| Plan: | Buitengebied herziening Manschotterweg 19 Harreveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPBUI1519-VG01 |
| Bestemmingsplan herziening Manschotterweg 19 Harreveld |
| Vastgesteld |
| Inlichtingen: Nardo Rondeel |
| Afdeling Omgeving |
| Telefoonnummer: 0544 - 393 482 |
Er is een verzoek ingediend tot wijziging van de geldende bestemming voor het perceel Manschotterweg 19 te Harreveld. Het agrarisch gebruik op het perceel wordt beëindigd en gewijzigd in de bestemming Wonen. Hierdoor is het de wens om, door sloop van een groot aantal aanwezige bedrijfsbebouwing, een tweetal woningen terug te bouwen. De overgebleven bedrijfsbebouwing gaat dienst doen als bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen) bij de woningen. Deze zogenoemde functiewijziging past niet in het geldende bestemmingsplan zodat een wijziging hiervan noodzakelijk is. Door middel van deze herziening van het bestemmingsplan wordt de functiewijziging van agrarisch naar wonen mogelijk gemaakt.
Om te bezien of de gewenste activiteiten mogelijk zijn, zal het verzoek getoetst moeten worden aan het (inter-)nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. In deze toelichting wordt hier verder op ingegaan.
Het plangebied is gelegen aan Manschotterweg 19 te Harreveld. Het perceel ligt in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre tussen het kerkdorp Harreveld en de bebouwde kom van Lichtenvoorde en is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie N, nummer 532. In de directe nabijheid van het perceel zijn zowel burgerwoningen als agrarische bedrijven gelegen.
Omgeving Manschotterweg 19 Harreveld
Agrarisch bedrijf Manschotterweg 17 en 19 te Harreveld
Op het perceel Manschotterweg 19 te Harreveld is het agrarisch bedrijf 't Manschot gevestigd. Het agrarisch bedrijf is in 2015 gestopt met haar bedrijfsvoering. De huidige eigenaren hebben de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en verkoop als agrarisch object is niet haalbaar gebleken. Om leegstand en verpaupering van het hoofdgebouw en de agrarische bijgebouwen te voorkomen is herontwikkeling nodig. De wens is om 't Manschot te herontwikkelen tot een knooperf door de volledige inhoud van de oorspronkelijke boerderij te gebruiken ten behoeve van bewoning van 3 gezinnen die onderling zorg en kosten voor het knooperf delen.
Het agrarisch bedrijf aan de Manschotterweg 17 en 19 te Harreveld is voorzien van een bouwvlak waarbinnen zich de bedrijfswoningen en -gebouwen bevinden alsmede kuilvoerplaten, mestbassin, verhardingen, etc. De totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bedraagt ongeveer 1.789 m2.
In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met de bijbehorende Reparatieplannen 'Buitengebied Oost Gelre' en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016' zijn de gronden bestemd als 'Agrarisch', voorzien van een bouwvlak en met een maatvoering voor het maximum aantal wooneenheden van twee. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'.
Op het perceel zijn twee bedrijfswoningen aanwezig namelijk nummer 17 en 19.
In het bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen om de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen naar de gewenste bestemming 'Wonen' en daarnaast toestaan van twee nieuwe woningen. Door middel van een herziening van het bestemmingsplan wordt deze wijziging in bestemming mogelijk gemaakt.
Bestemming 'Agrarisch' met bouwvlak en met dubbelbestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' uit het geldende bestemmingsplan
De wens is om de bestaande voormalige boerderij (gebouw 1 en 2) op te splitsen in drie woningen ten behoeve van bewoning door drie gezinnen, door de volledige inhoud van ruim 2.400 m3 van de oorspronkelijke boerderij te gebruiken. Hiertoe zal een interne verbouwing plaatsvinden waarbij de functiebestemming wordt aangepast naar 'Wonen'. Per wooneenheid blijft 150 m2 aan bijgebouwen aanwezig, bestaande uit de bestaande werktuigenberging van 380 m2 (gebouw 5) en een vervangend gebouw van 70 m2 (gebouw 4a) welke komt op de bestaande fundering van de voormalige opslagschuur (gebouw 4) op ongeveer de plek overeenkomend met de positie en orientatie waar vroeger de 'oude schoppe' heeft gestaan.
De gebouwen 3, 4, 6 en 7 worden gesloopt. De gefundeerde verharding 8, 9 en 10 worden verwijderd.
