| Plan: | Zwembad Venlo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0983.BP202221ZWEMBAD-VA01 |
Het huidige zwembad de Wisselslag is sterk gedateerd en vervanging toe. De mogelijkheden daartoe zijn uitgebreid onderzocht. Aanvankelijk werd nog samen met buurgemeenten onderzocht of de realisatie van een regionaal zwembad haalbaar was. Aangezien dat geen haalbare kaart bleek en het ook niet uitvoerbaar bleek de levensduur van het huidige zwembad te verlengen als gevolg van het enbkele jaren uitblijven van planmatig levensduurverlengend onderhoud vanwege het onderzoek naar nieuwbouwopties, is uiteindelijk gekozen voor vervangende nieuwbouw. Daarbij is gekozen voor nieuwbouw binnen de begrenzing van het terrein van het huidige binnen- en buitenbad. Die locatie is niet de plek waar nu nog het huidige binnenbad De Wisselslag staat, nabij de hoek Frederik van Eedenstraat en de Drie Decembersingel, maar meer zuidwestelijk, nabij de hoek Shakespearelaan en Pastoor Stassenstraat.
Aangezien het geldende bestemmingsplan de bouw van het nieuwe binnenbad niet mogelijk maakt en ook een herbegrenzing van bestemmingen nodig is, voorziet voorliggend bestemmingsplan in de planologisch-juridische basis voor de uitvoering van het plan.
Het plangebied wordt globaal begrensd door de Frederik van Eedenstraat, Drie Decembersingel, Pastoor Stassenstraat en Shakespearelaan en omvat daarmee de locatie van het oude zwembad De Wisselslag en het openluchtzwembad "Buitengebied Groot Venlo".
Voor het plangebied geldt vooralsnog het bestemmingsplan 'Stadsdeel Blerick', als vastgesteld door de gemeenteraad op 25 september 2013. Daarin heeft de beoogde locatie voor het nieuwe zwembad hoofdzakelijk de bestemming 'Recreatie'. De huidige binnen- en buitenbaden hebben hoofdzakelijk de bestemming 'Sport' met de aanduiding 'zwembad'. Rond voornoemde bestemmingsvlakken is in het huidige bestemmingsplan voorzien in de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer en verblijfsgebied'. Daarnaast geldt voor het plangebied een viertal partiële herzieningen in de vorm van een zogenoemd parapluplan, te weten:
Deze bestemmingsplannen hebben betrekking op het wegbestemmen van onbenutte plancapaciteit aan detailhandel buiten het kernwinkelgebied van Blerick, op de planologische mogelijkheden voor kamerbewoning, kamerverhuur en woningtoevoegingen en het gebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen als plattelandswoning. Gelet op deze onderwerpen zijn deze regels niet van invloed op onderhavig planvoornemen.
Het nieuw te realiseren binnenbad is voorzien in het zuidwestelijk deel van het plangebied. Het huidige bestemmingsplan staat de bouw van een zwembad op die locatie niet toe. Verder zullen als gevolg van het nieuwe ontwerp en de afbakening tussen het buitenbad en het beoogde nieuwe binnenbad met bijbehorende gronden bestemmingsgrenzen moeten wijzigen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarin.
Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in Hoofdstuk 2 het planvoornemen besproken. In Hoofdstuk 3 wordt vervolgens ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente, waarbij tevens de ladder voor duurzame verstedelijking betrokken wordt. In Hoofdstuk 4 komen de milieu- en omgevingsaspecten aan bod. De wateraspecten in vorm van een waterparagraaf zijn aangegeven in Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 bevat de toelichting op de juridische planopzet en de planregels. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op respectievelijk de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Ten slotte komt in Hoofdstuk 8 de procedure aan bod.
In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de omgeving van het plangebied, het bestaande plangebied zelf en het planvoornemen.
In de huidige situatie is het zwembad De Wisselslag gesitueerd op de hoek van de Frederik van Eedenstraat en de Drie Decembersingel. Het zwembad bestaat uit een tweetal 25-meter bassins en een kleiner instructiebad, naast bijbehorende voorzieningen zoals een ontvangsthal, kleedruimten en technische voorzieningen. De totale oppervlakte aan zwemwater/bassins is 785 m2. Daarnaast zijn langs de Drie Decembersingel enkele clublokalen aanwezig van verenigingen die gebruik maken van het zwembad. Het zwembad en de clublokalen worden met elkaar verbonden door de entree van het zwembad, in de vorm van een onderdoorgang met kassa.
Het buitenbad bestaat uit een viertal bassins, bestaande uit een 50-meter bad, kinderbaden en een springkuil. De omringende gronden zijn ingericht als ligweide met speelvoorzieningen. Het buitenbad beschikt over eigen kleedlokalen - die wel zijn verbonden met het binnenbad en de clublokalen - en een eigen horecavoorziening.
Er zijn in de huidige situatie geen parkeerplaatsen op eigen terrein. Parkeren gebeurt hoofdzakelijk langs de Drie Decembersingel (49 schuine parkeervakken en langsparkeren toegestaan). Wel is op eigen terrein een fietsenstalling aanwezig, die zowel ten behoeve van het binnenbad als het buitenbad wordt gebruikt.
Het plangebied wordt omzoomd door opgaand groen, bestaande uit bomen en onderbegroeiing, deels op/rond grondwallen. Ook op en rond de ligweide zijn diverse solitaire bomen aanwezig.
De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk woningen. Ten westen van het plangebied betreft het hoofdzakelijk grondgebonden, aaneengesloten woningen, ten zuiden van het plangebied appartementencomplexen bestaande uit 6 bouwlagen en ten oosten van het plangebied appartementen, grondgebonden woningen en zorgwoningen.
Het voornemen is het huidige zwembad op de hoek van de Frederik van Eedenstraat te slopen en te voorzien in een nieuw zwembad in het zuidwestelijk deel van het plangebied, waarbij de hoofdentree is georiënteerd op de Drie Decembersingel. Met het zwembad wordt beoogd een passende maatschappelijke voorziening te realiseren die de sportieve zwemactiviteiten van verenigingen, doelgroepen en individuele recreanten faciliteert. Het ontwerp van het zwembad is afgestemd op de behoefte van de drie voornaamste gebruikersgroepen: de verenigingen, de doelgroepen en het zwemonderwijs (zwemlessen). Het zwembad moet daarom op zijn minst voldoende plek moeten bieden voor het voortzetten van deze activiteiten. Daarnaast is een duidelijke landelijke trend dat het individueel en tijdsonafhankelijk sportief bewegen, zoals joggen, het fitnessen in de sportschool en zwemmen toeneemt. Het nieuwe zwembad zal daarom ook voldoende plaats dienen te bieden voor deze steeds groter wordende groep individuele sporters.
Op basis van het voorgaande is het volgende programma tot stand gekomen:
De oppervlakte aan zwemwater/bassins neemt daarbij toe van 785 m2 naar circa 919 m2. Dit programma geeft invulling aan de doelstelling van het beleid en de de eerder beschreven behoefte, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen 7 typen activiteiten. Elk van de georganiseerde gebruikers biedt een of meerdere van onderstaande activiteiten aan en de ongeorganiseerde gebruikers maken gebruik van 1 of meerdere van die mogelijkheden:
Het ontwerp geeft op passende wijze invulling aan de vraag, binnen de mogelijkheden om een goede en duurzame exploitatie te kunnen waarborgen binnen de financiële kaders. Daarbij geldt als uitgangspunt het genomen besluit van mei 2021 en het projectplan. De betrokkenheid van alle belanghebbenden is middels 1-op-1 gesprekken, een enquête en de formele overleggen (klankbordgroep, projectgroep en stuurgroep) tot stand gekomen.
Als eerder beschreven zal het binnenbad worden gebouwd nabij de hoek Shakespearelaan en Pastoor Stassenstraat. In de huidige situatie betreft dit een grasveld, omzoomd door bomen met onderbegroeiing, deels op grondwallen/taluds. Door de gekozen situering van het gebouw ontstaat aan de zijde van de Drie Decembersingel - wat de primaire ontsluiting blijft - veel ruimte voor een royale entree, met ook voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Parkeren (motorvoertuigen), de voetgangerszones en de toegang van de fietsenstalling en de bijbehorende verkeersstromen worden zoveel mogelijk gescheiden. De hoofdontsluiting van het nieuwe binnenbad is voorzien via de Drie Decembersingel. Daarnaast is voorzien in een voetpad ten noorden van de hoofdontsluiting en een tweede toegang voor voetgangers door middel van een trappartij aan de zijde van de Pastoor Stassenstraat. Er wordt op eigen terrein voorzien in parkeergelegenheid voor motorvoertuigen en voor stallingsmogelijkheden voor fietsen. Zie ook paragraaf 4.10.
De kwaliteit van de locatie wordt in grote mate bepaald door de bestaande groenstructuur en diverse solitaire waardevolle bomen. Die kwaliteit moet behouden en waar mogelijk versterkt worden. Dat is in het ontwerp ook duidelijk terug te zien. Er wordt gekozen voor aan alzijdig en niet rechthoekig gebouw, dat de bestaande waardevolle bomen zoveel mogelijk respecteert. Het voornemen is de bomen rond het terrein zoveel mogelijk te behouden, maar aan de oost- en zuidzijde de onderbegroeiing te verwijderen, waardoor de zichtbaarheid verbetert. Ten behoeve van de te realiseren ontsluitingen zullen wel enkele bomen moeten worden gekapt.
De gemeente Venlo heeft duurzaamheid en circulariteit hoog op de agenda staan en heeft daarin een belangrijke voorbeeldfunctie. Het nieuwe Stadskantoor, de Rotonde van Morgen, IKC de Zuidstroom en sportzaal Oud-Zuid zijn circulaire praktijkvoorbeelden. De lat is daarmee hoog gelegd en de gemeente Venlo stelt ook voor het zwembad hoge voorwaarden aan het thema duurzaamheid. Duurzaamheid en circulariteit zijn brede begrippen die veel aspecten omvatten. De focus ligt op een integrale benadering van de volgende punten:
Gelet op een logische afbakening van het plangebied is ook het terrein van buitenbad meegenomen binnen het plangebied. Er is echter niet beoogd specifieke nieuwe ontwikkelingen binnen dit deel van het plangebied mogelijk te maken. Voor het buitenbad zal nog een nieuwe (toekomst)visie worden opgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet voor het buitenbad daarom in een passende regeling voor het bestaande gebruik. Wel wordt flexibiliteit geboden voor een eventuele andere indeling van het terrein of bijvoorbeeld vervanging van bebouwing, door wel de maximale maatvoering voor bebouwing vast te leggen, maar niet de situering van die bebouwing vast te leggen door middel van bouwvlakken.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan. Tevens komt de ladder voor duurzame verstedelijking in dit hoofdstuk aan bod.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het Rijk opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de lange termijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave.
