direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Manege Hillegersberg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1621.BP0176-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

In het kader van de verlenging van de Rijksweg A16 wordt komend half jaar een Tracébesluit genomen. Binnen het Tracébesluit ligt manege Hillegersberg.

Het tracé van de A16 Rotterdam loopt dwars door de bestaande buitenbak van de manege. Om de A16 te kunnen realiseren en in te kunnen passen conform het inrichtingsplan van het Recreatieschap Rottemeren, moet een groot deel van de huidige manege worden gesloopt. Het te slopen deel van het manegecomplex is dusdanig groot dat de bedrijfsvoering op de bestaande plek niet voortgezet kan worden. Om die reden is er gezocht naar een alternatieve locatie.

De nieuwe locatie van de manege komt circa 500 meter ten oosten van de huidige locatie te liggen. De manege krijgt dezelfde bestemming als nu ook het geval is in het bestemmingsplan Hoge en Lage Bergse Bos. De manege behoudt dezelfde omvang wat betreft het aantal dieren, maar wordt verplaatst. Tevens is op de huidige locatie ook een bedrijfswoning bij de manege aanwezig. Ook deze wordt verplaatst.

Om de manege te verplaatsen moet bos worden gerooid en graafwerkzaamheden plaatsvinden ten behoeve van onder andere de bouw van een nieuwe bedrijfswoning, een rijhal, een buitenbak, een tweede (overdekte) longeerpiste en de aanleg van leidingen en kabels. Om dit juridisch mogelijk te maken moet een bestemmingsplan opgesteld worden.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten zuiden van Bergschenhoek in recreatiegebied Lage Bergse Bos in de gemeente Lansingerland. Het plangebied ligt in een bosrijke omgeving. De locatie wordt ontsloten door de Bosweg, een weg die het recreatiegebied verbindt met de doorgaande weg van Rotterdam naar Bergschenhoek. Zie figuur 1.1. In de blauwe cirkel is de huidige manege weergegeven. In de rode cirkel is de beoogde locatie aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0001.png"Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Geldende ruimtelijke planregelingen

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Hoge en Lage Bergse Bos en heeft de bestemming 'Recreatie' en de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie- 6'. Tevens geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone luchtvaartvoorzieningen' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone DVOR/ DME 2'. Het bestemmingsplan Hoge en Lage Bergse Bos is op 27 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de plansituatie beschreven en in hoofdstuk 3 wordt het beleidskader toegelicht. De sectorale onderzoeken zijn in hoofdstuk 4 opgenomen. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de planregels. Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is de manege Hillegersberg gelegen aan de Bosweg nummer 10, zie de locatie in figuur 2.1. De manege en de bedrijfswoning moeten op die locatie wijken voor het verlengen van de A16. Daarom wordt de manege ongeveer 500 meter in oostelijke richting verplaatst ten opzichte van de huidige situatie. Ter plaatste van de toekomstige locatie is een parkeerterrein aanwezig, zie figuur 2.2.

Zowel de huidige als de toekomstige manege ligt in het Lage Bergse Bos. Het Lage Bergse Bos is een openbaar recreatiegebied, grenzend aan de Rotterdamse deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek. Het recreatiegebied is goed toegankelijk. Het Lage Bergse Bos is circa 215 hectare groot.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0002.jpg"Figuur 2.1 Huidige situatie manege Bosweg 10

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0003.png"

Figuur 2.2 Vogelvlucht perspectief huidige situatie plangebied toekomstige manege

2.2 Toekomstige situatie

De nieuwe manege en bedrijfswoning komen circa 500 meter ten oosten van de huidige manege te liggen. Ten opzichte van de huidige manege blijft de hoofdbestemming 'Recreatie' en neemt de omvang van het aantal dieren niet toe. De bebouwing neemt wel toe, dit heeft onder andere te maken met ruimere maten in het kader van dierenwelzijn. De manege behoudt de volgende functies:

  • De mogelijkheid voor het stallen van 75 paarden;
  • de aanwezigheid van 3 rijbanen, waarvan een binnenrijbaan van circa 60x20 meter, een rijbaan met een open zijde van circa 40x20 meter en een buitenrijbaan van eveneens 60x20m;
  • een longeerpiste;
  • een mestvaalt;
  • een tweede longeerpiste;
  • uitloopstallen en een weiland;
  • een opslag;
  • een bedrijfswoning;
  • een kantine e.d.
  • 32 parkeerplaatsen.

