| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14 |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0988.Roermondsew10-ON01 |
Initiatiefnemer heeft het voornemen tot herontwikkeling te komen van de locatie Roermondseweg 10, 12 en 14 te Weert tot een appartementengebouw met 14 koopwoningen en een ondergrondse parkeerkelder.
Het betreft een locatie met kwaliteitsarme uitstraling en deels leegstaande verouderde bebouwing. Het kantoor staat al zeer lange tijd te huur/te koop. De woning is uit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt slecht gepositioneerd, achteraan op het perceel. Hierdoor is er sprake van een vreemde onderbreking van de bebouwing langs de Roermondseweg. Herontwikkeling waarbij de commerciële functie komt te vervallen en hiervoor appartementen in de plaats komen, is een wenselijke ontwikkeling. Uitgangspunt bij de planontwikkeling is dat alle huidige bebouwing gesloopt wordt en vervangen door een nieuw appartementengebouw bestaande uit 14 appartementen verdeeld over vier bouwlagen en een ondergrondse parkeerkelder. Deze parkeerkelder biedt ruimte aan 14 parkeerplaatsen. De overige benodigde parkeerplaatsen zijn op maaiveldniveau voorzien.
Op 22 februari 2024 heeft het bevoegd gezag haar principemedewerking toegezegd voor dit initiatief en woonprogramma, onder de gebruikelijke planologisch relevante voorwaarden en onder de voorwaarde dat er een omgevingsdialoog wordt gevoerd. Verder dient een bijdrage per m2 bvo van de appartementen te worden betaald ten behoeve van de Voorziening Stedelijk Groenfonds. Deze bijdrage wordt gestort in de Voorziening Kwaliteit Leefomgeving.
De gemeente Weert wil aan deze ruimtelijke ontwikkeling in principe medewerking verlenen door de wijziging van het omgevingsplan.
Het voorliggende TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14' voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling voor het project.
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Weert, sectie S perceelnummers 418 en 5257 en ligt in de stad Weert, langs één van de invalswegen naar het historische centrum. De omvang van het plangebied bedraagt 1020 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie (blauw omlijnd) weergegeven:
Figuur: Luchtfoto
Figuur: kadastrale kaart
Voor de delen van het plangebied vigeren de volgende (tijdelijke delen van het) omgevingsplan:
| Naam omgevingsplan | Bestemming en aanduidingen | Vaststelling Raad |
| Bestemmingsplan Binnenstad 2017 | Gemengd Verkeer Waarde - Archeologie hoog bouwvlak bijgebouwen |
26 september 2018 |
| Bestemmingsplan Woongebieden 2019 | Wonen Waarde - Archeologie hoog Waarde - Archeologie middelhoog bouwvlak bijgebouwen detailhandel |
11 maart 2020 |
Figuur: uitsnede vigerend omgevingsplan Binnenstad 2017
Figuur: uitsnede vigerend omgevingsplan Woongebieden 2019
Binnen het plandeel 'Woongebieden 2019' mag het aantal woningen welke bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dat bestemmingsplan niet worden vermeerderd. Het aantal woningen zal toenemen.
Voor beide plandelen geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 9 m; de gewenste bouwhoogte bedraagt 12 m.
Om deze reden dient een procedure voor de wijziging van het omgevingsplan te worden doorlopen, zodat het nieuwe omgevingsplan de kaders biedt voor verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'.
Na dit inleidende hoofdstuk waarin het project beschreven wordt, vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteiten en functies die mogelijk wordt gemaakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 5 betreft het juridisch kader en hoofdstuk 6 gaat over de haalbaarheid, waarna de procedure in hoofdstuk 7 volgt.
In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving ervan. Dit dient als basis voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het gebied rondom de stad Weert bestond tot in de vorige eeuw uit uitgestrekte aaneengesloten bouwlandcomplexen. In de loop der eeuwen ontstonden in dat uitgestrekte akkerbouwgebied boerderijzwermen (met het oog op minimalisering van de afstand naar de akkers), die aaneengroeiden tot gehuchten en nog later uitgroeiden tot kerkdorpen. De stedelijke ontwikkeling van Weert kwam tot bloei door de lakenindustrie.
Op historische kaarten is de groei van Weert goed te zien; tussen 1950 en 1975 is er veel bebouwing toegevoegd:
|
|
|
|
Figuur: Ontwikkeling plangebied en omgeving vanaf 1900 tot 2023
Ommuring en onder meer een imposante kerk gaven blijk van deze rijke periode, die omstreeks de tweede helft van de 17e eeuw eindigde. Na een mindere periode leidden twee belangrijke infrastructurele werken tot nieuwe economische kansen. In de 19e eeuw werden zowel de Zuid-Willemsvaart als de spoorbaan opengesteld. De omwalling werd overbodig, zodat er mogelijkheden tot expansie ontstonden. Met name het kanaal gaf aanleiding tot industriële ontwikkelingen langs deze transportroute, zoals het bedrijventerrein Kanaalzone 1. Het zwaartepunt van de bebouwing in het oosten van Weert lag aan de Leukerstraat, waardoor het kerkdorp Leuken is ontstaan.
Met het toenemen van de werkgelegenheid ontstond behoefte aan woningbouw. Binnen de historische kern waren de mogelijkheden beperkt, zodat erbuiten naar ruimte werd gezocht. Aanvankelijk werd deze gevonden langs de oude uitgaande wegen naar de kerkdorpen en langs het kanaal in de vorm van individuele woningen en kleine projecten. De Roermondseweg (weg van Weert richting Roermond) was één van deze uitgaande wegen waar al in het begin van de 20e eeuw woningen aanwezig waren; het plangebied lag rond 1900 bij de oostelijke grens van de lintbebouwing langs de Maaspoort-Roermondseweg.
Later en vooral na de Tweede Wereldoorlog werd ook buiten deze historische dragers gebouwd in de vorm van grote projecten; delen van Biest, Fatima en Keent (ruim en monumentaal opgezet). Daarna volgens rationele, ruim opgezette uitbreidingsplannen in de vijftiger en zestiger jaren (restant Keent, Biest, Moesel, Leuken en Heiligenbuurt) en de meer gevarieerde plannen uit de 70-er jaren en 80-er jaren van de vorige eeuw (zuidoostelijke afronding Moesel en noordwestelijk deel Fatima). Hiermee waren de 'oude wijken' rond het centrum voltooid en ontstonden vervolgens grotere uitbreidingswijken buiten het centrum met meer gevarieerde bebouwing: Boshoven/Vrakker, Groenewoud, Leuken en Molenakker.
Thans begint in de oudere wijken weer een vernieuwingsproces, soms mede mogelijk gemaakt door de uitplaatsing van grote bedrijven zoals in Keent en Fatima is gebeurd (Sutjensstraat en Beekpoort). Maar ook enkele stadsvernieuwingsprojecten waarbij woningen zijn gesloopt en nieuwe woningen zijn gebouwd, zoals de Leenhof in Leuken, de Spoorstraat en Nieuwstraat in Fatima, de Chroniek in Keent en de Johanna van Meursstraat in de Biest.
De huidige bebouwingssituatie aan de Roermondseweg (tussen de rotondes met de Maaseikerweg en de Onzelievevrouwestraat) bestaat voornamelijk uit (gestapelde) woningen, dienstverlenende bedrijven en detailhandel.
De bouwstijl is zeer divers en varieert van vrijstaande woningen met twee bouwlagen en een kap, tot bovenwoningen boven detailhandel of dienstverlenende bedrijven en appartementengebouwen met 4 woonlagen al dan niet boven dienstverlenende bedrijven.
Aan de achterzijde van het plangebied, aan de Maaseikerweg, ligt een bedrijf in de handel in autobanden.
De omgeving laat zich als volgt schetsen:
Figuur: voorzijde plangebied
Figuur: achterzijde plangebied
Figuur: bebouwingssituatie ten oosten plangebied
Figuur: bebouwingssituatie ten westen van plangebied
Initiatiefnemer wil de bestaande bebouwing geheel slopen en hiervoor in de plaats een appartementengebouw met 14 koopwoningen en een ondergrondse parkeerkelder voor 14 auto's realiseren. Naast het gebouw komen op maaiveldniveau nog eens 6 parkeerplaatsen.
Op onderstaande afbeeldingen is de situering van het nieuwe bouwplan opgenomen, de plattegronden van elke bouwlaag en een 3D-impressie van het straatbeeld aan de Roermondseweg:
Figuur: begrenzing plangebied in vogelvlucht
Figuur: plattegrond begane grond en parkeerkelder
Figuur: plattegrond 1e, 2e en 3e verdieping
Figuur: 3D-impressie Roermondseweg 10-14 na herontwikkeling
De verdiepingen hebben naar boven toe steeds iets terugliggende gevels zodat er voor 5 appartementen een onoverdekte buitenruimte ontstaat. De andere appartementen worden allemaal voorzien van een balkon tussen de andere bouwlagen in.
Op de begane grond is voor elk appartement een berging voorzien.
Deze tekeningen zijn ook als Tekeningen project bij de planstukken gevoegd.
De 14 appartementen worden in gerealiseerd in het hogere segment, waarbij sprake is van dure koop (circa € 425.000,- tot € 780.000,-). Het betreft royale appartementen, variërend van 75 m2 tot 157 m2. Door de aanwezigheid van een lift en de centrale ligging ten opzichte van de centrumvoorzieningen en openbaar vervoer is het een ideaal appartementengebouw voor senioren. De appartementen worden daarom ook levensloopbestendig uitgevoerd.
Onder het appartementencomplex wordt een parkeerkelder voor 14 auto's gerealiseerd, met de mogelijkheid voor een of meerdere laadpalen voor het opladen van elektrische voertuigen. Naast het gebouw komen op maaiveldniveau nog eens 6 parkeerplaatsen welke tevens voor bezoekers van de bewoners kunnen worden gebruikt. De parkeerkelder is toegankelijk vanuit de Geertenhof, aan de achterzijde van het appartementengebouw.
Vanuit de Roermondseweg is, rechts van het appartementengebouw een verbinding voor auto's voorzien richting Geertenhof.