Toepassing planvoornemen
Het plan voorziet in een nieuwe invulling van bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt voorzien in een duurzaam ruimtegebruik en een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Verder levert het zwembad een bijdrage aan het aanbod aan sportfaciliteiten, waarmee een gezonde leefstijl wordt gefaciliteerd en gestimuleerd, als onderdeel van het gemeentelijke programma 'Gezond en actief Venlo'.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat instructieregels die gemeenten bij het opstellen van onder meer bestemmingsplannen in acht moeten nemen, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Sommige instructieregels zijn gekoppeld aan specifieke gebieden, welke gebieden dan in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn geconcretiseerd.
Toepassing planvoornemen
Het plangebied is gelegen binnen een radarverstoringsgebied, maar gelet op de op grond van het Barro toegelaten bouwhoogte (114 meter + NAP) en de ligging van het plangebied (circa 23 meter + NAP) en de toegelaten bouwhoogtes in dit plan vormt deze beperking geen belemmering voor het planvoornemen.
Voor het overige zijn in het Barro en Rarro geen zones of regels opgenomen die een belemmering (kunnen) vormen voor het planvoornemen.
Uitsnede begrenzing radarverstoringsgebieden Rarro
Op basis van artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - de zogenoemde Ladder voor duurzame verstedelijking - dient een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
(Nieuwe) stedelijke ontwikkeling?
Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking is verplicht voor een 'stedelijke ontwikkeling'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn bijvoorbeeld elf woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om te kunnen spreken van een stedelijke ontwikkeling. Voor andere functies en terreinen geldt in beginsel een ondergrens van 500 m2 om te kunnen spreken van een stedelijke ontwikkeling.
Wanneer een ontwikkeling in beginsel wél als een stedelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt, staat daarmee echter nog niet vast dat ook aan de Ladder moet worden getoetst. Er dient ook te worden bezien in hoeverre de ontwikkeling ook kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en of sprake is van nieuw ruimtebeslag, zo blijkt uit jurisprudentie. De Afdeling hanteert bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6, tweede lid, en artikel 1.1.1, eerste lid en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening) de beoordelingslijn, dat hiervan géén sprake is als het bestemmingsplan of omgevingsvergunning bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en die ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en - indien aan de orde - enkel een functiewijziging betreft.
Bestaand stedelijk gebied
Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt blijkens het Bro (artikel 1.1.1 lid 1 sub h) verstaan 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Toepassing planvoornemen
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw overdekt zwembad met een bebouwde oppervlakte van circa 3.700m2. Hoewel dit zwembad wordt gebouwd ter vervanging van het bestaande zwembad De Wisselslag, wordt het nieuwe zwembad op een andere locatie gebouwd, op ruim 100 meter afstand van het huidige zwembad. Ook is het huidige zwembad (exclusief clublokalen en de faciliteiten van het buitenbad) met circa 3.000 m2 kleiner. Daarmee is de ontwikkeling aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
De omvang van het zwembad (toename oppervlakte circa +700m2 t.o.v. bestaand) en het daarin opgenomen opppervlak aan zwemwater/bassins (toename oppervlakte circa +134m2) volgt uit de wens ten minste de activiteiten van de huidige gebruikers van de Wisselslag te faciliteren en de landelijke trend te kunnen faciliteren dat meer individueel en tijdsonafhankelijk wordt gesport. Ten aanzien van de wijze waarop het programma is bepaald zie paragraaf 2.3.1.
Verder is van belang dat het nieuwe bad in alle opzichten beter multifunctioneel inzetbaar is dan het huidige bad en - in tegenstelling tot het huidige bad - weer voorziet in de behoefte van alle gebruikers. Bovendien wordt de nieuwbouw gerealiseerd binnen de grenzen van het gebied dat in de huidige situatie al in gebruik is voor het binnen- en buitenbad en goed, multimodaal bereikbaar is. Daarmee wordt door middel van herstructurering voorzien in een duurzaam ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied, dat voorziet in de bestaande en voorziene behoefte.
In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg geeft de provincie haar lange termijn visie. Deze Omgevingsvisie dient als vervanging van de provinciale Omgevingsvisie POL2014. De nieuwe Omgevingsvisie Limburg heeft betrekking op het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net al waarden als kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders én de samenleving als geheel.
De visie heeft betrekking op drie hoofdopgaven:
De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden én door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht.
Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Voor zover relevant voor onderhavig planvoornemen gaat het over:
Sport
In de omgevingsvisie benoemt de provincie het bieden van een divers aanbod van regionale voorzieningen voor sport als provinciaal belang. Sporten werkt niet alleen ontspannend, maar het heeft ook een positief effect op de mentale en fysieke gezondheid. Sportstimulering kan een belangrijke bijdrage leveren aan de gezondheid van de Limburgers. Daarbij is het volgens de provincie van belang om rekening te houden met trends in de sportbeoefening. Sporten in geijkte verbanden, zoals sportclubs, neemt af. Mensen sporten meer individueel of in niet-reguliere locaties en verbanden. Dit betekent dat er een opgave ligt om bestaande sportvoorzieningen aan te passen en nieuwe voorzieningen te creëren die aansluiten op de veranderende behoefte. Daarbij zet de provincie in op een ruim, divers, bereikbaar en toegankelijk aanbod aan kwalitatief goede sportvoorzieningen in heel Limburg. Verder wordt ingezet op een leefomgeving en infrastructuur die aanzet tot bewegen. Zo stimuleert de provincie het combineren van sport- en recreatiemogelijkheden bij de ontwikkeling van stadsnatuur, stad-landzones en het natuurinclusief bouwen in steden. Ook de aanleg en opwaardering van recreatieve fietspaden in het landschap kan een bijdrage leveren. Verder zet de provincie in voor maatschappelijke accommodaties en ondersteunen ze in lijn met het Nationaal Sportakkoord de verduurzaming van sportaccommodaties en –omgevingen.
Toepassing planvoornemen
Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van een modern en duurzaam overdekt zwembad, ter vervanging van het bestaande nier duurzame en sterk verouderde zwembad de Wisselslag, dat gelet op hetgeen is beschreven in paragrafen 2.3 en 3.2.3 voorziet in de behoefte voor zowel sporten in teamverband als individueel sporten en waarmee ook wordt ingespeeld op de trend dat mensen meer individueel en tijdsonafhankelijk willen sporten. Het zwembad wordt gerealiseerd op een goede bereikbare locatie binnen bestaand stedelijk gebied en daarbij wordt ook voorzien in een hoogwaardige groene en duurzame inrichting van het terrein. Gezien het voorgaande levert het plan een bijdrage aan de ambitie van de provincie om te voorzien in een divers en kwalitatief goed aanbod aan sportvoorzieningen.
Gelijktijdig met het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Daarin heeft de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid uit het POL2014 plaatsgevonden. Hoewel in oktober 2021 inmiddels de nieuwe Omgevingsvisie Limburg is vastgesteld en voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet in december 2021 ook al de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is vastgesteld, geldt vooralsnog de Omgevingsverordening Limburg 2014. Aangezien de invoering van de Omgevingswet inmiddels een aantal malen is uitgesteld, zijn de in de nieuwe verordening (2021) voorziene nieuwe instructieregels middels wijzigingsverordeningen ook toegevoegd aan de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014.
De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat een hoofdstuk ‘Ruimte’, waarin instructieregels zijn opgenomen die gemeenten in acht dienen te nemen bij het opstellen en vaststellen van onder meer bestemmingsplannen. Van die instructieregels zijn de volgende onderwerpen van belang, waarbij per onderwerp wordt ingegaan op de relatie met het planvoornemen.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (artikel 2.2.2 e.v.) is nogmaals geborgd dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals die is geborgd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en daarin is onderbouwd dat hoewel de ladder formeel niet van toepassing is, wel wordt voorzien in c.q. voldaan aan de afwegingen rondom (duurzaam) ruimtegebruik waar de ladder om vraagt. De extra trede die door de provincie Limburg is toegevoegd aan de Ladder betreft de afweging of het plan kan worden gerealiseerd door herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen. Daar kan binnen onderhavig plangebied en ook gelet op het beoogde en specifieke programma (zwembaden) niet concreet in worden voorzien.
Boringsvrije zone Venloschol
Nagenoeg de gehele gemeente Venlo is in de verordening aangeduid als milieuzone 'Boringsvrije zone Venloschol'. De grondwatervoorraden worden in dit gebied afgedekt door slecht doorlatende kleilagen. Deze vormen een natuurlijke, geologische bescherming tegen verontreiniging. Daardoor is het grondwater in deze gebieden van zeer hoge kwaliteit. Dat water wil de provincie ook voor de toekomstige generaties veiligstellen. Doorboring van die beschermende kleilagen wordt dus zoveel mogelijk tegengaan door onder meer boringen dieper dan 5 meter boven NAP of de toepassing van gesloten bodemenergiesystemen en aardwarmtesystemen uit te sluiten. Bij de provincie kan eventueel een ontheffing van deze verboden worden verkregen.
Onderhavig planvoornemen heeft in beginsel geen betrekking op ingrepen waarvoor verboden gelden als opgenomen in de provinciale verordening. Wel wordt de toepassing van een open bodemenergiesysteem onderzocht (WKO). Een dergelijk systeem is niet verboden op grond van de verordening, zolang er geen grondwater in een ander watervoerend pakket wordt geïnfiltreerd dan waaraan het is onttrokken. Wel moet voorafgaand aan de aanleg van dat systeem een melding worden gedaan bij Gedeputeerde Staten. Het planvoornemen is gezien het voorgaande niet in strijd met de verordening op dit punt en er bestaat ook geen aanleiding in dit bestemmingsplan te voorzien in regels ter bescherming van de boringsvrije zone in aanvulling op de provinciale verordening.
Bestuursafspraken vrijetijdseconomie?
In het hoofdstuk 'Ruimte' van de provinciale verordening is ten aanzien van wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie geborgd dat ruimtelijke plannen dienen te voldoen aan de relevante regionale (thematische) structuurvisie dan wel de voor dat thema gemaakte bestuurlijke afspraken. Voor Noord-Limburg geldt dat een ruimtelijk plan dat voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande (plan)voorraad, dient te voldoen aan de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals opgenomen in de bijlage bij de verordening.
Het begrip 'vrijetijdseconomie' is in de verordening niet gedefinieerd. Uit de context van de bestuursafspraken kan echter worden opgemaakt dat daaronder verblijfsrecreatie en dagrecreatieve voorzieningen worden verstaan. Hoewel daar beginsel ook zwembaden onder kunnen worden verstaan, is het beoogde nieuwe binnenbad niet gericht op dagrecreatie, maar sportbeoefening, waardoor hierop de regels ten aanzien van vrijetijdseconomie niet van toepassing zijn. Mocht dat overigens wel zo zijn, dan is van belang dat sprake is van de vervanging van een bestaand, sterk verouderd zwembad door een modern en duurzaam zwembad dat voorziet in de behoefte van de (beoogde) gebruikers.
