direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.OP000037-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Pastoor Bluemersplein 5 te Silvolde bevinden zich basisschool De Plakkenberg en BSO Het Speelkwartier. Het gebouw stamt uit 1980 en is gedateerd. Bovendien beperkt het gebouw de onderwijsinstellingen om tot een meer gedifferentieerd onderwijsaanbod te komen. Daarom is in samenspraak met de gemeente Oude IJsselstreek besloten om een nieuw Integraal Kindcentrum (IKC) te realiseren op de locatie. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen door een nieuwe locatie, waarin de basisschool en de kinderopvang worden gevestigd. Binnen het projectgebied worden ook zes nieuwe woningen gerealiseerd.

De ontwikkeling draagt niet alleen bij aan de verbetering van de bebouwing, maar zorgt er ook voor dat de buitenruimte kwalitatief wordt verbeterd. De relatie tussen het IKC en haar omgeving wordt daarmee ook integraler. De nieuwe woningen dragen bij aan het oplossen van het woningtekort in Nederland.

De nieuwbouw en een deel van de herinrichting van de openbare ruimte is op grond van het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' niet geheel mogelijk. Om die reden moet het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' worden gewijzigd. Dit wordt gedaan door middel van dit TAM-omgevingsplan. TAM staat voor 'tijdelijke alternatieve maatregel'. Kort gezegd wordt bij een TAM-omgevingsplan de techniek voor planvorming gebruikt zoals deze onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) gold. Deze maatregel kan tijdelijk gebruikt worden onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Juridisch is echter sprake van een wijziging van het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' onder de Omgevingswet.

1.2 Ligging planlocatie

Het projectgebied ligt in de kern van Silvolde. Het projectgebied ligt aan de Pastoor Bluemersplein. Ten noorden ligt het Almende Collega en rondom het projectgebied bevinden zich verder de bestaande woningen aan de Lichtenbergseweg, Boterweg en het Pastoor Bluemersplein. Het projectgebied behelst de percelen die bekendstaan als kadastrale gemeente Wisch, sectie E, perceelnummers 4220, 5409 en 6045 (deels). De totale oppervlakte van het projectgebied is ongeveer 12.500 m2.

Op de navolgende afbeeldingen is globaal de ligging en begrenzing van het projectgebied met een blauwe markering weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het projectgebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0001.png"

Globale ligging projectgebied

1.3 Huidig planologisch kader

Voor het projectgebied geldt het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek'. Onderdeel van dit omgevingsplan zijn de bruidsschatregels en de bestemmingsplannen. De bruidsschatregels zijn voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn komen te vervallen en in het omgevingsplan van de gemeente zijn opgenomen. Alle (voorheen of op 31 december 2023) geldende bestemmingsplannen zijn per 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel geworden van het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek'. Op 23 mei 2024 zijn enkele wijzigingen in de (technische) opmaak van het omgevingsplan doorgevoerd.

Ter plaatse van het projectgebied zijn nog geen specifieke regelingen opgenomen in het omgevingsplan. Daarom geldt het bestemmingsplan 'Kom Silvolde' dat op 24 april 2008 is vastgesteld door de raad van de gemeente Oude IJsselstreek.

Op grond van het vigerend bestemmingsplan kent het projectgebied de bestemmingen 'Groen', 'Maatschappelijk', 'Verkeer' en 'Wonen'.

De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen en beplanting, en water en voorzieningen voor de waterhuishouding, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, parkeer- en speelvoorzieningen en onbebouwde gronden.

De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeer- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, en onbebouwde gronden. Gebouwen moeten binnen een bouwvlak liggen.

De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bedoeld voor wegen en straten, en wandel- en fietspaden, voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en onbebouwde gronden. Gebouwen zijn niet toegestaan.

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het vigerend bestemmingsplan weergegeven. Het projectgebied is hierop globaal met een oranje lijn aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0002.png"

Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Silvolde'

Op basis van het Omgevingsplan is herontwikkeling van het projectgebied niet geheel toegestaan. De beoogde functies zijn grotendeels wel toegestaan maar niet op de gewenste locatie. Daarnaast worden woningen toegevoegd die niet zijn toegestaan binnen het projectgebied. Hetzelfde geldt voor het bouwen. Er wordt deels buiten het bestaande bouwvlak gebouwd. Ook de bouwwijze is niet overal toegestaan. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend TAM-omgevingsplan in procedure gebracht.

1.4 Participatie voorbereidingsfase

In paragraaf 6.2.2 is opgenomen op welke wijze burgers en maatschappelijke belangenorganisaties bij de voorbereiding van het omgevingsplan zijn betrokken.

1.5 Leeswijzer

Deze motivering is opgebouwd uit zes hoofdstukken. In het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) is de bestaande en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 heeft een overzicht van het ruimtelijke beleid en regelgeving. In Hoofdstuk 4 komt de haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom voorliggend initiatief kan worden uitgevoerd. Een toelichting op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan wordt gegeven in Hoofdstuk 5. Afgesloten wordt met Hoofdstuk 6 waarin de focus op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (de procedure) ligt.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan

2.1 Huidige situatie

Het projectgebied ligt in de kern van Silvolde. Het projectgebied ligt aan de Pastoor Bluemersplein en grenst aan de oostelijke en zuidelijke zijde aan de bestaande woningen behorende bij de Lichtenbergseweg en Boterweg. Het projectgebied kent in de huidige situatie al een bestaand (school)gebouw, waarin ook de kinderopvang en een gymzaal zijn gevestigd. Het gebouw is op de Pastoor Bluemersplein geörienteerd. Aan de zijde van de Boterweg bevindt zich een parkeerplaats, dat door een onverharde speelruimte wordt gescheiden van het hoofdgebouw. Rondom het gebouw bevinden zich meerdere speellocaties met speeltoestellen voor de leerlingen. Ook is er in het noordoosten van het projectgebied een groenstrook, met ook enkele bomenrijen om het projectgebied te scheiden van de bestaande woningen.

De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige bebouwing en inrichting van de openbare ruimte in het projectgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0003.png"

Vogelvluchtweergave huidige situatie projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0004.png"

Straatbeeld vanuit zuidwestelijke hoek projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0005.png"

Straatbeeld vanuit noordwestelijke hoek projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0006.png"

Straatbeeld vanaf zuidelijke parkeerplaats

Het huidige gebouw kent ruime leslokalen en brede gangen, maar de indeling wordt verder wel als hokkerig ervaren met een slecht binnenklimaat: 's zomers te warm en 's winters te koud. De gymzaal bevindt zich los van het gebouw en wordt ook met andere gebruikers gedeeld. Er is behoefte aan een moderner gebouw waar het verblijf aangenamer is.

Daarnaast laat ook de verkeerssituatie ter plaatse te wensen over. De straat is doodlopend en de bestaande parkeerplaatsen zijn niet met elkaar verbonden. Dit zorgt er voor dat auto's vaak moeten keren om in tegengestelde richting terug te rijden. Voor fietsers zijn wel voldoende mogelijkheden om (veilig) het gebouw te bereiken en de fiets aldaar te stallen.

2.2 Toekomstige situatie

Algemeen

Het huidige schoolgebouw voldoet niet meer aan de eisen van de moderne tijd. Het gebouw wordt daarom gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw. In het kader van de ontwikkeling wordt ook de buitenruimte verbeterd. Door Buro Ontwerp en Omgeving is een stedenbouwkundig kader geschetst, dat als Bijlage 1 bij deze motivering is opgenomen. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede uit dit kader. Daarin zijn ook de nieuwe woningen opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0007.png"

Uitsnede stedenbouwkundig kader

Gebouw IKC

Het gebouw kent een oppervlakte van ongeveer 2.000 m2, waarvan driekwart wordt gebruikt door de basisschool en het overige deel door de kinderopvang. De basisschool heeft ongeveer 250 leerlingen en de kinderopvang biedt plaats aan ongeveer 60 kinderen. De ruimte wordt verdeeld over twee bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 9 meter. Er is ruimte voor een hoogteaccent als dat nodig is voor bijvoorbeeld een lift of installaties. In verband met privacy en inkijk in de tuinen van buren kan de tweede bouwlaag terugliggend worden geplaatst. Belangrijk in dat kader is ook dat de afstand tot de erfgrens met de omliggende woningen minstens 7 meter is. De hoofdingang van het gebouw bevindt zich aan de noordwestelijke zijde, ter hoogte van de kiss & ride-locatie.

Binnen het gebouw is er zoveel mogelijk integratie, maar is het deel van de kinderopvang wel af te scheiden van de rest. Dit om voor de kinderen overeenkomstig met wet- en regelgeving een veilig gebied te creëren. Voor de rest bestaat het gebouw niet uit een traditionele indeling met gangen en lokalen, maar uit gemeenschappelijke speel-, ontdek-, leer- en werkomgevingen. Deze ruimten worden niet omringd door gewone leslokalen, maar door groepsruimten. Door middel van schuifdeuren zijn deze met de leerpleinen te combineren.

Het gebouw past goed in haar omgeving en kent een dorpse uitstraling. Waar mogelijk worden natuurinclusieve maatregelen toegepast in het gebouw, dat ook zonnepanelen zal kennen.

