| Plan: | Passantenhaven bij station Sassenheim |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1525.BP2018TEY01052-VA01 |
De gemeente Teylingen wil een passantenhaven inrichten in de Zandsloot nabij het NS station van Sassenheim. Binnen de regeling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is de inrichting van een passantenhaven niet mogelijk. Om de haven planologisch-juridisch mogelijk te maken, is dit bestemmingsplan opgesteld.
Dit bestemmingsplan heeft het karakter van een postzegelplan: het is afgestemd op de betreffende ontwikkeling. In dit geval heeft het plangebied betrekking op de inrichting van een deel van de Zandsloot tot passantenhaven.
De planlocatie is gelegen ten noordoosten van het parkeerterrein van het NS-station Sassenheim, dat is gelegen aan de zuidzijde van de A44. De locatie ligt tussen het spoor en de A44. Het terrein is bereikbaar via het parkeerterrein bij het NS-station, de Warmonderweg en een lus langs de oprit naar de A44. Via het water is de locatie te bereiken vanaf de Kagerplassen via de Hoflee en de Zandsloot.
Figuur 1.1 Plangebied globaal in rood aangegeven (bron: Google maps).
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Teylingen", vastgesteld door de gemeenteraad op 30 april 2015. Binnen de geldende hoofdbestemming 'Verkeer' is de aanleg van een passantenhaven niet mogelijk.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Direct naast de geplande passantenhaven ligt de parkeervoorziening voor het NS station Sassenheim. Voor het parkeerdek is een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing afgegeven. De ruimtelijke onderbouwing is vastgesteld op 29 mei 2017.
De ontwikkeling voorziet in de realisering van een passantenhaven voor maximaal 14 ligplaatsen nabij het NS-station Sassenheim. Het voornemen bestaat om de bestaande boezemkade van de Zandsloot te verplaatsen in de richting van het parkeerterrein en de ontstane inham te gebruiken ten behoeve van de aanleg van schepen. Onderstaand in figuur 1.3 is het inrichtingsplan voor de passantenhaven bij het station Sassenheim te zien. In de kleur grijs zijn de uit te graven gronden voor de aanleg van de passantenhaven aangegeven. Tevens is in grijs de geplande toegangsweg naar de haven aangeduid. Gearceerd zijn de kades voor het aanmeren van de schepen aangegeven.
Figuur 1.3 Inrichtingsplan passantenhaven station Sassenheim.
De geplande passantenhaven wordt aangelegd in de Zandsloot. Deze watergang is gelegen nabij het NS station van Sassenheim. NS station Sassenheim is gelegen aan het spoor tussen Leiden Centraal en Schiphol. Sinds de opening van het station is het station een populaire opstapplaats voor reizigers uit de Duin- en Bollenstreek. Het station heeft een parkeervoorziening van, na de uitbreiding, circa 520 parkeerplaatsen. De passantenhaven wordt gesitueerd direct naast het parkeerterrein behorende bij het station.
Door de ligging nabij het station is vanaf de passantenhaven het centrum van Sassenheim goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Ook kunnen met het openbaar vervoer en via de snelweg A44 makkelijk verbindingen met andere bestemmingen gelegd worden.
Figuur 2.1 Beeld van de omgeving ter plaatse van het plangebied.
Daarnaast biedt de aanleg van de passantenhaven meer mogelijkheden voor aansluiting op het vaarroutennetwerk in en rondom Sassenheim, de gemeente en natuurlijk het plassengebied.
Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Teylingen juist ten zuiden van het centrum van Sassenheim en ten westen van het NS station. Het NS-station is gelegen tussen de snelweg A44 en het spoor. Ten noordwesten van het station ligt het bedrijventerrein 'Jagtlust'. Naast grootschalige vormen van detailhandel (bouwmarkt) is hier ook een fitnesscentrum gesitueerd. Het bedrijventerrein kan per auto bereikt worden via het Stationsplein, de Klinkenberg en de Warmonderweg. Tevens bevindt zich een oprit aan de Klinkenberg naar de A44.
Vanaf NS-station Sassenheim kan langzaam verkeer gebruik maken van de fietstunnel onder het spoor
via de Wasbeekerlaan richting het bedrijventerrein en het centrum van Sassenheim. Ten zuiden van het
station ligt het buitengebied van Sassenheim.
De omgeving van het projectgebied bestaat aan de noordkant voornamelijk uit bedrijfspanden en aan
de zuidkant uit open landelijk gebied met al dan niet agrarische bebouwing.
Voor de aanleg van de passantenhaven wordt een deel van de waterkering verplaatst in de richting van het station. De uitgegraven ruimte wordt benut voor de passantenhaven. De aanleg van een beloopbare aanlegsteiger behoort eveneens tot het plan.
Met de aanleg van de haven worden diverse recreatieve- en toeristische speerpunten verweven. Er vindt een verbetering van de mogelijkheden voor vaarrecreatie, verblijfstoerisme en dagrecreatie plaats. Door de ligging nabij het NS parkeerterrein kunnen ook gemakkelijk andere verbindingen worden gemaakt.
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke aangelegenheden.
In dit hoofdstuk is uiteengezet of het plan in strijd is met het ruimtelijk beleid.
De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Gelet op het schaalniveau waarop deze visie zich uitspreekt, zijn van bovenstaande hoofddoelen met name de twee laatste relevant voor dit bestemmingsplan, waarmee bereikbaarheid en behoud van een leefbare en veilige omgeving en van natuurlijke en cultuurhistorische waarden wordt nagestreefd.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het plangebied zijn er geen concrete bepalingen uit het Barro aan de orde.
