| Plan: | Gasleiding ter hoogte van Kelperbrug |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1640.BP20KoKelperbrugvg-VG01 |
De A2 en het kanaal Wessem-Nederweert vormen een belangrijk infrastructureel corridor tussen Eindhoven en Roermond. Niet alleen bovengronds is deze corridor zichtbaar, maar ook ondergronds ligt een aantal belangrijke leidingen. Eén daarvan is de gastransportleiding langs de oostelijke zijde van het kanaal Wessem-Nederweert. Ter hoogte van de afrit Kelpen-Oler kruist de N280 deze corridor, onder andere middels de Kelperbrug. De Provincie Limburg is druk bezig met het oplossen van de verkeerskundige en leefbaarheidsproblemen op en langs de N280. Met de beoogde vervanging van de Kelperbrug wordt één van de knelpunten op de verbinding tussen Roermond en Weert opgelost. De nieuwe planologische situatie voor onder andere de brugvervanging wordt geregeld met een provinciaal inpassingsplan. Ter plaatse van de Kelperbrug is als gevolg van de aanpassingen een tracé wijziging van de bestaande gastransportleiding noodzakelijk.
Op verzoek van de Gasunie is in samenspraak met de gemeente Leudal gekozen om deze middels een nieuw postzegelbestemmingsplan vast te leggen, vooruitlopend op het definitieve inpassingsplan voor onder andere de brugvervanging. Door middel van deze bestemmingsplanprocedure kan het proces om te komen tot het verleggen van deze gasleiding al in gang worden gezet en kan de aanleg worden uitgevoerd zodat niet hoeft te worden gewacht op de procedure van het inpassingsplan voor de N280 en de beoogde brugvervanging.
Voorliggend plan richt zich daarom uitsluitend op de verlegging van de gastransportleiding ter plaatse van de Kelperbrug. Voor de onderliggende regels wordt verwezen naar het moederplan "Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016".
Het plangebied beslaat het gewijzigde deel van het tracé van de gasleiding onder de Kelperbrug (brug over het kanaal Wessem-Nederweert). De Kelperbrug maakt onderdeel uit van de N280 nabij de aansluiting op de A2. De leiding ligt aan de oostelijke zijde van het kanaal Wessem-Nederweert en is bereikbaar middels de Kanaalweg. Ter hoogte van de locaties waar de nieuwe gasleiding wordt aangesloten op de bestaande gasleiding is sprake van opgaand groen, bosschages.
Afbeelding 1: ligging planlocatie met oude tracé in paars en nieuwe tracé in blauw (bron: ESRI
Nederland)
Ter plaatse van het plangebied van dit bestemmingsplan geldt het bestemmingsplan "Reparatie- en veegplan buitengebied Leudal" (vastgesteld op 3 juli 2018) van de gemeente Leudal. Tevens is het bestemmingsplan"Duurzame Energie" (vastgesteld op 27 april 2020) van kracht voor de locatie. Laatst genoemde bestemmingsplan heeft geen directe invloed op voorliggend plan.
Het plangebied van dit bestemmingsplan valt samen met gronden met diverse bestemmingen. Het gaat om gronden die reeds de bestemming 'Agrarisch' , 'Natuur' en 'Verkeer' hebben. Tevens geldt de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' voor het huidige, bestaande tracé van de gastransportleiding.
Daarnaast zijn ter hoogte van het plangebied een aantal aanduidingen opgenomen. Het gaat om aanduidingen vanwege onder andere de ligging in een milieuzone (boringsvrije zone) en vrijwaringszones ter hoogte van de N280 en het kanaal.
Voorliggend plan neemt geen van de onderliggende enkelbestemmingen of aanduidingen over en verwijst op dit vlak door naar de onderliggende plannen.
Naast deze toelichting bestaat het bestemmingsplan Gasleiding ter hoogte van Kelperbrug uit een set regels en een verbeelding. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende plan. Deze toelichting onderbouwt en motiveert het voorgenomen initiatief. Onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de planvorming zijn in complete vorm als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Hoofdstuk 2 van deze toelichting bevat de planbeschrijving. Hoofdstuk 3 behandelt het (met name) ruimtelijke, relevante beleid. Per beleidsdocument is aangegeven hoe dit zich verhoudt tot dit bestemmingsplan. De verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de planvorming zijn toegelicht in Hoofdstuk 4, waarin slechts een korte samenvatting per onderzoek is gegeven en is aangegeven wat de relevantie van dit onderzoek voor dit bestemmingsplan is of wat de consequenties van dit onderzoek zijn voor dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten van dit bestemmingsplan. De uitvoerbaarheid, zowel economisch als maatschappelijk komt in het laatste Hoofdstuk van deze toelichting aan bod.
De bestaande gastransportleiding ter hoogte van de Kelperbrug, nabij de A2 afslag Kelpen-Oler, dient te worden verlegd vanwege onder andere de nieuw te realiseren Kelperbrug over het kanaal Wessem-Nederweert. Momenteel is de procedure van het ontwerp provinciaal inpassingsplan voor de N280-West, wegvak Leudal eveneens in de voorbereidingsfase. De brugvervanging die de aanleiding vormt voor de verlegging van de gasleiding maakt onderdeel uit van genoemd inpassingsplan.
