het hoogteverschil kan er dan een flinke waterdruk ontstaan, die het grondwater bij de breuk omhoog stuwt. In sommige gebieden is de druk dusdanig hoog dat sterke kwel optreed en water tot aan maaiveld reikt. Dit wordt wijst genoemd en is er sprake van wijstgronden. Volgens de Atlas van de Provincie Noord-Brabant ligt de Peelrandbreuk ten zuiden van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen wijstgronden aangeduid.

Oppervlaktewater 

Op basis van de leggerkaart van waterschap Aa en Maas is in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater gelegen.

Veiligheid (waterkering)

Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.

Klimaat

Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn door de gemeente gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt. Met behulp van de kaarten uit de klimaatstresstest kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme buien van respectievelijk 44 mm, 70 mm, 90 mm en 160 mm. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag.

De onderstaande figuren laten voor het plangebied en omgeving het resultaat van de klimaatstresstest zien voor een bui van 70 mm in 1 uur en 160 mm in 2 uur.

Uit de testen (onderstaande figuren 2 en 3) blijkt dat het plangebied bij kortdurende en extreme neerslag gevoelig is voor wateroverlast van afstromend hemelwater uit de omgeving. Met name bij een extreme situatie van 160 mm in 2 uur kan hemelwater vanuit de omgeving het plangebied op stromen. De rondom liggende wegen zijn in beide situaties niet meer begaanbaar. Vooral op de St-Annastraat zal flinke wateroverlast optreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0038.png"

Figuur 4.16.2 Klimaatstresstest 70 mm in 1 uur (bron: gemeente Gemert-Bakel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0039.png"

Figuur 4.16.3 Klimaatstresstest 160 mm in 2 uur (bron: gemeente Gemert-Bakel)

Ontwatering 

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMopLodderdijk911-VA01_0040.png"

Figuur 4.16.4 Ontwatering en drooglegging

De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in onderstaande .

Tabel Normen voor ontwateringsdiepte

Ontwatering    Norm   
Woningen met kruipruimte   0,7 m -vloerpeil  
Woningen zonder kruipruimte   0,3 m -vloerpeil  
Tuinen en openbare groenvoorzieningen   0,5 m -mv  
Primaire wegen   1,0 m -wegas  
Secundaire wegen en woonstraten   0,7 m -wegas  

Vanuit de gemeente moet rekening worden gehouden met een ontwateringsdiepte van minimaal 80 cm onder de kruin van de weg en 1,2 m onder vloerpeil van de te bouwen woningen. Het bouwpeil moet 20 cm tot 30 cm boven de kruin van de openbare weg liggen.

Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van 16,50 tot 16,60 m +NAP. De GHG is ingeschat op 15,75 m +NAP (0,75 tot 0,85 m -mv). Ten opzichte van de bestaande situatie is de ontwatering daarmee voldoende. Het lokaal ophogen van maaiveld is niet direct nodig. Uitgaande van de GHG en ontwateringsnormen van de gemeente voor weg- en vloerpeil zouden de toekomstige wegen komen te liggen op een peil van 16,50 m +NAP en de bouwpeilen op hoogte van 16,75 m +NAP.

Riolering 

In de rondom het plangebied gelegen wegen is een gescheiden rioolstelsel gelegen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt apart afgevoerd.

Verhard oppervlak en bergingsopgave

Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 2.872 m2. In het kader van de watertoets 75 % van de privétuinen beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Voor de voortuinen is uitgegaan van een verhardingspercentage van 25%. In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.

Tabel Verhard oppervlak

Type verharding   Oppervlak (m2)   Verhardingspercentage   Verhard (m2)  
Bebouwing   1.313   100%   1.313  
Rijlopers/paden   841   100%   841  
Parkeerplaatsen   443   100%   443  
Privé tuinen   324   75%   243  
Voortuinen   129   25%   32  
Totaal   3.050     2.872  

De aanleg van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Het toekomstig verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap en de gemeente een compensatienorm van 60 mm ten opzichte van het verharde oppervlak. Op basis van een toekomstig verhard oppervlak van 2.872 m2 bedraagt de waterbergings- c.q. compensatieopgave voor het totale plangebied 172 m3.