De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is vastgesteld op 9 juli 2014. Hierin staan de ambities, afwegingskaders en regels aangegeven voor het gewenste ruimtelijk beleid in Zuid-Holland tot 2030. De provincie hanteert daarin een andere sturingsfilosofie en ander instrumentarium dan in de voorheen geldende Provinciale Structuurvisie (PSV). De VRM gaat nu vooral uit van het bereiken van doelen in samenspraak met initiatiefnemers zoals gemeenten, burgers en organisaties. De rol van de provincie is daarbij faciliterend en stimulerend. Gemeenten krijgen meer vrijheid om (in regionale samenwerking en binnen bepaalde provinciale kaders) met nieuwe initiatieven te komen en zelf zaken te regelen die zij nodig vinden.
De rode draad van de VRM is:
De ambitie van beter benutten en opwaarderen geldt niet alleen voor stedelijke functies maar ook voor het landelijk gebied. De toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde van de groene ruimte kunnen worden verhoogd.
De aantrekkingskracht van de stedelijke agglomeratie wordt niet alleen bepaald door schaal- en clustervoordelen. Een groene dooradering van de steden en een aantrekkelijke groene ruimte buiten de steden zijn voorwaarden voor een duurzaam woon- en leefklimaat en een wervend vestigingsklimaat binnen het stedelijk gebied.
De provincie beschikt over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont en in een geactualiseerde vorm onderdeel is van de Visie ruimte en mobiliteit. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking in richtpunten aan de basis van de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, die een handreiking vormen voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.
Hernieuwbare energie zal een steeds groter aandeel innemen in de energievoorziening. De waterhuishouding stelt nieuwe eisen als gevolg van de klimaatverandering. Aan de noodzakelijke transitie naar een energie- en waterefficiënte samenleving zijn maatschappelijke en economische kansen verbonden, voor Zuid-Holland in het bijzonder.
In samenhang met de structuurvisie, is ook de Verordening Ruimte vastgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen.
De regels in de verordening hebben betrekking op regels voor bebouwde ruimte en mobiliteit (paragraaf 2.1), regels voor ruimtelijke kwaliteit (paragraaf 2.2), regels voor landschap, groen en cultuurhistorie (paragraaf 2.3) en regels voor energie, water en bodem (paragraaf 2.4).
De volgende bepalingen zijn relevant voor het bestemmingsplan:
| Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende doelstellingen van belang (ontleend aan de Verordening Ruimte van de provincie) | |
| Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen | |
| Bescherming netwerk recreatieve vaarwegen |
Voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit past de ontwikkeling binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied. Zie ook 3.3.3 Gebiedsprofiel Hollandse Plassen.
Ten aanzien van de bescherming van recreatieve vaarwegen zegt de verordening onder meer het volgende: "De provincie streeft naar handhaving van de hoofdstructuur van de recreatieve vaarwegen. Ruimtelijke ingrepen op en langs deze vaarwegen zijn toegestaan voor zover deze geen afbreuk doen aan de huidige recreatieve bevaarbaarheid". Van de gemeenten wordt verwacht dat zij de recreatieve bevaarbaarheid van het netwerk ruimtelijk borgen in het bestemmingsplan, door alleen bestemmingen op te nemen die geen afbreuk doen aan de recreatieve bevaarbaarheid. Met dit bestemmingsplan wordt gehandeld binnen het vorenstaande.
Binnen de provinciale verordening is een belangrijke rol weggelegd voor het sturen op kwaliteit. In dat kader kent de provincie Zuid-Holland zogenoemde Gebiedsprofielen. In het plangebied is het gebiedsprofiel voor de Hollandse Plassen van toepassing. Het gebiedsprofiel is een verzameling en analyse van aspecten van ruimtelijke kwaliteit en biedt een handleiding om bij ontwikkelingen kwaliteiten te behouden of te versterken.
De ambitie is dat elk project en elke ruimtelijke ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Ontwikkelingen zijn daarmee een kans voor het realiseren van kwaliteit. Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en de beeldkwaliteitsplannen van lokale overheden in en is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Voor lokale overheden en initiatiefnemers dient het gebiedsprofiel als bron van inspiratie en biedt het handvatten om nieuwe ontwikkelingen met kwaliteit te initiëren. Voor de provincie dient het gebiedsprofiel als handleiding om de kwaliteit van plannen/ontwikkelingen aan de voorkant van planprocessen te stimuleren. Het gebiedsprofiel vormt de basis voor de ontwerpopgave, elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.
Onderstaand is het gehele gebied waarvoor het Gebiedsprofiel Hollandse Plassen geldt opgenomen.
Figuur 3.1 Plangebied gebiedsprofiel Hollandse plassen.
Het gebiedsprofiel omschrijft de veenweidepolders als een uniek en karakteristiek Nederlands landschappen. De veenweide-gebieden in het Hollands Plassengebied zijn over het algemeen gaaf, waardoor de ontstaansgeschiedenis goed af te lezen is.
