| Plan: | Rembrandtlaan 42, Bleiswijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1621.BP0154-VAST |
LET OP UITVOER IN WORD: ONDERSCHRIFT
De Gereformeerde Kerk (hersteld) wil een nieuw kerkgebouw realiseren aan de Rembrandtlaan in Bleiswijk. Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan "Kom Bleiswijk". Een kerk past in de ter plaatse geldende bestemming 'Maatschappelijk', maar de omvang van het bouwvlak en de maximale hoogte volgens het vigerende bestemmingsplan zijn ontoereikend om de kerk te kunnen realiseren. Daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig. De gemeente Lansingerland wil medewerking verlenen aan de benodigde planologische procedure ten behoeve van de ontwikkeling. Dit bestemmingsplan is de juridische vertaling daarvan.
Het plangebied ligt in het westen van Bleiswijk tussen de Rembrandtlaan (oostzijde), Sportlaan (noordzijde), N209 (westzijde) en de sporthal Rijneveen (zuidzijde). In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aangegeven.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Binnen het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan "Kom Bleiswijk", vastgesteld op 6 september 2012. De gronden hebben in het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk'. Het bouwplan past wel binnen de bestemming, maar niet binnen het bouwvlak en de toegestane bouwhoogtes van deze bestemming in het vigerende bestemmingsplan.
Er is gekozen voor een gedetailleerd bestemmingsplan, zodat de randvoorwaarden helder zijn. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), regels en de daarbij behorende toelichting.
In hoofdstuk 2 staat de beschrijving van de ruimtelijke aspecten en de milieuaspecten. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader waarbinnen het bestemmingsplan moet passen. In hoofdstuk 4 is de beschrijving van het plan opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting op de planregels gegeven. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: 'de veroorzaker betaalt'.
Op 28 maart 2013 zijn het gemeentelijke archeologiebeleid en de archeologische verwachtingenkaart vastgesteld. Volgens de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Lansingerland ligt het plangebied in zone II en III .
De beschreven verwachtingszones zijn op de archeologische beleidsadvieskaart vertaald naar concrete beleidslijnen. Hiervoor is gebruikgemaakt van een zogenaamd vrijstellingsregime, waarbij ruimtelijke ingrepen tot een bepaalde omvang en diepte worden ontheven van archeologisch onderzoek. Het planvoornemen past niet binnen dit vrijstellingsregime.
Antea Group heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Binnen het plangebied worden enkel sporen verwacht van agrarisch gebruik. De kans op het aantreffen van een behoudenswaardige archeologische vindplaats binnen het plangebied is klein en geadviseerd wordt om de archeologische verwachting bij te stellen naar laag en hiermee het plangebied vrij te geven voor toekomstige ontwikkelingen. Derhalve worden de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en '2' uit het vigerend bestemmingsplan “Kom Bleiswijk” dan ook niet meer opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeentelijk archeoloog.
Op 26 april 2012 heeft de gemeente de nota Cultuurhistorie Plus vastgesteld, hierin is het plangebied niet aangemerkt als een cultuurhistorisch element. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de historische kern. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'rijtjes aan straten'. Hier geldt een licht welstandsbeleid, het beleid is voornamelijk gericht op woningen. Dit aspect staat het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Huidige situatie
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom in het westen van Bleiswijk. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Sportlaan, aan de oostzijde door de Rembrandtlaan, aan de zuidzijde door een sporthal en aan de westzijde door de Provinciale weg N209.
Normstelling
Gebiedsbescherming
De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de Provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Onderzoek
Door Anteagroup is een natuurtoets uitgevoerd. De uitkomsten van deze natuurtoets zijn opgenomen in de rapportage met projectnummer 267022 d.d. 31-3-2014 (bijlage 2). De conclusies uit deze rapportage worden hieronder kort weergegeven.
Gebiedsbescherming
Ecologische Hoofdstructuur
Voor wat betreft de EHS is alleen bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen EHS binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de EHS dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel EHS-gebieden. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS in de nabijheid van het project kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het plangebied heeft een beperkt effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor EHS geen belemmeringen.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit de bureaustudie blijkt dat binnen drie kilometer afstand van het plangebied geen Natura 2000-
gebied ligt. Vanwege de afstand, de omvang van de ontwikkeling en de stedelijke ligging worden geen effecten op het Natura 2000-gebied ('De Wilck') verwacht. Zoals aangegeven hierboven, heeft de ruimtelijke ontwikkeling beperkte invloed op de directe omgeving van het plangebied. Op basis van de afstand en de beperkte invloed zijn er geen negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te verwachten. Dit geldt ook voor de andere gebieden uit de Natuurbeschermingswet.
Soortenbescherming
Vogels
Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Flora- en faunawet. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli), indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Flora- en faunawet aan de orde.
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied of de directe omgeving wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot nadat het nest niet meer in gebruik is.
Er is een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en bij verwijdering van de broedplaats altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn de zogenoemde categorie 1-4- vogelsoorten.
Tijdens het terreinbezoek zijn geen sporen, nesten/potentiële nestplaatsen of braakballen aangetroffen van categorie 1-4-vogelsoorten. Deze soorten zijn dan ook uitgesloten in het plangebied.
Daarnaast zijn er zogenoemde categorie 5-vogelsoorten, waarvan de nesten alleen jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5-soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de directe omgeving of onvoldoende nestgelegenheden hebben in de directe omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen.
Zoogdieren
Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Flora- en faunawet. Bij het amoveren van bebouwing en het kappen van vooral oudere bomen dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Gebouw bewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen.
In het voorliggende plangebied zijn in het aanwezige gebouw ruimtes, kieren, spouwmuurgaten en betimmeringen aanwezig die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen of die vleermuizen toegang bieden tot het gebouw (zie afbeelding 5.3). Daarnaast zijn in 2012 (foeragerende en baltsende) vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Door deze aspecten zijn vleermuizen op basis van (veld)ervaring en kennis van de geschiktheid van de elementen voor vleermuizen, niet uit te sluiten van het plangebied.
Door de ontwikkeling is mogelijk sprake van het verstoren en aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen zijn zwaar beschermde soorten en staan vermeld op tabel 3 van de Flora- en faunawet en bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Om die reden is nader onderzoek naar het gebruik en de functie van het gebouw in het plangebied noodzakelijk.
Er zijn geen zwaarder beschermde andere zoogdieren in het plangebied aangetroffen en worden tevens niet verwacht. Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor deze soorten. Effecten zijn dan ook uitgesloten.
Reptielen en amfibieën
Er zijn geen zwaarder beschermde amfibiesoorten aangetroffen in het plangebied. Beschermde amfibieën en reptielsoorten worden door het aangetroffen biotoop in het plangebied midden in het stedelijk gebied, de continue verstoring in de omgeving, het ontbreken van geschikt (voortplantings)water (in het geval van amfibieën) en de eisen die deze soorten aan het biotoop stellen, ook niet verwacht in het plangebied. Effecten op deze soorten zijn dan ook uitgesloten.
Vissen
Binnen de begrenzing van het plangebied is geen water aanwezig. Effecten op vissoorten zijn dan ook uitgesloten.
Planten
Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het plangebied. Het plangebied herbergt geen geschikt habitat of standplaatsfactoren voor zwaar beschermde soorten. Effecten zijn dan ook uitgesloten.
Overig beschermde soorten
Er zijn geen effecten te verwachten op andere beschermde soorten, zoals dagvlinders, libellen en andere ongewervelden in het plangebied, omdat ze niet zijn aangetroffen tijdens het terreinbezoek en de aangetroffen biotopen niet of nauwelijks geschikt zijn.
Conclusie
In het kader van de sloop van de bestaande bebouwing en de benodigde omgevingsvergunning wordt nader onderzoek naar aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. Indien de resultaten hiervan bekend zijn, worden deze meegenomen in dit bestemmingsplan.
Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
Ten zuidwesten van het plangebied ligt de luchthaven Rotterdam The Hague Airport. Rondom luchthavens dient rekening gehouden te worden met invliegfunnels en vrijwaringszones voor radars. De hoogtebeperkingen worden minder naarmate de afstand tot de luchthaven groter wordt. Het plangebied ligt op een dermate grote afstand tot het vliegveld dat dit aspect geen belemmering vormt voor het plan. Het opnemen van een vrijwaringszone is niet nodig. Zie figuur 2.1.
Hoogtebeperkingen luchthaven Rotterdam The Hague Airport
Ontsluiting gemotoriseerd verkeer
Het nieuwe kerkgebouw zal ontsloten worden vanaf de Rembrandtlaan en de Sportlaan. Deze wegen leiden respectievelijk naar de Frans Halslaan en de Karel Doormanlaan. De Frans Halslaan sluit aan op de Hoekeindseweg. De Karel Doormanlaan sluit via de Trompstraat aan op de Hoefweg. Zowel de Hoekeindseweg als de Hoefweg verzorgen de verdere ontsluiting naar de N209 en de toeleidende wegen naar de overige wijken van de kern Bleiswijk. De Rembrandtlaan, Sportlaan, Frans Halslaan en de Karel Doormanlaan zijn allen gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/h. De Hoekeindseweg en de Hoefweg kennen vanaf de kruispunten met respectievelijk de Lijsterlaan en de Lange Vaart een gebiedsontsluitende functie. Hier geldt een maximum snelheid van 50 km/h.
Ontsluiting langzaam verkeer
Het langzaam verkeer wordt op alle erftoegangswegen (30 km/h) conform de Richtlijnen van Duurzaam Veilig gemengd met het gemotoriseerde verkeer afgewikkeld. Langs de Hoekeindseweg en de Hoefweg zijn, langs de wegvakken waar een maximum snelheid geldt van 50 km/h, vrijliggende fietsvoorzieningen aanwezig.
Parkeren
Parkeerbehoefte
Conform de nieuwe (recent vastgestelde) parkeernormen van de gemeente Lansingerland, geldt voor kerken een parkeernorm van 0,2 parkeerplaats per zitplaats. Uitgaande van 250 zitplaatsen zouden er 50 parkeerplaatsen nodig zijn voor de kerk. Aangezien de afspraken met de initiatiefnemer over het aantal te realiseren parkeerplaatsen bij de kerk zijn gemaakt en vastgelegd voordat de nieuwe parkeernormen werden vastgesteld, wordt voor deze ontwikkeling uitgegaan van een parkeerbehoefte van 43 parkeerplaatsen
Deze behoefte is gebaseerd op de volgende uitgangspunten waarover uitvoerig overleg is gevoerd en gebaseerd is op de huidige situatie rondom de huidige tijdelijke kerk in Berkel en Rodenrijs.
Dit betekent een parkeerbehoefte van 43 parkeerplaatsen (250x60%/3,5). Wel is er gekeken of in de omgeving van de ontwikkeling parkeercapaciteit beschikbaar is om ook een parkeerbehoefte van 50 parkeerplaatsen op basis van de parkeernormen van de gemeente Lansingerland (0,2 pp/zitplaats) op te vangen.
Te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein
Basisuitgangspunt voor (nieuwe) ontwikkelingen is realisatie van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Op het voorplein en achterplein van de kerk worden parkeerplaatsen gerealiseerd. Het voorplein van de kerk biedt ruimte voor parkeren van 10 auto's en fietsenstallingen. Op het achterplein is een parkeerterrein met 16 parkeerplaatsen voorzien. Deze 26 parkeerplaatsen op eigen terrein zijn opgenomen in de overeenkomst met de initiatiefnemer en zullen ook in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Gezien de parkeerbehoefte van 43 parkeerplaatsen moeten in de directe omgeving nog 17 parkeerplaatsen worden gevonden.
Parkeercapaciteit in de omgeving
De Rembrandtlaan/Sportlaan zijn recent gereconstrueerd. Onderdeel van deze herinrichting was de aanleg van extra parkeerplaatsen om het bestaande tekort voor de woningen en sporthal Rijneveen op te vangen. Hiervoor zijn de haakse vakken langs de Sportlaan met 3 parkeerplaatsen uitgebreid (van 13 naar 16) en langs de Rembrandtlaan zijn 5 parkeervakken en een laad- en losplaats aangelegd, waarop in het weekend gepar-keerd mag worden. Deze geeft ruimte aan 3 voertuigen.
Op het moment dat de kerk in gebruik wordt genomen, zullen op zondagmiddag geen parkeerplaatsen meer beschikbaar zijn voor 'dubbelgebruik' door de kerkbezoekers en gebruikers van de naastgelegen sporthal, omdat in de sporthal dan ook op zondag wedstrijden worden gehouden. De VMBO-school De Kring aan de Rembrandtlaan wordt in de nabije toekomst verplaatst en dan opnieuw ontwikkeld. In deze nieuwe situatie zullen op deze locatie waarschijnlijk ook geen parkeerplaatsen meer beschikbaar zijn voor dubbelgebruik op zondag.
Ondanks de relatief grote loopafstand (300 m.) liggen aan de Dorpsstraat, in de omgeving van de Albert Heijn nog enkele parkeerterreinen die gebruikt kunnen worden door kerkbezoekers. Volgens landelijke richtlijnen is deze loopafstand te groot, maar de praktijk bij de andere kerken in Bleiswijk is dat er wel kerkbezoekers zijn die langere loopafstanden accepteren. Ook is dit het geval bij het huidige, tijdelijke kerkgebouw in Berkel en Rodenrijs. De parkeerplaatsen worden de komende jaren wel meer gebruikt door bezoekers van de Albert Heijn, vanwege de openstelling van de supermarkt op zondag. Het aantal bezoekers van een supermarkt op zondag is echter dermate laag dat er voldoende restcapaciteit overblijft voor bezoekers van de kerk. De kerk zal zijn bezoekers wel actief moeten wijzen op het gebruik van de parkeergelegenheid aan de Dorpsstraat. Dit is privaatrechtelijk ook zo overeengekomen.
De parkeerplaatsen in de directe omgeving worden gevonden op de nieuwe laad- en losplaats/ parkeerplaats aan de Rembrandtlaan. Het overige deel van de bezoekers kan in de ochtend mogelijk gebruik maken van parkeerplaatsen bij sporthal Rijneveen en anders uitwijken naar de parkeerplaatsen aan de Dorpsstraat. Ook de 7 extra parkeerplaatsen die nodig zouden zijn om te voldoen aan de nieuwe parkeernorm zijn in de ochtend mogelijk bij de sporthal beschikbaar en anders aan de Dorpsstraat.
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling
De realisatie van het kerkgebouw heeft een verkeersaantrekkende werking. Daar geen kengetal in de CROW is opgenomen voor een religiegebouw, is op basis van het aantal parkeerplaatsen en de verblijfsfunctie een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie. Hierbij is rekening gehouden met het aantal kerkdiensten. De zondag is maatgevend met een ochtend- en middagkerkdienst. Daarbij moet rekening worden gehouden met 2 ritbewegingen per parkeerplaats (inkomend en uitgaand). Voor de 250 zitplaatsen die het nieuwe kerkgebouw krijgt, zijn volgens de meest recente normen 50 parkeerplaatsen nodig. Dit resulteert in circa 200 mvt/etmaal. Dit verkeer zal zich hoofdzakelijk verspreiden over de wegen binnen de bebouwde kom van Bleiswijk. Daarbij is verder geen rekening gehouden met een aftrek van de verkeersgeneratie van de huidige bestemming.
Conclusie
De ontsluiting van de kerk is voor het autoverkeer en langzaam verkeer goed. Ook wordt voorzien in de parkeerbehoefte. De toename van circa 200 mvt/etmaal in de verkeersbewegingen kan goed via de bestaande wegenstructuur worden afgewikkeld. Derhalve vormt het aspect verkeer geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Ingevolge de Wet geluidhinder is een kerkgebouw niet aangemerkt als geluidsgevoelig. Een akoestisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven.
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in deze paragraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Europees:
Nationaal:
Provinciaal
Hoogheemraadschapsbeleid
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2010-2015, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert het HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn:
Bovendien nemen hierdoor het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers toe.
Voor ontwikkelingen is het waterbeheerplan van het HHSK 2010 – 2015 van belang. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak. In het waterbeheerplan van het HHSK 2010 – 2015 is beschreven hoe het hoogheemraadschap omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemende verharding van het oppervlak. In zijn algemeenheid geldt verder dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, van de hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en graven van water en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied is gelegen aan de Sportlaan en de Rembrandtlaan te Bleiswijk en bestaat in de huidige situatie uit een schoolgebouw.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit lichte klei met homogeen profiel. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld is gelegen en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld.
Waterkwantiteit
Direct rondom het gehele plangebied zijn geen bestemde watergangen gelegen. De dichtsbijzijnde bestemde watergangen zijn gelegen ten oosten van de Rembrandtlaan parallel aan de Margriet- en Van Goghlaan en de Hoefweg. Parallel aan de N209 ligt wel een niet bestemde watergang.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
De aanwezige watergangen behoren niet tot de Kader Richtlijn Water (KRW)-lichamen.
Veiligheid en waterkeringen
Ten oosten van het plangebied is een waterkering gelegen. Het plangeibied ligt niet binnen de kern- /beschermingszone van deze kering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
Het bestemmingsplan maakt de bouw van een kerk mogelijk.
Waterkwantiteit
Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water, waarbij een compensatienorm van 9,5% geldt. Het bestemmingsplan maakt minder bebouwing mogelijk dan nu is toegestaan. Er is derhalve geen toename in verharding waardoor compensatie niet noodzakelijk is.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Veiligheid en waterkeringen
De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
Onderzoek
Voor kerken geldt op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) een richtafstand van 30 m tot een rustige woonwijk in verband met het aspect geluid. De dichtstbijzijnde woningen liggen op circa 20 meter afstand van het plangebied. Hoewel voor een aantal woningen niet aan de richtafstand wordt voldaan, kan toch van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gesproken worden, aangezien de kerk geen kerkklok(ken) zal krijgen, noch zal er een carillon aanwezig zijn, waardoor
er geen hinder als gevolg hiervan zal optreden. Daarnaast dient de opmerking gemaakt te worden dat de een kerk binnen de huidige bestemming van het plangebied, ‘Maatschappelijk’ past. De (voorheen) aanwezige basisschool viel ook onder de bestemming ‘Maatschappelijk’ en had dezelfde richtafstand. Daarmee is er geen spraken van een significante wijziging van de situatie.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuhinder geen belemmering oplevert voor het bestemmingsplan.
Normstelling
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een kerk. De kerk past binnen de huidige bestemming 'Maatschappelijk'. Daarom is er geen sprake van een functiewijziging en is in het ruimtelijk spoor geen noodzaak tot bodemonderzoek.
In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen dient wel een recente verkennend bodemonderzoek aangeleverd te worden. In het kader daarvan is door Antea Group een verkennend bodemonderzoek (bijlage 3) opgesteld. Hieruit blijkt dat er geen gehalte boven de achtergrondwaarden zijn aangetroffen. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2.1 weergegeven.
Tabel 2.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | geldig |
| stikstofdioxide (NO2) 1) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 tot en met 2014 |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |
| fijn stof (PM10) 2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien:
NIBM
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Wet milieubeheer
In paragraaf 2.4 is de extra verkeersgeneratie berekent. Ten gevolge van de nieuwe functies zal de verkeersgeneratie 200 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Hierbij is uitgegaan van een worst-case vrachtverkeerpercentage van 0,5 %. Met behulp van de NIBM-tool is onderzoek gedaan of de verkeersgeneratie mogelijk een in betekende mate bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Derhalve is nader onderzoek niet noodzakelijk. In figuur 2.1 is de NIBM-tool weergegeven.
Figuur 2.1: NIBM-tool
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2011 als in 2020 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 2.1.
Het maximale gehalte stikstofdioxide in het jaar 2012 bedraagt 32,0 µg/m³ , voor fijnstof bedraagt dit maximaal 21,9 µg/m³. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 10 dagen.
Luchtkwaliteit o.b.v. NSL-monitoringstool.
Direct langs de wegen nabij het plangebied wordt aan de grenswaarden voldaan, dit zal ook ter plaatse van de beoogde kerk het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Wegen en Basisnet Water opgenomen in de circulaire.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.
Onderzoek
Uit de risicokaart blijkt dat in dan wel in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn.
Uit de risicokaart blijkt tevens dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt over de weg (N209) of door buisleidingen ter plaatse van het plangebied dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied. Hoewel de risicokaart voor dat deel van de N209 geen vervoer van gevaarlijke stoffen aangeeft en de N209 geen officieel aangewezen route voor gevaarlijke stoffen is, kan niet worden uitgesloten dat deze weg wel wordt gebruikt voor de bevoorrading van tankstations en de diverse propaantanks in het buitengebied. Er zijn echter geen telgegevens bekend voor dat deel van de N209. Uitgegaan wordt daarom van de transportgegevens van het traject Hillegersberg-Bergschenhoek van de N209 en dat deze gegevens op het wegvak bij Bleiswijk niet hoger zijn.
Plaatsgebonden risico en Groepsrisico N209
Vanwege de lage transportfrequentie kan In de risicoverantwoording gebruik worden gemaakt van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Dan hoeft er niet gerekend te worden.
Volgens tellingen worden over het traject Hillegersberg-Bergschenhoek (Jaarintensiteiten Provincie Zuid-Holland, november 2011; bevat telgegevens uit september 2009) de volgende stoffen vervoerd:
| Categorie | LF1 | LF2 | LT1 | LT2 | GF3 |
| aantal | 1401 | 1612 | 31 | 377 | 106 |
De N209 heeft twee rijstroken en een maximumsnelheid van 80 km/u. De afstand van het bouwvlak tot de as van de weg bedraagt bijna 32 meter.
Uit de vuistregels van de HART volgt dat er bij dit type wegen (80 km/u, buiten bebouwde kom) geen sprake is van een PR 10-6 contour als de hoeveel transporten GF3 lager is dan 500 per jaar. Voor de N209 geldt dus geen PR10-6 contour.
Daarnaast volgt uit de vuistregels dat het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde bij een transportfrequentie van 230 transporten op jaarbasis en een personendichtheid van 100 personen per hectare.
Voor de N209 geldt dat zowel de transportfrequentie als de personendichtheid lager is. Zeker nu aan de westkant van de weg vrijwel alleen kassen liggen en aan de oostkant sprake is van laagbouw.
Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico ruimschoots onder de 10% van de oriëntatiewaarde
blijft, zodat een verdere berekening niet noodzakelijk is.
Verantwoording groepsrisico
Het groepsrisico is laag en neemt niet toe als gevolg van dit plan. Maatregelen om een verdere verlaging van het groepsrisico te bewerkstelligen zijn daarom niet relevant. Aan de VRR is wel nader advies gevraagd over zelfredzaamheid en rampenbestrijding.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten maakt de VRR de volgende overwegingen:
Er zijn voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid en aanvullende maatregelen worden in dat kader dan ook niet nodig geacht. De gemeente Lansingerland is daarom van mening dat er sprake is van een aanvaardbaar niveau van het groepsrisico als gevolg van deze risicobron.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van een bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer (Besluit m.e.r., Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
In dit hoofdstuk is het relevant beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau opgenomen.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Barro
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor het plangebied relevante belangen zijn:
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het voorliggende plan is niet in strijd met de genoemde belangen. Voor het plangebied zijn geen specifieke beleidsvoornemens vastgesteld.
Provinciale Structuurvisie
De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.
De visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
Het plangebied is aangeduid als 'bestaand stads- en dorpsgebied'. Het planvoornemen is niet in strijd met het bestaand - en dorpsgebied.
Verordening Ruimte
In samenhang met de structuurvisie is de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied ligt binnen de bebouwingscontour. Van toepassing is artikel 2, lid 2 (ladder voor duurzame verstedelijking):
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen houdt rekening met de navolgende voorkeursvolgorde:
De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording. Dit bestemmingsplan maakt een stedelijke ontwikkeling mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied en is daarmee niet in strijd met de Verordening Ruimte.
Structuurvisie Lansingerland (2010)
Met de Structuurvisie Lansingerland wil de gemeente sturing geven aan 'aantrekkelijk wonen, werken, recreëren en leven'. Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als 'kwaliteitsverbetering bestaand stedelijk gebied'. Zie rode cirkel in figuur 3.1.
Figuur 3.1 Uitsnede structuurvisiekaart
Welstandsnota
Op 26 april 2012 is de Welstandsnota vastgesteld. De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De welstandsnota vormt hierin een belangrijke bouwsteen. De gemeente heeft een gebiedenkaart opgesteld, waarin de verschillende welstandscriteria zijn opgehangen. Het plangebied is aangemerkt als 'rijtjes aan straten'. Dit gebied heeft een licht welstandsbeleid. Bij dit welstandsniveau is de preventieve welstandsbeoordeling primair gericht op het bewaren van de stedenbouwkundige en architectonische samenhang.
De bestaande bebouwing binnen het plangebied wordt gesloopt. De nieuwe bebouwing betreft een kerkgebouw. Vanaf de Rembrandtlaan bezien krijgt het voorste gedeelte een maximale bouwhoogte van 5,5 meter. De bouwhoogte van het achterste gedeelte loopt op van 8 naar 11 meter (lessenaarsdak). Aan de zijde van de N209 is een bouwhoogte toegestaan tot 17,5 meter, ten behoeve van een toren. Hierin zal echter geen luidklok worden opgenomen. Zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het nieuwe kerkgebouw worden parkeervoorzieningen gerealiseerd.
Figuur 4.1 Impressie kerkgebouw (vanaf de Rembrandtlaan)
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Dit bestemmingsplan wordt IMRO 2012 opgesteld en voldoet daarmee aan deze eisen.
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. Alleen de procedureregels voor het stellen van nadere eisen zijn opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Voor de andere procedureregels wordt verwezen naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wro.
Conform de SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.
Bij onderstaande regels is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan Kom Bleiswijk en de standaardregeling van de gemeente Lansingerland.
Deze bestemming is conform standaard regeling van de gemeente Lansingerland. Dit betreffen de gronden die zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, ruiterpaden, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen, speelplaatsen en speelvoorzieningen, in- en uitritten, voorzieningen van algemeen nut en ontsluitingen ten behoeve van calamiteitenverkeer.
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25 m² en de bouwhoogte meer dan 3 m.
Daar waar de kerk gerealiseerd wordt en de omliggende gronden hebben de bestemming 'Maatschappelijk' toegekend gekregen. Dit is een brede bestemming, waarin ook het gebruik als kerk is toegestaan.
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen;
met daaraan ondergeschikt wegen en paden, tuinen en erven, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water.
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd en uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd waarbij de bouwhoogte is aangegeven.
In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels en overige regels (uitsluiting aanvullende werking bouwverordening ) opgenomen. Deze algemene regels zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan "Kom Bleiswijk" en/of overeenkomstig de standaardregeling van de gemeente Lansingerland.
In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangeduid.
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het voorontwerpbestemmingsplan is beschikbaar gesteld aan de overlegpartners in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er zijn van zeven overlegpartners reacties ontvangen. De ontvangen reacties zijn (ambtshalve) kort samengevat en voorzien van een gemeentelijk commentaar en conclusie (zie bijlage 4). De overlegreacties geven alleen aanleiding om de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan aan te passen.
Inspraak
Overeenkomstig de Verordening Interactieve Beleidsvorming, Inspraak en Burgerinitiatief Lansingerland 2013 is inspraak verleend op het voorontwerpbestemmingsplan Rembrandtlaan 42, Bleiswijk. Op 8 juni 2014 heeft de vooraankondiging ex artikel 1.3.1 Bro plaatsgevonden in het gemeenteblad. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft 4 weken ter inzage gelegen . Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijke inspraakreacties op het voornoemde voorontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn drie inspraakreacties ontvangen. De ontvangen reacties zijn (ambtshalve) kort samengevat en voorzien van een gemeentelijk commentaar en conclusie (zie bijlage 4). De inspraakreacties geven geen aanleiding tot aanpassing van het voorontwerpbestemmingsplan.
Zienswijzen
Na inspraak en overleg wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan “Rembrandtlaan 42, Bleiswijk” heeft conform de bepalingen van de Wet ruimtelijke ordening zes weken ter inzage gelegen van 3 september tot en met 14 oktober 2014. Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.
De grond is van de gemeente en verkocht aan initiatiefnemer. Daarom is geen exploitatieplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening noodzakelijk. De gemeentelijke grondexploitatie voor dit plan sluit positief.
Op basis hiervan wordt vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid kan worden gewaarborgd.
De handhavingsaspecten zijn vastgelegd in het handhavingsbeleid van de gemeente Lansingerland.