Een overzichtskaart met functies is weergegeven op de plattegrond in figuur 2.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0004.png"

Figuur 2.3 Toekomstige situatie met functies

Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet bos worden gerooid en graafwerkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning. Tevens moet een nieuwe rijhal, een buitenbak en een tweede longeerpiste aangelegd worden. Ook worden er kabels en leidingen aangelegd. De hoofdbestemming blijft Recreatie.

De bedrijfswoning wordt gebouwd op een verhoging van circa een halve meter, om een overzicht te hebben op het terrein. Een impressie van het nieuwe plangebied is weergegeven in figuur 2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0005.png"

Figuur 2.4 Impressie toekomstige situatie manege

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk is een samenvattend overzicht opgenomen van de beleidsdocumenten die ruimtelijk relevant zijn voor het bestemmingsplan Manege Hillegersberg. Allereerst wordt een overzicht gegeven van het externe beleid, daarna volgt een overzicht van het interne beleid. Dit overzicht is niet uitputtend, maar geeft wel het kader voor de nieuwe ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan.

3.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011, geactualiseerd 2012)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Nationale belangen

Voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar onderstaande nationale belangen. Deze zijn – direct of indirect – ook opgenomen in het Barro, waarmee zij juridisch doorwerken in bestemmingsplannen. De volgende belangen zijn relevant voor het plangebied:

  • 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. In dit kader blijft het Rijk gebiedsgerichte afspraken maken met de stedelijke regio's over de programmering van verstedelijking (woningbouw), zowel kwantitatief als kwalitatief.
  • 2. Efficiënt gebruik van de ondergrond.
  • 3. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • 4. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
  • 5. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Het plan houdt rekening met de bovenstaande punten en er zijn geen rijksbelangen in het geding. Wel is de verplaatsing nodig voor het verlengen van de A16. De reden van de verplaatsing (verlengen A16) draagt daarmee bij aan een robuust hoofdnetwerk.

3.3 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (2014), actualisering 2017

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht,
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compacter ruimtegebruik.

2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.

Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.

3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.

De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.

Conclusie

Het plangebied ligt volgens de visie ruimte en mobiliteit in beschermingscategorie -2. Deze categorie is aangemerkt als gebieden met een specifieke waarde. De specifieke waarde die voor het plangebeid geldt, heeft betrekking op openbaar recreatiegebied. De visie ruimte en mobiliteit schrijft voor dat ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden mogelijk zijn met inachtneming van de specifieke waarden.

Het plangebied ligt in een recreatiegebied om de stad. De visie ruimte en mobiliteit schrijft voor dat indien een ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt in een recreatiegebied om de stad, compensatie nodig is. De aangetaste waarden door de ontwikkeling moeten elders worden hersteld.

De manege is gelegen in het recreatiegebied 'Lage Bergse Bos'. De functie 'manege' past binnen het karakter van een recreatiegebied. Daarnaast betreft de ontwikkeling de verplaatsing van de manege. Op de huidige locatie van de manege komt de A16 in een tunnel te liggen. Op de tunnelbak wordt het plangebied als recreatiegebied ingericht. Dat betekent dat de huidige locatie van de manege weer in gebruik genomen kan worden als recreatiegebied. Op deze manier wordt aan de compensatie-eis voldaan.

Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied is aangemerkt als recreatiegebied met beschermingscategorie 2. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën

  • a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden.
  • b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 7 Beschermingscategoriëen ruimtelijke kwaliteit, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Toepassing artikel 2.2.1:

Lid 2, onder b: Het plangebied is aangeduid als 'recreatiegebied', met beschermingscategorie 2. Er is echter geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, maar slechts van verplaatsing van een manege. Deze functie is passend binnen het recreatiegebied.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Lansingerland (2010)

Met de structuurvisie geeft de gemeente Lansingerland de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2025 en een doorkijk naar de lange termijn.