De strook van de te verleggen gasleiding ligt op de oostelijke oever van het kanaal ter hoogte van de Kanaalweg langs het kanaal Wessem-Nederweert. De verlegging van de gastransportleiding is noodzakelijk vanwege de aanleg van de nieuwe brug en betreft een verlegging over een afstand van circa 450 meter. De regionale gastransportleiding Z-540-01 heeft een belemmeringstrook van 4 meter die uitsluitend bedoeld is voor het beheer en onderhoud van de leiding. Binnen deze strook mag geen bebouwing worden opgericht. Deze afstand is als zodanig met een dubbelbestemming opgenomen op de verbeelding. De verlegging van de gastransportleiding wordt uitgevoerd middels een gestuurde boring, voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van de vervanging van de Kelperbrug. Het intredepunt van de boring bevindt zicht ten noorden van de burg en aan de oostzijde van de Kanaalweg. Het uittredepunt van de boring bevindt zich ten zuiden van de brug in de berm tussen de Kanaalweg en de nabij gelegen watergang.
In onderstaande afbeelding is het nieuwe tracé rood gearceerd.
Afbeelding 2: Beoogde situatie gasleiding in relatie tot nieuw ontwerp N280-West, wegvak Leudal
(bron: Kragten)
In dit hoofdstuk komen het relevante ruimtelijke beleid en direct daar aan verwant beleid aan de orde. Specifieke beleidskaders en wetgeving met betrekking tot bijvoorbeeld natuur, externe veiligheid en archeologie zijn opgenomen in de betreffende onderzoeken die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd.
Per beleidsdocument is een korte omschrijving opgenomen van de inhoud van het document. Een paragraaf over een beleidsdocument eindigt met een omschrijving van de relevantie van dat beleidsdocument voor dit plan.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012.
Nederland moet concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig zijn in 2040. Dit is het uitgangspunt van de SVIR. Om dit te bereiken moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven gebracht. Provincies en gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en beleidsvrijheid (decentraal, tenzij) en de gebruiker komt centraal te staan.
Het Rijk zet zich met name in op de drie hoofddoelen:
Naast het benoemen van bovenstaande beleidsdoelen onderscheidt het Rijk 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken:
Door het benoemen van de kerndoelen en Rijksverantwoordelijkheden kan het Rijk de regie meer bij lagere overheden leggen. In alles wordt gestreefd naar regionaal maatwerk. De afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal wordt overgelaten aan de provincies en is niet langer een verantwoordelijkheid van het Rijk. Wel is in het Besluit ruimtelijke ordening een duurzame verstedelijkingsladder opgenomen om de zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten te kunnen waarborgen. De SVIR vervangt onder andere de Nota Mobiliteit uit 2012 die uitging van het principe 'benutten, beprijzen, bouwen'.
Relevantie voor het plan
Het vervangen van een bestaande gastransportleiding is een onderwerp dat niet direct aan de orde komt in de Structuurvisie. Beleid uit de Structuurvisie werkt door in provinciaal en lokaal beleid. Hiermee wordt rekening gehouden bij de planvorming voor het vervangen van de bestaande gasleiding.
De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro). Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciale inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen. Inmiddels zijn sinds de invoering van het Barro een aantal wijzigingen doorgevoerd, waaronder het toevoegen van buisleidingen van nationaal belang.
Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen:
Aan bovengenoemde onderwerpen zijn in het Barro regels gekoppeld. De SVIR bepaalt welke kader stellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen of inpassingsplannen.
In het Barro is bepaald dat een buisleiding voor aardgas of een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevi) aangemerkt is als een buisleiding van nationaal belang. Voor een aardgasleiding geldt dat een leiding een druk heeft van ten minste 40 bar en een diameter van ten minste 45,7 centimeter. De beoogde te verplaatsen gastransportleiding heeft een diameter van 36,8 centimeter, waardoor deze leiding geen sprake is van een leiding van nationaal belang.
Relevantie voor het plan
De te vervangen gastransportleiding is geen leiding van nationaal belang, waardoor het Barro verder niet aan de orde is voor het plan. Vanuit het Barro zijn verder geen bezwaren op de beoogde verplaatsing.
De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 in het Bro opgenomen. Medio 2017 is de ladder op een beperkt aantal onderdelen inhoudelijk gewijzigd. Nog steeds dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen op basis van deze ladder te worden gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het plangebied ligt. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Relevantie voor het plan
Het plan betreft het vervangen van een bestaande gastransportleiding over een afstand van circa 450 m in het buitengebied. Geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarbij is de gastransportleiding een onlosmakelijk onderdeel van het netwerk van de Gasunie in Limburg. Derhalve is de behoefte evident.
De Rarro geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
In de Rarro zijn (onder andere) reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen, radargebieden en militaire terreinen aangewezen.
De voorkeurstracés van buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is opgenomen is het Rarro. De te verplaatsen gastransportleiding maakt geen onderdeel uit van een voorkeurstracé.
Relevantie voor het plan
Het vervangen van een bestaande gastransportleiding is geen onderdeel van een voorkeurstracé zoals opgenomen in het Rarro. Vanuit het Rarro zijn verder geen bezwaren op de beoogde verplaatsing.
In artikel 7.2, lid 1 van de 'Wet milieubeheer' is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:
In het 'Besluit milieueffectrapportage' zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt ónder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient dus bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Relevantie voor het plan
Het verleggen van een bestaande gastransportleiding moet gezien worden als een activiteit als bedoeld in categorie C8.1 en D8.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Verdere toetsing en de aanmeldnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn opgenomen als Bijlage 5 bij dit bestemmingsplan.
Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Zo wordt aangesloten bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan wordt een ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt:
Relevantie voor het plan
Het vervangen van een bestaande gastransportleiding is een onderwerp dat niet direct aan de orde komt in het Nationaal Waterplan. Dit waterplan werkt door in provinciale en lokale regelgeving. Hiermee wordt rekening gehouden bij de planvorming voor het vervangen van de bestaande gasleiding. Zie ook hierna.
De gastransportleiding betreft geen Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het verleggen van de gastransportleiding betreft een kleinschalige ingreep die wordt uitgevoerd voorafgaand aan de reconstructie van de N280. Het rijksbeleid vindt zijn doorwerking in provinciaal en gemeentelijk beleid, wat in de navolgende paragrafen omschreven wordt.
Op 12 december 2014 heeft Provinciale Staten het POL2014, met bijbehorend Plan-MER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Op 13 augustus 2019 is het POL2014 geconsolideerd.
Het POL 2014 omvat een visie waarin wat nodig is om de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving te verbeteren centraal staat voor de komende 10 jaar. Het is een visie waarin uitnodiging en inspiratie centraal staan. De ambitie is een voortreffelijk leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg.
Het POL 2014 gaat uit van 2 Limburgse principes: Kwaliteit centraal en Uitnodigen centraal.
De uitgangspunten van 'kwaliteit centraal' zijn: 'meer stad, meer land', 'van scheiden naar verweven van functies', 'inspiratie door kwaliteitsbewustzijn', 'een grens die verbindt' en 'zorgvuldig omgaan met onze voorraden'.
De uitgangspunten van 'uitnodigen centraal' zijn: 'uitnodigen en inspireren', 'een selectieve provincie', 'dynamisch voorraadbeheer', stimuleren van voorlopers', kwaliteitsbewust ontwikkelen', instrumenten op maat' en 'ruimte om te experimenteren'.
Gebiedstypen
Het beoogde tracé van de nieuwe gastransportleiding ligt hoofdzakelijk in de Goudgroene natuurzone en voor een minder significant deel in de zone buitengebied. Tevens liggen de Zilvergroene natuurzone en Blauwgroene landschapszone op zeer korte afstand van de locatie. Verdere verantwoording van de invloed op de natuur en landschapszones zijn opgenomen onder paragraaf 4.3 van deze toelichting.
Afbeelding 3: uitsnede POL2015 met indicatieve ligging nieuwe tracé gastransportleiding
Relevantie voor het plan
De beoogde verlegging van de gastransportleiding wordt uitgevoerd in het kader van de algehele reconstructie van de N280. Sprake is van het vervangen van een bestaande ondergrondse leiding, waardoor het voornemen geen invloed heeft op de zone Buitengebied. Voor wat betreft de ligging in de Goudgroene natuurzone wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. De omgevingsverordening is op 22 november 2019 geconsolideerd.
Met de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen.
Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In 2008 is het ruimtelijk ordeningsrecht grondig gewijzigd, met name waar het de onderlinge verhoudingen tussen de drie overheidslagen gemeente, rijk en provincie betreft. Eén van de meest in het oog springende veranderingen was het wegvallen van de goedkeuringsbevoegdheid van bestemmingsplannen. Met die goedkeuringsbevoegdheid kon de Provincie rechtstreeks invloed uitoefenen op de inhoud van bestemmingsplannen. Onder de huidige Wro is dat alleen nog mogelijk ten aanzien van die onderdelen van het ruimtelijk beleid, die in een zogenaamde ruimteverordening zijn ondergebracht. Dat betekent dat Provinciale Staten bewust moeten kiezen welke onderwerpen voor doorwerking via de verordening in aanmerking komen. In het hoofdstuk Ruimte (hoofdstuk 2) van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleidsregels opgenomen.
De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is.
Het plangebied is aangemerkt als landelijk gebied en valt deels binnen de zone 'goudgroene natuurzone'. Hoe is omgegaan met de ligging binnen de 'goudgroene natuurzone' komt aan de orde in paragraaf 4.5 van deze toelichting. Voor het plangebied volgen verder uit de verordening vanuit deze zonering geen specifieke regels die door dienen te werken in dit bestemmingsplan.
Het plangebied valt deels samen met de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het is verboden de grond te roeren of een boorput of een bodemenergiesysteem te maken dieper dan 80 meter. De voorgenomen verlegging van een gastransportleiding voorziet niet in dergelijk diepe bodemwerkzaamheden.
Relevantie voor het plan
Geconcludeerd wordt dat vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 een aantal zoneringen ter plaatse van het plangebied van toepassing is. Voorliggend plan heeft uitsluitend als doel de verplaatsing van het tracé mogelijk te maken. Derhalve worden de zoneringen niet overgenomen in voorliggend bestemmingsplan, en wordt verwezen naar het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied van Leudal.
Op 28 september 2010 hebben Gedeputeerde Staten het Beleidskader bodem 2010 vastgesteld (geactualiseerd juli 2016). Dit beleidskader omvat het provinciale beleid voor de aanpak van bodemverontreiniging in Limburg. Het beleidskader is het toetsingskader voor de invulling van de rol van Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag Wet bodembescherming, Wet ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Besluit bodemkwaliteit. Het beleidskader heeft een tweeledig doel:
De provincie heeft in dit beleidskader bepaald dat er op saneringslocaties en vermoedelijke saneringslocaties buiten de gemeenten Heerlen, Maastricht en Venlo sprake is van een provinciaal belang in het kader van het Wet ruimtelijke ordening waarover vooroverleg noodzakelijk is over het ruimtelijke plan. Mede in dit kader, wordt dit bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie.
