direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Jacob van Wassenaerlaan 23 - 25, Maarn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevinden zich verschillende locaties in eigendom van de gemeente die niet meer voor de oorspronkelijke functie in gebruik zijn. Deze locaties worden, afhankelijk van de ligging, aangemerkt als potentiële inbreidingslocaties of herontwikkellocaties. De locaties variëren in omvang en beslaan maximaal 2 tot 3 hectare per gebied. De gemeente Utrechtse Heuvelrug is voornemens de locaties te herontwikkelen naar woningbouw. Het besluit tot ontwikkeling van de locaties is besloten in de gemeenteraad op 12 november 2015 'Scenario analyse grondexploitaties en MPG 1-7-2015'.

Eén van de locaties betreft de voormalige gemeentewerf en brandweerlocatie aan de Jacob van Wassenaerlaan 23 - 25 en de Bakkersweg 46 in Maarn. Er wordt uitgegaan van het toevoegen van maximaal 13 woningen. Deze ontwikkeling is op deze locatie niet mogelijk binnen de vigerende juridisch-planologische regeling. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet nu ook voor dit perceel in een actueel planologisch-juridisch regiem.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied aan de Jacob van Wassenaerstraat 23 - 25 en Bakkersweg 36 ligt in het noordoosten van het dorp Maarn. Het betreft de gronden van de voormalige gemeentewerf en de brandweerkazerne, kadastraal bekend onder gemeente Maarn, sectie A, perceel 4352. De totale omvang bedraagt circa 3.485 m².

Op navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging van het plangebied en de globale planbegrenzing aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0001.jpg"

Globale ligging plangebied (witte cirkel, Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0002.jpg"

Begrenzing plangebied (witte omkadering, Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor de gronden van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Maarn Noord'. De gemeenteraad van de voormalige gemeente Maarn heeft dit bestemmingsplan vastgesteld op 7 april 1986 (geconsolideerd per 1 januari 2000). Het plangebied is eerder niet meegenomen in de beheersverordening 'Woongebieden Maarn en Maarsbergen' (geheel onherroepelijk in werking per 9 januari 2015), omdat ontwikkelingen voorzien waren.

Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0003.jpg"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Maarn Noord' (plangebied: zwarte omkadering)

Het zuidwestelijke deel van het plangebied heeft in het bestemmingsplan ‘Maarn Noord' de bestemming 'Bijzondere Doeleinden' met de aanduiding 'categorie F'. Hiermee is een gemeentewerf annex brandweerkazerne toegestaan. Voor het noordoostelijke deel van het plangebied geldt de bestemming 'Kwekerij'. De gronden bestemd als 'Kwekerij' zijn bestemd voor de uitoefening van een kwekerij met de daartoe nodige gebouwen, andere bouwwerken en andere werken. Gebouwen en/of andere bouwwerken mogen uitsluitend in de op de kaart aangegeven bebouwingsstrook worden gebouwd. De goothoogte van een gebouw bedraagt maximaal 3,0 m.

De beoogde woningbouw is niet toegestaan binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan. Een herziening is noodzakelijk om de gewenste woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hier in.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven. Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd. In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord. Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

2.1 Huidige situatie

In het zuidoosten van de provincie Utrecht ligt de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevat een groot deel van het gelijknamige Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Aan de rand van dit park ligt het dorp Maarn.

Het plangebied bevindt zich in het noordoosten van het dorp Maarn. Stedenbouwkundig gezien valt het plangebied binnen het deelgebied 'Tromplaan e.o.'. Dit gebied is gevarieerd van opzet met veel bungalowbebouwing, enkele villa’s en veel twee onder een kappers. Het gebied dat wordt begrensd door Ted Visserweg, Jacob van Wassenaerlaan en Bakkersweg bestaat vooral uit tweelaagse twee onder een kappers en drie-onder-één-kappers uit de jaren '60 van de vorige eeuw. De oudere woningen zijn sober van opzet, terwijl de nieuwbouw gedetailleerd is in de trant van de jaren ’30 van de vorige eeuw met villabouw met o.a. schilddaken, daklijsten en ramen met roedeverdeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0004.jpg"

Stedenbouwkundige opzet deelgebied Tromplaan e.o. in Maarn Noord (Globale ligging plangebied: rode omkadering, Bron: Stedenbouwkundige kaders woongebied Maarn, 2013)

Het plangebied wordt enerzijds ontsloten vanaf de Bakkersweg (zuidzijde) en de Jacob van Wassenaerlaan (westzijde). De Bakkersweg vormt een belangrijke verbinding voor het verkeer in de buurt en behoort tot de hoofdstructuur van Maarn noord. De Tuindorpweg/Poortsebos, waar de Bakkersweg mee in verbinding staat, vormt de belangrijkste ontsluitingsweg voor het verkeer richting Maarsbergen en de Amersfoortseweg.

Binnen het plangebied bevinden zich diverse opstallen behorende bij de brandweerkazerne en de voormalige gemeentewerf. In het zuidwesten van het plangebied bevinden zich aan de Bakkersweg en Jacob van Wassenaerlaan diverse haaksparkeerplaatsen. Ten westen van de Jacob van Wassenaerlaan 23 bevindt zich de toegangsweg naar het achterliggende terrein, behorende bij het plangebied.

Het terrein is nagenoeg geheel verhard, met uitzondering van enkele bomen en groenstroken aan de zuid- en westzijde van het plangebied. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0005.jpg"

Impressie plangebied vanaf de Jacob van Wassenaerlaan met inrit naar het achterterrein (Bron: Google streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0006.jpg"

Impressie plangebied vanaf de Bakkersweg (Bron: Google streetview)

2.2 Toekomstige situatie

Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 13 grondgebonden woningen binnen het plangebied mogelijk. Het besluit tot ontwikkeling van de locaties is besloten in de gemeenteraad op 12 november 2015 'Scenario analyse grondexploitaties en MPG 1-7-2015'. Onderdeel van dit besluit is dat voor een aantal ontwikkellocaties ook een bouwenvelop is meegegeven. De bouwenvelop schrijft stedenbouwkundige randvoorwaarden voor zoals woningaantallen, bouwhoogten en rooilijnen. De stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn doorvertaald en verder uitgewerkt in onderhavig bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0007.jpg"

Plangebied met de opgave tot realisatie van maximaal 13 woningen

De volgende stedenbouwkundige voorwaarden en/of uitgangspunten zijn van toepassing op de locatie:

  • Aantal woningen: maximaal 13;
  • Type woningen: grondgebonden woningen;
  • Goot- en bouwhoogte voor het driehoekige, noordoostelijk gelegen plandeel: maximaal 3 meter en 7 meter;
  • Goot- en bouwhoogte voor het zuidwestelijk gelegen plandeel: maximaal 6 meter en 10 meter;
  • Bomen langs de Bakkersweg behouden;
  • Ter plaatse Bakkersweg 36 in beginsel rooilijnen huidige bebouwing aanhouden en bovendien aan deze zijde de bestaande bebouwingskarakteristiek handhaven: vrijstaand en/of twee-onder-één-kap;
  • De parkeerplaatsen langs de Bakkersweg mogen worden meegerekend in de parkeerbalans voor het te herontwikkelen perceel;
  • Voor het bepalen van de parkeernorm dient het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' te worden aangehouden
  • In principe bouwen in de rooilijn;
  • De woningen/kavels dienen in samenhang met elkaar en de omgeving te worden ontworpen. De gebiedscriteria in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen: welstandsnota) zijn hierbij leidend.

De stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn vertaald opgenomen in de regels en de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan, waarmee een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt die in maat en schaal passend is binnen dit deel van Maarn. Bovendien dient in en om het plangebied in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. In toelichting paragraaf 4.12 wordt dit nader toegelicht.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SIVR), is door het kabinet vastgesteld op 13 maart 2012. De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de SVIR schetst het Rijk haar ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. In de SVIR worden door het Rijk drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Die hoofddoelen zijn:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

In de SVIR is aangegeven welke nationale belangen (lees: rijksbelangen) bij deze drie hoofddoelen aan de orde zijn en daarom waarop het rijk zal sturen. Het gaat onder andere om de volgende nationale belangen:

  • zorgen voor een goede ruimtelijk-economische structuur van Nederland (bijvoorbeeld samen met andere overheden zorgen voor een goed vestigingsklimaat);
  • efficiënt gebruik van de bodem en ondergrond;
  • hoofdnetwerken van wegen, spoor en vaarwegen in stand houden en beter benutten;
  • de kwaliteit van lucht, bodem en water verbeteren;
  • behoud van unieke cultuur en natuur, zoals de werelderfgoederen.

Planspecifiek

Binnen het plangebied spelen deze belangen, met uitzondering van het door het rijk geformuleerde belang nummer 13 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', geen rol. Het belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming is door het rijk door vertaald in de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking, waarin in toelichting paragraaf 3.1.3 wordt ingegaan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek

In toelichting paragraaf 3.1.1 is een aantal van de nationale belangen benoemd. Binnen het plangebied spelen deze belangen, met uitzondering van het door het rijk geformuleerde belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, geen rol. Het belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming is door het rijk door vertaald in de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking. toelichting paragraaf 3.1.3 gaat hier nader op in.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Als uitwerking van Nationaal Belang 13 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' uit de Structuurvisie Infrastructuur en Mobiliteit, is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6 Bro het relevante lid 2 als volgt omschreven:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Planspecifiek

Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Ui' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, 12 woningen of meer betreft. De voorgenomen ontwikkeling aan de Jacob van Wassenaerlaan/Bakkersweg maakt maximaal 13 nieuwe woningen mogelijk. Er is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Bro. De volkshuisvestelijke behoefte voor de ontwikkeling wordt gemotiveerd in paragraaf 3.3.3. Daarnaast is het een ontwikkeling die binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hierdoor is geen nadere motivering nodig ten aanzien van het oplossen van de behoefte binnen bestaand stedelijk gebied, omdat de ontwikkeling daar al plaatsvindt.

3.2 Provinciaal beleid

Provinciale Staten hebben in 2013 de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. De PRS en de PRV worden elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast c.q. herijkt. Provinciale Staten hebben de herijking van de PRS en de PRV op 12 december 2016 vastgesteld.

3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016)

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De herijking van de PRS is op 12 december 2016 vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.

In de herijkte Provinciale ruimtelijke structuurvisie zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd.

Duurzame leefomgeving

  • Behouden en bevorderen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
  • Voldoende ruimte bieden voor realisatie van duurzame energiebronnen;
  • Anticiperen op de ruimtelijke lange termijn gevolgen van klimaatverandering;
  • Beschermen en realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving waarin ook stilte beleefd kan worden.

Beschermen kwaliteiten

  • Behouden van de kwaliteit van de cultuurhistorische structuur en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
  • Behouden van de kernkwaliteiten van het landschap en behouden van aardkundige waarden en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
  • Beschermen en ontwikkelen van soorten en van een robuust netwerk van natuur.

Vitale steden en dorpen

  • Bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling;
  • Voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen;
  • Voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale en innovatieve regionale economie;
  • Voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur;
  • Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden voor een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en vrijetijdslocaties.

Dynamisch landelijk gebied

  • Uitnodigende zones die stad en land verbinden en bijdragen aan kwaliteit van het binnenstedelijk leefmilieu;
  • Zodanige condities scheppen dat de vitale regionale economie in het landelijk gebied zich kan ontwikkelen;
  • Zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt.

Planspecifiek

Het plangebied betreft een binnenstedelijke locatie. In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Doordat het plangebied binnen het stedelijk gebied ligt sluit de ontwikkeling goed aan bij deze visie van de provincie.

Woningbehoefte

Op provinciaal niveau worden afspraken gemaakt tussen de regio's, welke de basis vormen voor de afspraken binnen de afzonderlijke regio's ten aanzien van de afstemming rondom de woningbouwprogrammering. De gemeente Utrechtse Heuvelrug maakt, samen met de gemeenten Wijk bij Duurstede, Renswoude, Veenendaal en Rhenen, deel uit van de regio Zuid-Oost Utrecht. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 is het woningbouwprogramma voor de regio Zuid-Oost Utrecht als volgt bepaald:

  PRS 2013   Gerealiseerd 2013 t/m 2015   Herijking 2016  
  Binnenstedelijke woningbouw   uitleg   totaal     Binnenstedelijke woningbouw   uitleg   totaal  
Renswoude   200   0   200   66   200   0   200  
Rhenen   425   75   500   246   500   75   575  
Utrechtse Heuvelrug   1.000   50   1.050   410   1.000   50   1.050  
Veenendaal   3.750   0   3.750   917   3.750   0   3.750  
Wijk bij Duurstede   750   250   1.000   384   750   250   1.000  
Totaal regio Zuid Oost   6.125   375   6.500   2023   6.200   375   6.575  

In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 is het stedelijk programma voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug bepaald op 1.050 woningen. In de herijking van 2016 is de behoefte eveneens bepaald op 1.050 extra woningen. Dit programma kan vrijwel geheel in het stedelijk gebied worden gerealiseerd.

Navolgende afbeelding geeft de beschikbare plancapaciteit weer. Uit de woningbouwmonitor van de Provincie blijkt dat reeds 600 woningen binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug zijn gerealiseerd. In totaal worden nog 120 woningen in de periode tot en met 2028 zeker gerealiseerd en maken circa 140 woningen onderdeel uit van de zachte plancapaciteit. Rekening houdend met de zachte plancapaciteit resteert er voor de periode tot en met 2028 nog een woningbouwopgave van circa 133 woningen voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De planontwikkeling sluit dus daarmee aan op een actuele behoefte.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0008.jpg"

Realisatie PRS-programma in relatie tot harde en zachte plancapaciteit d.d. 2017 (bron: www.wmm-provincie-utrecht.nl )

Veilige leefomgeving

Voor het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving is samenhang tussen ruimtelijke ordening en milieu belangrijk. Daarom zijn milieukwaliteiten als externe veiligheid, geluid, geur, lucht, bodem en water voor de provincie integraal onderdeel van gebiedsontwikkelingen. De provincie vraagt gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen aandacht te besteden aan de leefomgevingskwaliteit. Uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt dat de milieukwaliteiten in het plangebied niet in het geding zijn.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (herijking 2016)

Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De huidige herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld.

In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.

Planspecifiek

Het deel van het plangebied waar de woningen zijn voorzien ligt in bestaand stedelijk gebied zoals in de PRV aangewezen op de kaart 'wonen en werken'. Met betrekking tot dit stedelijk gebied stelt artikel 4.1 lid 2 van de PRV dat verstedelijking, en dus woningbouw, mogelijk is. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de PRV.