Gewenste situatie
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura-2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.
De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor eventuele Vogelrichtlijngebieden.
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.
Op basis van de Habitatrichtlijn zijn de zogenaamde Natura 2000-gebieden aangewezen. Op ruim drie kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied Korenburgerveen. Er is geen sprake van een (direct) ruimtelijk effect van de functiewijziging naar Wonen. Indirect zijn er ook geen negatieve effecten te verwachten.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Het verdrag is uitgewerkt in de Wet op de archologische monumentenzorg. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. Gemeentes moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met aanwezige en te verwachten monumentale- en archeologische waarden.
Het verdrag van Valletta is op gemeentelijk niveau verder uitgewerkt in een gemeentelijk beleid en kaart archeologische verwachtingswaarden. In paragraaf 5.4 wordt hier nader op ingegaan.
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:
Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.
In paragraaf 5.1 is nader ingegaan op de concrete wateraspecten van dit plan.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.
Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.
De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.
In de Structuurvisie is een nationaal belang benoemd, die voor dit plan van relevant belang is:
Nationaal belang 13: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Voor dit plan wordt de gebruikelijke procedure met alle wettelijke publicatiemomenten gevolgd.
Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 10 juli 2017 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsvergunning op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.
Het plangebied is niet gelegen in een maatschappelijke opgave zoals genoemd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel.
Het Waterplan dat op 11 november 2009 door Provinciale Staten is vastgesteld, is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.
In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.
Voor de realisatie van deze specifieke waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan Gelderland op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie. In het Waterplan Gelderland is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil inzetten.
Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met de bijbehorende Reparatieplannen 'Buitengebied Oost Gelre' en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'. De gronden bestemd als 'Agrarisch', voorzien van een bouwvlak en met een maatvoering voor het maximum aantal wooneenheden van twee. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'.
Functieverandering naar wonen
In de regels van het bestemmingsplan is in paragraaf 35.4 de functieverandering van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Wonen' aangegeven. Hiervoor is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij als voorwaarde geldt dat, na sloop van ten minste 1.500 m2 aan bedrijfsgebouwen, er twee woningen in een gebouw zijn toegestaan. Daarnaast is aangegeven dat er maximaal drie wooneenheden op een perceel aanwezig mogen zijn. Nu er al twee bedrijfswoningen op het perceel aanwezig zijn en er twee wooneenheden worden toegevoegd zullen er in de nieuwe situatie in totaal vier woningen aanwezig zijn. Hiermee wordt dus niet voldaan aan de regels zoals gesteld bij de wijzigingsbevoegdheid zodat hiervan geen gebruik kan worden gemaakt. Het verzoek zal dan ook met een herziening van het bestemmingsplan worden afgehandeld.
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.
Het plangebied ligt in het landschapsensemble Harreveld. De kern Harreveld is ontstaan uit de vroegere buitenplaats Harreveld met een formele landschapsaanleg van gracht en lanen. Deze buitenplaats lag op de noordelijke rand van de dekzandrug die al sinds de Middeleeuwen in gebruik is als handelsroute. En hij is natuurlijk in gebruik als es: de Harreveldse Es met de molen Hermien als bekroning. Hoewel hoog genoeg voor akkerbouw, is de rug niet erg vruchtbaar. Dat is de reden dat delen ervan niet werden gebruikt als landbouw, maar als droge heide en zelfs verstoven tot stuifduinen. Later, zo rond 1900, werden deze hoge ruggen weer bebost met dennen.
Ten zuiden van de dekzandrug stagneerde het water dat afstroomde van het Oost-Nederlands Plateau (Flierbeek, Zilverbeek) in het Zwarte Veen en het Aaltense Goor. Pas door de aanleg van de Veengoot in de 19e eeuw door de dekzandrug heen kon dit zeer natte gebied effectief ontwaterd worden. Tot in de 20e eeuw werd hier veen gestoken. Nu is het Oost Gelrese deel ontgonnen en grootschalig verkaveld en in gebruik als landbouwgebied.
Versterking van de landschappelijke eenheid en kwaliteit in het landschapsensemble Harreveld is opgenomen in een visiedocument welke is verteaald in een landschappelijk inpassingsplan. Beschrijving hiervan is opgenomen in hoofdstuk 6.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema Watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Ja Nee |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Ja Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Een aantal thema's zijn met 'ja' beantwoord. Deze thema's zijn hieronder nader uitgewerkt.