In de parkeergarage worden de 14 parkeerplaatsen voorzien van kentekenaanduiding en buiten wordt bij de 6 parkeerplaatsen een bord met opschrift "parkeren alleen voor bezoekers appartementencomplex" of vergelijkbaar geplaatst.
Op een loopafstand van 500 m bevinden zich meerdere bushaltes aan de Emmasingel. Het NS-station Weert (voor de treinen richting Roermond en Eindhoven) is eveneens te belopen en ligt op een afstand van 950 m.
De openbaar vervoersverbindingen zijn derhalve uitstekend te noemen.
Het bebouwingspercentage van het plangebied bedraagt ruim 50%. Op de onbebouwde gronden komen 6 parkeerplaatsen, een verbindingsweg tussen de Roermondseweg en het Geertenhof, de inrit naar de parkeergarage en de toegang tot de entree aan de linker zijde van het complex.
De resterende en niet te verharden gronden zullen aangeplant worden zodat hittestress enigzins kan worden beperkt en het gebouw fraai wordt aangekleed. Ter plaatse van de voorgevel is dit met relatief lage perkplanten/heesters in de patio-achtige tuin. Dit deel van de erfbeplanting heeft een omvang van circa 100 m2, waardoor er ruimte is voor een zitje en deze tuin een ontmoetingsplek voor de bewoners kan worden. Door de beplanting voornamelijk laag te houden kan er voldoende zon bij de ontmoetingsruimte komen. Op onderstaande figuur is het deel dat voorzien zal worden van erfbeplanting groen weergegeven:
Figuur: erfbeplanting binnen plangebied
Voor een onaanvaardbare aantasting van privacy voor woningen in de omgeving hoeft niet gevreesd te worden. De afstand tot het aan de overzijde van de Roermondseweg gelegen appartementencomplex bedraagt circa 18 m. Deels wordt het zicht gebroken door de aanwezige slanke doch hoge bomen. Een afstand van 18 meter tussen de gevels is niet zodanig dat er sprake is van onaanvaardbare aantasting van privacy. Vanaf de overige zijden van het nieuwe appartementengebouw kan geen inkijk in tuinen of andere woningen plaatsvinden.
Wel zal het nieuwe gebouw meer schaduw veroorzaken dan het bestaande gebouw, maar bij gebruikmaking van de huidige planologische mogelijkheden zou de bouwhoogte ook al tot 9 m mogen worden opgetrokken, hoewel de maximale goothoogte 6 m bedraagt en dus een kapconstructie verplicht is, waardoor deze bouwhoogte 9 m slecht op bepaalde punten gehaald kan worden. Doordat de 4e bouwlaag terugliggend is ten opzichte van de gevels van de onderste bouwlagen, is de extra schaduw in beperkte mate waarneembaar. In elk geval is het zo dat er geen verminderde opbrengst van zonnepanelen te verwachten valt omdat deze ofwel hoger zijn gelegen dan het nieuwe gebouw, ofwel in het zuiden of oosten zijn gelegen.
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteiten toegelicht en worden de activiteiten hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstuk 5 van dit concept gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes.
Het klimaat verandert. De gevolgen hiervan worden steeds duidelijker merkbaar. Denk aan de steeds drogere zomers, heviger regenval en stijgende zeespiegel. Op deze en andere gevolgen van de klimaatverandering moet tijdig worden ingespeeld. Tegelijkertijd moet de overstap worden gemaakt naar duurzame energie. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 een duurzame energievoorziening heeft. Iedereen draagt hier zelf aan bij door bijvoorbeeld zoveel mogelijk woningen aardgasvrij te maken. Maar er zullen ook aanpassingen nodig zijn, bijvoorbeeld met windenergie, die moeten worden ingepast in het landschap. Mensen in de omgeving moeten ook voordelen ervaren van geplaatste windmolens.
Nederland heeft een sterke internationale concurrentiepositie. Vanuit die positie wordt gewerkt aan een nieuw economisch verdienmodel dat duurzaam is en circulair. Door grondstoffen te hergebruiken in de bouw bijvoorbeeld. De overstap naar duurzame energie en het zorgen voor een gezond milieu zijn belangrijk. Ook zullen bedrijven zich hier goed moeten kunnen vestigen met voldoende ruimte voor bedrijvigheid. Daarvoor is het van belang om alle verschillende aspecten te betrekken die hierbij een rol spelen, zodat duurzaam geld verdiend kan blijven.
Veel mensen zijn op zoek naar een geschikte, betaalbare woning. Iedereen wil graag wonen in een prettige omgeving. Een omgeving met voldoende groen en met aandacht voor veiligheid en gezondheid. Denk bijvoorbeeld aan groen en fonteinen op plekken waar het erg warm kan worden (hittestress). Tegelijkertijd is het belangrijk dat de woningen goed bereikbaar zijn door goede fiets- en wandelpaden en aansluiting op het wegennet en het openbaar vervoer. Kortom, het gaat niet alleen om voldoende woningen, maar ook om een aantrekkelijke woonomgeving.
In sommige regio’s staan de natuurlijke systemen en het landschap onder druk. Soms is daar sprake van een verzakkende bodem, onder meer door een te laag waterpeil. Als het waterpeil omhoog wordt gebracht, kan dat gevolgen hebben voor de landbouw en de veeteelt. In sommige gebieden wordt het dan misschien logischer om duurzame energie te produceren in plaats van voedsel. Tegelijkertijd moeten de kwaliteiten van het landschap worden behouden om te kunnen recreëren en ook vanwege het cultureel erfgoed.
In paragraaf 2.2 van onderhavige plantoelichting zijn de aspecten kwaliteit van leefomgeving, bereikbaarheid, groen en water uitgebreid aan de orde gesteld. Tevens in relatie met hoofdstuk 4 kan gesteld worden dat in onderhavig bouwproject voldoende aandacht is voor de afwegingen die op basis van de nationale omgevingsvisie dienen te worden gemaakt.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan wordt het beoordelingskader gevormd door de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele andere instructies. Aan al deze aspecten genoemd in de instructieregels zal getoetst worden in hoofdstuk 5 van onderhavige plantoelichting.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient toetsing aan de ladder plaats te vinden (regionale behoefte, mogelijkheid realisatie in bestaand stedelijk gebied, multimodale ontsluitingsmogelijkheden).
Er is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat: 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.
In casu is er sprake van een toevoeging van 14 appartementen en het slopen van 1 woning waardoor de woningvoorraad per saldo met 13 woningen toeneemt, hetgeen een stedelijke ontwikkeling betreft waarop de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. De stedelije ontwikkeling vindt duidelijk plaats binnen het bestaand bebouwd gebied. Tevens is er sprake van een saneringslocatie waardoor bestaande en ontsierende bebouwing plaats maakt voor een nieuw en duurzaam appartementengebouw.
De 'laddertoets' naar de behoefte aan nieuwe appartementen is op 2 mei 2024 uitgevoerd door SAB. In het rapport, dat integraal als Laddertoets aan de planstukken is toegevoegd, is het volgende geconstateerd:
'Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Weert en het feit dat de harde plancapaciteit in de regio Midden-Limburg onvoldoende kan voorzien in de kwantitatieve opgave vanuit de Limburgse woondeal, wordt geconcludeerd dat het plan met haar netto toevoeging van 13 woningen past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied.
Wanneer wordt gekeken naar de huishoudensprognose/woningbehoefte naar leeftijdscategorie in het "Woningmarktonderzoek regio Midden-Limburg 2018-2030" valt op dat het aantal inwoners binnen de leeftijdsgroepen tot 55 jaar stapsgewijs langzaam afneemt. Het aantal inwoners in de leeftijdscategorieën 55-75 jaar en 75+ neemt juist toe.
Naast de verschillende leeftijdscategorieën is in het woningmarktonderzoek ook onderzoek gedaan naar de verwachting van het aantal eenpersoonshuishoudens in de gemeente Weert voor de periode 2018 – 2030. Hierbij valt op dat er sprake is van een constante groei gedurende deze hele periode van circa 7.160 tot meer dan 8.110. Dit is een toename van bijna 1.000 één-persoonshuishoudens.
Op 15 juni 2022 is de "Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025" vastgesteld. Hierin wordt aangegeven dat uit regionaal woningmarktonderzoek blijkt dat er met name behoefte is aan woningbouw voor senioren, starters, één- en tweepersoonshuishoudens en bijzondere doelgroepen.
De beoogde woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte van het marktgebied. Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling en het tekort aan woningen om aan de vraag te voldoen, maakt dat sprake is van een kwantitatieve behoefte. Daarnaast wordt geanticipeerd op de demografische ontwikkeling binnen de gemeente Weert, alsook de regio Midden-Limburg, door onder andere in te zetten op woningen voor kleine huishoudens. Doordat alle woningen bereikbaar zijn per lift, wordt bijgedragen aan de groeiende vraag naar seniorenwoningen. Het volledige programma bestaat uit koopwoningen, waarmee wordt ingespeeld op de nadrukkelijke vraag naar koopwoningen die volgt uit het Woningmarktonderzoek. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij het ruimtelijk beleid van de regio en gemeente. Dit maakt dat de ontwikkeling van het projectgebied voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van het marktgebied.'
Hiermee wordt dus voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Met name in hoofdstuk 4 van onderhavige plantoelichting zal aan de orde komen waarom c.q. op welke wijze wordt voldaan aan de instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit rijksbeleid staat echter niets aan de ontwikkeling in de weg.
De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.
In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-) water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven).
De Omgevingsvisie is op 1 oktober 2021 door Provinciale Staten vastgesteld.
Met betrekking tot het aspect Wonen is de volgende ambitie in de Omgevingsvisie neergelegd:
Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen. Tijdelijk permanente bewoning toestaan in recreatieparken voor de huisvesting van internationale werknemers en/of woonurgenten voor de duur van maximaal tien jaar en onder (nader te bepalen) voorwaarden als verdienmodel voor toekomstige herontwikkeling of sanering van het park, of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied zijn hiervan voorbeelden (zie hiervoor ook het hoofdstuk economie).
Bij planvorming voor uitbreiding van de woningvoorraad wordt de ladder voor duurzame verstedelijking en de voorkeur voor gebruik van leegstaand vastgoed consequent gehanteerd.