Waterhuishouding

Randvoorwaarden en uitgangspunten

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);
  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);
  • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;
  • Verhard oppervlak 2.872 m2:
  • Compensatieopgave 60 liter per m2 verhard oppervlak;
  • Waterberging 172 m3:
  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;
  • GHG 15.75 m +NAP;
  • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Voor de waterberging gelden de volgende eisen:

  • De waterbergingsvoorziening moet 60 liter per m2 verhard oppervlak probleemloos kunnen bergen.
  • De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn (conform beleid van het waterschap).
  • De voorziening moet binnen 5 dagen leeggelopen zijn.
  • De voorziening moet controleerbaar zijn op de werking (dus zichtbaar of toegankelijk).
  • De voorziening moet de mogelijkheid hebben tot reinigen, inspectie en onderhoud.
  • De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).
  • De voorziening voor het hemelwater moet altijd zodanig ontworpen worden dat het bijdraagt aan het verminderen van piekafvoeren en niet leidt tot wateroverlast.
  • Het aan te leggen systeem in een situatie waar meerdere woningen/bedrijven worden gerealiseerd, dient te worden getoetst op bui9 en bui10 +10% van de kennisbank riolering en extreme buien (stresstest).
  • De aanwezigheid van een overloopvoorziening (bij voorkeur bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is.

Hemelwater

Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. Het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) wordt gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Vanwege de lokale verontreinigingssituatie is het infiltreren van hemelwater niet mogelijk. Hemelwater wordt tijdelijk gebufferd en vertraagde afgevoerd naar de gemeentelijke regenwaterriolering in de omgeving. Om de voorziening in 5 dagen te ledigen is een afvoer benodigd van 1,25 l/s/ha.

De omvang van de hemelwaterbergingsopgave betreft 172 m3. Dit volume kan op verschillende manieren opgevangen. Het uitgangspunt is dat het systeem een gesloten systeem betreft dat is te inspecteren en te reinigen. De definitieve positionering en technische uitwerking wordt in overleg met de gemeente bij het verdere planproces nader uitgewerkt, gedimensioneerd en getoetst.

Onderstaand zijn enkele mogelijke systemen weergegeven welke voldoen aan het Handboek Ontwerp Openbare Ruimte (HOOR):

  • Watershell (waterblock BV);
  • Water Table (Trewatin BV);
  • Bufferblock (Bufferblock BV.

Kwaliteit

Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.

Vuilwater

Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal tijdens het verdere planproces in overleg met de gemeente nader besproken worden.

4.16.3 Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.17 Duurzaamheid

4.17.1 Wettelijk kader

Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst.

4.17.2 Toetsing

De verwarming en koeling wordt volledig elektrisch. Op de daken is ruimte gereserveerd voor de plaatsing van de warmtepompen, hierdoor blijven ze uit het zicht en neemt de installatie geen ruimte in op maaiveldniveau, wat bovendien geluidshinder voorkomt en het terrein vrijhoudt voor groen en verblijf.

Verder wordt in de kopgevels vleermuis- en huismuskasten geïntegreerd, waarvan de uitwerking nader wordt vormgegeven. Daarnaast wordt zowel het binnenterrein als de omliggende ruimte overtuigend groen ingericht. Het gebied en de tuinen worden omzoomd met inheemse hagen, waardoor een natuurlijke en biodiversvriendelijke uitstraling ontstaat. Bestaande volwassen bomen worden zoveel mogelijk behouden; hiervoor is al in een vroeg stadium een Bomen Effect Analyse opgesteld. Rondom en centraal in het gebied worden bovendien nieuwe bomen aangeplant. Dit alles beperkt de verharding, waardoor hittestress aanzienlijk wordt verminderd. Daarnaast wordt regenwater niet zomaar afgevoerd, maar opgevangen in een buffer. Daarmee wordt het watersysteem ontlast en ontstaat een klimaatadaptieve oplossing die bijdraagt aan een veerkrachtige en duurzame leefomgeving.

4.17.3 Conclusie

Het planvoornemen omvat verschillende duurzaamheidsaspecten, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzame woningbouwontwikkeling.

4.18 Gezondheid

4.18.1 Wettelijk kader

Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

Gezondheidsbescherming

Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit en geluidhinder.

Naast het wettelijk kader, waarbij de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) het kader vormen, dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de volgende milieubelastende activiteiten:

  • Geitenhouderijen;
  • Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen;
  • Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen.

Gezondheidsbevordering

Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In het Bkl zijn ook nog andere onderwerpen opgenomen die een relatie hebben met gezondheid, zoals de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een handicap (artikel 5.162 Bkl).