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Verhard oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
Bestaand verhard oppervlak wordt, indien aangesloten op een rioolstelsel, hiervan afgekoppeld zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geinfiltreerd in de bodem.
Inrichting en beheer
Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmateriaal van het waterschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een watervergunning te worden uitgevoerd.
De voorgenomen ontwikkelingen wijzigen de watergang niet waardoor er geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem is.
Uit bovengenoemde blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel en in de directe omgeving geen negatieve invloed zal hebben op het waterketen en -beheer.
Door Milieutechniek Rouwmaat is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Manschotterweg 19 te Harreveld. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en een bouwvergunning. Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of er een grond- of grondwaterverontreiniging aanwezig is, welke mogelijk een belemmering kan vormen.
De resultaten van het onderzoek zijn verwoord in een rapport met projectnummer MT-17232. Dit rapport is beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). Zij geven aan dat het uitgevoerde bodemonderzoek actueel en de rapportage volledig is. Het onderzoek en de rapportage voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Met het onderzoek is geen noemenswaardige verontreiniging vastgesteld. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit op de onderzochte locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Aan de vergunning hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden.
Het bodemrapport met nummer MT-17232 en het beoordelingsformulier van de ODA met nummer 2017EA0514 zijn als bijlage bijgevoegd.
Bij deze ruimtelijke ontwikkeling vindt interne verbouw plaats voor realisatie van twee wooneenheden en vinden er sloopwerkzaamheden plaats van de bedrijfsgebouwen. Deze werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat flora en fauna wordt verstoord of beschadigd. Een onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna is dan ook verplicht.
Door Natuurbank Overijssel is een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming leidt. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Het onderzoeksrapport met projectnummer 1085, versie 1.0 van 29 maart 2017 is als bijlage bijgevoegd.
Mocht onverhoopt beschermde dier- en plantensoorten zich hebben genesteld op het perceel dan telt ten allen tijde de algemene zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Zorgplicht
Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Wet natuurbescherming van toepassing: Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Het perceel Manschotterweg 19 te Harreveld is gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met bijbehorende Reparatieplannen 'Buitengebied Oost Gelre' en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'. Dit wil zeggen dat deze gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Ter bescherming van de eventuele waarden in de bodem is in de regels van deze dubbelbestemming opgenomen dat bij het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte van 100 m2 een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden is vastgelegd.
Bij de gevraagde ruimtelijke ontwikkeling op het perceel vinden geen nieuwe werkzaamheden plaats waarbij de bodem en/of de ondergrond wordt verstoord of die de oppervlakte van 100 m2 overschrijden. Bij bouw van de te slopen bedrijfsgebouwen is de bodem en ondergrond reeds verstoord. Onderzoek op deze lokaties is dan ook overbodig.
Bij de gevraagde ruimtelijke ontwikkeling is onderzoek naar archeologie in de bodem niet noodzakelijk.
Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in verblijfsobjecten rekening te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone met uitzondering van wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De nieuw te realiseren woningen komen te liggen in de geluidzone van de Manschotterweg waarvoor een maximale snelheid geldt van 80 km/uur.
In de Wet geluidhinder is aangegeven dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die zijn gelegen in een zone van een weg rekening wordt gehouden met de geluidsbelasting van deze weg op gevels van woningen, van andere geluidgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen. De daarvoor geldende geluidsbelastingen worden weergegeven in artikel 82 en 100 van de Wet geluidhinder.
De nieuw te realiseren woningen zijn aan te merken als geluidgevoelige objecten. Om de geluidbelasting van het wegverkeer op de Manschotterweg op de voorgevel van de nieuwe woningen te bepalen zijn indicatieve berekeningen gemaakt van de mogelijke geluidsbelasting op de gevel(s). Hierbij is uitgegaan van aannames van het aantal motorvoertuigen nu er geen actuele gegevens bekend zijn.
Uit de indicatieve berekeningen is op te maken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op 1,5 m hoogte op de voorgevel van de woningen niet wordt overschreden. Op 4,5 m, slaapkamerniveau, vindt in de dagperiode een lichte overschijding plaats van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met ongeveer 0,8 dB. In de praktijk zal echter blijken dat deze overschijding nauwelijks zal plaatsvinden. De Manschotterweg is een plattelandsweg waar wel 80 km/uur is toegestaan maar door de profilering van deze weg nauwelijks wordt gehaald. Bij 70 km/uur blijkt dat op 4,5 m de geluidsbelasting al voldoet aan de voorkeursgrenswaarden.