De volgende afbeelding toont een fragment van de kaarten 'cultuurhistorie' en 'landschap' uit de PRV.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0009.jpg"

Fragment kaarten 'cultuurhistorie' en 'landschap'

Uit de kaart 'Cultuurhistorie' blijkt dat het plangebied valt binnen de aanduiding 'CHS - Archeologie'. Op grond van artikel 1.7 van de PRV bevat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels ter bescherming van de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur. In paragraaf 4.9 archeologie wordt nader toegelicht hoe om wordt gegaan met het aspect archeologie.

Landschap Utrechtse Heuvelrug

Uit de kaart 'Landschap' blijkt dat het plangebied valt binnen het landschap 'Utrechtse Heuvelrug'. Voor dit landschap wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:

  • robuuste eenheid;
  • reliëfbeleving;
  • extreme historische gelaagdheid.

Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van Utrechtse Heuvelrug verschillende accenten. Uit de kwaliteitsgids blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het deelgebied 'Achterflank'. De ruimtelijke essenties van dit deelgebied zijn uitgewerkt in verschillende thema’s: drager, landgebruik, bebouwing, infrastructuur en hoogtepunten. Het betreft hier een binnenstedelijke locatie deels reeds bebouwd en verder zijn geen expliciete onderdelen van het delgebied 'Achterflank'aanwezig. Het plan wordt ingepast in de bestaande omgeving. De aanwezige bomen op de planlocatie blijven behouden. Er worden als gevolg van de planontwikkeling dan ook geen kernkwaliteiten aangetast.

Conclusie

Uit de raadpleging van verschillende kaarten, zoals weergegeven in de PRV, kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling van woningbouw niet strijdig is met de PRV.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'

De gemeenteraad heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De gemeente wil met deze visie de 'kwaliteit van de leefomgeving' en de ‘groene positie in de regio' van de gemeente behouden en versterken. Deze ambities zijn themagericht en gebiedsbericht uitgewerkt. De 6 uitgewerkte thema's zijn:

  • 1. Natuur over de heuvels; het ontwikkelen van een zo robuust mogelijke groene structuur voor natuur, cultuurhistorie en landschap die de hele gemeente omvat en doordringt.
  • 2. Op de schouders van ons erfgoed; het behouden en geven van betekenis aan de grote rijkdom aan cultuurhistorisch erfgoed die de gemeente kent, alsmede De Stichtse Lustwarande versterken en toeristisch aantrekkelijk maken.
  • 3. Duurzaam bereikbaar; bereikbaarheid en verkeersdoorstroming verbeteren en tegelijkertijd verkeer en vervoer duurzamer maken zodat het leefklimaat erop vooruit gaat en daarmee de aantrekkelijkheid voor inwoners, recreanten en ondernemingen.
  • 4. Leefbare dorpen; versterken van de eigen identiteit per dorp, alsmede het behouden en versterken van de levendige dorpsharten met samenhang in wonen en voorzieningen voor jong en oud.
  • 5. Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug; het duurzaam versterken van natuurgerichte vormen van dagrecreatie en verblijfsrecreatie, het ontwikkelen van cultuurhistorisch gerichte vormen van recreatief medegebruik en ruimte vinden voor sport.
  • 6. Maatwerk voor wonen en werken; het sociaal en functioneel duurzaam in standhouden van de samenleving middels het streven naar een stabiel bevolkingsaantal met een redelijk evenwichtige verdeling van bevolkingsgroepen in leeftijd, inkomen en opleiding. Een opgave ligt onder andere bij woningbouwprogramma inbreidingslocaties.

In deze thema's is geen beleid specifiek voor het plangebied opgenomen. Uit de structuurvisiekaart blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de 'Bebouwing binnen rode contouren'. Hier streeft de gemeente naar maatwerk om wonen en werken te realiseren binnen het saldo van de 'rode' contouren. Binnen het thema maatwerk voor wonen en werken streeft de gemeente naar een stabiel bevolkingsaantal en naar een redelijk evenwichtige verdeling van bevolkingsgroepen in leeftijd, inkomen en opleiding, waarmee de samenleving sociaal en functioneel duurzaam in stand kan worden gehouden.

Specifiek voor de kern Maarn geldt het streven om het groene en rustige karakter van de plaats te behouden en waar mogelijk te versterken.

Planspecifiek

Met name thema vier (leefbare dorpen) en zes (maatwerk voor wonen en werken) zijn van toepassing. De toevoeging van maximaal 13 woningen aan de kern Maarn zorgt voor het op peil houden van de bevolking(sgroei) en bevolkingssamenstelling. De leefbaarheid van dorpen hangt af van de hoeveelheid inwoners. Het op peil houden van de inwonersaantallen is dan ook belangrijk voor het voorzieningenaanbod. De beoogde realisatie van maximaal 13 woningen past binnen deze gedachte. Het laatste thema, maatwerk voor wonen en werken, spreekt de opgave uit om middels inbreidingslocaties de woningbouwopgave uit te voeren. De planlocatie is op de visiekaart Maarn (kaart 3) aangeduid als mogelijke ontwikkelingslocatie. De beoogde ontwikkeling gaat uit van een herontwikkelingsopgave binnen de rode contour en is daarmee in aansluiting op de structuurvisie.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met het beleid uit de Structuurvisie 2030.

3.3.2 Nota Ruimtelijke Kwaliteit

In 2017 heeft de gemeente de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Deze nota bevat het welstandsbeleid van de gemeente opgesteld in 2008. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (voorheen bouwvergunning). Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen doorvertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.

Planspecifiek

Onderhavig plangebied valt binnen het deelgebied ‘Dorpsbebouwing (37)'. In dit gebied bevinden zich woningen die met name projectmatig gerealiseerd zijn, zowel voor als na de tweede wereldoorlog. De woonbuurten zijn opgezet als tuindorpbuurten of hebben deze karakteristiek overgenomen.

Welstandsbeleid

De bebouwing in het deelgebied is in het algemeen aan weinig veranderingen onderhevig. Wat vooral kenmerkend is in het deel- gebied is het groene karakter en de relatief ruime opzet. Toetsing dient in elk geval plaats te vinden aan de basiscriteria die van toepassing zijn op dit deelgebied. Voor het gebied gelden de volgende welstandscriteria:

  • Algemeen:
    • 1. De bouwwerken passen bij de beschreven karakteristiek van het deelgebied 'Dorpsbebouwing', wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en materiaalgebruik.
  • Situering:
    • 1. De woningen worden in de rooilijn gebouwd.
    • 2. De hoofdbebouwing is op de openbare ruimte gericht.
  • Massa en vorm:
    • 1. De woningen hebben een korrelgrootte die aansluit bij die van de omgeving.
    • 2. Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
    • 3. De massaopbouw is per rij gelijk.
  • Detaillering, kleur- en materiaalgebruik:
    • 1. Het kleur- en materiaalgebruik is per rij op elkaar afgestemd.
    • 2. Aanbouwen hebben de stijlkenmerken en kleuren van het hoofdgebouw.

Conclusie

Waar mogelijk is in de juridische regeling van het voorliggende bestemmingsplan rekening gehouden met de van toepassing zijnde welstandscriteria. Dat betreft met name het bouwen in de rooilijn, de aansluiting bij de korrelgrootte van de omgeving en het ondergeschikte karakter van aan- en uitbouwen. De overige aspecten uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit spelen een rol bij de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwplan door de welstandscommissie. Bij verdere uitwerking van de plannen zal aangesloten worden op de genoemde welstandscriteria.