Gemeentelijk beleid

Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving is voor vitale kernen en toekomstbestendig buitengebied een streven binnen de Omgevingsvisie Gemert-Bakel 2024, zie paragraaf 3.4.1. De manier waarop de leefomgeving is ingericht is van invloed op de mentale en fysieke gezondheid en veiligheid van mensen die in Gemert-Bakel wonen of de gemeente bezoeken. Het kan de leefstijl, het sociaal welbevinden en de levensverwachting van mensen positief of negatief veranderen.

Omdat de gemeente de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het sociaal welbevinden van mensen wil beschermen en verbeteren heeft de omgevingsvisie aandacht voor gezondheid vanuit omgevings- en milieukwaliteit. Inzetten op omgevingskwaliteit betekent dat Gemert-Bakel de bestaande basis op orde houdt (gezondheidsbescherming) en bij het inrichten van de openbare ruimte ontwerpkeuzes maakt die uitnodigen tot spelen, sporten en bewegen voor iedereen (gezondheidsbevordering). De keuzes die de gemeente maakt over de ruimtelijke inrichting versterken de autonomie en zelfredzaamheid van onze inwoners, zodat iedereen mee kan doen. Bij milieukwaliteit wordt gedacht aan de luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidshinder rondom industrie, wegen of veehouderijen en de gezondheidseffecten die dit heeft op de omgeving. Gestreefd wordt om overal te voldoen aan de wettelijke grenswaarden om de volksgezondheid te beschermen.

4.18.2 Toetsing

Gezondheidsbescherming

De omgevingsaspecten in relatie tot gezondheidsbescherming zijn in dit hoofdstuk uitgebreid onderzocht. Voor bijvoorbeeld de omgevingsaspecten bodemkwaliteit, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en omgevingsveiligheid blijkt dat aan de normen wordt voldaan, dan wel dat hiervoor de nodige maatregelen kunnen worden getroffen om aan deze normen te voldoen. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling van woningen op de planlocatie.

Daarnaast neemt met de ontwikkeling de hoeveelheid verharding af en wordt groen toegevoegd. Dit heeft een positief effect op het voorkomen van hittestress en het infiltreren en bergen van hemelwater.

Geitenhouderijen

Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Het plangebied ligt niet binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Het plangebied ligt dan ook niet binnen het invloedsgebied van een geitenhouderij. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het plan of andersom.

Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen

Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. ODZOB adviseert om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als uit blijkt dat niet voldaan kan worden aan de afstand dan, adviseert ODZOB negatief te besluiten op de ontwikkeling. Het plangebied is niet gelegen binnen 250 meter van een veehouderij met welke diersoort dan ook. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich immers op ongeveer circa 760 meter ten noordoosten van het plangebied ((vlees)rundveehouderij). Daarom is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen.

Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goed woon- en leefklimaat moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het plangebied wordt aan alle zijden omgeven door bebouwd gebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen dan ook geen gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone. Spuitzones vormen dan ook geen belemmering voor dit plan.

Gezondheidsbevordering

De bewoners en gebruikers van het plangebied worden gestimuleerd om te verblijven in de buitenruimte door middel van een aantrekkelijke groene plek met diverse mogelijkheden voor ontspannen.

Het plangebied is autoluw ingestoken. Parkeren is aan de randen van het plangebied gefaciliteerd. Op deze manier is te voet voortbewegen aantrekkelijk gemaakt binnen het plangebied. Deze inrichting vergroot daarmee de toegankelijkheid voor zowel toekomstige bewoners als voor bewoners en gebruikers uit de omgeving.

4.18.3 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheidsbescherming is de beoogde ontwikkeling passend binnen het plangebied. De ontwikkeling zelf draagt ook bij aan gezondheidsbevordering.

4.19 Milieubelastende activiteiten

4.19.1 Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • voorkomen wordt dat de nieuwe woningen de bedrijfsuitvoering belemmeren.

Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (met name geluid, geur, gevaar en stof) dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven niet in hun bedrijfsuitoefening worden geschaad.

In het oude bestemmingplan is gebruik genaakt van milieucategorieën en richtafstanden conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onder de Omgevingswet wordt (voor nieuwe gevallen) gebruik gemaakt van milieuzonering nieuwe stijl, gebaseerd op milieugebruiksruimte. Om die reden wordt zowel onder de oude regeling als op basis van toekomstige regelingen beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefmilieu en of er invloed is op de huidige bedrijfsvoering van bedrijven.