Het wegverkeerslawaai zal dan ook geen belemmeringen opleveren voor de geplande planontwikkeling.
Bekeken is of de gewenste ontwikkeling past in haar omgeving ten opzichte van aanwezige bedrijven en omgekeerd of er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen.
In de directe omgeving van Manschotterweg 19 is het extensieve veehouderijbedrijf Manschotterweg 12 gelegen. In de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' is voor het 'fokken en houden van rundvee' een grootste afstand aangegeven van 100 meter. Deze grootste afstand is hierbij gerelateerd aan het aspect 'geur' en geeft aan dat, indien deze afstand wordt gerespecteerd, er nagenoeg geen geuroverlast van dat agrarisch bedrijf door omwonenden wordt ondervonden.
De woningen Manschotterweg 19 komen na de planontwikkeling op dit perceel te liggen op ongeveer 115 m van het agrarisch bouwvlak van dit agrarisch bedrijf. Gezien de minimaal aan te houden afstand van 100 m zullen de bewoners waarschijnlijk geen geuroverlast van dit agrarisch bedrijf ondervinden.
Er zal dan ook sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen.
De nieuwe woningen mogen geen beperkende factor zijn voor toekomstige ontwikkelingen van omliggende agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf, Manschotterweg 12, is gelegen op ongeveer 115 m van de nieuwe woningen. Voor extensieve veehouderijbedrijven, zoals dit agrarisch bedrijf, dient een minimale afstand van 50 m te worden aangehouden ten opzichte van gevoelige objecten, zoals woningen van derden. De nieuwe woningen zijn dus op voldoende afstand gelegen van dit agrarisch bedrijf waardoor dit bedrijf niet in zijn toekomstige ontwikkelingen wordt beperkt door deze nieuwe woningen.
Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Het voorgenomen plan betreft de realisatie van een woning. Hierbij is geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. In tegenstelling, een agrarisch bedrijf zal meer verkeersbewegingen genereren dan een woonbestemming. Het voorgenomen plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging en is daarmee uitvoerbaar.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbeleid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en op termijn ook het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle activiteiten. Geregeld is hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen in de omgeving van een risicobron als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de risicobron. Afstanden die aangehouden moeten worden, worden bepaald door het plaatsgebonden risico van een risicovolle activiteit. Het ijkpunt voor het groepsrisico wordt bepaald door een oriëntatiewaarde. De externe veiligheid van risicobronnen wordt uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de risicobron.
Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Een woning betreft geen risicobron. Uit de risicokaart blijkt daarnaast dat er in de nabijheid van het plangebied een tweetal risicobronnen aanwezig zijn. Dit betreft een LPG-tankstation aan de N18 en een gasdruk meet en regelstation aan de Zieuwentseweg 28.
Voor beide risicobronnen geldt een veiligheidszone van 500 m. Binnen deze zone wordt bij een calamiteit aan de risicobron kans gelopen op overlijden, ernstige brandwonden of andere verwondingen. De nieuwe woningen aan de Manschotterweg 19 zijn op ruim 800 m gelegen van beide risicobronnen zodat deze woningen buiten de veiligheidszone worden opgericht.
Met betrekking tot het aspect externe veiligheid is het plan dan ook uitvoerbaar.
Uitsnede uit risicokaart
Route voor gevaarlijke stoffen
De Rijksweg N18 is aangewezen als een route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook hier geldt dat de nieuwe woningen op ruim 700 m komen te liggen van deze Rijksweg zodat aanvullend onderzoek naar mogelijke risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen achterwege kan blijven.
Het perceel Manschotterweg 19 te Harreveld vormt tezamen met de bedrijfswoning nr. 17 een agrarisch bedrijf. De bedrijfsvoering is al enkele jaren gestopt. De kampenboerderij 't Manschot is een karakteristiek en historisch ensemble, door de gemeente aangeduid als droebel en historische parel in het buitengebied van Harreveld, waarbij invulling en behoud ervan wenselijk is. Er is behoefte om de bestaande boerderij op te splitsen in drie woningen en door de aanwezigheid van de tweede bedrijfswoning is het nodig om bij deze functieverandering naar wonen maatwerk te leveren om de juiste ontwikkeling op de juiste plek te kunnen realiseren. Daarvoor moet er voldoende kwaliteitswinst worden behaald. Deze kwaliteitswinst wordt onder andere behaald door toepassing te geven aan een opgesteld visiedocument waarbij landschappelijke inpassing en -ontwikkeling dermate worden uitgevoerd dat dit, in combinatie met sloop en verwijderen van de erfverharding, een extra wooneenheid oplevert.
