direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Griftdijk 1c - Maarsbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Griftdijk 1C in Maarsbergen. Op het perceel is een hoofdgebouw aanwezig. Daarnaast bevindt zich op het perceel een (bedrijfs)loods. In het geldende bestemmingsplan kent het perceel om onduidelijke redenen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, waarbij het hoofdgebouw de functieaanduiding ‘opslag’ kent.

De geldende agrarische bestemming sluit op geen enkele manier aan bij het historische, bestaande en verwachte toekomstige gebruik van het perceel. Door het gebrek aan reële gebruiksmogelijkheden is er de dreiging van een verrommeld perceel op een zichtlocatie aan de N226. Initiatiefnemer wenst, in samenspraak met gemeente Utrechtse Heuvelrug en eventueel provincie Utrecht, te komen tot een nieuwe duurzame functie voor het perceel. Daarmee kan een kwaliteitsverbetering worden bereikt, waarmee ook het algemeen belang is gediend.

Om die reden heeft initiatiefnemer een principeverzoek ingediend, waarna het college van B&W op 4 februari 2021 principemedewerking heeft verleend tot de herbestemming van het perceel naar 'Bedrijf'.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied maakt onderdeel uit van de gemeente Utrechtse Heuvelrug en ligt ten noorden van de kern Maarsbergen. De locatie ligt in het buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug langs de provinciale weg, de N226. In de huidige situatie kent het plangebied onder meer een functie ten behoeve van (bedrijfsmatige) opslag en is het perceel voor een groot deel verhard.

Aan de noordzijde van het plangebied ligt een bedrijf dat handelt in vrachtauto’s. Ook bevindt zich aan de noordzijde van het plangebied de Woudenbergse Grift. Dit is een A-watergang met een geautomatiseerde stuw, "De Driestapel", ter hoogte van het plangebied. De oostzijde van het plangebied wordt gevormd door agrarisch gebied, waarbij op enige afstand een paardenhouderij is gelegen. Ten zuiden van het plangebied loopt de Griftdijk met aan de overzijde een bouwvlak ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Tot slot ligt aan de westzijde van het plangebied de N226.

Het plangebied is gelegen aan de Griftdijk 1c te Maarsbergen. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Maarn, sectie D, perceel 444. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 1.460 m². In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0001.png"

Figuur: Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0002.png"

Figuur: Uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied (bron: perceelloep.nl)

1.3 Geldende plannen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug op 30 juni 2016.

In het bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor:

  • a. agrarische bedrijvigheid, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend op de bestaande locatie, de uitoefening van veehouderijbedrijven in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan;
    • 2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' mede intensieve veehouderij is toegestaan;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwelafhankelijke vegetatie' of 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - open landschap' kwekerijen niet zijn toegestaan;
    • 4. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' mede glastuinbouw is toegestaan;
    • 5. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuinbouw' mede tuinbouw is toegestaan;
    • 6. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt' mede kwekerij van bomen en andere houtgewassen is toegestaan;
    • 7. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - heesterkwekerij' mede een heesterkwekerij;
  • b. instandhouding van de aanwezige dan wel daaraan verbonden landschaps- en natuurwaarden, zoals geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele en ecologische waarden:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - half-open landschap' de half-openheid van het landschap;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwelafhankelijke vegetatie' de kwelafhankelijke vegetatie van het landschap;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - open landschap' de openheid van het landschap;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - reliëf' het reliëf van de bodem en aardkundige waarden van het landschap;
    • 5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - verkavelingspatroon' het verkavelingspatroon van het landschap.
  • c. mestvergisting en mestverwerking, uitsluitend ten behoeve van mest van het eigen bedrijf;
  • d. wonen in een bedrijfswoning;
  • e. in afwijking van onderdeel d is ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' wonen in een bedrijfswoning niet toegestaan;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' uitsluitend een paardenhouderij;
  • g. in afwijking van het gestelde onder sub f is daar waar de aanduiding paardenhouderij in combinatie met de aanduiding 'aantal paaarden' op de verbeelding zijn aangebracht, tevens een paardenhouderij met maximaal 24 paarden toegestaan;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' mede een ijsbaan;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'verenigingsleven' mede een kantinegebouw ten behoeve van maatschappelijk voorzieningen, sport- en recreatieve activiteiten;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' mede nutsvoorzieningen;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' mede het wonen in een plattelandswoning;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - melkrijden' mede een melktransportbedrijf;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' gebouwen ten behoeve van opslag met uitzondering van de opslag van brand- en explosiegevaarlijke stoffen;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal' mede een gemaal;
  • o. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' mede een zwembad;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schaapskooi' mede een schaapskooi;
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats' mede wonen in een woonwagen;

met daarbij behorend:

  • r. tuinen en erven, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudingvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van flora en fauna, zoals faunapassages, voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals picknickplaatsen.

Verder kent het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'. De voor deze bestemmingen aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Ten slotte kent het plangebied de gebiedsaanduiding 'reconstructiezone - verwevingsgebied' en het hoofdgebouw kent de functieaanduiding 'opslag'. Er is geen bouwvlak aangeduid.

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. In afwijking daarvan mogen ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ ook gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd. De bestaande goot- en bouwhoogte geldt als maximum.

Binnen de geldende bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn diverse wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de betreffende bestemming kan worden gewijzigd. Omdat er op het perceel Griftdijk 1C nooit een agrarisch bedrijf aanwezig is geweest en er ook geen agrarisch bouwvlak op rust, kan hier reëel gezien geen gebruik van worden gemaakt.

De plannen zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan omdat de gewenste bedrijfsfunctie niet passend is binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Ook het laatste gebruik is niet in overeenstemming met deze bestemming. Om onduidelijke redenen is het laatste gebruik niet positief bestemd in het geldende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0003.png" Figuur: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.

Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.

In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.

Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Bebouwing

Op het perceel Griftdijk 1C bevinden zich een tweetal gebouwen. Er is een voormalig kantoorgebouw als hoofdgebouw aanwezig. Dit hoofdgebouw kent een oppervlakte van ruim 200 m2 en bestaat uit twee bouwlagen. Daarnaast bevindt zich op het perceel een (bedrijfs)loods met een oppervlakte van circa 200 m2. Voor het overige is het perceel grotendeels verhard.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0004.png"

Figuur: Huidig grondgebruik locatie Griftdijk 1C

2.1.2 Gebruik

Het perceel Griftdijk 1C kent in ieder geval al vanaf de jaren ’70 een stedelijke functie. Vanaf dat moment diende het perceel namelijk als opslagterrein van Rijkswaterstaat. De voormalige gemeente Maarn heeft dit gebruik in het oude bestemmingsplan ‘Maarn – Buitengebied’ in 1995 ook positief bestemd door de bestemming ‘Verkeer’ op te nemen voor het perceel. In 1995 diende het perceel nog steeds als opslagterrein van Rijkswaterstaat.

Daarna is het perceel Griftdijk 1C in eigendom gekomen van Recreatie Midden Nederland. Na het realiseren van vervangende nieuwbouw rond 1999/2000, hebben zij het perceel en bebouwing in gebruik genomen als regiokantoor en werkplaats. In de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is dit ook terug te zien, omdat bij het hoofdgebouw het gebruiksdoel staat omschreven als ‘kantoorfunctie’. Dit was bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug dan ook genoegzaam bekend. In het Kadaster staat bij de omschrijving het volgende aangegeven: ‘Bedrijvigheid (kantoor)’ en ‘Bedrijvigheid (industrie)’.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0005.png"

Figuur: Uitsnede BAG-viewer perceel Griftdijk 1C

Bijzonder is dat bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen (OMMA)’ op 30 juni 2016 het perceel Griftdijk 1C nog steeds de functie als regiokantoor/werkplaats van Recreatie Midden Nederland kende. Dit wordt onder meer bewezen door onderstaande Street-View afbeelding van september 2016, waarbij de Jeep van Handhaving Recreatie Midden Nederland duidelijk zichtbaar in de loods staat. Desondanks wordt in het geldende bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ aan het perceel toegekend, zonder dat dit aansloot op het destijds bestaande én het verwachte toekomstige gebruik van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0006.png"

Figuur: Aanzicht plangebied, september 2016 (bron: Street View)

In de huidige situatie kent het plangebied onder meer een functie ten behoeve van (bedrijfsmatige) opslag. Voor het overige wijkt het feitelijke gebruik van het perceel en de (bedrijfs)loods noodgedwongen af van de geldende agrarische bestemming. Dit is niet meer dan logisch, omdat een agrarisch gebruik reëel gezien niet tot de mogelijkheden behoort en ook nog nooit op het perceel heeft plaatsgevonden.

Verder geldt dat ook de huidige planologische situatie een gebruik ten behoeve van een stedelijke functie (van het hoofdgebouw) toelaat als gevolg van de functieaanduiding ‘opslag’. Als gevolg van deze functieaanduiding mag het hoofdgebouw gebruikt worden voor opslag in de breedste zin van het woord (met uitzondering van de opslag van brand- en explosiegevaarlijke stoffen), omdat het begrip ‘opslag’ niet nader is gedefinieerd in het geldende bestemmingsplan. De gemeente Utrechtse Heuvelrug geeft in paragraaf 2.1.7 van de toelichting van het geldende bestemmingsplan zelf ook aan dat zij opslag zien als een niet-agrarische functie:

“Naast bovengenoemde niet-agrarische functies, komen in een aantal gevallen ook niet-agrarische functies voor als nevenactiviteit op agrarische bedrijven, zoals bijvoorbeeld opslag.”

2.1.3 Conclusie

Het perceel Griftdijk 1C kent historisch een gebruik als opslagterrein van Rijkswaterstaat en als regiokantoor/werkplaats van Recreatie Midden Nederland. Daarbij was in ieder geval het gebruik als opslagterrein van Rijkswaterstaat planologisch positief bestemd (bestemming ‘Verkeer’). In de bestaande situatie wordt het plangebied bedrijfsmatig gebruikt. Daarnaast staat het geldende bestemmingsplan een niet-agrarische functie ten behoeve van opslag toe voor wat betreft het hoofgebouw.

Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het perceel al tientallen jaren zowel feitelijk als planologisch een stedelijke functie kent. Van een landelijke/agrarische functie is al zeer lang geen sprake meer en zal reëel gezien ook niet meer terugkeren op het perceel.

2.2 Projectbeschrijving

Initiatiefnemer is voornemens de locatie aan de Griftdijk 1C te herbestemmen. De huidige bestemming 'Agrarisch met waarden' zal worden omgezet naar de bestemming 'Bedrijf'. Ter plaatse van deze bedrijfsbestemming kunnen bedrijven t/m milieucategorie 2 zich vestigen, met uitzondering van (perifere) detailhandel. Via de Staat van bedrijfsactiviteiten wordt geregeld welke soort bedrijven op de planlocatie zijn toegestaan.

De aanwezige bebouwing op het perceel wordt niet gesloopt en zal in gebruik genomen worden overeenkomstig de nieuwe bedrijfsbestemming. Er worden geen nieuwe opstallen gerealiseerd.

2.3 Ruimtelijke gevolgen

Het perceel heeft momenteel de bestemming 'Agrarisch met waarden', ondanks dat dit niet aansluit op het historische, bestaande en toekomstige gebruik van het perceel. Door de nieuwe bedrijfsbestemming wordt er een nieuwe invulling gegeven aan het perceel, wat zorgt voor nieuwe gebruiksmogelijkheden. Doordat het perceel weer effectief in gebruik genomen kan worden, wordt de dreiging van een verrommeld perceel op een zichtlocatie aan de N226 afgewend. Door het realiseren van een nieuwe functie wordt er een kwaliteitsverbetering bereikt.

Hoofdstuk 3 Algemeen ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Conclusie

Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit het nationale beleid te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit het nationale beleid.

In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven:

  • Rijksvaarwegen;
  • Project mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie;
  • Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden;
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Conclusie

Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door het initiatief zal eveneens geen nationaal belang worden geschaad.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro. Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik.

De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt:

De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen:

  • 1. beoordeling of beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen;
  • 2. indien er een vraag is aangetoond, beoordeling of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten.

Stedelijke ontwikkeling

Om aan deze verplichting uit de Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

De herbestemming van het perceel aan de Griftdijk 1C in Maarsbergen wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Er hoeft derhalve geen laddertoets plaats te vinden.

Conclusie

Op basis van de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling uit het Bro blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Utrecht

De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021 en op 1 april 2021 in werking getreden. De provincie Utrecht is, vooruitlopend op de Omgevingswet, aan de slag gegaan met de uitvoering van het omgevingsbeleid, zoals beschreven is in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie heeft aan hoe de provincie Utrecht wenst dat de provincie er in 2050 uitziet.

De Omgevingsvisie gaat over de fysieke leefomgeving. Dit omvat alle aspecten van de fysieke leefomgeving op, onder en boven de grond. De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is uitgewerkt in thema's en gebieden.

Het betreft de volgende beleidsthema's:

  • 1. Stad en land gezond;
  • 2. Klimaatbestendig en waterrobuust;
  • 3. Duurzame energie;
  • 4. Vitale steden en dorpen;
  • 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar;
  • 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw.

Voor het voorgenomen plan zijn de volgende thema's uit de Omgevingsvisie direct relevant.

Klimaatbestendig en waterrobuust

Nederland heeft een opgave om de gevolgen van klimaatverandering zo goed mogelijk op te vangen. Ook de provincies hebben daar een verantwoordelijkheid in. Daarvoor wil de provincie de fysieke leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust maken.

Het bodem- en watersysteem in de provincie Utrecht kenmerkt zich door een grote diversiteit en kwaliteiten. Het veenweidegebied in het westen van de provincie heeft veengrond met een hoge grondwaterstand die kunstmatig beheerst wordt. De bodem langs de grote rivieren en het Kromme Rijngebied bestaat hoofdzakelijk uit klei. De gebieden rondom de Utrechtse Heuvelrug bestaan uit zandgronden en beeksystemen zorgen voor afwatering. Op de Utrechtse Heuvelrug infiltreert een groot deel van het regenwater dat een belangrijke bron is voor de drinkwaterwinning en water voor de (levensmiddelen)industrie en de natuur- en landbouwgebieden langs de flanken. Een deel van het grondwater komt in kwelgebieden aan de oppervlakte. Dit zorgt voor een bijzondere biodiversiteit. Een goede bodemkwaliteit draagt bij aan een gezond bodemleven voor een vruchtbare bodem en bezit meer waterbergend vermogen.

Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. Dit wordt ook wel de ‘zorgplicht drinkwater’ genoemd. Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen in de provincie zijn er beschermingszones drinkwaterwinning in het leven geroepen. Vanwege de bevolkingsgroei en de toenemende bedrijvigheid hebben we tot 2050 extra drinkwater nodig, waarvoor oppervlakte- en grondwater wordt onttrokken. Hiervoor ontwikkelen we samen met de drinkwaterbedrijven nieuwe grondwaterwinningen en breiden we bestaande grondwaterwinningen uit.

Het plangebied is gelegen in een drinkwaterbeschermingszone. Omdat het planvoornemen een functiewijziging inhoudt, zonder dat er activiteiten mogelijk gemaakt die mogelijk van invloed kunnen zijn op het drinkwater, vormt deze zone geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Het Utrechtse landschap is mooi, verrassend en veelzijdig. De landschappelijke kwaliteiten en structuren zijn belangrijk voor het goede woon-, werk- en leefklimaat, het vestigingsklimaat en de recreatieve aantrekkelijkheid van de provincie. Landschappelijke kwaliteit is een belangrijk onderdeel van een gezonde leefomgeving.

De provincie kent vijf karakteristieke landschappen met de volgende kernkwaliteiten:

  • 1. Landschap Eemland: extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, de hierin gelegen Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort).
  • 2. Landschap Gelderse Vallei: rijk gevarieerde kleinschaligheid, stelsel van beken, griften en kanalen, de hierin gelegen Grebbelinie en overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
  • 3. Landschap Groene Hart: openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte.
  • 4. Landschap Rivierengebied: schaalcontrast van zeer open naar besloten, samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal – kom, samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier en de Langbroekerwetering en de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
  • 5. Landschap Utrechtse Heuvelrug: robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid.

Het plangebied is gelegen in het landschap Gelderse Vallei, wat zich onder andere kenmerkt door de ligging aan De Grift (noordoostzijde van het perceel). De provincie wil dit landschap behouden en waar mogelijk doorontwikkelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0007.png"

Figuur: Ligging plangebied in het landschap Gelderse Vallei (bron: Omgevingsvisie Utrecht)

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Het beleid van de provincie ten aanzien van landbouw richt zich op het het ondersteunen van de beoogde transitie in de landbouw. Een economisch rendabele bedrijfsvoering, in balans met de omgevingskwaliteiten, wordt gestimuleerd door de grondgebonden bedrijven voldoende groeiruimte te bieden. Wanneer agrarische bedrijven stoppen, is het behoud van een agrarisch bouwperceel voor de landbouw wenselijk. Wegens een ongunstige ligging van het bouwperceel, is dit vaak niet haalbaar. In dat geval dient er een passende functie gezocht te worden. In de praktijk krijgen bedrijfswoningen veelal een woonbestemming, waarbij de voormalige bedrijfsbebouwing kan blijven staan.

Regio U16

In de uitwerking van het beleid wordt de samenhang tussen de thematische ambities in gebiedsuitwerkingen uiteengezet. Het plangebied is gelegen in Regio U16, die weer is opgedeeld in drie deelgebieden. Het plangebied ligt binnen het deelgebied 'Kromme Rijngebied, Langbroekwetering en de Utrechtse Heuvelrug'. De Griftdijk 1C ligt ten noordoosten van de Utrechtse Heuvelrug.

Bij de ontwikkeling van functies in het landelijk gebied, dient er aansluiting te worden gezocht op de aanwezige kernkwaliteiten en cultuurhistorische waarden. Op die manier wordt het landschap beter beleefbaar en worden de aanwezige waarden als dragers en aanjagers van de omgevingskwaliteit benut.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling aan de Griftdijk 1C betreft geen erfgoed en is niet van cultuurhistorische waarde. Door de herbestemming wordt er geen inbreuk gemaakt op de kernkwaliteiten van het landschap Gelderse Vallei. Ook is er geen sprake van invloed op het drinkwater. Door het realiseren van een nieuwe bestemming zal er sprake zijn van een actieve gebruiksfunctie die mogelijk verrommeling voorkomt. Wegens de ongunstige ligging van het perceel, is het niet haalbaar hier een agrarische functie aan te geven. Door de nieuwe bedrijfsbestemming wordt er voorzien in een bestemming die beter past bij de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Utrecht

De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021 en op 1 april 2021 in werking getreden. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers.

Voor het voorgenomen plan zijn de regels in de interim omgevingsverordening relevant die betrekking hebben op grondwaterbescherming, bereikbaarheid en mobiliteit, het landschap Gelderse Vallei en stedelijke functies in landelijk gebied.

Grondwaterbescherming

Het plangebied is gelegen binnen een grondwaterbeschermingszone. Op grond van artikel 3.7 van de Interim omgevingsverordening mogen er geen activiteiten worden toegestaan die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. De activiteiten die worden toegestaan op grond van de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' vormen geen risico voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie.

Bereikbaarheid en mobiliteit

In de Interim omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen. In paragraaf 4.2 wordt hier nader op ingegaan.

Landschap Gelderse Vallei

Het plangebied is gelegen in het landschap Gelderse Vallei. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.

Voor het landschap Gelderse Vallei willen we de volgende kernkwaliteiten behouden:

  • 1. Rijk gevarieerde kleinschaligheid;
  • 2. Stelsel van beken, griften en kanalen;
  • 3. Grebbelinie;
  • 4. Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten.

