direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Molenkade 2, Berkel en Rodenrijs
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1621.BP0119-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Bedoeling van het plan

De eigenaar van het perceel Molenkade 2 heeft het voornemen om het garagebedrijf te slopen en daarvoor in de plaats een woning te realiseren en de bestaande woning uit te breiden of te vervangen. Dit bestemmingsplan is de juridische vertaling daarvan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied betreft de locatie Molenkade 2 en de (bedrijfsbestemming aan de) Molenweg 89 in Berkel en Rodenrijs. Op dit moment is op het perceel een garagebedrijf met (bedrijfs-) woning gevestigd. De bedrijfsgronden zijn op dit moment deels verhard en deels bebouwd.

In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied globaal aangegeven. In figuur 1.2. is de plangrens op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0001.png"

Figuur 1.1. Ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0002.jpg"

Figuur 1.2. Plangrens geprojecteerd op uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.3 Ruimtelijke karakteristiek Molenkade

Het plangebied (ten noorden van de Bovenvaart) maakt onderdeel uit van de Groenblauwe Slinger. De Groenblauwe Slinger is een waterrijk natuurgebied dat ontwikkeld wordt met een ecologische en recreatieve verbinding tussen de Haagse en Rotterdamse agglomeratie en het Groene Hart.

Belangrijke ruimtelijke elementen in de omgeving zijn de sluis, de als rijksmonument aangewezen molen met de nabij gelegen beeldbepalende panden, de groene ruimte van het recreatiegebied en de open agrarische percelen. De samenhang tussen de historische water- en wegenstructuur, het open landschap en (historische) bebouwing vormt een belangrijke ruimtelijke kwaliteit die als zodanig is beschreven in het cultuurhistorisch regioprofiel Midden-Delfland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0003.png"

Figuur 1.3. Luchtfoto plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0004.png"

Figuur 1.4. Foto plangebied

Ten zuidoosten van het plangebied ligt het in ontwikkeling zijnde grootschalige bedrijvenpark Oudeland. Ten oosten van het gebied wordt de Bergboezem ontwikkeld, een recreatief gebied met waterbergingsmogelijkheden.

Aan de zuidwestzijde van het plangebied (gemeente Rotterdam) is de Schieveense Polder gelegen. Voor dit gebied zijn plannen opgesteld voor een toekomstige herinrichting van dit gebied. In het gebied direct ten westen van het plangebied zal natuurontwikkeling plaatsvinden.

1.4 Geldende ruimtelijke planregeling

De gronden hebben in het vigerende bestemmingsplan Molenweg e.o., vastgesteld op 29 maart 2012, grotendeels de bestemming Bedrijf, deels de bestemmingen Agrarisch, Wonen, Tuin en Water. Op het hele gebied gelden de dubbelbestemmingen Waarde Cultuurhistorie, Waarde Archeologie en deels de dubbelbestemming Waterstaat. Het gebied valt in de vrijwaringszone van een molenbiotoop. Het geldende bestemmingsplan houdt geen rekening met de beoogde transformatie van Bedrijf naar Wonen.

1.5 Planvorm

Er is gekozen voor een gedetailleerd bestemmingsplan, zodat de regels gedurende de houdbaarheidstermijn van het bestemmingsplan herhaaldelijk toegepast kunnen worden. Een ander instrument, zoals een uitgebreide omgevingsvergunning, ligt niet in de rede omdat er nog geen bouwplan is. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (regels en plankaart) en de daarbij behorende toelichting.

1.6 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 staat de beschrijving van de ruimtelijke aspecten en de milieuaspecten. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader waarin het bestemmingsplan een plaats moet vinden. In hoofdstuk 4 vindt de beschrijving van het plan plaats. In hoofdstuk 5 wordt het juridische instrumentarium (de regels) van het bestemmingsplan toegelicht. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 7 gaat tenslotte in op de inspraak- en overlegfase van dit plan.

Hoofdstuk 2 Onderzoek

2.1 Cultuurhistorische waarden

In 2012 heeft de gemeente de nota Cultuurhistorie Plus vastgesteld, hierin is het plangebied aangemerkt als Bergboezem, een cultuurhistorisch element.

In de nota is opgenomen dat het zaak is vanuit cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt de Bergboezem volledig groen en open te houden en bij transformatieprocessen van nu nog landelijke gebieden is het van belang historische elementen als kades, waterlopen en dergelijke als ruimtelijke dragers te benutten in plaats van ze te marginaliseren.

Waar nog aanwezig dient het historisch verkavelings- en waterpatroon in stand te blijven. Bij de verkaveling gaat het vooral om instandhouding van de richting, water dient als zodanig bestemd te worden. Karakteristieke landschapselementen dienen aangeduid en beschermd te worden via het bestemmingsplan (bijvoorbeeld d.m.v. een dubbelbestemming)

Ter bescherming van de bestaande cultuurhistorische waarden is voor het plangebied de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie” opgenomen. Aan deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden gekoppeld. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning zal door de welstands- en monumentencommissie gekeken worden of de beoogde (bouw)werken en werkzaamheden (zoals grondwerkzaamheden) passend zijn binnen de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied.

De ontwikkeling betreft de sanering van een bedrijf. Daarvoor in de plaats komen twee woningen op ruime kavels. Eén als vervanging van de bestaande en één nieuwe woning. Dit planvoornemen komt tegemoet aan de gebiedskenmerken.

2.2 Archeologie

Volgens de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Lansingerland ligt het plangebied in zone 3 en 4 (zie figuur 2.1).

De beschreven verwachtingszones zijn op de archeologische beleidsadvieskaart vertaald naar concrete beleidslijnen. Hiervoor is gebruikgemaakt van een zogenaamd vrijstellingsregime, waarbij ruimtelijke ingrepen tot een bepaalde omvang en diepte worden ontheven van archeologisch onderzoek. Voor het gebied wordt een dubbelbestemming opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0006.png"

Figuur 2.1. Archeologische verwachtingswaarde in het plangebied (de rode lijn geeft globaal de ligging van het plangebied aan)

Ter bescherming van de archeologische waarden zijn voor het plangebied de dubbelbestemmingen “Waarde-Archeologie 1 en 2” opgenomen. Aan deze dubbelbestemmingen is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden gekoppeld. Bij verstoringen die groter zijn dan de in de regels opgenomen diepte en oppervlakte moet nader onderzoek plaatsvinden. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning wordt getoetst of verstoring van archeologische waarden plaatsvindt.

2.3 Natuur

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit bebouwing, verhard terrein en grasland. Opgaande beplanting is niet aanwezig.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan voorziet in sloop van het garagebedrijf, bouw van een nieuwe woning en vervangen of vergroting van de bestaande woning. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • sloopwerkzaamheden;
  • bouwrijp maken;
  • bouwwerkzaamheden.

