| Plan: | Buitengebied, herziening Parallelweg 4, 4a en 4b Lievelde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPBUI2006-VG01 |
Op het perceel aan de Parallelweg 4, 4a en b te Lievelde zijn de bedrijfsgebouwen van een voormalig bedrijf aanwezig. De eigenaar van het perceel heeft een plan ingediend voor het gedeeltelijk slopen van de bebouwing en het realiseren van een nieuwe woning, in aanvulling op de bestaande twee toegestane woningen op het perceel. Het plan past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders is bereid medewerking te verlenen aan de realisatie van het plan, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden, waaronder de volgende.
In de eerste plaats dient de bedrijfsbestemming beëindigd te worden. Op het nieuwe perceel worden maximaal 3 woningen toegestaan en de oppervlakte aan te handhaven bijgebouwen mag niet meer dan 407 m2 bedragen. Deze bijgebouwen zijn, samen met een nieuw te bouwen bijgebouw van 35 m2, bedoeld voor alle drie de woningen. Verder moet er een investering in het landschap plaats vinden. In voorliggend bestemmingsplan wordt het voornemen juridisch-planologisch vastgelegd.
Het plangebied betreft het perceel Parallelweg 4, 4a en 4b te Lievelde, kadastraal bekend gemeente Lichtenvoorde, sectie S, percelen 1 en 3. Het plangebied ligt op nog geen halve kilometer afstand van de kern Lievelde en wordt ontsloten via de Parallelweg. Ten noorden en ten westen van het plangebied liggen de N18 en de spoorlijn Zutphen - Winterswijk. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een bosperceel. De globale ligging van het plangebied is afgebeeld op onderstaande afbeelding.
Figuur 1. Uitsnede luchtfoto, bron www.google.nl/maps (2018)
Het plangebied ligt in het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 met bijbehorende reparatieplannen. Het plangebied heeft de bestemming Bedrijf met de aanduiding 'niet-gebiedsgebonden bedrijf'. Het bedrijf heeft een bouwvlak, waarbinnen een bedrijfswoning is toegestaan met een toegestane hoogte van 9 m. Verder liggen twee gebiedsaanduidingen over het plangebied. Het oostelijke gedeelte heeft de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en een klein gedeelte aan de zuidzijde valt binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - gelders natuur netwerk'.
De bestemming Bedrijf bevat geen regeling voor functieverandering naar wonen, zodat een bestemmingsplanherziening nodig is om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken.
Figuur 2. Uitsnede geldend bestemmingsplan, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande toekomstige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
Aan de Parallelweg 4, 4a en 4b te Lievelde is een voormalig bouwbedrijf aanwezig. Op het terrein is circa 1.286 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig, met daarin onder andere een werkplaats, opslagruimte, een kantoor, een garage. De romneyloods is inmiddels gesloopt. De voormalige bedrijfswoning biedt ruimte aan twee wooneenheden, namelijk nummer 4 en 4a. De twee aaneengebouwde woningen zijn toegestaan door middel van een 1996 gelegaliseerde splitsing.
Figuur 3. Te slopen (gearceerd) en te behouden bebouwing
Het plangebied ligt direct naast de N18 oftewel de Europaweg en de spoorlijn Zutphen - Winterswijk. De N18 gaat nabij het plangebied over in een viaduct over de spoorlijn. Het plangebied wordt ontsloten via de Parallelweg richting in Lievelde. De Parallelweg loopt tevens onder het viaduct door.
Figuur 4. Luchtfoto huidige situatie, bron: www.google.nl/maps (2018)
In de nieuwe situatie blijven de bestaande woningen gehandhaafd en wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De nieuwe woning wordt op circa 29 meter afstand van de bestaande woningen gesitueerd. Bij de woningen worden een oppervlakte van 407 m2 aan bijgebouwen gehandhaafd. Daarnaast wordt een bijgebouw van 35 m2 gebouwd, zodat in de toekomstige situatie in totaal 442 m2 aan bijgebouwen aanwezig is. De overige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.
De nieuwe bedrijfswoning krijgt een oppervlakte van circa 115 m2 en een hoogte van 9 m. De woning krijgt drie bouwlagen. De kap wordt uitgevoerd als een asymmetrisch zadeldak, waarbij de goothoogte aan de westzijde 3 m en aan de oostzijde 5,8 m hoog is.
Figuur 5. Ontwerp nieuwe woning, bron: initiatiefnemer
Het erf wordt rondom ingeplant met inheemse planten en haagbeuk. Tevens wordt er een vogelbosje en een prairietuin aangelegd. In aanvulling op de erfinrichting wordt een bijdrage gedaan aan het landschapsfonds Visie Besselinkschans, waardoor een kwaliteitsverbetering van het landschap in Oost Gelre mogelijk wordt gemaakt.