Stedelijke functies in landelijk gebied

Uit artikel 9.7 van de Interim omgevingsverordening blijkt dat het herbestemmen van het perceel aan de Griftdijk 1C mogelijk is, zolang er de herbestemming niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving. Bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden dienen behouden te worden en omliggende agrarische bedrijven mogen niet in hun bedrijsvoering worden belemmerd.

Conclusie

De herbestemming van het perceel aan de Griftdijk 1C te Maarsbergen is in lijn met de Interim omgevingsverordening. Door het perceel een nieuwe duurzame bestemming toe te kennen, komen de kernkwaliteiten van het landschap Gelderse Vallei niet in het geding. Er worden geen nieuwe opstallen gerealiseerd die mogelijk van invloed kunnen zijn op het landschap. Verder leidt de herbestemming niet tot een vergroting van de locatie of een toename van de invloed op de omgeving. Er wordt geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische of landschappelijke waarden en ook heeft de herbestemming geen invloed op omliggende agrarisch bedrijven.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' vastgesteld. In de visie staat een hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving voorop, hetgeen moet worden bereikt door middel van een houding van bedachtzaamheid, een integrale belangenafweging, het hechten van een groot belang aan leefbaarheid en sociale samenhang en het bijdragen aan een duurzame omgeving.

Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met de volgende thema's:

  • 1. Natuur over de heuvels;
  • 2. Op de schouders van ons erfgoed;
  • 3. Duurzaam bereikbaar;
  • 4. Leefbare dorpen;
  • 5. Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • 6. Maatwerk voor wonen en werken.

Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld. De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0008.png"

Figuur: Uitsnede structuurvisiekaart met aanduiding plangebied (bron: Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal')
Het plangebied is gelegen in de 'Gemengde zone met landbouw' (zone 3.2). Dit kampengebied is een tamelijk afwisselend gebied wat grotendeels voor de landbouw in gebruik is, maar ook cultuurhistorische en natuurwaarden kent. Binnen dit gebied zijn er kansen voor uitbreiding van beperkte omvang voor bedrijven bij Maarsbergen. De gemeentelijke structuurnota bedrijventerreinen zal duidelijkheid geven over de uitbreidingsbehoefte en inpassing van bestaande en nieuwe bedrijven binnen de gemeente. Echter, in deze structuurnota wordt niet ingegaan op solitaire bedrijfslocaties.

Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug (concept)

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft haar Omgevingsvisie nog niet vastgesteld. Wel is er in 2019 een Hoofdlijnennotitie Omgeving vastgesteld die een eerste aanzet vormt tot de Omgevingsvisie voor Utrechtse Heuvelrug. De Omgevingsvisie (richtjaar 2035) wordt straks de visie op de fysieke leefomgeving voor de langere termijn. In de Hoofdlijnennotitie wordt alvast de hoofdrichting aangegeven op een aantal grote vraagstukken. Ten aanzien van het thema ‘buitengebied’ wordt onder meer het volgende aangegeven:

“Zo zetten we in op ruilverkaveling, alternatief gebruik van vrijkomende bebouwing en maken we transformatie naar woon- zorg-, recreatiefuncties en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk.”

Conclusie

Het plangebied is gelegen in een gemengde zone, zoals is aangeduid op de structuurvisiekaart. In deze gemengde zone zijn er kansen voor uitbreiding van beperkte omvang voor bedrijven bij Maarsbergen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een dergelijke beperkte uitbreiding en is daarmee in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Ook is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de in voorbereiding zijnde omgevingsvisie.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

4.1 Beeldkwaliteit

Nota Ruimtelijke kwaliteit, herziening 2017

De gemeentelijke nota ruimtelijke kwaliteit beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug en dient als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit "bouwen". In de nota is de gemeente opgedeeld in verschillende deelgebieden. Voor elk deelgebied gelden specifieke welstandscriteria.

Het doel van het beleid is het leveren van een bijdrage aan de schoonheid en aantrekkelijkheid van de (bebouwde) omgeving. De nota ruimtelijke kwaliteit legt vast op welke wijze toezicht plaatsvindt, op grond van welke uitgangspunten en criteria.

Omdat de voorgenomen ontwikkeling enkel een herbestemming van het perceel aan de Griftdijk 1C te Maarsbergen tot gevolg heeft, zonder dat er panden worden gesloopt of gerealiseerd, is de Nota Ruimtelijke kwaliteit niet van belang. Een verdere beschouwing van de welstandscriteria wordt om die reden achterwege gelaten.

4.2 Verkeer en parkeren

Provincie

Provinciale Omgevingsverordening (Mobiliteitstoets)

De provincie vindt het van belang dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) voor alle verkeersvormen sprake is van een goede en tijdige ontsluiting. De provincie wijst er daarbij op dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een verstorend effect kunnen hebben op het functioneren van het verkeersnetwerk in de directe nabijheid. In dat geval zullen er extra maatregelen nodig om deze verstoring niet op te laten treden. Om het bovenstaande te bewerkstelligen stelt de provincie bij elke ruimtelijke ontwikkeling een mobiliteitsscan verplicht. Dit betekent dat in een vroegtijdig stadium (bij voorkeur al in de planvormingsfase) wordt nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een verstoring van het functioneren van het verkeersnetwerk. Indien dit het geval is, is op grond van artikel 4.1 van de provinciale omgevingsverordening het verplicht de zogenaamde mobiliteitstoets te doen.

Gemeente

Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (GVVP)

Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld (GVVP). In het GVVP is het gemeentelijke verkeers- en vervoerbeleid opgenomen. Doelstelling van het GVVP is te zorgen voor een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en verkeersveilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economisch gezonde gemeente. Blijkens het GVVP kunnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang in principe alleen plaatsvinden op goed bereikbare plaatsen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dan ook getoetst te worden aan het GVVP. De gemeente gebruikt het GVVP bij het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Parkeren

Op basis van het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Het GVVP schrijft voor dat de meeste actuele CROW-normen worden gehanteerd. Nu er binnen de nieuwe bedrijfsfunctie meerdere typen functies gevestigd kunnen worden, is in onderstaande tabel een overzicht gegeven per functie. Hierbij is rekening gehouden met een perceel in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied.

Type   Parkeernorm per 100 m2 bvo  
Kantoor (zonder baliefunctie)   2,3 - 2,8  
Commerciële dienstverlening   3,3 - 3,8  
Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief   2,1 - 2,6  
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief   0,8 - 1,3  

Verkeersgeneratie

In de huidige situatie is de verkeersgeneratie minimaal, doordat het agrarische perceel geen actieve gebruiksfunctie heeft. Er wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 0,0 mvt/etmaal.

In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking te bepalen aan de hand van kencijfers van CROW in publicatie 381: Toekomstbestendig parkeren. Nu er binnen de nieuwe bedrijfsfunctie meerdere typen functies gevestigd kunnen worden, is in onderstaande tabel een overzicht gegeven per functie. Hierbij is rekening gehouden met een perceel in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied.

Type   Per eenheid per etmaal per 100 m2 bvo  
Kantoor (zonder baliefunctie)   7,9 - 9,6  
Commerciële dienstverlening   15,4 - 17,7  
Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief   9,1 - 10,9  
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief   3,9 - 5,7  

Planspecifiek

Het voorgenomen plan betreft de functiewijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Bedrijf'. De bestaande bebouwing blijft behouden en zal een nieuwe functie krijgen.

Het toekomstige gebruik van het hoofdgebouw zal worden bepaald door wie de gebruikers van het perceel worden. Binnen de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' zijn er met name mogelijkheden voor kantoren (zonder baliefunctie), bedrijven arbeidsintensief/bezoekersextensief en bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief. Commerciële dienstverlening wordt door de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' vrijwel volledig uitgesloten. Het is dan ook niet reëel om de parkeernorm voor deze functie als uitgangspunt te hanteren.

Met toepassing van bovengenoemde uitgangspunten geldt er een minimale parkeernorm van 6,0 - 7,3 parkeerplaatsen voor de functie in het hoofdgebouw, wanneer wordt uitgegaan van een kantoor (zonder baliefunctie). De verkeersaantrekende werking komt neer op 20,5 - 25,0 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met een hoofdgebouw van 260 m2 bvo in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied.

Het bijgebouw kan enkel in gebruik worden genomen als loods. Dit betekent dat er aansluiting kan worden gezocht bij de normen voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief. Voor deze functie geldt een minimale parkeernorm van 1,4 - 2,3 parkeerplaatsen. De verkeersaantrekkende werking komt neer op 7,0 - 10,3 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met een bijgebouw van 180 m2 bvo in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied.

Voor het voorgenomen plan geldt dan een parkeernorm van 7,4 - 9,6 parkeerplaatsen. De verkeersgeneratie bedraagt 27,5 - 35,3 mvt/etmaal. In Bijlage 1 is de indicatieve parkeersituatie inzichtelijk gemaakt, waaruit blijkt dat er voldoende ruimte is om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

Wanneer toch wordt uitgegaan van het worst-case scenario dat er toch sprake zou zijn van commerciële dienstverlening, dan zou er een minimale parkeernorm van 8,6 - 9,9 parkeerplaatsen gelden voor het hoofdgebouw. De verkeersaantrekkende werking komt dan neer op 40,0 - 46,0 mvt/etmaal voor het hoofdgebouw. In totaal zullen er minimaal 10,0 - 12,2 parkeerplaatsen nodig zijn voor het hoofdgebouw en het bijgebouw samen. De verkeersaantrekkende werking komt dan neer op 47,0 - 56,3 mvt/etmaal.

Gezien de beschikbare ruimte op eigen terrein kan ook in het worst-case scenario worden voldaan aan de minimale parkeernorm. Ook de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen zal naar verwachting niet tot problemen met de verkeersafwikkeling leiden.

Conclusie

Nu er voldoende ruimte op eigen terrein beschikbaar is voor het realiseren van parkeerplaatsen, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ondanks dat er een beperkte toename is in het aantal verkeersbewegingen wordt aangenomen dat dit niet leidt tot problemen met de verkeersafwikkeling in het plangebied wegens de goede ontsluiting via de Griftdijk en de Woudenbergseweg.

