direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0988.Roermondsew10-ON01

Regels

Regels TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Roermondseweg 10-14 en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Weert.

Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld via de landelijke voorziening ruimtelijke plannen (www.ruimtelijkeplannen.nl) en vervolgens vanaf de ontwerp omgevingsplanwijziging automatisch ontsloten in het nieuwe omgevingsloket, regels op de kaart (Omgevingsloket, Regels op de kaart).

 

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Weert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

 

Een TAM-omgevingsplan is een wijziging van een deel van het gemeentelijke omgevingsplan, waarbij voor het verbeelden van het plan in de viewer, gebruik is gemaakt van de oude technische standaard voor het plantype bestemmingsplan, zoals die gold voor de invoering van de Omgevingswet. Hierdoor komt de legenda niet helemaal overeen met de benaming van de koppen in de juridische regels. Zo worden bestemmingen in de regels beschreven als functies. Dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen worden in de regels waarden- en beperkingengebieden genoemd.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14.

2.2 Omgevingsplan Weert

Het omgevingsplan van de gemeente Weert.

2.3 Archeologie, Programma van Eisen (PvE)

Een inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van een archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek, bijvoorbeeld met betrekking tot de omgang met het vondstmateriaal. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd.

2.4 Archeologisch advies

Een advies, opgesteld door de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag, waarin de kaders voor een uit te voeren archeologisch onderzoek zijn aangegeven en aan de hand waarvan opdrachtverstrekking kan plaatsvinden aan de instantie die het archeologisch onderzoek verricht.

2.5 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.6 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

2.7 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.8 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkant van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5m in hoogte verschillen, zulks met uitzondering van een onderbouw of zolder.

2.9 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens dit hoofdstuk een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.10 Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

2.11 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.12 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt op of in de grond.

2.13 Functie

Het gebruiksdoel dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.

2.14 Gebruik

De wijze waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, waarbij het kan gaan om functies en gebruiksactiviteiten.

2.15 Hoofdstuk

Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14 met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMRoermondsew10- ON01 van de gemeente Weert.

2.16 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een locatie met een bepaald gebruiksdoel.

2.17 Plangebied

Het gebied zoals weergegeven in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMRoermondsew10-ON01 bestaande uit de gronden waar de regels uit dit hoofdstuk van toepassing zijn.

2.18 Verbeelding

De verbeelding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14.

2.19 Wonen

Het wonen in een woning.

2.20 Woning

Een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één zelfstandige huishouding.

2.21 Zelfstandige woning

De kleinste binnen één of meer gebouwen gelegen en voor woondoeleinden geschikte eenheid van gebruik die in functioneel opzicht zelfstandig is.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Roermondseweg 10-14, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0988.Roermondsew10-ON01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan (of diens opvolgend artikel) zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.5.

4.1 Bouwhoogte van een bouwwerk

De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekanalen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.2 De inhoud van een bouwwerk

De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.3 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Daar waar een gevellijn staat aangegeven op de verbeelding wordt de goothoogte gemeten in de gevellijn.

4.4 De oppervlakte van een bouwwerk

De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.5 Overschrijding van de bouw- c.q. functiegrenzen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, technische installaties, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,50 meter bedraagt. Voor luifels, erkers en balkons geldt dat de bouw- c.q. functiegrenzen met maximaal 1,20 meter wordt overschreden.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan of diens opvolgende paragraaf, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 8 Waarde-Archeologie hoog

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde-Archeologie hoog'.

8.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde-Archeologie hoog' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid Functieomschrijving bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 250 m²:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van meer dan 250 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen vandaarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van meer dan 250 m;
  • h. het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m².

8.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in artikel Omgevingsvergunningplicht gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, indien en voor zover:

  • a. de activiteiten betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte kleiner dan 250 m², ongeacht de diepte;
  • c. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m²dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
  • d. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m;
  • e. de activiteiten betrekking hebben op het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van minder dan 250 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • f. de activiteiten betrekking hebben op heiwerkzaamheden en/of het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • g. de activiteiten betrekking hebben op het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • h. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • i. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • j. de activiteiten betrekking hebben op het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • k. de activiteiten betrekking hebben op het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • l. de activiteiten betrekking hebben op het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • m. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • n. de activiteiten betrekking hebben op werken die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • o. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten;
  • p. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.

8.3.3 Bijzondere aaanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.

8.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van eeen werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of
  • b. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften;
  • c. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies, waarmee deze functie samenvalt.

 

Artikel 9 Waarde-Archeologie middelhoog

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde-Archeologie middelhoog.

9.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde-Archeologie middelhoog' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1 Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid Functieomschrijving bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen vandaarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • h. het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2.500 m².

9.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in artikel Omgevingsvergunningplicht gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, indien en voor zover:

  • a. de activiteiten betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte kleiner dan 2.500 m², ongeacht de diepte;
  • c. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte groter dan 2.500 m² dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
  • d. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m;
  • e. de activiteiten betrekking hebben op het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van minder dan 2.500 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • f. de activiteiten betrekking hebben op heiwerkzaamheden en/of het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • g. de activiteiten betrekking hebben op het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²;
  • h. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • i. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • j. de activiteiten betrekking hebben op het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • k. de activiteiten betrekking hebben op het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • l. de activiteiten betrekking hebben op het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • m. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • n. de activiteiten betrekking hebben op werken die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • o. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten;
  • p. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.

9.3.3 Bijzondere aaanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.

9.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van eeen werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of
  • b. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften;
  • c. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies, waarmee deze functie samenvalt.

 

Artikel 10 Wonen

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.

10.2 Functieomschrijving

Een voor 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen;

met de daarbij behorende:

  • b. balkons;
  • c. dakterrassen;
  • d. in- en uitritten;
  • e. ontsluitingswegen;
  • f. paden en verhardingen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. tuinen en erven;
  • i. waterpartijen.