4.19.2 Toetsing

Een nieuwe ontwikkeling mag geen inbreuk maken op de milieugebruiksruimte van omliggende activiteiten enerzijds en anderzijds moet ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de aanwezige toegestane activiteiten zijn de aspecten geluid, geur en omgevingsveiligheid reeds getoetst in respectievelijk paragraaf 4.9, 4.10,4.11 en 4.12.

Hierna worden de bedrijfsactiviteiten rond het plangebied nader beschouwd. Rond het plangebied vinden geen bedijfsactiviteiten plaats. De enige niet wonen activiteiten zijn sportcomplex Molenbroek en de sportschool aan de Vicaris van der Asdonckstraat.

  • Sportcomplex Molenbroek, op circa 40 meter afstand ten noorden van het plangebied: activiteiten op minimaal 80 meter afstand.
  • Sportschool Vicaris van Asdonckstraat, op circa 45 meter afstand ten westen van het plangebied.

Ten noordoosten van de planlocatie ligt een sportschool binnen de maatschappelijke functie. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. De functiegrens ligt op circa 45 meter afstand van het plangebied. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan.

Ten noorden van de planlocatie ligt op circa 40 meter afstand sportcomplex Molenbroek. Een veldcomplex kent een richtafstand van 50 meter. Hier wordt oorspronkelijk niet aan voldaan. Het sportcomplex heeft aan de rand een breed groen ingerichte zone waarbinnen geen sportactiviteiten plaatsvinden. De sportactiviteiten vinden op circa 80 meter van het plangebied plaats. Daarmee wordt aan de richtafstand 50 meter voor een rustig woongebied voldaan.

Bovendien is er bij de planlocatie sprake van een gemengd gebied, aangezien er verschillende soorten functies aanwezig zijn in de nabij omgeving van de planlocatie. Hierdoor mag de richtafstand met één stap verkleind worden. Met dit gegeven wordt de richtafstand van 50 meter verkleind tot 30 meter. Hier wordt wél aan voldaan aan de richtafstand tot de grens van het sportcomplex.

De omliggende milieubelastende activiteiten zijnde de sportschool en het sportcomplex vormen verder geen hinderaspect ten aanzien luchtkwaliteit, zie paragraaf 4.7 en stof. Met de ontwikkeling zelf worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt.

Omliggende milieubelastende activiteiten hebben geen negatieve werking op het plangebied. Ook wordt de omgeving niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling.

4.19.3 Conclusie

Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.20 Planologisch relevante leidingen

4.20.1 Wettelijk kader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
4.20.2 Toetsing

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan liggen in en nabij de planlocatie geen planologisch relevant leidingen. In en nabij de planlocatie zijn dan ook geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningsverbindingen aanwezig.

4.20.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande staat het aspect planologisch relevante leidingen de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.

4.21 Trillingen

4.21.1 Wettelijk kader

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 4.1, lid 1 en 4.2, lid 1 Omgevingswet moet een motivering worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door:

  • verkeer over de weg of het spoor (bijvoorbeeld van vrachtwagens, trein of tram);
  • machines bij industrie (bijvoorbeeld stansen, draaiende motoren, etc.).

Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt.

Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.

4.21.2 Toetsing

Dit TAM-omgevingsplan maakt trillingsgevoelige functies mogelijk, namelijk woningen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van het spoor. Trillingen als gevolg van verkeer over het spoor kan dan ook op voorhand worden uitgesloten.

De Lodderdijk is een drukke straat waar zowel zwaar verkeer als lijnbussen rijden. Bekend is dat zware voertuigen en met name elektrische voertuigen (bussen) zwaardere trillingen veroorzaken dan 'traditionele voertuigen'. Trillingshinder als gevolg van de omliggende wegen is gezien de geringe afstand niet op voorhand geheel uit te sluiten.

De omvang en frequentie van het zware verkeer en lijnbussen fluctueert. De te verwachten trillingen afkomstig vanaf deze wegen zijn echter beperkt. Ook ligt er asfalt op de omliggende wegen. Bovendien zijn er in de huidige situatie woningen aan dezelfde weg aanwezig. Hiermee kan geconstateerd worden dat er ter plaatse van de projectlocatie geen negatieve effecten worden ervaren ten behoeve van trillingen als gevolg van wegverkeer.

Verder zijn er in de nabijheid geen bedrijfsmatige activiteiten die trillingen veroorzaken, zie paragraaf 4.19 met afstanden tot de meest nabij gelegen activiteiten anders dan wonen.