3.3.3 Woonvisie 2018 - 2020

Met de nieuwe Woonvisie 2018-2020 wordt richting gegeven aan het woonbeleid van de gemeente voor de komende vier jaar. Doel is dat de inwoners van de gemeente kunnen wonen in een veilige en prettige omgeving, in een duurzame woning, die past bij hun huishouden, inkomen en zorgvraag. Om dit te bereiken richt de gemeente zich op de drie thema's.

  • 1. Woningmarkt in beweging. In de gemeente is de vraag naar woningen groter dan het aanbod, zowel bij huur- als koopwoningen. Mensen kunnen hierdoor geen wooncarrière maken en blijven wonen in een woning die niet langer passend is bij hun huishouden en wensen. Om de woningmarkt in beweging te krijgen probeert de gemeente nieuwbouwprojecten te stimuleren en faciliteren.
  • 2. Thuis in de wijk. De gemeente wil dat kwetsbare inwoners zoveel mogelijk in staat zijn regie te voeren over hun leven. Dat ze kunnen wonen in een geschikte woning, ondersteuning dicht bij huis krijgen en volwaardig deel nemen aan de lokale samenleving. Hiervoor start de gemeente het programma Thuis in de wijk.
  • 3. Duurzaam wonen De gemeente wil dat inwoners kunnen wonen in een duurzame en aardgasvrije woning in een klimaatneutrale gemeente. Dit bereikt de gemeente onder meer door initiatieven uit de samenleving te stimuleren en mogelijk te maken. Bewoners en anderen (zoals Verenigingen van Eigenaren) worden gefaciliteerd om stap voor stap over te schakelen naar energieneutrale en aardgasvrije woningen.

Planspecifiek

In de gemeente Utrechtse Heuvelrug is nog steeds sprake van een groei van de woningbehoefte. De bevolking zal niet sterk meer groeien, maar de ontwikkeling van het aantal huishoudens laat nog wel een stijgende tendens zien. In de komende periode tot 2020 is een woningbehoefte aan eengezinskoopwoningen, eengezinshuurwoningen, meergezinskoopwoningen en meergezinshuurwoningen. Het doel is in 2020 over voldoende woningen voor het aantal huishoudens binnen de gemeente te beschikken. Dit betekent dat per saldo 1.000 woningen dienen te worden gerealiseerd tot en met 2020 (peildatum 1 januari 2013).

Met de herontwikkeling van de planlocatie in de kern van het dorp Maarn, is de planlocatie een geschikte locatie voor de realisatie van maximaal 13 woningen. De kleinschalige ontwikkeling sluit aan op het gestelde in de woonvisie waarbij 'groei' aan de orde is, vooral gericht op het voorzien in de eigen behoefte van de huishoudens van de gemeente in de komende jaren.

Voorts is in het raadsbesluit van 12 november 2015 'Scenario analyse grondexploitaties en MPG 1-7-2015' dat ten grondslag ligt aan de ontwikkeling afgesproken dat de verdeling naar woonsegment voor alle ontwikkelingen in het besluit te samen aan de uitgangspunten van de visie moet voldoen. Voor voorliggende ontwikkeling is afgesproken dat 62% van de woningen in het middensegment en 38% in het hoge segment gerealiseerd worden. Het plan kan hier aan voldoen. Deze voorwaarden zullen ook bij verkoop van de gronden als voorwaarde meegegeven worden voor ontwikkeling.

Voorliggende ontwikkeling voorziet in een feitelijke behoefte en sluit door de gemaakte afsrpaken over de woningbouwcategoriën aan op de geactualiseerde woonvisie.

3.3.4 Milieubeleidsplan 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal' Programma 2017-2022

De gemeenteraad heeft het programma 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal' opgesteld voor 2017 tot 2022. Naast de aanpak en het uitvoeringsprogramma van 2017, bevat dit programma de strategische milieubeleidsdoelen die geldend zijn van 2017 t/m 2022. Het programma richt zich op het versterken en verbinden van initiatieven uit de samenleving op het gebied van duurzaamheid en klimaat, waarbij vijf doelen centraal staan:

  • 1. Klimaatneutrale gemeente in 2035
  • 2. Kwaliteit leefomgeving (water, geluid, lucht, licht, geur, trilling, straling, bodem en externe veiligheid)
  • 3. Duurzame mobiliteit
  • 4. Duurzame economie
  • 5. Duurzame en klimaatneutrale organisatie

Het programma stelt de samenleving, waaronder ondernemers, inwoners en bezoekers, als belangrijk middel om de doelen voor een duurzame en klimaatneutrale gemeente te realiseren. Daarnaast wordt er ook ingezet op regionale partners. Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw.

Planspecifiek

In toelichting paragraaf 4.13 wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid.

Hoofdstuk 4 Haalbaarheid van het plan

4.1 Inleiding

In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke onderbouwing moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende aspecten: milieueffectrapportage, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem, ecologie, water, archeologie en verkeer en parkeren.

4.2 Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:

  • a. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  • b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  • c. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  • d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

Planspecifiek

Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. De ontwikkeling betreft de functiewijziging van Bijzondere Doeleinden (gemeentewerf annex brandweerkazerne) naar Wonen. De sloop van de bestaande opstallen en de realisatie van maximaal 13 woningen betreft een wijziging die naar aard en omvang zeer beperkt is. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden nauwelijks toe, omdat de gronden reeds geschikt zijn voor een gemeentewerf en brandweerkazerne. Het gebruik van de gronden ten behoeve van de functie wonen is minder intensief dan het gebruik dat in de huidige planologische situatie mogelijk is. Er is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.3 Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.

Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.

Planspecifiek

Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik is in het verleden een verkennend/aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. Dit onderzoek dateert van 8 november 2012 en is daarmee niet actueel genoeg om een goede uitstpraak te doen of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. Er is daarom een actualiserend/aanvullend bodemonderzoek (dd. 15 januari 2018) opgesteld, zie bijlage 2. Dit onderzoek is heeft als onderzoeksvragen:

  • 1. Doel van het actualiserend en aanvullend bodemonderzoek betreft het bepalen of er aanwijzingen zijn of een in 2012 aangetoonde verontreinigingssituatie op de locatie veranderd is, middels het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, alsmede het bemonsteren en analyseren van grondwatermonsters uit enkele van de tijdens een bodemonderzoek in 2012 geplaatste peilbuizen.
  • 2. Doel van het aanvullend bodemonderzoek betreft het bepalen of de grond op een deel van het terrein verhoogde gehalten aan OCB’s bevat als gevolg van het voormalige gebruik als boomgaard.

De conclusie van het actualiserend bodemonderzoek luidt: '

Deellocatie C

De carbolineumverontreiniging zoals in 2012 door Vink Milieutechnisch adviesbureau b.v. is aangetoond blijkt wederom enkel in het grondwater aanwezig te zijn. In 2012 zijn in het grondwater uit peilbuis P101-1 sterke verontreinigingen met PAK’s, minerale olie, xylenen en naftaleen aangetoond. Nu blijken er hoogstens lichte verontreinigingen met minerale olie, vluchtige aromaten en separate PAK aanwezig te zijn. De oorzaak van het verschil in concentraties is onbekend. De concentratie aan PAK-totaal overschrijdt ook ditmaal wel de interventiewaarde. De aangetoonde verontreinigingssituatie is in grote lijnen vergelijkbaar met hetgeen in 2012 is aangetoond. In de verwachtte ‘kern’ van de verontreiniging is een sterke verontreiniging (som PAK) aangetoond en in de overige grondwatermonsters zijn zoals verwacht geen of slechts lichte verontreinigingen aangetoond. De resultaten van onderhavig onderzoek tonen aan dat er geen verdenking bestaat dat de situatie verslechterd is.