Op de website www.bodemloket.nl zijn voor het plangebied geen gegevens bekend ten aanzien van lopende onderzoeken en/of saneringen.
Relevantie voor het plan
De provincie Limburg is bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming. In het kader van het inpassingsplan N280 wegvak Leudal zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd welke als input dienen voor de verlegging van een deel van het tracé van de gastransportleiding. Voor de conclusie en het onderzoeksrapport welke relevant zijn voor de verplaatsing van de gastransportleiding wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
Op 2 februari 2010 heeft de gemeenteraad van de gemeente Leudal de structuurvisie vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. In de structuurvisie ligt bewust de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken. Bij grote projecten is steeds sprake van projectcondities gerelateerde, integrale, complexe afwegingen.
In de structuurvisie is het beleid voor de vijf hoofdfuncties 'wonen', 'voorzieningen', 'werken', 'omgevingskwaliteit' en 'mobiliteit' weergegeven. Voor elke functie wordt een vierdeling gemaakt:
In deze Structuurvisie geeft de gemeente Leudal aan achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu van Limburg (LKM) te staan. Zij geeft hier in deze Structuurvisie haar invulling aan. De wijze waarop de bijdrage per ontwikkeling wordt berekend wordt vastgelegd in de Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal. Uitgangspunt bij deze nota zijn de bouwstenen van het Kwaliteitsmenu van de provincie Limburg.
Deze structuurvisie is uitsluitend zelfbindend voor het orgaan dat de structuurvisie heeft vastgesteld. Aan een structuurvisie zijn burgers noch andere overheden gebonden. Ook de provincie Limburg is derhalve niet gebonden aan deze structuurvisie.
De verplaatsing van de gastransportleiding betreft een noodzakelijke ingreep in het kader van de reconstructie van de N280. Ten behoeve van de reconstructie is een inpassingsplan opgesteld welke de beleidsmatige toetsing bevat en passend is in de gemeentelijke structuurvisie.
Relevantie voor het plan
Sprake is van de noodzakelijke verplaatsing / vervanging van een ondergrondse gastransportleiding ten behoeve van de reconstructie van de N280. Aan de hand van het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ingreep past binnen de kaders van de structuurvisie.
In paragraaf 1.3 van deze toelichting wordt ingegaan op de ter plaatse van het plangebied van dit plan geldende bestemmingsplannen.
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht).
Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de feitelijke onderzoeken in de bijlagen.
In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie.
Hierna wordt ingegaan op het aspect 'bodem', de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het plan. Het uitgevoerde onderzoek betreft het bodemonderzoek van het inpassingsplan voor de N280, wegvak Leudal. Derhalve is eerst een samenvatting van het gehele bodemonderzoek opgenomen, waarna de specifieke resultaten voor het plangebied van de gastransportleiding worden toegelicht. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Vooronderzoek
In het kader van de planvorming voor het inpassingsplan is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd vanuit milieukundig oogpunt. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van gegevens over de bodemkundige opbouw, de geohydrologie en over de milieu-hygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Op basis van de verzamelde gegevens worden verwachtingen (hypothesen) opgesteld ten aanzien van de aan- of afwezigheid, de plaats van voorkomen en de ruimtelijke verspreiding van chemische bodemverontreiniging én asbest in de grond.
Voor het verkrijgen van de gegevens zijn allerhande informatiebronnen geraadpleegd, zoals literatuur, internetsites, eerder uitgevoerde onderzoeken en eventuele milieu- en vergunningendossiers. De noodzakelijke diepgang van het vooronderzoek is afhankelijk van het historisch grondgebruik en de mate van verdenking van verontreiniging. Voor historisch onverdachte (deel-)locaties (met onverdacht grondgebruik) volstaat een beperkt vooronderzoek. Voor deellocaties met een langdurig, bodembedreigend grondgebruik moet een uitgebreid vooronderzoek worden uitgevoerd. Het vooronderzoek heeft niet alleen betrekking op het plangebied maar ook op de directe omgeving daarvan (tot een afstand van circa 25 meter). Het vooronderzoek conform NEN 5725 vormt het uitgangspunt voor eventueel uit te voeren verkennend milieukundig bodemonderzoek conform NEN 5740 (naar de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater), nader bodemonderzoek conform de NTA 5755 (naar de mate en omvang van chemische bodemverontreiniging) en/of verkennend of nader onderzoek conform NEN 5707 (naar asbest in de grond).
Onderzoeksresultaat
Op basis van het vooronderzoek (bureaustudie) en uitgevoerde terreininspecties zijn de volgende conclusies getrokken, met betrekking tot de bodemkwaliteit binnen de onderzoekslocatie. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn op basis van het vooronderzoek verschillende verdachte locaties en bodembedreigende activiteiten aanwezig of bekend die mogelijk hebben geleid tot verontreiniging van de bodem (grond en grondwater). Overige woon- en bedrijfspercelen worden vooralsnog aangemerkt als onverdacht.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek is voor een aantal locaties aanvullend bodemonderzoek aanbevolen, maar de resultaten daarvan zijn niet bepalend voor de besluitvorming die thans voorligt. Daarnaast is aanvullend onderzocht of ter plaatse van de bestaande N280 teerhoudend asfalt aanwezig is en wat de aard van het funderingsmateriaal onder de asfaltwegen is. Resultaten zijn gebruikt voor het bepalen van de investeringskosten. In de afbeelding hierna zijn de locaties opgenomen waar onderzoek heeft plaatsgevonden. In de tabel na de afbeelding is een overzicht opgenomen van verdachte locaties binnen het plangebied en directe omgeving.