4.3 Milieu

4.3.1 Milieu algemeen

Rijk

Milieu Effect Rapportage (M.E.R.)

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure doorlopen moet worden.De herbestemming van het perceel naar een bedrijfsbestemming is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject', waaronder ook de realisatie van bedrijfsruimte wordt verstaan. Het beoogde plan gaat uit van de functiewijziging van bestaande gebouwen, waardoor er circa 440 m2 bvo aan bedrijfsruimte wordt gerealiseerd. De drempelwaarde van 100 hectare wordt niet overschreden. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De vraag of een ontwikkeling een stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van het Besluit m.e.r. hangt volgens de jurisprudentie af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere de aard en omvang van de ontwikkeling een rol spelen.

Conclusie

Het voorgenomen plan voorziet in de functiewijziging van de bestaande bebouwing aan de Griftdijk 1C. De twee panden (circa 440 m2 bvo) zullen een bedrijfsfunctie krijgen. Er kan worden gesteld dat een dergelijke ontwikkeling naar aard en omvang niet is te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit M.e.r. Het besluit is op deze ontwikkeling niet van toepassing en er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht. Een vormvrije m.e.r. beoordeling is hierbij van toepassing en voorliggend hoofdstuk voorziet in deze beoordeling.

Provincie

Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021

Op 7 december 2015 is het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021 vastgesteld. Dit is het beleidsplan wat de wettelijke provinciale taken zijn omtrent bodem, water en milieu voor de periode van 2016 - 2021. Hierin stelt de provincie vier prioriteiten:

  • 1. Waterveiligheid en wateroverlast;
  • 2. Schoon en voldoende oppervlaktewater;
  • 3. Ondergrond;
  • 4. Leefkwaliteit stedelijk gebied.

Deze prioriteiten hebben een beleidsinsteek opgeleverd die veel meer dan voorheen gericht is op het voorkomen van problemen en vooral op het verbeteren van de Utrechtse leefkwaliteit. Hierbij neemt de provincie Utrecht de rol op zich om te verbinden, te stimuleren of te regisseren. Gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal. Hierbij streeft de provincie naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Daarnaast streeft de provincie naar bodem-, water-, en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Zo is het plangebied gelegen in het grondwaterlichaam Zand Rijn-Midden en het gebied 'strategische grondwatervoorraad'. Ook streeft de provincie naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Als laatste streeft de provincie Utrecht naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voorkomt een verrommeling van het perceel door het weer een actieve bedrijfsfunctie te geven. Dit zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er is geen sprake van een toename van de verharding en er is geen sprake van effecten op de grondwaterkwaliteit of het grondwaterlichaam Zand Rijn-Midden.

Gemeente

Programma 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal' (2017)

De gemeente heeft het programma 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal' opgesteld. De gemeente Utrechtse Heuvelrug wil namelijk een leidende positie innemen in duurzame ontwikkelingen en is steeds op zoek gaan naar de meest waardevolle duurzaamheidsambitie.

Om dit te bereiken zijn de volgende vijf doelen opgesteld:

  • 1. Klimaatneutrale gemeente in 2035.
  • 2. Kwaliteit leefomgeving (water, geluid, lucht, licht, geur, trilling, straling, bodem en externe veiligheid).
  • 3. Duurzame mobiliteit.
  • 4. Duurzame economie.
  • 5. Duurzame en klimaatneutrale organisatie.

Ruimtelijke ontwikkelingen worden tevens gerelateerd aan milieukwaliteitsprofielen die voor verschillende typen omgevingen zijn geformuleerd.

Gebiedsgericht milieubeleid

De gemeente Utrechtse Heuvelrug werkt met gebiedsgericht milieubeleid. De gemeente is daarvoor opgedeeld in gebiedstypen. Bij elk gebiedstype hoort een milieukwaliteitsprofiel met bijbehorende kenmerkende kwaliteiten die bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst. Gezien de ligging van de planlocatie in het buitengebied van Maarsbergen, is voor de beoogde ontwikkeling het profiel 'landelijk gebied, hoofdfunctie agrarisch' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0009.png"

In dit gebied ligt de nadruk op landbhouw en zijn andere functies ondergeschikt. Er is wat meer milieuruimte voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven dan elders in de gemeente. Aangezien het om een beperkte oppervlakte gaat dat direct grens aan naburige gemeenten wordt qua beleid aangesloten bij dat van de buurgemeenten en van de provincie.

In onderstaande milieuparagrafen worden bovenvermelde milieuaspecten getoetst aan dit profiel.

4.3.2 Bodem

Rijk en provincie

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Bodemkwaliteit plangebied

Het plangebied kent momenteel de bestemming 'Agrarisch met waarden' en gezien het historische gebruik als onder andere zoutopslag van Rijkswaterstaat, heeft dit mogelijk tot bodemverontreiniging geleid. Ten behoeve van de beoogde functiewijziging is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, welke is bijgevoegd in Bijlage 2.

Uit het bodeminformatiesysteem van omgevingsdienst regio Utrecht is gebleken dat in 1993 door Technisch Adviesburo Hopman en Peters een indicatief bodemonderzoek op de planlocatie is uitgevoerd. In het onderzoek zijn de boringen doelgericht geplaatst nabij de voormalige zoutopslag, opslagloods, werkplaats en het overige terrein. Uit de resultaten blijkt dat in de grond de parameters PAK (plaatselijk) en minerale olie zijn aangetoond in een gehalte boven de achtergrondwaarde. In het grondwater is arseen sterk verhoogd en zink matig verhoogd gemeten. Daarnaast zijn chroom, koper, (enkele) vluchtige aromaten en de fenol-index licht verhoogd aangetoond.

Bij het veldonderzoek, uitgevoerd door Vink Milieutechnisch Adviesbureau op 30 juli 2021 en 6 augustus 2021, is rekening gehouden met een drietal deellocaties:

  • Deellocatie A: Wasplaats met olie/waterafscheider
  • Deellocatie B: Voormalige zoutopslag & opslagloods
  • Deellocatie C: Overig terrein

Ter plaatse van deellocatie A zijn vijf boringen verricht, ter plaatse van deellocatie B zijn er zes boringen verricht en ter plaatse van deellocatie C zijn er acht boringen verricht. In totaal zijn er negentien boringen verricht ten tijde van het veldwerk.

Deellocatie A: Wasplaats met olie/waterafscheider

Op basis van het vooronderzoek (bureauonderzoek) is aangenomen dat de bodem ter plaatse van deellocatie A mogelijk verontreinigd is met minerale olie.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende:

  • Zintuiglijk zijn geen kenmerken waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging;
  • In de bovengrond is géén minerale olie aangetroffen in een gehalte boven de achtergrondwaarde;
  • In de ondergrond is, ter plaatse van de olie/waterafscheider, minerale olie aangetroffen in een gehalte boven de achtergrondwaarde. Tijdens voorgaand onderzoek zijn ook lichte verhoging aan minerale olie aangetoond. Op basis van het olie GC chromatogram kan de aanwezigheid van een olieproduct niet worden uitgesloten, maar er wordt niet verwacht de de verhoging door het gebruik van de huidige olie/waterafscheider is ontstaan. Mogelijk betreft dit het oude maaiveld. Een noemenswaardige verontreiniging wordt niet verwacht.
  • In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten boven de streefwaarde gemeten.

De hypothese 'verdacht, plaatselijke bodembelasting, geen ondergrondse tank' dient formeel gezien te worden bevestigd. De aangetoond lichte verontreinigingen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Deellocatie B: Voormalige zoutopslag & opslagloods

Op basis van het vooronderzoek (bureauonderzoek) is aangenomen dat de bodem ter plaatse van deellocatie B mogelijk verontreinigd is met de parameters uit het standaardpakket, arseen, chloride, cyanide en PAK.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende:

  • Zintuiglijk blijkt dat rondom de loods (op een diepte van circa 0,3 m-mv) een laag met bakstenen in de bodem is gelegen. Dit betreft een oude verharding of fundering. Het materiaal is niet verdacht op verontreinigingen en betreft geen bodem. Er zijn geen kenmerken waargenomen welke duiden op een mogelijke verontreiniging;
  • Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de boven- als ondergrond geen van de geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de achtergrondwaarde;
  • In het grondwater zijn lichte verhogingen aan cyanide an naftaleen aangetoond;
  • Voor chloride in de vaste bodem zijn geen formele achtergrond- en interventiewaarden vastgesteld. In de bovengrond is geen chloride aangetoond en in de ondergrond is een marginale verhoging aangetoond van 55 mg/kgds;
  • Voor het grondwater is ten aanzien van chloride alleen een streefwaarde vastgesteld. De gemeten concentratie overschrijdt de streefwaarde niet.

De hypothese 'verdacht, plaatselijke bodembelasting, geen ondergrondse tank' dient formeel bevestigd te worden. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Deellocatie C: Overig terrein

Op basis van het vooronderzoek (bureauonderzoek) is aangenomen dat de bodem van deellocatie C niet of slechts licht verontreinigd is.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende:

  • Zintuiglijk zijn geen kenmerken waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging;
  • In de bovengrond is lood en PAK aangetroffen in een gehalte boven de achtergrondwaarde;
  • In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond;
  • In het grondwater is barium licht verhoogd gemeten.

De hypothese '(kleinschalig) onverdacht' dient formeel te worden verworpen. De aangetoonde lichte verhogingen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Aanbevelingen

De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt ons inziens geen belemmering voor de beoogde functiewijziging van de locatie. Daarnaast is de aanwezige puinlaag rondom de loods niet verdacht op verontreiniging. Bij toekomstige graafwerkzaamheden dient wel te worden voorkomen dat het materiaal met de bodem wordt vermengd. Het puin betreft namelijk geen bodem. Voordat het materiaal (na uitname) hergebruikt kan worden zal deze waarschijnlijk eerst gebroken moeten worden om deze te kunnen verwerken.