Deellocatie I

De beperkte minerale olie verontreiniging zoals in 2012 door Vink Milieutechnisch adviesbureau b.v. ter plaatse van boring I01 is aangetoond blijkt wederom aantoonbaar aanwezig te zijn. De bodem ter plaatse van de betreffende boringen is geroerd, hetgeen er waarschijnlijk in resulteert dat de bodemopbouw hier sterk varieert. Niettemin is wederom vastgesteld dat de sterke minerale olie verontreiniging enkel aanwezig is in de puin-/baksteenhoudende bovengrond (tot 0,5 m-mv). Analytisch is bevestigd dat de onderliggende laag (0,5-0,7 m-mv) slechts licht verontreinigd is. Horizontaal zijn geen inkaderende boringen verricht. Aangenomen kan worden dat de situatie ongewijzigd is ten opzichte van hetgeen in 2012 is aangetoond.

De aanbevelingen zoals gesteld in de rapportage van het bodemonderzoek uit 2012 blijven gehandhaafd:

‘In hoeverre de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de voorgenomen transactie is afhankelijk van het (voorlopig) koopcontract’. voorgenomen transactie is afhankelijk van het (voorlopig) koopcontract’.

‘De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt, uitgezonderd de aangetroffen kleinschalige minerale olieverontreiniging in de bovengrond en het geval van ernstige bodemverontreiniging met carbolineum in het grondwater geen belemmering voor verlening van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw’. ‘De aangetroffen niet ernstige verontreiniging met minerale olie in de bovengrond en de ernstige verontreiniging met carbolineum in het grondwater is voldoende onderzocht. De milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie is op basis van de resultaten van het onderhavige onderzoek afdoende bekend. Vanwege het ontbreken van actuele risico’s kan de verontreiniging gesaneerd worden op een natuurlijk moment; bijvoorbeeld ten behoeve van de geplande ontwikkelingen’.

Voormalige boomgaard

In de aanvullend geanalyseerde grondmengmonsters MM1 en MM2 is vastgesteld dat de bodem ter plaatse van de voormalige boomgaard niet verontreinigd is door OCB’s (bestrijdingsmiddelen).

Asbest

Het onderzoek is gerelateerd aan de NEN 5740. Onderzoek naar asbest in grond/puin vormt geen onderdeel van deze norm. Voor informatie met betrekking tot asbest op en rond de onderzoekslocatie wordt verwezen naar het rapport van het verkennend onderzoek asbest in grond met het kenmerk174.101.BR.21.ROS_definitief.

Zoals beschreven in het onderzoek is tevens een onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van dit onderzoek luidt:

'Om de ontwikkeling mogelijk te maken isderhalve voldoende onderzoek uitgevoerd maar zal wel een sanering uitgevoerd moeten worden. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Met betrekking tot het puinhoudende deel van de locatie (G1 /m G8) bestaan er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging met asbest.

Ter plaatse van deellocatie/gebouw E en de stelling met asbestverdachte golfplaten is in de toplaag een gemiddeld gewogen gehalte van 37,28 mg/kgds aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen dat de gehalten hier de restconcentratienorm van 100 mg/kgds overschrijden. Bij vergelijking van de foto’s zoals opgenomen in de rapportage uit 2012 met de huidige situatie blijkt dat de stelling met golfplaten tussen 2012 en nu geplaatst is. Aangezien het materiaalmonster M2 in sleuf S3, direct onder de stelling is aangetroffen en er zichtbaar beschadigingen aanwezig zijn aan de beplatingen welke op de stelling aanwezig zijn, kan (hoewel het materiaal op de stelling niet bemonsterd is) met enige zekerheid worden aangenomen dat het aangetroffen stukje in S3 afkomstig is van de opgeslagen beplating. Gesteld kan worden dat de (tijdelijke) opslag van de beplating op de stelling op de locatie tussen 2012- en nu een negatief effect heeft gehad op de milieuhygiënische kwaliteit op de locatie. Er is sprake van een zorgplicht in de zin van artikel 13 van de Wbb. Volgens artikel 13 Wbb dienen zo spoedig mogelijk alle maatregelen te worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan te voorkomen dan wel zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Geadviseerd wordt om een asbestinventarisatie conform Bijlage XIIIa behorende bij artikel 4.27 van het Arbeidsomstandighedenbesluit uit te laten voeren van de beplating op de stelling (en overige bebouwingen). Op basis van de uitkomsten van de inventarisatie, alsmede de uitkomsten van onderhavig asbest in grond onderzoek (NEN 5707) wordt een gecombineerde verwijdering geadviseerd (verwijdering beplating door een erkend asbestverwijderingsbedrijf) in combinatie met de verwijdering van de toplaag van de bodem. Geadviseerd wordt één en ander (waaronder ook de voorgestelde wijze van eindcontrole) middels een Plan van Aanpak ter goedkeuring voor te leggen aan het bevoegd gezag.'

Sanering
Er is een sanering noodzakelijk vanwege de aangetroffen verontreiging met minerale olie en de aangetroffen verontreining van asbest in de ondergrond. Deze saneringen zullen plaatsvinden nog voordat het plangebied wordt ontwikkeld tot woongebied.

Uit nader overleg met de Omgevingsdienst blijkt dat sanering van de aangetroffen verontreinging van het grondwatern met PAK's alleen noodzakelijk is, als ter plaatse ondergronds wordt gebouwd. De verontreiniging is echter gelegen in deel van het plangebied (toekomstige tuin) waar niet ondergronds gebouwd mag worden. Sanering is dus niet noodzakelijk.

Conclusie
In het plangebied zijn ernstige verontreinigingen aangetroffen, deze zijn echter beperkt van omvang. De verontreining met PAK hoeft niet te worden gesaneerd. De verontreiniging met asbest en minerale olie wel. Deze sanering zal plaatsvinden nog voordat het plangebied wordt ontwikkeld tot woongebied. De aanwezige bodemverontreiniging vormen verder daardoor geen belemmering voor het uitvoeren van dit bestemmingsplan.

4.4 Geluid

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie.

Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden op grond van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het in sommige gevallen, zoals bij drukke 30 km wegen, toch nodig zijn om de akoestische situatie in kaart te brengen, om te beoordelen of het een goede locatie is voor een geluidgevoelige functie.

Planspecifiek

Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijke geluidzone van de A12 (600 meter). Rond het plangebied liggen verder uitsluitend wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Dergelijke wegen hebben geen geluidszone in het kader van de Wgh, maar de geluidsbijdrage van deze wegen dienen hier wel beoordeeld te worden, in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Akoestisch onderzoek is dan ook noodzakelijk om te onderzoeken de geluidbelasting op de gevels van de toekomstige woningen is. In bijlage 4 is het voor dit plan uitgevoerde akoestisch onderzoek opgenomen. De resultaten van het onderzoek luiden:

'Uit de berekeningen blijkt dat er nergens sprake is van overschrijdingen van de grenswaarden. Er zijn daarom geen hogere waarden nodig.

Vanuit het aspect weg- en railverkeerslawaai zijn er geen knelpunten voor het ontwikkelen van deze locatie.'

Gezien bovenstaande conclusie vormt het aspect geluid geen belemmering voor voorliggend plan.

4.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moet overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarden voor verschillende stoffen. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen.