Milieukundig bodemonderzoek
Naar aanleiding van de uitkomsten van het vooronderzoek t.b.v. het inpassingsplan is een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd voor 'Grondlichaam Oostzijde Kelperbrug' (bijlage 4). Ter plaatse van het huidige en het nieuwe tracé van de gastransportleiding zijn diverse verontreinigingen aangetroffen.
Met het bevoegd gezag is afgesproken dat zodra de nieuwe brug over het kanaal is gerealiseerd, dient ter plaatse van het huidige grondlichaam nader onderzoek te worden uitgevoerd ter inkadering van de PAK- en zinkverontreiniging. Het nader onderzoek dient derhalve uitgevoerd te worden in de realisatiefase van het project 'N280' en is niet relevant in het kader van de te verleggen gastransportleiding. Deze gastransportleiding, wordt immers middels een gestuurde boring, onder de verontreiniging door, aangelegd.
Aanvullend vooronderzoek naar PFAS
In het kader van de planvorming en in aanvulling op het bodem-vooronderzoek conform NEN5725 is een aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6) naar de aanwezigheid van PFAS (per- en poly-fluoralkyd-stoffen) en GenX (fluorpolymeren), Ter voorkoming van de verspreiding van PFAS-houdende grond en baggerspecie is door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een 'Tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie' opgesteld (d.d. 8 juli 2019). Op 29 november 2019 is een aanpassing van dit Tijdelijk handelingskader gepubliceerd. Hierin zijn voor toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem en in oppervlaktewater, voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingsnormen voor PFAS en GenX vermeld. Onderzoeken van het RIVM hebben geleid tot een definitieve generieke achtergrondwaarde voor PFAS in de bodem. Het ministerie van IenW past op basis hiervan het tijdelijk handelingskader aan. Eind 2020 wordt het concept voor het definitieve handelingskader verwacht.
Onderzoeksresultaat
In de rapportage worden de volgende conclusies betrokken voor de planlocatie:
Landbouw- en natuurpercelen
De landbouw- en natuurpercelen binnen het plangebied zijn als onverdacht te beschouwen ten aanzien van de aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS en GenX in de bodem als gevolg van (punt-)bronlocaties.
Door het wijdverbreide gebruik en door mogelijk gebruik van landbouwbestrijdingsmiddelen kunnen diffuse verontreinigingen met PFAS echter niet worden uitgesloten. De verwachting is dat de gehalten aan PFAS lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden*. In de grond wordt geen GenX verwacht.
Wegbermen
De wegbermen binnen het plangebied zijn als onverdacht te beschouwen ten aanzien van de aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS en GenX in de bovengrond als gevolg van (punt-)bronlocatie. Ter plaatse van de bovengrond van de bermen worden echter gehalten aan PFAS (diffuse verontreinigingen) hoger dan de landelijke achtergrondwaarden niet uitgesloten. De verwachting is dat de gehalten aan PFAS wel (veel) lager zijn de waarden voor de functieklassen 'Wonen en Industrie'*.
Watergangen
De aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS in de bodem van de watergangen wordt niet uitgesloten. Naar verwachting zullen de gehalten in het slib van de aanwezige watergangen lager zijn dan de waarden voor functieklassen 'Wonen en Industrie'*. In de waterbodem wordt geen GenX verwacht.
* landelijke achtergrondwaarden en waarden voor de functieklassen 'Wonen en Industrie' zoals
gepubliceerd in de 'Aanpassing tijdelijk handelingskader' PFAS (d.d. 29 november 2019) van het
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Resultaten voor gastransportleiding
De benoemde verontreinigingen met PAK en Zink zijn ook aanwezig ter plaatse van het nieuwe tracé van de gastransportleiding. Op basis van het aanvullend onderzoek naar PFAS worden geen overschrijdingen van de landelijke achtergrondwaarden verwacht. De nieuwe gastransportleiding wordt gerealiseerd middels een gestuurde boring op een grotere diepte dan de locatie van de aangetroffen verontreinigingen. Derhalve is verder onderzoek in het kader van aanleg van de nieuwe gastransportleiding niet noodzakelijk.
Relevantie voor het plan
Vanuit het aspect bodem zijn geen bezwaren tegen de voorgenomen ingreep.
Hierna wordt ingegaan op het aspect 'externe veiligheid', de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het bestemmingsplan. De rapportage (Arcadis, 6 juni 2019, QRA leiding Z-540-01, De verlegging van de leiding in de nabijheid van de Kelperbrug) van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Ten behoeve van de verplaatsing van de gastransportleiding is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. De QRA is uitgevoerd in verband met de verlegging van de leiding. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie ligt de leiding deels in de gemeente Nederweert en deels in de gemeente Leudal. De verlegging van de leiding ligt in de gemeente Leudal, ten oosten van de snelweg A2 en het kanaal Wessem-
Nederweert, in de nabijheid van de Kelperbrug (daar waar de leiding de weg N280 kruist). De QRA is uitgevoerd conform de vigerende wet- en regelgeving. Zowel voor de leiding exclusief de verlegging zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) berekend als voor de leiding inclusief de verlegging. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat.
Plaatsgebonden risico
Zowel exclusief de verlegging als inclusief de verlegging is er geen sprake van een PR 10-6 contour. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie kunnen er hierdoor geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour van de leiding liggen. De verlegging van de leiding voldoet aan de Revb. Het plaatsgebonden risico op een afstand van 4 meter, gemeten vanuit het hart van de verlegging van de leiding, is niet hoger dan 10-6 per jaar.