De ambitie voor de gemeente Lansingerland is:

  • aantrekkelijk suburbaan wonen;
  • leefbaar, zorgzaam en met eigen identiteit;
  • ontspannen groene en recreatieve gemeente;
  • een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en het verder ontwikkelen van de greenport.
  • Duurzaamheid en een goede ontsluitingsstructuur zijn daarbij randvoorwaarden.

Het plangebied is op de Structuurvisiekaart aangewezen als 'Versterking groen en recreatiegebied' (zie figuur 3.1). De verplaatsing van de manege is niet in strijd met de structuurvisie Lansingerland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0007.png"

Figuur 3.1 Uitsnede structuurvisie Lansingerland

Visie Groen en recreatie Lansingerland

In de visie groen en recreatie Lansingerland heeft de gemeente een visie gemaakt gericht op samenhangende ontwikkeling van groen- en recreatiegebieden. In deze visie is onderscheid gemaakt tussen elf groen- en recreatiegebieden. Binnen die elf gebieden wordt onderscheid gemaakt tussen vier typologieën. De aandacht binnen deze gebieden ligt op het ontwikkelen van doorlopende fiets- en wandelroutes, uitbreiding en afstemming van recreatie- en vrijetijdsvoorzieningen en het beheer van groen- en recreatiegebieden. In de visie is geen specifiek beleid opgenomen voor het Lage Bergse Bos.

De visie groen en recreatie staat de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg.

Gemeentelijk rioleringsplan

In het vigerende gemeentelijk rioleringsplan staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. De ambities voor de huidige planperiode concentreren zich met name op het in stand houden van het systeem, het vernieuwen van de basisrioleringsplannen en het uitbouwen van kennis over het functioneren van het systeem door meten en monitoren. De gemeente hecht belang aan duurzaam verwerken van hemelwater, zoals het scheiden van schone en vuile waterstromen (daar waar kansen zijn) en het op locatie vasthouden/verwerken van hemelwater. Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich meebrengt worden meegewogen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Onderzoeken bestemmingsplan

Ten behoeve van de wijziging is door DCMR Milieudienst Rijnmond een planbeoordeling uitgevoerd. De planbeoordeling van DCMR Milieudienst Rijnmond is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de milieuzonering. De overige milieuaspecten worden kort besproken.

4.2 Mileuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek en conclusie

Een manege wordt aangemerkt als een milieuhinderlijke functie. Op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering geldt voor een manege een richtafstand van 50 m in verband met de aspecten geur en geluid. Deze afstand geldt ten opzichte van een rustige woonwijk of rustig buitengebied. Het plangebied is gelegen in een bosrijke omgeving. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen woningen en bedrijven aanwezig. Op basis hiervan kan het gebied gekenmerkt worden als rustig buitengebied.

De afstand van de dichtbijzijnde woning tot aan de manege is circa 500 meter waardoor ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. Op het terrein van de manege is tevens een bedrijfswoning en kantine beoogd. Omdat deze functies tot eenzelfde inrichting behoren is een belangenafweging tussen de verschillende functies binnen de inrichting niet noodzakelijk.

Doordat wordt voldaan aan de richtafstand zal ter plaatse van de woningen in de omgeving sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.3 Archeologie

Onderzoek

De gemeente Lansingerland heeft in 2016 nieuw archeologisch beleid vastgesteld. Op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Lansingerland komen binnen het plangebied middelhoge verwachtingswaarden voor. De beschreven verwachtingszones zijn op de archeologische beleidskaart vertaald naar concrete beleidslijnen. Hiervoor is gebruik gemaakt van een zogenaamd vrijstellingsregime, waarbij ruimtelijke ingrepen tot een bepaalde omvang en diepte worden ontheven van archeologisch onderzoek.

Het plangebied kent volgens het gemeentelijk beleid een middelhoge verwachtingswaarde. In figuur 4.1 is een uitsnede van actuele archeologische beleidskaart opgenomen.