Toevoegingen aan de Limburgse woningmarkt moeten niet alleen van de juiste soort zijn (voldoen aan de specifieke lokale woningbehoefte) en op de juiste locatie zijn, maar moeten in veel gevallen ook gepaard gaan met sloop, zodat de kwantitatieve verhouding in balans blijft. Onder verwijzing naar de separate toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking (toegevoegd als Bijlage 2 ) kan gesteld worden dat het initiatief, dat een herstructureringslocatie betreft en aan alle zijden wordt omsloten door (woon)bebouwing in de kern Weert, binnen het provinciale beleid en de provinciale ambities past.
Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening opgesteld die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.
Hoewel de op 17 december 2021 vastgestelde Omgevingsverordening Limburg hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
Artikel 2.4.2 van de omgevingsverordening heeft betrekking op de planvoorraad 'wonen'. Hierin is bepaald dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:
a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;
e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Figuur: uitsnede kaart 'duurzame verstedelijking' uit Omgevingsverordening
Ad a: De ontwikkeling ligt op de kaart bij de Verordening geheel binnen de zonering 'stedelijk gebied'. Het omzetten van de ene stedelijke functie naar de andere stedelijke functie heeft geen wezenlijk effect en de intensivering van de woonfunctie is niet strijdig met de algemene zonering die de provincie Limburg hanteert. De woonkwaliteit voor mensen is meer dan de kwaliteit van de woning zelf. Ook sociaal- economische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving zijn van belang. Leegstand, criminele activiteiten, ondermijning of verloedering en eenzijdig samengestelde woongebieden hebben invloed op de leefbaarheid en kunnen de kloof in de samenleving vergroten. Schone lucht, de nabijheid van groen - ook om hittestress tegen te gaan-, voorzieningen om wateroverlast tegen te gaan bij extreme buien en de kwaliteit van de openbare ruimte dragen bij aan de omgevingskwaliteit.
Deze woonkwaliteit wordt binnen de kaders van het project gevonden in de appartementen zelf, maar ook de sociale cohesie in een nieuw appartementengebouw waaraan ook gezamenlijke buitenruimte wordt toegevoegd waar de bewoners samen kunnen vertoeven. Deze ruimte wordt, evenals de strook voor de voorgevel, groen aangeplant waardoor in beperkte mate hittestress verminderd kan worden en in elk geval een prettig verblijfsgebied buiten wordt gecreeërd. De nieuwe appartementen liggen op relatief korte afstand van het (winkel)centrum van Weert, en een supermarkt ligt op loopafstand; dit maakt dat het goed wonen is op deze locatie. Voor omwonenden die nu tegen een in onbruik geraakt gebouw aankijken, zal de leefomgeving ook in kwaliteit en levendigheid toenemen. Het leegstaande gebouw dat een doodse aanbilk geeft, zal vervangen worden door een appartementengebouw waarin intensief gewoond en geleefd wordt. Dit komt ook de sociale veiligheid ten goede; oude, leegstaande bebouwing trekt immers vaak vandalisme aan.
Ad b en c: De omgevingsvisie bepaalt dat bij planvorming voor uitbreiding van de woningvoorraad de ladder voor duurzame verstedelijking en de voorkeur voor gebruik van leegstaand vastgoed consequent wordt gehanteerd. Toevoegingen aan de Limburgse woningmarkt moeten niet alleen van de juiste soort zijn (voldoen aan de specifieke lokale woningbehoefte) en op de juiste locatie zijn, maar moeten in veel gevallen ook gepaard gaan met sloop, zodat de kwantitatieve verhouding in balans blijft. Onderhavig project betreft een herstructureringslocatie midden in het bebouwd/stedelijk gebied, waardoor er sprake is van een 'juiste locatie'.
Zoals in paragraaf 3.2.2 (Provinciale Omgevingsverordening) is, vermeld en ook in paragraaf 3.4 ( Structuurvisie Wonen Midden-Limburg) van onderhavige plantoelichting wordt vermeld, is er in casu sprake van bouwen naar reële behoefte (zie ook Bijlage 2, Ladder voor duurzame verstedelijking) en worden appartementen toegevoegd waaraan blijkens de meest recente prognoses zoals vermeld in de paragraaf Limburgse Agenda Wonen 2020 – 2023 ook daadwerkelijk behoefte is.
Ad d: Onderhavig project zal worden toegevoegd aan de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg. Het voornemen wordt toegevoegd in de monitor over 2024, welke in 2025 wordt opgesteld en loopt daarna mee in de jaarlijkse monitoring.
Ad e: In de anterieure overeenkomst welke tussen het bevoegd gezag en initiatiefnemer zal worden afgesloten, zal een bepaling worden opgenomen dat realisatie in ieder geval binnen 5 jaar zijn beslag dient te krijgen. Het voornemen van initiatiefnemer is om het project tot realisatie te brengen direct nadat onderhavig TAM-omgevingsplan onherroepelijk is geworden.
Voor het plangebied zijn er verder geen beperking opgenomen. Het project is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg.
Op 9 maart 2023 hebben het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de provincie Limburg en de Limburgse gemeenten de "Woondeal Limburg – Wonen in Limburg, bereikbaar voor iedereen" vastgesteld. Hierin is opgenomen dat Limburg een bijdrage levert aan de nationale versnellingsopgave door de toevoeging van minimaal 26.550 woningen tot en met 2030 in Limburg. Bovendien heeft de provincie Limburg aangegeven 20.000 woningen bovenop deze aantallen te willen realiseren. Daarnaast bevat de Woondeal een verdeling van de versnellingsopgave over de woonregio's, waarbij de regio Midden-Limburg dient te voorzien in de bruto toevoeging van 3.450 woningen van 2022 tot en met het jaar 2024. In de periode 2025-2030 dienen nog eens 6.900 woningen te worden toegevoegd.
Een eerste blik op de plancapaciteit voor de gemeente Weert wijst uit dat de planvoorraad tot 2024 groter is dan de planbehoefte. Hetzelfde geldt voor de totale regio Midden-Limburg.
Echter, deze plancapaciteit betreft de 'zachte' en 'harde' plancapaciteit samen. Een zachte plancapaciteit kent nog geen juridisch-planologische status en het is daarmee nog deels onzeker of de volledig weergegeven zachte plancapaciteit uiteindelijk ook gerealiseerd zal worden. Daarom geeft de harde plancapaciteit, de hoeveelheid ruimtelijke ontwikkelingen die onherroepelijk vastliggen in een bestemmingsplan of omgevingsplan, een nauwkeuriger beeld van de planvoorraad. Als gekeken wordt naar de harde plancapaciteit in regio Midden-Limburg, dan blijkt dat er iets meer dan 3.500 woningen een juridisch-planologische onherroepelijke status hebben. De discrepantie tussen de bruto woonbehoefte en de harde plancapaciteit betreft iets meer dan 500 woningen voor de korte termijn en meer dan 6.200 woningen voor de lange termijn. Hiermee is er nog voldoende ruimte voor nieuwe woningbouwplannen in de regio.
Onderhavig initiatief zet in op de bouw van levensloopbestendige woningen en zorgt voor doorstroom op de woningmarkt waarbij gezinswoningen die senioren verlaten, vrijkomen voor jonge gezinnen; hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de extra vraag naar woningen welke, blijkens voornoemde prognoses, toch steeds hoger ligt dan verwacht.
Onderhavig initiatief ligt op de juiste locatie (binnen het stedelijk gebied) en voroziet in een behoefte (laddertoets) en is daarmee passend binnen het provinciale beleid en de provinciale ambities.
De Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 t/m 2025, door de gemeenteraad van Weert vastgesteld op 15 juni 2022, is een visie waarmee de bestuurders van de samenwerkende gemeenten en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt.
In deze structuurvisie wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/herstructurering. Zo wordt de leefbaarheid op peil gehouden en een thuis voor (toekomstige) inwoners geboden.
Het aantal inwoners in Weert is 1,0% gegroeid in de periode 2018 tot en met 2021.
Voor de woningbehoefte is niet zozeer het aantal inwoners van invloed. Belangrijker zijn de veranderende bevolkingssamenstelling (ontgroening en vergrijzing) en de afname van de gemiddelde huishoudengrootte. Het aantal 1- en 2-persoons huishoudens is in de periode 2018 tot en met 2020 toegenomen (+2.919) terwijl het aantal 3 en meer persoonshuishoudens is afgenomen (-796). Daarnaast vormen internationalewerknemers economisch bezien inmiddels een onmisbare aanvulling op de afnemende beroepsbevolking.
Het aandeel en aantal ouderen blijft de komende jaren groeien in Midden-Limburg. Het wordt steeds belangrijker om de toegankelijkheid van (bestaande) woningen te vergroten zodat onze inwoners langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Deze opgave is niet alleen via nieuwbouw (levensloopbestendig en/of zorggeschikt) te realiseren maar vraagt veelal ook aanpassing van de bestaande woningvoorraad.
Het aantal inwoners in Weert bedroeg op 1-1-2023 50.872, een stijging van 1017 personen vanaf 1-1-2018. Op basis van de meest recente bevolkingsprognose groeit het aantal inwoners verder tot 52.132 in 2036. Het aantal huishoudens in Weert is in de periode 1-1-2018 – 1-1-2024 (6 jaar) gegroeid met 1279 van 22.239 huishoudens per 1 januari 2018 tot 23.518 huishoudens per 1 januari 2024. De werkelijke groei overstijgt de verwachte groei van het aantal huishoudens op basis van de prognose Etil 2017.
Uit de prognose Etil2021 blijkt dat de top van het aantal huishoudens verschuift van 2034 naar 2037 en dat de groei tot de top van het aantal huishoudens is toegenomen van 23.313 huishoudens in 2031 op basis van Etil2017 naar 24.352 huishoudens in 2037 op basis van Etil 2023. Het aantal huishoudens in Weert neemt vanaf 1-1-20231 tot de huishoudentop (2037) toe met 1040.