Figuur 6. Tuininrichting, bron: initiatiefnemer
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor ruimtelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de behoefte aan die ontwikkeling wordt beschreven. Tevens dient bij ontwikkelingen buiten het bestaand gebied een motivatie te worden gegeven waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied aan die behoefte kan worden voorzien.
De eerste vraag is dus of hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gaat hier om de beëindiging van een bedrijfsbestemming met sloop van bedrijfsbebouwing in samenhang met de realisatie van een nieuwe woning. De realisatie van een woning valt niet onder de definitie van 'stedelijke ontwikkeling' (artikel 1.1.1. Besluit ruimtelijke ordening). Daarmee valt deze ontwikkeling buiten het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
De provincie Gelderland heeft haar beleid voor de leefomgeving samengebracht in een Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening. Op 18 oktober 2014 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland in werking getreden. Op 1 maart 2017 is een Actualisatieplan Omgevingsverordening vastgesteld.
In de Achterhoek wordt onder meer ingezet op een een kansrijk platteland. Een verscheidenheid van economische functies kunnen bijdragen aan een economische en sociaal vitaal buitengebied, waaronder wonen. Ontwikkelingen of nieuwe functies in het landschap kunnen positief bijdragen aan de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het Achterhoeks landschap.
Het plangebied ligt in Nationaal landschap Winterswijk. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk wanneer deze de kernkwaliteiten behouden of versterken. De provincie hecht aan een hoge kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Ontwikkelingen dienen samen te gaan met het realiseren van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurkwaliteit ter plaatse.
De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is het instrument voor een zorgvuldige afweging van ontwikkelingen in het buitengebied, waarbij kwaliteitsborging en -ontwikkeling plaatsvindt. Niet alleen dient het effect van de ontwikkeling op de vitaliteit van kernen te worden afgewogen. Ook het evenwicht tussen de kwaliteiten van het ruimtelijk initiatief en de kwaliteiten van de locatie en het omliggende gebied is van belang.
Betekenis voor het plan
Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, doordat een bedrijfsbestemming wordt beeindigd en overtollige, verouderde bedrijfsbebouwing wordt verwijderd. Door een bijdrage te doen in het landschapsfonds worden de landschapskwaliteiten van Oost Gelre versterkt.
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.
Het plangebied ligt in het landschapsensemble Lievelder Krans. Lievelde valt in de dynamische zone, waarin ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken in het buitengebied mogelijk zijn. Dit dient altijd op een gebiedseigen schaal en met gebiedseigen vormen en beplantingen te geschieden. Verdichting in het landschap als gevolg van functieverandering is acceptabel, bijvoorbeeld in de vorm van clusters van nieuwe woningen. Daarbij dienen nieuwe woonfuncties en bijgehorende erven goed ingepast te worden in het landschap.
Betekenis voor het plan
Met dit plan wordt een klein cluster van woningen in het buitengebied gerealiseerd, waarbij één woning wordt toegevoegd en de afstand tussen de woningen niet groter is dan 29 m. Verouderde bebouwing wordt verwijderd en het erf wordt ingericht met gebiedseigen soorten. Vanwege de situatie ter plaatse wordt daarnaast een investering gedaan in het landschapsfonds waarmee geinvesteerd kan worden in een kwaliteitsverbetering van het landschap.
Cultuurhistorische waarden dienen uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
Het plangebied ligt in de dubbelbestemming 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde 2'. Dit wil zeggen dat deze gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Ter plaatse van het plangebied is ter bescherming van de eventuele waarden in de bodem in de regels opgenomen dat bij het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 een rapport moet worden opgesteld waarin de archeologische waarde van de gronden is vastgelegd.
Bij het plan vinden geen nieuwe werkzaamheden plaats waarbij de oppervlakte van 2.500 m2 wordt overschreden. Onderzoek is dan ook overbodig.
Conclusie
Op grond van de archeologische verwachtingswaarde wordt archeologisch onderzoek niet nodig geacht. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. De archeologische waarden worden beschermd door de opgenomen dubbelbestemming.
Onderzocht dient te worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd. Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer:
Door Milieutechniek Rouwmaat is een bodemonderzoek uitgevoerd aan de Parallelweg 4 te Lievelde om vast te stellen of er een grond- of grondwaterverontreiniging aanwezig is. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan. Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dan dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan, maar de grond mag niet zondermeer worden afgevoerd. In dat geval dient dit het afvoeren in overleg met het bevoegd gezag plaats te vinden. Verder dient bij de onttrekking van grondwater de grondwaterkwaliteit onderzocht te worden.