Conclusie

De bodem ter plaatse van het plangebied is over het algemeen hooguit licht verontreinigd met de onderzochte parameters. De aangetoonde lichte verontreiningen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de grond ter plaatse van het plangebied vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging naar 'Bedrijf'.

4.3.3 Geluid

Rijk en provincie

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone.

Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde).

Plangebied

Het plangebied wordt ontsloten via de Griftdijk en de Woudenbergseweg. De Griftdijk is een 60 km/u weg voor met name bestemmingsverkeer. Voor de Woudenbergseweg (N226) geldt dat er sprake is van een hoge verkeersintensiteit. Deze 80 km/u weg produceert in aanzienlijke mate wegverkeerslawaai. In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van railverkeer of industrielawaai. Wanneer de kaarten inzake geluidsbelastingen worden geraadpleegd van de Omgevingsdienst (OdrU), is te zien dat het plangebied is gelegen binnen de geluidscontour van de Woudenbergseweg. Nu er geen nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd, hoeft er niet te worden voldaan aan de uitgangspunten van de Wet geluidhinder.

4.3.4 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.

Daarnaast worden er bestemmingen benoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling, de zogenaamde gevoelige bestemmingen. Uiteraard moet niet alleen bij gevoelige bestemmingen, maar bij alle projecten sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit dit oogpunt moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM), d.w.z. hoogstens 3%, bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Deze grens wordt concreet gelijk gesteld aan een woonwijk van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Dit plan valt onder deze grens.

Luchtkwaliteit plangebied

Uit de luchtkwaliteitskaarten van de omgevingsdient Utrecht (OdrU) blijkt het volgende:

Indicator   Grenswaarden   Huidige kwaliteit   Ambitie kwaliteit   Situatie 2018   Situatie 2030   WHO advieswaarden  
NO2 [µg/m3]   40 µg/m3   20 - 22 µg/m3   18 - 22 µg/m3   16 - 20 µg/m3   10 - 12 µg/m3   10 µg/m3  
PM10 [µg/m3]   31,2 µg/m3   21 - 22 µg/m3   20 - 21 µg/m3   20 - 21 µg/m3   17 - 18 µg/m3   15 µg/m3  
PM2,5 [µg/m3]   n.v.t.   n.v.t.   n.v.t.   12,5 - 13 µg/m3   10 - 10,5 µg/m3   5 µg/m3  

Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt er aan de grenswaarden en ambitie kwaliteit getoetst zoals deze door de gemeente zijn neergelegd in het programma 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal', welke wordt besproken in paragraaf 4.3.1.

Uit de tabel blijkt dat in het plangebied de grenswaarden niet worden benaderd. De concentratie stikstofdioxide in het plangebied was in 2018 tussen de 16 - 20 µg/m3, waarmee werd voldaan aan de huidige ambitiekwaliteit. Ten opzichte van de huidige kwaliteit is er sprake van een lichte verslechtering, waardoor de waarden net buiten de ambities uit het milieubeleidsplan vallen. In 2030 zullen deze waarden naar verwachting zijn teruggebracht naar een concentratie stikstofdioxide tussen de 10 - 12 µg/m3, waardoor de WHO advieswaarde van 10 µg/m3 wordt benaderd.

Voor fijnstof (PM10) werd in 2018 al voldaan aan de ambitiekwaliteit uit het milieubeleidsplan. Dit is in 2020 iets gestegen waardoor het net buiten de ambities uit het milieubeleidsplan valt. De verwachting is dat in 2030 de hoeveelheid fijnstof sterk is gedaald waardoor wordt voldaan aan de kwaliteitsambitie. Op dat moment wordt er net niet voldaan aan de WHO advieswaarde voor wat betreft fijnstof.

Zeer fijn stof (PM2,5) wordt niet behandeld in het milieubeleidsplan van de gemeente, maar wordt voor de volledigheid wel toegelicht. In zowel 2018 als in 2030 wordt er niet voldaan aan de WHO advieswaarde van 5 µg/m3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0010.png"

Luchtkwaliteitskaart NO2 - 2018 (bron: www.odru.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0011.png"

Luchtkwaliteitskaart PM10 - 2018 (bron: www.odru.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0012.png"

Luchtkwaliteitskaart PM2,5 - 2018 (bron: www.odru.nl)

De herbestemming van 'Agrarisch met waarden' naar 'Bedrijf' leidt niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit

Conclusie

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.5 Bedrijven en milieuzonering

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere milieubelastende functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is en dient beoordeeld te worden of ter plaatse van in de nabijheid gelegen gevoelige functies, zoals woningen sprake blijft van een adequaat woon- en leefmilieu. Bij het bepalen hiervan kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 worden gehanteerd. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform:

  • VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'(editie 2009);
  • Wet milieubeheer.

VNG handreiking

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken.

De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk/buitengebied zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0013.png"

Om te voorkomen dat hinder ontstaat moet tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige bestemmingen (zoals woningen) voldoende afstand in acht genomen worden. Voor het bepalen van deze afstanden wordt getoetst conform de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) en de Wet milieubeheer. De richtafstanden gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Bij functiemenging kan worden afgeweken van deze afstanden.

Planspecifiek

De beoogde ontwikkeling voorziet in de bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Bedrijf'. Doordat deze bestemmingswijziging bedrijven en bedrijfsmatige activiteiten toestaat tot ten hoogste categorie 2, zal moeten worden nagegaan of dit van invloed is op gevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Voor de milieucategorie 2 geldt een minimale richtafstand van 30 meter. De dichtsbijzijnde gevoelige functie ligt ten noorden van het plangebied op circa 90 meter afstand. De voorgeschreven richtafstand wordt niet overschreden. Gezien de afstand tot het plangebied wordt het bedrijf niet belemmerd door de woonfunctie en andersom.

Verder ligt op korte afstand ten oosten van het plangebied een paardenhouderij/manege. Deze paardenhouderij kan geurhinder veroorzaken voor geurgevoelige objecten, waardoor er richtafstanden gehanteerd worden. Het hoofdgebouw aan de Griftdijk 1C kan worden aangemerkt als geurgevoelig, omdat dit gebouw bestemd is om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. In dit pand kunnen namelijk bedrijven tot en met milieucategorie 2 zich vestigen, waardoor onder meer werkplaatsen, kantoorgebouwen en andere bedrijfspanden zijn toegestaan. Enkel locaties waar bijna nooit iemand aanwezig is, zoals opslag, wordt niet als geurgevoelig object gezien. De loods op het perceel kan dus worden aangemerkt als niet-geurgevoelig.

De afstand tussen het hoofdgebouw aan de Griftdijk 1C en de dichtsbijzijnde loods van de paardenhouderij bedraagt circa 54 meter, waardoor de richtafstand van 50 meter op grond van artikel 4 lid 1 Wgv niet wordt overschreden. De afstand tussen het hoofdgebouw aan de Griftdijk 1C en het bouwvlak van de paardenhouderij, bedraagt circa 43 meter. Dit heeft tot gevolg dat de paardenhouderij in zijn uitbreidingsmogelijkheden zou worden beperkt door de beoogde functiewijziging.

Echter, op 6 maart 2000 heeft de gemeente Maarn (inmiddels opgegaan in gemeente Utrechtse Heuvelrug) een vergunning verleend voor de bouw en het gebruik van een werkplaats met personeelsonderkomen. Het besluit (zonder bijbehorende bijlagen) is bijgevoegd als bijlage 3. Een deel van de bijbehorende bouwtekeningen zijn bijgevoegd als bijlage 4. Dit betekent dat het hoofdgebouw sinds maart 2000 reeds een toegestaan geurgevoelig object betreft op grond van deze verleende vergunning. De paardenhouderij wordt dus vanaf het moment van de vergunningverlening in maart 2000 reeds beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden, waardoor de beoogde functiewijziging geen extra beperking tot gevolg heeft. Er is slechts sprake van het voortzetten van de reeds bestaande beperking, door andere geurgevoelige objecten toe te staan in het hoofdgebouw aan de Griftdijk 1C. De paardenhouderij wordt niet verder in zijn bedrijfsvoering beperkt door het planvoornemen,

Conclusie

Het aspect bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.3.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader tot op heden nog de circulaire risiconormering transport gevaarlijke stoffen.Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is het risico uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico zijn de cumulatieve kansen dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Plaatsgebonden risico

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar. De kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is, mag dus niet groter zijn dan 1 op een miljoen. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding.

Planspecifiek

Om de risicobronnen in de omgeving van het plangebied in kaart te brengen is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 5.

Aan de hand van de EV-signaleringskaart, de risicokaart en de regeling Basisnet is gebleken dat in de omgeving van het plangebied:

  • over de rijksweg A12, gevaarlijke stoffen worden vervoerd met relevante intensiteit;
  • over de lokale wegen in de directe omgeving van het plangebied, gevaarlijke stoffen worden getransporteerd (N226);
  • over het spoor en water, géén relevant transport van gevaarlijke stoffen gebeurt.

Rijksweg A12

Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van de rijksweg A12, waardoor het groepsrisico niet nader hoeft te worden beschouwd. Ook het maximale invloedsgebied van 880 meter (LT2) reikt niet tot aan het plangebied. Door de ligging van het plangebied is het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter niet relevant.

Provinciale weg N226

Ten westen van het plangebied ligt de N226 gelegen op circa 30 meter afstand. Ten behoeve van de provinciale weg N226 is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de N226 is aangewezen voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De N226 bevat geen plasbrandaandachtsgebied. Doordat het plangebied op minder dan 200 meter van de transportroute ligt, dient het groepsrisico nader te worden beschouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0014.png"

Samenvattend wordt op basis van de uitgevoerde quickscan het volgende geconcludeerd:

  • 1. Het plaatsgebonden risico vormt in geen van de gevallen een belemmering voor de planontwikkeling.
  • 2. Het groepsrisico zal in de toekomstige situatie niet wijzigen. Dit vanwege het gelijk blijven van het aantal personen binnen het plangebied. Het groepsrisico dient daarmee enkel beperkt te worden verantwoord. In deze rapportage zijn elementen hiervoor aangeleverd.