De bouwproductie in Weert is met netto 834 woningen in de periode 2018 t/m 2021 (4 jaar) fors hoger geweest dan in de periode 2014 t/m 2017 (4 jaar), toen netto 415 woningen zijn opgeleverd. Weert heeft de ambitie om een gemiddelde productie van 200 - 225 woningen per jaar (periode 2022 t/m 2025) te continueren. Dit zijn elk jaar 100 - 125 woningen extra ten opzichte van de behoefte conform de prognose Etil2021. Weert verwacht ook voor de periode vanaf 2026 in te zetten op een extra ambitie van 100 - 125 woningen per jaar, boven op de autonome groei.
De focus zal de aankomende vier jaar liggen op het bouwen van kwalitatief de juiste woningen, aansluitend bij de lokale en regionale behoefte. Hierbij gelden de volgende speerpunten:
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van 14 levensloopbestendige appartementen aan de Roermondseweg 10-14 zowel uit kwantitatief als uit kwalitatief oogpunt past binnen de beleidskaders van de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022. De transformatie van de slecht gepositioneerde woning en de leegstaande commerciële functie naar appartementen is een wenselijke ontwikkeling en zorgt op deze locatie voor een kwaliteitsimpuls. Het plan is op 7 maart 2023 regionaal afgestemd.
Het plan is derhalve niet strijdig met de regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 t/m 2025.
De gemeenteraad heeft de Strategische Visie ’Werken aan Weert 2030’ vastgesteld. De visie is het resultaat van een participatieproces en een gedegen onderzoek naar de uitdagingen waar Weert de komende jaren voor staat en de kracht waarmee Weert deze uitdagingen tegemoet kan treden.
De volgende waarden zijn op basis van het participatieproces nu en in 2030 belangrijk:
De realisatie van de 14 appartementen voorziet in een behoefte in het woningaanbod voor Weert, zoals in het voorgaande al meerdere malen aan de orde is geweest. Het voldoet daarom aan de waarde ‘Goed wonen voor elke doelgroep’, omdat het programma is gericht op woningen voor ouderen en mensen met verminderde mobiliteit (100%) waarvoor op de huidige woningmarkt nog steeds te weinig aanbod is.
Het plangebied zal worden voorzien van een beperkte groene aankleding zoals in paragraaf 2.2.4 is aangegeven en waardoor de biodiversiteit toeneemt en het natuurlijke groen wat extra koelte brengt in warme perioden. Het appartementengebouw wordt gerealiseerd met duurzame materialen en zal zoveel mogelijk energieneutraal zijn.
De Omgevingsvisie Weert, vastgesteld op 12 juni 2024, bevat een samenhangend kader waarin alle ruimtelijke relevante thema’s betrokken zijn, variërend van water tot bodem, van gezondheid tot veiligheid, van energietransitie tot wonen en van landschap tot economie. De Omgevingsvisie Weert is een dynamisch document dat in de toekomst kan worden bijgesteld. Het schetst een stip op de horizon voor de toekomst van Weert.
Het plangebied is op de visikaart gelegen in het gebied 'Spoorzone', meer specifiek in het gebied met gemengde functies, zoals op onderstaande figuur is te zien:
Figuur: visie kaart
Weert heeft de ambitie op het gebied van wonen om te groeien. In het bestaande bouwblok gelegen tussen de Roermondseweg, Onzelievevrouwestraat en Sint Mathiasstraat zijn er kansen voor inbreiding en transformatie naar wonen. Op de Roermondseweg wordt ingezet op een zachte overgang van wonen naar werken. Onderhavig plangebied bevindt zich binnen deze driehoek.
De dynamische groei van de stad in zuidelijke richting wordt belemmerd door de fysieke en maatschappelijke barrière van de spoorlijn. Door toenemend (goederen-)vervoer per spoor zal de leefbaarheid onder druk komen te staan. De stationsomgeving vormt een belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling, bereikbaarheid en de ontwikkeling van groen/blauwe verbindingen.
Voor het functioneren en de verweving is het essentieel dat de barrièrewerking weggewerkt wordt. Weert zet in op ondertunneling van het spoor om de toenemende mobiliteit per spoor (met bijbehorende effecten) op te vangen. Dit biedt kansen om het stationsgebied te transformeren en te verdichten. Daarmee kunnen verbindingen tussen stadsdelen worden gerealiseerd en wordt ingespeeld op nieuwe mobiliteitsvormen. Met de ruimte die vrijkomt ontwikkelt Weert een nieuw woon- en werkgebied in een parkachtige omgeving. Hiermee kan de economische positie worden versterkt, kan wonen en werken aantrekkelijker worden gemaakt door het beter bereikbaar krijgen van voorzieningen, groen en werk.
De toekomstige spoorzone is een multifunctioneel gebied voor wonen, werken, bedenken en maken. Het wordt daarmee een gebied voor inwoners en ondernemers.
De openbare ruimte wordt zo ontworpen dat de gebieden met elkaar worden verbonden zodat er samenhang ontstaat. Het station zal internationale mallures krijgen door aan te sluiten op het nationale OV-toekomstbeeld. Weert vormt daarin de verbinding tussen Antwerpen en Eindhoven en krijgt kansen voor economische versterking en stimulans van wonen in de grensstreek. Ook zullen fietsverbindingen met omliggende wijken en dorpen aantrekkelijker en veiliger worden gemaakt.
De groen-blauwe structuur parallel naast het spoor vormt een belangrijke landschappelijke drager van het gebied en verbindt het buitengebied met het hart van de stad. Het nieuwe stationsgebied is één van de drie stadsentrées en zal daarop aanhaken. Dit kan worden gedaan door het vergroenen van het Stationsplein, door het realiseren van wonen in een parkachtige omgeving en door het verbinden van de groen-blauwe drager met de binnenstad. Hiermee wordt bijgedragen aan klimaatdoelstellingen, zoals het tegengaan van hittestress en het opvangen van piekbuien. Het huidige spoor vormt een barrière tussen Weert-Zuid en de binnenstad van Weert. Door expliciet ruimtelijke voorrang te geven aan voetgangers en fietsers ontstaat juist méér ruimte om te verblijven en te ‘zijn’. De toekomstige Spoorzone vormt daarmee hét groene hart van de stad.
Er zal een ontwikkelstrategie worden opgesteld voor de Spoorzone/Stationsomgeving voor het realiseren van een duurzaam, mooi en prettig leefbaar gebied, waar gewoond en gewerkt wordt met voldoende voorzieningen én dat onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de binnenstad.
De realisatie van de 14 appartementen voorziet in een behoefte in het woningaanbod voor Weert, zoals in het voorgaande al meerdere malen aan de orde is geweest. Het voldoet daarom aan de waarde ‘Goed wonen voor elke doelgroep’, omdat het programma is gericht op woningen voor ouderen en mensen met verminderde mobiliteit (100%) waarvoor op de huidige woningmarkt nog steeds te weinig aanbod is.
Het plangebied wordt voorzien van een beperkte groene aankleding zoals in paragraaf 2.2.4 is aangegeven en waardoor de biodiversiteit toeneemt en het natuurlijke groen wat extra koelte brengt in warme perioden. Het appartementengebouw wordt gerealiseerd met duurzame materialen en zal zoveel mogelijk energieneutraal zijn.
Uit het bovenstaande blijkt dat onderhavige ontwikkeling goed past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect parkeren en verkeer.
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
De activiteit dient getoetst te worden aan het gemeentelijk beleid of bij gebreke daaraan, aan de CROW parkeernormering.
Het plangebied wordt ontsloten via de Geertenhof. Vanuit de Geertenhof en Maaseikerweg wordt de rotonde bereikt die het verkeer ofwel via de Maaspoort richting het centrum ven Weert leidt, ofwel via de Roermondseweg richting Ringbaan-Oost, om vandaaruit aan te sluiten op de regionale en provinciale ontsluitingswegen.
Op een loopafstand van circa 500 m bevinden zich meerdere bushaltes aan de Emmasingel. Het NS-station Weert (voor de treinen richting Roermond en Eindhoven) is eveneens te belopen en ligt op een afstand van circa 950 m.
De ontsluitingsmogelijkheden en openbaar vervoersverbindingen zijn derhalve uitstekend te noemen.
Om er voor te zorgen dat de parkeerbalans behouden blijft, is het bij nieuwbouwprojecten noodzakelijk om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien. Een adequate parkeernorm wordt hiervoor gebruikt. Het uitgangspunt hierbij is dat parkeren zoveel mogelijk dient te geschieden op eigen terrein. De parkeervraag wordt bekeken op basis van ervaringscijfers dan wel parkeernormen.
De parkeernormen worden bepaald door de geldende CROW-normen op het moment van uitvoering van de plannen. Met name in gebieden waar diverse functies voorkomen vormt de parkeerbalans een belangrijk onderdeel van de bepaling van de parkeerbehoefte; hierbij wordt de parkeerbehoefte op basis van de huidige bebouwing vergeleken met de parkeerbehoefte van de nieuwe bebouwing. De in het CROW parkeernormen neergelegde minimaal en maximaal benodigde parkeerplaatsen voor woningen zijn:
| functie | eenheid | aantal | parkeernorm/eenheid | parkeerbehoefte | aantal parkeerplaatsen op eigen terrein |
| kantoorgebouw zonder baliefunctie woning |
100 m2 BVO woning grondgebonden |
circa 700 m2 2 |
1,8 (schil centrum - sterk stedelijk) 2 |
12,6 2 |
9 1 |
| appartementen | appartement | 14 | 1,6 | 22,4 (23) | 20 |
Zoals op de inrichtingsschets is te zien zijn er binnen het plangebied 20 parkeerplaatsen ingetekend (rood en oranje gekleurd), waarvan 14 in de parkeerkelder onder het gebouw en 6 op eigen terrein in de open lucht.
Figuur: parkeergelegenheid op eigen terrein
In de bestaande situatie laat de voorgaande tabel zien dat er een tekort aan parkeergelegenheid op eigen terrein is ten belope van 4,6 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie is dat tekort 2,4 (3) stuks.
Omdat er aan de zijde van de Roermondseweg een uitrit vervalt, kan deze plek in de langsparkeerstrook toegevoegd worden aan de openbare parkeermogelijkheden; het 'niet parkeren'-kruis behoeft hiervoor slechts te worden verwijderd. Daarmee komt het tekort op 2 parkeerplaatsen.