Op grond van artikel 3.1.6 Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. In voorliggende paragraaf is getoetst of de ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, in overeenstemming is met het waterbeleid. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een vijftal hoofdthema's:
In onderstaande tabel zijn de opgevraagde gegevens voor de watertoets weergegeven.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid | 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) | 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? |
Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? |
Nee |
Uit de legger blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen specifieke waterschapsbelangen gelden.
Figuur 7: Uitsnede legger Waterschap Rijn en IJssel
Conclusie
Uit de analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in verblijfsobjecten rekening te worden gehouden met de geluidsbelasting van omliggende wegen en spoorlijnen. Door Sain Milieuadvies is onderzoek uitgevoerd naar eventuele geluidshinder vanaf de spoorlijn Zutphen - Winterswijk en vanaf onder andere de Europaweg (N18). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Naar aanleiding van de conclusies van dit onderzoek, is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar geluidsreducerende maatregelen welke toegepast kunnen worden aan en in de nieuw te bouwen woning. Dit onderzoek is weergegeven in Bijlage 3.
N18
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de N18 op de zuidgevel ter hoogte van de begane grond voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Op de zuidgevel ter hoogte van de verdieping en op de overige gevels wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Op de noord- en westgevel wordt ook de maximale grenswaarde van 53 dB overschreden.
Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de N18 zijn niet haalbaar. De zuidgevel ter hoogte van de begane grond is geluidsluw. Het gemeentelijk geluidbeleid streeft naar maximaal één dove gevel. In dit concrete geval is de beoogde nieuwbouwlocatie vanuit stedenbouw en landschap de meest optimale plek voor de nieuwe woning. De gemeente is in dit specifieke geval daarom akkoord met twee dove gevels aan de woning. Omdat verder voldaan wordt aan de voorwaarden uit het hogere waarde beleid kunnen hogere waarden (ten gevolge van de N18) vastgesteld worden. De noord- en westgevel dienen als akoestisch doof te worden uitgevoerd.
Spoorwegverkeer
De geluidsbelasting ten gevolge van de spoorlijn Zutphen-Winterswijk op de nieuwe woning voldoet ruim aan de voorkeursgrenswaarde.
Conclusie
Om een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat te realiseren wordt de noord- en westgevel akoestisch doof uitgevoerd. Daarmee vormt het aspect geluid geen belemmering meer voor de realisatie van het plan. De procedure hogere grenswaarde uit de Wet geluidhinder zal gelijktijdig met dit bestemmingsplan worden gevolgd. Bij de bouw zal de woning worden voorzien van geluidreducerende maatregelen.
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden.
Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
Als sprake is van realisatie of wijziging van bronnen van luchtverontreiniging, die kunnen leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, is onderzoek noodzakelijk. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Het voorgenomen plan betreft de beeindiging van een bedrijfsbestemming en de realisatie van een nieuwe woning. Hierbij is geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking, omdat een woning minder verkeersbewegingen genereert dan een bouwbedrijf.
Conclusie
Het voorgenomen plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging en is daarmee uitvoerbaar.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Bij werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren. Opzettelijke verstoring van dieren en leefgebieden is niet toegestaan. Tevens dient rekening te worden gehouden met de beschermde gebieden, zoals de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Natura 2000-gebieden.
De betrokken locatie is reeds geheel verhard. De romneyloods is al gesloopt. De nieuwe woning komt op de plek van deze loods. Daarom kan verder onderzoek achterwege blijven. Met de bouw moet rekening worden gehouden met het broedseizoen.
Het meest zuidwestelijk gelegen stukje van het bestaande erf (in het vigerende bestemmingsplan bestemd als Bedrijf) valt, samen met het bos direct ten zuiden van de locatie, in het Gelders Natuur Netwerk. Een bestaand ontsluitingsweggetje naar de achtergelegen agrarische gronden van derden en de rand van het bestaande erf liggen in deze begrenzing. Het bestaand gebruik met een ontsluitingsweg blijft ongewijzigd.
Ten opzichte van het bestaande erf worden toegevoegd een groenstrook direct ten noorden van dat pad en een vogelbosje. Dit komt ten goede aan de natuurwaarden.
Conclusie
Het aspect Natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Onderzocht moet worden of de ontwikkeling een belemmering vormt voor omliggende woningen of bedrijven en of het bedrijf zelf belemmerd wordt door omliggende woningen of bedrijven. Door de Omgevingsdienst Achterhoek is een advies uitgebracht. Het advies is opgenomen in Bijlage 4.