Voor het plangebied geldt dat bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 2,5 m – mv, archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. Aangezien het plangebied circa 19.800 m2 groot is en de ontgravingsdiepte hoogstwaarschijnlijk dieper is dan 2,5 m, is er conform het geldende gemeentelijke beleid archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0176-VAST_0008.png"

Figuur 4.1 Uitsnede archeologsiche beleidskaart Lansingerland, 2016

Conclusie

Uit het verkennende archeologie onderzoek is gebleken dat er geen indicatoren zijn die wijzen op archeologische vondsten. Omdat het verkennend onderzoek betreft, kan niet worden uitgesloten dat er geen archeologisch vindplaatsen zijn. Gezien de mate van bodemverstoring en de aard van het bodemprofiel wordt de kans hierop laag ingeschat, waardoor verder onderzoek niet noodzakelijk is.

Door de aanwezigheid van zeer sterk veraard veen, wordt de kans bovendien laag ingeschat dat er nog intacte archeologische vondsten aanwezig zijn in de bodem. In bijlage 2 is het archeologisch onderzoek opgenomen.

De conclusie uit het archeologierapport is dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en dat het plangebied voor archeologie vrij gegeven kan worden voor de ontwikkeling.

4.4 Verkeer en parkeren

Verkeersontsluiting

Het plangebied ontsluit op de Bosweg, een doodlopende weg. De Bosweg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/u. Het sluit aan op de Bergweg Zuid / Grindweg, een ontsluitingsweg tussen Rotterdam en Bergschenhoek met een maximum snelheid van 50 km/u. Zowel de Bosweg als de Bergweg Zuid / Grindweg zijn voorzien van een twee richtingen fietspad. De verkeersontsluiting vindt in de nieuwe situatie circa 500 meter verder in de doodlopende Bosweg plaats.

Verkeersafwikkeling en parkeren

De bestemming blijft hetzelfde en de omvang van het aantal dieren neemt niet toe. De manege is in de huidige situatie volledig aangewezen op de openbare parkeerplaats die voor de manege ligt en is er is nagenoeg geen eigen parkeervoorziening op het manegeterrein zelf.

Per saldo zal de parkeercapaciteit op de te handhaven openbare parkeerplaats (P1 Zwijnenplaats) in de toekomst toenemen doordat het gebruik van de manege niet meer nodig is. De capaciteit op de derde openbare parkeerplaats (Hazenplaats) komt door de bouw van de nieuwe manege helemaal te vervallen. Parkeerterreinen 1 en 2 komen in de toekomst volledig ten goede aan de openbare parkeerbehoefte in dit deel van het Lage Bergse Bos.

Er is een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per box aangehouden in overeenstemming met de CROW- richtlijnen. Op basis van de norm zijn 30 parkeerplaatsen nodig (0,4 X 75). Er worden er 32 gerealiseerd, de twee extra parkeerplaatsen zijn bestemd voor de woning. Daarnaast blijkt dat het huidige aantal parkeerplaatsen van 32 voldoet. De parkeerplaatsen zijn dusdanig dat een deel daarvan voor auto's met trailers gebruikt kan worden. Op die manier kan parkeren worden ingevuld.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/h een geluidszone. De breedte van de geluidzone hangt af van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk dan wel buitenstedelijk gebied ligt. Bij ontwikkelingen van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidszones, moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de grenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.

Onderzoek en conclusie

De bedrijfswoning is een geluidgevoelig object. Het valt buiten de geluidzone van het nieuwe traject van de A16. De enige bron is de Bosweg, een doodlopende weg met enkel verkeer voor de manege en het recreatiegebied. De geluidbelasting van de Bosweg is daarmee dusdanig laag dat een geluidonderzoek niet doelmatig is. Het aspect wegverkeerslawaai staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.6 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³    
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³    
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³   vanaf 1 januari 2015  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

Ten opzichte van de huidige situatie neemt de omvang van de manege wat betreft dieren niet toe. De beoogde ontwikkeling zorgt dan ook niet voor een toename van de verkeersaantrekkende werking . Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2016 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Grindweg (als maatgevende doorgaande weg ten oosten van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen.

De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 28,3 µg/m³ voor NO2, 19,3 µg/m³ voor PM10 en 11,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7 dagen.

Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle oprichtingen aanwezig zijn. Tevens blijkt dat er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie ter plaatse van het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Kabels en leidingen

Afwegingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusie

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.9 Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Ten behoeve van de nieuwe locatie voor manege Hillegersberg ter plaatse historisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Het doel van het historisch vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie met betrekking tot onder andere het voormalig en huidig gebruik. Hiermee kunnen potentieel verdachte activiteiten die de bodemkwaliteit op de locatie mogelijk hebben beïnvloed in beeld gebracht worden.

Uit het historisch vooronderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen van activiteiten hebben plaats gevonden in het plangebied die tot bodemverontreiniging hebben kunnen geleid. Daarnaast zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen aangetoond.

Op basis van de resultaten van het historisch onderzoek is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de nieuwe locatie. Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.10 Water

Waterbeheer en watertoets

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om bij een bestemmingsplanprocedure de watertoets te doorlopen. De watertoets is het afstemmingsproces tussen de initiatiefnemer van het plan en de waterbeheerder. Het doel van de watertoets is om waterhuishoudkundige belangen mee te nemen in ruimtelijke plannen. Uit de watertoets blijkt dat er meerdere relevante wateraspecten van toepassing zijn op het plangebied. Door Antea is een volledige watertoets opgesteld. Deze watertoets is opgenomen in bijlage 4. Uit de watertoets blijkt dat er meerdere relevante wateraspecten van toepassing zijn op het plangebied. In onderstaande paragraaf worden de relevante aspecten samengevat.

Onderzoek

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Bosweg en is in de huidige situatie in gebruik als parkeerterrein. Het plangebied heeft een gemiddelde maaiveldhoogte van NAP -6 m. In het plangebied wordt op basis van de Bodemkaart van Nederland grondwatertrap III verwacht. Bij deze grondwatertrap is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ondieper dan 40 cm -mv. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt tussen 80 en 120 cm -mv.

In de huidige situatie loost de manege middels een minigemaal op het drukrioleringsstelsel van de gemeente Lansingerland dat afvoert richting het vrijvervalstelsel aan de Verdilaan van de gemeente Rotterdam.

Toekomstige situatie

De voorgenomen ontwikkeling heeft een toename van ca. 9.500 m² verhard oppervlak tot gevolg. Het aanbrengen van meer dan 500 m² verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Bij een toename van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd. Om te voorkomen dat de versnelde afvoer in de toekomst tot overlast leidt dient de toename van verhard oppervlak gecompenseerd te worden door middel van waterberging. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft aangegeven dat de compensatieverplichting voor het plangebied 9,2% van de toename van het verhard oppervlak bedraagt. Dit betreft 874 m².

Daarnaast dient het dempen van watergangen voor 100% gecompenseerd te worden. In het plangebied wordt één watergang gedempt die in de legger is aangegeven (type overig water). De oppervlakte van deze watergang is ca. 200 m².

Om de toename van het verhard oppervlak en de dempingen te compenseren dient in totaal 1.074 m² waterberging gerealiseerd te worden. De compensatie dient gerealiseerd te worden binnen hetzelfde peilgebied. De waterberging dient eerder of gelijktijdig met de uitvoering van het plan gerealiseerd te worden. Op deze manier blijft de bergingscapaciteit behouden en de kans op flinke peilstijgingen bij regenval beperkt. De compensatie wordt gerealiseerd door een watergang van 3 m breed en een lengte van 358 m aan de west- en noordzijde van het perceel.

Het hemelwater mag niet aangesloten worden op het drukriolering systeem, omdat dit systeem hier niet op ontworpen is. Al het hemelwater dient afgekoppeld te worden. Het hemelwater van de huidige verharding (parkeerterrein) wordt net als in de toekomst in het gebied opgevangen.

De afvoermogelijkheden voor het verwerken van hemelwater zijn in voorkeursvolgorde:

  • hemelwater vasthouden voor lokale benutting;
  • (in- ) filtratie (bodempassage) van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater.