Groepsrisico
Zowel de maximale overschrijdingsfactor voor de leiding exclusief de verlegging als de maximale overschrijdingsfactor voor leiding inclusief de verlegging is kleiner dan 1. Zowel de fN-curve voor de leiding exclusief de verlegging als de fN-curve voor de leiding inclusief de verlegging blijft onder de oriëntatiewaarde.
De maximale overschrijdingsfactor voor de leiding inclusief de verlegging is gelijk aan de maximale overschrijdingsfactor voor de leiding exclusief de verlegging. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het groepsrisico in de toekomstige situatie niet toe of af als gevolg van de verlegging van de leiding.
Relevantie voor het plan
Het aspect externe veiligheid staat de planvorming en de verplaatsing van de gastransportleiding niet in de weg.
Inleiding
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Het Besluit NIBM
Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden, is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Relevantie voor het plan
De verplaatsing van een gastransportleiding heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Verder onderzoek is niet noodzakelijk.
Toets m.e.r.-plicht
Het plan betreft het wijzigen van een gastransportleiding. Deze functie komt voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder C8.1:
Kolom 1: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie, chemicaliën of voor het transport van kooldioxide (CO2) stromen ten behoeve van geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations. Derhalve wordt getoetst of de activiteit voldoet aan de omschreven situatie in kolom 2:
Kolom 2: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding met een diameter van meer dan 80 centimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer. De beoogde verlegging van de gastransportleiding heeft een lengte van circa 450 meter en een diameter van 368mm. Derhalve worden de gestelde grenzen in kolom 2 niet overschreden.
Op basis van voorgaande is geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen, maar dient wel getoetst te worden of de activiteit genoemd staat in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.
Toets m.e.r.-beoordelingsplicht
In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.
De beoogde activiteit/functie valt onder de categorie D8.1, met de volgende omschrijving in:
Kolom 1: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën.
Derhalve wordt getoetst of de activiteit voldoet aan de omschreven situatie in kolom 2:
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage, over een lengte van:
De beoogde verlegging van de gastransportleiding heeft een lengte van circa 450 meter en een diameter van 368mm. Derhalve worden de gestelde grenzen in kolom 2 niet overschreden.
M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde
De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r. uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. noodzakelijk is.
Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.
Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het indienen van een aanmeldnotitie is niet vereist als de gemeente zelf initiatiefnemer is van het plan.
Relevantie voor het plan
De aanleg van nieuwe infrastructuur is in het Besluit m.e.r. opgenomen in verschillende categorieën. Het gaat daarbij om categorie C8.1 en D8.1. In beide gevallen wordt niet voldaan aan de drempelwaarden. Het plan is niet m.e.r.-plichtig en niet m.e.r.-beoordelingsplichtig op basis van het Besluit m.e.r. Wel dient op basis van het voorgaande een separaat besluit te worden genomen met betrekking tot het niet uitvoeren van een m.e.r. Zie Bijlage 5 van deze toelichting met daarin de aanmeldnotitie die in dit kader is opgesteld.
Naar aanleiding van de uitkomst van paragraaf 4.1.4 is het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Voorafgaand aan de procedure van voorliggend plan dient een aanmeldnotitie door het bevoegd gezag vastgesteld te worden. Zie Bijlage 5 van deze toelichting met daarin de aanmeldnotitie die in dit kader is opgesteld.
Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (2006) en de Erfgoedwet (2015) is de zorg voor de archeologische belangen grotendeels een verantwoordelijkheid van de gemeente geworden. Het doel hiervan is de archeologische waarden op verantwoorde wijze te integreren in het ruimtelijk beleid.
De archeologische beleidskaart van de gemeente Leudal geeft aan dat er sprake is van een lage verwachting voor natte en droge landschappen, wat inhoudt dat er volgens het beleid van de gemeente geen archeologisch onderzoek nodig is.
Er bevinden zich in of in de directe omgeving van het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten of overige cultuurhistorische waarden waarop de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben. De voorgenomen verplaatsing van een gastransportleiding heeft geen invloed op aanwezige cultuurhistorische waarden.
Relevantie voor het plan
Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn geen bezwaren tegen de voorgenomen ingreep.
Hierna wordt ingegaan op het aspect 'ecologie', de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het bestemmingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Onderzoekskader
Hierna wordt eerst in gegaan op de Wet natuurbescherming en de verschillende aspecten die hieronder vallen. Daarna komt het Natuurnetwerk Nederland aan de orde.
Wet natuurbescherming
Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt het wettelijk kader voor het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en dient ter uitvoering van richtlijnen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats, de wilde flora en fauna en de vogelstand. Ook bevat deze wet diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving. Hierna wordt ingegaan op de verschillende aspecten uit de Wet natuurbescherming. Achtereenvolgens komen de bescherming van natuurgebieden, het Programma Aanpak Stikstof, bescherming plant- en diersoorten en bescherming van houtopstanden aan de orde.
Bescherming natuurgebieden
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten.
In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen - ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied - is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten.
Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft Sarsven en De Banen, dat op ruim 2,5 kilometer afstand van de werklocaties is gelegen, zie afbeelding 4. Overige Natura 2000-gebieden zijn allen gelegen op meer dan 7 kilometer afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden, worden negatieve effecten op voorhand uitgesloten.
Bescherming plant- en diersoorten
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura2000-gebieden.
Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen - ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied - is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten.
Bescherming houtopstanden
Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming.
Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies vrijstelling verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR) is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd. Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk van het NNN bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Ruimtelijke ingrepen met significant negatieve effecten zijn niet toegestaan. Het nee, tenzij-regime laat alleen onder bepaalde voorwaarden ontwikkelingen toe.
Dit Natuurnetwerk Nederland is ook opgenomen in de Omgevingsverordening 2014 van de provincie Limburg. In de Omgevingsverordening zijn deze gebieden aangeduid als Goudgroene natuurzone.
Onderzoeksresultaat
Hierna komen in lijn met de paragraaf hiervoor de onderzoeksresultaten voor het aspect natuur aan de orde. Hierbij wordt ook eerst ingegaan op de verschillende aspecten uit de Wet natuurbescherming, waarna de onderzoeksresultaten voor het Natuurnetwerk Nederland worden behandeld. De paragraaf sluit af met de compensatieopgave en de relevantie van het onderzoek voor dit bestemmingsplan.
Natura 2000-gebieden
Zoals in voorgaande paragraaf is beschreven, zijn negatieve effecten op Natura 2000 niet te verwachten. Om significant negatieve effecten uit te kunnen sluiten is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. De volledige rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de "Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen".
Uit de uitgevoerde berekeningen naar de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is.
Provinciale gebiedsbescherming
Ten behoeve van het intredepunt voor het vervangen van de gasleiding, dient vegetatie (bomen en struiken) gerooid te worden binnen de Goudgroene natuurzone (GGN). Dit betreft een werkterrein met een oppervlakte van circa 2.500 m2 en is gelegen binnen het natuurdoeltype 'N16.03 Droog bos met productie'.
De werkzaamheden zijn van slechts tijdelijke aard, waardoor na afloop weer een natuurlijke situatie kan ontstaan ter plaatse. Bovendien is sprake van een beperkte invloed doordat sprake is van een aanleg middels een gestuurde boring. Het intredepunt van de boring bevindt zicht ten noorden van de burg en aan de oostzijde van de Kanaalweg. Het uittredepunt van de boring bevindt zich ten zuiden van de brug in de berm tussen de Kanaalweg en heeft geen invloed op de nabij gelegen watergang. De begrenzing van de GGN wijzigt niet, dus er is geen sprake van een kwantitatieve aantasting. De natuur die ter plaatse kan herstellen wordt echter wel enigszins beperkt. Gezien de onderliggende gasleiding, wordt struweel geaccepteerd, maar is het niet toegestaan dat hogere (met name diep wortelende) bomen terug kunnen groeien ter plaatse. Er is derhalve wel sprake van enige kwalitatieve aantasting van de GGN.
De verlegging van de gasleiding wordt aangelegd in aanloop naar en ten behoeve van de herinrichting van de N280 en het verleggen van de Kelperbrug. In het kader van dit project is reeds compensatie van aan te tasten GGN noodzakelijk. Binnen dit project wordt een ruime oppervlakte GGN gecompenseerd, groter dan wettelijk noodzakelijk binnen het project. Deze overcompensatie wordt derhalve tevens ingezet ter compensatie van de (geringe) kwalitatieve aantasting van de GGN als gevolg van de te vervangen gasleiding. De borging van deze compensatie vindt plaats in het PIP voor de herinrichting van de N280.
Op deze wijze draagt de compensatie bovendien bij aan een groter geheel, wat de kwaliteit van de compensatie verhoogt door robuustere natuur te realiseren. Voorgaande conclusie is afgestemd in overleg met de provincie Limburg.
Houtopstanden
Een kapvergunning voor de werkzaamheden is niet nodig. Wel dient bomenkap gemeld te worden bij de provincie Limburg in het kader van de Wnb. In onderstaande tabel zijn de conclusies uit het verkennende flora- en faunaonderzoek samengevat en schematisch weergegeven.
| Negatief effect | Maatregel | Vervolgstappen | |
| Beschermde soorten | |||
| Broedvogels | Ja, doden vogels en vernielen nesten tijdens broedseizoen. | Rooiwerkzaamheden uitvoeren buiten broedseizoen. | Geen. |
| Algemeen voorkomende soorten | Ja, doden individuen tijdens werkzaamheden. | Rekening houden met de zorgplicht. | Geen. |
| Vleermuizen | Ja, veroorzaken lichtverstoring en doorsnijden vliegroute. | Werkzaamheden overdag uitvoeren en behoud laanstructuur. | Geen. Tenzij niet voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden. |
| Alpenwatersalamander en poelkikker | Nee. | Grond- en rooiwerkzaamheden uitvoeren buiten winterperiode. | Geen. Tenzij niet voldaan aan worden aan de gestelde voorwaarden. |
| Beschermde gebieden | |||
| Natura 2000 | Nee | - | - |
| NNN | Mogelijk, dient na exacte inrichting werklocaties beoordeeld te worden. | - | Contact provincie Limburg. |
| Houtopstanden | - | - | Melden houtkap bij provincie Limburg. |
Tabel 2: conclusies verkennend flora en faunaonderzoek
Relevantie voor het plan
Indien aan de orde wordt met in achtneming van de maatregelen gehandeld. Eventuele vervolgstappen worden uitgevoerd zodat er vanuit het aspect natuur geen bezwaren zijn voor de beoogde ontwikkeling.