Toetsingskader

Beleid

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van de EHS is in Zuid-Holland in de provinciale Structuurvisie nader uitgewerkt.

Normstelling

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van I&M (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van I&M (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van I&M). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het plangebied ligt wel in de Groenblauwe Slinger, zie ook paragraaf 1.3. Rond het plangebied liggen bestaande en nieuwe EHS-gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0008.png"

Figuur 2.2. Ligging plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl).

Vaatplanten

Langs de waterpartijen zijn naar verwachting groeiplaatsen van de beschermde zwanenbloem en dotterbloem aanwezig. Overige beschermde soorten worden hier niet verwacht.

Vogels

Spreeuw, huismus, gierzwaluw en kauw kunnen broeden in (de omgeving van) de bebouwing. Vanwege de bebouwing in en opgaande beplanting rond het plangebied worden er geen broedende weidevogels verwacht in het grasland.

Zoogdieren

Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn. De bebouwing kan plaats bieden aan vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. De watergangen rond het plangebied kunnen fungeren als foerageergebied of onderdeel zijn van een migratieroute van vleermuizen. Het plangebied zelf heeft geen bijzondere functie als foerageergebied of migratieroute.

Amfibieën
Algemene amfibieën als bruine kikker, middelste groene kikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen zeker gebruik zullen maken van het plangebied als schuilplaats in struiken en onder stenen. Gezien de voorkomende biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.

Overige soorten

Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 2.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 2.1. Naar verwachting voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

  Nader onderzoek nodig  
Vrijstellingsrege-ling Ffw   tabel 1     zwanenbloem en dotterbloem

mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn

bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de middelste groene kikker  
nee  
Ontheffingsrege-ling Ffw   tabel 2     geen   nee  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen   nee  
    bijlage IV HR   alle vleermuizen   ja  
  vogels   cat. 1 t/m 4   gierzwaluw en huismus   ja  

Toetsing en conclusie

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Rond het plangebied liggen wel EHS-gebieden. De vervanging van het garagebedrijf door een woning betekent qua verstoring een aanzienlijke verbetering voor de omgeving. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, wordt ook de (tijdelijke) verstoring van broedende vogels voorkomen.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden.

Het bestemmingsplan voorziet in sloop van het garagebedrijf, de realisatie van een nieuwe woning en vergroting van de bestaande woning. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).
  • Nader onderzoek naar vogels met vaste verblijfplaatsen, zoals huismus en gierzwaluw, is noodzakelijk. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze soorten staan vermeld in categorie 1 t/m 4 van de 'Aangepaste lijst van jaarrond beschermde vogelnesten' (Ministerie van LNV, 2009). Indien de werkzaamheden effect hebben op deze soorten is een ontheffing nodig. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik zijn alleen tijdens het broedseizoen beschermd. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig, indien werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden of maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat deze soorten zich vestigen tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mag van deze soorten het nest worden verplaatst of verwijderd.
  • Nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen (tabel 3 Bijlage IV HR) is noodzakelijk. Indien vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen aanwezig blijken te zijn en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Ffw de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.

Quickscan flora en fauna en conclusie

Uit verkennend veldonderzoek (zie bijlage 1) komt naar voren dat beschermde soorten niet aanwezig zijn of dat er geen effecten worden voorzien. In verband met het voorkomen van algemene broedvogels in de klimop van het woonhuis wordt aangeraden om (sloop)werken aan en direct rond deze woning uit te voeren buiten het broedseizoen of op een manier dat de vogels niet tot broeden komen.


Effecten op beschermde soorten worden uitgesloten. Op grond hiervan kan worden gesteld dat de realisatie en uitvoering van het plan niet in strijd is met het gestelde binnen de Flora- en faunawet.

2.4 Ondergrondse infrastructuur

Er liggen geen planologisch relevante ondergrondse leidingen binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied. Ook zijn hier geen hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Aan de defensieleiding in de omgeving wordt in de paragraaf externe veiligheid aandacht besteed.

Er wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.

2.5 Verkeersaspecten

Verkeersontsluiting huidige situatie

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied ligt ten zuidwesten van Berkel en Rodenrijs aan de Molenkade 2 in de gemeente Lansingerland. De Molenkade ontsluit het plangebied en sluit even ten oosten aan op de Molenweg. De Molenweg gaat in noordelijke richting over in de Bovenmolenweg die leidt naar de kern Oude Leede waar de weg aansluit op de Oude Leedeweg. De Oude Leedeweg leidt in noordwestelijke richting via de Zuideindseweg naar de N470 (Delft – Zoetermeer), Delfgauw en Delft. In oostelijke richting sluit de Oude Leedeweg ook aan op de N470.

In zuidelijke richting sluit de Molenweg via het Tuinpad aan op de Rodenrijseweg, via deze weg kan de kern van Berkel en Rodenrijs bereikt worden. Naast het Tuinpad sluit de Molenweg via de Zuidersingel en de Laan van Koot ook aan op de N471 (Rotterdam – Pijnacker) en de Marconisingel. Via de Marconisingel is eveneens de kern van Berkel en Rodenrijs te bereiken.Via het Tuinpad, Rodenrijseweg en de Oude Bovendijk is de N209 richting Rotterdam en de A13 snel bereikbaar.

De wegen in de omgeving van het plangebied zijn conform Duurzaam Veilig gecategoriseerd. De Molenweg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h. Door deze verkeersstructuur is het plangebied bereikbaar voor het gemotoriseerd verkeer.

Openbaar vervoer

Op loopafstand van het plangebied liggen geen openbaar vervoer haltes. De dichtstbijzijnde bushalte is de halte Groenekade in de kern Oude Leede op circa 2 kilometer en op bijna 3 km ligt de Randstadrailhalte Rodenrijs.

Langzaam verkeer

Conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig wordt het fietsverkeer gemengd met het gemotoriseerd verkeer afgewikkeld, alleen op de Rodenrijseweg en Zuidersingel zijn kantstroken voor fietsers aanwezig. Langs de gebiedsontsluitingswegen Marconisingel, N470 en N471 heeft het fietsverkeer beschikking over vrijliggende fietspaden die in tweerichtingen bereden kunnen worden. Op de wegvakken waar deze vrijliggende fietspaden ontbreken kan het fietsverkeer van parallel wegen gebruikmaken. Via de Bergboezem en een nog aan te leggen brug in het noorden van Oudeland kan men vanaf de Molenkade snel naar de noordzijde van Oudeland richting Oudelandselaan.