Het landschap wordt bepaald door de smalle of grillige kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland. Het gebied is slecht toegankelijk voor de auto, maar juist goed te bereiken over water. Het is dan ook een populair (water)recreatie landschap. De veenweidegebieden kennen weliswaar een overeenkomst in ondergrond en waterhuishouding, maar er is sprake van grote verschillen in verschijningsvorm. De ambities van het gebiedsprofiel luiden als volgt:
Algemene ambities
Bestudering van de kaart leert, dat het plangebied buiten de begrenzing van het gebiedsprofiel valt.
In de Regionale Structuurvisie zijn de ambities en keuzes van Holland Rijnland uitgewerkt in zeven kernbeslissingen die samen van groot belang zijn voor de toekomst van het gebied. Uitgangspunten hierbij zijn een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie en infrastructuur en een intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:
Leiden, Teylingen, Katwijk, Oegstgeest, Leiderdorp, Kaag en Braassem, Zoeterwoude en de federatie van agrarische natuurverenigingen De Groene Klaver werken samen op het gebied van groen en recreatie.
De gemeenten werken samen aan het behoud en toegankelijk maken van het landschap in de Leidse regio. Ook komen er aantrekkelijke (fiets- en wandel)verbindingen tussen en via het Singelpark van Leiden en de vier omringende oer-Hollandse landschappen (Duin- en Bollenstreek, Duin, Horst en Weide, Hollands Plassengebied en Wijk en Wouden).
Er wordt gewerkt vanuit één visie en samenhangend programma die stad en land duurzaam met elkaar verbinden. Vanuit een wederkerig belang gaan stad en land weer meer voorzien in elkaars behoeften.
Ingezet wordt op:
Het project voor de passantenhaven maakt onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma van deze samenwerking.
Het doel van de structuurvisie is om een samenhangend ontwikkelingskader te bieden voor gewenste
ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen tot 2030 vanuit een duidelijke stip op de horizon: 'Teylingen
gaat bloeien'.
De structuurvisie kent een vijftal leidende principes:
1. Teylingen kiest voor een duurzame ontwikkeling van de gemeente;
2. Teylingen versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de drie kernen en het buitengebied;
3. Teylingen verbetert de sociaal-economische vitaliteit in de drie kernen en het buitengebied;
4. Teylingen zet zich in voor een vitale Greenport Duin- en Bollenstreek;
5. onze ambities en keuzes stemmen wij steeds zo goed mogelijk af in regionaal verband, zodat het
beleid elkaar versterkt.
Het gemeentelijke mobiliteitsbeleid is gericht op een goede positie van het openbaar vervoer. Met de
aanwezigheid van de NS-stations Voorhout en Sassenheim is Teylingen goed aangesloten op het
landelijke spoorwegennet. De opening van het station Sassenheim is een groot succes gebleken.
Aandachtspunt is het blijven voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor auto's en
stallingsmogelijkheden voor fietsen. De trend is dan ook dat inwoners belang hechten aan snelheid,
betrouwbaarheid en comfort van ov om concurrerend te blijven met de auto. Dit houdt in: snelle,
frequente en betrouwbare verbindingen, weinig overstappen, goede aanvullende voorzieningen zoals
fietsenstallingen en parkeerplaatsen. De gemeente Teylingen streeft naar een verdubbeling van het ov-
gebruik, tot minimaal 8% van alle verplaatsingen. Daarbij is een hoger aandeel van de ketenmobiliteit in de verplaatsingen door het stimuleren van een combinatie van auto en openbaar vervoer van belang. Daarbij hoort ook de realisering van voldoende parkeer- en stallingsmogelijkheden. In de hoofdlijnen van beleid is opgenomen dat bij de stations Voorhout en Sassenheim voldoende parkeermogelijkheden moeten zijn, waardoor adequaat inspringen op eventuele toenemende vraag is vereist.
Eén van de speerpunten uit de Visie op recreatie en toerisme Teylingen (2016-2020) is verbetering van de dagrecreatieve mogelijkheden en de bereikbaarheid van recreatieve voorzieningen en trekpleisters. Een ander beleidsmatig uitgangspunt is de verbetering en versterking van het toeristisch product op het gebied van watersport en (kortdurend) verblijf in Teylingen. Deze beleidsuitgangspunten borduren voort op al eerder door de gemeente uitgesproken ambities.
Vanuit deze ambities wordt actief ingezet op de uitbreiding van wandel-, fiets- en vaarroutenetwerken en op uitbreiding van toeristische knoop- en overstappunten met mogelijkheden voor aansluiting op het vaarroutennetwerk. Hieruit volgt het concrete voornemen voor de aanleg van een passantenhaven nabij het station Sassenheim.
De diverse ambities worden zoveel mogelijk met samenwerkende partijen en in regionaal verband uitgevoerd. De aanleg van de passantenhaven nabij het station Sassenheim is opgenomen in een uitvoeringsprogramma.
Op een visiekaart, waarvan hieronder een fragment, zijn de diverse voornemens voor de uitbreiding van recreatieve netwerken weergegeven.
Figuur 3.2 Uitsnede visiekaart Recreatieve Netwerken Teylingen (concept 28-09-2016).
Ruimtelijk beleid vindt zijn uitwerking in bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan is naast een beleidsdocument tevens een toetsingskader voor aanvragen voor omgevingsvergunning. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Teylingen", vastgesteld door de gemeenteraad op 30 april 2015. Direct naast de geplande passantenhaven ligt de parkeervoorziening voor het NS station Sassenheim. Voor het parkeerdek is een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing afgegeven. De ruimtelijke onderbouwing is vastgesteld op 29 mei 2017.