De Strategische Visie Venlo 2040 die is vastgesteld op 26 mei 2021 vervangt de eerder in 2010 opgestelde Strategische Visie Venlo 2030, die opgesteld rondom de laatste herindeling, waarbij de voormalige gemeente Arcen en Velden onderdeel is geworden van de gemeente Venlo. Deze nieuwe visie is bijgesteld en aangevuld ten opzichte van de vorige versie, om zo in te kunnen spelen op nieuwe, grote ontwikkelingen zoals de ontwikkelingen rondom de thema's klimaat en energie, groeiende verschillen binnen de gemeenschap en het veranderen van de samenstelling van de gemeenschap en verder de versterking van het economisch fundament van Venlo. Hierna wordt per thema het perspectief voor 2040 kort samengevat.
Gezondste regio
De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl hebben gemaakt dat niet alleen onze economie, maar vooral ook onze inwoners daarvan hebben geprofiteerd. Onze vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen. Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd.
Een (t)huis om van te houden
Er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Het aantal Venlonaren met een niet-Venlose oorsprong zal toenemen vanwege de aantrekkingskracht van onze economie. Internationale medewerkers, kenniswerkers en studenten vragen om aantrekkelijke woonmilieus en voorzieningen. Door de toename van het aantal huishoudens vraagt dit om passende woonruimte voor alle doelgroepen, met name de doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren. De woningvoorraad zal een kwaliteitsslag moeten maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming.
Verdergaande informatisering zorgt voor grotere verschillen binnen de gemeenschap. Elkaar ontmoeten krijgt andere vormen. De openbare ruimte en onze voorzieningen vervullen daarin een belangrijke rol. Digitalisering en domotica zal een belangrijke rol vervullen bij het langer dan voorheen thuis wonen van inwoners die zorg nodig hebben. De overheid garandeert een fatsoenlijk basisniveau van voorzieningen. De overheid en inwoners moeten bescheiden zijn in hun verwachtingen over en weer.
Ruimte voor initiatieven
De binnenstad heeft in 2040 een andere aanblik. Deze is groener geworden, beken zijn zichtbaar en nog meer een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied met aantrekkelijke voorzieningen. Ook in de wijken en dorpen is ontsteend en hebben is er werk gemaakt van de klimaatopgave gecombineerd met een impuls om een kwaliteitsslag in de openbare ruimte te maken. De klimaatopgaven hebben geleid tot een andere samenstelling van energiebronnen. Landbouwgrond heeft hierdoor deels een andere invulling gekregen, desondanks zijn de opbrengsten gegroeid. De ruimte tussen de kernen worden opengehouden en wordt gebruikt voor landbouw, recreatieve en toeristische functies. Natuurwaarden zijn versterkt in combinatie met energieopwekking en klimaatadaptatie.
Ruimtelijke ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat er aan de westoever een stadsdeel is ontstaan dat aanvullend is op de historische stadskern. In de dorpskernen hebben gerichte investeringen bijgedragen aan unieke en kwalitatieve hoogwaardige dorpse woonmilieus.
Werken in Venlo
In de toekomst bevindt Venlo zich op een sleutelpositie binnen het Europese economische kerngebied. De opkomst van China als economische grootmacht en handelspartner heeft geleid tot een strategische heroriëntatie. Het logistieke belang van Venlo is gegroeid door digitalisering en robotsering. Er wordt binnen de logistiek ingezet op vergroting van de toegevoegde waarde. En dat geldt ook voor de toegevoegde waarde die Venlo biedt op het gebied van voedselproductie en gezonde voeding. De Brightlands Campus Greenport Venlo heeft haar vleugels uitgeslagen en er vindt fundamenteel en toegepast onderzoek plaats. Met een aanzienlijke economische spin-off als gevolg. Daarmee is het economisch fundament die dankzij de sterke basis op het gebied van de maakindustrie, logistiek en agribusiness verder is verbreed.
Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. We hebben ontdekt dat menselijk kapitaal schaarser is geworden en er zorgvuldig mee moet worden omgegaan. Een keur aan instrumenten en arrangementen hebben het in Venlo mogelijk gemaakt om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer.
Grenzeloos
Wat betreft onze grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen is veel hechter geworden
Rol van de gemeente Venlo
In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken.
Uitsnede 'praatplaat' Strategische Visie Venlo 2040
Toepassing planvoornemen
Het planvoornemen draagt met name bij aan het perspectief 'Gezondste regio', door te voorzien in een kwalitatief goede en duurzame sportvoorziening voor de zwemsport, voor zowel de individuele zwemmers als de georganiseerde sportbeoefening.
Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo unaniem vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies.
Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt als kernopgave benoemd dat het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt moet worden. Daarbij wordt onderkend dat het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen ruim voldoende capaciteit biedt voor het huisvesten van (toekomstige) stedelijke functies. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan. Zo wordt optimaal geprofiteerd van het beste van twee werelden.
De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s, de zogenaamde ‘majeure opgaven’:
Daarnaast zijn er drie basisprincipes geformuleerd die op elk ruimtelijk initiatief van toepassing zijn. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als:
Het plangebied ligt conform de Ruimtelijke Structuurvisie binnen de contour stedelijk/dorpsgebied. Op voorliggende ontwikkeling zijn met name name de majeure opgaves ‘Ruimte in de stad’ en 'Voorzieningen op maat' van toepassing.
Voor het stedelijk gebied wordt een maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte nagestreefd, in plaats van een uitbreiding van het stedelijk gebied. Door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen is dan wel komt voldoende ruimte beschikbaar om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever gebieden aanpassen dan uitbreiden. Hoewel we weten dat hergebruik, herstructurering en transformatie complexer en vaak kostbaarder is dan nieuwbouw, benutten we de groeiende leegstand toch voor herontwikkeling. Ruimtes die weinig gebruikt worden, kunnen intensiever gebruikt worden, verouderde en verloederende (bedrijven)terreinen kunnen worden opgewaardeerd en ‘rotte plekken’ kunnen worden aangepakt. Absolute prioriteit ligt bij hergebruik en -ontwikkeling van waardevol cultureel en religieus erfgoed, zoals boerderijen, fabriekspanden, kloosters en kerken.
Een andere grote opgave ligt in het bieden van een vitale voorzieningenstructuur. Het wordt steeds moeilijker om commerciële en maatschappelijke voorzieningen overeind te houden. Om toch in de behoeften te voorzien wordt gestreefd naar sterke voorzieningenclusters kunnen we toch een vitale voorzieningenstructuur creëren. Grootstedelijke voorzieningen moeten daarbij zoveel mogelijk in het stedelijk centrum van Venlo een plek vinden.
Toepassing planvoornemen
Onderhavig planvoornemen voorziet in herstructurering c.q. nieuwbouw na sloop van bestaand en verouderd vastgoed en voorziet binnen bestaand stedelijk gebied in een aanbod aan woningen dat kwantitatief en kwalitatief voor nu en ook op termijn voorziet in de behoefte, waarbij bovendien clustering van zwemvoorzieningen (binnen en buiten) behouden blijft. Voor sportvoorzieningen heeft overigens een verdere uitwerking van de visie plaatsgevonden in de hierna aan te halen sportvisie 2030 en de daarop gebaseerde Accommocatievisie sport 2020-2030.
Als onderdeel van het programma 'Gezond en actief Venlo' is de sportvisie voor de periode 2019 tot 2030 vastgesteld. Als onderdeel van de programmalijn 'Gezond en Vitaal' wordt ingezet op sportontwikkeling, sportvoorzieningen en activiteiten op het gebied van het behouden en versterken van de gezondheid en vitaliteit van de inwoners van Venlo. De visie op dit punten voor de periode tot 2030 is vastgelegd in de sportvisie.
In de visie is ten aanzien van sportvoorzieningen benoemd dat die beter moeten inspelen op de behoefte van inwoners en dat ze verenigingen moeten (blijven) faciliteren. Ook het verduurzamen van sportvoorzieningen is als ambitie benoemd. De visie bevat nog geen concrete keuzes ambities ten aanzien van onderhavige locatie dan wel zwembaden binnen de gemeente Venlo. Wel is opgenomen dat voor wat betreft de sportaccommodaties een separate, verdiepende visie zal worden opgesteld. De betreffende visie (Accommodatievisie sport 2020-2030) gaat echter ook niet concreet in op de Wisselslag, maar vermeldt wel dat reeds separaat wordt onderzocht of en op welke wijze een (gemeentelijk) zwembad voor Venlo behouden kan blijven.
Toepassing planvoornemen
Het nieuwe binnenbad voorziet in een duurzaam nieuw alternatief voor het sterk verouderde, niet duurzame bestaande binnenbad. Het programma waarin het zwembad voorziet faciliteert zowel de verenigingen, de doelgroepen als de individuele zwemmers. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de ambities als geformuleerd in de gemeentelijke sportvisie.
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Het planvoornemen, bestaande uit een nieuwe binnenbad, is niet aan te merken als een geluidgevoelig object, waardoor het toetsen aan de kaders als opgenomen in de Wet geluidhinder niet aan de orde is. Op dit punt is er daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Het beoogde zwembad zelf kan echter ook van invloed zijn op voor geluid gevoelige functies in de omgeving van het plangebied. In hoeverre (potentieel) milieuhinderlijke functies en milieugevoelige functies elkaar beïnvloeden en in hoeverre daarbij sprake is van een goede ruimtelijke ordening, kan als eerste stap worden beoordeeld aan de hand van de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009). Daaraan zal hierna nog invulling worden gegeven in paragraaf 4.6. Kortgezegd blijkt uit die paragraaf dat een binnenbad volgens de genoemde uitgave wordt ingedeeld in milieucategorie 3.1, waarvoor in beginsel een richtafstand geldt van 50 meter, vanwege geluid. Gerekend vanaf het bouwvlak waarbinnen het zwembad mag worden opgericht, wordt ten opzichte van meeste omliggende woningen aan die afstand voldaan. Ten opzichte van de woningen ten westen van het nieuwe overdekte zwembad bedraagt de afstand tussen de meest nabij gelegen woningen en het bouwvlak niet overal 50 meter. De kleinste afstand bedraagt namelijk 48 meter. Die richtafstand van 50 meter geldt alleen voor geluid, voor geur en stof gelden voor zwembaden richtafstanden van respectievelijk 10 en 0 meter. Overigens gelden deze richtafstanden t.o.v. een rustige woonwijk, terwijl de omgeving van het zwembad in ieder geval grotendeels kan worden aangemerkt als een gemengd gebied, waardoor een richtafstand van 30 meter zou mogen worden gehanteerd.