Besluit en regeling 'niet in betekenende mate'

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd.

NIBM-projecten kunnen -juridisch gezien- zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.

Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrond-concentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.

Conclusie

De ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 13 nieuwe woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Onderhavig plan blijft ruim onder deze norm.


Desondanks is een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Hierbij is uitgegaan van gemiddeld 6 voertuigbewegingen per weekdaggemiddelde per woning. De verwachte verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling ligt daarmee rond de 78 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0010.jpg"

NIBM-tool (versie 29 mei 2017)

Uit de berekening blijkt dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De bijdrage van het extra verkeer aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is niet in betekenende mate en valt ruimschoots onder de norm van 1,2 µg/m³.

Omdat sprake is van woningen (gevoelige functie) is met behulp van het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht gekeken of de kwaliteit van de lucht voldoende is om woningen toe te staan. Hieruit blijkt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in 2015 ter plaatse van het plangebied respectievelijk circa 18,0 µg/m³, 24 µg/m³ en 16 µg/m³ bedragen.

Ook in 2025 voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots aan de grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof (circa 20 µg/m³) als stikstofdioxide (circa 12 µg/m³). De concentratie PM2,5 blijft met een waarde van circa 11 µg/m³ eveneens ruim onder de grenswaarde.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik.

Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidsruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' editie 2009 gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën.

De handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Planspecifiek

Het plangebied ligt in een vrijwel monofunctionele woonomgeving. Rondom het plangebied zijn uitsluitend woningen gelegen. Navolgende tabel toont de bedrijven en inrichtingen in de verdere omgeving van het plangebied, de daarbij behorende richtafstanden en de werkelijke afstand tot het plangebied.

Adres   Inrichting / functie   SBI-2008   Milieu-categorie   Minimale afstand tot plangebied   Werkelijke afstand tot plangebied  
-   Begraafplaats   96031   1   10 m   52 m  
Planetenbaan 1   Mixed Hockeyclub Maarn   931-G   3.1   50 m   118 m  

Uit bovenstaande tabel volgt dat voldaan wordt aan de richtafstanden. De bedrijven en voorzieningen in de omgeving hebben geen hindercontour die een overlap kent met het plangebied.

Daarnaast dient te worden vastgesteld dat de beoogde ontwikkeling geen milieubelastende activiteiten omvat. In het geval van onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van woningen. Hierbij kan worden uitgegaan van geen milieubelastende activiteiten. De ontwikkeling past in de omgeving. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg geldt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het daarbij behorende besluit. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):

  • Het plaatsgebonden risico is het risico uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het plaatsgebonden risico richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het plaatsgebonden risico is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het plaatsgebonden risico wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen.
  • Het groepsrisico zijn de cumulatieve kansen dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal slachtoffers, de z.g. oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het groepsrisico, ook als de oriënterende waarde niet wordt overschreden.

Op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dient bij bestemmingsplan beoordeeld te worden of de wettelijk grenswaarde met betrekking tot het plaatsgebonden risico niet wordt overschreden en of de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Bij een toename van het groepsrisico geldt de wettelijke verplichting voor de gemeente om dit in het bestemmingsplan te verantwoorden.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek

Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0011.jpg"

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (zwarte cirkel)

Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet in het invloedsgebied van een bedrijf ligt waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming

Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn bepaalde activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.

Planspecifiek

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is in juli 2017 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Laneco, 19 juli 2017,zie bijlage 5). Navolgend wordt op de resultaten van het onderzoek ingegaan.

Gebiedsbescherming

Uit het onderzoek volgt dat het plangebied niet in of direct nabij een NNN ligt. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN verloren. Ook is er door de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van externe invloeden op de NNN. Er zijn geen andere beleidskaders uit het Natuurbeleidsplan (NBP) van toepassing in het plangebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NBP dan ook geen consequenties te verwachten.

Het plangebied ligt op circa 8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Door de geplande ontwikkeling gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied verloren. Voor de meeste effectfactoren van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling kunnen gezien de afstand en de tussenliggende elementen externe effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Door de bouw van dertien woningen is er mogelijk wel sprake van een toename aan uitstoot van stikstof, maar dit is gezien de ligging midden in bebouwde kom, de afstand, de tussenliggende elementen en de relatief beperkte ontwikkeling, naar verwachting niet meetbaar in het Natura 2000-gebied. Dit sluit aan op de 'Handreiking woningbouw en Aerius' van de Rijksoverheid dd januari 2020. Hierin wordt gesteld dat de 50 woningen op 8 km afstand en stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j oplevert voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase. Er zal dus geen nadelig effect als gevolg van stikstofdepositie optreden op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Ook zal de geplande ontwikkeling niet leiden tot een dermate verhoogde verkeersintensiteit dat effecten worden verwacht op Natura 2000-gebieden.

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Maarn. Het onderdeel houtopstanden van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet van toepassing.

Soortenbescherming

Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, konijn, vos, kleine marterachtigen, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.

Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn Europees beschermde soorten (Habitat- en vogelrichtlijn), waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn beschermde gebouwbewonende vleermuizen en gierzwaluw niet uit te sluiten binnen het plangebied. Door het uitvoeren van sloopwerkzaamheden worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten aangetast.

Van de overige in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde planten- en/of diersoorten worden geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht in het plangebied.

Conclusie

Aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten en daarmee een overtreding van artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming, kan niet zonder nader veldonderzoek worden uitgesloten. Een nader veldonderzoek naar vleermuizen (gebouwbewonende soorten) en gierzwaluw is noodzakelijk. Verderop in deze paragraaf wordt hier nader op ingegaan.

Ten slotte zijn ten alle tijden de twee algemene voorwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming van toepassing:

  • De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken.
  • Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

Aanbevelingen

Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich gaat koloniseren tijdens de bouw, dienen waterhoudende laagtes in het plangebied te worden voorkomen en dient rekening te worden gehouden met een beperkte braaklegging in de periode april tot oktober.

Nader onderzoek vleermuizen en gierzwaluw

In 2017 is middels een nader veldonderzoek onderzocht of de bebouwing in het plangebied van belang kan zijn als een vaste rust- en/of verblijfplaats voor gierzwaluw en vleermuizen (Laneco, 27 februari 2018, zie bijlage 6).

Uit het onderzoek volgt dat er binnen het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van gierzwaluw vastgesteld. Er zijn daarom ten aanzien van gierzwaluw ook geen consequenties voor het slopen van de bebouwing en het realiseren van nieuwbouw binnen het plangebied.

Bij het gerichte onderzoek naar vleermuizen zijn vier soorten vleermuizen waargenomen in en rondom het plangebied: gewone dwergvleermuis, (gewone) grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Binnen het plangebied is een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aan de achterzijde van de brandweerkazerne aangetroffen. Van de overige soorten zijn alleen passerende of foeragerende vleermuizen waargenomen. Er zijn geen kraam- of paarverblijfplaatsen, vliegroutes of essentiële winterverblijfplaats of belangrijke foerageerplaatsen in het plangebied aangetroffen. Ook is het aantal foeragerende dieren beperkt. Gezien de beperkte activiteit in het najaar en het feit dat er in het najaar geen verblijfplaatsen en/of winterzwermgedrag is vastgesteld, is het niet aannemelijk dat de bebouwing binnen het plangebied een functie heeft als winterverblijfplaats voor vleermuizen.