De Veiligheidsregio Utrecht heeft eveneens aangegeven dat het, gezien de beperkte ontwikkeling, de omgeving van het plangebied en het aantal transporten gevaarlijke stoffen over de N226, de verwachting is dat het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde is. Hiermee volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoording

Zoals aangegeven volstaat in dit geval een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Er dient onder meer aandacht te worden besteedt aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Effecten

Op de N226 kan een ongeval plaatsvinden waarbij brandbare gassen een explosie kunnen veroorzaken. De effecten van een explosie kunnen tot op een afstand van 355 meter dodelijk zijn. Tevens vindt over deze weg vervoer van brandbare vloeistoffen plaats die een plasbrand kunnen veroorzaken. De effecten hiervan kunnen tot 35 meter dodelijk zijn.

Bestrijdbaarheid

De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” en het bouwbesluit 2012.

Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied als ook de risicobron is hierbij van essentieel belang. De Veiligheidsregio Utrecht acht de bestaande bereikbaarheid, gezien de beperkte omvang van het plan, voldoende.

Voorts dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. Op dit moment voldoet het plan niet aan artikel 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel eist dat op maximaal 40 m van het bouwwerk bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit van ten minste 30 m3/h. Omdat het plan in het buitengebied ligt adviseert de Veiligheidsregio om nader met hen af te stemmen hoe het beste invulling kan worden gegeven aan voldoende bluswatervoorzieningen. Initiatiefnemer draagt zorg voor deze nadere afstemming.

Zelfredzaamheid

Aangezien het gaat om bedrijvigheid acht de Veiligheidsregio Utrecht de zelfredzaamheid van de toekomstige aanwezigen voldoende om zichzelf, eventueel met hulp van anderen, in geval van aan ramp in veiligheid te kunnen brengen.

Het advies ten aanzien van vluchtmogelijkheden is dat er aan de achterzijde van het plan voldoende vluchtmogelijkheden zijn bij een explosie of een brand. Bij onderhavig plan kan men van de bron af in oostelijke richting vluchten via de Woudenbergse Grift dan wel via het perceel tegenover Griftdijk 2.

Om te zorgen dat de personen in het getroffen of bedreigde gebied beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden om zich in veiligheid te stellen, is een goede risicocommunicatie van groot belang. De werknemers dan wel bezoekers van de toekomstige nieuwe bedrijfsfunctie zullen worden geïnformeerd over de mogelijke scenario's en handelingsperspectieven daarbij.

Conclusie

Vanuit het thema externe veiligheid is er geen sprake van belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.7 Duurzaamheid

De Gemeente Utrechtse Heuvelrug is een groot voorstander van duurzame ontwikkeling / bouwen en wil dit graag actief ondersteunen in haar ruimtelijke beleid. Duurzaam bouwen is een manier van bouwen waarbij het milieu zo min mogelijk wordt belast, een optimale woonkwaliteit wordt gerealiseerd en het gebouw een lange levensduur heeft. Dit kan door bijvoorbeeld meer flexibiliteit in gebruik in te bouwen of door een beter op het gebruik afgestemde materiaalkeuze.

Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.

Omdat de voorgenomen ontwikkeling geen nieuwbouw mogelijk maakt maar de bestaande bebouwing een nieuwe invulling krijgt, is er geen sprake van duurzaam bouwen. Wel is er sprake van duurzaam ruimtegebruik, doordat een bestaande bebouwing zonder actieve gebruiksfunctie een nieuwe invulling krijgt.

4.4 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden.

4.5 Water

Europa

Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.

Rijk

Nationaal Water Programma 2022-2027

De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt.

Op 18 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027 vastgesteld. Het Nationaal Water Programma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe programma dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Provincie

Het waterbeleid van de provincie Utrecht omvat het beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van water in de provincie.

Het plangebied heeft in het provinciale waterbeleid de functie 'landelijk gebied' waarvoor specifieke doelstellingen gelden. Deze doelstellingen vinden hun neerslag in waterbeheerplannen.

Waterschap

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027

Het Blauwe Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) is het waterbeheerprogramma van waterschap Vallei & Veluwe. In dit waterbeheerprogramma heeft het waterschap haar ambities en uitvoeringsprogramma’s vastgelegd voor de periode 2022 tot en met 2027. In het BOP is in grote lijnen de koers uitgezet voor de komende zes jaar. In het plan wordt beschreven op welke wijze het waterbeheer wordt vormgegeven en op welke wijze met mede overheden wordt samengewerkt om haar doelen te bereiken. Partnerschap met de omgeving is daarbij het uitgangspunt. Het BOP is mede kaderstellend voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in de plangebieden.

Regionaal

Convenant afkoppelen

In november 2015 is de jongste versie van het convenant "Afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug" getekend tussen de provincie Utrecht, 10 gemeenten met grondgebied op de Utrechtse Heuvelrug en de waterschappen Vallei & Veluwe en HDSR. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over welke verharde oppervlakken wel en niet kunnen worden afgekoppeld, afhankelijk van het risico van vervuiling van het grondwater. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen afkoppelen binnen en buiten het grondwaterbeschermings-gebied van de drinkwaterwinningen op de Utrechtse Heuvelrug. Voor dakoppervlakken geldt in dit convenant, dat zowel binnen als buiten het grondwaterbeschermingsgebied deze zonder aanvullende voorzieningen kunnen worden afgekoppeld. Voor andere oppervlakken kunnen aanvullende eisen worden gesteld waarvoor het convenant als richtlijn geldt.

Gemeente

Waterplan Heuvelrug

In februari te Utrechtse Heuvelrug samen met Waterschap het lokale waterbeleid vastgelegd. Verder sluit het waterplan aan bij het waterplan van de provincie Utrecht en het waterbeheerplan van Waterschap Vallei en Veluwe.

De waterdoelen van het waterplan richten zich op de volgende speerpunten:

  • 1. Herstel van de natuurlijke waterhuishouding;
  • 2. Voorkomen van waterverontreiniging door riooloverstort en belasting door stedelijke activiteiten.

Alle nieuwe ontwikkelingen worden, afhankelijk van de ligging, aan een van deze streefbeelden en de daarbij behorende omschrijving, getoetst.

Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP)

Op 18 mei 2017 heeft de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug het “Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2020" vastgesteld. In dit plan heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug samen met Waterschap Vallei en Veluwe en Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden het rioleringsbeleid vastgelegd.

Beleidsmatig zijn er geen veranderingen ten opzichte van het voorgaande plan (VGRP 2012-2015):

  • 1. Inzameling stedelijk afvalwater middels een gescheiden systeem;
  • 2. Voorkomen van ongewenste emissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem;
  • 3. Hemelwater wordt bij voorkeur op bodem of oppervlaktewater afgevloeid;
  • 4. Grondwateroverlast beperken en voorkomen.

Alle nieuwe ontwikkelingen worden, afhankelijk van de ligging, aan de doelstellingen van het GRP getoetst.

Planspecifiek

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets (bijlagen 6 en 7) is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn.

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een bestemmingswijziging ter plaatse van het perceel aan de Griftdijk 1C te Maarsbergen. Doordat de bestaande bebouwing niet wordt gesloopt en er geen nieuwe bebouwing wordt toegevoegd, blijft de totale oppervlakte aan verharding gelijk. Aan de noordzijde van het plangebied ligt de Woudenbergse Grift met daarin een geautomatiseerde stuw, "De Driestapel". Deze stuw ligt ter hoogte van het plangebied. Aan de zijde van het plangebied is in de legger van het waterschap een keurzone van 5 meter opgenomen ten behoeve van het onderhoud. Initiatiefnemer stemt met de beleidsmedewerker planvorming en gebiedscoördinator van het waterschap Vallei & Veluwe nader af omtrent afspraken voor toegang tot de Woudenbergse Grift.

Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. De motivatie daarvoor is dat plannen zonder (nieuwe) ontwikkelingsmogelijkheden, zoals functiewijzigingen en actualisaties, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding.

Dit betekent dat geen essentieel waterbelangen wordt geraakt en het waterschap op basis daarvan een positief wateradvies geeft.

Conclusie

Er worden vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief.

4.6 Groen, natuur en landschap

Rijk

Natuurbeschermingswet

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Samen met andere vormt deze wet het beschermingsrecht voor zowel soorten als gebieden. De wet richt zich op gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Daarmee wordt op nationaal niveau invulling gegeven aan de Europese richtlijnen. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. De wet bepaalt dat projecten en plannen, die de kwaliteit van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Als er geen schade optreedt, kan vergunning worden verleend. Is dit wel het geval, kan vergunning alleen worden verleend als aan verschillende eisen wordt voldaan. Bij ruimtelijke ingrepen dient altijd te worden nagegaan of een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet.

Voorts regelt de wet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

De Wet natuurbescherming heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. Bij ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen.

Nationaal Netwerk

Het nationale netwerk van natuur (NNN) is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen op nationaal niveau. Natura 2000, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, maakt onderdeel uit van deze structuur. Zowel het Rijk als de Provincie wensen het NNN netwerk te behouden en verder te ontwikkelen. In de Interim omgevingsverordening is dan ook een beschermingsregime opgenomen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen significant nadeel opleveren voor de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN netwerk.

Conclusie

Het plangebied bevindt zich niet binnen gebied aangewezen als NNN. Wel ligt er een NNN-gebied op korte afstand van het plangebied (westzijde). Omdat de herbestemming van het perceel aan de Griftdijk 1C een ontwikkeling van zeer geringe omvang is, kunnen significante gevolgen voor NNN-gebied worden uitgesloten. In de feitelijke situatie vinden er namelijk geen wijzigingen plaats, doordat er enkel sprake is van een bestemmingswijziging van het perceel. Alle bestaande panden blijven behouden en er worden geen wijzigingen aangebracht die van invloed kunnen zijn op natuur(gebieden). Er is dan ook geen sprake van strijd met de Wet natuurbescherming. Onderzoek naar aanwezige flora en fauna is niet benodigd.