In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten behandeld. Hiervoor is per aspect onderzoek verricht. Ook wordt verwezen naar een quickscan van de Omgevingsdienst West-Holland naar de diverse omgevingsaspecten in bijlage 1, en de aanvulling daarop in bijlage 2. Voor het onderdeel Ecologie is specifiek onderzoek gedaan, te vinden in Bijlage 3, en 8. De adviezen van de Omgevingsdienst West-Holland zijn te vinden in Bijlage 5 Advies omgevingsdienst en Bijlage 6 Advies omgevingsdienst ecologie.
Inleiding
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming
(hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en
plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in
de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of
krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit
bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een
passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van
het bestemmingsplan.
Huidige situatie
In de huidige situatie betreft het plangebied een ruigtestrook aan twee zijden begrensd door water. De
oevers van het gebied zijn beschoeid. Het projectgebied wordt aan de zuidkant begrensd door een watergang met daaraan grenzend de parkeergarage bij het NS station. Aan de noordkant met de Zandsloot. Verder wordt grenst het plangebied aan een spoorlijn, een snelweg en een aantal weilanden.
Toekomstige situatie
Er is het voornemen om ter plaatse gronden geheel af te graven en aan de zijde van de Zandsloot een passantenhaven aan te leggen ten behoeve van maximaal 14 ligplaatsen. De haven zal gerealiseerd worden door gehele verwijdering van de ruigtestrook en de realisatie van aanlegvlonders en een toegangspad. Het toegangspad en de aanlegvlonders zullen worden verlicht.
Normstelling en beleid
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en
plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke
regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming.
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
a. Natuurnetwerk Nederland (NNN);
b. Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000
NNN
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de
provinciale verordening (Verordening Ruimte 2014 provincie Zuid-Holland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Natura 2000-gebieden.
De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante
gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een
passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de
natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan
het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van
sociale of economische aard; en
3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele
samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden
plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep
op soorten en habitats.
Naast de wetgeving bestaat er ook provinciaal ecologisch beleid waarmee bepaalde gebieden en landschapselementen worden beschermd, zoals gebieden uit de strategische reservering natuur en het weidevogelgebied. Deze zijn ook, naast het NNN vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en
c. de bescherming van overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of
beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen
Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan
moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien
direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten,
genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te
verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en
vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de
bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze
verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De
noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Onderzoek
Het plangebied ligt op ongeveer 6 km afstand van het dichtst bijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Kennemerland-zuid. Op grond van deze afstand zijn significante negatieve effecten op de
instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied uit te sluiten.
De afstand van het plangebied tot het Natuurnetwerk Nederland bedraagt 900 m. De afstand tot het weidevogelgebied bedraagt 100 m. Het plangebied is niet gelegen in de strategische reservering natuur. Ook liggen geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het initiatief.
Voor de ontwikkeling van de passantenhaven is specifiek ecologisch soortenonderzoek gedaan. De rapportage is als Bijlage 2 en Bijlage 3 en Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. De conclusies van het onderzoek zijn als volgt.
Beschermde plantensoorten zijn niet te verwachten.
Het voorkomen van en effecten op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Er
zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze
algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. In verband met het
voorkomen van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen
of/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op
deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden
overtreden.
Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze
er blijven vliegen en foerageren als er geen verlichting wordt toegepast in de periode maart t/m oktober, in zowel de aanleg als de gebruiksfase. Als geen verlichting wordt toegepast dan worden effecten op beschermde planten- en diersoorten zonder meer uitgesloten; de plannen van de passantenhaven te Sassenheim zijn dan niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
Het ligt in de bedoeling om bij de passantenhaven permanente verlichting toe te passen.
In november 2018 is de 'Notitie verlichting en vleermuizen Passantenhaven te Sassenheim' opgesteld. Deze is bijgevoegd in bijlage 8. De lichtberekeningen zijn te vinden in bijlage 9. De conclusie van deze notitie en de berekeningen is de volgende.
Omdat verlichting wordt geplaatst, is ervoor gekozen een verlichtingsplan op te stellen en geen nadere inventarisatie uit te voeren. Dit verlichtingsplan is getoetst door een ecologisch deskundige op het effect van de verlichting op de functie van het gebied voor vleermuizen. Uit deze toets blijkt dat als de verlichting wordt gerealiseerd volgens 'buitendecor 2' (figuur 4.1) en onderstaande maatregelen worden uitgevoerd, er geen negatieve effecten zijn op de potentiële functie van de Zandsloot voor vleermuizen.
Figuur 4.1 Verlichtingsplan.
De voorgestelde maatregelen zijn:
Figuur 4.2 Verlichtingsplan en mitigerende maatregelen.
Overige zoogdieren
Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van internationaal beschermde overige zoogdieren uitgesloten. Doordat de oever beschoeid is en de ruigte strook geen moesvegetaties bezit, is het plangebied ook geen leefgebied voor nationaal overige beschermde zoogdieren zoals de waterspitsmuis. Negatieve effecten op nationaal overige beschermde zoogdieren worden derhalve uitgesloten.
Mogelijk komen in het plangebied, bijvoorbeeld bosmuis, veldmuis en huis- en bosspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland.
Amfibieën
Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Doordat het gebied begroeid is en de oevers beschoeid zijn, is het plangebied ongeschikt voor bijvoorbeeld heikikker en rugstreeppad. Mogelijk komen in het plangebied wel gewone pad, grote groene kikker en bruine kikker voor. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland.