Bij infiltratie en afvoeren naar oppervlaktewater moeten maatregelen worden genomen die mogelijke verontreiniging van grond- en oppervlaktewater door onder meer zware metalen, meststoffen, bestrijdingsmiddelen of anderszins voorkomen.

Verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen door zo min mogelijk uitlogende of anderszins uitspoelende bouwstoffen toe te passen waardoor het afstromende hemelwater wordt vervuild. Lozingen in oppervlaktewater die als gevolg van uitlogende materialen (bijv. zinken of koperen daken) verontreinigd zijn geraakt zijn vergunningplichtig. Voor een uitgebreide beschrijving van de invloed van de ontwikkelingen op de waterhuishouding, wordt verwezen naar het onderzoek in bijlage 4.

In bijlage 4 is opgenomen dat de waterberging in overleg met hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard nader wordt uitgewerkt. Deze afstemming heeft reeds plaats gevonden.

Huishoudelijk afvalwater zal via een pompput worden afgevoerd via het bestaande drukrioleringssysteem, dit systeem is ontworpen voor de inzameling van afvalwater. Het hemelwater moet worden afgekoppeld en mag niet worden aangesloten op het (druk) rioleringssysteem. Tijdens de aanleg van de A16 wordt de afvoer van het drukrioleringsstelsel doorkruist. Met de betrokken partijen wordt afgestemd over de mogelijkheden om de afvoer tijdens de aanleg te kunnen waarborgen.

Conclusie

Voor het realiseren van het plan dient 1.074 m² waterberging gerealiseerd te worden. Dit wordt gerealiseerd door een watergang aan de west- en noordzijde van het perceel aan te leggen. Daarnaast is het om vervuiling van het grond- en oppervlaktewater te voorkomen van belang om zomin mogelijk uitlogende of anderszins uitspoelende bouwstoffen toe te passen waardoor het afstromende hemelwater wordt vervuild.

4.11 Ecologie

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 13 kilometer afstand van het plangebied. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied op voorhand uit te sluiten.

Voor wat betreft de NNN is alleen bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNN-gebieden. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving van het plangebied. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen.

Ten behoeve van de ontwikkeling dient een groot aantal bomen te worden gekapt. Het rooien van de beplanting dient te worden opgenomen in de aanvraag van een omgevingsvergunning of bij de melding in het kader van de Boswet. Hiervoor is er een bomeninventarisatieplan opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 5. Aangezien de van kracht is, is er sprake van een herplantingsplicht. Dat betekent dat bomen 1 op 1 gecompenseerd moeten worden. Voor zo ver de bomen niet op de huidige loatie gecompenseerd kunnen worden, kunnen ze worden gecompenseerd in Park de Polder.

De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het NNN, staan de uitvoering van het plan niet in de weg.

Soortenbescherming

Het plangebied is beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde soorten niet kan worden uitgesloten.

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier-of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Wet natuurbescherming niet optreden. Het plan voorziet in de realisering van een manege. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden. Indien de volgende maatregelen in acht worden genomen, is overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde en wordt voldaan aan het beleid van de provincie ten aanzien van soortenbescherming.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de algemeen voorkomende soorten omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in provincie Zuid-Holland. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Met ingang van de nieuwe Wet Natuurbescherming blijft de zorgplicht bestaan.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).
  • De nestkast in het plangebied kan mogelijk gebruikt worden door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De provincie Zuid-holland neemt de bescherming van vogels met jaarrond beschermde nesten over. Voor aanvang van de werkzaamheden dient te worden gecontroleerd of de kast wordt gebruikt door een vogelsoort met een jaarrond beschermd nest.
  • In het plangebied zijn twee groeiplaatsen van de tongvaren aangetroffen. Met ingang van de nieuwe Wet Natuurbescherming is de bescherming van de soort komen te vervallen en valt de soort onder de algemene zorgplicht.
  • In het plangebied zijn mogelijk vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in bomen met holtes. Nader onderzoek naar het gebruik van de holtes door vleermuizen is nodig om het effect van het voornemen op vaste rust- en verblijfplaatsen te kunnen bepalen.