Provincie

Natuurbeheerplan 2022

Het Natuurbeheerplan 2022 is op 9 maart 2021 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Het gaat om de geconsolideerde versie op basis van Ontwerp Wijzigingsbesluit Natuurbeheerplan beheerjaar 2022. Dit natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen voor de ontwikkeling en het beheer van natuur en agrarische natuur- en landschapselementen in de provincie. Per (deel)gebied wordt beschreven welke natuur- en landschapsdoelen worden nagesteefd door de provincie.

Het plangebied is gelegen in het deelgebied 'Gelderse Vallei'. Door de lage ligging heeft de Gelderse Vallei, ten opzichte van de droge stuwwallen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug, een overwegend nat karakter. Dit landschap wordt regelmatig afgewisseld met bossen, heideterreintjes en landgoederen. De beekdalen hebben een hoge natuurwaarde vanwege de kwelmilieus. In de beekdalen komen belangrijke biotooptypen voor als beken, vochtige en natte loofbossen, natte schraallanden en droge en vochtige heide op de flankerende dekzandruggen. De afwisseling van droog en nat is ook van grote betekenis voor de migratie van verschillende dieren tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug.

Het natuurbeleid in de Gelderse Vallei is gericht op behoud en versterking van de aanwezige natuurparels en beken, meer samenhang brengen in het natuurnetwerk en tegelijk het benutten van de potenties. De potenties voor herstel van bijzondere vegetaties zijn in grote delen van de Gelderse Vallei nog aanwezig.

Met name op de flanken van de Heuvelrug, waar veel kwel optreedt, in de nog aanwezige veenrestanten en in delen van de dekzandruggen en beekdalen kan natuurontwikkeling tot een hoge natuurkwaliteit leiden.

Conclusie

De herbestemming van het perceel aan de Griftdijk 1C te Maarsbergen leidt niet tot negatieve effecten op de omliggende natuur(gebieden). In de feitelijke situatie vinden er geen wijzigingen plaats, doordat er enkel sprake is van een bestemmingswijziging van het perceel. Alle bestaande panden blijven behouden en er worden geen wijzigingen aangebracht die van invloed kunnen zijn op natuur(gebieden).

Interim omgevingsverordening, hoofdstuk 6: Natuur

In de Interim omgevingsverordening zijn regels gesteld met het oog op natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. et uitgangspunt is dat de kwaliteit en de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland (NNN) niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de NNN-gebieden wordt behouden.

Ruimtelijke ingrepen met een negatief effect op de kwaliteit van de natuur of het functioneren van het NNN zijn in principe niet toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Wanneer een ontwikkeling van geringe omvang is, dan zijn de mogelijke effecten beperkt. Daarnaast kunnen binnen de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen positieve ingrepen voor natuur meegewogen worden. Het effect van de ontwikkeling leidt dan niet tot significante gevolgen.

Conclusie

Het plangebied bevindt zich niet binnen gebied aangewezen als NNN. Wel ligt er een NNN-gebied op korte afstand van het plangebied (westzijde). Omdat de herbestemming van het perceel aan de Griftdijk 1C een ontwikkeling van zeer geringe omvang is, kunnen significante gevolgen voor NNN-gebied worden uitgesloten. In de feitelijke situatie vinden er namelijk geen wijzigingen plaats, doordat er enkel sprake is van een bestemmingswijziging van het perceel. Alle bestaande panden blijven behouden en er worden geen wijzigingen aangebracht die van invloed kunnen zijn op natuur(gebieden).

Gemeente

Groenstructuurplan

In het groenstructuurplan staat omschreven hoe men het belangrijkste groen in de dorpen duurzaam in stand wil houden en zo de hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving te behouden en te versterken. Daarbij is het behoud van de eigen identiteit van de kernen een belangrijk uitgangspunt. Bij nieuwe ontwikkelingen in de dorpen is met dit Groenstructuurplan het belangrijkste openbare groen binnen de dorpen in beeld en kan daar dus rekening mee worden gehouden. Daarnaast geeft het Groenstructuurplan belangrijke richtlijnen voor specifieke beleidsvraagstukken. Het Groenstructuurplan beschrijft het groenbeleid in hoofdlijnen.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug onderscheid drie verschillende waardes binnen de groenstructuur. Dit zijn 'Stedenbouwkundige waarde', 'Cultuurhistorische waarde' en 'Ecologische waarde'. Als een groene structuur bijdraagt aan de stedenbouwkundige structuur van een dorp, wijk of buurt, heeft het stedenbouwkundige waarde. Denk bijvoorbeeld aan laanbomen langs een belangrijke uitvalsweg. De cultuurhistorische waarde wordt bepaald door de relatie die het element heeft met de ontstaans- of ontwikkelingsgeschiedenis van de omgeving. Een groenelement heeft ecologische waarde als het een bijdrage levert aan de natuurwaarden in de omgeving.

Het plangebied aan de Griftdijk 1C is niet gelegen binnen één van de in het Groenstructuurplan gedefinieerde plangebieden.

4.7 Cultuurhistorie

Rijk

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen

op het gebied van cultureel erfgoed:

  • 1. Monumentenwet 1988;
  • 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten;
  • 3. Wet tot behoud van cultuurbezit;
  • 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied;
  • 5. Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970;
  • 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de huidige regelingen gelden. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de huidige situatie in de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet.

Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Het plangebied heeft een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'. Omdat de beoogde ontwikkeling een functiewijziging betreft van de bestaande bebouwing en er geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd, is een archeologisch onderzoek niet benodigd. Dit wordt verder uiteengezet in paragraaf 4.8.

Voor zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

Conclusie

Op basis van de Erfgoedwet bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Provincie

Cultuur- en erfgoedprogramma 2020 - 2023

In het Cultuur- en erfgoedprogramma van de provincie Utrecht wordt het beleid ten aanzien van cultuurhistorie en erfgoed beschreven. Het beleid is erop gericht om erfgoed en cultuur beleefbaar te maken, zorg te dragen voor cultuur en erfgoed en bewoners te onderwijzen aan de hand van erfgoed en cultuur. Dit wordt gedaan om onder meer cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische zones te verankeren in het ruimtelijk beleid en monumenten in stand te houden en te beheren.

Conclusie

De beoogde ontwikkling zal geen schade toebrengen aan cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische zones.

Gemeente

Nota Erfgoed in het Groen

Deze beleidsnota heeft als doelstelling het behoud, de versterking en de ontwikkeling van het cultuurhistorische erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed wordt onderverdeeld in 'monumenten', 'archeologie' en cultuurlandschap. Deze beleidsnota is voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug extra belangrijk door de aanwezigheid van de vele historische buitenplaatsen met monumentaal groen en sporen, het groot aantal grafheuvels en de zeer hoge archeologische verwachtingswaarde.

De gemeente heeft een aantal beleidsinstrumenten om zo het cultuurhistorisch erfgoed te behouden en te beschermen. Aan de hand van deze beleidsinstrumenten zal bij elke ruimtelijke ontwikkeling worden getoetst of er sprake is van een rijks- of gemeentelijk monument, of het plangebied in de directe nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument, of het plangebied in de omgeving van een molen ligt. Daarnaast kijk de gemeente of er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object en/of er sprake is van een beschermd dorpsgezicht en of er sprake is van een cultuurhistorische waardevolle buitenplaats.

Conclusie

Bij het beoogde plan is er geen sprake van een rijksmonument dan wel een gemeentelijk monument. Schuin tegenover het plangebied aan de Griftdijk 2 is wel een gemeentelijk monument gelegen. De beoogde functiewijziging heeft geen invloed op dit gemeentelijke monument. Wanneer er gekeken wordt of er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of een beschermd dorpsgezicht dan kan worden geconcludeerd dat dit niet aanwezig is. Ook zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle buitenplaatsen of cultuurhistorische molens. Er kan daarom worden gesteld dat de Nota Erfgoed in het Groen geen belemmeringen geeft voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Archeologie

Wettelijk kader

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed:

  • 1. Monumentenwet 1988
  • 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten
  • 3. Wet tot behoud van cultuurbezit
  • 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied
  • 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970
  • 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen

De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de huidige regelingen gelden. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de huidige situatie in de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet.

Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Gemeente

Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Utrechtse Heuvelrug blijkt dat er voor het plangebied sprake is van een archeologische verwachtingswaarde, wat blijkt uit de onderstaande figuur.

Deze verwachtingswaarde komt overeen met de dubbelbestemmingen die het plangebied kent ten aanzien van archeologie, namelijk 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01_0015.png"

Figuur: Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (2019)

Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt een onderzoeksverplichting wanneer er sprake is van bodemingrepen dieper dan 30 centimeter onder maaiveld met een oppervlakte van 150 m2. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geldt een onderzoeksverplichting wanneer er sprake is van bodemingrepen dieper dan 30 centimeter onder maaiveld met een oppervlakte van 10.000 m2.

De beoogde ontwikkeling voorziet in de bestemmingswijziging van het perceel Griftdijk 1c in Maarsbergen. Doordat er geen bouw- of sloopwerkzaamheden worden verricht en de bestaande bebouwing enkel een nieuwe functie krijgt, wordt de onderzoeksgrens niet overschreden. Er vinden geen ingrepen plaats dieper dan 30 centimeter met een oppervlakte groter dan 150 m2.

Om de mogelijk aanwezige waarden in het gebied te beschermen zijn in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5 opgenomen. Deze dubbelbestemmingen borgen dat bij eventuele toekomstige (gewijzigde) ingrepen die de vastgestelde grenzen in het bestemmingsplan overschrijden, er alsnog onderzoek plaatsvindt.

Gelet op het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de onderhavige planontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 5) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen. Hoofdstuk III (artikelen 7 tot en met 10) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 11 en 12)bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen

De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijken van de bouwregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels

De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de bouw- en de goothoogtes.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.