Vissen
Met de realisatie van de plannen worden wateren beïnvloed. Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zijn bijvoorbeeld kleine modderkruiper en bittervoorn niet meer beschermd. Voor de nog wel beschermde grote modderkruiper zijn de sloten geen leefgebied doordat geschikte ecotopen ontbreken (beschoeide oevers en wateren zonder oever en watervegetatie) en in de omgeving van Sassenheim komt de grote modderkruiper niet voor.
Reptielen
Gezien de huidige aanwezige ecotopen van het plangebied ten opzichte van de verspreiding van reptielen, kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten.
Overige
Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a.
diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.
Conclusie gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen.
Conclusie soortenbescherming
Op grond van bovenstaande gegevens in combinatie met de locatie en aanwezige biotopen, heeft het plangebied en de directe omgeving daarvan geen essentiële functie voor beschermde soorten behalve mogelijk voor vleermuizen.
Gezien de mogelijke functie van het gebied voor vleermuizen is het opgestelde verlichtingsplan getoetst door een ecologisch deskundige. Uit de toets blijkt dat indien de verlichting volgens het gekozen 'buitendecor 2' wordt gerealiseerd en de voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd er geen negatieve effecten op de functie van het gebied voor vleermuizen. Er vindt dan geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaats en is er geen ontheffing nodig.
Op grond van de zorgplicht dienen altijd de onderstaande maatregelen te worden uitgevoerd. In de omgevingsvergunning wordt geborgd dat deze maatregelen worden getroffen.
• De werkzaamheden dienen buiten de broedperiode gestart te worden of er wordt voor gezorgd dat er geen vogels in het gebied gaan broeden. Globaal moet voor de broedperiode rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en half augustus. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode. Indien binnen de broedperiode gestart wordt met verstorende activiteiten, moet aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn;
• Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;
• Werkzaamheden aan de watergangen worden bij voorkeur uitgevoerd buiten de gevoelige perioden van vissen, namelijk de voortplanting en in mindere mate de overwintering. Er wordt daarom niet gewerkt in de periode maart t/m juli. De werkzaamheden worden zo veel mogelijk uitgevoerd van augustus tot en met oktober;
• Vlak voorafgaand aan de werkzaamheden aan de watergangen, dient roering in het water gecreëerd te worden zodat vissen en andere dieren vroegtijdig het werkgebied kunnen verlaten.
• Met betrekking tot soortenbescherming zijn er geen belemmeringen indien bovengenoemde maatregelen worden uitgevoerd en indien uit het verlichtingsplan blijkt dat geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt.
Beleid en normstelling
Rijksbeleid
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta
(ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel te
behouden . De wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten:
1. het streven naar behoud in situ van archeologische waarden;
2. het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen
van harde juridische eisen in bestemmingsplannen;
3. de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als
behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Teylingen kent sinds 2015 nieuw archeologiebeleid in de vorm van het beleidsdocument 'Onder de grond 2015'. Dit beleid is opgesteld in samenwerking met de andere gemeenten in de Duin- en Bollenstreek en in samenwerking met het erkende archeologisch onderzoeksbureau RAAP uit Leiden.
Het onderzoek van RAAP en de gegevens over archeologie in de Duin- en Bollenstreek hebben als uitgangspunt gediend voor deze nota.
Onderzoek
Er is onderzoek gedaan naar archeologie.
Conclusie
In dit gebied is al eerder archeologisch onderzoek gedaan, zo blijkt uit de archeologische beleidskaart (blauwe stippellijn en onderzoeksnummer 28587).
Figuur 4.3 Fragment archeologische beleidskaart.
Op basis van het onderzoek heeft men indertijd geadviseerd om geen nader archeologisch onderzoek op deze locatie uit te voeren. Dit is echter indertijd niet doorvertaald in een vrijstelling op de waardenkaart. Dit is voor een deel van het onderzochte gebied wel gebeurd, maar de hoek waar de haven moet worden gegraven heeft een archeologische waarde gehouden. Deze kan er op basis van het archeologisch rapport afgehaald worden. Dit houdt ook in, dat het gebied in dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming voor archeologische waarden behoeft.
Waterbeheer
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het waterschap en de gemeente hebben in het kader van de watertoets al diverse malen overleg gehad over deze ontwikkeling. Het waterschap heeft in een memo een beoordeling van de waterhuishouding gegeven en aandachtspunten voor de ontwikkeling opgesteld. In de Bijlage is de Memo waterschap opgenomen. Dit advies is verwerkt in deze paragraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Europa:
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Nationaal:
Nationaal Waterplan (NW)
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
Waterwet
Provinciaal
Waterschapsbeleid
Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
Keur en uitvoeringsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak.
Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels)
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied bevindt zich tussen de Zandsloot en het parkeergarage station Sassenheim. Het plangebied bestaat uit grasland en water.
Bodem en grondwater
Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Sassenheim ligt is het plangebied niet gekarteerd in de Bodemkaart van Nederland. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem in de direct omgeving uit kalkhoudende enkeerdgronden (matig fijn zand). In de directe omgeving is sprake van grondwatertrap IIb. Dat wil zeggen dat de hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,25 - 0,40 meter beneden maaiveld. De laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,50 - 0,80 meter beneden het maaiveld.