Fietsen zullen in de bergingen op de begane grond worden gerealiseerd; deze bergingen zijn via de linkerzijde van het nieuwe appartementengebouw te bereiken.
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:
De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het bestaande kantoorpand en de bestaande woning worden gesloopt. Er zal hiervoor in de plaats een appartementengebouw met 14 appartementen en bijbehorende voorzieningen worden gerealiseerd. Een woning/woonperceel betreft ingevolge artikelen 5.89g en h van het Bkl een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Hiertoe dient een onderzoek plaats te vinden naar de kwaliteit van de bodem.
In juni 2024 is een verkennend- en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Aelmans. Hierin is het volgende geconcludeerd:
'Verkennend bodemonderzoek
In het mengmonster van de humeuze bovengrond (bg1) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK aangetoond. Opgemerkt wordt dat het gehalte zink de norm voor sterk verontreinigd benaderd (0,96x) en dat derhalve de triggerwaarde voor nader onderzoek naar zink wordt overschreden. In de resterende bovengrond is maximaal sprake van een licht verhoogd gehalte PCB. In de ondergrond is geen sprake van verhoogde gehaltes. In het grond-water zijn geen overschrijdingen aangetoond.
De hypothese "heterogeen verdacht" wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd.
Aanvullend onderzoek
Vastgesteld is dat de verontreiniging uit mengmonster bg1 humeus zich concentreert in de bovengrond van de boringen 103 en 104. Uit de resultaten van de aanvullend geplaatste boringen volgt dat de boven- en ondergrond ter plaatse van de grasstrook en siertuin tussen de huisnummers 12 en 16 als heterogeen sterk verontreinigd met zink dient te worden beschouwd.
De oppervlakte van het sterk verontreinigde terreindeel bedraagt circa 200 m2. Door de heterogeniteit van de verontreinigingssituatie en ervaring met soortgelijke situaties wordt uitgegaan van een gemiddelde dikte van de sterk verontreinigde laag van 1 meter. Op basis hiervan wordt de omvang van de hoeveelheid sterk verontreinigde grond geschat op circa 200 m3.
Van de bovengrond is vastgesteld dat deze niet verontreinigd is met PFAS (gehalte < normen uit Tijdelijk handelingskader PFAS).
Resumerend kan het volgende gesteld worden:
Dit bodemonderzoek is gebaseerd op een steekproefregime. Eventueel aanwezige andere dan voornoemde bronnen van verontreiniging kunnen derhalve niet worden uitgesloten.
Aandachtspunten
Wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen de verontreinigingscontour dan dienen deze als sanering beschouwd te worden, deze dienen vooraf gemeld te worden bij het bevoegd gezag (melding saneren of melding graven met gehaltes boven de interventiewaarde). De werkzaamheden dienen door een BRL7000 erkend bedrijf onder saneringscondities te worden uitgevoerd en door een BRL6000 erkend bedrijf milieukundig te worden begeleid. Eventueel vrijkomende grond dient naar een erkende verwerker te worden afgevoerd. Graafwerkzaamheden waarbij totaal minder dan 25 m3 grond wordt verzet (bijvoorbeeld voor het (ver)plaatsen van een boom) hoeven niet gemeld te worden bij het bevoegd gezag.'
Het integrale bodemonderzoeksrapport is als Verkennend bodemonderzoek bijgevoegd.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies onder de voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de resultaten van het bodemonderzoek.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig.
Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld.
Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw. Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen.
In deze paragraaf wordt ingegaan op het beschermen van de gezondheid en het milieu tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds (paragraaf 5.1.4.2a, Bkl).
De regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die binnen een geluidaandachtsgebied liggen en voor bronnen met een geluidaandachtsgebied.
Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidbron met een geluidsaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd, moeten maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting zoveel mogelijk terug te brengen.
Indien uit onderzoek volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw dan wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit.
Het gecumuleerd geluid op de gevel wordt beoordeeld als het geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van het geluid in de bestaande situatie.
De beoordeling van het gecumuleerd geluid vindt plaats bij de wijziging van het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit geval van het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een weg of een spoorweg (artikel 5.78ac Bkl).
Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg:
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de 7 geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied wordt de geluidwaarde op het gebouw berekend en beoordeeld. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden.
De Roermondseweg is een weg waar 50 km/uur gereden mag worden. Het plangebied ligt binnen de contour van 200 m van deze weg waardoor het noodzakelijk is om de akoestische belasting van de gevels te bepalen.
Hiertoe is op 26 juli 2024 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door K-Plus. Uit dit onderzoek blijkt het volgende:
'- De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 65 dB.
- De gemeente Weert dient aan de hand van voorliggend onderzoek een afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan.
- In de voorliggende situatie kan als uitgangspunt worden aangedragen dat de woningen bestaande bebouwing vervangen.
- Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de standaardwaarde of lager. De kosten voor deze maatregel voor de Roermondseweg worden geraamd op €70.000,- (200 m * 7m * €50,-) en is daarmee niet financieel doelmatig.
- Het verder naar achteren verplaatsen van de woningen om de geluidbelasting verder te reduceren leidt er niet toe dat wordt voldaan aan de standaardwaarde. Zou de afstand tot de weg bijvoorbeeld worden verdubbeld, dan zal de geluidbelasting op de voorgevel met ca. 3 dB afnemen. Uit stedenbouwkundig oogpunt is het verder van de weg plaatsen niet wenselijk.
- Het plaatsen van scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de inritten van woningen dan niet te bereiken zijn. Een scherm langs een oprit realiseren brengt de verkeersveiligheid in gevaar, het uitzicht op de weg wordt namelijk belemmerd, ook met een glazen scherm.
Het plangebied bevindt zich op circa 240 m ten noorden van de spoorlijn Eindhoven-Roermond. Om te beoordelen of er hinder als gevolg van railverkeer te verwachten valt, is dit aspect ook meegenomen in het akoestisch onderzoek als aangehaald in paragraaf 4.3.2.
Uit dit onderzoek blijkt het volgende:
'De geluidbelasting ten gevolge van het spoor is maximaal 53 dB, waarmee deze aan de standaardwaarde voldoet. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van het spoor geen restricties op aan het plan.'
Aan een deel van de zuidzijde van het plangebied grenst de bestemming 'Bedrijf'. Op deze locatie (Sint Mathiasstraat 1) is geen bedrijf meer gevestigd; het bandenbedrijf is beëindigd en geheel leeggehaald; er vinden geen activiteiten meer plaats.
De bestemming 'Bedrijf' ziet op bedrijven in de milieucategorie 1 en 2. De maximale richtafstand bedraagt 30 m ingeval van een rustige woonwijk en 10 m ingeval van een dynamisch gebied. Het plangebied bevindt zich binnen deze richtafstanden van deze bedrijfsbestemming.
Op het moment dat hier een nieuw bedrijf gevestigd gaat worden, zal dit bedrijf ervoor dienen te zorgen dat ter plaatse van omliggende woonfuncties geen geluidsoverlast zal plaatsvinden. Hiervoor vanuit milieuregelgeving maatregelen te worden getroffen. Op deze manier wordt voorkomen dat ter plaatse van de omliggende woningen en woonpercelen aan de Mathiasstraat 1a, 3 en 5, Maaseikerweg 17, 19 en 20 en de Roermondseweg 16-20 onaanvaardbare akoestische hinder wordt ervaren.
Andersom gezien zorgt het nieuwe appartementengebouw ook niet voor nieuwe belemmeringen voor omliggende functies; deze functies worden primair beperkt door de reeds aanwezige woningen cq woonfuncties.
De maximale gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 65 dB; dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort gemeentewegen. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten.
Het gezamenlijk geluid is maximaal 65 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. Deze minimale geluidwering dient bij het aanvragen van de omgevingsvergunning inzichtelijk te worden gemaakt.
Het gezamenlijk geluid wordt in het omgevingsplan vastgelegd middels het opnemen van de gebiedsaanduiding 'overige zone - gezamenlijk geluid' in relatie tot een gebiedsaanduidig op de verbeelding.
Het akoestisch onderzoek is als Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bij de stukken opgenomen.
De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 65 dB. Reden om geluid boven de standaardwaarde toe te staan, is omdat:
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, mits de geluidwerendheid van de gevels leidt tot een binnenniveau van 33 dB.
Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid. Meestal is geluid de belangrijkste factor. Soms is juist de geurhinder, stofhinder of veiligheid (door opslag van gevaarlijke stoffen) bepalend voor de afstand tot gevoelige functies.
Gemeenten kunnen deels zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn. Daarbij moeten zij wel rekening houden met de landelijk geldende regels.
Bij het toelaten van bedrijven is het van belang dat er geen onaanvaardbare hinder ontstaat voor de omgeving. Bijvoorbeeld door geluid, externe veiligheid of geur. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor de handreiking Milieuzonering nieuwe stijl opgesteld. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.
Vooralsnog dient te worden uitgegaan van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ (2009); hierin is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt:
Bij het toelaten van een nieuwe functie op een locatie dienen alle milieurelevante aspecten te worden gewogen, waarbij het enerzijds gaat om het effect van de milieubelastende activiteit op de omgeving en anderzijds om het effect van bestaande milieubelastende activiteiten op een nieuwe gevoelige functie.
Het nieuwe appartementengebouw betreft een gevoelige functie in relatie tot omliggende bedrijvigheid. In casu is sprake van een dynamisch, gemengd gebied, gezien de aanwezigheid van een aantal bedrijven, detailhandelsvestigingen, dienstverlenende bedrijven, een horecafunctie en fitness op korte afstand van het plangebied.