Afwijken van de gebruiksregels

Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het mogen uitoefenen van kleinschalige nevenactiviteiten (in de vorm van ambachtelijke bedrijvigheid, zoals de verkoop van zelfgemaakte kaas) in de bestemming 'Agrarisch'.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorische- of landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met een omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten. Concreet kan je denken aan bijvoorbeeld het moeten aanvragen van een vergunning voor het afgraven of egaliseren van gronden of het vellen van bos in de bestemming 'Natuur'.

Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). Het kan dan gaan om het wijzigen van een op een perceel gelegde bestemming, maar ook bijvoorbeeld het wijzigen of vergroten van een bouwvlak (met bijbehorende bouwmogelijkheden).

De inleidende regels (hoofdstuk I)) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.3 Bestemmingen

In het plangebied zijn twee bestemmingen weergegeven. Daarnaast kent het plangebied twee dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.

5.3.1 Bedrijf

Binnen de bestemming Bedrijf zijn alleen bedrijven uit de lage milieucategorieën (t/m 2) toegestaan, zodat woningen in de directe nabijheid geen overlast zullen ondervinden. Deze categorieën zijn te vinden in de aparte bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten. De bouwvlakken mogen volledig worden volgebouwd. Gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Uitbreidingsmogelijkheden worden niet of nauwelijks geboden, omdat de bedrijven tussen andere functies zijn gesitueerd en overlast moet worden voorkomen.

Middels een specifieke gebruiksregeling wordt ondergeschikte detailhandel bij bedrijven toegestaan. Het dient daarbij te gaan om een niet zelfstandig uitgevoerde detailhandelsfunctie die duidelijk waarneembaar ondergeschikt is aan en afhankelijk is van de hoofdfunctie en deze ondersteunt zodat de kwaliteit van de hoofdfunctie vergroot of gecompleteerd wordt. Hieronder wordt mede begrepen een afhaalbalie voor een internetwinkel eventueel in combinatie met een beperkte showroom.

Voor ondergeschikte detailhandel geldt een aantal voorwaarden, zo mag onder meer de verkoop vloeroppervlakte van detailhandel niet meer dan 50 m2 bedragen.
Afwijkingsmogelijkheden

In de bestemming zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Er kan worden toegestaan dat een ander bedrijf dan op grond van de bij de regels behorende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten wordt mogelijk gemaakt. Het dient hierbij wel om naar zijn aard en invloed op de omgeving 'gelijkwaardig' bedrijf te gaan.

5.3.2 Groen

De bestemming Groen wordt gebruikt voor gebieden waar bosgebied, bermen, plantsoenen, water en dergelijke zijn gesitueerd. Bouwen van gebouwen is niet toegestaan om het groene karakter van het gebied te behouden. Wel zijn enkele bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals kunstobjecten, lichtmasten en dergelijke mogelijk.

Met de bestemming Groen wordt de groene inkadering van het plangebied juridisch geborgd en wordt zorggedragen voor een passende overgang richting het groen in het aangrenzende openbaar gebied.

5.4 Dubbelbestemmingen

De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemming ook twee dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermd wordt.

5.4.1 Waarde - Archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:


Dubbelbestemming  
Archeologisch waardevol gebied   Regime  
Waarde - Archeologie 3   Zones met een hoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 150 m2 en dieper dan 30 cm - onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 5   Zones met een lage archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 10 hectare en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;

- graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;

- het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.

5.5 Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.5.2 Algemene bouwregels
5.5.2.1 Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

5.5.2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.

5.5.3 Algemene gebruiksregels
5.5.3.1 Verboden gebruik

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

5.5.4 Algemene afwijkingsregels
5.5.4.1 Algemeen

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

5.5.4.2 Afwijking 10% overschrijding

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

5.5.4.3 Afwijking isoleren van een gebouw

Op grond van artikel 10.3 wordt het toegestaan dat bouwgrenzen, goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen mag worden overschreden indien is aangetoond dat dit noodzakelijk is voor het isoleren van een gebouw (bijvoorbeeld in het kader van “nul op de meter”).

5.5.5 Overgangs- en slotregel

Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De gemeentelijke kosten worden verhaald op grond van de legesverordening. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening.

6.2.1 Overleg met omwonenden

In samenspraak met de gemeente Utrechtse Heuvelrug en gezien de geringe invloed van het planvoornemen is ervoor gekozen omwonenden te informeren per brief. Deze informatiebrief, welke is bijgevoegd in bijlage 8, is op 27 december 2021 op onderstaande adressen afgeleverd:

  • Griftdijk 2, 4, 10, 12, 14, 16, 18;
  • Griftdijk 1, 1A, 1B;
  • Woudenbergseweg 116, 116A, 116B, 116C.

Omwonenden hebben tot en met 7 januari 2022 de tijd gehad vragen en/of opmerkingen in te sturen via de mail, nadat zij kennis hadden genomen van de plannen en de te doorlopen procedure. Er zijn geen reacties ontvangen.

6.2.2 Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op het (concept)ontwerpbestemmingsplan 'Griftdijk 1C - Maarsbergen' een reactie binnengekomen van de volgende instanties: Provincie Utrecht, Waterschap Vallei en Veluwe en Veiligheidsregio Utrecht.

Onderstaand zijn de reacties per instantie samengevat en van een reactie voorzien.

1. Provincie Utrecht, 5 april 2022

Het (concept)ontwerpbestemmingsplan "Griftdijk 1C - Maarsbergen" geeft de Provincie geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht.

Reactie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het (concept)ontwerpbestemmingsplan.

2. Waterschap Vallei en Veluwe, 1 april 2022

Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft op 1 april 2022 een reactie gegeven ten aanzien van het aspect water. De reactie luidt samengevat als volgt:

  • Paragraaf 1.2: toevoegen dat aan de noordzijde van het plangebied de Woudenbergse Grift ligt. Een A-watergang met ter hoogte van het plangebied een geautomatiseerde stuw “De Driestapel”.
  • Paragraaf 4.5: het nieuwe Waterbeheerprogramma toevoegen.
  • Paragraaf 4.5: Tekstuele aanpassing Waterschap Vallei en Veluwe in plaats van Vallei & Eem.
  • Paragraaf 4.5, planspecifiek: toevoegen dat aan de noordzijde de Woudenbergse Grift ligt met daarin ter hoogte van het plangebied een geautomatiseerde stuw “De Driestapel”. Aan de zijde van het plangebied is in de legger een keurzone opgenomen van 5 meter ten behoeve van het onderhoud.
  • Verzoek om contact op te nemen met de beleidsmedewerker planvorming en gebiedscoordinator om afspraken te maken voor toegang tot de Woudenbergse Grift.

Reactie

Naar aanleiding van bovengenoemde opmerkingen is paragraaf 1.2 en paragraaf 4.5 tekstueel aangepast. Daarnaast zal initiatiefnemer met de beleidsmedewerker planvorming en gebiedscoördinator van het waterschap Vallei & Veluwe nader afstemmen omtrent afspraken voor toegang tot de Woudenbergse Grift.

3. Veiligheidsregio Utrecht, 3 april 2022

De Veiligheidsregio Utrecht heeft op 3 april 2022 een reactie gegeven ten aanzien van de beoordeling van het aspect externe veiligheid. Samengevat adviseert de Veiligheidsregio het volgende:

  • Beschouwing risico's: Gezien de beperkte ontwikkeling, de omgeving van het plangebied en het aantal transporten gevaarlijke stoffen over de N226 is de verwachting dat het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde is. Hiermee volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In de toelichting wordt echter aangegeven dat er sprake is van een beperkte verantwoording van het groepsrisico omdat het plangebied binnen de 200 meter van de N226 ligt. Dit is niet juist. Advies is om dit te corrigeren.
  • Bereikbaarheid: Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Gezien de beperkte omvang van het plan, acht ik de bestaande bereikbaarheid via de Griftdijk voldoende.
  • Zelfredzaamheid: Aangezien het gaat om bedrijvigheid acht ik de zelfredzaamheid van de toekomstige aanwezigen voldoende om zichzelf, eventueel met hulp van anderen, in geval van aan ramp in veiligheid te kunnen brengen. Een aandachtspunt is de vluchtmogelijkheden en de risicocommunicatie. Het advies is dat bij een explosie of een brand voldoende vluchtmogelijkheden zijn aan de achterzijde van het plan en er communicatie plaatsvindt over de risico’s en deze vluchtmogelijkheden.
  • Bluswatervoorzieningen: Het plan voldoet niet aan art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel eist dat op maximaal 40 m van het bouwwerk bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit van ten minste 30 m3/h. Omdat het plan in het buitengebied ligt, wordt geadviseerd om contact op te nemen met de VRU om te bepalen hoe het beste invulling gegeven kan worden aan voldoende bluswatervoorzieningen.

Reactie

Naar aanleiding van bovengenoemde opmerkingen is paragraaf 4.3.6 inhoudelijk aangepast. Er is een beperkte verantwoording van het groepsrisico toegevoegd, waarbij de onderdelen zijn betrokken zoals aangedragen door de Veiligheidsregio.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Griftdijk 1C - Maarsbergen', heeft met ingang van 8 april 2022 gedurende zes weken (tot en met 19 mei 2022) ter inzage gelegen. Digitaal was het plan in te zien via www.ruimtelijkeplannen.nl (NL.IMRO.1581.MAAgriftdijk1c-ON01). Een analoog exemplaar lag in dezelfde periode ter visie in het Publiekscentrum in Doorn. Het plan is gepubliceerd in de Staatscourant en op de gemeentelijke website.

Er zijn gedurende de terinzagelegging geen zienswijzen ingediend. Daarnaast zijn er, afgezien van de aanpassingen naar aanleiding van de vooroverlegreacties, geen ambtshalve wijzigingen.

6.2.4 Vaststelling

Dit bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld tijdens de openbare raadsvergadering van 10 november 2022. In verband met een aangenomen amendement is de bestemming 'Groen' toegevoegd op de verbeelding. Daarnaast is aan de regels een nieuw artikel toegevoegd ten behoeve van de bestemming 'Groen'.