Waterkwantiteit
In het plangebied bevindt zich open water met een breedte van 32.7 meter en een lengte van circa 76 meter. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de primaire watergang 'Voorboezem Warmonderdam en Alkemaderpolder'. Ten westen ligt de primaire watergang Zandsloot.
Ten westen van het plangebied bevindt zich een parkeerterrein met aan weerszijde sloten dat als polderwater geclassificeerd is waarvan de noordelijke watergang aansluit op het open water in het plangebied. Voor de watergangen geldt een beschermingszone zoals weergegeven in figuur 4.1. Voor primaire watergangen geldt een beschermingszone van 5 meter en voor de overige watergangen geldt een beschermingszone van 2 meter. Binnen de beschermingszones gelden voorschriften en beperkingen.
Figuur 4.4 Watergangen en beschermingszones in en rond het plangebied (rode cirkel) Bron: legger waterschap Rijnland.
Veiligheid en waterkeringen
Aan weerszijde van de watergang 'Zandsloot' staan de regionale boezemkeringen 'Warmonderdam- en Alkemaderpolder' en 'Floris Schouten Vrouwenpolder'. De waterkering 'Warmonderdam- en Alkemaderpolder' staat in het plangebied. Aan weerszijde van de primaire watergang ten zuiden van het plangebied liggen regionale boezemkeringen.
Figuur 4.2 geeft een overzicht van de waterkeringen en hun beschermingszones ten opzichte van het plangebied. Zoals weergegeven bevindt het plangebied zich in de beschermingszones van de eerder benoemde regionale boezemkeringen.
Figuur 4.5 Beschermingszones regionale waterkeringen. Rode cirkel is plangebied. Bron: Hoogheemraadschap Rijnland
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is niet aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
In het plangebied zal de waterkering terug worden gelegd (naar het westen verschoven). Zo wordt een stuk polderwater vervangen door boezemwater. Aan de nieuw gelegde waterkering bij het boezemwater komt een passantenhaven zoals in figuur 1.3 aangegeven is. Het parkeerdek zal op de boezem gaan lozen, door middel van een leiding over de (nieuwe) kering heen.
Waterkwantiteit
Bij de aanleg van het parkeerterrein Sassenheim is open water gegraven ter compensatie van de verhardingstoename. Een deel van dit wateroppervlak wordt van de polder afgenomen en aan de boezem toegevoegd. Dit geeft verder geen toe- of afname in verharding.
Hemelwater
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Door de ontwikkeling wordt polderwater weggehaald en toegevoegd aan het boezemwater. Om toch hydrologisch neutraal te ontwikkelen, wordt de afwatering van het hemelwater dat op het parkeerdek valt, direct op de boezem geloosd. De hemelwaterafvoer loost onder vrij verval op de boezem, waarbij het water in een (vorstvrije) leiding (de hobbel van) de kering passeert. Op deze manier wordt geen ‘gat’ in de kering gemaakt, wat vanuit veiligheidsoverwegingen ongewenst is. Om stilstaand water in de afvoerleiding aan de polderkant van de kering te voorkomen, wordt na een bui met behulp van een pompje (ca. 0,5 m3/min) het resterende water weggepompt richting de boezem. Het principe is geschetst in figuur 4.3 waarvan voor dit plan fase 2 geldt.
Figuur 4.6 Situatieschets hemelwaterafvoer. Fase 2 is de huidige planfase. Bron Memo waterschap.
De afwateringscapaciteit richting de boezem is getoetst met een T-100 bui, waarbij binnen 2 uur 55 mm aan neerslag valt (KNMI-studie neerslagstatistiek, 2015). Aan deze capaciteit wordt ruimschoots (factor 2) voldaan, met de geplande dimensionering. Er geld wel een jaarlijkse controle op het functioneren van de afvoer tijdens neerslag. Waarbij er gecontroleerd wordt of het hemelwater daadwerkelijk over de kering stroomt of dat er een lekkage is in de leidingen.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De waterkering 'Warmonderdam- en Alkemaderpolder' wordt in het plangebied gewijzigd. Ook valt het plangebied binnen de beschermingszone van andere delen van de waterkering 'Warmonderdam- en Alkemaderpolder' en waterkering 'Floris Schouten Vrouwenpolder'. In deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Hiervoor wordt aan de volgende uitgangspunten voor de aanleg van een kering gehouden
De kering:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, geplant of opgeslagen. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Wel dient rekening te worden gehouden met de aandachtspunten van het waterschap vermeld in de Memo waterschap. Vanwege de aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur.
Gelet op de aard van de ontwikkeling - een passantenhaven waarbij gebruikers van de aanlegplaatsen al per boot aankomen - en daarbij genomen het feit dat deze haven is gelegen nabij het parkeerterrein van station Sassenheim, wordt ervan uitgegaan dat deze ontwikkeling geen specifieke verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte genereert.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en de nieuwe ontwikkeling in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
Volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) valt een passantenhaven onder milieucategorie 3.1. De richtafstand is 50 meter tot een rustige woonwijk en 30 meter in een gemengd gebied. Binnen deze genoemde afstanden zijn geen woningen gelegen. Ook zijn er geen bedrijven in de omgeving die worden belemmerd door het plan.
Conclusie
De haven kan wel effect hebben op de omgeving. Echter de afstand tot omliggende woningen is voldoende groot, waardoor de passantenhaven geen effect heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en worden bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering.
Er is voor de aanleg van de passantenhaven voor 14 ligplaatsen een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer nodig.