Naast deze fietsvoorzieningen die samenvallen met de infrastructuur voor gemotoriseerd verkeer zijn in de omgeving van het plangebied solitaire fietspaden. Het gaat dan om fietspaden door de Ackerdijkse plassen, direct ten westen van het plangebied, zoals het fietspad langs de Berkelsche Zweth naar de Delftsche Shie. Daarnaast is het mogelijk voor fietsers om via de Boezemweg richting Pijnacker te rijden. Door deze solitaire fietspaden heeft het fietsverkeer directere routes dan het gemotoriseerde verkeer. Geconcludeerd wordt dat de ontsluiting van het plangebied voor de fiets goed is.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

In de huidige situatie is binnen het plangebied een garagebedrijf met een bedrijfswoning gevestigd. Door voorliggend bestemmingsplan komt de garage te vervallen en wordt een extra woning mogelijk gemaakt. Om de verkeersgeneratie te berekenen zijn kencijfers van CROW gehanteerd. De kencijfers van CROW zijn onder andere afhankelijk van de stedelijkheid van een gemeente. Het plangebied ligt in de gemeente Lansingerland. Lansingerland is volgens CBS een matig stedelijke omgeving [statline.cbs.nl]. Aangezien het plangebied buiten de bebouwde kom van de kernen van Lansingerland ligt valt het plangebied in de categorie buitengebied van CROW.

Voor een vrijstaande koopwoning bedraagt de verkeersgeneratie 8,6 mvt/weekdagetmaal [CROW-317, 2012]. Voor een werkdag dient omgerekend te worden met een factor 1,11 zodat de verkeersgeneratie voor een werkdag uitkomt op 10 mvt/etmaal.

Deze zeer beperkte verkeersaantrekkende werking zal in voldoende mate afgewikkeld kunnen worden door de huidige infrastructuur. Zeker gezien het feit dat de bestaande verkeersbewegingen van het garagebedrijf komen te vervallen.

Parkeren

De nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot een wijziging van de parkeerbehoefte die op eigen terrein opgelost dient te worden. Daarbij dient voldaan te worden aan het parkeerbeleid van de gemeente Lansingerland.

Voor vrijstaande woningen geld een parkeereis van twee parkeerplaatsen voor de woningen zelf en 0.3 per woning voor bezoekersparkeren. In de directe omgeving is het openbaar gebied niet geschikt om parkeerplaatsen aan te leggen. De percelen zijn dusdanig groot dat op beide genoeg parkeermogelijkheden gerealiseerd kunnen worden.

Conclusie

Het bestemmingsplan leidt niet tot negatieve gevolgen ten aanzien van verkeer en op parkeren. Door het opheffen van het garagebedrijf en het toevoegen van een woning zullen de verkeersbewegingen in het gebied per saldo afnemen. Parkeren dient net als in de huidige situatie plaats te vinden op eigen terrein. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

2.6 Akoestische aspecten

Binnen het plangebied komt het garagebedrijf te vervallen en wordt een extra woning mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande woning vervangen of uitgebreid. Aangezien volgens de Wet geluidhinder (Wgh) een woning een geluidsgevoelige functie is dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voor beide woningen is de geluidsbelasting berekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0009.png"Figuur 2.3. Locatie woningen

Normstelling

Op grond van de Wgh bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Binnen de geluidszone van een gezoneerde weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk).

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en uiterste grenswaarden. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB.

In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). In onderhavig plan bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB.

De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemmingen dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. Dit wordt getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Aftrek ex artikel 110g Wgh

Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Op alle hierna genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast.

Onderzoek

Het plangebied valt binnen de geluidszone van de gezoneerde Molenweg en de Oude Bovendijk. Ten gevolge van verkeer op deze wegen is de geluidsbelasting berekend. Het plangebied ligt niet binnen de invloedsfeer van niet-gezoneerde wegen. De Molenkade zelf is niet toegankelijk voor doorgaand gemotoriseerd verkeer en zodoende ook niet-gezoneerd.

Dit akoestisch onderzoek is uitgevoerd middels Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. Dit houdt in dat uitgegaan is van een vrije veld situatie om de geluidbelasting te bepalen waarbij tussenliggende bebouwing tussen het plangebied en de omliggende wegen niet gemodelleerd is, dit is worst case. Wanneer uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat er geen overschrijding is van de voorkeursgrenswaarde dan zal deze ook niet optreden wanneer de afschermende bebouwing wel wordt meegenomen.

Verkeersgegevens

Ten behoeve van dit onderzoek zijn verkeersgegevens noodzakelijk. Deze verkeersgegevens van de Molenweg zijn afkomstig van het rapport Actualisatie akoestisch onderzoek Bestemminsplan Oudeland van Goudappel Coffeng [Goudappel Coffeng, 2010]. Goudappel Coffeng gaat uit van 1.600 mvt/weekdagetmaal in 2018 dit is inclusief ontwikkelingen aan de Molenweg even ten zuiden van het plangebied. Van de Oude Bovendijk zijn geen verkeersintensiteiten bekend. Voor deze doodlopende weg is aan de hand van functies langs deze weg een inschatting gedaan van 500 mvt/weekdagetmaal.

Voor het akoestisch onderzoek zijn weekdagintensiteiten voor 2024 nodig. Er is uitgegaan van een autonome groei van 1% per jaar. Deze verkeersgegevens zijn opgenomen in tabel 2.2.

De voertuig- en etmaalverdeling in de onderstaande tabel voor de Molenkade zijn ook afkomstig van het onderzoek van Goudappel Coffeng. Voor de Oude Bovendijk ontbreken deze gegevens zodat is aangesloten bij de standaardvoertuigverdeling voor een plattelandsweg (Grenzen aan de groei?!, kencijfers autonome verkeersgroei, voertuigverdelingen en avondspitsuurpercentages, RBOI 2009).

Tabel 2.2. Verkeersgegevens

    2018 weekdag   2024 weekdag   Voertuigverdeling-% (L/MZ/Z)1   dag/avond/nacht 2  
Molenweg   1.600   1.700   Dag: 92,72/3,64/3,64
Avond: 94,9/2,55/2,55
Nacht: 89,14/5,43/5,43   
6,41/3,67/
1,05   
Oude Bovendijk
 
 nvt   500   Dag: 91,44/6,74/1,82
Avond: 91,44/6,74/1,82
Nacht: 91,44/6,74/1,82  
7,00/2,60/
0,70  

1). Lichte voertuigen/middelzware voertuigen/zware voertuigen

2). Dag (7:00 –19:00 uur), avond (19:00 – 23:00 uur) en nacht (23:00 – 7:00 uur)

Begin 2013 heeft de gemeente Lansingerland aanvullende verkeerstellingen gehouden op de Molenweg. Uit deze tellingen blijkt dat de intensiteit op de Molenweg in de huidige situatie daadwerkelijk circa 770 mvt/weekdagetmaal bedraagt. De werkelijke intensiteit ligt dus een factor 2,2 lager dan de intensiteit waarmee binnen het akoestisch onderzoek is gerekend. Het akoestisch onderzoek betreft zodoende een worst case benadering.