Binnen een straal van 50 m rondom het plangebied bevinden zich de volgende bedrijven:
| Adres | type bedrijf(sbestemming) | richtafstand dynamisch gebied | afstand nieuwe woonperceel | |
| Sint Mathiasstraat 1 | bedrijf max. cat. 2 | 10 m | aangrenzend | |
| Sint Mathiasstraat 7-7a | communicatieadviesbureau | 0 m | 12 m | |
| Sint Mathiasstraat 9a | taxibedrijf | 10 m | 35 m | |
| Roermondseweg 16-20 | meubelzaak (detailhandel) | 0 m | aangrenzend | |
| Roermondseweg 24 | nagelstudio | 0 m | 44 m | |
| Roermondseweg 11 | dienstverlening | 0 m | 40 m | |
| Roermondseweg 19 | fitness | 10 m | 16 m | |
Het nieuwe appartementengebouw zal worden gerealiseerd binnen de richtafstand van de Sint Mathiasstraat 1 (voormalige handel in autobanden). Op deze locatie is geen bedrijf meer gevestigd; het bandenbedrijf is beëindigd en geheel leeggehaald; er vinden geen activiteiten meer plaats.
De bestemming 'Bedrijf' ziet op bedrijven in de milieucategorie 1 en 2. De maximale richtafstand bedraagt 10 m vanwege het aspect 'geluid' ingeval van een dynamisch gebied. Het plangebied bevindt zich binnen de richtafstand van deze bedrijfsbestemming.
Op het moment dat hier een nieuw bedrijf gevestigd gaat worden, zal dit bedrijf ervoor dienen te zorgen dat ter plaatse van omliggende woonfuncties geen geluidsoverlast zal plaatsvinden. Hiervoor vanuit milieuregelgeving maatregelen te worden getroffen. Op deze manier wordt voorkomen dat ter plaatse van de omliggende woningen en woonpercelen aan de Mathiasstraat 1a, 3 en 5, Maaseikerweg 17, 19 en 20 en de Roermondseweg 16-20 onaanvaardbare akoestische hinder wordt ervaren.
Andersom gezien zorgt het nieuwe appartementengebouw ook niet voor nieuwe belemmeringen voor omliggende functies; deze functies worden primair beperkt door de reeds aanwezige woningen cq woonfuncties. De functies wonen enerzijds en detailhandel, dienstverlening, maatschappelijk of horeca anderzijds vormen geen belemmering voor elkaar en zijn om die reden in het vigerende bestemmingsplan ook binnen één en dezelfde bestemming opgenomen.
Er kan derhalve worden gesteld dat qua milieuzonering wordt voldaan aan de methodiek van de handreiking Milieuzonering er dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden zijn opgenomen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling.
In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
Artikel 5.54 (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) van het Bkl geeft het volgende aan:
Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 ug/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van:
Het onderhavige project valt met het te slopen kantoorgebouw en woning en realisatie van een appartementengebouw voor 14 appartementen met een parkeerkelder zonder meer onder de 'standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit', waardoor ze geen substantiële bijdrage leveren aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De woningen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen.
Volgens de kaarten van het RIVM is de actuele concentratie PM10 in Weert circa 14 ug/m3 en de concentratie NO2 circa 11 ug/m3 . De jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 bedraagt 40 ug/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 ug/m3.
De daggemiddelde norm van 50 ug/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 ug/m3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 ug/m3 jaargemiddeld (Bron: www.rivm.nl).
Met een actuele waarde (d.d. 15 mei 2024) onder de 15 ug/m³ wordt bij nieuwe gevoelige ontwikkelingen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan. Ook wordt voldaan aan de waarden uit de EU richtlijn luchtkwaliteit die per 2030 gaan gelden.
Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit in Weert goed te noemen.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies en vormt dit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ook de aanwezigheid van geitenhouderijen, endotoxinen en spuitzones hebben effect op de gezonde fysieke leefomgeving. Deze aspecten zullen in onderhavige paragraaf aan de orde komen.
Tevens zal hierin worden vermeld welke gezondheidseffecten vanuit het project zelf te verwachten zijn.
Het aantal geiten is in Limburg is toegenomen van ca. 46.000 in 2016 naar 61.000 dieren in 2018. In 2018 gaat het daarbij om 44.000 melkgeiten (72%). Het aantal gespecialiseerd melkgeitenhouderijen nam toe van 22 in 2016 naar 25 in 2018. Ook Weert en omgeving herbergt gespecialiseerde geitenhouderijen.
Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 1,5 - 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen.
De provincie Limburg heeft gelet op die gezondheidseffecten in mei 2019 een voorbereidingsbesluit genomen op basis waarvan het verboden is om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het direct aan de inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit voorafgaande aanwezige aantal geiten binnen een inrichting. Dit verbod is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan tien geiten zullen worden gehouden.
Plandeelspecifiek:
Het nieuwe appartementengebouw heeft een woonfunctie welke effecten kan ondervinden van in de omgeving gelegen geitenhouderijen. De meest nabijgelegen geitenhouderij ligt aan de Wijffelterbroekdijk te Altweerterheide, op een afstand van ruim 5 km ten zuidwesten van de het plangebied. Deze afstand is, refererend aan de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden, dus groot genoeg om ervoor te zorgen dat de nieuwe bewoners geen gezondheidsrisico's zullen ondervinden.
De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van ruimtelijke ordening en milieu. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen.
Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Als deze organismen afsterven, komen de endotoxinen vrij. De endotoxinen binden zich aan bacterieresten, stofdeeltjes of waterdeeltjes. Ze kunnen zich gemakkelijk in de omgeving verspreiden. Het inademen van endotoxinen kan leiden tot ontstekingsreacties en luchtwegaandoeningen. Maar endotoxinen kunnen ook beschermende effecten hebben, bijvoorbeeld minder allergie.
De Gezondheidsraad hanteert in het rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies’ (2018) een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd.
Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) hebben de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Uit bijlage N: 'figuren overschrijdingsafstanden uit modelberekeningen' behorende bij het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering’ van WUR (2016) (endotoxinerapport) valt af te lezen dat in de regio Noord-Limburg op een afstand van meer dan 550 meter gemeten vanuit welke intensieve veehouderijtak dan ook, geen overschrijding van de norm voor endotoxinen plaatsvindt.
In 2019 is een 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden'-deelstudie uitgevoerd in een nieuw gebied (Gelderland, Utrecht en Overijssel). In dit onderzoek was de specifieke relatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking niet zichtbaar. Wel zagen de onderzoekers relatief grote verhogingen van het aantal longontstekingen in plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderijen. Vanwege de relatief hoge emissie van fijnstof blijven mogelijke gezondheidseffecten in regio’s met veel pluimveehouderijen in vervolgonderzoek een punt van aandacht.
Locatiespecifiek:
De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich in ieder geval buiten de afstand van 1,5 km vanaf het plangebied. Binnen een afstand van 550 meter kunnen vanuit planologisch oogpunt ook geen nieuwe intensieve veehouderijactiviteiten worden ontplooid, waardoor er geen belemmering is voor de toevoeging van de nieuwe woonfunctie. Gezondheidseffecten als gevolg van endotoxinen zijn niet aanwezig.
Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn COVID-19, de ziekte van Lyme, Q-koorts, toxoplasmose, salmonellose en vogelgriep. Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen er op verschillende manieren mee besmet raken? via voedsel of water of lucht, en via direct contact met besmette dieren of besmet dierlijk materiaal zoals mest. Ook kunnen verwekkers van zoönosen via teken en muggen worden overgebracht.
Hoe groot de afstand moet zijn tussen veehouderijen en woningen om zoönosen bij omwonenden te voorkomen te kunnen spreken van een veilige afstand, is op dit moment niet te bepalen. Dit komt door het gebrek aan betrouwbare informatie over de risico’s voor omwonenden en de verschillen in lokale omstandigheden zoals de gehouden diersoorten, het type huizen en het soort zoönose. Wel zijn er onderzoeken gedaan op basis waarvan een afstandsadvies tussen bedrijven onderling kan worden gegeven om besmetting tussen bedrijven te voorkomen. Deze onderzoeken zijn niet specifiek gericht op ziekteverwekkers. In sommige gevallen zijn ziekteverwekkers wel onderzocht, maar dan alleen die ziekteverwekkers waar dieren ook (erg) ziek van worden. Deze onderzoeken waren specifiek gericht op de verspreiding ervan tussen bedrijven met dieren die (zeer) gevoelig zijn voor bepaalde ziekteverwekkers.
Wel is bekend dat het risico op zoönosen voor omwonenden voor een groot deel wordt bepaald door de hygiënestatus op een veehouderijbedrijf. Een bedrijf waar de hygiënemaatregelen correct worden gehanteerd heeft minder insleep (meebrengen van infectieziekten via overgebrachte dieren) en uitstoot van micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor omwonenden.
Aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, is een bij de vaststelling van een bestemmingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter primair zijn regeling in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.
Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen.
De provincie Limburg heeft in de Omgevingsvisie Limburg gekozen voor het voorlopig handhaven de bestaande geitenstop, waartoe in 2019 een voorbereidingsbesluit was genomen, op basis waarvan het verboden was om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het aanwezige aantal geiten binnen een inrichting.
Locatiespecifiek:
In een straal van ruim 5 km rondom het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen.
Daarom is er sprake van een goede en gezonde leefomgeving gerelateerd aan het aspect 'zoönose'.
Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6).
Locatiespecifiek:
In de ruime omgeving (1,5 km) rondom het plangebied zijn geen agrarische percelen van derden gesitueerd die agrarisch (mogen) worden gebruikt voor het telen van gewassen.
Daarom is er sprake van een goede en gezonde leefomgeving gerelateerd aan het aspect 'spuiten van gewassen'.
Het project ziet op de sloop van een verouderde en niet goed gesitueerde woning en een leegstaand kantoorpand; hiervoor in de plaats wordt een appartementengebouw met 14 appartementen en een parkeerkelder gerealiseerd.
Dergelijk nieuw appartementengebouw heeft geen ander gezondheidseffect dan het bieden van wooncomfort voor met name senioren in een duurzaam vormgegeven appartement dat voorzien is van voldoende parkeerruimte en een lift; de appartementen bieden op één niveau het gehele woonprogramma om zonder trappen en opstapjes door de woning te kunnen bewegen. Tevens zal er op eigen terrein van de vereniging van eigenaren een kleine buitenruimte worden gerealiseerd waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en van een klein stukje natuur kunnen genieten.
Het leven in een gezonde omgeving leidt tot een hogere mate van welbevinden en heeft op zijn beurt een positief gezondheidseffect.