4.21.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande is het voor het aspect trillingen verantwoord om de functie wonen aan het plangebied toe te delen.

4.22 Bezonning

4.22.1 Wettelijk kader

Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt (daglichttoetreding). Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden moeten worden met licht/schaduw.

Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Om te bepalen of effecten voor de omgeving evenredig of onevenredig zijn wordt over het algemeen in stedelijke gebieden aangesloten bij de lichte bezonningsnormen van het TNO.

4.22.2 Toetsing

Met het planvoornemen worden enkel grondgebonden woningen, en gestapelde woningen van maximaal drie bouwlagen mogelijk gemaakt. De maximale hoogte bedraagt 11 meter. Gelet op de ligging van het plangebied (en de nieuw te realiseren woningen) ten opzichte van omliggende percelen met woningen is het effect van schaduwwerking op bestaande woningen nagenoeg uitgesloten. Een uitgebreide bezonningstudie naar schaduwwerking is niet noodzakelijk. In het stedenbouwkundig plan, zie pagina 35 bijlage 1 is wel de schaduwwerking weergegeven op de maatgevende momenten: 21 maart, 21 juni en 21 september. Hieruit blijkt dat het effect van de beoogde bebouwing op omliggende gevels van bestaande woningen zeer beperkt is.

Voor de beoogde woningen is gezien het woningtype en de positie van deze woningen sprake van voldoende daglichttoetreding op deze nieuwe woningen.

4.22.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot onevenredige effecten voor wat betreft bezonning en schaduwwerking.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Kostenverhaal

Indien een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.

Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal is geregeld. Regels kostenverhaal in het TAM-omgevingsplan zijn om deze reden niet noodzakelijk. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de sloop, sanering van de gronden en de planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.

5.1.2 Nadeelcompensatie

De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin tevens afspraken rondom nadeelcompensatie zijn gemaakt.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Voorbereiding

Het concept-ontwerp TAM-IMRO omgevingsplan wordt toegezonden aan de diverse overleginstanties.

5.2.2 Participatie

Op 17 april 2025 heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Verslag van het omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 10. Tijdens het dialoog is het bouwplan toegelicht aan de omwonenden. Hieruit zijn verschillende opmerkingen op het plan gekomen. Op basis van de opmerkingen zijn aanpassingen doorgevoerd in het plan:

  • Blok C: oriëntatie is 180 graden gedraaid. De voortuinen en buitenruimte vallen niet meer aan de T.M. Drakestraat en vallen nu in het binnenterrein. Aan de T.M. Drakestraat zijn nu uitsluitend de voordeuren van de begane grond appartementen en hebben we een hoge haag opgenomen.
  • Blok B: haag en groen toegevoegd voor een verbeterd aanzicht vanuit de Burg. De Bekkerlaan.
  • Haag op de hoek van Burg. De Bekkerlaan en T.M. Drakestraat verlaagd voor een overzichtelijkere verkeerssituatie vanuit de T.M. Drakestraat.

In Bijlage 11 is een overzicht weergegeven met omwonenden die zijn uitgenodigd om mee in gesprek te gaan.

5.2.3 Ontwerp

Het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan wordt voor zes weken ter visie gelegd voor het indienen van zienswijzen. Ingediende zienswijzen worden samengevat en van beantwoording voorzien.

Het ontwerp omgevingsplan “Lodderdijk Gemert” heeft met ingang van 23 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tot en met 2 februari 2026 kon eenieder zijn of haar zienswijze op het ontwerp bij de gemeenteraad indienen.

Gedurende de ter inzage termijn zijn er negen zienswijzen binnen gekomen, gericht tegen het ontwerp omgevingsplan “Lodderdijk Gemert”.

5.2.4 Beroep

Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking

Hoofdstuk 6 Belangenafweging en conclusie

6.1 Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.

Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 4 en 5.

Getoetst is aan het geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Hieruit is gebleken dat het project past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. Er heeft voor diverse omgevingsaspecten een afweging plaatsgevonden, waarbij steeds de conclusie kan worden getrokken dat het voorgenomen plan niet leidt tot onacceptabele effecten op de fysieke leefomgeving.

Als voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen zijn geluidregels opgenomen in dit TAM-omgevingsplan.

Gelet op het voorgaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de ontwikkeling van 31 woningen.

6.2 Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er is een uitgebreid participatietraject gevoerd.