Akoestisch onderzoek
Gelet op het voorgaande is volledigheidshalve conform de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" nader onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van het planvoornemen op de omgeving, nu aan de (indicatieve) richtafstand niet kan worden voldaan. Dit onderzoek (Peutz, d.d. 15 december 2022, kenmerk J481-14-RA) is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. In het onderzoek wordt naast geluid afkomstig van het zwembad zelf (uitstraling vanuit gebouw, incl muziekgebruik, technische installaties op het dak, etc) ook geluid vanwege de met het zwembad samenhangende verkeersbewegingen (incl manoevreren op het parkeerterrein) en de aanwezigheid van personen op het voorziene terras meegenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de uit de eerder genoemde uitgave "Bedrijven en milieuzonering" voorvloeiende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode. Dat geldt ook voor piekgeluiden (Lamax). Het gemiddeld geluidsniveau (LAeq) als gevolg van indirecte hinder (verkeer op de openbare weg, van en naar het parkeerterrein) bedraagt maximaal 39 dB(A) en voldoet daarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) als genoemd in de Circulaire Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met de vergunningverlening Wet milieubeheer, waarbij aansluiting is gezocht in het rapport.
Aanvullend akoestisch onderzoek wijziging terreininrichting buitenbad
Als gevolg van de sloop van de huidige Wisselslag en de bouw van de nieuwe Wisselslag in het zuidelijk deel van het plangebied, wijzigt ook de indeling en inrichting van het terrein van het bestaande buitenbad. In een aanvullend akoestisch onderzoek (Peutz, d.d. 20 juni 2023, kenmerk J481-21-RA) zijn de consequenties daarvan onderzocht.
Uit die rapportage - die als Bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd - blijkt dat als gevolg van de activiteiten op het terrein van buitenbad in de gewijzigde situatie geen overschrijding wordt verwacht van de richtwaarde in de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" voor gemengd gebied van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode. Het buitenbad is alleen in de dagperiode geopend. De in de gewijzigde situatie vanwege het buitenbad optredende geluidniveaus zijn min of meer vergelijkbaar met de geluidniveaus in de bestaande situatie, waarbij stemgeluid de maatgevende geluidbron is.
Het uitgangspunt voor eventuele achtergrondmuziek op het terrein van buitenbad is dat deze muziek niet als zodanig herkenbaar mag zijn bij omliggende woningen (geluidniveau < 25 dB(A)). Hiermee dient in de nadere invulling van het terrein rekening te worden gehouden met betrekking tot plaatsing, orientatie en verspreiding van speakers.
Bij een gezamenlijke beschouwing van het nieuwe zwembad De Wisselslag en het buitenbad treedt in de gewijzigde situatie een overschrijding van ten hoogste ca. 4 dB op van de richtwaarde van 50 dB(A) als opgenomen in de eerder aangehaalde uitgave "Bedrijven en milieuzonering". De berekende waarden zijn wel lager dan de maximale waarde van 55 dB(A) welke, mits gemotiveerd, aangehouden mag worden. Voor de beoordeling van de plannen is van belang dat de geluidsituatie rondom de zwembaden in de gewijzigde situatie naar verwachting niet sterk afwijkt van de bestaande situatie. Verder is relevant dat de geluidniveaus vanwege het buitenbad niet dagelijks optreden, maar alleen op drukke zomerse dagen. Gesteld kan worden dat daarom de richtwaarde van 50 dB(A) een groot deel van het jaar niet wordt overschreden. Bovendien beperkt de overschrijding zich tot de dagperiode. Verder dient in de belangenafweging meegewogen te worden dat de zwembaden een maatschappelijke functie vervullen. Gelet op het bovenstaande zijn er voldoende argumenten aanwezig op grond waarvan tot de conclusie gekomen kan worden dat sprake is van een acceptabele geluidsituatie.
Voor wat betreft de maximale geluidniveaus (piekgeluiden; LAmax) ten gevolge van schreeuwende personen op het terrein van het buitenbad wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) in de dagperiode. Aangezien het buitenbad in de avond- en nachtperiode gesloten is, wordt automatisch voldaan aan de daarvoor gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau.
Gelet op het voorgaande vormt de geluidemissie als gevolg van het nieuwe zwembad op zichzelf beschouwd, maar ook in samenhang met het buitenbad, geen belemmering voor het planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.
Door de combinatie HMB en Peeters Milieuadvies is een verkennend bodemonderzoek onderzoek, verkennend asbestonderzoek puin en onderzoek wegfundering uitgevoerd, dat als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 23 september 2022, nr 22270001A). Daarbij is onderzoek verricht naar c.q. op de locatie van het huidige zwembad en de beoogde nieuwe locatie van het zwembad.
Verkennend bodemonderzoek
Locatie nieuwe zwembad
Uit voornoemd onderzoek blijkt dat op de beoogde locatie voor het nieuwe zwembad geen verontreinigingen in de bovengrond of ondergrond zijn aangetroffen voor de onderzochte parameters. Daarmee vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen. Verder worden alle grondmonsters op deze locatie indicatief beoordeeld als 'altijd toepasbaar' conform toetsing aan het besluit bodemkwaliteit.
Locatie bestaande zwembad (binnenbad)
Op c.q. rond de locatie van het bestaande binnenbad is ter plaatse van een aantal boringen en in één mengmonster van de bovengrond een lichte verontreiniging met PCB aangetoond. De grond kan indicatief worden beoordeeld als 'altijd toepasbaar' conform het Besluit bodemkwaliteit. In de bovengrond met bijmengingen kolengruis (MMB-5) zijn lichte verontreinigingen met zware metalen (kobalt, koper, nikkel, lood en zink) aangetroffen. Vermoedelijk worden de verontreinigingen veroorzaakt door de bodemvreemde bijmengingen. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond beoordeel als klasse 'industrie'. In de overige grondmonsters zijn geen verontreinigingen van de onderzochte parameters aangetoond. De grond wordt indicatief beoordeeld als 'altijd toepasbaar' conform het Besluit bodemkwaliteit. Gelet op aangetroffen gehaltes wordt nader onderzoek vooralsnog niet noodzakelijk geacht.
Locatie opslagen chloor en zuren
Ter plaatse van de chloor- en zurenopslag zijn geen verontreinigingen aangetroffen van de onderzochte parameters. Tevens is de aangetoonde zuurgraad representatief voor de zandgrond. Er is derhalve geen vermoeden dat de opslag van zuren en/of chloren heeft geleid tot significante bodemverontreiniging.
Grondwallen
Aangezien een deel van de grondwallen wordt afgegraven, zijn ook die wallen onderzocht. Op basis van de toetsingen worden die grondwallen indicatief beoordeeld als 'altijd toepasbaar'.
PFAS
Er zijn binnen het onderzochte gebied geen verhoogde gehalten aan PFAS boven de landbouw/natuurnormen aangetroffen.
Verkennend asbestonderzoek
Tijdens de graafwerkzaamheden is door HMB/Peeters Milieuadvies het uitkomende materiaal beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geen van de boringen en/of proefgaten is asbestverdacht materiaal (>20 mm) aangetroffen. Nabij het bestaande zwembad is plaatselijk een puinverharding aangetroffen. Op het overige terrein en op de andere deellocaties zijn geen asbestverdachte puinlagen aangetroffen. Analytisch is geen asbest aangetoond in de puinfundering.
Onderzoek puinfundering
Uit de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen puinverharding voldoet als "NV-bouwstof".
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen.
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof ind e buitenlucht. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden teniet gedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Voor bepaalde activiteiten is de NIBM-grens getalsmatig bepaald in het Besluit NIBM en de daarop gebaseerde Regeling NIBM. Voor andere activiteiten kan aan de hand van de zogenoemde NIBM-tool (MinI&M/InfoMil) als eerste stap worden onderzocht of een ontwikkeling kan worden aangemerkt als een plan dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van de relevante stoffen in de buitenlucht en daarmee kan dan de noodzaak van vervolgonderzoek worden bepaald.
Uitgaande van de verkeersgeneratie van het nieuwe binnenbad als in beeld gebracht in het onderzoek van Royal HaskoningDHV, als opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting en hierna nog nader te beschrijven in paragraaf 4.10, geeft de NIBM-tool de navolgende conclusie (zie afbeelding). Daarbij wordt als aantal voertuigbewegingen overigens - net als voor alle overige aspecten in deze toelichting - het werkdagmiddelde van 295 gehanteerd, in plaats van het weekdaggemiddelde van 266. Aangezien er bij wedstrijden blijkens het onderzoek ook steeds vaker bussen worden ingezet, is een aandeel van 2% voor zwaarder verkeer (vrachtverkeer) aangehouden. De opgenomen 2% dekt dan de inzet van de de betreffende bussen en eventuele vrachtwagenbewegingen van leveranciers. Met gemiddeld ruim 5 bewegingen per dag wordt die 2% representatief geacht, maar zelfs bij een aandeel van 10% van de 295 bewegingen per dag maakt dat de conclusie niet anders: het planvoornemen voldoet aan het criterium NIBM, waardoor aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
Daarbij kent Venlo geen knelpunten voor wat betreft de heersende achtergrondconcentraties (NO2, PM10 en PM2,5). Een goed woon- en leefklimaat is voor het aspect luchtkwaliteit dan ook gewaarborgd en de uitvoerbaarheid van het plan is op dit punt niet in het geding.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld aan de hand van twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten
Uit de eerder genoemde AMvB's (Bevi, Bevt, Bevb) vloeit voort dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de plaatsgebonden risicocontouren in acht moeten worden genomen ten opzichte van zogenoemde kwetsbare objecten. Ten opzichte van zogenoemde beperkt kwetsbare objecten geldt dat die contouren als richtwaarde gelden. In het Bevi is benoemd welke objecten zijn aan te merken als kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar object. Het Bevt en het bevb sluiten aan bij die indeling.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw overdekt zwembad. Een zwembad wordt in het Bevi aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Daarom wordt hierna getoetst op de externe veiligheidsrisico's. Ook wordt ingegaan op de vraag of het nieuwe overdekte zwembad zelf externe veiligheidsrisico met zich mee brengt.
Toetsing
Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven, op basis van gegevens in het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS). Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Deze kaarten zijn raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.
Risicovolle bedrijvigheid
In de omgeving van de locatie waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt, met uitzondering van het spoorwegemplacement. Dat emplacement heeft een invloedsgebied van circa 3 kilometer (toxisch scenario), maar de plaatsgebonden risicocontour dient op basis van de voor de betreffende activiteiten verleende vergunning binnen de grens van het emplacement c.q. de inrichting te blijven. Het groepsrisico is blijkens eerder uitgevoerde QRA's erg laag en er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, zo blijkt uit het gemeentelijk Beleidsplan Externe Veiligheid. Conform dit beleidsplan wordt voorzien in een standaard verantwoording groepsrisico.
De meest nabijgelegen risicobron betreft een lpg-tankstation Lukoil aan de Pastoor Stassenstraat, ten zuidoosten van het plangebied. Het invloedsgebied (150 meter) en de effectafstand (160 meter)reiken echter niet tot aan het plangebied.