Buitenruimte

De buitenruimte is ruim 2.000 m2 groot, waarvan het grootste gedeelte voor de basisschoolleerlingen en een kleiner deel voor de kinderopvang en bergingsruimten. De buitenruimte kent een groen karakter, waarin spelen, sporten, leren en het halen en brengen van de leerlingen in elkaar overgaan. Hoe de buitenruimte er exact uit komt te zien moet nog worden bepaald, maar duidelijk is wel dat deze kan worden opgedeeld in verschillende delen voor onder- en bovenbouw, zolang ze in uitstraling maar wel één geheel vormen.

Waar mogelijk worden bestaande bomen gehouden of verplaatst naar een meer passende plek in het gebied. Om die reden is door Foreest Groen Consult B.V. een Boomeffectenanalyse uitgevoerd. Deze is als Bijlage 2 aan deze motivering toegevoegd. Hieruit blijkt dat 11 bomen aanwezig zijn die een lage toekomstverwachting hebben en makkelijk vervangbaar zijn. Er is ook een rij essen en een winterlinde midden op het schoolplein die op dit moment geen goede groeiomstandigheden hebben. Dat kan worden verbeterd door de ontwikkeling door de groeiplaats uit te breiden en te verrijken met goede grond.

Twee bomen, een amberboom en een dakplataan, hebben een goede toekomstverwachting en zijn ook goed inpasbaar in de nieuwe plannen. Alleen als het strikt noodzakelijk is verplanting te overwegen. Dan moet wel ondergrond onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen of de boom daarvoor geschikt is en zo ja op welke wijze de verplanting kan plaatsvinden. Voor een aanwezige zomereik geldt hetzelfde, dat deze alleen te verplanten valt als dit strikt noodzakelijk is. Daarnaast zijn er nog 20 bomen met een goede toekomstverwachting. Voor een volledig overzicht van de bomen en bijbehorend kaartmateriaal wordt naar de bijlage verwezen.

Naast de bomen zijn er ook hoogwaardige groenstroken aan de randen van het projectgebied. Deze hebben een schaduwwerking waardoor de bodem vochtiger blijft (minder verdamping). Ook blijven bladeren hierin liggen wat voor een kringloop van voedingsstoffen zorgt. Inpassing, of zelfs uitbreiding, van de groenstroken zorgt voor een kwalitatief duurzame groenstructuur rondom het IKC.

In het plan zijn ook extra groene afscheidingen opgenomen die zorgen voor een goede begrenzing van het projectgebied en een goede overgang naar de omliggende percelen. Met een maximale hoogte van 1,5 meter zorgen deze niet voor een aantasting van zichtlijnen. Deels vindt de waterberging plaats in wadi's, die worden ingericht met geschikte beplanting en bomen.

Wonen

Het plan maakt ook 6 nieuwe woningen mogelijk. Het betreft 6 levensloopbestendige woningen van één bouwlaag met kap. De woningen liggen ten westen van de langzaamverkeersroute die in het projectgebied komt te liggen en zijn daardoor ondanks de nabije ligging functioneel losgekoppeld van het IKC.

Verkeer en parkeren

Met de ontwikkeling wordt in de openbare ruimte de verkeersveiligheid (voor kinderen) vergroot. Gemotoriseerd verkeer wordt gescheiden van fiets- en voetgangers, de schoolzones worden opnieuw ingericht en de opstelplaats voor het halen en brengen wordt verbeterd.

Aan de noordzijde van het gebouw is ruimte voor een kiss & ride-locatie. Fietsparkeren kan zowel in de noordwestelijke hoek van het projectgebied of ten zuiden van het nieuwe gebouw. Deze verschillende functies zijn met elkaar verbonden via een langzaamverkeersroute die van de noordwestelijke hoek naar de huidige zuidelijke ontsluiting loopt. Het fiets- en voetgangersverkeer kent zo haar eigen ontsluiting, waardoor gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer goed van elkaar gescheiden blijven. Dit is ook goed te zien op de uitsnede uit het stedenbouwkundig kader. De langzaamverkeersroute ontsluit via het noordwestelijke deel van het projectgebied, terwijl de ingang van de kiss & ride-plaatsen zich in de noordoostelijke hoek bevindt.

Langs de langzaamverkeersroute is ook ruimte voor een bomenrij en een haag, om de verschillende functies van elkaar af te sluiten. Het parkeren vindt ook duidelijk gescheiden van deze langzaamverkeersroute plaats, zowel ten noorden van het IKC als ten westen van de langzaamverkeersroute. Dit betreft parkeerplaatsen die zowel voor het IKC worden gebruikt als voor de bewoners van de nieuwe woningen.

Op het aspect verkeer en parkeren wordt in paragraaf 4.10 nader ingegaan.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving:

  • ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie;
  • de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • steden en regio's sterker en gezonder maken;
  • het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes:

  • combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • afwentelen wordt voorkomen.

Beoordeling initiatief

Met het initiatief wordt bijgedragen aan de prioriteiten "Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie" en "Steden en regio's sterker en gezonder maken" uit het NOVI. Een verouderd schoolgebouw wordt vervangen door een nieuw IKC, dat beter past bij de moderne tijd. Het gaat hierbij zowel om de indeling van het gebouw, waardoor de leerlingen beter onderwezen kunnen worden, maar ook om een kwalitatieve verbetering van de buitenruimte met meer ruimte voor groen en water, duurzaamheid en een veiligere verkeerssituatie. Het projectgebied sluit daarmee ook beter aan bij haar omgeving. Daarnaast maakt de ontwikkeling 6 nieuwe woningen mogelijk. Ook dit sluit aan bij de ambities uit de NOVI.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:

  • de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl);
  • waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • beschermen van de waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Beoordeling initiatief

Voor het initiatief zijn, anders dan de instructieregels die verderop in deze motivering aan bod komen, geen specifieke instructieregels van toepassing.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
  • 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
    • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
    • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
    • a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
    • b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  • 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beoordeling initiatief

Met het initiatief wordt een nieuw IKC mogelijk gemaakt, wat kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. In hoofdstuk 2 is al ten dele ingegaan op de behoefte aan dit nieuwe gebouw: op de locatie is al een schoolgebouw aanwezig, dat om verschillende redenen niet meer past bij de moderne tijd: zowel qua onderwijsvorm, binnenklimaat als een (veilige) buitenruimte zijn er gebreken aan te wijzen die niet door normaal onderhoud of renovatie zijn op te lossen. Er is daarom behoefte aan een nieuw gebouw dat beter aansluit bij de eisen uit de 21e eeuw.

De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied. De tweede stap van de ladder, een onderbouwing wanneer buiten bestaande stedelijk gebied wordt gebouwd, is daarom niet aan de orde. Voor de 6 woningen geldt dat deze sowieso niet hoeven te worden getoetst aan de Ladder, aangezien de grens op basis van jurisprudentie ligt op meer dan 11 nieuwe woningen.

De ontwikkeling voldoet aan de kaders die worden geschetst binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:

  • energietransitie;
  • klimaatadaptatie;
  • circulaire economie;
  • biodiversiteit;
  • bereikbaarheid;
  • economisch vestigingsklimaat;
  • woon- en leefklimaat.

Voor dit initiatief zijn met name de ambities voor klimaatadaptatie en het woon- en leefklimaat van toepassing.

Klimaatadaptatie

Het klimaat is merkbaar aan het veranderen, waarbij hoosbuien, extreme hitte en langdurige droogte hier goede voorbeelden van zijn. Provincie Gelderland wil zich voorbereiden op het veranderende klimaat door in te zetten op het tegengaan van de bijbehorende risico's en gevaren. Dit heeft prioriteit: In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. De provincie Gelderland werkt hierbij vooral vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de variatie van de Gelderse streken.

De provincie Gelderland wil met haar partners verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving nemen we de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan. Klimaatbestendig werken is daarbij voor de provincie Gelderland een logische voorwaarde als er samengewerkt wordt met anderen. Verschillende ontwikkelingen binnen toerisme en recreatie horen hier ook bij. Deze ontwikkelen wil de provincie Gelderland benutten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen passen bij de Gelderse kwaliteiten. De provincie streeft naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid zodat Gelderland versterkt wordt voor nu en in de toekomst.

Woon- en leefklimaat

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een bestaand schoolgebouw in de vorm van sloop en nieuwbouw. Het huidige gebouw voldoet niet meer aan de eisen van de huidige tijd. De herontwikkeling zorgt ook voor een betere bereikbaarheid van het (nieuwe) schoolgebouw en een kwalitatieve verbetering van de (openbare) buitenruimte, met meer groen, water en biodiversiteit, alsmede een veiligere en overzichtelijkere verkeers- en parkeersituatie. Daarnaast worden gelijktijdig 6 nieuwe (levensloopbestendige) woningen gerealiseerd. Deze realisatie vindt, overeenkomstig met de Omgevingsvisie, plaats binnen bestaand gebied.

Het initiatief draagt bij aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

3.2.2 Omgevingsverordening

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Ten aanzien van voorliggend initiatief zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'woonlocaties' en 'klimaatadaptatie' relevant.

Paragraaf 5.7.1 'Woonlocaties'

In de verordening wordt aangegeven dat een omgevingsplan nieuwe woningen alleen toe laat als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als:

  • a. de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en
  • b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

Paragraaf 5.7.6 'Klimaatadaptatie'

Voor zover een initiatief een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van de instructieregel klimaatadaptie de toelichting bij het ruimtelijke plan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een bestaand schoolgebouw in de vorm van sloop en nieuwbouw. Het huidige gebouw voldoet niet meer aan de eisen van de huidige tijd. De herontwikkeling zorgt onder andere voor een kwalitatieve verbetering van de (openbare) buitenruimte, met meer groen, water en biodiversiteit. Aangezien het huidige gebouw ook een gebrekkig binnenklimaat kent, zorgt een nieuw gebouw ervoor dat energieverbruik omlaag kan en de gezondheid van gebruikers (leraren en leerlingen) verbetert doordat ze in aangename omstandigheden verblijven. De geplande woningen passen binnen de regionale afspraken, zoals in paragraaf 3.3 wordt onderbouwd.

Op basis van de klimaatatlas van de gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering.

  • Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast blijkt dat alleen ten oosten van het huidige gebouw sprake is van beperkte plasvorming bij zowel een piekbui als een langdurige bui. De herindeling van het projectgebied zorgt ervoor dat de afvoer van hemelwater in de toekomstige situatie beter is geregeld, waardoor dit geen hinder zal veroorzaken. In paragraaf 3.4.7 wordt uitgebreid ingegaan op het aspect water en hoe om te gaan met eventuele wateroverlast.
  • Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat het projectgebied in de huidige situatie duidelijk last heeft van het stedelijk hitte-eilandeffect. Ter plaatse van het huidige schoolgebouw is een groot temperatuurverschil met de omgeving merkbaar wat nadelig is voor de groep gebruikers (jonge kinderen). Er is ook sprake van meer dan twee weken aan warme nachten per jaar, maar aangezien de activiteiten in het schoolgebouw alleen overdag plaatsvinden, is dat geen knelpunt. De locatie is in de huidige situatie grotendeels verhard, maar wordt in de toekomstige situatie vergroend. Dit doet de effecten van hittestress in de toekomst verminderen. Ook het gebouw zelf voldoet in de toekomstige situatie aan moderne eisen met betrekking tot klimaatregulatie. Dit zorgt ervoor dat de nadelige effecten in de toekomst zullen verdwijnen of in ieder geval lager zullen zijn.
  • Droogte. De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er in de zomer sprake kan zijn van een lage grondwaterstand (meer dan 2,5 meter onder he maaiveld). Met de aanleg van een wadi in het projectgebied wordt hemelwater beter opgevangen en bewaard, waardoor droogte-effecten als gevolgd van deze lage waterstand worden geminimaliseerd. In het projectgebied zijn geen waterpartijen en beken aanwezig die stil kunnen komen te staan of droog kunnen vallen, waardoor risico's voor de volksgezondheid zijn uit te sluiten. Er is ook een lage kans op natuurbranden.
  • Overstroming. Silvolde ligt ten noorden van de Oude IJssel. Indien een dijk bezwijkt is er een kans op overstromingen. De kaartbeelden laten niet zien dat er sprake is van een significante overstromingskans is in het projectgebied. Hiermee vormt het aspect overstroming geen belemmering voor het initiatief.

Het initiatief is in overeenstemming met de regels uit de Omgevingsverordening Gelderland.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012

In 2012 hebben de verschillende gemeenteraden uit de regio Achterhoek de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 vastgesteld. Dit is een actualisatie van de Regionale structuurvisie uit 2004.

Als basis voor ruimtelijk beleid is er een aantal speerpunten voor de regio benoemd. Dat zijn:

  • energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen:
  • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening;
  • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied

In de Regionale Structuurvisie wordt uitgegaan van een toekomstige krimp van de bevolking, wat ook consequenties heeft voor het onderwijsaanbod. Er is geen concreet beleid opgenomen hoe hiermee om te gaan. Wel wordt genoemd dat de regionale samenwerking moet worden gezocht om afstemming te bereiken over het voorzieningenniveau en of alle voorzieningen in stand moeten worden gehouden.

Beoordeling initiatief

In de Regionale Structuurvisie wordt nog uitgegaan van krimp in de regio, maar dit is nog op basis van verouderde gegevens. Recent onderzoek toont juist aan dat er sprake is van een bevolkingsgroei. In de Regionale Woondeal Achterhoek wordt bijvoorbeeld gesproken over een realisatie van 1.500 nieuwe woningen in de gemeente Oude IJsselstreek in de periode 2022-2030. Op basis van cijfers van het CBS kan eveneens worden gesteld dat het aantal inwoners in de gemeente de afgelopen 10 jaar redelijk stabiel is gebleven (39.558 inwoners in 2014 en 39.499 in 2024).

Met de realisatie van een nieuw, vervangend, schoolgebouw worden geen voorzieningen toegevoegd maar wordt een bestaande voorziening, waar nog steeds behoefte aan is, verbeterd en klaargemaakt voor de toekomst.

In de Regionale Structuurvisie wordt, zoals gezegd, nog uitgegaan van een krimp van de bevolking, maar desondanks gaat de visie wel in op een veranderde bevolkingssamenstelling. Zo wordt vergrijzing wel genoemd als een uitdaging van de toekomst. Dit betekent dat er toch ruimte is om woningen toe te voegen als dit als resultaat heeft dat hiermee de woningvoorraad beter aansluit bij de wensen van de bevolking. Met de ontwikkeling worden 6 levensloopbestendige woningen toegevoegd, waarmee het effect van vergrijzing goed kan worden opgevangen.

De ontwikkeling sluit daarmee aan op de Regionale Structuurvisie.

3.3.2 Regionale Woondeal Achterhoek 2022-2030

Nederland kent een groot tekort aan woningen. Dit geldt dit voor elke regio. Zo ook de Achterhoek. Binnen de regio zijn, in samenspraak met de provincie Gelderland, dan ook afspraken gemaakt om daar binnen de regio aan bij te dragen. In de regio Achterhoek betekent dit een minimale opgave van 8.390 woningen tot en met 2030, met een geambieerd doel van 11.500 woningen. Van deze woningen moet minstens 60% betaalbaar zijn, inclusief minimaal 28% sociale huurwoningen. Voor de gemeente Oude IJsselstreek specifiek is een opgave van 1.500 woningen, waarvan 1.011 betaalbaar.

Beoordeling initiatief

De norm van betaalbare woningen en het aandeel sociale huurwoningen geldt voor de hele regio. Met de ontwikkeling worden op kleine schaal 6 levensloopbestendige woningen toegevoegd. Deze ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard, dat niet (volledig) kan worden voldaan aan de betaalbaarheidseisen uit de Regionale Woondeal. Deze uitgangspunten zijn met name voor de grotere woningontwikkelingen bedoeld, waarbij de gemeenten zicht moeten houden op voldoende realisatie van betaalbare woningen. Onderliggende ontwikkeling heeft daar geen invloed op. In de Regionale Woonagenda (zie paragraaf 3.3.3) wordt ingegaan op de behoefte aan bepaalde type woningen en daaruit blijkt dat het realiseren van 6 levensloopbestendige woningen goed aansluit op de regionale ambities in de Achterhoek.

3.3.3 Regionale Woonagenda Achterhoek 2023-2030

Daar waar de Regionale Woondeal vooral gaat over specifieke aantallen die moeten worden gerealiseerd, wordt in de Regionale Woonagenda meer ingegaan op de kwalitatieve aspecten van deze woningen. In de Achterhoek ligt een hoge lat voor zowel de kwaliteit van de woningen als voor een gedifferentieerd aanbod. Elke kern binnen de regio is uniek en kent haar eigen kwaliteiten en uitdagingen. Daarbij gaat het om een bredere uitdaging, waarbij ook leefbaarheid, duurzaamheid, bereikbaarheid, economie, klimaat en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving een rol spelen. In de periode tot 2030 staan 3 ambities centraal:

  • Een passende woning voor iedereen;
  • Goed wonen voor een gezonde en duurzame Achterhoekse economie;
  • Wonen als basis voor leefbaarheid.

Nieuwe woningbouw moet aansluiten op de veranderende woonbehoefte. Woningen moeten betaalbaar zijn, waarbij het niet alleen gaat om de kosten van het wonen zelf, maar ook energiekosten. Mensen blijven ook langer zelfstandig wonen. Daarbij moet ook de omgeving kwalitatief hoog zijn. Woningbouw moet bijdragen aan een versterking van de woonmilieus.

Beoordeling initiatief

De ontwikkeling maakt 6 nieuwe levensloopbestendige woningen mogelijk, waarmee de ontwikkeling goed aansluit bij de veranderende bevolkingssamenstelling in de regio. Door vergrijzing zijn er meer woningen nodig voor ouderen. De levensloopbestendige woningen zorgen ervoor dat zij langer zelfstandig kunnen blijven wonen. De centrale ligging in Silvolde zorgt ook voor een goede bereikbaarheid van voorzieningen, hetzij in het dorp zelf, anderzijds in de grenzende kernen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025

De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto 'de juiste woning op de juiste plaats', spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend.

De gemeente Oude IJsselstreek kiest waar mogelijk voor inbreiding. Met wijkverbeteringsplannen en geplande nieuwbouwplannen, ziet de gemeente kansen voor het realiseren van meer variatie en onderscheid in het woonaanbod. Hiermee probeert de gemeente Oude IJsselstreek iedereen die woont of wil wonen in de gemeente te voorzien van een passende woning.

In het kader van maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijs en kinderopvang, stuurt de gemeente aan op het bij elkaar brengen van functies. Uitgangspunt is dat in elke kern basisonderwijs is gevestigd. Vergrijzing en ontgroening zorgen ervoor dat goed moet worden gekeken naar de kwaliteit van het aangeboden onderwijs. Samenwerking is daardoor belangrijk en ook nodig.

In de Structuurvisie wordt specifiek voor Silvolde benoemd dat deze zich ontwikkelt als woonkern met aandacht voor diversiteit en verscheidenheid.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een bestaande school en kinderopvang naar een volwaardig IKC. Hoewel bij het opstellen van de Structuurvisie nog sprake was van een verwachte krimp in de toekomst, laten recente cijfers zien dat dit niet langer het geval is. De behoefte aan (basis)onderwijs in het dorp blijft daarom onverminderd groot en een nieuw IKC draagt bij aan de ambitie om het kwalitatieve niveau hiervan hoog te houden. De 6 nieuwe levensloopbestendige woningen dragen ook bij aan een meer gevarieerd woningaanbod, dat aansluit bij de vergrijzing in de gemeente.

Zowel het nieuwe IKC als de woningen dragen bij aan een kwaliteitsverbetering binnen het projectgebied. Het plan is daarmee in lijn met de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025.

3.4.2 Toekomstvisie Oude IJsselstreek 'Maak toekomst in Oude IJsselstreek'

De toekomstvisie, uit november 2020, is tot stand gekomen door vele ontmoetingen en bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, organisaties en verenigingen. De termen 'leven' en 'het maken' lopen als een rode draad door de toekomstvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kan bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien.

  • 1. Benut de stroom van de Oude IJssel

De gemeente zet de komende jaren in op het benutten van alle kansen die de Oude IJssel als zone biedt. Het gebied op en rondom de rivier kan een vliegwiel zijn voor toerisme en recreatie, bedrijvigheid, klimaatvraagstukken en wonen.

  • 2. Florerende Smart Industrie

Een bloeiende en concurrerende lokale economie heeft een aanzuigende werking op mensen en kapitaal waarmee demografische ontwikkelingen kunnen worden gekeerd en wonen een boost krijgt. Drie duidelijke clusters dragen bij aan een robuust economisch systeem. Werken op De Rieze, innoveren op het DRU Industriepark en innovatieve en hightech maakindustrie rond Varsseveld. Gemeente Oude IJsselstreek zet zich daarmee de komende jaren nog beter op de kaart en zet in op het ontwikkelen van het nieuwe Varsseveld Industriepark (het VIP).

  • 3. Vitaal platteland

Het agrarisch buitengebied is een belangrijke en karakteristieke pijler in de gemeente. De landbouwsector is voor de gemeente als plattelandsgemeente een cruciale sector, zowel qua economische omvang als qua ruimtebeslag in het buitengebied. Het platteland zal zich het komende decennium ontwikkelen tot een multifunctioneel buitengebied.

  • 4. De allernieuwste energie

In de gemeente vinden ontwikkeling plaats op vele fronten, van woningbouw tot het ontwikkelen van industrie en bereikbaarheid. Bij al die ontwikkelingen wordt er optimaal gebruik gemaakt van de meest duurzame en nieuwste vormen van energie. De gemeente wil energieneutraal zijn in 2030.

  • 5. Groene parels

Van de Slangenburg tot de Vennebulten en van het Zwarte Veen tot de Anholtse bossen vormen landgoederen, oude bossen en natuurgebieden een groene parelketting door Oude IJsselstreek. De opgave ‘Groene Parels’ zet in op het verder versterken van dit karakteristieke landschap.

  • 6. Gezond oud worden én gezond jong zijn

Oude IJsselstreek is de plek waar mensen zich kunnen ontplooien, gezond kunnen leven en regie op hun eigen leven hebben. In de basis benut de gemeente vooral de kracht van de maatschappij om een plek te maken waar mensen hun leven lang fijn en gezond kunnen wonen. Om de kracht uit de samenleving optimaal te benutten worden er voldoende aanleidingen voor ontmoeting, duurzaam gedrag, leren, spel en bewegen geboden.

  • 7. Het witte vel

Vanaf de eerste gesprekken is duidelijk geweest dat de Toekomstvisie een levend document moet zijn. Er zullen zich tal van zaken voordoen die de gemeente dwingen deze Toekomstvisie bij te stellen. Hobbels en beren op de weg, maar juist ook kansen, versnellingen en innovaties. Om in de Toekomstvisie ook letterlijk de ruimte te geven om in te springen op nieuwe ontwikkelingen heeft de gemeente ‘Het Witte Vel’ vanaf het begin eraan toegevoegd. Een nog blanco hoofdstuk dat symbool staat voor de prachtige onzekerheid van de toekomst en al het moois dat daaruit voort gaat komen.

Beoordeling initiatief

Silvolde is een plek waar men haar hele leven lang kan blijven, met een basisschool en middelbare school in het dorp. Om die identiteit te waarborgen is ambitie 6 'gezond oud worden én gezond jong zijn' relevant voor de ontwikkeling.

Met onderliggend plan is sprake van herontwikkeling van een bestaand schoolgebouw in de vorm van sloop en nieuwbouw. Het huidige gebouw voldoet niet meer aan de eisen van de huidige tijd. De herontwikkeling zorgt ook voor een betere bereikbaarheid van het (nieuwe) schoolgebouw en een kwalitatieve verbetering van de (openbare) buitenruimte, met meer groen, water en biodiversiteit, alsmede een veiligere en overzichtelijkere verkeers- en parkeersituatie.

De verbeterde openbare ruimte zorgt ervoor dat de buitenruimte meer uitnodigt tot samenzijn en spelen, wat de gezondheid van de leerlingen bevordert. Het nieuwe gebouw zorgt bovendien voor een beter binnenklimaat, wat de school ook aangenamer maakt.

Naast de (her)ontwikkeling van het IKC worden er ook 6 woningen binnen het projectgebied gerealiseerd. Dit betreft levensloopbestendige woningen die duurzaam en toekomstbestendig zijn.

De ontwikkeling is in overeenstemming met de Toekomstvisie.

3.4.3 Woonvisie 2018 Oude IJsselstreek

De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheids-Onderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn:

  • De sociale huurvoorraad:

In de sociale huurvoorraad ligt de focus op betaalbaarheid, maximale wachttijd voor woningzoekenden en een monitor op de omvang en samenstelling van de doelgroep.

  • Woonzorg:

Het terrein Woonzorg bestaat uit ouderen die niet langer zelfstandig thuis kunnen wonen (de grootste en flink groeiende groep op dit terrein) en bijzondere doelgroepen. De focus ligt op het in kaart brengen van de ontwikkeling van vraag en aanbod voor ouderen, het langer thuis blijven (levensloopbestendig maken van woningen), is er voldoende intramurale capaciteit, is er behoefte aan woonvormen tussen intramuraal en langer thuis blijven en hoe wordt dit gerealiseerd?

  • Verduurzaming:

De gemeente Oude IJsselstreek wil een ruime bijdrage leveren aan het realiseren van de klimaat-, energie- en duurzaamheidsdoelstellingen die zijn vastgelegd op wereld-, landelijke- en regionale schaal. In 2030, moet de gemeente Oude IJsselstreek energieneutraal zijn en wordt er 50% minder gebruik gemaakt van primaire grondstoffen.

  • Woningvoorraad en waarde behoud:

Het gaat om het gereed maken voor de toekomst van de bestaande voorraad en het voorkomen van waardeverlies door het stimuleren van verduurzaming en levensloopbestendigheid. Het uitnemen van woningen aan onderkant van de woningmarkt moet worden voorbereid waarbij (beperkt) terugbouwen door toevoeging van ontbrekende kwaliteiten mogelijk wordt gemaakt.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake de toevoeging van 6 levensloopbestendige woningen aan de woningvoorraad. Daarmee sluit het aanbod aan woningen beter aan bij de veranderende bevolkingssamenstelling (meer vergrijzing). In samenhang met de realisatie van het IKC binnen het projectgebied is er ook een kwaliteitsverbetering van de buitenruimte, waar de hele omgeving van profiteert.

Het initiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Woonvisie 2018.

3.4.4 Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek

In de Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw wordt aanbevolen om lokaal een kader vast te stellen over de ruimtelijke inpassing van nieuwbouw binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. In 2021 heeft de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt samen met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor Woningbouw' de kaders voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) Kwalitatieve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt.

Uit de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' blijkt dat de aantoonbare (woning)behoefte voor de komende jaren vooral bij het toevoegen van starters- en levensloopgeschikte woningen ligt, de gemeente wil hier dan ook extra op inzetten. Voor het starterssegment ligt de nadruk logischerwijs met name bij de betaalbaarheid. De levensloopgeschikte woningen zijn voor de doelgroep senioren bedoeld, daarbij gaat het om woningen waarbij (minimaal) alle basisvoorzieningen op de begane grond of gelijkvloers aanwezig zijn. Het bouwen van woningen op locaties met leegstaand vastgoed heeft de voorkeur. Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik gaat woningbouw op inbreidingslocaties voor op uitbreiding aan de randen van de kernen.

Beoordeling initiatief

Uit de kwaliteitscriteria blijken woningen die levensloopbestendig zijn de voorkeur te hebben, samen met starterswoningen. Binnen het initiatief worden 6 van dergelijke woningen mogelijk gemaakt. Deze worden gerealiseerd binnen de bestaande kern van Silvolde, waardoor ook wordt voldaan aan zorgvuldig ruimtegebruik. De woningen worden daarbij ook duurzaam uitgevoerd.

De ontwikkeling sluit goed aan bij de lokale kwaliteitscriteria.

3.4.5 Visie op landschap, natuur en groene kernen

De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving.

Voor de kern van Silvolde geldt dat deze is ontstaan vanuit de bebouwingslinten Terborgseweg/Ulftseweg en de Prins Bernardstraat. Tussen deze linten zijn planmatige woongebieden ontstaan, zo ook de wijk waar het projectgebied zich in bevindt.

Beoordeling initiatief

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een schoolgebouw. Onderdeel van het initiatief is het verbeteren van de buitenruimte. Waar mogelijk blijven bestaande bomen behouden of worden deze binnen het projectgebied verplaatst. Nieuw te planten bomen en groenstructuren, naast waterberging in de vorm van wadi's, moeten er zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van het gebied nog meer wordt verbeterd.

Het initiatief draagt bij aan de doelstellingen uit de 'Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen'.

3.4.6 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig - Klimaatagenda 2022 - 2026

Het klimaat verandert en weersomstandigheden worden extremer. Als de gemeente Oude IJsselstreek veilig, leefbaar en aantrekkelijk willen blijven voor toekomstige generaties, dan moet de leefomgeving zodanig ingericht worden dat mensen zich voldoende kunnen weren tegen de weersextremen. De gemeente Oude IJsselstreek heeft daarom de Klimaatagenda 2022 - 2026 opgesteld, waarin de visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting en de maatregelen voor 2022 tot en met 2026 zijn opgenomen.

De effecten van klimaatverandering (zie ook paragraaf 3.2.2) zijn onderverdeeld in 4 aspecten: wateroverlast, overstroming, hittestress en droogte. Om dit tegen te gaan heeft de gemeente 5 pijlers opgesteld:

  • Adaptief landelijk gebied;
  • Woonkernen gezond en groen;
  • Calamiteitenorganisatie;
  • Klimaatbestendig ontwikkelen;
  • Betrokken en actieve mensen.

De ontwikkeling sluit aan bij de pijler 'klimaatbestendig ontwikkelen'. Hierbij zijn twee ambities opgenomen:

  • nieuwbouw en herinrichting wordt alleen nog maar klimaatbestendig gedaan;
  • bij alle (nieuwe) ruimtelijke projecten waarbij de gemeente is betrokken wordt klimaatadaptatie standaard meegenomen.

Klimaatadaptatie wordt als leidend principe beschouwd in ruimtelijk beleid van de gemeente.

Beoordeling initiatief

Met onderliggend plan is sprake van herontwikkeling van een bestaand schoolgebouw in de vorm van sloop en nieuwbouw. Het huidige gebouw voldoet niet meer aan de eisen van de huidige tijd. De herontwikkeling zorgt mede voor een kwalitatieve verbetering van de (openbare) buitenruimte, met meer groen, water en biodiversiteit. Met behulp van de klimaatatlas is gekeken naar de huidige situatie met betrekking tot wateroverlast, overstroming, hittestress en droogte en een vergelijking met de nieuwe situatie. Daar is in paragraaf 3.2.2 al op ingegaan.

Het verouderde gebouw en grotendeels verharde schoolplein past niet meer in de nieuwe inzichten op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie. De grote hoeveelheid verhard oppervlak zorgt bijvoorbeeld voor extra hitte in de zomer. De ontwikkeling biedt dan ook een kans om zowel het binnenklimaat als de buitenruimte veiliger en aangenamer te maken voor jonge kinderen. Het nieuwe gebouw zal voldoen aan de nieuwe regelgeving omtrent isolatie, luchtcirculatie, lichtinval, etc. De buitenruimte zal worden ingericht met minder verharding, meer schaduw van nieuwe bomen en een prettigere speel- en verblijfskwaliteit door een groenere inrichting.

Alle nieuwbouw en haar omgeving zal voldoen aan het beleid van de gemeente.

3.4.7 Welstandsnota

Het welstandsadvies in de gemeente Oude IJsselstreek wordt verstrekt door een onafhankelijke commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Bij de toetsing wordt rekening gehouden met het gemeentelijk welstandsbeleid dat voor het betreffende gebied of bouwwerk is vastgesteld en is vastgelegd in de Welstandsnota. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. In de Welstandsnota wordt met name ingegaan op de structuren van de hoofdwegen en de landelijke omgeving bij uitbreiding van de kern.

Beoordeling initiatief

Het plan doet geen afbreuk aan de bestaande bepalende structuren die Silvolde tot een karakteristiek dorp maken. Het nieuwe gebouw zal een dorpse uitstraling hebben, passend bij haar omgeving. Dit geldt ook voor de te realiseren woningen. Daarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de welstandsnota.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Bodem

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

4.1.1 (Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, daarbij rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen te beheren.
4.1.2 Toetsing

Door Buro Ontwerp en Omgeving is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport hiervan is als Bijlage 3 aan deze motivering toegevoegd. Uit de conclusie van het onderzoek blijkt dat plaatselijk licht verhoogde gehalten van de onderzochte stoffen zijn aangetoond. Dit betreft een spot met licht verhoogde gehalten lood ter plaatse van de huidige ingang van de parkeerplaats aan de Boterweg. Deze gehalten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek en staan de geplande ontwikkeling niet in de weg.

4.1.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

4.2.1 (Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
4.2.2 Toetsing

Archeologie

Op basis van de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart blijkt dat het projectgebied een 'hoge archeologische verwachting' heeft voor het aantreffen van archeologische vondsten. Het noordoostelijke deel van het projectgebied ligt in de zone 'Dorpskern 1850' Voor gronden met een dergelijke verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk als het werkzaamheden betreft groter dan respectievelijk 250 m2 en 100 m2 en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld. Het archeologisch onderzoek is door Hamaland Advies uitgevoerd en als Bijlage 4 aan deze motivering toegevoegd.

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat de hoge archeologische verwachting intact blijft en daarom is ook een veldonderzoek uitgevoerd. Uit de boringen blijkt dat er slechts bij enkele boringen nog iets van de oorspronkelijke bodem is teruggevonden. Om die reden wordt geadviseerd om geen verder vervolgonderzoek uit te voeren. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen van de ontwikkeling behoudenswaardige vindplaatsen verloren gaan is nihil.

Cultuurhistorie

De bestaande bebouwing heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde. Dit blijkt uit zowel de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland als die van de gemeente Oude IJsselstreek. Rond het projectgebied bevinden zich geen overige cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen die mogelijke negatieve effecten ondervinden van het initiatief.

4.2.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.3 Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

4.3.1 (Wettelijk) kader

Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.

De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer.

De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen.

4.3.2 Toetsing

Door Buro Ontwerp en Omgeving is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Navolgend volgt kort de conclusie ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het 'Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach', dat zich op ongeveer 4,5 kilometer ten zuiden van het projectgebied in Duitsland bevindt. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, niet te verwachten.

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht.

Om deze reden is door Buro Ontwerp & Omgeving een voortoets stikstofdepositie (AERIUS-berekening) uitgevoerd. Deze is als Bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering. Uit de berekening blijkt dat voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen toename aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr per jaar is.

Natuurnetwerk Nederland

Het projectgebied maakt geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 200 meter ten westen van het projectgebied. Op ongeveer 280 meter ten westen bevindt zich de Groene Ontwikkelingszone. Bij het toetsingskader van het Natuurnetwerk Nederland is geen sprake van externe werking. Nadelige effecten voor, tijdens en na inrichting van het projectgebied op het Gelders Natuurnetwerk zijn niet te verwachten door de aard van de werkzaamheden en de afstand. De kernkwaliteiten van het Natuurnetwerk worden niet aangetast.

Houtopstanden

De groenvoorzieningen in het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De eventueel te kappen bomen en/of struiken bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom niet van toepassing (artikel 11.111, Bal). Indien er houtopstanden worden geveld dient echter rekening te worden gehouden met de aanvraag van een Omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.

Soortenbescherming

Op basis van de quickscan is gebleken dat verschillende beschermde soorten potentieel voorkomen in het projectgebied.

Het betreft verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten, de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter), gierzwaluw, huismus, algemene vogelsoorten, algemene grondgebonden zoogdieren en algemene soorten reptielen en amfibieën. Voor de vleermuizen, gierzwaluw en huismus is nader onderzoek nodig en voor kleine marterachtigen is nader onderzoek nodig indien de stroken bosschages (gedeeltelijk) verdwijnen. Voor de andere soorten geldt de specifieke zorgplicht voor deze soorten.

Vanwege de resultaten uit de quickscan is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 toegevoegd aan deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van twee gecombineerde zomer-/paarverblijven van de gewone dwergvleermuis. Negatieve effecten op deze soort kunnen niet worden uitgesloten door de sloopwerkzaamheden van de bestaande bebouwing. Negatieve effecten op andere verblijfsfuncties of andere vleermuissoorten kunnen wel worden uitgesloten. Er moet een activiteitenplan en een aanvraag omgevingsvergunning worden opgesteld om een ontheffing te krijgen voor de werkzaamheden.

In het nader onderzoek is ook de aanwezigheid van de egel aangetoond. Hiervoor geldt de specifieke zorgplicht. Werkzaamheden waarbij de egel kan worden verstoord moeten plaatsvinden buiten de kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen, tussen 1 september en 31 oktober). Hieronder valt in ieder geval het verwijderen van groenvoorzieningen. Voordat groenvoorzieningen worden verwijderd, moet nog een visuele check worden uitgevoerd.

Binnen het projectgebied kunnen ook enkele vogelsoorten voorkomen waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. In het nader onderzoek zijn de winterkoning, roodborst, tjiftjaf, koolmees en merel waargenomen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen, beschadigen of weg te nemen. Tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart tot en met 15 juli) zijn werkzaamheden verboden als deze kunnen leiden tot beschadiging of vernieling van nesten. Aangeraden wordt de werkzaamheden daarom buiten het broedseizoen uit te voeren.

4.3.3 Conclusie

In het geval van de egel en enkele algemene vogelsoorten geldt dat de specifieke zorgplicht geldt. Voor de dwergvleermuis moet een activiteitenplan worden opgesteld en een aanvraag omgevingsvergunning worden gedaan. Als hieraan wordt voldaan, vormt het aspect natuur verder geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.4 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door bedrijven, wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

4.4.1 (Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen, worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
  • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • het bevorderen van bronmaatregelen;
  • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
  • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het aspect geluid afgewogen worden.

4.4.2 Toetsing

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een schoolgebouw door middel van sloop en nieuwbouw. In de huidige situatie is al een gebouw aanwezig. Het nieuwe gebouw is weliswaar een geluidgevoelig gebouw, maar komt verder van de weg af te liggen dan in de huidige situatie het geval is. De geluidbelasting op de gevels van het nieuwe gebouw zal daarom niet toenemen en mogelijk zelfs afnemen.

De nieuwe woningen in de zuidwestelijke hoek van het projectgebied liggen verder van de openbare weg af dan de huidige woningen. Op basis van de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van de bestaande woningen de geluidbelasting niet hoger is dan 50 dB. Dit ligt lager dan de grenswaarde van 53 dB. De bestaande wegen rondom het projectgebied zorgen dus niet voor een onevenredige geluidbelasting op de gevels van de woningen.

Het doodlopende deel van het Pastoor Bluemersplein komt uit wel op deze woningen. Aangezien het een doodlopende weg betreft met enkel bestemmingsverkeer voor de woningen of het IKC, is de geluidsbelasting van deze woningen dusdanig laag dat dit niet van (negatieve) invloed zal zijn.

In de nabijheid van het projectgebied zijn verder geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Het projectgebied ligt dan ook niet in de geluidaandachtgebieden van deze bronnen en akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.

4.4.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.5 Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

4.5.1 (Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

4.5.2 Toetsing

Het voorgenomen plan zorgt voor een sloop en nieuwbouw van een IKC en de realisatie van 6 levensloopbestendige woningen. Het aantal verkeersstromen zal daardoor niet significant toenemen. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Het rekenpunt (09220971_88662) dat het dichtst bij het projectgebied ligt (gelegen aan de Ulftseweg), kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2023:

  • NO2: 16,9127 µg/m3
  • PM10: 15,5774 µg/m3 
  • PM2,5: 8,6031 µg/m3

Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Vanaf 2030 gelden vanuit de Europese Unie strengere eisen met betrekking tot de luchtkwaliteit. De grenswaarden voor NO2 en PM10 worden dan aangescherpt naar 20 µg/m3 en de grenswaarde voor PM2,5 naar 10 µg/m3. Ook als deze strengere normen worden gehanteerd voldoet de huidige luchtkwaliteit aan het Europese beleid.

4.5.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.6 Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

4.6.1 (Wettelijk) kader

Bij bedrijven kunnen activiteiten plaatsvinden die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

4.6.2 Toetsing

Met het initiatief is sprake van de sloop van een schoolgebouw en nieuwbouw van een IKC. Daarnaast worden 6 levensloopbestendige woningen gerealiseerd. De meest nabijgelegen veehouderijen bevinden zich op 800 á 1.100 meter van het projectgebied, aan de noordoost- en zuidoostzijde van de bebouwde kom van Silvolde. (Geur)hinder van deze veehouderijen is dan ook uitgesloten. Er bevinden zich verder ook geen geurveroorzakende bedrijven in de nabijheid van het projectgebied. Er is sprake van een goed leefklimaat binnen het projectgebied.

4.6.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.7 Milieubelastende activiteiten

4.7.1 (Wettelijk) kader

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende (bedrijfs)activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

4.7.2 Toetsing

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een school binnen het projectgebied in de vorm van sloop en nieuwbouw. Rondom het projectgebied bevinden zich voornamelijk woningen. Aan de Lichtenbergseweg 30A bevindt zich een koffiezaak en aan het Pastoor Bluemersplein 1 een rijschool. De laatste betreft een bedrijf aan huis met één lesauto. Er is dus geen sprake van een groot aantal voertuigbewegingen die (geluids)hinder kunnen veroorzaken ter plaatse van de school. De koffiezaak betreft een verkooppunt van koffieapparatuur. Parkeren vindt plaats aan de Lichtenbergseweg. Aangezien er tussen deze parkeerplaatsen en het nieuwe schoolgebouw al bestaande woningen zijn, wordt de bedrijfsvoering verder niet gehinderd.

Door de sloop en herbouw van het IKC is er een gewijzigde situering van het gebouw, waarbij het nieuwe IKC iets meer richting het oosten wordt gepositioneerd ten opzichte van de huidige situatie. Door deze verschuiving vergroot de afstand tot het ten noorden gelegen Almende College, wat een verbetering betekent voor de milieusituatie van beide onderwijsinstellingen.

Het nieuwe gebouw komt weliswaar dichterbij bij de woningen aan de Lichtenbergseweg en de Boterweg te liggen, maar de speelpleinen en parkeerplaatsen (de voornaamste geluidproducerende activiteiten binnen het projectgebied) komen juist verder van deze woningen af te liggen. Om die reden is er geen sprake van een verslechtering van de geluidssituatie voor de woningen aan deze straten.

Ten opzichte van de huidige situatie komen de speelpleinen wel dichter bij de woningen aan het Pastoor Bluemersplein te liggen. De gronden waarop deze speelpleinen worden gerealiseerd, beschikken echter nu al over de functie ‘Maatschappelijk’. De planologische mogelijkheden ter plaatse blijven daarmee ongewijzigd. Bovendien worden langs de langzaamverkeersroute, die door het projectgebied loopt, voldoende groene afscheidingen geplaatst. Deze dragen niet alleen bij aan het visueel afschermen van het terrein van het IKC, maar kunnen ook een geluidsreducerende werking hebben.

Naast het IKC worden er ook 6 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt. Ook deze woningen worden afgeschermd door de groene afscheidingen die langs de langzaamverkeersroute lopen.

Samenvattend leidt de ontwikkeling van het nieuwe IKC niet tot een toename van hinder voor de omgeving en past deze binnen de bestaande milieuzonering van het omgevingsplan.

4.7.3 Conclusie

Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.8 Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

4.8.1 (Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Met een initiatief moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Binnen een initiatief dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het initiatief kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 'Besluit bouwwerken leefomgeving' (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
4.8.2 Toetsing

Met het plan is sprake van de sloop van een schoolgebouw en nieuwbouw van een IKC, waarbij ook 6 nieuwe levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd. Zowel een basisschool als een kinderopvang wordt als zeer kwetsbaar gebouw beschouwd. Deze mogen dus niet zomaar worden gerealiseerd in aandachtsgebieden. De woningen betreffen kwetsbare gebouwen. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de externe veiligheidskaart van de Atlas Veiligheid. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een blauwe cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000037-VA01_0008.png"

Uitsnede externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving

In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen stationaire of mobiele risicobronnen. Een nadere toetsing aan het aspect omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk.

4.8.3 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.9 Water

4.9.1 (Wettelijk) kader

In artikel 5.37 van het Bkl is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In de navolgende paragrafen wordt het beleid van het waterschap en de gemeente beschreven. Daarop volgt de toetsing aan het aspect water, het resultaat van de Digitale Watertoets en het overleg met het waterschap.

Waterschapsverordening waterschap Rijn en IJssel

De waterschapsverordening bevat de regels van het Waterschap Rijn en IJssel over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij Waterschap Rijn en IJssel.

De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat de waterschapsverordening regels over lozingen. Lozingen waren eerst op het niveau van de centrale overheid geregeld.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda.

Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's.

Klimaatrobuust gebied

De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.

Gezonde leefomgeving

Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

Water- en Rioleringsprogramma Oude IJsselstreek 2024-2028

Het water- en rioleringsprogramma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater en anticipeert daarbij op raakvlakken met vakgebieden zoals klimaatadaptatie, landschap en groen. Daarnaast bevat het programma onder meer een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn.

4.9.2 Het Wateradvies

Het projectgebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van Het Wateradvies gebruikt dit waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.

Op basis van Het Wateradvies (dat is opgenomen als bijlage bij de quickscan water, zie ook verderop in deze paragraaf) wordt door het waterschap geconcludeerd dat er waterstaatkundige belangen zijn. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het waterschap gewenst is. Daarom is de 'normale procedure' in gang gezet.

4.9.3 Overleg Waterschap Rijn en IJssel

De bevindingen van Het Wateradvies zijn met het Waterschap Rijn en IJssel gedeeld. Vanuit het waterschap wordt de voorgenomen planontwikkeling akkoord bevonden. Een verdere uitwerking van het wateraspect is opgenomen in paragraaf 4.9.4.

4.9.4 Toetsing

Door Buro Ontwerp & Omgeving is een quickscan water uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 8. In de huidige situatie is het projectgebied bebouwd met een schoolgebouw en bijbehorend(e) schoolplein, toegangsweg en parkeerplaatsen. Ongeveer 8.510 m2 van het onderzoeksgebied is verhard en ongeveer 3.460 m2 onverhard. In de toekomstige situatie is het projectgebied groener ingericht, waardoor de totale verharding afneemt met ongeveer 1.640 m2 naar 6.870 m2.

Aangezien het projectgebied groter is dan 1.500 m2 geldt er een minimale bergingseis van 80 mm per m2 op basis van de eisen van het waterschap. De gemeente Oude IJsselstreek hanteert een bergingseis van 20 millimeter, of 10% van het bruto oppervlak. De bergingseis van het waterschap is groter en is daarom leidend. Met een totale oppervlakte van 6.870 m2 in de nieuwe situatie is een totale bergingsopgave van (afgerond) 550 m3 benodigd. Hemelwater dient op eigen terrein behandeld te worden volgens de reeks infiltratie-vasthouden-bergen en vertraagd afvoeren.

Vanwege de ligging van het projectgebied op een rivierduin is het grondwater te diep om oppervlaktewater aan te leggen. Binnen het projectgebied is ruimte om ongeveer 160 m3 aan waterberging via wadi's te realiseren. De precieze detaillering van deze wadi's en bergingsoplossingen voor de overige opgave vindt op een later moment in de ontwikkeling plaats.

Aangezien het huidige schoolgebouw al is aangesloten op het bestaande rioolssyteem wordt ervan uitgegaan dat het nieuwe IKC hier ook op kan worden aangesloten. Daarbij is wel het uitgangspunt dat hemelwater zoveel mogelijk in de bodem infiltreert en alleen het vuilwater wordt afgevoerd naar het rioolsysteem. In totaal zal er, van het IKC en de woningen samen, een toename van 0,387 m3/uur aan afvalwater zijn. Dit is gebaseerd op de piekmomenten van het IKC en de woningen.

Daarnaast wordt ook aanbevolen het vloerpeil van de bebouwing minimaal 20 centimeter hoger dan de toegangsweg en het schoolplein te realiseren om te voorkomen dat water het gebouw binnenstroomt bij heftige buien.

4.9.5 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief. Wel moet de precieze invulling van de waterberging naast de wadi's worden afgestemd.

4.10 Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

4.10.1 (Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Oude IJsselstreek heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe initiatieven/ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten onderbouwd en indien noodzakelijk onderzocht worden.

De gemeente Oude IJsselstreek valt volgens de stedelijkheidsclassificatie zoals opgesteld door het CBS in de categorie 'weinig stedelijk'. Het CROW maakt daarnaast nog onderscheid op basis van de ligging van een gebied. In een centrum is het aanbod aan alternatieve vervoersopties anders dan in een buitengebied. De kern van Silvolde wordt geclassificeerd als 'rest bebouwde kom'. In deze paragraaf wordt aan die uitgangspunten vastgehouden.

4.10.2 Toetsing

Parkeren

Door Roelofs is een verkeersonderzoek uitgevoerd dat als Bijlage 9 bij deze motivering is opgenomen. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven. Onderdeel hiervan is een parkeerdrukonderzoek om de huidige bezettingsgraad en parkeerbehoefte te bepalen.

De totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie voor het IKC is 31,8. Dit komt ook overeen met de netto parkeervraag op het maatgevende moment (de ochtenden en middagen op een werkdag). In het onderzoek van Roelofs is nog uitgegaan van een verouderd plan met betrekking tot de wonen. Daarom is de berekening voor de woningen niet overgenomen uit het onderzoek. Voor 6 levensloopbestendige woningen bedraagt de parkeerbehoefte 12 parkeerplaatsen. Voor het hele plan zijn dat er dus 48.

Aan de noordzijde van het Pastoor Bluemersplein worden 14 parkeerplaatsen gerealiseerd, naast de 14 al bestaande parkeerplaatsen. In totaal komen hier dus 28 parkeerplaatsen. Aan de westzijde van het Pastoor Bluemersplein en ter hoogte van de woningen worden nog 21 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee het totaal aantal parkeerplaatsen in het projectgebied op 49 uitkomt, voor zowel het IKC als de woningen. Daarmee wordt aan de parkeerbehoefte voldaan. In deze berekening is meegenomen dat de 14 bestaande parkeerplaatsen nu ook al door de school en de kinderopvang worden gebruikt.

Op basis van de CROW-methodiek is voor het IKC een kiss & ride-plek benodigd met ruimte voor 29 plaatsen. Op basis van het onderzoek ligt het potentiële gebruik echter een stuk lager, en zijn er 19 plaatsen benodigd. In het stedenbouwkundig kader wordt uitgegaan van 25 plaatsen, waarmee de CROW-norm weliswaar niet wordt gehaald, maar wel ruimschoots wordt voldaan aan de reële behoefte.

Ook wat fietsparkeren betreft ligt de reële vraag lager dan wat op basis van de parkeernorm benodigd is. De parkeernorm vraagt om 166 stallingsplaatsen (waarvan 150 voor de leerlingen van de basisschool en de rest voor het personeel van het IKC). Op basis van de parkeertellingen en het onderzoek zijn 115 stallingsplaatsen benodigd. In het stedenbouwkundig kader wordt uitgegaan van 140 stallingsplaatsen.

Verkeer

Met de ontwikkeling wordt de verkeerssituatie ter plaatse verbeterd. De parkeerplaatsen voor auto's komen buiten het terrein van het IKC te liggen. Het parkeren vindt daarbij geconcentreerd plaats aan de noord- en westkant van het projectgebied. De parkeerplaatsen ten zuiden van het IKC komen te vervallen. Door het projectgebied komt een langzaamverkeersroute te liggen, waardoor gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer van elkaar gescheiden blijven. Dit komt de veiligheid en overzichtelijkheid ten goede.

Met de ontwikkeling vindt ook een toename van het verkeer plaats. De verkeersgeneratie van een kinderopvang hangt af van het aantal bvo dat de kinderopvang groot is. Uitgaande van de classificatie 'rest bebouwde kom' in een 'weinig stedelijk' gebied is dat een verkeersgeneratie van 33,0 á 38,0 voertuigbewegingen per 100 m2 bvo. Op basis van het stedenbouwkundig kader wordt uitgegaan van een omvang van ongeveer 450 m2. De verkeersgeneratie voor de kinderopvang ligt daarom op 148,5 á 171 voertuigbewegingen per etmaal exclusief kiss en ride.

Voor een basisschool zijn geen vaste normen bepaald door het CROW. Vastgesteld kan worden dat bij maximale bezetting door het personeel er twee voertuigbewegingen zijn per parkeerplaats ('s ochtends bij aankomst en 's middags bij vertrek). Uitgaande van 21 parkeerplaatsen die door het personeel van de basisschool worden gebruikt (zie ook het onderzoek van Roelofs) levert dit 42 voertuigbewegingen per etmaal op.

Voor het halen en brengen van leerlingen van de basisschool en het bijbehorende autogebruik wordt verwezen naar het verkeersonderzoek. Daaruit kan worden afgeleid dat er 60 leerlingen zijn die met de auto worden gebracht. Dit zijn nog eens 120 voertuigbewegingen per etmaal. Dit is een worst casebenadering, aangezien sommige leerlingen, zoals broertjes en zusjes, ook een auto zullen delen.

De verkeersaantrekkende werking tenslotte van de woningen bedraagt 6,7 á 7,5 voertuigbewegingen per etmaal per woning, in totaal dus 40,2 á 45.

Alles bij elkaar wordt voor het IKC uitgegaan van een maximale verkeersgeneratie van (171+42+120+45=) 378 voertuigbewegingen per etmaal.

Dit is, zoals gesteld, een worst casebenadering, waarbij sommige voertuigbewegingen dubbel zijn geteld. Daarnaast dient voor de onderbouwing van de motivering te worden beoordeeld wat de toename is van het aantal voertuigbewegingen. De toename is vele malen lager dan de genoemde 378 voertuigbewegingen. Immers is er op de locatie al sprake van een bestaande school, waar ook al leerlingen worden gebracht en gehaald, en het personeel ook al met de auto komt.

Gesteld kan worden dat de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige toename van het verkeer op de locatie.

4.10.3 Conclusie

De aspecten mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.11 Kabels en leidingen

4.11.1 (Wettelijk) kader

Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen.

4.11.2 Toetsing

In en om het projectgebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het projectgebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding.

4.11.3 Conclusie

De aspecten kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.12 Ontplofbare oorlogsresten

4.12.1 (Wettelijk) kader

In de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland oorlogshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat er in en om het projectgebied nog Ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem aanwezig zijn.

4.12.2 Toetsing

Door ECG is een vooronderzoek uitgevoerd om te bepalen of er in het projectgebied een risico bestaat op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Het rapport is als Bijlage 10 bij de motivering opgenomen. Geconcludeerd wordt dat er niet voldoende aanwijzingen zijn dat zich in het projectgebied ontplofbare oorlogsresten bevinden en de locatie wordt daarom als onverdacht beschouwd. Daarnaast hebben er al verschillende bodemroerende activiteiten plaatsgevonden zoals de sloop en bouw van de aanwezige bebouwing en het aanleggen van kabels en leidingen. Bij deze werkzaamheden zijn voor zover bekend ook geen ontplofbare oorlogsresten aangetroffen.

(Graaf)werkzaamheden in het projectgebied kunnen op normale wijze plaatsvinden. Wel moet altijd worden gewerkt volgens het Protocol Toevalsvondst. Bij het aantreffen van verdachte objecten moeten de werkzaamheden worden gestaakt en dient de politie te worden ingeschakeld.

4.12.3 Conclusie

Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.13 Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een initiatief met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van het voorgenomen initiatief, in het kader van de fysieke leefomgeving, een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

4.13.1 (Wettelijk) kader

De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob).

Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een initiatief:

  • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
  • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.

Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het initiatief leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op initiatieven of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

4.13.2 Toetsing

Onder J11 in Bijlage V van het Ob staat vermeld onder welke voorwaarden sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. In kolom 2 staan de voorwaarden wanneer er een mer-plicht geldt. Daar is met deze ontwikkeling geen sprake van. In kolom 3 staan de voorwaarden wanneer een mer-beoordeling moet plaatsvinden. Daaruit blijkt dat bij aanleg, wijziging of uitbreiding een mer-beoordeling verplicht is. Met de ontwikkeling wordt de wijziging van een schoolgebouw door middel van sloop en nieuwbouw beoogd. Er is daarom een verplichting tot een mer-beoordeling. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een project-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd.

4.13.3 Conclusie

Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

4.14 Gezondheid

4.14.1 (Wettelijk) kader

Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd. In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met enerzijds het beschermen van gezondheid en anderzijds het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

4.14.2 Toetsing

Met het plan is sprake van een herontwikkeling van een school en kinderopvang, waarbij het huidige gebouw wordt gesloopt en vervangen door een modern IKC. Eén van de redenen om tot nieuwbouw over te gaan is er in het gebouw sprake is van een slecht binnenklimaat, waardoor het gebouw in de zomer te warm is en in de winter te koud. Daarnaast zijn de buitenruimten traditioneel van aard met enkele losse speeltoestellen.

Het nieuwe gebouw zorgt ervoor dat leraren en leerlingen onder gezonde omstandigheden hun lessen kunnen voeren. De buitenruimte wordt ook verder dusdanig ingericht dat deze meer uitnodigt tot spelen en bewegen, wat de gezondheid van de leerlingen ook ten goede komt. Met een langzaamverkeersroute die langs de school komt te lopen worden de verschillende verkeersstromen gescheiden, wat een gunstig effect heeft op de veiligheid en de gezondheid.

Het realiseren van 6 levensloopbestendige woningen zorgt ervoor dat oudere mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen, op een passende afstand van voorzieningen en daardoor langer vitaal (kunnen) zijn.

Mede gelet op de overige omgevingsaspecten is er in de toekomstige situatie sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

4.14.3 Conclusie

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.15 Duurzaamheid

4.15.1 (Wettelijk) kader

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow).

4.15.2 Toetsing

Met het plan is sprake van een herontwikkeling van een school en kinderopvang, waarbij het huidige gebouw wordt gesloopt en vervangen door een modern IKC. De gebouwen zijn verouderd en de herontwikkeling biedt ruimte om een duurzamere school te ontwikkelen, met meer circulair materiaalgebruik en meer duurzame oplossingen zoals groene daken met daarop zonnepanelen. Het gebouw sluit daardoor beter aan op de moderne eisen. In de vorm van wadi's en nader te bepalen maatregelen wordt hemelwater ook beter opgevangen, en infiltreert het in de grond, waardoor dit schone water niet in het rioolsysteem verdwijnt. Specifiek geldt dat het regenwater niet via zinken dakgoten wordt verzameld, om te voorkomen dat zink uitloogt.

Ook worden in het plan 6 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt. Ook deze woningen worden volgens de moderne (duurzame) eisen aan bebouwing gebouwd

4.15.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid draagt bij aan het verduurzamen van de leefomgeving.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemeen

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan.

Met het TAM-omgevingsplan 'Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde' wordt de herontwikkeling van het projectgebied mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) op basis van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

Omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1509.OP000037-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. projectgebied opgenomen.

5.2 Toedelen van functies aan locaties

Voor de inhoudelijke regels van dit TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van het bestemmingsplan 'Kom Silvolde', vastgesteld op 24 april 2008 door de raad van de gemeente Oude IJsselstreek.

5.2.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele projectgebied:

Artikel 1 Toepassingsbereik: In dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan.

Artikel 2 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.

Artikel 3 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.2 Specifieke regels over functies

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan zijn de functies 'Groen', 'Maatschappelijk' en 'Verkeer' opgenomen. Navolgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze functies nader toegelicht.

Groen

De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen en beplanting, en water en voorzieningen voor de waterhuishouding, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, parkeer- en speelvoorzieningen en onbebouwde gronden.

Maatschappelijk

De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeer- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, en onbebouwde gronden. Gebouwen moeten binnen een bouwvlak liggen.

Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd en kennen een maximale goot- en bouwhoogte zoals aangegeven op betreffende verbeelding. Eventuele bijgebouwen mogen niet hoger zijn dan 2 meter.

Verkeer

De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bedoeld voor wegen en straten, en wandel- en fietspaden, voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en onbebouwde gronden. Gebouwen zijn niet toegestaan. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is maximaal 2 meter, tenzij het wegaanduidingen, geleidingen, beveiliging of regeling van het verkeer betreft.

Wonen

De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen, bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en tuinen en erven. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan en kennen een maximale goot- en bouwhoogte zoals aangegeven op de verbeelding. Overige gebouwen en bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

5.2.3 Algemene regels over functies

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele projectgebied en zijn van algemene aard. Deze worden daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf.

5.2.4 Overgangsregels

In Hoofdstuk 4 staan de overgangsregels. In Artikel 14 wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De herontwikkeling in het projectgebied ten aanzien van het nieuwe IKC gebeurt op initiatief van de initiatiefnemers (basisschool De Plakkenberg en Humankind). De gemeente Oude IJsselstreek en de initiatiefnemers sluiten een samenwerkingsovereenkomst af voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente bekostigt de bouw van het onderwijsdeel en de inrichting van de openbare ruimte.

Ten aanzien van de nieuwe woningen in het projectgebied wordt een anterieure overeenkomst opgesteld tussen gemeente en initiatiefnemer (projectontwikkelaar). In een anterieure overeenkomst zijn de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente opgenomen, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal.

Met de samenwerkingsovereenkomst enerzijds en de anterieure overeenkomst anderzijds is de gehele voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied verzekerd van kostendekking en kostenneutraal voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg is het concept van het TAM-omgevingsplan gedeeld met de verschillende overlegpartners (Waterschap Rijn en IJssel en Provincie Gelderland). Eventuele verkregen relevante opmerkingen en wijzigingen zijn verwerkt in de verdere planuitwerking. Hiermee is de voorgenomen planontwikkeling akkoord bevonden door de verschillende overlegpartners.

6.2.2 Participatie

Voor de ontwikkeling heeft een grondig participatietraject plaatsgevonden, waarbij omwonenden zowel zijn geïnformeerd als zijn uitgenodigd om mee te denken over de ontwikkeling. Hiervoor zijn bijeenkomsten georganiseerd met omwonenden, de school, de kinderopvang, de gemeente en verschillende adviseurs. Ook is een klankbordgroep gevormd met enkele omwonenden. Verder zijn omwonenden geïnformeerd via brieven en het online platform van de gemeente Oude IJsselstreek.

In totaal hebben zes bijeenkomsten plaatsgevonden; drie voor de omwonenden en drie voor de klankbordgroep. Uit deze sessies zijn enkele aandachtspunten naar voren gekomen die gedurende het proces in het stedenbouwkundig kader zijn geïmplementeerd. Het gaat hierbij met name om het aanpakken van water- en parkeeroverlast en het behoud van de groenstrook tussen het IKC en de woningen.

Het participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 12.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit is op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen digitaal ter inzage gelegd en tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Dit heeft niet geleid tot wijzigingen in het plan.