Daarnaast wordt de kwaliteitswinst behaald door de volgende inspanningen binnen de gemeentelijke thema's van de woon- en ruimtelijke visie: kwantiteit & kwaliteit, beschikbaarheid & betaalbaarheid en wonen met zorg en welzijn:
Realisatie van twee woningen, waarbij in totaal vier woningen op het perceel Manschotterweg 17 en 19 te Harreveld aanwezig zullen zijn, is niet toegestaan volgens de vigerende bestemmingsplannen. Om een extra wooneenheid te kunnen realiseren is vanuit de gemeente Oost Gelre besloten om een pilotproject 'knooperven' op te starten. Dit wil zeggen dat in een groot gebied wordt gekeken naar de mogelijkheden om die omgeving recreatief en landschappelijk te versterken. Initiatiefnemers hebben hiervoor het visiedocument 'Droebel 't Manschot' opgesteld.
Het visiedocument is akkoord bevonden. De realisatie van een droebel, de uitgevoerde schouw in de directe omgeving met de daaruit voortvloeiende landschappelijke versterkingen is aanleiding geweest om in afwijking van het geldende beleid van maximaal drie woningen bij functiewijziging naar wonen een extra woonheid toe te staan. Dit visiedocument vormt de basis voor een opgesteld landschappelijk inpassingsplan en is als bijlage bijgevoegd.
Landschappelijk inpassingsplan
Door Buro Collou is een landschapsplan opgesteld voor de functieverandering naar wonen op het perceel Manschotterweg 17 en 19 te Eibergen. Dit landschapsplan dateert van 23 maart 2017 en is als bijlage bijgevoegd. Het landschapsplan is akkoord bevonden. Realisatie en het onderhouden van de landschappelijke inpassing wordt geregeld in de regels van dit bestemmingsplan.
Landschappelijke inpassing aan de Manschotterweg
Op 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (en het Besluit ruimtelijke ordening) in werking getreden. Daarnaast heeft het ministerie VROM het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP-2008) gepresenteerd. Deze standaard geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de opzet van bestemmingsplannen. Op aan groot aantal punten wijkt deze standaard af van de tot nu toe gebruikelijke vormgeving van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2008 (IMRO-2008) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2008 (PRBP-2008).De bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan passen binnen die standaard. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit -met inachtneming van het vorenstaande- zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.
Bovengenoemd rapport, model en richtlijn zijn in 2012 gewijzigd in SVBP-2012, IMRO-2012 en PRBP-2012. Dit wijzigingsplan is met deze standaarden tot stand gekomen.
Het digitale bestemmingsplan Buitengebied herziening Manschotterweg 19 Harreveld is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand NL.IMRO.1586.BPBUI1519-VG01 de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. De papieren plankaart (nu bekend als de analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan) is getekend op een schaal 1:1.000 en omvat 1 kaartblad. Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard. Indien er verschillen aanwezig mochten zijn tussen de digitale en de analoge verbeelding dan is op grond van artikel 1.2.3 Bro de digitale verbeelding beslissend.
De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:
De wijziging van het bestemmingsplan en de bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot uitkering van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst inzake grondexploitatie en planschade afgesloten met verzoeker.
Het bestemmingsplan voorziet in een wijziging van de aanwezige bestemming. Er vinden bouwwerkzaamheden plaats als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is opgenomen dat de te maken kosten, waaronder eventuele planschade, voor rekening van verzoeker zijn. Een exploitatieplan is dan niet meer noodzakelijk. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.
In het kader van de herziening van het bestemmingsplan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd (overeenkomstig afdeling 3:4 Algemene Wet bestuursrecht). Binnen deze termijn kan een ieder zijn/haar zienswijze omtrent de herziening indienen. Dan zal ook duidelijk worden hoe omwonenden tegen het plan aankijken. Ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de besluitvorming.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 20 oktober 2017 tot en met 30 november 2017 voor een ieder zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingebracht.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Geldeland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.
In de ontwerpfase worden de diensten van provincie en Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de inzage termijn zijn er geen zienswijzen en/of op- en/of aanmerkingen ingekomen.