Voor omliggende functies zijn er redelijkerwijs geen gezondheidseffecten te verwachten als gevolg van het project.
Het project leidt niet tot gezondheidsrisico's voor omliggende functies en andersom worden de gevoelige functies binnen het project niet belemmerd door van buiten komende gezondheidsrisico's.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, explosies, gifwolken en dergelijke.
Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. Het bevoegd gezag dient binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening te houden met het groepsrisico; indien sprake is van een verhoogd risico dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
Het betreft de volgende activiteiten:
Aandachtsgebieden (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl) gelden van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
In het Bkl staan instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Volgens de Signaleringskaart ligt in de directe omgeving van het projectgebied (straal van 1 km) géén risicovolle inrichting. Het projectgebied is wel gelegen binnen het gifwolkaandachtsgebied langs de spoorlijn Eindhoven-Roermond, zoals op onderstaande uitsnede (met details) uit de signaleringskaart is te zien:
Afbeelding: uitsnede signaleringskaart
Het gifwolkaandachtsgebied is het gebied waarbinnen een concentratie giftige stoffen binnenshuis bereikt wordt die groter is dan de Levensbedreigende Waarde bij 30 minuten blootstelling.
Hoewel onderhavig ruimtelijk plan mogelijk tot enige toename van de personendichtheid leidt, betekent dit toch dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege:
De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:
Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.
Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij 'optimale' weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen.
Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.
Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert.
De bewoners van het appartementengebouw zullen worden geïnformeerd over de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen op het spoor. Hierbij zal worden vermeld wat het juiste handelingsperspectief (schuilen, vluchten) is bij een ongevalsscenario, en de veilige vluchtroutes van de risicobron af bij het ontvluchten van het gebouw.
Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden.
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, ervan uitgaande dat de bewoners van de appartementen goed worden geïnformeerd wat te doen ingeval van een incident op de spoorlijn.
Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De gemeente en/of de initiatiefnemer moet de opvattingen van de waterbeheerders betrekken bij het (wijzigen van het) omgevingsplan.
Nationaal bestuursakkoord water
Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het Rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekent. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen.
Relevante aspecten uit het NBW zijn:
• Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen.
• Toepassen van de trits schoonhouden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken.
• Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW-normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (neerslaggebeurtenis die statistisch berekend eens in de 100 jaar voorkomt).
Het beleid van het Waterschap Limburg is vastgelegd in de Waterschapsverordening. Dit besluit is in werking getreden per 01-01-2024. In de Waterschapsverordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in het werkgebied. Met deze regels worden de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden in Limburg beschermd. Deze regels bevatten een verbod op het lozen in een oppervlaktewater zonder vergunning of vrijstelling.
In het kader van het beleid van het Waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.
Vanuit het Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten als wens:
Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd.
Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom.
Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen.
Schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool.
Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen.
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur.
Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
In het Gemeentelijk Rioleringsplan Weert 2017-2021 (GRP) is bepaald dat goede riolering nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Een van de daarin opgenomen zorgplichten zien op het omgaan met stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen.
In het GRP is opgenomen dat riolering is aangelegd om:
a. de volksgezondheid te beschermen;
b. droge voeten te houden;
c. een goede leefomgeving te bevorderen.
Belangrijke is het gescheiden aanleveren van waterstromen bij de perceelgrens, afkoppelen van hemelwater en het infiltreren en/of vasthouden van hemelwater.
Op ruime afstand van het plangebied bevindt zich een primaire waterloop in de vorm van de Houtstraatlossing, welke aan de zuidzijde van de spoorlijn stroomt, zoals ook uit onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap blijkt.
Figuur: uitsnede legger waterschap
Tussen het plangebied en de Houtstraatlossing bevindt zich een woongebied en het spoor; de afstand tussen beide bedraagt circa 300 m.
Het project heeft derhalve geen enkel effect op het oppervlaktewater.
Afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem dat onder de Roermondseweg loopt.
De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van de omgeving van Weert (buiten het centrum) bedraagt volgens de algemene kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van het Waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. Uit het geohydrologisch onderzoek, uitgevoerd door Econsultancy en als bijlage bij de planstukken gevoegd, blijkt het volgende:
'De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën). Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide k-waarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde.
Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als matig tot goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,2 en 8,5 m/dag zijn aangetoond.
Op de planlocatie is een sterke variatie in doorlatendheid gemeten. Ter plaatse van boring 2 en 3 is de bodem wellicht meer geroerd door de aanwezige kabels en leidingen. Daarnaast is bij boring 3 een veenlaag aangetroffen die de doorlatendheid sterk kan verlagen. In de berekening van de gemiddelde k-waarde is meting b03 daarom buiten beschouwing gelaten.
Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van 1,2 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,253. Gezien de onderzochte bodemlagen bestaan uit sterk siltig, zeer fijn zand, zijn de gemeten k-waarden hoger dan verwacht kan worden bij dergelijke grondsoorten. Om deze reden en omdat er sterk zandige leemlagen zijn aangetroffen, is er met een hogere veiligheidsfactor gerekend dan gebruikelijk. Met inachtneming van een veiligheidsfactor wordt rekening gehouden met de geleverde onderzoeksinspanning (puntmetingen) en verschillende (tijdsafhankelijke)factoren en veldomstandigheden waardoor de infiltratiecapaciteit in de tijd kan wijzigen.
Bij het maken van de keuze voor het type (infiltratie)voorziening (dimensionering) is het naast de bodemsamenstelling en waterdoorlatendheid tevens van belang rekening te houden met de Gemiddelde Hoogste grondwaterstand (GHG), het afstromend verhard oppervlak en het beleid van het bevoegd gezag.'
De actuele grondwaterstand lag ten tijde van het onderzoek op 1,1 m -mv tot 1,2 m -mv. Het betrof een zeer natte periode zodat ervan kan worden uitgegaan dat deze grondwaterstand ook de gemiddelde hoogste grondwaterstand betreft.
Bij het aanleggen en dimensioneren van de hemelwaterinfiltratievorozieningen zal met het advies uit het geohydrologisch onderzoek rekening worden gehouden.
Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt uitgegaan van een nuttige inhoud van minimaal 100 millimeter maal het aangesloten verharde en/of overkapte oppervlak. De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,1 m.
Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de hoeveelheid regenwater te verwerken dat gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd (nieuw) afvoerend verhard oppervlak (bebouwing inclusief extra erfverhardingen) binnen het plangebied valt.
Het hemelwater afkomstig van het appartementengebouw inclusief nieuwe erfverharding (totaal verhard oppervlak van circa 870 m2) wordt geborgen via kratten, aquaflow of een vergelijkbare voorziening onder de 4 nieuw te realiseren parkeerplaatsen in de openlucht en onder de groenvoorziening in het zuidoostelijke deel van het plangebied.
De benodigde opvangcapaciteit bedraagt 870 m3 x 0,1 = 87 m3.
Door onder de parkeergelegenheid en het niet te bebouwen deel van het plangebied infiltratiekratten boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand neer te leggen, wordt de benodigde infiltratiecapaciteit behaald.
In het kader van het wettelijk vooroverleg is onderhavig plan ook besproken met het Waterschap.
<PM: na vooroverleg hier reactie van waterschap toevoegen>
Vanuit het aspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
De gemeente Weert streeft naar het zo klimaat-vriendelijk en zo veel als mogelijk energie-neutraal bouwen. Een en ander volgens het "cradle to cradle" principe. Het toepassen van bouwmaterialen en bouwtechnieken die hier invulling aan geven heeft de voorkeur volgens het beleid van de gemeente Weert.
Afdeling 3.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving stelt dat een bouwwerk voldoende energiezuinig dient te zijn.
Het binnen het plangebied te realiseren appartementengebouw zal in ieder geval 'bijna energieneutraal' zijn. In onderhavig plan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien cq daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen:
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.
Essentieel voor een goede beleidsuitvoering is een gedegen en actueel inzicht in de archeologische waarden op het gemeentelijke grondgebied. In 2009 is door de gemeenten Weert en Nederweert opdracht gegeven aan archeologisch onderzoeksbureau RAAP om een archeologische waardenkaart op te stellen. Bij de kaartenset behoort een toelichting die naast een landschappelijk, archeologisch en historisch overzicht, een onderbouwing bevat van de keuzes en indeling op de uiteindelijke beleidskaart. Beleidskaart en beleidsnota vormen samen de noodzakelijke basis voor het archeologiebeleid van de gemeenten.
De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is door beide gemeenten vastgesteld. De kaart omvat de locaties en gebieden die in aanmerking komen voor planologische maatregelen gericht op behoud, inpassing en eventueel toekomstig onderzoek in het kader van verdere planontwikkeling. Conform de indeling op de archeologische beleidskaart worden voor de categorieën hoog en middelhoog waarden in het bestemmingsplan opgenomen.
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidskaart (update 2018) weergegeven waarbij het te ontwikkelen plangebied en de bijbehorende categorie zijn aangeduid.
Figuur: uitsnede archeologische beleidskaart
Binnen het plangebied is sprake van gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2 respectievelijk 2500 m². Gelet op het feit dat er een parkeerkelder wordt aangebracht is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is noodzakelijk.
Op 4 oktober 2024 is door Econsultancy BV een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierin zijn de volgende bevindingen gedaan:
'Op basis van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een lage gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Vanwege de ligging binnen nabij de historische kern van Weert en aan een historische weg worden met name archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het plangebied verwacht.
Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.
Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Uitgaande van de bouwdossiers is de kans groot dat ter plaatse van Roermondseweg 10-12 de bodem al diep verstoord is door de aanwezige kelders en funderingen. Ter plaatse van Roermondseweg lijkt dit minder te zijn, vooral aan de straatzijde. Het advies is daarom om het proefsleuvenonderzoek in eerste instantie te beperken tot de voortuin van Roermondseweg 14 en als daar een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen de grenzen van deze vindplaats op te zoeken (zie kaart 18). Het advies is verder dat het proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd na de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing zodat er voldoende ruimte is voor het proefsleuvenonderzoek.
Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Weert), die vervolgens het advies over neemt of niet.
Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Weert wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Weert op de hoogte te stellen.'