Er zijn geen belemmeringen voor het initiatief.
De passantenhaven is geen geluidgevoelig object. In de directe omgeving zijn geen woningen of andere geluidgevoelige objecten gelegen. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de aanleg van de passantenhaven.
Beleid en normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden
gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden
bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er
sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de
desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig
dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht
saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek
Er is onderzoek gedaan naar de bodem. De conclusie van het onderzoek is als volgt: van de betreffende locatie zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend. Er zijn geen potentieel bodembedreigende activiteiten (asbest of andere verontreiniging) van deze locatie bekend in de grond en het grondwater. Het is daardoor niet waarschijnlijk, dat de ontgravingen voor de haven tevens een sanering inhouden. Voor de ontwikkelplannen is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Wel dient rekening te worden gehouden met het volgende: indien grond wordt aan- of afgevoerd, moet dit plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit. In het onderhavige geval vinden er graafwerkzaamheden plaats en zal er grond worden afgevoerd. Om de grond elders te kunnen toepassen of hergebruiken is een grondkeuringsonderzoek nodig.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven.
Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | ||
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ | |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 14 ligplaatsen en is daarmee dusdanig gering dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de A44 ruimschoots onder de grenswaarden lagen (Figuur 4.5). Hieruit kan geconcludeerd worden dat ter plaatste van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.7 Luchtkwaliteit 2016. Rode cirkel is plangebied. Bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Normstelling en beleid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR, wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Onderzoek
Het onderhavige plan betreft geen ontwikkeling waarbij gedurende langere tijd mensen op de locatie zullen verblijven. Behalve de passantenhaven zelf zullen geen andere voorzieningen gerealiseerd worden.
Op een afstand van circa 250 meter van het plangebied bevindt zich een opslag van chloorbleek en een opslag van zwavelzuur. Het plangebied valt buiten het effectsgebied van deze risicovolle inrichtingen en vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 600 meter van Wesseling Transport B.V. Hiervoor geldt een PR 10-6 contour van 20 meter waar het plangebied buiten valt. Het plangebied valt binnen het effectsgebied van 1000 meter.
Op een afstand van circa 35 meter van het plangebied bevindt zich het midden van de A44 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit valt binnen het GR plafond van deze weg.
Ook is er een spoor nabij het plangebied gelegen. Over dit spoor worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd.
Daarnaast vindt in de directe omgeving ook geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door leidingen of over het water.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een passantenhaven. Een haven zonder woonschepen is geen (beperkt) kwetsbaar object zoals aangegeven in artikel 1 lid b en l van het Bevt. Er hoeft daarom geen toetsing plaats te vinden van de invloed van risicobronnen in de omgeving op de passantenhaven.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Onderzoek
De passantenhaven is een activiteit genoemd in het Besluit m.e.r. onder D10 'jachthaven'. De drempelwaarde is 100 ligplaatsen. Het voorgenomen plan ligt hier ruimschoots onder. Onder 'jachthaven' wordt ook een passantenhaven verstaan. Nu onder de betreffende drempelwaarde wordt gebleven is er sprake van een vormvrije m.e.r. beoordeling.
In dit hoofdstuk is ten aanzien van de diverse milieuaspecten het plan voor de aanleg van de passantenhaven beoordeeld. Er zijn geen negatieve milieugevolgen aan de orde. Mochten uit nader onderzoek over het gebruik van lichtmasten mitigerende maatregelen blijken nodig te zijn, dan zullen deze worden getroffen.
Conclusie
Gelet op de aard en relatief kleine omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er hiermee geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die het opstellen van een milieueffectrapportage rechtvaardigen.
Voor het buitengebied van de gemeente Teylingen geldt sinds een aantal jaren het bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen'. Dat plan is op 30 april 2015 vastgesteld en beslaat het gehele buitengebied van de gemeente. Het plan is destijds op consoliderende wijze vastgesteld, wat wil zeggen dat in hoofdzaak de bestaande rechten en mogelijkheden zijn vastgelegd.
Het bestemmingsplan voor het buitengebied van Teylingen wordt momenteel voor de eerste maal herzien. De herziening heeft betrekking op een aantal thema's en op een aantal locatiegebonden onderdelen. De algemene gemeentelijke visie op het buitengebied ondergaat geen wijziging. Het oorspronkelijke bestemmingsplan Buitengebied Teylingen blijft daarom het voornaamste uitgangspunt. De herziening moet daar bij wijze van spreken overheen gelezen worden.
Met de regels van dit bestemmingsplan voor de passantenhaven is voor de betreffende onderdelen aangesloten bij het voorstel voor de herziene regeling en de wijze waarop de overige passantenhavens in de gemeente bestemd zijn. Het bestemmingsplan is opgesteld overeenkomstig het Handboek Bestemmingsplannen van de gemeente.
Hieronder een beknopte juridische toelichting op de regels van dit postzegelbestemmingsplan voor de aanleg van een passantenhaven.
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel worden de relevante begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In dit artikel is tevens een omschrijving van het begrip passantenhaven opgenomen. Ook het begrip pleziervaartuig is in dit artikel van een definitie voorzien.
Artikel 2 Wijze van meten
Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere relevante maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Bestemmingsregels
Artikel 3 Water
Dit bestemmingsplan kent als hoofdbestemming de bestemming " Water". De in de gemeentelijke gebruikelijke bestemmingsomschrijving en bouwregeling is opgenomen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'passantenhaven' tevens een passantenhaven toegestaan is. Naast deze hoofdbestemming geldt de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering".