Risicovol transport over de weg / het spoor
Binnen 200 meter afstand van het plangebied liggen geen transportassen (weg of spoor) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor plaats. Ook over de Rijksweg A73 (circa 460 meter afstand) vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gelet op deze afstanden vormen plaatsgebonden risicocontouren of eventuele plasbrandaandachtsgebieden voor onderhavig planvoornemen geen belemmering. Wel wordt voorzien in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Risicovol transport over het water
Over de Maas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen het definitief ontwerp Basisnet Water is de Maas aangewezen als een categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (categorieën LF1, LF2,LT1, GF3, GT3). De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) reikt niet tot buiten de oeverlijn van de Maas. Voor wat betreft het groepsrisico geldt dat, gelet op de relevante stofcategorieën, de grootste 1%-letaliteitsgrens (GT3) op 1.070 meter afstand van de Maas ligt. Daarmee ligt het plangebied buiten dit invloedsgebied. Langs de Maas is overigens nog veel ruimte voor de groei van transport van gevaarlijke stoffen voordat er een externe veiligheidsknelpunt ontstaat. Dit betekent dat er nu en in de toekomst (tot 2030) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkeling langs de vaarwegen nauwelijks beperkingen zijn.
Risicovolle buisleidingen
Er liggen in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen waarvan de de 1%-letaliteitsgrens reikt tot aan het plangebied. De meest nabij gelegen buisleidingen liggen ten westen van het plangebied, parallel aan de Napoleonsbaan (ca 670 meter afstand, ontwerpdruk 40 bar, diameter 12 inch) en ten oosten van het plangebied, parallel aan de Maas. Het betreffen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie met een diameter van respectievelijk 8 en 12 inch, beiden met een ontwerpdruk van 40 bar en waarvan de 1%-letaliteitsgrens op respectievelijk 100 en 140 meter afstand ligt. Die afstanden reiken dus niet tot aan het plangebied.
Conclusie invloed omgeving op het planvoornemen
Het plangebied is gezien het voorgaande niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron. Ook zijn de locaties niet gelegen binnen een 1%-letaliteitsgrens van een buisleiding of binnen 200 meter van een transportas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of het water. Nader onderzoek en/of het berekenen en het vervolgens 'volledig' verantwoorden van het groepsrisico (aan de hand van een QRA) is daarom niet aan de orde. Wel wordt hierna in paragraaf 4.5.2 conform het Besluit externe veiligheid transportroutes en op basis van het gemeentelijke Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 voorzien in een (standaard) verantwoording van het groepsrisico.
Invloed planvoornemen op de omgeving
Het zwembad zelf is geen risicovolle inrichting als bedoeld in het Bevi, maar indien gewerkt wordt met stoffen als bijvoorbeeld chloorbleekloog en zuren bestaan wel risico's op incidenten met deze stoffen, door bijvoorbeeld brand, of de vorming van chloorgas wanneer chloorbleekloog in contact komt met een zuur. Afhankelijk van de aard en het volume van de opslag van die stoffen worden in de Leidraad risico-inventarisatie gevaarlijke stoffen afstanden geadviseerd. In het nieuwe binnenbad zal echter - behoudens eventueel de opstartfase - geen opslag van chloor plaatsvinden, omdat chloor wordt aangemaakt door toepassing van zoutelektrolyse en onmiddellijk zal worden gedoseerd. PH-correctie zal plaatsvinden door middel van loog, dat ook wordt geproduceerd door de zoutelektrolyse-installatie. Ook de opslag van zuren is daarom niet aan de orde. Gezien het voorgaande zal het zwembad ook geen risico voor de omgeving met zich meebrengen vanwege de opslag van gevaarlijke stoffen.
Indien een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied, maar op een afstand van meer dan 200 meter van de betreffende transportas tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege:
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico
De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:
De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.
Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord
De veiligheidsregio op 18 oktober 2022 advies uitgebracht over onderhavig planvoornemen. De veiligheidsregio beoordeeld de bereikbaarheid van het plangebied als goed, nu het plangebied vanuit zowel oostelijke, westelijk, noordelijke als zuidelijke richting te bereiken is via de bestaande wegenstructuur en er geen aanleiding is om aan te nemen dat niet aan de brandweerzorgnorm kan worden voldaan. Wel worden maatregelen geadviseerd in het kader van de bluswatervoorziening en de zelfredzaamheid:
Gifwolk (toxisch scenario):
Algemeen:
Toepassing
Deze adviezen zullen worden opgevolgd door met maatregelen 1, 2 en 5 mee te nemen als ontwerpprincipe bij de verdere uitwerking van het bouwplan en maatregelen 3 en 4 mee te nemen in BHV-trainingen en -organisatie en personeelsinstructies.
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf.
Werking handreiking op hoofdlijnen: functiescheiding of functiemenging?
In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. Deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden ingedeeld in een milieucateogrie variërend van 1 tot 6. De daarmee samenhangende milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
De hiervoor beschreven methode gaat echter uit van functiescheiding. De opgenomen richtafstanden gelden tussen tussen een gebied met milieubelastende acticviteiten enerzijds en voor milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken, anderszijds. Deze methode is echter niet geschikt voor gebied waarin deze functies samen komen. Voor die gebieden introduceert de handreiking een andere systematiek, uitgaande van een drietal categorieën activiteiten:
Bij deze systematiek hoort ook een andere bedrijvenlijst dan wordt gehanteerd bij functiescheiding.
Invloed omgeving op het planvoornemen
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheden om een nieuw overdekt zwembad te bouwen, ter vervanging van het bestaande zwembad De Wisselslag. Het zwembad zelf is niet aan te merken als een milieugevoelige functie. Wel zijn binnen het zwembad enkele kantoren voor personeel aanwezig. Daarom is c.q. wordt bij het ontwerp van het gebouw wel rekening gehouden met bescherming van deze ruimten tegen geluidhinder van buitenaf.
Gelet op de aard van de ontwikkeling (niet milieugevoelig), de omgeving (geen milieuhinderlijke activiteiten met een grote impact op de omgeving) is geen sprake van een onaanvaardbaar verblijfsklimaat binnen het plangebied en is daarmee ook geen sprake van een strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening.
Invloed planvoornemen op de omgeving
De locatie van het nieuwe overdekte zwembad ligt niet - zoals het huidige overdekte zwembad - nabij de hoek Frederik van Eedenstraat en Drie Decembersingel, maar nabij de hoek Shakespearelaan en Pastoor Stassenstraat. Daarmee verandert ook de ruimtelijke uitstraling en de omgeving waarop het zwembad in beginsel effect kan hebben. Uitgaande van de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009) wordt een overdekt zwembad / binnenbad ingedeeld in milieucategorie 3.1, waarvoor in beginsel een richtafstand geldt van 50 meter. De milieucategorie wordt ingegeven door de grootste richtafstand, die in dit geval wordt bepaald door de richtafstand van 50 meter voor geluid. Voor geur en stof gelden voor zwembaden richtafstanden van respectievelijk 10 en 0 meter.
Ten opzichte van de woningen ten zuiden van het plangebied en de woningen en de zorgwoningen ten oosten van het nieuwe overdekte zwembad, wordt aan die afstand voldaan. Ten opzichte van de woningen ten westen van het nieuwe overdekte zwembad bedraagt de afstand tussen de meest nabij gelegen woningen en het bouwvlak niet overal 50 meter. De kleinste afstand bedraagt namelijk 48 meter. Zoals uit het voorgaande blijkt is geluid hier bepalende factor. Daarom is nader onderzoek verricht om te kunnen beoordelen of bij de realisatie van het overdekte zwembad ter plaatse van omliggende woningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn beschreven in paragraaf 4.2.2, blijkt dat het planvoornemen voorziet in een goede ruimtelijke ordening, nu ondanks het feit dat niet ten opzichte van alle omliggende woningen wordt voldaan aan de richtafstand, kan worden voldaan aan de relevante geluidnormen.
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologische bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en elektra. De aanwezigheid van deze leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig planvoornemen.
Bij ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen dient in de toelichting te worden voorzien in een beschrijving van de wijze waarop rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten.
De gemeente Venlo beschikt over een archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart van de gemeente laat zien dat voor onderhavig plangebied rekening moet worden gehouden met een archeologische (verwachtings)waarde.
Aan het plangebied is een hoge/middelhoge verwachtingswaarde toegekend. Dat betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een oppervlakte van 500 m2 of meer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Archeologisch onderzoek
Gelet op het voorgaande is een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Econsultancy (d.d. 2 december 2022, kenmerk 2072600.1). Het doel van het bureauonderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen Die verwachting is laag gebleken voor de periode Mesolithicum en hoog voor de perioden Laat-Paleolithicum en Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Daarom is ook een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen uitgevoerd. Daarmee wordt de bodemopbouw is binnen het plangebied onderzocht en er wordt beoordeeld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
Onder het maaiveld zijn geroerde lagen aangetroffen, plaatselijk puinhoudend, met daaronder de C-horizont. De overgang tussen de C-horizont en de bovenliggende laag was vaak verrommeld. De diepte waarop de C-horizont is aangetroffen varieert maar ligt grotendeels tussen de 22 en 22,6 meter +NAP. De verwachtte enkeerdgrond is niet aangetroffen, waarschijnlijk omdat het plangebied is afgegraven tot op/in de top van de C-horizont en is het daarna weer opgehoogd, vermoedelijk (deels) met zand dat is vrijgekomen bij de aanleg van het zwembad. Hoeveel van de C-horizont is verdwenen is niet overal duidelijk, alleen bij boring 14 (tussen de twee buitenbaden) is aangetoond dat dit aanzienlijk is. Uit de bouwdossiers blijkt dat de bodem ter plaatse van het zwembad tot wisselende diepten is verstoord. Ter plaatse van de zwembaden is de kans klein dat hier nog een onverstoorde bodem aanwezig is (mogelijk alleen onder een deel van het ondiepe bassin). Ter plaatse van de funderingen en de kruipruimtes is de kans ook klein dat hier nog een onverstoorde bodem aanwezig is.
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, dient door resultaten van het booronderzoek deels te worden bijgesteld. De verwachting voor resten van jagers en verzamelaars dient te worden bijgesteld naar laag voor de perioden Laat-Paleolithicum (voor Mesolithicum was deze al laag) aangezien resten uit deze periode zullen zijn vergraven. De hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met Middeleeuwen wordt bijgesteld naar middelhoog aangezien verwacht wordt dat deze deels zullen zijn aangetast, maar diepe sporen kunnen nog aanwezig zijn. De hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de Nieuwe tijd blijft hoog met name voor resten uit de Tweede Wereldoorlog, loopgraven en tankgracht. Deze sporen kunnen dermate diep doorlopen dan resten hiervan nog verwacht kunnen worden in het plangebied. Deze verwachting geldt voor het zuidelijk deel van het plangebied.
Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing en zwembaden in het noordelijke deel van het plangebied wordt geconcludeerd dat behoudenswaardige archeologische vindplaatsen in dit deel van het plangebied niet meer verwacht worden. Mogelijk zijn er nog archeologische resten aanwezig maar door de bebouwing en de zwembaden wordt niet verwacht dat deze behoudenswaardig zijn.
Gezien de in het onderzoek opgestelde archeologische verwachting wordt binnen het zuidelijk deel van het plangebied vervolgonderzoek geadviseerd om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek zou het beste kunnen worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Binnen het noordelijke deel van het plangebied, waar het bodemprofiel is verstoord door de bebouwing en de zwembaden en waar dus geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Toepassing planvoornemen
Gelet op het voorgaande kan het noordelijk deel van het plangebied worden vrijgegeven. Voor het zuidelijk wordt door Econsultancy een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Dit advies wordt echter niet overgenomen. Gezien de mate van bodemverstoring van 55 tot 120 cm en gemiddeld 86 cm onder maaiveld kan de verwachting voor (resten van) diepere grondsporen als laag worden beschouwd. De kans op zinvol onderzoek is daarom klein of nihil. Verder heeft archeologisch onderzoek naar resten uit de Tweede Wereldoorlog in dit geval geen meerwaarde. De tankgracht is reeds bekend en door middel van bureauonderzoek in kaart gebracht. Vervolgonderzoek is daarom disproportioneel en het gemeentelijke selectiebesluit luidt dan ook dat het plangebied archeologisch kan worden vrijgegeven.
Gezien het voorgaande is - nu het gebied geheel is vrijgegeven - de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding en wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening.
De gemeente Venlo beschikt over een cultuurhistorische inventarisatiekaart. Daarvan kan worden opgemaakt datbinnen het plangebied geen monumenten of panden zijn gelegen zijn opgenomen in de inventarisatie van het Monumenten Inventaristie Project (MIP, maar die niet daadwerkelijk als monument zijn aangewezen.
Voorgaande uitsnede van de inventarisatiekaart laat zien dat het plangebied in het verleden is doorkruist door inmiddels verdwenen wegen en in en rond het plangebied ten tijde van de Tweede Wereldoorlog (vermoedelijk) tankgrachten en loopgraven aanwezig waren. Gelet op de huidige inrichting en het huidige gebruik van het plangebied zijn die niet meer aanwezig dan wel als zodanig herkenbaar. Het de (her)inrichting van het plangebied daarom geen afbreuk gedaan aan eventuele cultuurhistorische waarden.
In de Wet natuurbescherming is de soortenbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN), dat een verdere vertaling heeft gekregen in de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014.
De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen hoodzakelijk binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming (net als de regels voor soortenbescherming) vertaald in de Wet natuurbescherming. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. De provincies werken vervolgens in beheerplannen uit welke maatregelen worden getroffen om de door de minister opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt over de grens met Duitsland en betreft het "Vogelschutzgebiet Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg" op circa 5 km afstand van het plangebied. Op circa 8 km afstand ten noorden van de projectlocatie bevindt zich tevens het Natura 2000-gebied "Maasduinen". Onderstaand kaartje laat de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden zien.
Het plangebied is gezien het voorgaande niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit daarom een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als gevolg van het planvoornemen zijn, gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, redelijkerwijs niet te verwachten. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van het NNN.
Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof is daarom noodzakelijk. Om deze reden wordt middels een Aeriusberekening de eventuele stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden.
Door Peutz is de stikstofstofdepositie voor zowel de sloopfase als de aanleg/bouwfase als de gebruiksfase in beeld gebracht door middel van de Aerius Calculator (versie 2022). De resultaten zijn beschreven in een rapport d.d. 10 maart 2023, met kenmerk J 481-16-RA-002, dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. Uit dat rapport blijkt dat tijdens de sloop-, aanleg- en bouwfase en ook tijdens de gebruiksfase géén deposities optreden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee vormt (de toename van) de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van het planvoornemen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de bescherming van flora en fauna en met name de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat bij voorgenomen nieuwe ontwikkelingen op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen hiermee in sommige situaties strijdig zijn. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot verstoring en/of vernietiging van leefgebieden van dieren en groeiplaatsen van planten. Ook de afzonderlijke plant- en diersoorten kunnen als gevolg van de werkzaamheden (onopzettelijk) gedood, verontrust en/of verjaagd worden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming is ook een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Verkennend onderzoek
Om eventuele belemmeringen voor het uitvoerbaarheid van het plan vanwege strijdigheden met de Wet natuurbescherming te kunnen uitsluiten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Nipa, die als bij Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 25 mei 2022, nr N222416.1). Kort samengevat zijn de bevindingen als volgt:
Conclusie en aanbevelingen
Op basis van voorgaande resultaten trekt Nipa de volgende conclusies en geven ze de volgende aanbevelingen:
Betekenis voor het planvoornemen
Vervolgonderzoek
Aangezien is geconstateerd dat binnen het plangebied oude bomen met gaten en/of scheuren of bomen met spechtgaten aanwezig zijn die mogelijk verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen bieden, is door Nipa nog nader geïnventariseerd of dit ook geldt voor het beperkt aantal te rooien bomen. Uit die inspectie (waarvan het verslag d.d. 14 juli 2023 met kenmerk N222416.001 als Bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd) blijkt dat dat niet het geval is. Er zijn weliswaar gaten aangetroffen in enkele van de te rooien bomen, maar die zijn niet geschikt gebleken voor vleermuizen om dat ze of wel te ondiep zijn, of wel onvoldoende naar boven toe zijn uitgehold, waardoor de gaten te veel worden blootgesteld aan weer en wind. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor het rooien van de bomen en voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in het geding en wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening.
Als gevolg van het planvoornemen zal het bestaande overdekte zwembad op de hoek van de Frederik van Eedenstraat en de Drie Decembersingel worden gesloopt en zal ter vervanging daarvan een nieuw overdekt zwembad worden gebouwd nabij de hoek Shakespearelaan en de Pastoor Stassenstraat. Door Royal Haskoning DHV (RHDHV) zijn de daarmee samenhangende verkeerseffecten onderzocht, waarbij is ingegaan op de verkeersproductie, de beoogde nieuwe ontsluiting en de parkeerbehoefte en de opvang daarvan. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 10 november 2022, nr BI8629-MI-NT-221110-0933).
Verkeersproductie
De verkeersproductie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2018), uitgaande van een ligging van het plangebied in een 'zeer stedelijk gebied' en in een deel van Blerick dat is aan te merken als 'rest bebouwde kom'. De kencijfers uit voornoemde uitgave gaan uit van een minimale en maximale verkeersproductie per 100 m2 aan bassin. Voornoemde publicatie gaat uit van een weekdaggemiddelde (evenredige verdeling motorvoertuigbewegingen over alle weekdagen). Het werkdaggemiddelde ligt iets hoger en wordt verkregen door het weekdaggemiddelde te vermenigvuldigen met een omrekenfactor van 1,11.
Op basis van ervaringscijfers van de gemeente Venlo blijkt dat de verkeersgeneratie in de stad op een gemiddeld niveau ligt. Om die reden is ook uitgegaan van een gemiddelde verkeersproductie, aan de hand waarvan de bestaande situatie als de nieuwe situatie in beeld is gebracht. Aangezien de oppervlakte aan bassin voor het binnenbad in de nieuwe situatie groter is dan de bestaande situatie, neemt de verkeersproductie als gevolg van het nieuwe binnenbad toe van 252 naar 295 verkeersbewegingen per werkdagetmaal (+43). De situatie ten aanzien van het bestaande buitenbad verandert niet.
Onderstaande tabel - afkomstig uit het rapport van RHDHV - geeft de beide situaties weer voor zowel als weekdaggemiddelde als werkdaggemiddelde.
Om inzicht te krijgen in de intensiteiten van de wegen rondom zwembad De Wisselslag, is gebruik gemaakt van het verkeersmodel Noord-Limburg_2018, prognosejaar 2030. De Shakespearlaan en Pastoor Stassenstraat betreffen gebiedsontsluitingswegen en kunnen normaliter 10.000-15.000 mvt/etmaal verwerken. Van de Shakespearlaan maken circa 7.200 mvt/etmaal gebruik en van de Pastoor Stassenstraat circa 3.500. Op beide wegen is nog voldoende restcapaciteit aanwezig om de circa 45 motorvoertuigen die het zwembad extra gaat genereren op te vangen. De Frederik van Eedenstraat en Drie Decembersingel betreffen erftoegangswegen, hiervoor geldt een capaciteit van 1.500-6.000 mvt/etmaal. Conform het verkeersmodel rijden er circa 1.000 mvt/etmaal, dus ook hier is voldoende restcapaciteit aanwezig.
Gezien het voorgaande blijkt dat de wegen rond het plangebied de verkeersproductie in zowel de huidige als toekomstige situatie goed kunnen afhandelen en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt niet in het geding is.
Parkeervoorzieningen motorvoertuigen
Voorzieningen trekken verkeer aan, zowel langzaam- als gemotoriseerd verkeer. Om bezoekers van zwembad De Wisselslag en het buitenzwembad te kunnen ontvangen, zijn zowel (brom)fiets- als autoparkeerplaatsen benodigd. Op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” (1 december 2018) is de parkeerbehoefte van zowel het binnenbad als het buitenbad inzichtelijk gemaakt. Naast de benodigde parkeercapaciteit, is ook gekeken naar de mogelijkheid van deelgebruik van de parkeerplaatsen door de omwonenden.
Net als voor de verkeersgeneratie gaat de genoemde CROW-publicatie uit van een onderscheid tussen binnen- en buitenbaden en wordt ook de parkeernorm bepaald per 100 m2 oppervlakte aan bassin. Daarbij wordt een minimum- en maximumnorm gegeven. Net als voor de verkeersproductie wordt - op basis van ervaringscijfers van de gemeente Venlo - uitgegaan van een gemiddelde parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte in zowel de bestaande als toekomstige situatie ziet er dan als volgt uit:
Als gevolg van de toename aan oppervlakte bassin binnenbad neemt de parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige situatie toe met 14 parkeerplaatsen. Rekeninghoudend met de toename van het aandeel elektrische voertuigen adviseert CROW een aantal parkeerplaatsen met een laadpunt van 2,5-3% van het totale aantal parkeerplaatsen. In dit geval dus circa 3 parkeerplaatsen.
Huidige situatie
In de huidige situatie wordt het auto parkeren voor zowel het binnen- als buiten zwembad volledig opgevangen in de openbare ruimte aan de Drie Decembersingel. Deze vakken worden ook gebruikt door bewoners van de naastgelegen woningen. Aan de zijde van de woningen liggen 13 schuine parkeervakken en aan de zijde van de zwembaden 36 schuine parkeervakken, waarvan 2 parkeerplaatsen voor mindervaliden. In het totaal zijn er dus 49 openbare parkeerplaatsen beschikbaar. Daarnaast is het toegestaan op de rijbaan te parkeren, hier zijn geen vakken aangegeven. Voor het buitenbad geldt dat de theoretische parkeervraag 218 parkeerplaatsen betreft. Echter wordt het buitenbad veel bezocht door inwoners van Blerick, die op korte afstand wonen. De gemeente Venlo is in gesprek gegaan met de beherende stichting, hieruit blijkt dat het huidige aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voldoende zijn om aan de parkeervraag te voldoen.
Het buitenbad is in het hoogseizoen (juli-augustus) dagelijks geopend. Vanaf mei is het terrein geopend voor evenementen zoals de jaarlijkse zwemvierdaagse. Zowel bezoekers van het binnen- als buiten zwembad maken gebruik van de openbare parkeerplaatsen aan de Drie Decembersingel. De piek van de parkeervraag voor het buitenbad ligt in de maanden juli en augustus, terwijl de activiteiten in het binnenbad dan minimaal zijn. Hierdoor is dubbelgebruik van de parkeerplaatsen door de beide zwembaden mogelijk.
Op basis van ervaringen van de gemeente Venlo en Stichting Buitenbad Groot Venlo, die het buitenbad exploiteert, zijn er geen structurele parkeerproblemen in de omgeving. Het huidige aantal parkeerplaatsen is voldoende om de vraag van het binnenbad, buitenbad en omwonenden op te vangen. Naast bezoekers van het zwembad, parkeren ook bewoners op de openbare parkeerplaatsen. Uit nachtelijk onderzoek van de gemeente Venlo is gebleken dat de parkeerbehoefte voor bewoners aan de Drie Decembersingel gedurende de nacht 15 parkeerplaatsen bedraagt.
Toekomstige situatie
In het toekomstige situatie rond het nieuwe binnenbad is een parkeerterrein voorzien dat conform de eerder genoemde parkeernorm kan voorzien in de parkeerbehoefte die het binnenbad genereert: 98 parkeerplaatsen. Het parkeerterrein is voorzien van een slagboom. Tijdens de openingstijden van het binnenzwembad is de slagboom geopend en kunnen bezoekers hier parkeren. Buiten de openingstijden is de slagboom gesloten. Het binnen zwembad kent ruime openingstijden, zowel op weekdagen als weekenddagen. Dit betekent dat het binnenzwembad geopend is tijdens de openingstijden van het buitenbad en dat dubbelgebruik van de parkeerplaatsen mogelijk is voor bezoekers van beide zwembaden. In het ontwerp is voorzien in een looproute van parkeerterrein (dat ligt bij het binnenbad) naar de ingang van het buitenbad.
Het nieuwe parkeerterrein is voorzien van 10 parkeerplaatsen voor elektrisch laden, waarmee ruim wordt voldaan aan het door CROW geadviseerde aandeel van parkeerplaatsen met een laadpaal van 2,5 à 3%. Daarnaast worden 2 mindervalidenparkeerplaatsen aangelegd nabij de ingang van het binnen zwembad.
Verder is van belang dat teams voor zwemwedstrijden regelmatig per touringcar naar zwembad De Wisselslag komen. De parkeervoorziening voor de bus zal in de toekomstige plan worden gesitueerd aan de Drie Decembersingel. Deze bushalte wordt ingericht conform de normen van het ASVV 2021 en is ontworpen op een bus van 15 meter. Om deze bushaven te kunnen realiseren, komen 13 openbare parkeerplaatsen aan de Drie Decembersingel te vervallen.
Dat geeft de volgende balans:
|
Aantal parkeerplaatsen |
|
| Parkeerterrein nieuwe binnenbad | 98 |
| Drie Decembersingel |
49 |
| Realisatie bushaven |
- 13 |
| Totaal beschikbaar |
134 |
Na ontwikkeling van het binnenbad zijn 134 parkeerplaatsen aanwezig in de directe omgeving en dit is gelet op het voorgaande ruim voldoende om de vraag te kunnen opvangen. Op dit punt is er dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en voorziet het planvoornemen in een goede ruimtelijke ordening.
Parkeerbalans fietsparkeren
Op basis van de grootte van de zwembadbassins, is door RHDHV ook een parkeerbalans voor fietsparkeren opgesteld. Het CROW heeft ook daarvoor aparte normen voor binnenzwembaden en buitenzwembaden en maakt daarbij ook onderscheid in een minimale en een maximale norm opgenomen. Deze normen lopen ver uiteen. Er is geen referentie beschikbaar welke norm het beste bij de gemeente Venlo past. Gekozen is om te rekenen met de minimale norm. Navolgende tabel geeft op basis daarvan inzicht in de huidige situatie en de toekomstige situatie:
Daaruit volgt dat in de toekomstige situatie de behoefte als gevolg van de toename aan oppervlakte bassin van het binnenbad de behoefte met 15 plaatsen toeneemt.
Huidige situatie
In de huidige situatie is sprake van een fietsenstalling met 112 plaatsen. Ook naast de aanwezige rekken is ruimte om fietsen te stallen. Zichtbaar is dat mensen de fiets zo dicht mogelijk bij de ingang willen plaatsen. Geschat wordt dat er circa 202 tot 30 fietsen buiten de rekken worden geplaatst. In de huidige situatie worden echter geen knelpunten ervaren en voorziet de beschikbare ruimte in de vraag, voor zowel het binnen- als het buitenbad.
Toekomstige situatie
Met de nieuwbouw van het binnenzwembad, wordt het aantal m2 bassin (beperkt) vergroot. Deze toename levert een extra parkeervraag op van 15 fietsparkeerplaatsen. De totale vraag in het gebied komt daarmee op 112 (bestaande voorziening) + 30 (fietsen buiten de rekken) + 15 (toename conform norm) = 157 fietsparkeerplaatsen. In het ontwikkelingsplan zijn twee fietsparkeerplaatsen voorzien. Het binnenbad wordt voorzien van 140 fietsparkeerplaatsen en het buitenbad van 280 fietsparkeerplaatsen. In het totaal is er ruimte voor 420 fietsen. De totale parkeervraag voor fietsers bedraagt bij gelijktijdige opening van binnen en buiten zwembad 385 fietsparkeerplaatsen. Daarmee voldoet het plan dan ook ruim aan de normen voor fietsparkeren.
Op basis van ervaringscijfers, is het huidige aantal fietsparkeerplaatsen voldoende. Ter hoogte van het binnenzwembad worden 140 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Dit is een uitbreiding ten opzichte van de huidige situatie en passend bij zowel de normering als de ervaring. Echter is het aantal fietsparkeerplaatsen bij het buitenzwembad op basis van de normering groter dan de praktijk en de ervaring leert. Momenteel zijn er geen (eigen) fietsparkeerplaatsen bij de entree van het buitenzwembad. Bezoekers aan het buitenbad maken op dit moment gebruik van de fietsenrekken bij het binnenzwembad. Er zijn geen structurele problemen bekend bij de exploitant van het buiten zwembad.
De gemeente Venlo heeft in haar ruimtelijke beleid opgenomen om de openbare ruimte waar mogelijk te “vergroenen” om de impact van hittestress te verminderen. Dit betekent dat waar mogelijk verhard oppervlak wordt omgezet in “groen”. Op basis van de parkeerbalans is het eventueel mogelijk om fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte te laten vervallen of deze ruimte op een andere manier in te richten. Naast het vergroenen van de openbare ruimte zet de gemeente Venlo ook in op fietsstimulering. Aangezien fietsers de eigenschap hebben graag dicht bij de bestemming hun fiets te parkeren is het te overwegen om circa 50 parkeerplaatsen ter hoogte van de ingang van het buitenbad aan te brengen en niet de 280 fietsparkeerplaatsen die nu zijn voorzien. De ruimte die hiermee wordt gespaard kan bijvoorbeeld groen (grasveld) ingericht worden als overloopgebied voor fietsparkeren voor gebruik op (uitzonderlijke) piekmomenten. Daarnaast is het dubbelgebruik van de fietsparkeerplaatsen bij het binnenbad ook mogelijk. Op deze manier wordt de omgeving groener ingericht wat positief werkt ten aanzien van eventuele hittestress en op het gebied van afwatering. Anderzijds zijn er voldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig in het gebied en is voor het opvangen van piekmomenten extra ruimte beschikbaar.
Conclusie
Op dit punt is er dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en voorziet het planvoornemen in een goede ruimtelijke ordening. Bij de verdere uitwerking van de terreininrichting zal worden bezien in hoeverre invulling kan worden gegeven aan het (extra) vergroenen van de fietsparkeerplaats voor het buitenbad.
De gemeente Venlo beschikt over een Conventionele Explosieven (CE-)bodembelastingskaart. Daaruit blijkt dat de bodem van een groot deel van het centrum van Venlo en ook een groot deel van Blerick verdacht is op geschutsmunitie. Voor dit gebied - op de kaart aangeduid als verdacht gebied "VGI_004" is door Bombs Away is de status 'verdacht' verder onderbouwd in een deelrapportage " VGI_004 Artilleriebeschietingen Centrum" (d.d. 28 april 2017, nr 16P080 VGI_004). Onderstaande afbeelding is - met toegevoegde inzet legenda - afkomstig uit die deelrapportage. Daaruit blijkt dat voor het plangebied een verhoogde kans op het aantreffen van conventionele explosieven geldt.
Bombs Away adviseert om bij voorgenomen grond- en/of baggerwerkzaamheden in dit verdacht gebied vervolgstappen te ondernemen in de explosievenopsporing, voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden. Daarvoor bestaan twee mogelijkheden:
Nader onderzoek
Gezien het voorgaande is door Bombs Away een nader onderzoek uitgevoerd in de vorm van een vooronderzoek na-conflictperiode (VNC) en risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten (RA OO) (d.d. 22 november 2022, kenmerk 22P175). Uit de resultaten van het VNC is gebleken dat er sprake is van bodemingrepen na-conflictperiode. Op basis hiervan is bepaald of, en zo ja tot welke diepte minus huidig maaiveld en ten opzichte van NAP de aanwezigheid van OO kan worden uitgesloten. Op basis daarvan is vervolgens voorzien in de eerder genoemde risicoanalyse, waarbij wordt ingegaan op:
De conclusies van de risicoanalyse zijn als volgt
Uit het voorgaande blijkt dus dat vanwege de handelingen/activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik wel uitwerking van de (vermoede) OO wordt verwacht, maar de uitwerkingsfactoren door het treffen van beheersmaatregelen beheersbaar zijn. Bij een ongecontroleerde detonatie zullen, afhankelijk van de diepteligging van het OO ten opzichte van het maaiveld, de effecten van scherfwerking, luchtdrukwerking en schokgolf wijzigen. Hoe dieper de ligging van OO, des te minder scherfwerking en luchtdruk aan het oppervlak ontstaat. De door de explosie ontstane schokgolf verplaatst zich dan meer voort door de bodem en kan schade toebrengen aan bestaande ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, heipalen, funderingen et cetera. Er is bovendien sprake van een gevaar voor veiligheid of gezondheid van personeel en derden.