Lokale karakteristieken

Naast deze verkeersgegevens zijn karakteristieken van de weg nodig, zoals type wegdekverharding en de maximumsnelheid. De maximumsnelheid van zowel de Molenweg als de Oude Bovendijk bedraagt 60 km/h. Beide wegen zijn uitgevoerd in dicht asfaltbeton (DAB).

De woningen binnen het plangebied hebben een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 6,5 m. In de geluidsberekening is gerekend voor de hoogtes 1,5 en 4,5 m. Daarnaast is voor de geluidsberekening de kleinste afstand tussen de woning en de as van de omliggende wegen van belang. Tot slot is de objectfractie van belang. De objectfractie is het aandeel bebouwing aan de overzijde van de weg waardoor geluid weerkaatst wordt. Vanwege de beperkte bebouwing langs de Molenweg en de Oude Bovendijk is uitgegaan van een objectfractie van 0,2. In tabel 2.3 is de kleinste afstand van de woningen tot de omliggende wegen opgenomen en de breedte van de weg.

Tabel 2.3. Karakteristieken wegen, afgerond op hele meters

        Afstand tot de as van de weg [m]   Wegdekverharding [m]   
Woning 1   Molenweg   29   6  
  Oude Bovendijk   161   3  
Woning 2   Molenweg    86   6  
  Oude Bovendijk   119   3  

Resultaten

De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 2. Hieronder worden de resultaten voor de gezoneerde Molenweg en de Oude Bovendijk per woning behandeld.

Woning 1

Gezoneerde weg 

Als gevolg van verkeer op de Molenweg bedraagt de geluidsbelasting 48 dB op een maatgevende hoogte van 4,5 m. De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Oude Bovendijk bedraagt 30 dB op een maatgevende hoogte van 4,5 m. Geconcludeerd wordt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Woning 2

Gezoneerde weg 

Als gevolg van verkeer op de Molenweg bedraagt de geluidsbelasting 41 dB op een maatgevende hoogte van 4,5 m. Ten gevolge van het verkeer op de Oude Bovendijk bedraagt de geluidsbelasting 32 dB op een maatgevende hoogte van 4,5 m. Geconcludeerd wordt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat zowel op woning 1 als woning 2 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Geconcludeerd wordt dat het aspect wegverkeerslawaai de uitwerking van het plan niet in de weg staat.

2.7 Waterhuishoudkundige aspecten

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Het plan ligt aan de kade van de Berkelsche Zweth, waarvan de kernzone + beschermingszone in totaal 34 meter is. Om binnen deze zones te mogen bouwen, moet altijd een watervergunning aangevraagd worden bij het Hoogheemraadschap. Aan de ontwikkeling kunnen voorwaarden gesteld worden (bijvoorbeeld geen diepe ontgravingen).

De waterkering is een veendijk waarvoor aanvullend beleid is opgesteld door Delfland, dat is vastgesteld in de beleidsregel Veendijken.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2010-2015 beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland de strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. De complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen dwingen tot het stellen van prioriteiten. Het hoogheemraadschap gaat het beheer en onderhoud van het watersysteem optimaliseren en zal daarbij flink investeren in waterkwaliteit, waterkeringen en het voorkomen van wateroverlast en watertekort. Voor de zuiveringstechnische infrastructuur ligt de nadruk op beheren, onderhouden en optimaliseren.

In het kader van de afstemming van het waterbeleid met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening heeft het hoogheemraadschap in 2007 een Waterkansenkaart opgesteld. Deze Waterkansenkaart kan gezien worden als de nadere, gebiedsspecifieke uitwerking van de Deelstroomgebiedsvisie Midden-Holland.

Ten slotte is in 2012 de nieuwe Handreiking Watertoets vastgesteld. De nieuwe handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin.

Beleidsregel veendijken (2008)

De Beleidsregel veendijken licht het begrip veendijken toe en geeft uitleg waar, wanneer en hoe 'werken' op de veendijken zijn toegestaan.

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden kan een vergunning verlenen omdat de beoogde werkzaamheden als oogmerk hebben bestaande permanente bebouwing geheel of gedeeltelijk te vervangen, het ruimtebeslag op de veendijk niet wordt vergroot en er geen grondroering plaats vindt.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied is gelegen aan de Molenkade 2 te Lansingerland en bestaat in de huidige situatie uit een garagebedrijf en een woning.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zavel en klei. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert van 0,5 tot 0,8 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -2,1 m.

Waterkwantiteit

Rondom het plangebied zijn verschillende primaire en secundaire watergangen gelegen. Daarnaast is ten oosten van het plangebied de Bergboezem Berkel gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0011.png"

Figuur 2.3. Wateren in en rondom het plangebied (Leggerkaart Hoogheemraadschap van Delfland)

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen gelegen.

Veiligheid en waterkeringen

Rondom het plangebied zijn verschillende veenkaden gelegen. Delen van het plangebied liggen hierdoor in de kernzone van deze waterkeringen.

Afvalwaterketen en riolering

In 2012 is drukriolering met pompputten aangelegd ten behoeve van het rioleren van ongerioleerde panden. Hierbij is ook al rekening gehouden met de nieuwbouw.

Toekomstige situatie

Algemeen

De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de sloop van een garagebedrijf, de vervanging of uitbreiding van de bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning.

Waterkwantiteit

In het plangebied vindt een afname in verhard oppervlak plaats door de beoogde ontwikkeling. Door de afname in verharding vindt een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie plaats.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Veiligheid en waterkeringen

De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in het plangebied.

Afvalwaterketen en riolering

Afvalwater van de nieuwbouw wordt aangesloten op de aangelegde drukriolering. Op de drukriolering is aansluiten van hemelwater niet toegestaan, omdat de afvoercapaciteit hierop niet is ontworpen. Het hemelwater wordt geacht schoon te zijn, waarbij de afvoermogelijkheden in voorkeursvolgorde zijn:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Waterstaat in het bestemmingsplan

In het bestemmingsplan wordt voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones een zogenaamde dubbelbestemming opgenomen.

Veendijk

Binnen het plangebied is een veendijk gelegen. Voor veendijken wordt door het college van dijkgraaf en hoogheemraden geen vergunning verleend voor het verrichten van werkzaamheden en het hebben of aanbrengen van werken in, op, onder en boven de kernzone van deze dijken, tenzij:

  • de beoogde werkzaamheden leiden tot een verbetering van de veendijk;
  • de werkzaamheden gepaard gaan met de aanleg van een vervangende waterkering;
  • de werkzaamheden de gehele of gedeeltelijke vervanging van bestaande permanente bebouwing inhoud, het ruimtebeslag op de veendijk niet wordt vergroot en er geen grondroering plaas vindt;
  • de werkzaamheden er toe leiden dat bestaande permanente bebouwing wordt verwijderd.

De beoogde ontwikkeling bestaat uit het voornemen om het garagebedrijf te slopen en daarvoor in de plaats een woning te realiseren en de bestaande woning te vervangen. Het gaat hierbij dus om de vervanging van bestaande bebouwing waardoor het verkrijgen van een vergunning voor deze activiteiten mogelijk is.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor werkzaamheden en bouw in de zone moet watervergunning bij Delfland worden aangevraagd.

2.8 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en Normstelling 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek en conclusies

Ter plaatse van het plangebied is in de huidige situatie een garagebedrijf gevestigd. Dit is een milieuhinderlijke functie. Door de beoogde ontwikkeling van de sloop van dit bedrijf verdwijnt de milieuhinderlijke functie waardoor de milieuhinder in het gebied afneemt.

Door de beoogde ontwikkeling van de bouw van één nieuwe woning wordt daarnaast een gevoelige functie in het gebied toegevoegd. Ten zuidoosten van deze gevoelige functie is een gemaal gelegen. Voor een gemaal geldt op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) een richtafstand van 30 m tot een rustige woonwijk i.v.m. het aspect geluid. De beoogde woning ligt op ruim 10 meter afstand van het gemaal. De bestaande woning, die vervangen wordt, staat dichterbij dan wat het nieuwe bouwvlak toestaan. Hierdoor worden de rechten van het hoogheemraadschap niet aangetast. Er wordt voldaan aan de richtafstand.

Verder is ten zuidoosten van het plangebied tevens het bedrijventerrein Oudeland in ontwikkeling. Dit bedrijventerrein is niet gezoneerd als bedoeld in de Wet geluidhinder. Er kunnen zich hier dan ook geen grote lawaaimakers vestigen. Vanuit het oogpunt van de VNG-richtlijnen is de bedrijvigheid op Oudeland dusdanig gezoneerd dat langs de randen richting woongebieden lagere bedrijvigheid is toegestaan dan midden op het bedrijvenpark. Daarnaast zijn er reeds gevoelige functies dichterbij het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein gevestigd dan de beoogde woning. Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein moet reeds met deze woningen rekening gehouden worden. Er zal ter plaatse van de beoogde woning dan ook sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en de aanwezige en toekomstige bedrijven zullen niet in hun bedrijfsmogelijkheden worden belemmerd. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0013.png"

Figuur 2.4. Bedrijventerrein Oudeland

(Bron: geo.zuid-holland.nl/geo-loket/html/atlas.html?atlas=bedrijventerreinen, Provincie Zuid Holland)

2.9 Bodem

Beleid en Normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan maakt een functiewijziging van bedrijvigheid naar wonen en tuin mogelijk. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Lansingerland blijkt dat het plangebied binnen de kwaliteitsklasse 'weiland/glastuinbouw vanaf 1970' valt. De bodem in deze zone is doorgaans schoon.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0014.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0015.png"

Figuur 2.5. Uitsnede bodemkwaliteitskaart

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0016.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0017.png"

Figuur 2.6. bodemkwaliteit (www.bodemloket.nl)

Uit het bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt echter dat ter plaatse van het plangebied mogelijk bodemverontreiniging aanwezig is. De aanwezige bodemkwaliteit levert hierdoor mogelijk een belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. Om de bodemkwaliteit ter plaatse te bepalen is verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd.

Bodemonderzoek

Uit het bodemonderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat de locatie niet (geheel) geschikt is voor de voorgenomen woningbouw:

  • De bovengrond is plaatselijk sterk verontreinigd met zware metalen (lood, zink, koper, nikkel). Er is cumulatief sprake van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging' zoals beschreven in de Wet Bodembescherming. De Provincie Zuid-Holland treedt in dit geval op als bevoegd gezag. In het kader van het voorgenomen gebruik is het nemen van sanerende maatregelen noodzakelijk;
  • Het grondwater is plaatselijk sterk verontreinigd met minerale olie. De verontreiniging is niet van dusdanige omvang dat hierbij sprake is van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging';
  • Uit indicatieve toetsing blijkt dat de (puin)funderingslaag bij hergebruik mogelijk toepasbaar is als bouwstof. De funderingslaag is niet asbesthoudend;
  • Het asfalt op de locatie is niet teerhoudend en is geschikt voor hergebruik;
  • De baggerspecie in de watergang is niet verspreidbaar en dient afgevoerd te worden naar een erkend verwerker.

Om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik dient de verontreiniging met zware metalen gesaneerd te worden. Tevens dient bij herinrichting rekening gehouden te worden met de plaatselijke sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater.

De sanering dient plaats te vinden voor de aanvraag van de omgevingsvergunning. In het kader van de omgevingsvergunning dient opnieuw bodemonderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of de bodemverontreiniging voldoende is verwijderd. De omgevingsvergunning kan pas worden verleend als naar het oordeel van de Provincie Zuid-Holland in voldoende mate is gesaneerd.

Conclusie

Uit het bodemonderzoek blijkt dat de grond deels gesaneerd moet worden. Na sanering en de waarborging daaromtrent in het vergunningverleningstraject is het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

2.10 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 2.2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.

Onderzoek

De ontwikkeling in het plangebied is dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een afname van de verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2 (aangezien de ontwikkeling minder dan 1.500 woningen betreft). Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gewenst. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2011 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Molenweg (als maatgevende doorgaande weg langs het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.11 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Onderzoek

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen die van invloed zijn op het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0018.png"

Figuur 2.7. Uitsnede risicokaart

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de directe omgeving van het plangebied vindt daarnaast ook geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water plaats. Wel ligt er een DPO-leiding van defensie van 80 bar met een diameter van 12,75 in de omgeving van het plangebied. Deze leiding vervoert brandbare vloeistoffen (K1) en heeft een belemmeringenstrook van 5 meter. De inventarisatieafstand bedraagt 30 meter. De afstand van de leiding tot het plangebied bedraagt 100 meter. Omdat het plangebied buiten het invloedsgebied van deze leiding ligt, vormt deze geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0019.png"

Figuur 2.8. Uitsnede risicokaart en uitsnede DPO-leiding met plaatsgebonden risicocontour.

Rotterdam-The Hague Airport

Ten zuidoosten van de gemeente Lansingerland ligt het vliegveld Rotterdam-The Hague Airport. Deze luchthaven valt niet onder het Bevi, maar kent wel PR-contouren. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6-risicocontour. Het plangebied ligt ook buiten het verantwoordingsgebied voor de luchthaven, een groepsrisiciverantwoording is daarom niet noodzakelijk. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft geen invloed op de hoogte van het GR.