Uit het advies blijkt dat de aangevraagde ontwikkeling plaatsvindt buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven. De ontwikkeling werkt daarom op voorhand niet belemmerend voor deze bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande en te realiseren woning is hierbij niet in het geding.
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbeleid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de N18 valt onder het Basisnet Weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 8. Uitsnede risicokaart, bron: www.risicokaart.nl
Door de Omgevingsdienst Achterhoek is een advies uitgebracht. Het advies is opgenomen in Bijlage 5. Het plan ligt in de 200 meter zone van de N18, zodat het groepsrisico verantwoord moet worden. In het advies wordt gesteld dat de toename met 1 woning niet zorgt voor een stijging boven de 10% van de orientatiewaarde. Gezien de geringe toename van het aantal personen en de lage bebouwingsdichtheid is het groepsrisico aanvaardbaar.
De veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland heeft advies uitgebracht ten aanzien van voorliggend plan. Het advies is opgenomen in Bijlage 6. Uit het advies blijkt dat het plan past binnen de wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. De veiligheidsregio heeft enkele adviezen opgenomen om de zelfredzaamheid en rampenbestrijding te verbeteren.
Conclusie
Hoewel het plangebied binnen de invloedsfeer van de N18 ligt, zorgt de geringe toename van het aantal personen in het plangebied en de lage bebouwingsdichtheid voor een acceptabele situatie. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Om de veiligheidssituatie in het plangebied te verbeteren kunnen de adviezen van de veiligheidsregio worden opgevolgd.
Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen gaat het erom voor geurhinder van veehouderijen de volgende vragen te beantwoorden: Is ter plaatse van geurgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? En: Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
In de nabijheid van het plangebied ligt een intensieve veehouderij. Door de Omgevingsdienst Achterhoek is een advies uitgebracht. Het advies is opgenomen in Bijlage 7. Uit het advies blijkt dat ruim wordt voldaan aan de minimale afstandseisen. Verder is een berekening naar de geuremmissie uitgevoerd. Uit de berekening volgt dat ter plaatse van het plangebied ruim wordt voldaan aan de geurnorm van 14 odourunits/m3. Voor wat betreft het aspect geur is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op voldoende afstand van omliggende veehouderijen. De gebruiksmogelijkheden van deze bedrijven worden hierdoor niet aangetast. De voorgenomen ontwikkeling werkt dus niet belemmerend voor deze bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat op ter plaatse van de bestaande en de nieuwe woning is hierbij niet in het geding. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Hieronder wordt ingegaan op de verbeelding en de regels, waarbij voor de regels een beschrijving wordt gegeven van de bestemmingen in het plangebied.
Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:
1. Inleidende regels:
In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald.
2. Bestemmingsregels:
In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen vastgelegd. Dit bestemmingsplan bevat de bestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Voor de bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn de bouwregels opgenomen. Om de locatie van de nieuwe woning vast te leggen is een bouwvlak opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat de nieuwe woning te dicht bij de N18 komt te liggen dan wel te ver van de bestaande woningen. Om dezelfde reden hebben de bestaande woningen ook een bouwvlak gekregen. Binnen de bestemming Wonen worden 3 wooneenheden mogelijk gemaakt, waarmee naast de nieuwe woning de twee bestaande woningen zijn toegestaan.
3. Algemene regels:
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene wijzigingsregels. In dit bestemmingsplan is sprake van de gebiedsaanduiding voor het Gelders natuurnetwerk. Dat betekent dat gronden met deze aanduiding tevens bestemd zijn voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het betreffende gebied.
4. Overgangs- en slotregels:
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Overleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners.
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan is op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. Het waterschap heeft laten weten geen op- of aanmerkingen te hebben op het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een omgevingsvergunning onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige plan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. In artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, limitatief opgesomd.
Voor de ontwikkeling wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Daarmee is het verhaal van kosten over de in de vergunning begrepen grond anderszins verzekerd en is het maken van een grondexploitatieplan niet nodig. De kosten die gepaard gaan met de uitvoering en procedure komen voor rekening van de intitiatiefnemer. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd.
De uitvoering van het plan en de bijbehorende procedure worden gefinancieerd door de initiatiefnemers.
Ten behoeve van het plan is een anterieure overeenkomst inzake grondexploitatie en planschade afgesloten. Indien het plan aanleiding geeft tot uitkering van planschade (artikel 6.1 Wro) worden de kosten doorberekend aan de initiatiefnemers.