Door de voorgenomen sloop gaat een zomerverblijfplaats verloren. Er dient voor deze aantasting een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze dienen uitgewerkt te worden in een projectplan wat bij de ontheffingsaanvraag gevoegd kan worden.

Tot slot zijn er ten aanzien van overige soorten geen andere van belang zijnde waarnemingen gedaan en zijn er geen consequenties voor het slopen van de bebouwing en het realiseren van nieuwbouw binnen het plangebied. Wel dienen de voorwaarden ten aanzien van het broedseizoen en de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.

Naar aanleiding van de conclusie uit bovenstaand veldonderzoek is een ontheffingsverzoek ingediend bij de provincie voor het verwijderen van de zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Als onderdeel van de aanvraag is een projectplan opgesteld om verwijdering van de verblijfplaats op een verantwoorde wijze uit te voeren en met mitigerende maatregelen om nieuwe verblijfplaatsen te realiseren. Zie hiervoor de bijlage 7. De provincie heeft het ontheffingsverzoek met het projectplan beoordeeld. De provincie heeft, als bevoegd gezag, de ontheffingsaanvraag verleend, zie bijlage 8.

Door bovenstaande onderzoeken en door het nemen van de maatregelen beschreven in het projectplan wordt in het plan afdoende rekening gehouden met de aanwezige flora en fauna. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

4.9 Archeologie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Uit artikel 9.1 sub a van de Erfgoedwet volgt dat artikel 38 lid a van de Monumentenwet nog steeds van toepassing is en stelt: 'De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten'.

Planspecifiek

Om na te gaan of archeologisch onderzoek noodzakelijk is, is de beleidskaart Archeologie 2013 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede hiervan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-VA01_0012.jpg"

Uitsnede archeologische beleidskaart Utrechtse Heuvelrug 2013 Bron: Geoloket Omgevingsdienst regio Utrecht.

Uit de beleidskaart Archeologie 2013 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug volgt dat het plangebied in een gebied met een lage archeologische waarde ligt. Archeologisch onderzoek is slechts noodzakelijk bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 100.000 m². Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Indien bij de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische vondsten (zogenaamde toevalsvondsten) worden aangetroffen is men conform de Erfgoedwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag.

4.10 Cultuurhistorie

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Planspecifiek

Het plangebied was in gebruik als gemeentewerf annex brandweerkazerne. Specifieke cultuurhistorische waarden zijn dan ook niet aanwezig in het plangebied.

Bij de verkaveling en inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met een goede inpassing in de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2. De gebiedscriteria van de welstandsnota (Nota Ruimtelijke Kwaliteit) dienen aanvullend als toetsingskader bij de omgevingsvergunnng voor het bouwen. Hiermee blijft de karakteristiek van het dorp, het bebouwingsensemble en de gaafheid van de bebouwing, behouden.

4.11 Water

Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021

Het Bodem-, Water- en Milieuplan is opgesteld op grond van de verplichting in de Waterwet en de Wet Milieubeheer om respectievelijk een regionaal waterplan en een provinciaal milieubeleidsplan op te stellen. Het Bodem-, Water- en Milieuplan is vastgesteld op 7 december 2015. Met dit plan wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening en de Provinciale Waterverordening.

Voor bodem, water en milieu staan de volgende doelen centraal:

  • a. streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden.
  • b. streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.
  • c. streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden.

Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden twee hoofdlijnen in het beleid onderscheiden:

  • a. focussen op vier prioriteiten: (1) waterveiligheid en wateroverlast, (2) schoon en voldoende oppervlaktewater, (3) ondergrond en (4) leefkwaliteit stedelijk gebied. Dit betreft urgente maatschappelijke problemen waarin de provincie in de aanpak een belangrijke rol kan spelen.
  • b. werken vanuit zes basiskwaliteiten (bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (incl. geur en licht) en externe veiligheid). Deze vormen een integraal onderdeel van al het provinciaal beleid gerelateerd aan de fysieke leefomgeving.

'Waterbeheerprogramma 2016 - 2021' Vallei en Veluwe

Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden.

De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld. Indien het regenwater van de daken naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dak- gevelbekleding en goten.

Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug

Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.

Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn:

  • afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
  • beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
  • natuur en ecologie: op allerlei plaatsen kan de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water een belangrijke functie vervult hierin;
  • beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.

Convenant en Leidraad Afkoppelen en Infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug

Het convenant 'Leidraad afkoppelen en infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug' is op 27 januari 2010 door twaalf overheden en drinkwaterbedrijf Vitens getekend. Het convenant dat gaat over het afkoppelen en infiltreren van afstromend hemelwater op de Utrechtse Heuvelrug, is op 26 november 2015 geactualiseerd. Het streven is om diffuse bronnen terug te dringen, zoals het gebruik van uitlogende materialen. In het convenant is een beslisschema opgenomen waarmee kan worden bepaald of en op welke wijze hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem (geïnfiltreerd).

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In deze waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

Planspecifiek

In de huidige situatie is het terrein ingericht als gemeentewerf annex brandweerkazerne met bijbehorende opstallen. Hiermee is een groot deel van het plangebied verhard met terreinverharding of bebouwing. Enkel bevindt zich een groenstrook aan de zuid- en westzijde van het plangebied en aan de noordzijde van de 'driehoek' met een totale oppervlakte van circa 600 m². In de toekomstige situatie bestaat de verharding uit woonbebouwing en overige verharding voor onder andere parkeergelegenheid, opritten en tuininrichtingen. Binnen het plangebied worden ook delen groen ingericht, de bomen aan de zuid- en westzijde worden zoveel mogelijk behouden en tuinen worden veelal slechts halfverhard.

Gezien de huidige verharding in het plangebied is het onwaarschijnlijk dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een toename aan verharding plaatsvindt met een oppervlakte groter dan 500 m². Watercompensatie is daarom niet noodzakelijk.

Waterafvoer

De vuilwaterafvoer van het plan zal aangesloten worden op het openbaar riool grenzend aan het plangebied. Het hemelwater zal afgekoppeld worden en binnen het plangebied worden verwerkt, bijvoorbeeld door infiltratie. Tevens wordt er bij de realisatie van de woningen geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.

4.12 Verkeer en parkeren

Bereikbaarheid

Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld, waarin mobiliteitsbeleid van de gemeente is vastgelegd. Het doel van het GVVP is een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en veilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economische gezonde gemeente.

Uitgaande van gemiddeld 6 voertuigbewegingen per weekdaggemiddelde per woning zal de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling circa 78 motorvoertuigen per etmaal bedragen. De planlocatie wordt ontsloten via Jacob van Wassenaerlaan en Bakkersweg. De verwachting is dat er, ten opzichte van de huidige situatie, een beperkte toename zal zijn van verkeer als gevolg van de ontwikkeling. Additionele verkeersmaatregelen worden niet nodig geacht. Het is dan ook niet aannemelijk dat de ontwikkeling knelpunten met zich meebrengt met betrekking tot de omliggende verkeers- en vervoersnetwerken.