Er is nader onderzoek gedaan naar het voorkomen van vleermuizen in het plangebied. Uit de notitie, bijlage 7, uitgevoerd door Antea, blijkt dat de onderzochte boomholtes niet geschikt geacht worden als verblijfplaats voor vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar het gebruik van de holtes door vleermuizen als zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats wordt niet nodig geacht. De volledige notitie is bijgevoegd in bijlage 7.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Aangezien de Boswet van kracht is, geldt er een herplantingsplicht. In het kader van de Wet natuurbescherming is nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen en het gebruik van de nestkast noodzakelijk. Uit het nader onderzoek is gebleken dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

4.12 Vormvrije mer-beoordeling

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

Gelet op de kenmerken van het plan, zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsplicht noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.13 Luchthaven Rotterdam The Hague Airport

Voor het plangebied is de vrijwaringszone luchtvaartvoorziening en het toetsingsvlak van DVOR/DME-2 van toepassing.

Voor wat betreft de vrijwaringszone luchtvaartvoorziening ligt het plangebied binnen de aanvliegroute van Rotterdam The Hague Airport. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken. De toetsingshoogte binnen het plangebied bedraagt 70 meter ten opzichte van NAP. Het plangebied bevindt zich voor wat betreft het toetsingsvlak van de vrijwaringszone 'DVOR/DME-2' binnen de toetsingsvlakken 20 m en 30 m boven NAP.

Voor de manege geldt een maximum bouwhoogte van 9 meter. Hierdoor zal de toegestane maximale bouwhoogte van 70 meter (boven NAP) niet overschreden worden. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen en bouwwerken toegestaan die hoger zijn dan hoogtebeperkingen vanwege de vrijwaringszone 'luchtvaartvoorziening' en 'DVOR/DME-2 . Om die reden is geen aanvullende regeling in het plan opgenomen.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de planregels

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische regeling van het bestemmingsplan zoals deze luidt nadat het bestemmingsplan in werking is getreden.

Planregels

Bestemmingsregels

Conform het vigerende bestemmingplan zijn de voor 'Recreatie' aangewezen gronden bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen, groenvoorzieningen, speel- en ligweiden en trapvelden, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en ontsluitingswegen daarvoor, bruggen en overige kunstwerken, uitritten en verhardingen, wandel-, fiets- en ruiterpaden en ontsluitingswegen.

De voor 'specifieke bouwaanduiding 'paardenbakken' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor een paardenbak. De voor 'parkeerterrein' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor een parkeerterrein. De voor 'manege' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor een paardenmanege. De voor 'bedrijfswoning' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor een bedrijfswoning.

Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. De maximale goothoogte (m) en/of maximale bouwhoogte (m) mag niet meer bedragen dan is aangegeven.

Algemene regels

In de algemene regels zijn aanvullende regels opgenomen. Dit hoofdstuk bevat antidubbeltelregeling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Deze regels zijn opgenomen in de artikelen 4 t/m 10.

Overgangs en slotregels

In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Ook is een strafbepaling opgenomen voor overtreding van de gebruiksbepalingen. Deze regels zijn opgenomen in artikel 11 In artikel 12 is de slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan betreft het juridisch mogelijk maken van de verplaatsing van manege Hillegersberg.

Voor de ontwikkeling van het project heeft de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten waarin de (financiële) afspraken over het project zijn vastgelegd, inclusief kostenverhaal. Hiermee wordt de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. 

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Voorontwerp

Het voorontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan een aantal overlegpartijen. Naar aanleiding van de reacties van een aantal overlegpartijen, is het bestemmingsplan aangepast. De nota overleg en staat van wijzigingen is bijgevoegd in bijlage 8.

6.2.2 Ontwerp

Het ontwerpbestemmingsplanmet de daarbij behorende stukken heeft van 2 mei tot en met 12 juni 2017 ter inzage gelegen via de gemeentelijke website en de (landelijke) website www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze inzagetermijn zijn twee zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. In bijlage 9 is de Nota zienswijzen en de staat van wijzigingen bijgevoegd.