Landschapskader Noord- en Midden Limburg
Het Landschapskader heeft tot doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die dat zelfde landschap biedt voor de toekomst. Het vormt hiermee een inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap. Aan de hand van zowel kenmerkende beelden van de huidige situatie als aansprekende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst inspireert het Landschapskader initiatiefnemers en beleidsmakers tot passende ruimtelijke ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. Initiatiefnemers van zowel aan landbouw en natuur (groene), aan water (blauwe), als aan bebouwing en infrastructuur (rode) gerelateerde ontwikkelingen, kunnen aan de hand van het Landschapskader nagaan welke ontwikkelingen op een bepaalde plek landschappelijk gezien wenselijk en mogelijk zijn.
Relevantie voor het plan
Voorliggend plan betreft het verleggen van een bestaande ondergrondse gastransportleiding waarbij de aanleg geschiedt middels een gestuurde boring. Derhalve is geen sprake van een plan wat invloed heeft op de aanwezige landschapswaarden en zijn er geen bezwaren vanuit het landschapskader.
Voorliggend plan betreft het verplaatsen van een gastransportleiding, waarbij geen sprake is van een verandering in verharding. Tevens liggen binnen het plangebied geen oppervlaktewateren die in beheer zijn van het Waterschap Limburg.
Kanaal Wessem-Nederweert
De gasleiding is voorzien in de kernzone van de regionale kering en parallel aan het kanaal Wessem-Nederweert, beiden worden beheerd door, en zijn in eigendom van, het Rijk. Door het toepassen van een gestuurde boring wordt de impact op de regionale waterkering tot een minimum beperkt. De werkzaamheden worden uitsluitend uitgevoerd op en in de waterkering en geen sprake is van negatieve effecten voor het waterverkeer. In het voortraject van de ruimtelijke procedure is overleg gevoerd met Rijkswaterstaat met als conclusie dat er geen bezwaren zijn tegen voorliggend bestemmingsplan.
Boringsvrije Zone Roerdalslenk
Het tracé van de N280 ligt in de Roerdalslenk, zone III. In de Omgevingsverordening van Provincie
Limburg (2014), hoofdstuk 4 Milieubeschermingsgebieden is vastgelegd welke regels binnen deze zone gelden.
Deze regels betreffen met name het roeren van de grond en het slaan van boorputten dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Voor de verlegging van de gastransportleiding geldt dat de grond niet dieper dan 80 m-mv (tot aan de Bovenste Brunssumklei) geroerd mag worden. Deze dieptes worden met de verlegging van de gastransportleiding niet bereikt. De ligging van het tracé in de Roerdalslenk heeft daarom geen gevolgen voor de werkzaamheden.
Relevantie voor het plan
De beoogde ingreep voorziet in het verplaatsen van een deel van het tracé van een gastransportleiding. Geen sprake is van verharding of verandering van de zone nabij het kanaal. Derhalve is er vanuit het aspect water geen bezwaar voor de voorgenomen verlegging.
De in deze toelichting beschreven aspecten hebben als basis gediend voor het opstellen van een juridisch plan, dat zoveel mogelijk is afgestemd op de geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal. Teneinde het voorgenomen initiatief te kunnen realiseren heeft een juridische vertaling van het plan in planregels en verbeelding plaatsgevonden. De planregels zijn gerelateerd aan de verbeelding. Verbeelding en planregels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast conform de bepalingen in Wro, Bro en SVBP 2012.
Op de verbeelding is alleen de dubbelbestemming opgenomen, waarbinnen de nieuwe gastransportleiding wordt aangelegd. Voor het overige wordt in de regels verwezen naar de bestemmingen in het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied van Leudal. Een aantal aanduidingen heeft geen juridische betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens.
De planregels zijn opgesteld op basis van de landelijke standaarden zoals vastgelegd in het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. De planregels zijn conform deze standaard verdeeld in vier hoofdstukken, te weten hoofdstuk 1 Inleidende regels, hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, hoofdstuk 3 Algemene regels en hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
Voor de planregels is zoveel als mogelijk aangesloten bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied. Regelingen die in dit kader niet relevant zijn, zijn achterwege gelaten.
Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de bestemmingen die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In het geval van voorliggend plan is sprake van een verlegging van een gasleiding en zijn geen wijzigingen in de bestemmingen voorzien. Derhalve zijn voor alle bestemmingen verwijzingen opgenomen naar de geldende regeling zoals opgenomen in 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016'. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied van toepassing zijn dan wel aanduidingen die betrekking hebben op meer dan één bestemmingsvlak. In hoofdstuk vier zijn de regels opgenomen waarmee het overgangsrecht wordt geregeld en is een artikel opgenomen waarin de formele naamgeving van de planregels is vastgelegd.
De Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12.1) verplicht gemeenten gelijktijdig met een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, indien er sprake is van een bij wet aangewezen bouwplan. De gemeente kan hiervan afwijken door het sluiten van een anterieure overeenkomst met de ontwikkelende partij, op basis waarvan het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Aangezien voorliggende ontwikkeling geen bouwplan betreft is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
Deze paragraaf beschrijft het proces dat is doorlopen voor de planvorming. Voorafgaand aan het in procedure brengen van dit bestemmingsplan heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeente Leudal, de provincie Limburg en Rijkswaterstaat (eigenaar van de grond en beheerder van kanaal Wessem-Nederweert en belendende regionale waterkeringen), zodat de planvorming voor de gastransportleiding en de aanpassingen aan onder andere de Kelperbrug goed op elkaar zijn afgestemd. Het doel is om voorafgaand aan de werkzaamheden voor de aanpassingen aan de Kelperbrug de gastransportleiding te kunnen verleggen, zodat er sprake is van een gestroomlijnde uitvoering van werkzaamheden.