Advies en maatregelen
Bombs away geeft een advies gegeven ten aanzien van te nemen maatregelen die - in relatie met opsporingswerkzaamheden OO - tijdens de uit te voeren werkzaamheden toegepast kunnen worden:
Mbt Conclusie I en II (geen opsporingswerkzaamheden):
Mbt Conclusie III (opsporingswerkzaamheden):
Conclusie
Gelet op het voorgaande zijn de risico's als gevolg van niet gesprongen explosieven afdoende in beeld gebracht en blijkt dat eventuele risico's met maatregelen beheersbaar kunnen worden gehouden. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen c.q. strijdigheden met een goede ruimtelijke ordening.
In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht).
In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D:
Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de geval definities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten.
Toepassing planvoornemen
De beoogde ontwikkeling (de bouw van een nieuw overdekt zwembad met een oppervlakte van circa 3.700 m2 komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Van de categorieën die zijn genoemd in lijst D zou in beginsel wel sprake kunnen zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Uit jurisprudentie over dit onderwerp volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject de aard en omvang van de ontwikkeling plaatsvinden, maar ook de regio en de directe omgeving van de planlocatie.
In dit geval is (mogelijk) sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, gelet op de omvang en het feit dat wordt gebouwd op een vooralsnog onbebouwde locatie, ook al past de ontwikkeling in de 'maat en schaal' van de omgeving. Zekerheidshalve is een notitie opgesteld, waarin wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en om die reden kan worden afgezien van het opstellen van een 'volledig' milieueffectrapport. Die notitie is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd.
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen.
De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere:
De gemeente Venlo hanteert een afkoppelbeslisboom die is gebaseerd op het gemeentelijk rioleringsplan (GRP+). De afkoppelbeslisboom voorziet in een stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, dient die afkoppelbeslisboom te worden doorlopen.
Binnen het plangebied zijn geen primaire watergangen of andere oppervlaktewateren aanwezig (anders dan de aanwezige bassins van de het openluchtzwembad en overdekte zwembad).
Het planvoornemen bestaat uit de bouw van een nieuw binnenbad in het zuidwestelijk deel van het plangebied. Het bestaande binnenbad wordt gesloopt. Het hemelwater dat afkomstig is van het dak van het nieuwe zwembad en de aan te leggen verhardingen zal binnen het plangebied worden opgevangen in wadi's en vervolgens geïnfiltreerd. Daarbij wordt voor wat betreft uitvoering en dimensionering de 'Afkoppelbeslisboom Gemeente Venlo' gehanteerd, die in deze situatie uitgaat van een bergingscapaciteit van 71 mm in 48 uur (71 liter per m2), met een doorkijk naar een bui van 84 mm in 48 uur (84 liter per m2). Dat houdt in dat voor het nieuwe binnenbad minimaal zal moeten worden voorzien in 3.700 m2 * 84 liter = 310 m3. Daarnaast is het wenselijk bij de dimensionering vanuit het oogpunt van klimaatadaptief bouwen ook wenselijk rekening te houden met een bui van 60mm in één uur, waarbij voorzieningen vervolgens ook weer binnen 24 beschikbaar zijn. De norm van 100mm die het waterschap hanteert is voor dit plan niet aan de orde, nu het plangebied geen gevolgen heeft voor wateren die in beheer zijn bij het waterschap.
Bij de verdere invulling van de terreininrichting zal daarbij ook de aan te leggen verharding worden meegenomen. Gelet op de omvang van het plangebied is voldoende ruimte aanwezig en te reserveren voor deze opgave.
In het kader van het verkennend bodemonderzoek dat als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd is ook de doorlatendheid van de bodem onderzocht. Op basis van de uitgevoerde veldmetingen blijkt dat de aangetroffen zandgrond zeer goed (>0,75 m/dag) doorlatend is. Ter plaatse van een aantal boringen (A3, A4, A6 en A8) zijn de berekende doorlatendheden echter veel lager. Vermoedelijk is het berekende gehalte (veel) lager door het aangetroffen lutum percentage (variërend van 7,1 tot 11,9 %) in de betreffende lagen. Gelet op de resultaten worden de veldmetingen als meer leidend gezien dan de theoretische doorlatendheden. Verwacht wordt derhalve dat de matig fijne zandgronden goed doorlatend zijn.
Bij de uitwerking van de infiltratievoorziening zal daarmee rekening worden gehouden. Indien nabij of op (sterk) siltige lagen wordt geïnfiltreerd, kan grondverbetering worden toegepast. Door het toepassen van grondverbetering kan de infiltratiecapaciteit worden verbeterd. Gelet op de betere doorlatendheden in de diepere (grove) zandlagen wordt aanbevolen om het hemelwater zoveel mogelijk juist in deze lagen te infiltreren.
Gelet op het voorgaande zal hemelwater afkomstig van te realiseren bebouwing en aan te brengen (gesloten) verhardingen binnen het plangebied worden opgevangen en geïnfiltreerd. Daarbij zal de uit de afkoppelbeslisboom voortvloeiende voorkeursvolgorde worden aangehouden door eerst te onderzoeken wat bovengronds kan worden uitgewerkt en pas een eventueel restant van de opgave in te vullen met een IT riool of met infiltratiekratten. Binnen het plangebied is naar verwachting voldoende ruimte voor bovengrondse voorzieningen en de voorlopige ontwerpen van de terreininrichting laten ook zien dat die opgave als ontwerpprincipe wordt meegenomen. Ook blijkt uit het voorgaande dat de bodem deels goed geschikt is voor infiltratie en dat elders de mogelijkheden door grondverbetering nog kunnen verbeterd. Bovendien is in de planregels geborgd dat bij realisatie van het planvoornemen de gemeentelijke afkoppelbeslisboom wordt gehanteerd (Zie artikel 6.3).
Vuilwater en afvalwater zal worden afgevoerd via het bestaande rioolstelsel.
Gelet op het voorgaande zijn met onderhavig planvoornemen geen waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige belangen in het geding en is geborgd dat bij invulling van het plangebied water als ontwerpprincipe wordt meegenomen.
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:500, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT ondergrond met kadastrale gegevens geen juridische status heeft.
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Zwembad Venlo’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van vigerende beheersverordening. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
Groen
Het deel van het plangebied dat wordt ingericht als groen en dat het plangebied omzoomd is voorzien van de bestemming 'Groen'. De gebruiksregels zijn afgestemd op het betreffende gebruik en de bouwmogelijkheden zijn gelet op het beoogde gebruik beperkt.
Sport
Zowel het beoogde nieuwe binnenbad als het buitenbad zijn voorzien van de bestemming 'Sport'. Daarbij is een differentiatie aangebracht door het nieuwe binnenbad en de bijbehorende gronden te voorzien van de aanduiding 'zwembad' en het buitenbad van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - openluchtzwembad'. De bouw en gebruiksmogelijkheden zijn waar relevant gekoppeld aan die aanduidingen. Bij het nieuwe binnenbad liggen de planregels op de afbakening van de bouwmogelijkheden voor het nieuwe bad. Voor het buitenbad ligt de nadruk op het vastleggen en daarmee faciliteren van de huidige activiteiten.
Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. In beginsel gebeurt dit via een exploitatieplan, maar van de vaststelling van een dergelijk plan kan worden afgezien wanneer kostenverhaal 'anderszins is verzekerd'. Dit laatste is veelal de praktijk, bijvoorbeeld door het sluiten van een zogenoemde anterieure privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar c.q. initiatiefnemer.
Voor de realisatie van het binnenbad waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft is de gemeente Venlo zelf initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is in dit geval geborgd aangezien de daarmee gepaard gaande investeringen en kosten en de daarvoor benodigde dekking in de gemeentelijke begroting zijn opgenomen.
Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling binnen een gebied dat al jarenlang voorziet in zwemfaciliteiten in de vorm van een binnen- en buitenbad. Daarbij wordt een sterk verouderd binnenbad vervangen door een modern en duurzaam binnenbad, dat goed wordt ingepast in de omgeving en waarmee wordt voorzien in een kwalitatieve verbetering van het zuidelijk deel van het plangebied. Bovendien past de ontwikkeling gezien deze toelichting goed binnen de actuele beleidsmatige kaders van onder meer Rijk, provincie en gemeente.
Het programma voorziet in de behoefte van de huidige gebruikers van De Wisselslag en houdt rekening met de relevante landelijke trends (meer individueel en tijdonafhankelijk sporten), waardoor ook veelvuldig afstemming heeft plaatsgevonden met de relevante stakeholders, in de vorm van een klankbordgroepoverleggen, enquetes en 1-op-1gesprekken. Daarmee voorziet in planvoornemen in een duidelijke behoefte.
Verder heeft op 14 november 2022 een inloopbijeenkomst voor omwonenden plaatsgevonden. Daarbij is bewust gekozen voor een 'open' inloop voor omwonenden in plaats van het formeren van een klankbordgroep voor omwonenden, om zo iedereen de mogelijkheid te bieden aan te sluiten en een reactie te geven. Het planvoornemen en de uitwerking van de terreininrichting zijn goed ontvangen. Wel is aandacht gevraagd voor overlast door drugs die door de omgeving wordt ervaren, met name rond het zwembad. Dit betreft een bestaande problematiek, waarvan de oorzaak niet kan worden weggenomen door deze ontwikkeling, maar met de beoogde inrichting van het terrein kan wel een bijdrage worden geleverd aan het zoveel mogelijk voorkomen c.q. voortzetten van deze problematiek rond de nieuwe locatie van het zwembad. Voor het overige zal dit signaal in breder verband worden opgepakt, los van de met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling.
Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het planvoornemen voorziet, zoals blijkt uit deze toelichting, in een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een goede nieuwe invulling van het plangebied.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van voorliggend bestemmingsplan.
Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg als bedoel in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan onder meer de Provincie Limburg, Het Waterschap Limburg en de Veiligheidsregio Noord-Limburg. De provincie heeft laten weten geen aanleiding te zien om inhoudelijke opmerkingen te maken op het plan, het waterschap heeft geen reactie kenbaar gemaakt. Het advies van de veiligheidsregio is verwerkt in paragraaf 4.5.
Een ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van 2 februari 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn gedurende die periode geen zienswijzen ingediend. Het plan is daarom niet gewijzigd naar aanleiding van ingekomen zienswijzen. Wel zijn ambtshalve enkele aanpassingen doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Voor wat betreft het juridisch deel van het plan betreft het het verwijderen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog' van de verbeelding en het schrappen van de daaraan verbonden bestemmingsregels uit de planregels. In deze toelichting is paragraaf 4.8 Archeologie en cultuurhistorie geactualiseerd aan de hand van het selectiebesluit om het plangebied vrij te geven. Ook paragrafen 4.2 (Geluid) en 4.9 (Flora en Fauna) zijn geactualiseerd aan de hand van na inzage van het ontwerpbestemmingsplan uitgevoerde of gewijzigde onderzoeken.