10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
10.3.1 Algemeen

Op deze gronden mogen ten behoeve van 'Wonen' uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.3.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse aangewezen goothoogte norm 'Maximum goothoogte Wonen' op de verbeelding is aangegeven;
  • c. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse aangewezen bouwhoogte norm 'Maximum bouwhoogte Wonen' op de verbeelding is aangegeven;
  • d. het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd;
  • e. het aantal woningen/wooneenheden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van het bouwvlak op de verbeelding is aangegeven.

10.3.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen de locatie die is toegedeeld aan een functie worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in de onderstaande tabel:

Bouwwerken, geen gebouw zijnde   Maximale bouwhoogte  
Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen   4,0 m  
erfafscheidingen voor zover gelegen 1 m achter de voorgevelrooilijn   2,0 m
 
erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en tot 1 m achter de voorgevelrooilijn   1,0 m  

10.3.4 Ondergronds bouwen

Op de locatie(s) die zijn aangewezen als 'Wonen' gelden voor ondergronds bouwen de volgende regels:

  • a. op de gronden mag uitsluitend ondergronds worden gebouwd op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd, en daarnaast mogen direct aansluitend in- en uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
  • b. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

10.4 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit slopen
10.4.1 Voorwaardelijke verplichting sloop bestaande bebouwing
  • c. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bestaande gebouwen te slopen.
  • d. Het verbod van lid a. is niet van toepassing indien:
    • 1. (vervolg)onderzoek heeft plaatsgevonden naar het voorkomen van vleermuizen of andere beschermde soorten binnen de bebouwing, en
    • 2. eventueel te nemen noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van de onder 1. bedoelde soorten zijn genomen, en/of
    • 3. op grond van het onderzoek als bedoeld onder 1. eventueel noodzakelijk gebleken verleende ontheffingen van het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet (flora- en fauna-activiteit) kunnen worden overlegd.

10.5 Specifieke functieregels voor gebruik
10.5.1 Gebruiksverbod

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in Functieomschrijving genoemde functies van de gronden.

10.5.2 Voorwaardelijke verplichting parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er dient bij de aanvraag te worden aangetoond dat, indien de omvang en het beoogde gebruik van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte wordt aangebracht en in stand wordt gehouden in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
  • b. aan de onder a. bedoelde voorwaarde wordt voldaan indien de bedoelde aanvraag voor omgevingsvergunning voldoet aan de parkeernormen zoals aangegeven in onderstaande 'tabel parkeren'.
  • c. de onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
    • 1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5,0 meter bedragen bij haaksparkeren;
    • 2. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,0 x 6,0 meter bedragen bij langsparkeren.
woningtype   aantal parkeerplaatsen per eenheid, inclusief bezoekersparkeren  
appartementen   1,6  

10.5.3 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Het bebouwen van de gronden en de aanleg van verhardingen op de gronden voor 'Wonen' is slechts toegestaan als binnen 'Wonen' is voorzien in de aanleg van een waterberging zoals bedoeld in de Verordening op de opvang, verwerking en afvoer van hemel- en grondwater 2023 voor nieuwbouw ofwel haar rechtsopvolger.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder sub a kan ervoor worden gekozen om alternatieve vormen van hemelwateropvang door bufferen en verdampen en/of hergebruik toegepast worden.

10.5.4 Verplichting afvoer huishoudelijk afvalwater

Voor het afvoer van huishoudelijk afvalwater dienen woningen te worden aangesloten op de gemeentelijke riolering.

10.5.5 Voorwaardelijke verplichting gevelgeluidwering

Voor de nieuwe woningen dient bij de aanvraag om een omgevingsvergunning te worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel worden toegepast om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl.

Hoofdstuk 3 Thema geluid

Artikel 11 Gezamenlijk geluid

11.1 Gebiedsaanduiding

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - gezamenlijk geluid' bedraagt het gezamenlijk geluid de in onderstaande afbeelding aangegeven waarde op de gevels (waarbij het gezamenlijk geluid van 59 dB geldt voor de bovenste bouwlaag (gele lijn) en het gezamenlijk geluid van 60 en 65 dB geldt voor de overige bouwlagen).

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.Roermondsew10-ON01_0029.png"

11.2 Aanvullende beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dient uit een gevelweringsonderzoek te blijken dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal de in onderstaande tabel aangegeven waarden bedraagt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.Roermondsew10-ON01_0030.png"

Hoofdstuk 4 Algemene regels

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:

  • a. de op de verbeelding aangegeven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten te overschrijden;
  • b. de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen te overschrijden.

12.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken
12.2.1 Afwijkende hogere maten

Een omgevingsvergunning als bedoeld in Aanwijzing vergunningplichtige gevallen sub a. wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden alsmede de elders in dit hoofdstuk beschreven ruimtelijke -, cultuurhistorische -, landschappelijke - en natuurwaarden, en;
  • b. de op de verbeelding aangegeven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten en percentages met ten hoogste 10% wordt overschreden, mits dit in verband met het realiseren van de functie noodzakelijk is of indien door de afwijking een betere bouwkundige en/of stedenbouwkundige aansluiting ontstaat met direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken: deze afwijking mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van eerder met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakte afwijkingen: uitgangspunt voor de afwijking is de normstelling zoals opgenomen in de bouwregels van bouwregels van Wonen van dit hoofdstuk.

12.2.2 Overschrijden van de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.1 sub b. wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden alsmede de elders in dit hoofdstuk beschreven ruimtelijke -, cultuurhistorische -, landschappelijke - en natuurwaarden, en;
  • b. indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij de afwijking niet meer mag bedragen dan 10%.