2.12 Overige belemmeringen

Invliegfunnel

Onderstaande figuur geeft een overzicht van de hoogtebeperkingen voor bebouwing in de omgeving van Rotterdam-The Hague Airport vanwege de invliegfunnel. Ter plaatse van het plangebied geldt een hoogtebeperking van 45 meter. In het plangebied worden geen gebouwen gerealiseerd met een hoogte hoger dan 45 m. Er wordt dus voldaan aan de hoogtebeperking.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0020.png"

Figuur 2.9. Hoogtebeperkingen Rotterdam The Hague Airport (bron: Inspectie Verkeer- en Waterstaat)

Rondom Rotterdam The Hague Airport is tevens een toetsingsvlak van het Instrument Landing System (ILS) gelegen. Het ILS is onderdeel van de navigatie infrastructuur van de Luchtverkeersleiding Nederland en is een landingshulpmiddel voor landingsoperaties tijdens beperkte zichtomstandigheden. Het plangebied is net buiten dit toetsingsvlak gelegen. Op basis van dit toetsingsvlak gelden dus geen hoogtebeperkingen voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0021.png"

Figuur 2.10 Toetsingsvlak ILS24

Tevens speelt het toetsingvlak van de DVOR/DME een rol. De DVOR/DME geeft een vliegtuig koersinformatie en afstandsinformatie. Het plangebied is gelegen op de grens van het toetsingvlak 40-50 m. Er mag dus niet hoger dan 40/50 m gebouwd worden. In het plangebied worden geen gebouwen gerealiseerd met een hoogte hoger dan 40 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0022.png"

Figuur 2.11 DVOR/DME toetsingvlak

De ligging nabij Rotterdam-The Hague Airport vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

2.13 Niet gesprongen explosieven

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is ook het gebied van de gemeente Lansingerland doelwit geweest van bombardementen. Daar zaten zogenaamde blindgangers bij, explosieven die niet tot explosie kwamen en in de grond zijn blijven liggen. Een groot deel van die blindgangers is tijdens de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Een deel daarvan ligt echter nog steeds in de grond.


Deze niet gesprongen explosieven (verder NGE genoemd) vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd.


Om een overzicht te hebben over de gebieden in Lansingerland waar mogelijk NGE liggen, is in 2011 een risicokaart Conventionele Explosieven voor de gemeente gemaakt. De risicokaart is samengesteld op basis van onderzoek door een gespecialiseerd bedrijf. De kaart biedt inzicht waar mogelijk sprake is van een verdacht gebied. Als een gebied verdacht is van explosieven dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd door een gecertificeerd explosieven opsporingsbedrijf.


Uit de explosieven risicokaart volgt dat het plangebied geen verdachte locatie is ten aanzien van explosieven in de bodem. De mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven in de bodem van het plangebied vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.


Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk is het relevant beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau opgenomen.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Barro (2012)

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor het plangebied relevante belangen zijn:

  • 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren.
  • 2. Efficiënt gebruik van de ondergrond. De bodemgesteldheid en (grond)water zijn van grote invloed op de eisen aan bovengrondse functies.
  • 3. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • 4. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
  • 5. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
  • 6. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het voorliggende plan is niet in strijd met de genoemde belangen. Voor het plangebied zijn geen specifieke beleidsvoornemens vastgesteld. Gezien de grootschalige ontwikkelingen in de omgeving kan het gebied in de toekomst worden gekenmerkt als een stedelijke randzone.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Provinciale Structuurvisie en Verordening Ruimte (2012)

De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.

De visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:

  • aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  • stad en land verbonden.

Het plangebied is aangeduid als “Recreatiegebied” en maakt tevens onderdeel uit

van een als “Provinciaal Landschap” aangeduid gebied (Provinciaal Landschap Midden-

Delfland). Kenmerken van dit gebied zijn de stedelijke invloed, de ligging tussen stedelijke agglomeraties en met hoge recreatieve en landschappelijke waarden en een accent op verbrede landbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0023.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0024.png"

Figuur 3.1. Uitsnede functiekaart structuurvisie Zuid-Holland

Verordening

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend voor bestemmingsplannen die gemeenten opstellen. Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour in recreatiegebied.

In artikel 2 zijn voorwaarden opgenomen waaronder het mogelijk is om stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied toe te staan. In artikel 2 is onder a opgenomen dat na sloop van voormalige bedrijfsgebouwen één of meer compensatiewoningen ter plaatse of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing is toegestaan, indien voldaan kan worden aan de volgende voorwaarden:

  • a. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd;
  • b. voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m2 gebouwen, iedere 5.000 m2 kassen of iedere 2,25 ha boomen sierteelt, mag één compensatiewoning worden gebouwd;
  • c. het aantal compensatiewoningen bedraagt maximaal drie;
  • d. de nieuwe woningen brengen uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen met zich mee voor de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven;
  • e. de te slopen gebouwen of kassen zijn opgericht voor de peildatum van 1 januari 2007;
  • f. de te slopen kassen zijn gelegen buiten de gebieden voor glastuinbouw (met uitzondering van de transformatiegebieden) zoals aangeduid op kaart 2 én
  • g. de te saneren sierteeltpercelen zijn gelegen buiten de boom- en sierteeltgebieden, zoals aangeduid op kaart 2.

Er wordt voldaan aan de bovenstaande voorwaarden. De provincie Zuid-Holland heeft in haar brief van 22 oktober 2012 (zie bijlage 4) aangegeven dat de maatwerkontwikkeling voor twee woningen in overeenstemming is met de verordening ruimte.

Molenbiotoop

Het plangebied ligt tevens binnen de invloedssfeer van Molen de Valk. De maximale hoogte van bebouwing en beplanting mag niet meer bedragen dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 100-regel).

In de bovengenoemde brief heeft de provincie aangegeven dat wanneer geen sprake is van overschrijding van de bestaande nokhoogtes de windvang en het zicht op de molen niet worden aangetast. In dezelfde brief constateert de provincie dat op basis van de destijds toegezonden informatie geen sprake is van overschrijding van de bouw-/nokhoogte ten opzichte van de bestaande bebouwing. Hierdoor wordt de windvang van en zicht op de nabijgelegen molen 'de Valk' niet aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0025.png"

Figuur 3.2. Uitsnede verordening ruimte, Cultuurhistorie

Beeldkwaliteit

Bestemmingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken waarbij ruimtelijke effecten te verwachten zijn die uitstralen naar het buitengebied, moeten een beeldkwaliteitsparagraaf bevatten. Op de kwaliteitskaart van de provinciale structuurvisie is het gebied aangeduid als 'kwaliteit in de stads- en dorpsranden'. Ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd door de opheffing van een garagebedrijf. Omdat het plan een positieve bijdrage levert aan de kwaliteiten van het buitengebied, is geen beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen.

Waterkering

In de Verordening Ruimte is in artikel 10 regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerende werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone(s) en de kernzone die horen bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Een deel van het plangebied maakt hier onderdeel van uit. Via de dubbelbestemming Waterstaat (- Waterkering) zijn deze waterkeringen gewaarborgd.

Regioprofielen Cultuurhistorie Zuid-Holland, Topgebied 9: Midden - Delfland

Het gebied ten noorden van de Bovenvaart is door de provincie aangewezen als “Topgebied Cultureel Erfgoed Midden-Delfland”. De beleidslijnen voor dit gebied zijn door de provincie uitgewerkt in het cultuurhistorisch regioprofiel Topgebied 9: Midden - Delfland.


Topgebieden zijn gebieden waar cultuurhistorische waarden in bijzondere mate én in onderlinge samenhang voorkomen. Het culturele erfgoed is in deze gebieden nog in grote mate bepalend voor het karakter en de ruimtelijke kwaliteit. In totaal heeft de provincie 16 topgebieden aangewezen. Binnen de Topgebieden zijn enkele zogenaamde ‘kroonjuwelen’ aangemerkt: cultuurhistorische ankerpunten van een topgebied die in zeer sterke mate bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van een plek. In voorliggend plangebied zijn geen kroonjuwelen aangewezen.


De beleidslijn voor de Topgebieden is dat cultuurhistorie de randvoorwaarde vormt bij ruimtelijke ontwikkelingen. De continuïteit van het karakter van de het gebied staat hierbij voorop. Uitgangpunt bij toekomstige ontwikkelingen is het behouden en versterken van het karakter.

Het perceel Molenkade 2 is gelegen in het cultuurhistorisch regioprofiel Midden-Delfland. Uit toetsing aan dat gebiedsprofiel volgt dat het perceel is gelegen:

  • in een droogmakerij;
  • aan belangrijke polderwatergangen en bij het sluisje van De Zweth;
  • in een dorpsrand aan landschap;
  • in een stedelijk recreatiegebied tussen natuurgebieden;
  • in de molenbiotoop van De Valk;
  • in het rust en stiltegebied.

De ontwikkeling van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming heeft geen nadelige gevolgen op bovenstaande punten. Er is juist extra rekening gehouden met de molenbiotoop en de ontwikkeling heeft een positief effect op het rust en stiltegebied.

Groenblauwe Slinger

Aan de noordzijde van het plangebied is door de provincie Zuid-Holland de Groenblauwe Slinger geprojecteerd. Het gedeelte van het plangebied ten noorden van de Bovenvaart maakt onderdeel uit van deze Groenblauwe Slinger.


De Groenblauwe Slinger is de S-vormige open ruimte die resteert tussen de Haagse en Rotterdamse agglomeratie en die het Groene Hart verbindt met Midden-Delfland. Dit gebied zal de komende jaren uitgroeien tot een waterrijk natuurgebied van ongeveer 200 km2; een gebied met een ecologische en recreatieve taak voor ruim twee miljoen omwonenden. Een gebied dat voorkomt dat de Haagse en Rotterdamse regio’s samenklonteren tot één verstedelijkt gebied.


De Groenblauwe Slinger is een krachtige kwaliteitsimpuls voor het leef-, woon- en werkklimaat in de regio. Daarmee levert hij een belangrijke bijdrage aan de aantrekkelijkheid van het woon en vestigingsklimaat van de zuidvleugel van de Randstad.


De Groenblauwe Slinger is opgedeeld in een aantal deelgebieden. Ten noordoosten van het plangebied ligt het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker. De Groenzone Berkel-Pijnacker wordt omgevormd tot een waterrijk natuur- en recreatiegebied. Voor dit gebied is het bestemmingsplan ‘Groenzone’ opgesteld. Dit bestemmingsplan is inmiddels van kracht.


Het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied Oude Leede. Het gebied Oude Leede krijgt een steeds belangrijkere functie als groene oase in een aan alle kanten oprukkende verstedelijking. Het uitgangspunt is het huidige open karakter van het gebied zoveel mogelijk intact te laten. De polder Oude Leede en de bergboezem zullen daarbij naar verwachting worden ingericht als waterrijk natuur- en recreatiegebied. Het westelijk gelegen natuurreservaat De Ackerdijkse Plassen zal in zijn huidige vorm blijven bestaan.

Doelstellingen richten zich ter plaatse in de eerste plaats op het behoud van de bestaande natuur- en recreatieve waarden en ontsnippering. De ontwikkeling die dit bestemmingplan mogelijk maakt verbetert de kwaliteit en is niet in strijd met de genoemde uitgangspunten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0026.png"

Figuur 3.3. Uitsnede kaart Hoofdnetwerk Groenblauwe Slinger

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0027.png"

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Lansingerland (2010)

Met de Structuurvisie Lansingerland wil de gemeente sturing geven aan 'aantrekkelijk wonen, werken, recreëren en leven'. Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als versterking groen en recreatiegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0028.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0029.png"

Figuur 3.4. Uitsnede structuurvisiekaart

Welstandsnota

De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De welstandsnota vormt hierin een belangrijke bouwsteen. De gemeente heeft een gebiedenkaart opgesteld, waarin de verschillende welstandscriteria zijn opgehangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0030.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0031.png"

Figuur 3.5. Uitsnede gebiedenkaart

Het plangebied is aangemerkt als agrarisch transformatiegebied. Dit gebied is welstandsvrij met een exessenregeling. Bij dit welstandsniveau zijn enkele minimale welstandscriteria van toepassing. In tegenstelling tot de geheel vrije gebieden acht de gemeente het in deze gebieden van belang om minimaal toezicht uit te oefenen, gericht op het voorkomen van uitwassen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0032.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0033.png"

Figuur 3.6. Uitsnede kaart welstandsniveaus

3.4 Conclusie

Het beleid is gericht op versterking van de groene en recreatieve functie in het gebied. Het opheffen van bedrijfsactiviteiten en het toevoegen van een woning past in dit beleid. Er is sprake van kwaliteitsverbetering in het buitengebied.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

De functie van garagebedrijf wordt opgeheven en alle bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning wordt vergroot of vervangen en er wordt een woning toegevoegd. De omliggende gronden worden grotendeels tuin en erf. Per saldo neemt de hoeveelheid bebouwing en verharding af. Hierdoor is sprake van vergroening.

De bestemming Bedrijf wordt vervangen door Wonen en Tuin.

De dubbelbestemmingen (Waarde Cultuurhistorie, Waarde Archeologie en deels de dubelbestemming Waterstaat) en de aanduiding voor de vrijwaringszone van de molenbiotoop worden overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0034.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0035.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0036.png"

Figuur 4.1. Foto's huidige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0037.png"

Figuur 4.2. Te slopen bebouwing

Alle bedrijfsbebouwing wordt voor de herontwikkeling gesloopt. Dit is voorwaardelijk om te kunnen voldoen aan de Ruimte voor Ruimte regels in de verordening (zie paragraaf 3.2) Het streefbeeld van de nieuwe situatie bestaat uit twee (één vervangende en één nieuwe) statige woningen op ruime kavels. Om de waardevolle omgeving binnen in de woningen beleefbaar te maken is het wenselijk om binnen een verblijfsruimte die uitzicht biedt over de dijk ten zuiden van het perceel te kunnen creëren, rekening houdend met de hoogtebeperkingen van de molenbiotoop.


Na weging van alle belangen is een stedenbouwkundige schets gemaakt voor de positionering en hoogtes van de bouwvolumes (figuren 4.3. en 4.4.). Omdat grote massa's niet passen in het gebied, bestaan de bouwvolumes aan geschakelde delen met verschillende hoogtes en kapvormen. Het westelijke bouwvlak heeft nokhoogtes van maximaal 3, 6 en 6,5 meter. Het oostelijke bouwvlak varieert tussen een plat dak van 3 meter en kappen met een nok van maximaal 6 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0038.png"

Figuur 4.3. Stedenbouwkundige schets

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0119-VAST_0039.png"

Figuur 4.4 Bouwvolume

Hoofdstuk 5 Toelichting op de planregels

5.1 Inleiding

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. De procedureregels voor het afwijken bij een omgevingsvergunning, wijzigen of het stellen van nadere eisen zijn niet opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Voor deze procedureregels wordt verwezen naar de Wabo/Wro.

5.2 Planregels

5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

5.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Bij onderstaande regels is aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan Molenweg e.o.

Artikel 3 Tuin

De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bijbehorende bij de aangrenzende woningen. Bebouwing is uitsluitend toegestaan in de vorm van erkers en/of entreeportalen en andere bouwwerken. De parkeerplaatsen op eigen terrein staan centraal in de regeling en de afwijkingsmogelijkheden.

Artikel 4 Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep, tuinen en erven, parkeervoorzieningen en water met de daarbij behorende bouwwerken, werken en werkzaamheden.

Op de gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij een hoofdgebouw uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. Dit leidt ertoe dat de bouwvlakken enkel kunnen worden bebouwd met één woning voor één huishouden. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven met de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte'. Net als in de tuinbestemming kunnen in de woonbestemming de parkeerplaatsen op eigen terrein worden voorzien en is het behoud daarvan een voorwaarde bij de afwijkingsmogelijkheden

Artikel 5 en 6 Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2

De gronden in voorliggend bestemmingsplangebied zijn op basis van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart aangemerkt als gebied met hoge en een middelmatige archeologische verwachting. Op basis van het de Monumentenwet 1998 dienen deze gronden een planologische bescherming te worden geboden. Dit is geschied door het bouwen afhankelijk te stellen van een door burgemeester en wethouders te verlenen omgevingsvergunning en het opnemen van een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen zullen de consequenties voor de archeologische waarde in kaart dienen te worden gebracht, eventueel door voorafgaand archeologisch onderzoek. Bij de regeling is voorzien in een advies door een terzake deskundige. Indien uit nader onderzoek blijkt dat er sprake is van te beschermen archeologische waarden, kunnen voorwaarden worden gesteld aan de ontwikkelingen. Indien blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel deze waarden goed kunnen worden gedocumenteerd kan de dubbelbestemming worden geschrapt na toepassing van een daartoe opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Voor ingrepen, waarbij de archeologische (verwachtings)waarden niet onevenredig worden geschaad, is geen omgevingsvergunning nodig. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden met een kleiner oppervlak dan 100 m2 of geringere diepte dan 30 cm voor de dubbelbestemming Waarde - archeologie - 1. Voor Waarde archeologie - 2 geldt dezelfde regeling maar dan met een oppervlakte van 500 m2.

Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorie

Ter bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ opgenomen.

Met deze dubbelbestemming is het bouwen en uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden (ten behoeve van de onderliggende bestemmingen) afhankelijk gemaakt van een door burgemeester en wethouders te verlenen omgevingsvergunning. Bij het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in bij de monumenten- en/of welstandscommissie. Hierbij zijn burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen bij het verlenen van de omgevingsvergunning.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering, de beschermingszone langs de waterkering en de waterhuishouding.

Voor de bestemming is sprake van een zogenoemde dubbelbestemming waarbij de waterkerende functie primair is gesteld ten opzichte van de andere aangegeven bestemmingen. Op deze gronden is tevens de Keur van het Hoogheemraadschap van Delfland van toepassing. Ontwikkelingen binnen de bestemming zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering. Het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de secundaire bestemmingen is afhankelijk gesteld van een door burgemeester en wethouders te verlenen omgevingsvergunning voor afwijken. Alvorens bij omgevingsvergunning afwijking te verlenen wordt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten, advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap. Naast de bepalingen van het bestemmingsplan zal, op grond van de keurbepalingen, bij het oprichten van bebouwing dan wel het uitvoeren van een aantal werken en/of werkzaamheden tevens een watervergunning van het Hoogheemraadschap nodig zijn.

5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

In de algemene regels zijn de antidubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels (molenbiotoop), de algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels opgenomen.

5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangeduid.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gezien de beperkte omvang van het plangebied en de beoogde ontwikkeling gericht op kwaliteitsverbetering, is geen inspraakprocedure toegepast.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Daarom is geen exploitatieplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening noodzakelijk.

De verkoopbaarheid van de kavels op deze bijzondere locatie wordt positief ingeschat.

Op basis hiervan wordt vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid kan worden gewaarborgd.

6.3 Handhavingsaspecten

De handhavingsaspecten zijn vastgelegd in het handhavingsbeleid van de gemeente Lansingerland.

Hoofdstuk 7 Inspraak en overleg

7.1 Inspraak

Gelet op de geringe omvang van het plangebied en de verbetering van de omgevingskwaliteit, wordt de toepassing van de gemeentelijke inspraakverordening niet noodzakelijk geacht. In de Herault van 24 april 2013 is het voornemen voor het opstellen van het bestemmingsplan gepubliceerd op basis van artikel 1.3.1 Bro.

7.2 Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro

Overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is gelegenheid tot overleg geboden met betrekking tot het voorontwerpbestemmingsplan. Hiervoor zijn de volgende instanties via het daarvoor bedoelde webformulier benaderd met het verzoek te reageren:

  • 1. Hoogheemraadschap van Delfland
  • 2. Provincie Zuid-Holland

Er is één instemmende overlegreactie ontvangen van het Hoogheemraadschap van Delfland.

7.3 Ontwerpbestemmingsplan

Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht. Het bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 27 juni tot en met 7 augustus 2013. Dit is bekendgemaakt in Heraut, staatscourant en op de gemeentelijke website.

Er zijn enkel twee positieve reacties ontvangen van Provincie Zuid-Holland en Hoogheemraadschap van Delfland. Verder zijn geen zienswijzen ontvangen.