Artikel 4 Waterstaat - Waterkering
Deze bestemming is toegekend aan de waterkeringen in het plangebied. Deze gronden hebben een waterkerende functie of zijn van invloed op de waterkering. Er is sprake van samenvallende bestemmingen, waarbij de met 'Waterstaat - Waterkering' samenvallende bestemmingen ondergeschikt zijn. Dit uitgangspunt is vertaald in de betreffende bouwregels. Langs de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn beschermingszones aanwezig waarop de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing is. Voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' en in de beschermingszones is een omgevingsvergunning vereist.
Algemene regels
In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor meerdere of alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.
Artikel 5 Antidubbeltelregel
De antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
Artikel 6 Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een algemene regeling voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn. Voorts wordt in het tweede lid van dit artikel bepaald dat - indien de maten van gebouwen en bouwwerken zoals aanwezig op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld meer bedragen dan in de bestemmingsregels bepaald - de aanwezige maatvoering als maximum mag worden behouden. Op deze wijze beoogt de gemeente alle legaal gebouwde bouwwerken positief te bestemmen.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
Lid 1 van dit artikel gaat in op gebruik ten aanzien van evenementen. Lid 2 regelt de gebruiksvoorschriften ten aanzien van parkeren en laden en lossen.
Artikel 8 Algemene wijzigingsregels
In dit bestemmingsplan is opgenomen dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen (maximaal 3 m) en ten behoeve van de aanleg van nieuwe natuur. De wijzigingsbevoegdheid voorziet in de kaders die bij het omzetten van deze gronden in acht moeten worden genomen.
Artikel 9 Overige regels
Het eerste lid heeft betrekking op de werking van wettelijke regelingen. Indien in het bestemmingsplan wordt verwezen naar bepaalde wettelijke regelingen, wordt met dit artikel de peildatum van deze wetten geregeld bij de toepassing van het bestemmingsplan.
Het tweede lid verwijst naar het geldende gemeentelijk parkeerbeleid en bepaalt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of voor een afwijking van het gebruik indien relevant aangetoond dient ter worden dat er voldoende ruimte is voor parkeerruimte en laden en lossen.
Overgangs- en slotregels
In het afsluitende onderdeel van de regels komen in respectievelijk artikel 10 en 11 de overgangsregels en slotregel aan de orde.
De ontwikkeling is een onderdeel van het gemeentelijk recreatiebeleid voor de uitvoering waarvan financiële middelen beschikbaar zijn gesteld.
De uitvoering wordt gedaan door de gemeente. De gemeente heeft hier een uitvoeringsbudget voor.
Het bestemmingsplan is onderdeel van inspraak met de inwoners en overleg met diverse instanties, zoals de provincie en het waterschap. Inspraak- en overlegreacties worden meegenomen in het verdere proces van het bestemmingsplan.
Na inspraak en overleg volgt de wettelijke procedure voor de totstandkoming van een bestemmingsplan.
Het voorontwerp van het bestemmingsplan is op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Binnen de periode waarbinnen kon worden gereageerd is 1 inspraakreactie en 1 overlegreactie ingediend.
Er is 1 schriftelijke inspraakreactie binnengekomen. De reactie is (geanonimiseerd) bijgevoegd onder bijlage 7. Samengevat houdt de reactie het volgende in: inspreker geeft aan dat door de passantenhaven het aantal vaarbewegingen toeneemt wat ten koste gaat van de beschoeiing. Inspreker verhuurt zelf ook ligplaatsen aan booteigenaren en wordt door het Hoogheemraadschap aangeschreven om de beschoeiing te herstellen. Het voorstel van inspreker is dat de gemeente zelf in overleg met het Hoogheemraadschap een beschoeiing plaatst en deze onderhoudt.
De reactie van de gemeente op de inspraakreactie is als volgt:
De gemeente en het Hoogheemraadschap gaan de verantwoordelijkheid voor het beschermen van de oevers niet van inspreker overnemen. Er is namelijk geconstateerd, dat de dijk om de Hemmeerpolder een regionale kering is en dat de eigendommen van inspreker hieraan grenzen. In de 'Legger Oppervlaktewateren', te vinden op de website van het Hoogheemraadschap van Rijnland, is terug te vinden dat het onderhoud van de taluds een verantwoordelijkheid is van de aangeland. Daarnaast staat in de 'Legger Keringen', welke ook te vinden is op de website van het Hoogheemraadschap van Rijnland, dat de kadastrale eigenaar verantwoordelijk is voor het gewoon onderhoud (dagelijks onderhoud).
De vooroverleg reactie betreft een telefonische reactie van de NS. In het gesprek gaf de NS aan vragen te hebben over het gebruik van de grond ten behoeve van de passantenhaven. De gemeente Teylingen heeft de grond in bruikleen en is voornemens een passantenhaven te realiseren op deze grond. NS heeft na beantwoording van de vragen aangegeven akkoord te zijn met de realisatie van de passantenhaven.
De inspraak- en overlegreacties geven geen aanleiding tot wijziging van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan is vervolgens als ontwerp bekendgemaakt en beschikbaar gesteld. Gedurende de zienswijzetermijn zijn geen zienswijzen ingediend. De raad beslist over de vaststelling van het bestemmingsplan.