Parkeren

In het GVVP zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Bij nieuwbouw worden de CROW-normen gehanteerd. Onderstaande tabel geeft overzicht in de beoogde parkeercapaciteit conform de CROW-normering. Uitgegaan wordt van het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'. Dit resulteert in de volgende parkeernormen (per meest voorkomende woningtype):

Woningtype   Parkeernorm  
Vrijstaande woning (koop)   1,9  
Twee-onder-één-kapwoning (koop)   1,8  
tussen/hoekwoning (koop)   1,6  
Vrije sector woning (huur)   1,6  
Sociale woning (huur)   1,2  

Conclusie

Een deel van de benodigde parkeerplaatsen zijn reeds aanwezig langs de Bakkersweg, totaal 12 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen blijven behouden en geschikt voor het te herontwikkelen perceel. Afhankelijk van het definitieve woningbouwprogramma zal voorzien worden in een aantal parkeerplaatsen dat overeenkomt met de CROW-normen, conform het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan of de opvolger daarvan. In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is vastgelegd dat voorzien dient te worden in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Aan de parkeereis zal gezien het oppervlak van de planlocatie en gezien de reeds aanwezige parkeerplaatsen voldaan kunnen worden. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

4.13 Duurzaamheid

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Per 1 januari 2015 is de EPC-eis aan de energieprestatie van gebouwen aangescherpt en aangepast in het Bouwbesluit. De aanpassing betekent een aanscherping van de eis van 20% tot 50%. Voor woningen geldt een EPC-eis van 0,4.

MilieuPrestatie Gebouwen (MPG)

De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.

De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo.

Nederland in 2050 vrij van aardgas

Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.

Planspecifiek

De gemeente Utrechtse Heuvelrug streeft naar duurzame ontwikkelingen. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar kwaliteit voor de leefomgeving, duurzame mobiliteit, duurzame economie en duurzame en klimaatneutrale organisatie. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.

Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR Gebouw score van gemiddeld minimaal 7,1 waarbij de gemeente streeft naar een 25% verscherpte GPR score (7,5) en bij kansrijke projecten een 50% verscherpte GPR score (8,0).

De concrete duurzaamheidsmaatregelen zullen te zijner tijd in een overeenkomst tussen de gemeente en de projectontwikkelaar worden vastgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan het streven (een deel van) de woningen als 'nul op de meter' uit te laten voeren en de ambitie een GPR score van 8 na te streven. In ieder geval dient een EPC-norm van 0,4 te worden gehaald, in overeenstemming met het Bouwbesluit.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.MAAJvWassenaerlaan-ON01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (de verbeelding) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden.

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikel 3) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden.
  • Hoofdstuk III (artikelen 4 tot en met 8) bevat de algemene regels; een anti-dubbeltelregel en de algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings- en wijzigingsregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 9 en 10) bevat de overgangs- en slotregel.

5.3 Bestemmingen

Het voorliggende bestemmingsplan bevat de bestemming 'Woongebied'.

Woongebied

Deze bestemming is opgenomen voor de beoogde woningen en de daarbij horende erven en tuinen, wegen, paden en parkeervoorzieningen. Grondgebonden woningen zijn toegestaan tot een maximum van 13 wooneenheden. Teneinde de bestaande bebouwingskarakteristiek te handhaven is ter plaatse van de Bakkersweg 36 enkel een invulling met vrijstaande en/of twee-onder-één-kapwoningen mogelijk. De goot- en bouwhoogte mogen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter bedragen.

Voor het driehoekige, noordoostelijk gelegen perceel geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 meter en 7 meter. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen, waarbij in de regels is bepaald onder welke voorwaarden het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken is toegestaan.

Verder worden de binnen de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor de uitoefening van een beroep- en/of bedrijf aan huis geboden. Dit mag ten hoogste 40% van de totale bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, beslaan. In de algemene gebruiksregels is ook nog het uitoefenen van bed & breakfast geregeld.

Er dient voldoende parkeergelegenheid te worden aangelegd en in stand gehouden, zoals bedoeld in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan, waarbij voldaan moet worden aan de meest actuele CROW-normen.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

Algemene bouwregels

De algemene bouwregels bevatten een bepaling ten aanzien van de bestaande situatie of waarvoor een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend, op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt.

Tevens is aangegeven hoe wordt omgegaan met ondergeschikte bouwdelen die de bouw- of aanduidingsgrenzen en van maatvoeringsregels met niet meer dan 1,0 meter overschrijden.

Algemene gebruiksregels

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval, het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, het gebruik van woningen voor kamerbewoning en bijzondere woonvormen of een gebruik van gronden voor een paardenbak.

Daarnaast is in dit artikel het uitoefenen van een bed & breakfast geregeld. Bepaald is dat niet meer dan 30 % van de totale bruto vloeroppervlakte van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, hier voor gebruikt mag worden, tot een maximum van 75 m². Het aantal bed & breakfastvoorzieningen mag maximaal 3 bedragen, waarbij per voorziening een zelfstandige sanitaire ruimte, een zelfstandige keuken en een extra parkeerplaats beschikbaar moeten zijn.

Tevens is, zoals reeds vermeld, geregeld dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid, conform het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan.

Algemene afwijkingsregels

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen en de bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

Onder voorwaarden is tevens een overschrijding toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels

Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld: bouwwerken of gebruik zoals dat bestaat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels of het gebruik van de gronden en bouwwerken.

Slotregel

Deze regel geeft de exacte naam van het bestemmingsplan aan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Voor het opstellen van een exploitatieplan of het sluiten van een anterieure overeenkomst is derhalve geen noodzaak. De economische uitvoerbaarheid is derhalve veiliggesteld.

6.2 Handhaving

Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.

Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings-/ afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen/ omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting.

De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting (1) en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek.

Ad 1:

Repressief toezicht en handhaving ligt wettelijk vast en leidt allereerst tot de te beantwoorden vraag of de afwijking/overtreding kan worden gelegaliseerd. Dat kan meer verruiming van het bestemmingsplan tot gevolg hebben, dan dat met het bestemmingsplan oorspronkelijk is bedoeld. Datzelfde geldt voor de discretionaire bevoegdheid om afwijkingen te gedogen. Als er niet voor legalisering dan wel gedogen wordt gekozen, kan er weliswaar met gebruikmaking van de repressieve handhavingsmiddelen (last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, strafrechtelijke boete dan wel een bestuurlijke boete; de boetes waar van toepassing uiteraard) een aanmerkelijke kans worden gecreëerd op beëindiging van de afwijking/overtreding.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Participatie

Als onderdeel van het opstellen van het bestemmingsplan, waarin de beoogde woningbouw planologisch is mogelijk gemaakt, is een bewonersavond georganiseerd. Op 10 maart 2020 is deze avond gehouden en hiervoor zijn de omwonenden, totaal 83 woonadressen, uitgenodigd. Zoals afgesproken op de avond kon een ieder die nog vragen had na de toelichting zijn of haar vragen schriftelijk indienen bij de gemeente. In totaal zijn er vijf reacties met aanvullende vragen/opmerkingen ingediend. Deze vragen zijn allen beantwoord in een bewonersbrief (zie bijlage 9).

6.3.2 Wettelijk vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) pleegt de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het vooontwerpbestemmingsplan is op 21 juli 2020 naar de Provincie Utrecht en het waterschap Vallei & Veluwe gestuurd. De provincie heeft laten weten geen op- en/of aanmerkingen op het bestemmingsplan te hebben. Het waterschap heeft niet gereageerd.

6.3.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan is op basis van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voor zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijzen kenbaar te maken. Van deze terinzagelegging is openbare kennisgeving gedaan in de Staatscourant, op de gemeentelijke website en de gemeentepagina in nieuwsblad ‘De Kaap’. Gedurende de ter inzagelegging zijn twee zienswijzen ontvangen, welke van antwoord zijn voorzien in de bij dit bestemmingsplan gevoegde nota van beantwoording van de zienswijzen (bijlage 10).