Het archeologisch onderzoek is als Archeologisch onderzoek aan de planstukken toegevoegd.
Om uit te sluiten dat archeologische waarden zullen worden aangetast, dient in eerste instantie een proefsleuvenonderzoek ter plaatse van de voortuin van de Roermondseweg 14 te worden uitgevoerd; als daar een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen dienen de grenzen van deze vindplaats opgezocht te worden.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Locatiespecifiek:
Het te ontwikkelen deel van het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Oppervlaktewater is binnen het plangebied niet aanwezig.
Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van diverse Natura 2000-gebieden die allen op een afstand van meer dan 4 km van het plangebied zijn gelegen:
Figuur: Natura 2000 ten opzichte van plangebied
Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten. Er dient te worden aangetoond dat met het beoogde plan geen negatieve effecten worden voorzien op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Wanneer het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk. De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Stikstofdepositie
De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan door bewoners en bezoekers.
De berekening van het effect van de beoogde situatie met peiljaar 2025 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator door Stammen Projecten uitgevoerd op 13 juni 2024 (zie bijlage Aeriusberekening) voor wat betreft de aanleg- en gebruiksfase.
Het projecteffect voor de realisatie en gebruik van het appartementengebied met 14 appartemenen op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof.
Quickscan flora en fauna
Het te ontwikkelen deel van het plangebied is op dit moment grotendeels bebouwd, welke bebouwing gesloopt gaat worden. Het overige deel bestaat uit een voortuin met gazon en enige lage beplanting.
De kans dat de aanwezige bebouwing ook onderdak biedt aan diersoorten is niet onaannemelijk. Uit ecologisch onderzoek (veldwerk) zal moeten blijken of deze diersoorten bescherming verdienen en of er sprake is van beschermde plantensoorten.
Op 4 juni 2024 is door Faunaconsult, naar aanleiding van ecologisch veldwerk, een, integraal als bijlage bijgevoegde, rapportage opgesteld. Hierin is het volgende geconstateerd:
'Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen (deze zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.28 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Algemene vogels
In de vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.
Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf
De te slopen garage bevat mogelijk vleermuisverblijven. De sloop van dit gebouw kan leiden tot verstoring van vleermuizen of vernietiging van hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig:
- 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken);
- 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 augustus – 1 oktober (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).
Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gewerkt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK MP 05 of VK MP 08 (te bestellen bij vivarapro.nl), of VMT1, VMT1a of VMT2 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen/renoveren panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door werkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.'
De Omgevingswet bevat een regeling met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving.
Naast de algemene zorgplicht welke in artikel 11.28 van het Bal is opgenomen, is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan.
Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor het project en het aspect ecologie dient voor wat betreft de aanwezigheid van vleermuizen ter plaatse van de Roermondseweg 14 nader onderzocht te worden. De rapportage van het vervolgonderzoek moet nog volgen.
Verder dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen.
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de wijziging van het omgevingsplan.
Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit)
In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:
en
1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Met het planvoornemen worden 14 appartementen gerealiseerd. Voorgenomen ontwikkeling betreft hiermee een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject is een mer-plicht niet van toepassing (zie onderstaande tabel 4.1, kolom 2). Er is sprake van aanleg, wijziging of uitbreiding, waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt (zie tabel 4.1, kolom 3):
Tabel: Onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit
Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Aan de hand van de bevindingen, zoals beschreven in de aanmeldnotitie, kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met:
1. De kenmerken van het project
2. De plaats van het project
3. De kenmerken van het potentiele effect
sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten.
Voor onderhavig planvoornemen is dan ook een notitie MER-beoordeling opgesteld (bijgevoegd als Notitie MER-beoordeling); hieruit blijkt dat er geen sprake is van overschrijding van grenswaarden. De potentiële effecten zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg hebben die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maken.
Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de aan de orde zijnde activiteiten op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
Voor de systematiek van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14' is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor de diverse deellocaties. Het TAM-omgevingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen in het plangebied alsmede vormt het TAM-omgevingsplan een bindend kader voor het gebruik van gronden en opstallen in het gebied.
Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat.
Er is gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de functies zijn beoordelings- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een functie gekregen. Binnen een functie kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven.
Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd.
De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in:
Om misverstanden over de toepassing en interpretatie van het TAM-omgevingsplan te voorkomen worden in de begripsbepalingen (artikel 1) de verschillende in het plan voorkomende begrippen nader omschreven ook om de eenduidigheid bij het gebruik van het plan te bevorderen. Bij de meet- en regelbepalingen (artikel 2) wordt beschreven hoe voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan bepaalde maten gemeten dienen te worden.
Alleen de begrippen en meet- en regelbepalingen die nodig zijn voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan zijn opgenomen.
De regels, behorende bij de verschillende in het plan voorkomende functies, zijn opgebouwd volgens een vast stramien. Elk artikel is opgebouwd volgens de onderstaande standaardindeling:
Één en ander uiteraard voor zover in dit specifieke plan van toepassing.
In het voorliggende 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14' komt slechts de functie Wonen voor, bedoeld voor wonen met daaraan ondergeschikt het uitoefenen van een beroep aan huis, met de daarbij behorende balkons, dakterrassen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, paden en verhardingen, parkeervoorzieningen, tuinen en erven en waterpartijen.
Als dubbelfunctie ligt over het gehele plangebied de waarde Archeologie (hoog respectievelijk middelhoog) ter bescherming van de aldaar voorkomende waarden in de bodem.
In het TAM-omgevingsplan is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft hier een aantal algemene bouw- en gebruiksregels en een aantal algemene afwijkingsregels.
Tenslotte zijn bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het TAM-omgevingsplan.
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn eigendom van intiatiefnemer en zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.
Kostenverhaal is geregeld in een tussen de gemeente Weert en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst, waarin afspraken zijn gemaakt over bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Tevens is een overeenkomst nadeelcompensatie afgesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden nadeelcompensatie (na verlening van een omgevingsvergunning) niet voor rekening van de gemeente Weert komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
Als er een omgevingsvergunning verleend wordt, en als op grond daarvan schade wordt veroorzaakt, dan is artikel 4.5 Awb van toepassing. Het bevoegd gezag sluit met initiatiefnemer een overeenkomst tot verhaal van de kosten aan nadeelcompensatie welke rechtstreeks te herleiden zijn tot de omgevingsvergunning.
Op 23 april 2024 zijn omwonenden en eigenaren en gebruikers van omliggende gronden schriftelijk door initiatiefnemer in kennis gesteld en uitgenodigd om tijdens een plenaire sessie op 13 mei 2024 een presentatie van het project bij te wonen. Van deze bijeenkomst is een verslag gemaakt dat aan het bevoegd gezag ter hand is gesteld en aan de genodigden is verzonden. Specifieke aspecten die tijdens de participatie aan de orde kwamen en als gevolg waarvan aanpassingen aan het project zijn aangebracht betreffen parkeren (ook voor hulpverleners) en hemelwaterinfiltratie. In onderhavig plan is hieraan aandacht besteed.
Een planwijziging die tijdig is gestart met gebruikmaking van TAM-IMRO ook moet worden afronden met TAM-IMRO.
De gemeenteraad moet in het officiële publicatieblad een kennisgeving plaatsen dat zij voornemens is om (een wijziging van) het omgevingsplan vast te stellen (art. 16.29 Ow). Bij de kennisgeving moet de raad aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
Doel van deze kennisgeving is dat belanghebbenden en belangstellenden van dit voornemen op de hoogte zijn en actief kunnen participeren in het totstandkomingsproces. De manier waarop en de mate waarin dit kan, hang af van gemeentelijke keuzes over participatie en inspraak.
Deze kennisgeving heeft plaatsgevonden op 24 juli 2024.
Om belanghebbenden en belangstellenden te betrekken bij wijziging van het omgevingsplan is het belangrijk vroegtijdig in het traject afstemming en participatie te organiseren. Door het vroegtijdig ophalen van inbreng uit de omgeving wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van betrokkenheid en het meenemen van meerdere belangen in de besluitvorming.
Op 23 april 2024 zijn omwonenden en eigenaren en gebruikers van omliggende gronden schriftelijk door initiatiefnemer in kennis gesteld en uitgenodigd om tijdens een plenaire sessie op 13 mei 2024 een presentatie van het project bij te wonen. Van deze bijeenkomst is een verslag gemaakt dat aan het bevoegd gezag ter hand is gesteld en aan de genodigden is verzonden. Specifieke aspecten die tijdens de participatie aan de orde kwamen en als gevolg waarvan aanpassingen aan het project zijn aangebracht betreffen parkeren (ook voor hulpverleners) en hemelwaterinfiltratie. In onderhavig plan is hieraan aandacht besteed.
Op basis van de uitkomst van de participatie is het project aangepast en is het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Dit is de start van de formele procedure om tot vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan te komen.
Mededeling van terinzagelegging van het ontwerpbesluit en eventuele relevante aanvullende stukken vindt plaats door integrale weergave van het ontwerpbesluit in het gemeentelijk publicatieblad.
De mededeling van het ontwerpbesluit vindt plaats via de 'Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen' (LVBB).
Het is verplicht om de stukken zowel elektronisch als fysiek ter inzage te leggen gedurende de terinzageleggingstermijn. Onder huidige jurisprudentie is fysieke terinzagelegging ook in digitale vorm mogelijk door de stukken beschikbaar stelt op een computer op het gemeentehuis.
Het ontwerp-omgevingsplan en de overige bijbehorende stukken liggen gedurende 6 weken ter inzage (artikel 3:11 Awb). Gedurende de termijn van inzage kan iedereen zienswijzen inbrengen.
Na afloop van deze inzagetermijn worden de ingediende zienswijzen beschouwd en beoordeeld of deze aanleiding geven tot wijzigingen van het project. Hiertoe zal een nota van zienswijzen worden opgesteld waarin per zienswijze wordt aangegeven wat het gemeentelijk standpunt is.
De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. Bij de vaststelling wordt aangegeven welke rol participatie heeft gespeeld.
Het besluit wordt wederom bekendgemaakt door publicatie in het gemeenteblad via de LVBB. Belanghebbenden kunnen tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan, binnen 6 weken na bekendmaking ervan, in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt.