direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Trade Port Noord Herziening Klaver 4
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Achtergronden en context Trade Port Noord

Het plangebied Trade Port Noord is onderdeel van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4/Greenport Venlo. De ontwikkeling van deze Greenport maakt onderdeel uit van de Nationale ruimtelijke hoofdstructuur en is van groot economisch belang voor de positie van de Nederlandse tuinbouw op mondiaal en europees niveau. Het rijk, de provincie Limburg, de gemeenten in de regio en private partners werken dan ook al geruime tijd aan de ontwikkeling van het Klavertje 4-gebied.

Dit bestemmingsplan is van toepassing op een deel van het bedrijventerrein Trade Port Noord (TPN), namelijk Klaver 4. Klaver 4 maakt deel uit van het in oktober 2012 vastgestelde bestemmingsplan Trade Port Noord, waarin deze gronden onder andere voor bedrijventerrein (BT) zijn bestemd. Dit plan is in juli 2013 onherroepelijk geworden.

Inmiddels is de uitgifte van gronden op het bedrijventerrein TPN van start gegaan. Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan in 2012 is naar aanleiding van contacten met de markt gebleken dat nieuwe ontwikkelingen en schaalvergroting in de logistieke sector hebben plaatsgevonden. Hierdoor sluiten de omvang en de vorm van de uitgeefbare gronden van klaver 4 (en de klavercontouren) niet meer aan op de vraag. Het aanbod van uitgeefbare gronden moet ruimer en flexibeler deelbaar zijn. Om op deze gewijzigde marktvraag te kunnen inspelen is deze herziening van het bestemmingsplan Trade Port Noord voor het gebied Klaver 4 opgesteld.

1.2 Doel

Voor de locatie in Klaver 4 zijn twee initiatieven in beeld, namelijk een bouw- en inrichtingsplan voor de realisatie van een distributiecentrum met kantoorfunctie (Klaver 4B/C) en een bedrijf in de agro & food (Klaver 4A). De totale footprint van het gebouw in Klaver 4B/C bedraagt iets minder dan 20 hectare en past alleen indien klaverbladen 4B en 4C worden samengevoegd. Klaver 4A verandert iets van vorm vanwege een nieuwe vorm voor het middenterrein. Hierdoor ontstaan twee nieuwe contouren voor deze klaverbladen. Het voorliggende bestemmingsplan Klaver 4 levert het planologische toetsingskader voor de aanvragen van de omgevingsvergunningen.

1.3 Ligging plangebied

Als onderdeel van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4 is de ontwikkeling van het bedrijventerrein Klaver 4 gepland. Het plangebied van Klaver 4 (klaverbladen A, B en C) ligt in het centrumgebied van het bedrijventerrein Trade Port Noord (TPN). TPN ligt ten noordwesten van Venlo, ten noorden van de A67, ten westen van de A73 en tussen de Sevenumseweg en de Dorperdijk. Het grootste deel van TPN ligt in de gemeente Venlo, een kleiner deel in de gemeente Horst aan de Maas.

Klaver 4 ligt direct ten zuiden van de Greenportlane en direct ten noordoosten van de spoorlijn. In Figuur 1.1 is de ligging van Klaver 4 binnen het Klavertje 4 gebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0001.png"

Figuur 1.1. Uitsnede Structuurvisiekaart Klavertje 4 met ligging Klaver 4 in Trade Port Noord [Greenport Venlo, 2012]

1.4 Planvorm

1.4.1 Herziening bestemmingsplan

Het vigerend regime voor Klaver 4 is het in oktober 2012 vastgestelde bestemmingsplan Trade Port Noord, waarin deze gronden onder andere voor bedrijventerrein (BT) zijn bestemd. Dit plan is in juli 2013 onherroepelijk geworden. Inmiddels is het 'moederplan' een aantal maal herzien, meestal in relatie tot het exploitatieplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0002.png"

Figuur 1.2. Vigerende plannen op en rondom het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Op 29 april 2015 is het bestemmingsplan Trade Port Noord – Klaver 1 Oost vastgesteld, als herziening ten behoeve van de ontwikkeling van het oostelijke deel van Klaver 1. Op 24 juni 2015 is het bestemmingsplan Trade Port Noord – Klaver 1 West vastgesteld voor de ontwikkeling van het westelijke deel van Klaver 1. Voor Klaver 3 is een herziening opgesteld naar aanleiding van het Dasseninrichtingsplan (zie bijlage 4).

Het nieuwe ruimtelijke ontwerp van Klaver 4 komt niet overeen met het geldende bestemmingsplan Trade Port Noord. Om de geplande ontwikkeling (Klaver 4) mogelijk te maken dient het vigerende bestemmingsplan, te worden herzien voor het plangebied van Klaver 4.

1.4.2 Crisis- en herstelwet

De integrale gebiedsontwikkeling Klavertje 4 Venlo – waar het werklandschap (bedrijventerrein) Klaver 4 deel van uitmaakt – is als ruimtelijk project opgenomen in de Crisis- en Herstelwet (Chw) en daarmee aangewezen als project van nationaal belang.

1.4.3 Milieueffectrapportage

Gekoppeld aan deze bestemmingsplanherziening voor Klaver 4 wordt een m.e.r.-procedure doorlopen. De m.e.r.-procedure is wettelijk vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage en is een implementatie van de Europese Richtlijn 2001/42/EG in de nationale wetgeving. Doel van het m.e.r. is het milieubelang volwaardig te laten meewegen in de besluitvorming.

Er is sprake van een m.e.r.-plicht voor de herziening van de activiteiten in Klaver 4 omdat:

  • het voornemen bestaat om de vestiging van m.e.r.-beoordelingsplichtige bedrijven in Klaver 4 mogelijk te maken. Het bestemmingsplan is daardoor een kaderstellend besluit, waardoor er dan sprake is van een besluit (plan)-m.e.r.-plicht.
  • significante effecten op Natura 2000 gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten als gevolg van de mogelijkheid in het bestemmingsplan TPN voor vestiging van bedrijven met stikstofemissie. Bij het bestemmingsplan is daarom een passende beoordeling vereist, waardoor sprake is van een m.e.r.-plicht.

Het voornemen zelf (het bestemmingsplan) is niet formeel m.e.r.-beoordelingsplichtig (omvang kleiner dan de gevalsgrens van categorie D11.3 in het Besluit milieueffectrapportage). Een (wel noodzakelijke) vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet uitgevoerd vanwege de al geconstateerde m.e.r-plicht.

Het milieueffectrapport ten aanzien van Klaver 4 is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Voorafgaand aan het opstellen van het MER is een Integrale OmgevingsBeoordeling (IOIB) opgesteld. Hierin zijn de cumulatieve milieueffecten van een drietal ontwikkelingen in het gebied, bestemmingsplannen Klaver 4 en Railterminal en Spoorse Aanpassingen en de ontwikkeling van windturbines onderzocht en zijn uitgangspunten vastgesteld voor deze ontwikkelingen.

1.4.4 Coördinatieregeling

De gemeenteraad van Venlo heeft op 20 april 2016 besloten om de gemeentelijke coördinatieregeling op grond van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing te verklaren op de (ontwerp)besluiten voor bestemmingsplan Trade Port Noord Herziening Klaver 4 en voor de ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, aanleg inrit en voeren van handelsreclame ten behoeve van de realisatie van een logistiek e-commercebedrijf in Klaver 4. Hierdoor worden procedures voor de realisatie van het project gestroomlijnd en worden de benodigde besluiten gelijktijdig bekendgemaakt. Burgemeester en wethouders van Venlo nemen de coördinatie op zich.

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie, het plan en het daaraan gekoppelde programma en waarom een m.e.r.-procedure van toepassing is;
  • hoofdstuk 3 geeft het algemene beleidskader. Themaspecifiek beleid is samen met de relevante wet en regelgeving op dat thema opgenomen in desbetreffende paragraaf in hoofdstuk 4;
  • hoofdstuk 4 beschrijft het onderzoek en de conclusies ten aanzien van de milieuaspecten;
  • hoofdstuk 5 bevat een toelichting op het juridisch geldende deel van dit plan (regels en verbeelding);
  • hoofdstuk 6 bevat een beschrijving van de uitvoerbaarheid (financieel en maatschappelijk) van het plan;
  • hoofdstuk 7 tot slot beschrijft de uitkomsten van het overleg met provincie, waterschap en andere relevante overlegpartners.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie en programma

2.1 Bestaande situatie en autonome ontwikkeling

De bestaande situatie van het plangebied wordt gekenmerkt door een open agrarisch landschap. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Greenportlane en aan de zuidwestzijde door de spoorlijn Venlo - Eindhoven en de naastgelegen Heierhoevenweg. Het gebruik van de agrarische gronden bestaat uit gewassenteelt en enkele percelen zijn in gebruik voor boom- en fruitteelt. Het middengebied wordt ontsloten door kleine landbouwwegen. Het (omliggende) bedrijventerrein Trade Port Noord is volop in ontwikkeling.

Klaver 1 is inmiddels bouwrijp gemaakt en wordt en er is gebouwd op klaver 1 oost en klaver 1 west. Het gebied van Klaver 2 is grotendeels al uitgegeven en bebouwd en op klaverblad 6b zijn de werkzaamheden ook afgerond. Tegelijkertijd met de werkzaamheden op de uitgegeven gronden, wordt ook gewerkt aan de groenstructuur en de manchetten. De Greenportlane, de weg die alle Klavers ontsluit, is in 2013 gerealiseerd. In figuur 1.2 zijn de verschillende klavers weergegeven. De bewerkte luchtfoto in figuur 2.1 laat in grote lijnen de stand van zaken zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0003.png"

Figuur 2.1. Stand van zaken ontwikkelingen juli 2015 (indicatief)

Het plangebied en omgeving is de afgelopen jaren getransformeerd van een agrarisch cultuurlandschap naar een werklandschap in de vorm van een bedrijventerrein met bijbehorende infrastructuur en voorzieningen. De opzet is bijzonder en heeft/krijgt met de opzet van samenhangende geclusterde velden (de klavers) en een stevige groene inpassing een geheel eigen identiteit en kwaliteit. Referentiekader voor de toekomstige situatie is het bestemmingsplan Trade Port Noord. Daarnaast geeft ook de Structuurvisie Klavertje 4-gebied (zie paragraaf 3.3) beleidsmatig richting aan de autonome ontwikkeling.

Het bedrijventerrein Trade Port West is inmiddels gerealiseerd en het bedrijventerrein Trade Port Noord en het glastuinbouwcomplex Californië zijn volop in ontwikkeling. Parallel langs het spoor loopt de snelfietsroute Greenportbikeway, deze verbindt de NS stations Venlo, Blerick en Horst-Sevenum. Het grootschalige karakter van Greenport Venlo contrasteert met het omliggende landschap.

2.2 Beoogde situatie

In gevolg op de ontwikkelingen in de logistieke sector is het gewenst dat vorm en omvang van de uitgeefbare gronden in het bestemmingsplan Trade Port Noord en thans van Klaver 4 in het bijzonder worden afgestemd op de actuele vraag vanuit de markt om grotere kavels. Overigens kunnen ook op deze grotere kavels ontwikkelingen gefaseerd vergund en gerealiseerd worden. Eerder zijn vanwege eenzelfde behoefte aan grotere kavels de bestemmingsplannen voor klaver 1- West en klaver 1 - Oost herzien.

TPN wordt de komende jaren ontwikkeld tot grootschalig duurzaam bedrijventerrein. Het richt zich met name op logistieke bedrijvigheid, productiegerelateerde bedrijven, fresh, food & flowers en de maakindustrie. Het aanbod van verkoopbare gronden dient de vraag uit de markt te volgen en mee te gaan met de wijzigende omstandigheden van de doelgroep bedrijven waar het zich op richt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0004.png"

Figuur 2.2 Ontwerp voor Klaver 4

In Klaver 4 is ervoor gekozen de bestaande hoge milieucategorieën (4 en 5) als uitgangspunt vast te houden. Wel vindt er een wisseling tussen kavels plaats waar bedrijvigheid met maximaal categorie 4.2 en 5.2 wordt toegestaan. Het voornemen is op de westelijke klaver maximaal categorie 5.2 toe te staan en op de oostelijke klaver maximaal categorie 4.2.

De gebiedsontwikkeling richt zich op (regionale) economische ontwikkeling in de sectoren agro & food en trade & logistics. Door hoge milieucategorieën in Klaver 4 als uitgangspunt te nemen blijft het mogelijk zowel logistieke bedrijven als procesindustrie te faciliteren in Klaver 4. Dit is vanuit economisch perspectief beleidsmatig wenselijk vanwege de schaarste aan kavels met een hoge milieucategorie, ontwikkelingen ten aanzien van bio-based economy en het totaalconcept van Greenport.

Om optimale ruimte te geven aan bedrijven uit een hoge milieucategorie wordt daarnaast uitgegaan van uitstoot van stikstof, die op basis van het geldende bestemmingsplan zijn uitgesloten. Grote lawaaimakers in de zin van de Wet geluidhinder worden ook in de herziening van dit bestemmingsplan niet toegestaan.

De centrale as in Klaver 4 wordt aangelegd conform het concept van de centrale as in Klaver 1 met ruimte voor o.a. wandelroutes, verblijven en showcase van zittende bedrijven. De as krijgt een formeel karakter en verblijfskwaliteit met representatief water, boomclusters/-stramien passend bij de menselijk maat en schaal.

Met de voorgenomen aanpassing van het bestemmingsplan wordt de oppervlakte werkelijk uitgeefbaar terrein niet uitgebreid. Hierdoor kan toetsing aan de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' achterwege blijven.

In tabel 2.3 zijn de planwijzigingen weergegeven tussen het vigerende bestemmingsplan en de voorgenomen activiteiten, die mogelijk worden gemaakt met dit nieuwe bestemmingsplan.

Tabel 2.3: Vergelijking vigerende bestemmingsplan versus beoogde activiteiten in nieuw bestemmingsplan

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0006.png"

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is Venlo en omgeving aangewezen als stedelijke regio met een concentratie van topsectoren: Logistiek, Tuinbouw en uitgangsmaterialen en Agro&food. Er moet worden gestreefd naar ruimtelijke clustering van activiteiten en de (internationale) bereikbaarheid is van groot belang.

Vanwege de behoefte aan zeer omvangrijke kavels, kunnen grootschalige logistieke bedrijven zich niet op een andere locatie vestigen. Door middel van de aanpassing van Klaver 4 kunnen de bedrijfsgronden doelmatig worden ingericht waarbij de ecologische waarden en de maatregelen geborgd blijven. Op die wijze wordt aan de doelstelling van de structuurvisie voldaan.

Bro, actuele regionale behoefte

Aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat in een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, toetsing aan de ladder plaats dient te vinden (regionale behoefte, mogelijkheid realisatie in bestaand stedelijk gebied, multimodale ontsluitingsmogelijkheden). Dit bestemmingsplan leidt tot een geringe verschuiving in én een kleine afname van het aantal vierkante meters bedrijventerrein en verkeer. Toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

POL-aanvulling gebiedsontwikkeling Klavertje 4 (2009)

In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) maakt Klaver 4 deel uit van het aangewezen werklandschap. In dit landschap wordt ingezet op modules (klavers) voor glastuinbouw, intensieve veehouderij, logistieke bedrijven en energievoorziening die ingebed worden in een robuust groen raamwerk met groen-, water- en recreatieve structuren. De combinatie van werklandschap en ecologische verbinding blijft in het bestemmingsplan gehandhaafd. De bedrijfsbestemming wordt namelijk niet alleen omzoomd door manchetten, maar daarnaast wordt gezorgd voor de aanleg van de ecologische verbindingszone ten behoeve van de das.

Gebiedsvisie Klavertje 4 (2006)

In januari 2006 hebben de gemeenten Horst aan de Maas en Venlo, de voormalige gemeenten Maasbree en Sevenum en de provincie Limburg met een intentieverklaring ingestemd met de uitwerking van de Gebiedsvisie Klavertje 4. Trade Port Noord - en daarmee ook het plangebied - vormt een belangrijk onderdeel van deze gebiedsvisie Klavertje 4. Met de realisatie en de kwalitatieve invulling van het bedrijventerrein wordt aangesloten bij de uitgangspunten zoals genoemd in de gebiedsvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0007.png"

Figuur 3.1. Masterplan Klavertje 4/Greenport Venlo - Indicatief toekomstbeeld 2015-2020

Masterplan & Strategisch Businessplan Klavertje 4/Greenport Venlo (2009)

In navolging van de gebiedsvisie hebben de gemeenten en de provincie gezamenlijk een masterplan en strategisch businessplan opgesteld. Het masterplan beschrijft en verbeeldt de ontwikkelingsrichting van het Klavertje 4-gebied. Het schetst het perspectief voor de ruimtelijk-economische structuurversterking en vertaalt dit in (kwalitatieve en ruimtelijke) ontwerpeisen voor het gebied. In het masterplan en Strategisch Businessplan hebben de toenmalige gemeenten Horst aan de Maas, Maasbree, Sevenum en Venlo en de provincie Limburg afgesproken tot oprichting van een gemeenschappelijke NV om de regie op de ontwikkeling vorm te geven.

POL2014 / Omgevingsverordening 2014

Op 12 december 2014 zijn door Provinciale Staten van Limburg het POL2014 en de omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld.

Greenport Venlo/Klavertje 4-Gebied is door de provincie als één van de belangrijke uitdagingen en opgaven aangewezen, waarvoor de basis is gelegd in de POL-aanvulling Gebiedsontwikkeling Klavertje 4 (2009). In de POL 2014 en de omgevingsverordening 2014 is de doelstelling voor het Klavertje 4-gebied ongewijzigd: een onderscheidend Werklandschap en Kennislandschap. Aan de in de verordening opgenomen zoneringen voor o.a. bedrijventerrein zijn geen directe rechtsgevolgen gekoppeld. Van belang is dat de ontwikkeling de ladder voor duurzame verstedelijking doorloopt. Zoals eerder gesteld, is dit gelet op de beperkte aanpassingen waarbij geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, niet noodzakelijk.

Centrale ambitie

De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.

Kwaliteit

Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.

Dynamisch voorraadbeheer

Limburg beschikt over voldoende bedrijventerreinen. Groei is nog mogelijk voor de logistieke sector en wellicht ook in de biobased economy, chemie en automotive. De kwalitatieve opgave is des te belangrijker. De centrale opgave is dan ook: een groei in kwaliteit zonder dat de kwantiteit toeneemt, daarbij meer schaarste creërend, met ruimte voor maatwerk. Kortom: het nieuwe groeien.

De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies worden gemaakt waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijzen zijn uitgewerkt. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en provincie. De provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening. De visies richten zich op het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, de mogelijke aanpak van overmatige leegstand en het schrappen van plannen die niet goed passen bij de beoogde kwaliteit. Er is onder voorwaarden ruimte voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad. Dit moet in de visies vorm en inhoud krijgen. De precieze aanpak kan per onderwerp en regio uiteenlopen.

Uitnodigen

Naast dynamisch voorraadbeheer staat 'uitnodigen' centraal. Dat gaat meer over de manier waarop men samen met partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.

Ambities en uitdagingen noord-Limburg: Klavertje 4 als centrum van de Greenport

De sterk aanwezige agribusiness sector in deze regio bestaat uit de brede keten van primaire productie (vollegronds, glastuinbouw en intensieve veehouderij) met veredeling en bewerking van landbouwproducten in combinatie met de veiling van Grubbenvorst (en de nabijgelegen veiling van Herungen). Dit heeft geleid tot aanwijzing van het gebied als Greenport. Alhoewel de diverse landbouwfuncties in een brede strook binnen het gebied voorkomen is er een concentratie van deze functies binnen het Klavertje 4 gebied. Naast de landbouwfuncties kent het gebied ook een brede bedrijvigheid op het gebied van logistiek en biedt het eveneens mogelijkheden voor de maakindustrie. Uiteindelijk zal het Klavertje 4 gebied zich onderscheiden in een Werklandschap en een Kennislandschap.

Limburgs kwaliteitsmenu (2012)

Trade Port Noord, en daarmee Klaver 4, ligt binnen de grens Stedelijke dynamiek van het POL 2006, actualisatie 2012. Daardoor is het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) niet van toepassing (zie par. 5.2 van het LKM). Niettemin wordt grote waarde gehecht aan een goede landschappelijke inpassing en de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein met voldoende groen. In voorliggend bestemmingsplan wordt de verbindingsroute voor de das planologisch nog wat steviger geborgd door middel van de bestemming Natuur (i.p.v. Groen).

3.3 Regionaal beleid

Structuurvisie Klavertje 4-gebied (2012)

De samenwerkende gemeenten en de provincie hebben in 2012 gezamenlijk de structuurvisie Klavertje-4-gebied vastgesteld. De gunstige ligging tussen aanvoer- en afzetmarkten (mainports en Ruhrgebied en verder), de goede bereikbaarheid en de sterke, van oudsher aanwezige agrarische en logistieke sectoren, hebben ervoor gezorgd dat de regio rondom Venlo zich heeft ontwikkeld tot één van de vijf Nederlandse Greenports.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0008.png"

Figuur 3.2 Structuurvisiekaart Klavertje 4-gebied [Greenport Venlo, 2012]

Rijk, provincie en gemeenten hebben de handen ineengeslagen om de kansen voor een verdere economische ontwikkeling te benutten en een duurzame ruimtelijk-economische structuurversterking te realiseren, geïnspireerd door de Cradle to Cradle-principes. Dit wordt vormgegeven door in het Klavertje 4-gebied omvangrijke werklandschappen te ontwikkelen in de sectoren trade & logistics en agro & food.

Een werklandschap is een gebied waar landschap en bedrijvigheid in elkaar overgaan. Het is een landschap waarin wordt gewerkt, maar waarin ook wordt gerecreëerd. Het werklandschap heeft een maximaal positief effect op milieueffectiviteit en leefbaarheid. Gekoppeld aan de werklandschappen wordt fors geïnvesteerd in nieuw landschap, natuur en energieprojecten.

Om tegenwicht te bieden aan de grootschalige verstedelijking – en het daarmee samenhangende verlies van nu aanwezige kwaliteiten – wordt aan het aanwezige groene casco een stevige impuls gegeven. Zo wordt het 'sense of place' opnieuw ontwikkeld en versterkt. Voor dieren en planten worden leefgebieden vergroot en verbonden. Grotendeels vooruitlopend op de stedenbouwkundige en infrastructurele ontwikkelingen wordt een robuuste groene structuur ontwikkeld (400 tot 630 nieuwe natuur en landschap), waar naast landschaps- en natuurdoelstellingen ook ruimte wordt geboden aan recreatie (zie figuur 3.3). De ontwikkeling van het landschap in het Klavertje 4-gebied is uitgewerkt in het Landschapsplan Klavertje 4 (2010), dat integraal onderdeel uitmaakt van de Structuurvisie Klavertje 4-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0009.png"

Figuur 3.3 Robuuste Groenstructuur Klavertje 4-gebied (o.b.v. Landschapsplan Klavertje 4) [Heusschen * Copier, 2010]

Met de vaststelling van een ontwikkelingsgerichte intergemeentelijke structuurvisie in de zomer van 2012 is de ruimtelijke strategie en hoofdstructuur voor de gebiedsontwikkeling in het Klavertje 4-gebied vastgelegd (zie figuur 3.2). Daarmee is een beleidsmatige en planologische basis gelegd voor de verdere uitwerking van de gebiedsontwikkeling.

Gekoppeld aan de structuurvisie is de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) doorlopen en een milieueffectrapport (planMER) opgesteld. Tevens is een Passende Beoordeling uitgevoerd.

De voorbereidende en uitvoerende taken ten behoeve van de realisatie van de gebiedsontwikkeling zijn ondergebracht bij de Development Company Greenport Venlo (DCGV). DCGV is een samenwerkingsvennootschap van de betrokken gemeenten in het Klavertje 4 gebied en de provincie Limburg.

Het Rijk hecht veel waarde aan de gebiedsontwikkeling van Klavertje 4 en heeft daarom Greenport Venlo in de Crisis- en herstelwet aangewezen als project van nationaal belang [IOB, 2016].

Integrale OmgevingsBeoordeling (2016)

De IOB vormt een belangrijke basis voor dit bestemmingplan en het MER en is daarom als bijlage 2 van de toelichting op dit bestemmingsplan opgenomen.

Doel van de integrale omgevingsbeoordeling is het beoordelen van de integrale (milieu)effecten van de drie beoogde ontwikkelingen om zodoende keuzes te kunnen maken in de uitwerking van de initiatieven en de ruimtelijke haalbaarheid te toetsen. Door de drie ontwikkelingen in samenhang te beoordelen is het mogelijk integraal een keuze te maken tussen varianten en voor optimalisatie van de initiatieven. In een gevoeligheidsanalyse is tevens beoordeeld of de drie ontwikkelingen tezamen nog passen binnen het totale toekomstbeeld voor het Klavertje 4-gebied.

Op basis van drie varianten die zijn onderzocht (zie bijlage 4 van het IOB) is een maximaal realistisch alternatief (MRA) ontwikkeld voor de drie ontwikkelingen. In de IOB zijn vervolgens de integrale / cumulatieve effecten van het MRA onderzocht. Per omgevingsthema zijn daarvoor telkens drie situaties in beeld gebracht:

1. referentiesituatie;

2. plansituatie;

3. gevoeligheidsanalyse.

Het maximaal realistisch alternatief vormt het plafond waarbinnen de ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd zonder dat – al dan niet met aanvullende maatregelen – onaanvaardbare effecten optreden in de omgeving.

Het MRA is geografisch weergegeven in figuur 3.4. De uitgangspunten zijn weergegeven in tabel 3.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0010.png"

Figuur 3.4. Geografische weergave van het MRA uit de IOB

Tabel 3.5. Uitgangspunten MRA

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0011.png"

Geluid

Om de geluidsbelasting op de omgeving te beperken zijn in de IOB verschillende maatregelen benoemd. Door één of een combinatie van beschreven maatregelen toe te passen is het voor wat betreft industriegeluid mogelijk een geluidsbelasting van maximaal 54 dB(A) op de gevels van omliggende woningen te bereiken. Het doorvoeren van één of meerdere maatregelen heeft daarnaast een positief effect op de woon- en leefkwaliteit in omliggende woonclusters.

Lucht
Gelet op de maximale concentraties en de grenswaarde wordt in de IOB geconcludeerd dat er nog voldoende ontwikkelruimte is voor de invulling van Klaver 3, 5 en 7.


Trillingen

Mogelijk levert de aanleg van het wachtspoor en de aankomst- en vertreksporen lichte beperkingen voor het op termijn te realiseren Klaver 5.

Externe veiligheid

Klaver 5 vormt een aandachtspunt vanuit het perspectief van externe veiligheid. Bij een verstandig gekozen rangeerplan (uitsluiten van conflicten) en een omvang/mix van vervoer van gevaarlijke stoffen die past binnen het huidige Basisnet, is een externe veiligheidsniveau haalbaar waarbij de 10-6-contour binnen de perceelgrens kan blijven. Harde ruimtelijke knelpunten zijn dan ook niet te verwachten. Het is echter raadzaam te anticiperen op enige overschrijding van de PR10-6-contour over de perceelgrens.


Ecologie

Voor de gebiedsontwikkeling Greenport Venlo is – als prioritair project -ontwikkelruimte opgenomen in de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De ruimte die is aangevraagd is gebaseerd op de uitgangspunten per ontwikkeling (Klaver). De uitgangspunten van Klaver 4 zijn niet wezenlijk veranderd ten opzichte van wat in de PAS is opgenomen voor Klaver 4.

Voor ecologie wijkt het MRA verder af van de ontwikkelingen zoals opgenomen in de structuurvisie door de gewijzigde ligging van de spoorse aanpassingen. Er zijn aanvullende effecten op soorten geconstateerd, namelijk voor de huismus, gewone grootoorvleermuis, kamsalamander, rapunzelklokje en steenmarter. In de IOB is geconstateerd dat effecten kunnen optreden op vogels en vleermuizen die hoog vliegen (zie effectbeschrijving aspect Ffwet).

Landschap

Het MRA heeft ten opzichte van de situatie zoals die is vastgelegd in de Structuurvisie Klavertje 4-gebied beperkt extra effecten. Ten opzichte van de structuurvisie zijn als gevolg van de nieuwe invulling van Klaver 4, geen extra (negatieve) effecten te verwachten. Voor de railterminal en de windontwikkeling geldt dat deze beide onderdeel vormen van de structuurvisie. De verschijningsvorm en de locaties sluiten aan op hetgeen in de structuurvisie is opgenomen. Ten aanzien van slagschaduw treedt er een verbetering op ten opzichte van de situatie zoals die in de Structuurvisie Klavertje 4-gebied was opgenomen.

Bodem, water en archeologie

Voor de aspecten, bodem, water en archeologie is de gevoeligheidsanalyse niet relevant of heeft deze geen impact op de effectbeoordelingen.

Op basis van de cumulatieve effecten in de IOB hebben de colleges van B&W van de gemeenten Venlo en Horst aan de Maas besloten dat er sprake is van aanvaardbare effecten als gevolg van de drie ontwikkelingen tezamen, nu en in de verdere toekomst wanneer ook de klavers 3, 5 en 7 worden ontwikkeld. De ontwikkelingen volgen een eigen bestemmingsplan en m.e.r.-procedure, waarvoor de IOB de integrale basis vormt.

3.4 Conclusie

In het rijksbeleid van de Nota Ruimte is de doelstelling verwoord om Klavertje 4/Greenport Venlo verder te ontwikkelen als drager van de gewenste ruimtelijk-economische structuurversterking. Door de concentratie van aan Greenport Venlo verbonden functies zijn de schakels op elkaar afgestemd en kunnen economische schaalvoordelen worden geboekt. Deze doelstelling is uitgewerkt en geborgd in provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten zoals de POL-aanvulling, het Masterplan en Strategisch Businessplan en de Structuurvisie Klavertje 4-gebied. De ontwikkeling van werklandschappen in samenhang met de groenzones in de rangschikking van een klaverstructuur past binnen de hoofdlijnen van het beleid.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Inleiding

De resultaten van het milieuonderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn weergegeven in het MER (zie Bijlage 1) en de bijbehorende bijlagenrapporten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de conclusies ten aanzien van de milieuaspecten die van belang zijn voor dit bestemmingsplan. Per aspect wordt ingegaan op het geldende toetsingkader, de conclusies van het onderzoek en de wijze waarop conclusies zijn vertaald naar het bestemmingsplan. Voor een nadere onderbouwing van de conclusie wordt verwezen naar het MER.

4.2 Bodem

4.2.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

Nationaal

In het Nationaal Milieubeleidsplan 3 (NMP3, 1997) is door het kabinet geconstateerd dat grote delen van de Nederlandse bodem zijn verontreinigd. De aanwezigheid van de verontreiniging en de daardoor verminderde gebruiksmogelijkheden van de bodem, heeft zowel in het stedelijk als het landelijk gebied ernstige ruimtelijke en economische gevolgen, zoals het stagneren van ontwikkelingen op het gebied van de volkshuisvestiging, landinrichting, infrastructuur en bedrijventerreinen. Eind 2004 is het Landsdekkend Beeld Bodemverontreiniging (LDB) opgeleverd. Het LDB is een inventarisatie - voor geheel Nederland - van locaties waar de bodem (mogelijk) verontreinigd is door (voormalige) bedrijfsactiviteiten. Uit de ruim 750.000 locaties van het LDB is een werkvoorraad van circa 425.000 (potentieel) ernstige verontreinigde locaties gedestilleerd, die moesten worden onderzocht en eventueel gesaneerd. De verantwoordelijkheid voor het samenstellen van het LDB en het beheer van deze bodemdata was en is de verantwoordelijkheid van de bevoegde gezagen in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb). Voor het plangebied is dit de gemeente Venlo.

Bodemconvenant

Vanaf 2009 ligt de nadruk op het aanpakken van de spoedlocaties: verontreinigde locaties waarbij in de huidige situatie sprake is van onaanvaardbare risico's voor de mens, het grondwater en/of ecosystemen. Deze locaties moeten voor 2015 zijn gesaneerd, of de risico's moeten minimaal beheersbaar zijn. Dit beleid is bestendigd met het ondertekenen van een nieuw, tweede convenant op 17 maart 2015: het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020.

Voor ernstige, niet spoedeisende locaties geldt een saneringsplicht. De aanpak van de verontreiniging kan echter worden uitgesteld totdat kan worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik.

Nieuwe gevallen van bodemverontreiniging, zijn gevallen die op of na 1 januari 1987 zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht. Deze bepaling verplicht bij bodemverontreiniging het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd, om de verontreiniging geheel te verwijderen.

Sanering van een geval van niet ernstige bodemverontreiniging is wettelijk niet verplicht, met uitzondering van gevallen die vallen onder de zorgplicht. Soms kan het toch wenselijk zijn om de verontreiniging te verwijderen, bijvoorbeeld in het geval van verkoop van een terrein of het bouwrijp opleveren van een locatie.

Algemeen

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is inzicht in de bodemkwaliteit relevant, om te kunnen bepalen of de bodemkwaliteit voor de beoogde (nieuwe) bestemming geschikt is. Tevens geeft het een inzicht in de mogelijke (technische) maatregelen die noodzakelijk zijn om de uitvoerbaarheid van een plan te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Aangezien voor alle plangebieden geldt dat er een transitie plaatsvindt van bodemfuncties 'Landbouw' en 'Natuur' naar 'Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie' impliceert dit een verschuiving van bodemfunctieklasse 'Achtergrondwaarde' naar 'Industrie'. Met andere woorden; er vanuit gaande dat de bodemkwaliteit nu voldoet voor het huidige gebruik, is dit voor het toekomstige gebruik zeker het geval.

4.2.2 Onderzoek

In 2011 is in het kader van het besluitMER voor het bestemmingsplan voor Trade Port Noord een vooronderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit. Daaruit is naar voren gekomen dat in het gebied een aantal lokale verontreinigingen voorkomt. Deze zijn bijvoorbeeld gerelateerd aan het gebruik van (asbesthoudend) verhardingsmateriaal, slib in watergangen en puntverontreinigingen, bijvoorbeeld bij (voormalige) boerderijen. Voor enkele locaties concludeert het vooronderzoek dat nader bodemonderzoek noodzakelijk is.

In het Klaver 4 zijn – voor zover bekend – geen (potentiele) ernstige gevallen van bodemverontreiniging aanwezig. In de afgelopen periode hebben geen activiteiten of ontwikkelingen plaatsgevonden die tot een andere uitkomst behoren te leiden.

Voor Klaver 4 B/C is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, 14 januari 2016). In het onderzoek zijn plaatselijk lichte verontreinigingen aangetroffen, waarvan wordt geconcludeerd dat nader bodemonderzoek hiervoor niet noodzakelijk is. Voor een kleine voormalige boomgaard aan de zuidzijde van het plangebied wordt wel nader onderzoek geadviseerd, vanwege verontreinigingen met onder andere bestrijdingsmiddelen.

4.2.3 Conclusie

Voor een klein gebied aan de zuidzijde van klaver 4 B/C is nader onderzoek noodzakelijk om de exacte verontreinigingen in kaart te brengen. Er zijn geen bodemverontreinigingen bekend welke de planontwikkeling in de weg zouden kunnen staan.

Aangezien er een transitie plaatsvindt van bodemfunctie 'Landbouw' naar 'Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie' impliceert dit een verschuiving van bodemfunctieklasse 'Achtergrondwaarde' naar 'Industrie'. Met andere woorden; er vanuit gaande dat de bodemkwaliteit nu voldoet voor het huidige gebruik, is dit voor het toekomstige gebruik ook zeker het geval.

4.3 Water

4.3.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

Het beleidskader voor water bestaat uit beleid gericht op waterkwantiteit en waterkwaliteit. Op verschillende niveaus is er beleid ontwikkeld (Europees, Nationaal, Provinciaal en Waterschap). Op het vlak van waterkwaliteit is samenvattend van toepassing dat de waterkwaliteit niet mag verslechteren en dat alle watersystemen in een chemische en ecologisch goede toestand verkeren. Daarnaast mag de toestand van het grondwater niet verslechteren en dient het grondwater beschermd te worden tegen verontreinigingen. Waterkwantiteit valt grotendeels binnen de beleidskaders van het waterschap. In het beleid wordt gestreefd naar het infiltreren van zoveel mogelijk water om de grondwateraanvulling te maximaliseren en de afvoer te minimaliseren. Voor nieuwe ontwikkelingen wordt het principe van hydrologisch neutraal bouwen gehanteerd. Hierbij mag de afvoer vanaf nieuwe ontwikkelingen niet toenemen tot boven de maximale afvoer van 1 l/s/ha. Deze 1 l/s/ha is gebaseerd op de natuurlijke afvoer in het landelijk gebied.

4.3.2 Onderzoek

In het vigerende bestemmingsplan is er reeds vastgesteld dat er ruimte voor bergings- en infiltratievijvers moet worden opgenomen en dat de omgeving daarmee voldoet aan de eisen van hydrologisch neutraal bouwen (afvoer maximaal 1l/s/ha). In de plannen voor Klaver 4 is dit één van de randvoorwaarden en daarmee voldoen de nieuwe plannen aan het hydrologisch neutraal bouwen principe.

Het afvalwater wordt afgevoerd naar de RWZI. De grondwaterstanden blijven hiermee gelijk ten opzichte van de huidige situatie.

Doordat er in de nieuwe plannen gebruik wordt gemaakt van het afkoppelen van hemelwater zal er vanuit het riool geen overstort op het oppervlaktewater optreden bij extreme neerslag situaties. Hiermee is er geen effect op waterkwaliteit.

4.3.3 Conclusie

Met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden aan de waterkwaliteit en waterberging. Er zijn verder geen ingrepen in het oppervlaktewatersysteem voorzien. Het aspect waterhuishouding staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.4 Ecologie

4.4.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

Natuurbeschermingswet (NB-wet)

Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn als zodanig zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en habitats die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden en uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor soorten en habitats die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken kent de NB-wet voor plannen die gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben een goedkeuringsvereiste, en voor projecten en andere handelingen die gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben een vergunningplicht.

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Voor wat betreft de mogelijke effecten op Natura 2000gebieden door de emissie en depositie van stikstof is de PAS relevant.

Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voormalig EHS)

Het Nationaal Natuurnetwerk (EHS) in Limburg is uitgewerkt in de Goudgroene zone natuur (POL2014). De Zilvergroene landschapszone wordt enkel als subsidie instrument ingezet voor agrarisch natuurbeheer. De POG is vervangen door de Bronsgroene landschapszone. De Bronsgroene landschapszone dient als een buffer voor de huidige Goudgroene zone waarin de nadruk ligt op natuurontwikkeling en compensatie.

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld (algemene verbodsbepalingen, artikelen 8 t/m 12). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 2). Daarnaast is het niet toegestaan de directe leefomgeving van soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Flora- en faunawet zijn de soortbeschermingsbepalingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd.

4.4.2 Onderzoek

De geplande ontwikkelingen hebben verstoringsfactoren, die een effect kunnen veroorzaken op natuurwaarden binnen de aspecten Natura 2000, EHS/NNN en Ffwet. Econsultancy heeft in opdracht van Trade Port Noord een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van klaver 4 in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de planlocatie en bestemmingsplanwijziging (zie Bijlage 3). Het onderzoek had tot doel te onderzoeken en in te schatten of er op de planlocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op gebieden die volgens de Natuurbeschermingswet 1998 zijn beschermd, of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000

Effecten op Natura 2000 zijn in 2012 onderzocht voor het bedrijventerrein, gerelateerde verkeerseffecten en de aanleg. Ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan vindt er geen uitbreiding van het bedrijventerrein plaats.

De ontwikkeling van Klaver 4 ligt op grote afstand van Natura 2000 gebieden. Effecten op Natura 2000 gebieden treden daardoor (met uitzondering van de hieronder beschreven mogelijke effecten door de emissie en depositie van stikstof) niet op.
De ontwikkeling van Trade Port Noord is opgenomen in de PAS als één van de prioritaire projecten. Dat betekent dat voor de ontwikkeling in het gebied depositieruimte is gereserveerd. Tevens heeft deze status als prioritair project tot gevolg dat in de passende beoordeling die voor de PAS is uitgevoerd al rekening is gehouden met de emissie van stikstof uit het plangebied. Het gevolg hiervan is dat de passende beoordeling voor de ontwikkeling van K4 kan bestaan uit een verwijzing naar de passende beoordeling bij de PAS. Dit is mogelijk omdat in een vergelijking van de manier waarop (kwantitatief) de voorgenomen ontwikkeling is meegenomen als prioritair project in de PAS met de nu bekende inhoud van de voorgenomen ontwikkeling geen discrepanties zijn geconstateerd. Er kan daarom. met verwijzing naar de passende beoordeling bij de PAS, worden uitgesloten dat de ontwikkeling significant negatieve effecten zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden.


Nationaal Natuurnetwerk

Het aspect EHS/NNN is niet relevant voor Klaver 4, omdat deze ontwikkeling buiten de NNN plaatsvinden en de NNN geen externe werking kent.

Flora en fauna

Ten behoeve van de uitvoering van (o.a.) het vigerende bestemmingsplan Trade Port Noord zijn verschillende ontheffingen aangevraagd en verleend in het kader van de Flora- en Faunawet. Ter uitwerking van het pakket aan maatregelen en voorschriften dat aan de ontheffing voor de das ten grondslag ligt, is een dasseninrichtingsplan opgesteld. Dit dasseninrichtingsplan is te vinden in bijlage 4 bij deze toelichting.

Verstoring flora en fauna

De gehele planlocatie is onbebouwd waardoor er geen nestgelegenheid aanwezig is voor gebouwgebonden broedvogels als huismus en gierzwaluw.

Ter plaatse van Klaver 4 zijn algemene broedvogels te verwachten. Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, wordt een overtreding ten aanzien van de Flora- en faunawet voorkomen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

De bomen op de planlocatie en binnen de invloedssfeer zijn door Econsultancy in 2014 gecontroleerd op overige jaarrond beschermde nesten van soorten als sperwer, roek en havik; deze zijn niet aangetroffen. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden die er op duiden dat de planlocatie een (belangrijke) functie heeft of kan hebben voor andere vogelsoorten, zoals sperwer, waarvan het nest jaarrond beschermd is.

Daarnaast is mogelijk een eekhoornnest aanwezig in het te verwijderen groen. Werken conform een goedgekeurde gedragscode en kappen tussen eind september en half november kan een negatief effect voorkomen.

Voor de algemene amfibieën en zoogdieren de algemene zorgplicht. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Indien noodzakelijk dient een op het land aanwezig dier zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden.

De voornemens kunnen een indirect effect hebben op de beschermde soorten ten zuiden en ten oosten van Klaver 4 (huismus, vleermuizen en de das).

In het aanvullend ecologisch onderzoek ten zuiden van de planlocatie zijn territoria van de huismus vastgesteld (rapport 13113848_14043421 VEN.TPN.ECO1_2). De te verwijderen smalle stroken van (voormalige) siertuinen kunnen deel uitmaken van het functioneel leefgebied van de huismussen die broeden ten zuiden van de planlocatie. Voor de huismussen ten zuiden van de planlocatie zal ontheffing van de Flora- en faunawet worden aangevraagd; dit loopt via een separaat tracé. Daarbij zal de nestgelegenheid en het functioneel leefgebied duurzaam landschappelijk ingepast worden in de toekomstige situatie, waardoor de functionaliteit niet in het geding komt.

Ten aanzien van verstoring door geluid is zeer weinig onderzoek met concrete meetbare waardes bekend. Voor vogels wordt in de literatuur uitgegaan van potentiële verstorende effecten van ver-keersgeluid bij 42 dB(A) (bosvogels) en 47 dB(A) (vogelsoorten van open landschappen; grasland-soorten/weidevogels) (Reijnen & Foppen, 2006). Voor overige soorten waarvoor geen grenswaarde bekend is, geldt een grenswaarde van 40 dB(A). Serieuze afnames van vogeldichtheden treden pas op bij 60-70 dB(A) continu verkeersachtig geluid gemiddeld per etmaal (Reijnen & Foppen, 1991).

Het soort geluid dat een bedrijventerrein met zich meebrengt is te vergelijken met het continue geluid van een verkeersweg. Over de effecten op vogels van de verschillen in geluidskarakteristieken is weinig bekend. Er is weinig ervaring met het beredeneerd doortrekken van de verkeersstudies naar effecten van geluidsverstoring door industriële activiteiten. Voor industrielawaai zijn niet veel effecten-studies gedaan, maar in de praktijk mag de drempelwaarde gesteld worden op 50 dB(A) L24 (Sierdsema et al. 2014). Huismus is een typische stadsvogels en kan beter tegen geluid dan bosvogels en vogelsoorten van open landschappen.

Een indirect verstorend effect en daarmee overtreding van de Flora- en faunawet is te voorkomen door het geluid op de delen ten zuiden van de planlocatie niet boven de 50 dB(A) of de huidig aanwezige geluidswaarden te laten komen.

In de huidige situatie is de L24 61 dB(A) (Econsultancy, rapport 1730.001, d.d. 18 mei 2016). In de toekomstige situatie is de geluidswaarde planologisch vastgesteld op 64 dB(A). Dit betreft een overschreiding van 3 dB(A). Hiervoor zullen geluidsreducerende maatregelen voor getroffen worden in de vorm van een geluidswal of scherm om een indirect effect te voorkomen.

Dassen zijn vooral gevoelig voor menselijke verstoring (zeker met honden) en nauwelijks voor diffuse licht- en geluidbelasting door bedrijven en verkeer. De natuurstrook langs de oostrand van Klaver 4 ligt niet in de nabijheid van woningen en wandelgebieden. De verwachting is daarom dat deze strook maar zeer beperkt zal worden bezocht door (wandelende en/of honduitlatende) mensen. Wel is enige invloed als gevolg van het fietspad mogelijk. Omdat er dichtbij de burchten (250 meter website dasenboom, 2015) geen menselijke activiteiten plaatsvinden, wordt de das als gevolg hiervan niet verstoord.

Ruimtebeslag

Klaver 4 heeft geen effecten op het functioneel leefgebied van de das. In juli 2015 is het dassenplan ingediend conform de Flora- en Faunawet ontheffing bij het bestemmingsplan TPN. In dit dassenplan is reeds rekening gehouden met het gewijzigde ontwerp van Klaver 4. De migratieroutes en fourageergebied van de das wordt beschermd door middel van de bestemming Natuur.

Klaver 4 bevat functioneel leefgebied van de huismus en gewone grootoorvleermuis, maar geen verblijfplaatsen. Het deelgebied valt binnen het functioneel leefgebied van de eekhoorn die hierdoor een stuk van hun territorium kwijtraken. De aanlegwerkzaamheden moeten als gevolg daarvan uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode vanwege de aantasting van leefgebied van de eekhoorn.

Mitigerende maatregelen

Bij de voorgenomen ontwikkeling van Klaver 4 zijn in het ontwerp maatregelen opgenomen om de effecten op natuurwaarden te mitigeren en/of te compenseren. Rond de uitgeefbare kavels komen grondwallen (manchetten) en de groene zones rond de kavels krijgen een inrichting die is gericht op de ecologische (verbindings)functie. Deze ruimtelijke indeling en de maatregelen worden genomen om verstoring te beperken en ecologische relaties in stand te houden en waar mogelijk te verbeteren.

Voorafgaand aan en tijdens de realisatie van Klaver 4 is het noodzakelijk om te werken volgens de geldende protocollen om de effecten op fauna zo veel mogelijk te voorkomen.

4.4.3 Conclusie

Wat betreft de impact op Natura 2000-gebied is in het kader van de vergunningverlening een passende beoordeling noodzakelijk. Uit Aerius-berekeningen is echter gebleken dat de emissie vanuit K4 binnen de emissie valt waarmee rekening is gehouden bij de prioritaire status van dit gebied in de PAS. Het plan is daardoor haalbaar.

Realisatie van de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op het Nationaal Natuurnetwerk.

Een indirect verstorend effect en daarmee overtreding van de Flora- en faunawet is te voorkomen door het geluid op de delen ten zuiden van de planlocatie niet boven de huidig aanwezige geluidswaarden te laten komen.

In de huidige situatie is de L24 61 dB(A) (Econsultancy, rapport 1730.001, d.d. 18 mei 2016). In de toekomstige situatie is de geluidswaarde planologisch vastgesteld op 64 dB(A). Dit betreft een overschreiding van 3 dB(A). Hier zullen geluidsreducerende maatregelen voor getroffen worden in de vorm van een geluidswal of scherm om een indirect effect te voorkomen.

Klaver 4 heeft geen effect op het functioneel leefgebied van de das. In het dassenplan is reeds rekening gehouden met het gewijzigde ontwerp van Klaver 4. Klaver 4 bevat functioneel leefgebied van de huismus en gewone grootoorvleermuis, maar geen verblijfplaatsen. Het deelgebied valt binnen het functioneel leefgebied van de eekhoorn die hierdoor een stuk van hun territorium kwijtraken. De aanlegwerkzaamheden moeten als gevolg daarvan uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode vanwege de aantasting van leefgebied van de eekhoorn.

Het aspect ecologie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

4.5.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

Verdrag van Malta

Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Grondslag van het verdrag is dat dit archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd:

  • Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde "behoud in situ" (artikel 4, tweede lid).
  • Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5).
  • Het 'de verstoorder betaalt'-principe. De ontwikkelaar is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek en de uitwerking van de resultaten (artikel 6).

Als uitvloeisel van dit verdrag hebben provincies vanaf de jaren '90 in hun streekplannen en verordeningen kaders voor de toetsing van het archeologische belang opgenomen. En gemeenten hebben in veel bestemmingsplannen aanlegvergunningenstelsels voor archeologie opgenomen.

Monumentenwet 1988

De manier waarop met archeologisch erfgoed wordt omgegaan, is geregeld in de Monumentenwet 1988. Deze wet en de hierop gebaseerde regelgeving bevatten onder meer voorschriften met betrekking tot de opgravingsvergunning, het melden van archeologische vondsten en de archeologische rapportage. Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten gehouden de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren.

4.5.2 Onderzoek

Cultuurhistorische waarden

In het plangebied bevinden zich cultuurhistorisch waardevolle elementen en patronen. De elementen zijn opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg, zie Figuur 4.2. Een overzicht van de historisch waardevolle elementen en patronen is weergegeven in (Tabel 4.1). Er bevinden zich geen beschermde (Rijks-) monumenten en/of beschermde Stads- en dorpsgezichten in en in de nabijheid van het plangebied.

Tabel 4.1 Cultuurhistorisch waardevolle elementen

Element   Type   Waarde  
Oude grens herkenbaar in terrein   Cultuurhistorisch element (lijn)   Weg is ouder dan 1806  
Bouwland, kampen   Cultuurhistorisch element (vlak)   Cultuurlandschap  
Grasland, geperceleerd   Cultuurhistorisch element (vlak)   Cultuurlandschap  
Enkeerdgrond   Cultuurhistorisch element (vlak)   Cultuurlandschap  

De huidige kavelgrenzen in het oostelijk deel van het plangebied dateren van voor 1866. Het patroon van wegen is ontstaan in de 19e eeuw (o.a. Zaanderweg) en verspreid zijn ook oudere wegen aanwezig (o.a. Sint Jansweg).

Door het gebied lopen enkele historisch wegen (lijnen). De Heierkerkweg en de Sint Jansweg zijn ouder dan 1806 en in cultuurhistorisch opzicht waardevol (magenta lijn op kaart). De historische grenzen dateren uit ca. 1865 en zijn deels herkenbaar in het terrein (stippellijn op kaart). De Heierhoevenweg is recenter (1806-1890) en vermoedelijk aangelegd met de kampontginning (oranje lijn op kaart).

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0012.png"

Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart (Provincie Limburg, 2006)

De cultuurhistorisch waardevolle elementen liggen buiten het plangebied van Klaver 4 en worden door de beoogde ontwikkelingen niet aangetast.

Archeologische waarden

Het bestemmingsplangebied Bedrijventerrein Trade Port Noord heeft reeds verscheidene fasen van archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek doorlopen. In 2005 werd een inventariserend archeologisch onderzoek bestaande uit een bureauonderzoek, cultuurhistorische inventarisatie, boringen en een oppervlakte kartering uitgevoerd (Van Dijk 2003 & 2005, RAAP). Op basis van dit onderzoek is voor een beperkte zone in het zuiden van het huidige plangebied, met de dubbelbestemming ‘Waarde archeologie 2’, een archeologische begeleiding van de bodemingrepen geadviseerd.

De toekomstige bebouwing binnen Klaver 4 ligt volledig binnen een zone die archeologisch is vrijgegeven.

4.5.3 Conclusie

De cultuurhistorisch waardevolle elementen liggen buiten het plangebied van Klaver 4 en worden door de beoogde ontwikkelingen niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoering van het initiatief dan ook niet in de weg.

De toekomstige bebouwing binnen Klaver 4 ligt volledig binnen een zone die archeologisch is vrijgegeven. Het aspect archeologie staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

Voor externe veiligheid wordt getoetst aan de wettelijke normen, in dit geval het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de bestrijdbaarheid van rampen. Daarnaast zijn zowel het Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 als het Principe akkoord op de Aanbestedingsvoorwaarden dd. 7 oktober 2014 [Gem. Venlo, reg. Nr. 14-10547] als toetsingskader van belang.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft inzicht in de theoretische jaarlijkse kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Dit risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictieve) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De grenswaarde van het PR voor inrichtingen is 10-6 per jaar. Voor kwetsbare objecten geldt deze norm als grenswaarde. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten (onder andere woningen en grote kantoren) aanwezig zijn of worden opgericht. Voor beperkt kwetsbare objecten (onder andere bedrijven) geldt deze contour als richtwaarde. Het bevoegd gezag mag gemotiveerd afwijken.

Voor de beoordeling van het plaatsgebonden risico wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre de PR10-6-contouren van de ontwikkelingen over de perceelgrenzen vallen (of te verwachten is dat deze erover vallen). De wijze van beoordelen is in lijn met de regeling die geldt op basis van het bestemmingsplan Trade Port Noord (Venlo), waarin Klaver 4 reeds mogelijk is gemaakt.

Groepsrisico

Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het groepsrisico wordt zowel bepaald door de mogelijke ongevallen en bijbehorende ongeval- en uitstromingsfrequentie, als het aantal aanwezigen in de nabijheid van een eventueel ongeval. Bij het aangeven van representatieve aantallen personen wordt geteld vanuit zowel de kwetsbare als de beperkt kwetsbare bestemmingen. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe hoog het totale aantal slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers (N) groter wordt, moet de kans (f) op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Dit resulteert in een fN-curve waarbij de kans tegen het aantal slachtoffers is uitgezet. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde. Dit is geen harde norm, maar geldt als oriënterende waarde. De bepaling van de hoogte van het groepsrisico geldt als beginpunt voor een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de hoogte van het groepsrisico.

Zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid

Voor een verantwoording van een aanvaarbare veiligheidssituatie is het naast een beoordeling op voorgaande criteria ook nodig in te gaan op de zelfredzaamheid van personen, bereikbaarheid van de ontwikkelingsgebieden en de bestrijdbaarheid van calamiteiten.

4.6.2 Onderzoek

Binnen het plangebied Klaver 4 zijn (nog) geen (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. In de bestaande situatie is er dus geen feitelijke bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico van risicobronnen in de omgeving. Op grond van de bestaande bestemmingsplancapaciteit worden voor groepsrisicoberekeningen de volgende personendichtheden aangehouden:

  • 40 personen/hectare voor Klaver 4a;
  • 40 personen/hectare voor Klaver 4b;
  • 40 personen/hectare voor Klaver 4c.

Voor het plangebied van Klaver 4 wordt de volgende ontwikkeling van de personendichtheden verwacht:

  • In Klaver 4 Oost (voorheen klaver 4b en 4c) kan op basis van de verwachte personele bezetting van een logistiek bedrijf worden uitgegaan van een personendichtheid van 290 / 9 ha = 32 personen/hectare. Dit is lager dan de personendichtheid die voor de risicoanalyse van het vigerende bestemmingsplan is gebruikt. Voor dit gebied zal bij berekeningen van het groepsrisico conservatief worden uitgegaan van de bestaande aanname van 40 personen/hectare.
  • In Klaver 4 West (voorheen klaver 4a) (maakindustrie) zullen circa 100 tot 150 mensen werkzaam zijn indien het plan volledig gerealiseerd is. Dit betekent een personendichtheid van 150 personen / 12 hectare = 12,5 personen/hectare. Deze dichtheid is ver beneden de personendichtheid die voor de risicoanalyse van het vigerende bestemmingsplan is gebruikt. Vanaf het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan Klaver 4 kan bij berekeningen van het groepsrisico indien de verwachte ontwikkeling daadwerkelijk wordt gerealiseerd worden uitgegaan van een aangepaste waarde van 20 personen per hectare.

Uit het voorgaande volgt dat het nieuwe bestemmingsplan Klaver 4 niet leidt tot een toename van de gemiddelde personendichtheden voor betreffende plangebieden in berekeningen van het groepsrisico. De gemiddelde personendichtheden nemen mogelijk iets af. Voor zover bij de realisatie van de plannen sprake zal zijn van een niet gelijkmatige verdeling van personen over het plangebied dan zal dit worden meegenomen in de berekeningen van het groepsrisico. Bij de verwachte ontwikkeling zoals hiervoor geschetst wordt hiervan geen zwaarwegende gevolgen voor het groepsrisico verwacht. De bijdrage van het plangebied aan het groepsrisico zal naar verwachting ongeveer gelijk blijven met de bestaande bestemmingsplansituatie.

De klaverstructuur van klaver 4 volgens het vigerende bestemmingsplan (drie klavers (a, b, c)) wordt gewijzigd in twee klavers 'West' en 'Oost'. In Klaver 4 West wordt de vestiging van bedrijven t/m bedrijfscategorie 5.2 (voor maakindustie exclusief recyclingbedrijven en andere 'grote lawaaimakers') mogelijk gemaakt.

De notitie 'Externe veiligheid, verantwoording van het groepsrisico', onderdeel van de onderbouwing van het bestaande bestemmingsplan Trade Port Noord, wordt in combinatie met de IOB en de Nota Omgevingsveiligheid door de gemeenten Venlo en Horst a/d Maas volledig overgenomen voor de onderbouwing van de verantwoording van het groepsrisico van het bestemmingsplan Klaver 4. De Nota Omgevingsveiligheid zal voorafgaand aan onderhavig bestemmingsplan worden vastgesteld. De in deze notitie beschreven elementen van de verantwoording van het groepsrisico zijn ook van toepassing op de planontwikkelingen van dit nieuwe bestemmingsplan. Het advies van de Veiligheidsregio Noord- en Midden-Limburg is als bijlage bij de Nota Omgevingsveiligheid gevoegd.

Aan de vestiging van risicovolle inrichtingen waaronder Bevi-bedrijven wordt dezelfde voorwaarde verbonden als in het bestaande bestemmingsplan Trade Port Noord. Deze voorwaarde houdt in dat de 10-6-contour van het plaatsgebonden risico de perceelsgrens van de inrichting niet overschrijdt en dat het groepsrisico veroorzaakt door de inrichting niet de oriënterende waarde overschrijdt.

4.6.3 Conclusie

De notitie 'Externe veiligheid, verantwoording van het groepsrisico', onderdeel van de onderbouwing van het bestaande bestemmingsplan Trade Port Noord, wordt in combinatie met de IOB en de Nota Omgevingsveiligheid door de gemeenten Venlo en Horst a/d Maas volledig overgenomen voor de onderbouwing van de verantwoording van het groepsrisico van het bestemmingsplan Klaver 4.

De Nota Omgevingsveiligheid zal voorafgaand aan onderhavig bestemmingsplan worden vastgesteld. De in deze notitie beschreven elementen van de verantwoording van het groepsrisico zijn ook van toepassing op de planontwikkelingen van dit nieuwe bestemmingsplan. Het advies van de Veiligheidsregio Noord- en Midden-Limburg is hierbij gevoegd en is meegenomen in de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Aan de vestiging van risicovolle inrichtingen waaronder Bevi-bedrijven wordt dezelfde voorwaarde verbonden als in het vigerende bestemmingsplan Trade Port Noord. Deze voorwaarde houdt in dat de 10-6-contour van het plaatsgebonden risico de perceelsgrens van de inrichting niet overschrijdt.

4.7 Milieuzonering

4.7.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies:

  • ter plaatse van woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om bij de voorbereiding de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit bestemmingsplan gebruikgemaakt van een milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB), zie Bijlage 1 bij de regels. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting, overgenomen uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering.

De SvB gaat uit van het aanhouden van richtafstanden tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' (of 'rustig buitengebied'). Voor andere omgevingstypen dan een rustige woonwijk kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd (zoals ook in de VNG-publicatie is aangegeven en in vaste jurisprudentie is bevestigd).

4.7.2 Onderzoek

In de huidige situatie heeft het plangebied reeds de bestemming bedrijventerrein. Voor klavers 4A en 4B is maximaal categorie 4.2 toegestaan. Voor klaver 4C maximaal categorie 5.2 (recyclingbedrijven). Voornemen is een wisseling tussen kavels waar bedrijvigheid met maximaal categorie 4.2 en 5.2 wordt toegestaan. Het voornemen is op de westelijke klaver maximaal categorie 5.2 toe te staan en op de oostelijke klaver maximaal categorie 4.2.

Uitgangspunten milieuzonering

Omgevingstypen in de nabijheid van het plangebied:

In de milieuzonering van het bedrijventerrein moet rekening worden gehouden met de aanwezige woningen in de omgeving. Hierbij kunnen enkele clusters van woningen worden onderscheiden, die afhankelijk van de locatie en de functies in de omgeving als omgevingstype 'rustig buitengebied' of 'gemengd gebied' moeten worden beschouwd. In figuur 4.3 is aangegeven op welke wijze met alle clusters van woningen is omgegaan voor het vigerende bestemmingsplan Trade Port Noord binnen de gemeente Venlo.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0013.png"

Figuur 4.3 Clusters van woningen rondom het plangebied

Zoals in figuur 4.3 is te zien liggen alle clusters op ruime afstand van het plangebied Klaver 4. De dichtst bijzijnde relevante woningen liggen langs de Heierhoevenweg. De woningen aan de Dorperdijk liggen verder van het plangebied klaver 4 op ruim 1.000 meter van het plangebied. In het bestemmingsplan Trade Port Noord (gemeente Venlo) wordt voor de woningen aan de Heierhoeveweg uitgegaan van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. De richtafstanden bedragen voor bedrijven uit categorie 4.2 300 m en voor bedrijven uit categorie 5.2 700 m. Aan de richtafstanden die geldt voor categorie 4.2 bedrijvigheid wordt ruimschoots voldaan en ook aan de richtafstanden die gelden voor categorie 5.2 bedrijvigheid. De daadwerkelijke afstand tot aan de dichtsbijzijnde woning aan de Heierhoevenweg bedraagt 730 m. De afstand tot de overige woningen en woningclusters is nog groter.

Voor de voorziene bedrijvigheid is geluid vaak het meest maatgevende milieuaspect. Verwezen wordt naar paragraaf 4.8.

In het plangebied worden geen bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Ook voorzieningen als een truckservice (met overnachtingsmogelijkheden) en een kinderopvang zijn niet toegestaan. Er zijn dan ook geen functies die in het plangebied mogelijk zijn waar de milieuzonering op moet worden afgestemd.

4.7.3 Conclusie

De bedrijvigheid komt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan Trade Port Noord niet dichter bij omliggende woningen te liggen. Er vindt geen toename van bedrijvigheid plaats, enkel de begrenzing van de categorieën wordt veranderd. Bedrijvigheid categorie 5.2 komt meer naar het westen te liggen.

Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.8 Geluid bedrijfsactiviteiten

4.8.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

De gemeente Venlo wilt zorgvuldig met het geluidsaspect omgaan. De gemeente heeft daarom een Nota Industrielawaai opgesteld. In de Structuurvisie is vastgelegd dat voor de geluidsbelasting door industriegeluid bij gevoelige functies (zoals wonen) rondom het Klavertje 4 Gebied en Trade Port West een gecumuleerde geluidbelasting van 54 dB(A) het uitgangspunt is voor een goede ruimtelijke ordening.

Met deze Nota Industrielawaai kan en zal de gemeente maatwerk afdwingen, zodat de na te streven gecumuleerde geluidbelasting van 54 dB(A) bij de woningen zal worden gerespecteerd.

4.8.2 Onderzoek

De cumulatieve akoestische effecten zijn voor geheel klaver 4 in beeld gebracht.

Door het goed beheren van de "uitgegeven" geluidrechten en -ruimte zijn voor dit plan geen belemmeringen te verwachten. Wel is gebleken dat van de in de oude Nota Industrielawaai vastgestelde geluidruimte moet worden afgeweken voor zover het de geluidruimte per m² betreft omdat hierdoor een goede bedrijfsvoering wordt belemmerd. Uit indicatief onderzoek is gebleken dat bij de volgende uitgeefbare geluidruimten een goede bedrijfsvoering mogelijk is:

  • 64/64/64 dB(A)/m2 voor het westelijke klaver deel in de dag/avond/nacht, en
  • 63/58/53 dB(A)/m2 voor het oostelijke klaver deel in de dag/avond/nacht.

De Nota Industrielawaai is geactualiseerd en voor het plangebied is bovengenoemde geluidruimte gereserveerd. Deze nieuwe Nota Industrielawaai sluit aan op de Structuurvisie uit 2012 en is een uitwerking daarvan voor het thema geluid. Het voornemen is om de geactualiseerde Nota Industrielawaai vast te stellen, voorafgaande aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Uit geluidsonderzoek (zieBijlage 5) blijkt dat de wijziging van Klaver 4 (aanpassing van de milieucategorieën, andere situering) ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot relevante veranderingen van de geluidbelasting bij gevoelige bestemmingen. Uit de berekeningen blijkt dat het gecumuleerde geluidniveau in delen van het plangebied hoog is. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door railverkeer en wegverkeer, en bij een aantal woningen in het gebied tussen Trade Port Noord en Trade Port West ook door Industrielawaai. In de Nota IL zijn mitigerende maatregelen verwerkt die ervoor zorgen dat de cumulatieve geluidbelastingen ten opzichte van het IOB lager blijven, waardoor het aantal woningen dat als gevolg van een verhoogde geluidemissie van Klaver 4 een (industrielawaai) geluidbelasting van 51 dB(A) of meer krijgt minder toeneemt (5 stuks) dan met de uitganspunten van het IOB (11 stuks). Dit rechtvaardigt een 'neutrale' beoordeling van het industrielawaai in het MER.

Rondom het plangebied wordt een manchet in de vorm van een grondwal gerealiseerd. Deze grondwal heeft een geluiddempende functie. Voor het goed beheren van de "uitgegeven" geluidrechten en -ruimte (monitoring) te zijner tijd, moet bij de definitieve invulling van de bedrijfsactiviteiten een akoestisch onderzoek industrielawaai worden overgelegd. Dit om de cumulatieve geluidbelasting van 54 dB(A) ter plaatse van woningen te bewaken en maatwerkvoorschriften op te leggen op basis van de Nota Industrielawaai.

4.8.3 Conclusie

Met de vaststelling van dit herziene bestemmingsplan is er voor Klaver 4 van Trade Port Noord meer geluidruimte gereserveerd, te weten:

  • 64/64/64 dB(A)/m2 voor het westelijke klaver deel in de dag/avond/nacht, en
  • 63/58/53 dB(A)/m2 voor het oostelijke klaver deel in de dag/avond/nacht.

Deze nieuwe geluidruimte is verwerkt in de nieuwe Nota Industrielawaai, welke voorafgaand aan dit bestemmingsplan zal worden vastgesteld.


Het aspect geluid bedrijfsactiviteiten staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.


4.9 Verkeer, vervoer en infrastructuur

Klaver 4 wordt ontsloten via de Greenportlane richting de snelwegen A67 en A73. De capaciteit is ruim voldoende om de ontwikkeling van Trade Port Noord, de railterminal en ook de overige Klavers (3, 5 en 7) te kunnen faciliteren.

Op Klaver 4 vindt geen uitbreiding van het bedrijventerrein plaats. De beoogde aanpassingen leiden tot een iets kleinere verkeersgeneratie en leidt niet tot een andere verkeerscirculatie of generatie ter plaatse. Het aspect verkeer staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.10 Wegverkeersgeluid

Het bestemmingsplan ziet niet op de realisatie van geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Het aspect wegverkeersgeluid staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.11 Luchtkwaliteit

4.11.1 Toetsingskader

Voor het project zijn de onderstaande wettelijke kaders relevant bij het in beeld brengen van de beoordeling van het thema luchtkwaliteit.

Tabel 4.4 Wet- en regelgeving luchtkwaliteit

Wet-/regelgeving   Omschrijving
 
Relevantie  
Wet milieubeheer titel 5.2   Deze titel bevat de
luchtkwaliteitseisen waaraan moet worden getoetst (Wm artikel 5.16, eerste lid). Onderdeel hiervan is ook het toepasbaarheidsbeginsel
(artikel 5.19 lid 2) dat voorschrijft op welke plaatsen niet getoetst hoeft te worden.
 
Immissies van NOx en PM10
dienen getoetst te worden aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wm.
 
Regeling beoordeling
luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007)
inclusief alle latere wijzigingen.
 
Hierin is beschreven hoe de
luchtkwaliteit moet worden
berekent en beoordeeld.
Onderdeel hiervan is ook het
bloostellingscriterium (artikel 22) dat ingaat op de periode waaraan personen aan concentraties kunnen worden blootgesteld.
 
De berekeningen i.h.k.v. de m.e.r. en het bestemmingsplan dienen
uitgevoerd te worden conform de RBL 2007.
 
Besluit en regeling niet in
betekenende mate bijdragen
(luchtkwaliteit)
 
Bevat de uitvoeringsregels voor 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM)
 
NOx en fijn stof worden getoetst aan dit besluit.
 
Wet ruimtelijke ordening   Regelt hoe de ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen.
 
Binnen de Wro kunnen projecten middels een bestemmingsplan
mogelijk gemaakt worden.
 

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) werken de Rijksoverheid en decentrale overheden sinds 2009 samen om te zorgen dat Nederland tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide voldoet (het RIVM analyseert en rapporteert samen met Infomil jaarlijks de luchtkwaliteit).

Het NSL benoemt de ruimtelijke-ordeningsprojecten die een negatief effect hebben op de luchtkwaliteit en zet hier maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tegenover. Van de ruimtelijke projecten in het NSL is ongeveer een kwart in uitvoering of afgerond. Dat het grootste deel van de projecten nog niet is afgerond kan betekenen dat eventuele emissies die gerelateerd zijn aan deze projecten pas na 2015 effect hebben op de luchtkwaliteit. Het omgekeerde kan gelden als de uitvoering van maatregelen is vertraagd. Of de vertraging van maatregelen samenhangt met vertraging van projecten is niet bekend. Op 5 juni 2014 is het NSL verlengd tot en met 31 december 2016.

De monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) brengt luchtvervuilende stoffen in beeld waar de bevolking aan wordt blootgesteld. Het blijkt dat, in lijn met de resultaten van voorgaande jaren, de concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2013 blijven dalen. In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties fijn stof en stikstofdioxide onder de Europese grenswaarden.

In het kader van het NSL heeft de gemeente Venlo al in 2008 een Luchtkwaliteitsplan vastgesteld. Om tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide te kunnen voldoen heeft de gemeente Venlo maatregelen getroffen en inmiddels ook al uitgevoerd. Greenport Bikeway (fietssnelweg Venlo – Horst-Sevenum) bijvoorbeeld, heeft als doel om automobilisten (werknemers) te verleiden vaker met de fiets te gaan.

De gemeente Venlo heeft via het NSL het bedrijventerrein Trade Port Noord (totaal 180 ha) aangemeld als een project 'in betekende mate' (IBM) (projectnr. 402). Deze projecten worden niet meer beoordeeld op de afzonderlijke effecten op de luchtkwaliteit, maar getoetst aan het NSL. Met deze projecten moeten in het specifieke gebied nog steeds de grenswaarden kunnen worden gerealiseerd. Alleen dan kan het project doorgaan. De negatieve gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit worden in het gebiedsprogramma gecompenseerd door inzet van maatregelen.

Wettelijke grondslagen luchtkwaliteit

De Wm biedt de volgende grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit:

  • Het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16, 1ste lid, onder a, Wm).
  • Indien er sprake is van een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, maar er:
    • 1. Ten gevolge van het project per saldo sprake is van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie gelijk blijft (art. 5.16, 1ste lid, onder b, sub 1, Wm).
    • 2. Ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel per saldo sprake is van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie gelijk blijft (art. 5.16, 1ste lid, onder b, sub 2, Wm).
  • Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16, 1ste lid, onder c, Wm).
  • Het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16, 1ste lid, onder d, Wm).

Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan.

Toetsingskader stikstofdioxide

Sinds 1 januari 2015 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als de jaargemiddelde concentratie en een uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3 die maximaal 18 keer per jaar mag worden overschreden.

Toetsingskader fijn stof (PM10 en PM2.5)

Sinds 11 juni 2011 geldt voor PM10 een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3 en de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 die maximaal 35 dagen per jaar mag worden overschreden. Vanaf 2015 geldt voor PM2.5 een jaargemiddelde concentratie 25 µg/m3.

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007

In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 worden o.a. de rekenmethoden beschreven voor de verschillende situaties. Zo zijn er twee standaardrekenmethodes ontwikkeld voor het rekenen aan de luchtkwaliteit als gevolg van wegverkeer, Standaardrekenmethode 1 en 2. Er is ook een rekenmethode voor de bepaling van de luchtkwaliteit nabij bedrijven, Standaardrekenmethode 3. De berekeningen voor railterminal en aankomst- en vertreksporen/wachtsporen zijn met Standaardrekenmethode 3 uitgevoerd. De berekeningen voor de wegen zijn met Standaardrekenmethode 2 uitgevoerd.

4.11.2 Onderzoek

Voor het bepalen van de effecten van luchtkwaliteit op de leefomgeving zijn berekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zijn uitgevoerd conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 met de PC-applicatie Geomilieu versie 3.11, module Stacks. Stacks rekent conform het Nieuw Nationaal Model (NNM). Afhankelijk van de type bronnen is gerekend met Standaard rekenmethode 1 en 2 (wegverkeer) of 3 (industrie en railverkeer).

De jaargemiddelde concentratie NO2 ter plaatse van te beoordelen locaties bedraagt ten hoogste 30,2 µg/m³. Deze bijdrage wordt vooral door de aanwezige achtergrondconcentratie in het plangebied in 2015 bepaald. De achtergrondconcentratie in latere jaren is lager, als gevolg van het schoner worden van motorvoertuigen en strengere emissie-eisen. De jaargemiddelde concentratie NO2 voldoet ruimschoots aan de grenswaarde van 40 µg/m³.

Ter plaatse van te beoordelen locaties bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM10 ten hoogste 23,0 µg/m³. Er worden geen grenswaarden overschreden.

Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m³ bedraagt ten hoogste 12 dagen. Hiermee wordt ruimschoots aan de grenswaarde van 35 overschrijdingsdagen voldaan.

De achtergrondconcentraties PM2,5 in het studiegebied bedraagt 13,6 tot 14,2 µg/m³ in 2015. De bijdrage van klaver 4 is naar verwachting minder dan 1 µg/m³ in directe omgeving. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 in het studiegebied ligt ver onder de grenswaarde van 25 µg/m³.

Uit immissiecontouren van NO2 komt naar voren dat de concentratietoename NO2 nabij woningen en andere gevoelige bestemmingen beperkt is. Minder dan 5% van de blootgestelden ondervindt een toename van 1,2 µg/m³ of meer.

4.11.3 Conclusie

Er vinden geen overschrijdingen plaats van grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.12 Duurzaamheid

De gemeente Venlo heeft de ambitie om Trade Port Noord op duurzame wijze te ontwikkelen en te beheren. Dit betreft zowel de openbare ruimte als de uitgeefbare gronden van het bedrijfsterreinen. De inhoudelijke keuzes die hebben geleid tot het stedenbouwkundige plan voor Trade Port Noord zijn, zover dat juridisch-planologisch mogelijk en gewenst was, verankerd in het gelijknamige bestemmingsplan en zijn in dit plan overgenomen.

4.13 Laagvliegroute

4.13.1 Wet- en regelgeving / toetsingskader

AMvB Ruimte

In de AMvB Ruimte wordt een klein deel van de militaire gebieden en objecten begrensd. Militaire objecten dienen een militaire bestemming te krijgen en de opgenomen bestemmingen en gebruiksregels mogen geen belemmering vormen voor de functionele bruikbaarheid van het object en de uitoefening van de defensietaak. Daarnaast gelden er militaire laagvliegroutes, evenals laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden onder een laagvliegroute bevat over een breedte van 3.704 m (2 nautische mijlen) geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van die gronden die het oprichten van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 m mogelijk maken.

In de AMvB Ruimte is een mogelijkheid opgenomen voor de minister (Ministerie van Defensie in overleg met Minister van Infrastructuur en Milieu) om uit eigen beweging, dan wel op verzoek van GS of het college van B&W, ontheffing te verlenen van de bij of krachtens het besluit gestelde regels indien redenen van groot openbaar belang daartoe nopen.

4.13.2 Onderzoek

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0014.png"

Figuur 4.5 Uitsnede laagvlieggebied De Peel (bron: www.lvln-ohd.nl)

Het plangebied ligt bijna in zijn geheel binnen het laagvlieggebied De Peel (GLV-VIII), zie figuur 4.5. In het plangebied wordt bebouwing mogelijk gemaakt tot een hoogte van 25 m. Het is mogelijk om van deze bouwhoogte af te wijken tot ten hoogste 50 m (afwijkingsmogelijkheid). Voordat van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, dient instemming van het Ministerie van Defensie te zijn verkregen.

4.13.3 Conclusie

Op de verbeelding en in de regels is de maximale bouwhoogte van gebouwen en andere bouwwerken opgenomen van 25 m. Een gedeelte van de gebouwen (tot 25%) mag na een afwijkingsbesluit tot een hoogte van 50 m worden gerealiseerd. Voor gebouwen gelegen binnen het laagvlieggebied geldt dat - alvorens een bouwhoogte van 50 m wordt toegestaan –instemming van het Ministerie van Defensie dient te zijn verkregen.

4.14 Leidingen die niet risicorelevant zijn

Er zijn geen leidingen die de uitvoering van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.15 Spuitcirkels boomgaarden

In het plangebied wordt geen woningbouw of functies waar gevoelige groepen aanwezig kunnen zijn mogelijk gemaakt. Dit aspect staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Wettelijke vereisten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De wettelijke vereisten vormen de leidraad bij deze nieuwe bestemmingsregeling voor het plangebied.

5.2 Verbeelding

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen worden ingezien.

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien (de toelichting, regels en de plankaarten). Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.

In figuur 5.1 zijn de nieuwe contouren van de klaverbladen 4A en 4B/C zichtbaar. Meest opvallende is dat klaverbladen 4B en 4C zijn samengevoegd en dat er geen middenterrein met een bedrijfsbestemming meer is. De klaverbladen veranderen ook aan de buitenzijde nog iets van vorm en worden de kavels aan de buitenranden grotendeels omgeven door de bestemming Natuur in plaats van de eerdere groenbestemming. Dit in verband met het Dasseninrichtingsplan (zie Bijlage 4 bij deze toelichting).

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201603KLAVR4HERZ-VA01_0015.png"

Figuur 5.1. Verbeelding Klaver 4

5.3 Bestemmingen

Op de verbeelding worden verschillende soorten vlakken gebruikt. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Over een bestemmingsvlak kan een dubbelbestemming liggen waar aanvullende regels worden gesteld ten aanzien van de bestemming. In de regeling bij de bestemming is vervolgens bepaald of en zo ja, waar en op welke wijze de gronden mogen worden bebouwd (zie paragraaf 5.4).

Aanduidingen

Op de verbeelding is een onderscheid gemaakt tussen verschillende aanduidingen en figuren:

  • a. gebiedsaanduidingen: deze aanduidingen verwijzen naar een gebied waarvoor specifieke regels gelden, meestal als gevolg van sectorale regelgeving. Bijvoorbeeld de gebiedsaanduidingen 'wro-zone wijzigingsgebied';
  • b. functieaanduidingen: hiermee wordt nader gespecificeerd welk gebruik in de verschillende deelgebieden is toegestaan; de in dit plan gebruikte functieaanduidingen betreffen onder meer 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en 'risicovolle inrichting';
  • c. bouwaanduidingen: deze aanduidingen hebben in het algemeen betrekking op de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken;
  • d. maatvoeringsaanduidingen: dit zijn aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik; op de verbeelding is sprake van de maatvoeringsaanduidingen ten behoeve van de bouwhoogte;
  • e. figuren: om de ligging van de in het plangebied aanwezige leidingen (olieleiding en rioolleiding) kenbaar te maken, is het figuur hartlijn opgenomen.

Nadere uitleg bij deze aanduidingen is te lezen bij de bespreking van de betreffende bestemmingen en/of artikelen waarin de aanduidingen zijn opgenomen.

5.4 Regels

De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen. Door middel van deze regels biedt het plan flexibiliteit voor toekomstige ontwikkelingen. Ook biedt de regeling burgemeester en wethouders de mogelijkheid om nadere eisen te stellen. Hiermee kan de in het plan opgenomen regeling in een aantal gevallen worden gespecificeerd. Dit zal met name gaan om eisen bij concrete bouwaanvragen.

5.4.1 Inleidende regels

Begrippen
De begrippen die het bestemmingsplan gebruikt worden in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Wijze van meten
Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
Voor ondergeschikte bouwdelen (zoals luifels en overstekende daken) geldt een specifieke regeling. Deze worden namelijk niet meeberekend zolang bouw- en of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m worden overschreden.

5.4.2 Bestemmingsregels

Bedrijventerrein
De bestemming Bedrijventerrein omvat alle gronden die bestemd zijn voor bedrijvigheid, de ontsluitingswegen en groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze manier is een flexibele indeling van de gronden mogelijk en kan per bedrijf een afweging worden gemaakt omtrent de meest efficiënte invulling van het perceel. De ontsluiting van Klaver 4 geschiedt aan de noordzijde van het klaverblad, direct op de Greenportlane. Calamiteitenontsluitingen zorgen voorts voor een tweezijdige ontsluiting van elk klaverblad (dit is binnen de natuurbestemming geregeld).

Toegestane functies: Bedrijfsactiviteiten

  • 1. De toelaatbaarheid van bedrijven is gebaseerd op de milieuzonering (zie paragraaf 4.7). Dit betekent dat aan de hand van richtafstanden tot gevoelige functies in de omgeving van het plangebied is bepaald tot welke milieucategorie bedrijven zijn toegestaan.
  • 2. Vanwege de stikstofproblematiek is de Staat van Bedrijfsactiviteiten zodanig aangepast dat bedrijven met een significante stikstofuitstoot op deze lijst niet voorkomen. Deze bedrijven zijn niet toegestaan, met uitzondering van ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 5' (klaver 4A);
  • 3. In aanvulling op de aanpassingen aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten is onder andere bepaald dat bedrijven die vallen onder de werking van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A niet zijn toegestaan, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 5'; .
  • 4. Bij de vestiging van bedrijven in het plangebied wordt voorts getoetst aan de Nota Industrielawaai en de Nota Omgevingsveiligheid. Slechts voor zover aan deze Nota's wordt voldaan, zijn bedrijven toegestaan.
  • 5. In het plan is een afwijkingsbepaling opgenomen waarmee – in geval van actualisatie van een Nota – bedrijven tevens zijn toegestaan indien zij voldoen aan een geactualiseerde versie van de Nota. Ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn geactualiseerde versies van deze Nota's opgesteld (en vastgesteld).
  • 6. Door middel van een specifieke aanduiding ('ri') zijn risicovolle inrichtingen voor beide klaverbladen toegestaan;
  • 7. Er kan worden afgeweken van de regels om bedrijven toe te laten uit ten hoogste twee milieu(sub)categorieën hoger dan in artikel 3.1 sub a. is toegestaan (5.2 in plaats van categorie 4.2), voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op o.a. de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de toegestane categorie. Bij toepassing van deze bevoegdheid blijven de overige regels gewoon van toepassing (net als bij de overige afwijkingsregels geldt immers dat alleen van de vereisten kan worden afgeweken die expliciet worden benoemd).
  • 8. Er kan ook worden afgeweken om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd. In dat geval wordt bekeken of het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld aan de betreffende milieucategorie. Bedrijfsactiviteiten die tot een significante stikstofuitstoot kunnen leiden passen niet binnen deze afwijkingsbepaling. Dit komt in de afwijkingsregel expliciet naar voren. Overigens blijkt dit ook uit de verwijzing in deze afwijkingsregel. Omdat enkel van 3.1 a kan worden afgeweken, blijven de beperkende regels ten aanzien van stikstofuitstotende bedrijven van toepassing.
  • 9. Omdat een mer-procedure voor het bestemmingsplan is doorlopen, kunnen zich planmerplichtige bedrijven in het plangebied vestigen. Een aantal bedrijven is op grond van hun aard en activiteiten planmer-plichtig. Zij kunnen pas worden toegelaten in een gebied als er of een projectmer (besluit) is genomen of er voorafgaande aan vestiging van deze bedrijven een aparte planmer-procedure is doorlopen.
  • 10. Geluidszoneringsplichtige inrichtingen (‘grote lawaaimakers’) zijn niet toegestaan.

Toegestane functies: overige functies

  • 11. Bedrijfsgebonden kantoorvoorzieningen en ondersteunende horecavoorzieningen zijn toegestaan. Bij deze voorzieningen kan worden gedacht aan een restaurant of bedrijfskantine. Voorwaarde voor het uitoefenen van deze functie binnen het bedrijf is onder meer dat de openingstijden zijn gekoppeld aan de openingstijden van het betreffende bedrijf.
  • 12. Gelet op het karakter van het bedrijventerrein, is het niet gewenst detailhandel in het plangebied toe te staan. Wel is productiegebonden en ondergeschikte detailhandel toegestaan. Hierbij is van belang dat dit de ruimtelijke uitstraling van het plangebied als bedrijventerrein niet aantast, maar met name ook dat het een ondergeschikte activiteit blijft. Om deze reden is het oppervlak van het verkoopgedeelte gemaximeerd tot 300 m². Verder is het ook toegestaan detailhandel uit te oefenen op het moment dat het uitsluitend elektronische verkoop betreft.
  • 13. Waterbeheersing: een belangrijk aspect van het klavermodel zijn de voorzieningen voor zuivering en infiltratie van water. Deze centrale voorzieningen kunnen in de bestemming Verkeer of Natuur worden gerealiseerd. Echter ook op de gronden met de bestemming Bedrijventerrein zijn activiteiten in het kader van waterbeheersing mogelijk of in sommige gevallen zelfs noodzakelijk. Om hieraan tegemoet te komen is deze functie overal binnen de bestemming Bedrijventerrein toegestaan. Te denken valt aan waterberging onder het wegdek, maar ook aan watersilo's en andersoortige bouwwerken. Uiteraard is ook waterberging in de vorm van open water mogelijk.
  • 14. Groenvoorzieningen: in enkele gevallen kan het noodzakelijk blijken een deel van het bedrijventerrein te benutten voor het verbreden van grondlichamen rondom de klavers. Daarnaast kunnen groenvoorzieningen een rol spelen ten behoeve van de waterberging (infiltratie) en uiteraard ook ten behoeve van het aspect beeldkwaliteit. Het aanleggen van dergelijke voorzieningen is overal op het bedrijventerrein mogelijk.

Bouwregels

  • 1. Er gelden verschillende regels ten aanzien van de kavelomvang van bedrijven:
    • a. uitgangspunt: de minimum kavelomvang per bedrijfsvestiging is 1 ha;
  • 2. De gronden mogen geheel worden bebouwd, rekening houdend met nadere vereisten:
    • a. een bebouwingsvrije strook van 5 m langs de bestemminggrens en van 5 m langs de perceelsgrenzen (in enkele gevallen kan van deze afstandsmaten worden afgeweken met een omgevingsvergunning);
    • b. een afstand van 5 meter tussen de gebouwen onderling indien zij niet aaneen worden gebouwd (vanwege bereikbaarheid voor hulpdiensten);
    • c. een afstand van 25 m tot de rand van de Greenportlane waarbinnen het niet is toegestaan bebouwing op te richten;
    • d. voldoende ruimte behouden voor parkeerplaatsen, als ook voor laad- en losmogelijkheden;
  • 3. De toegestane bouwhoogte bedraagt maximaal 25 m.
  • 4. Er is een afwijkingsbepaling opgenomen om bebouwing tot een hoogte van 50 meter tot 25% toe te laten. Dit percentage geldt per bestemmingsvlak en deze afwijking geldt voor de hele bestemming Bedrijventerrein. De volgende voorwaarden zijn aan gebruikmaking ervan verbonden:
    • a. per gebouw bedraagt het grondoppervlak ten hoogste 12.000 m²;
    • b. tussen gebouwen die via deze bevoegdheid worden toegestaan, wordt een afstand van 30 m in acht gehouden;
    • c. gebouwen ten minste 15 meter uit de bestemmingsgrens worden gesitueerd;
    • d. het levert geen onevenredige beperkingen (schaduwwerking) op voor naastgelegen percelen;
    • e. voor zover een gebouw binnen het laagvlieggebied is gesitueerd, wordt eerst toestemming van het Ministerie van Defensie verkregen voordat het afwijkingsbesluit wordt genomen;
    • f. Voor het overige blijven de bouwregels zoals deze voor alle bebouwing binnen de bestemming Bedrijventerrein geldt gewoon van toepassing.

Nadere eisen

  • 1. Het plan biedt het college van B&W de bevoegdheid om nadere eisen te stellen op het moment dat een bouwaanvraag aan de orde is of een besluit omtrent afwijking van de regels wordt genomen. Deze nadere eisen zien met name op uitvoeringsaspecten. De nadere eisen bieden extra houvast in het kader van een duurzame inrichting van de bedrijfspercelen. Zo mogen nadere eisen worden gesteld met betrekking tot waterhuishoudkundige voorzieningen en gebruiksmogelijkheden op de aangrenzende gronden en in verband met parkeer- en laad- en losruimte.

Opslag en parkeren

  • 1. Ten aanzien van de situering van opslag geldt op een enkel aspect na hetzelfde als voor het bouwen van gebouwen:
    • a. opslag is – met inachtneming van de voorwaarden - overal binnen de bestemming bedrijventerrein toegestaan;
    • b. er wordt een opslagvrije zone van 5 m vanuit de bestemminggrens aangehouden (parkeren is wel in deze zone toegestaan);
    • c. het is niet toegestaan om binnen een afstand van 5 m tot de perceelsgrens goederen op te slaan (net als bij het bouwen vanwege de bereikbaarheid voor hulpdiensten);
    • d. er blijft voldoende ruimte over voor parkeerplaatsen;
    • e. opslag is toegestaan achter de voorgevel én achter de zijgevel indien deze zijgevel op een weg is gericht (ook hier geldt dat deze regel niet van toepassing is op een weg die enkel ter ontsluiting van één bedrijf dient).
  • 2. Opslag is toegestaan tot 10 m hoogte. Hiervan kan in enkele gevallen worden afgeweken:
    • a. opslag die met een railterminal verband kan houden (bijvoorbeeld containers) is via een afwijkingsbepaling in het gebied ten zuiden van de spoorlijn tot een hoogte van 25 m toegestaan;
    • b. voor de overige gronden geldt dat opslag tot een hoogte van maximaal 15 m kan worden toegestaan.
  • 3. Het parkeren dient in eerste instantie per bedrijf op eigen terrein te geschieden. Om deze reden zijn er voorwaarden aan de inrichting van het perceel verbonden.

Groen

Binnen de bestemming Groen zijn verschillende functies toegestaan, zoals groenvoorzieningen en plantsoenen, maar ook fiets- en wandelpaden, onderhoudspaden en calamiteitenontsluitingen, realisering en instandhouding van ecologische voorzieningen, geluidwerende voorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut.

Binnen de bestemming Groen bevindt zich nog een klein stukje waarvoor tevens de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie - 1' van toepassing is.

 

Natuur

De bestemming Natuur is opgenomen voor de terreinen rondom het bedrijventerrein. Voorheen hadden deze gronden de bestemming Groen, maar vanwege hun functie als fourageergebied en migratiegebied voor de dag is in dit bestemmingplan aan deze gronden de bestemming Natuur gegeven. Overigens zijn hierbij voorzieningen welke niet strijdig zijn met het beoogde gebruik door de das wel toegestaan, onder andere water en waterberging. De dassenroute is ook op deze gronden gelegen en de instandhouding van deze route is zodoende ook in de bestemmingsomschrijving opgenomen.

Verkeer

De bestemming Verkeer is opgenomen voor de aansluiting van de klavers op de Greenportlane. Hierbij is extra ruimte gecreëerd voor noodzakelijke opstelruimten voor vrachtwagens en voor de op- en afritten van de Greenportlane, in aansluiting op het provinciale inpassingsplan van de Greenportlane. De interne wegenstructuur rondom de harten en de klaverbladen is tevens bestemd als Verkeer. Op deze wijze is de beoogde ontsluiting van alle klavers geborgd.

5.4.3 Algemene regels

In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.

  • 1. Anti-dubbeltelbepaling: De anti-dubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • 2. Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening: De regel geeft invulling aan de afstemmingsbepaling tussen de bouwverordening en het bestemmingsplan ingevolge artikel 9 van de Woningwet.
  • 3. Algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van de bouwregels. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages.De omgevingsvergunning kan overigens alleen worden verleend wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen.
  • 4. Algemene wijzigingsregels: Het betreft de overschrijding van de bestemmingsgrenzen. Deze overschrijding is tot bepaalde maten beperkt en kan alleen worden toegepast als de overschrijding van bestemmingsgrenzen vanwege de aard van het terrein noodzakelijk is of om de realisatie van de bestemmingen beter tot recht te laten komen.
  • 5. Algemene procedureregels: Voor de nadere eisenregeling schrijft het bestemmingsplan de te volgen procedure voor. De voorgenomen nadere eis(en) worden twee weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden hun zienswijze bij het college kenbaar maken. Voor het overige gelden de voorwaarden die in de Algemene wet bestuursrecht zijn opgenomen.
  • 6. Verwerkelijking in naaste toekomst: Op de verbeelding is een fasering weergegeven van de ontwikkeling van de gronden in het plangebied. Om duidelijk te maken op welke gronden de uitvoering als eerste, namelijk in de eerste drie jaar na planvaststelling, wordt aangevangen en dus urgent is, zijn deze gronden aangeduid met ‘wro-zone - verwerkelijking in naaste toekomst’. Voor deze gronden is sprake van een ingediende aanvraag omgevingsvergunning die in de coördinatieregeling meeloopt met de procedure voor het bestemmingsplan. In het exploitatieplan is, bij de toelichting op de daarin opgenomen fasering, gemotiveerd waarom voor deze fasering is gekozen en waarom het, mede vanuit planologisch oogpunt, noodzakelijk is om deze fasering voor de verwezenlijking van de bestemmingen te hanteren.
  • 7. Overige regels: Werking wettelijke regelingen: In de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen.

5.4.4 Overgangs- en slotregel

Overgangsrecht

Het overgangsrecht ziet zowel op bouwwerken als op gebruik die op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan aanwezig zijn, c.q. bestaat. Gedurende de werking van dit bestemmingsplan is het toegestaan bouwwerken die legaal zijn gebouwd, of nog kunnen worden gebouwd, in stand te houden en ook gedeeltelijk te vernieuwen (mits de maatvoering gelijk blijft). Ook het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals dit bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan mag worden voortgezet, mits dit gebruik na inwerkingtreding van het plan niet meer dan een jaar wordt onderbroken. Wijziging van het gebruik is alleen toegestaan indien hierdoor de strijd met de nieuwe bestemming wordt verkleind. De bescherming van het overgangsrecht zoals hierboven beschreven vervalt op het moment dat een nieuw bestemmingsplan voor de betreffende gronden wordt vastgesteld.

Slotregel

Deze regel benoemt op welke wijze naar de regels van dit bestemmingsplan dient te worden verwezen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Op grond van het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 ontstaat de planologische mogelijkheid om bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro te realiseren. Ingevolge artikel 6.12 Wro leidt dit tot de beginselplicht dat de raad, gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan, tevens een exploitatieplan vaststelt.

Voor het plangebied worden twee delen onderscheiden:

  • a. Een gedeelte van het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerende exploitatieplan Trade Port Noord.
  • b. Voor het resterende gedeelte van het plangebied is geen exploitatieplan van toepassing.

Voor de toepassing van de beginselplicht tot vaststelling van een exploitatieplan betekent dit het volgende.

Ad a. Het gedeelte van het plangebied dat onderdeel uit maakt van het vigerende exploitatieplan Trade Port Noord

De gronden binnen het bestemmingsplan waarop de bouwplanmogelijkheden ontstaan, zijn ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 in handen van verschillende eigenaren.

De gebiedsontwikkeling van het herontworpen deelgebied Klaver 4, zoals dat begrepen is in het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4, maakt onderdeel uit van de integrale gebiedsontwikkeling bedrijventerrein Trade Port Noord. Voor een gedeelte van het bedrijventerrein geldt het exploitatieplan Trade Port Noord.

Gelijktijdig met het bestemmingsplan Trade Port Noord is voor een gedeelte van dat bestemmingsplangebied het exploitatieplan Trade Port Noord vastgesteld. Het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 heeft tot gevolg dat het vigerende exploitatieplan gelijktijdig dient te worden herzien. Dit is vastgelegd in het besluit tot 6e herziening van het exploitatieplan Trade Port Noord, dat gelijktijdig met het onderhavige bestemmingsplan in procedure is gebracht.

Ad b. Het resterende gedeelte van het plangebied waar geen exploitatieplan van toepassing is

Voor het gebied dat is opgenomen in het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4, vigeert, ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, het bestemmingsplan Trade Port Noord zoals dat is vastgesteld in oktober 2012.

Gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan Trade Port Noord is het exploitatieplan Trade Port Noord vastgesteld. Het exploitatieplan Trade Port Noord heeft betrekking op een gedeelte van de gronden van het bestemmingsplan Trade Port Noord.

Voor een gedeelte van het plangebied van het bestemmingsplan Trade Port Noord gold voorheen het onherroepelijke deel van het in 2006 vastgestelde bestemmingsplan Trade Port Noord en Zaarderheiken. Ingevolge laatstgenoemd bestemmingsplan kende de onherroepelijke bestemmingsregeling reeds mogelijkheden tot bebouwing in de vorm van directe bouwtitels en voor inrichting van de openbare ruimte. De toepassing van artikel 9.1.20 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening maakte dat, als overgangsregeling van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) naar de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro), bij de vaststelling van het bestemmingsplan Trade Port Noord deze gronden niet in een exploitatieplan mochten worden betrokken.

De vaststelling van het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 ziet op een herziening van het onder de (huidige) Wro tot stand gekomen bestemmingsplan Trade Port Noord, wat tot gevolg heeft dat artikel 9.1.20 Invoeringswet Wro niet langer van toepassing is. Een en ander heeft tot gevolg dat, nu ingevolge het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 aangewezen bouwplanmogelijkheden als bedoeld in artikel 6.12 Wro ontstaan, thans de beginselplicht ontstaat om voor dit gedeelte van het bestemmingsplangebied een exploitatieplan vast te stellen.

Die beginselplicht leidt uitzondering indien:

  • a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in dit gedeelte van het bestemmingsplangebied begrepen gronden anderszins is verzekerd;
  • b. er geen noodzaak is tot het stellen van locatie-eisen over een tijdvak, een fasering, het aanbrengen van koppelingen tussen de aanleg van werken en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen, het stellen van eisen en regels over (de uitvoering van) werken met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg nutsvoorzieningen en inrichting openbare ruimte.

Deze beide uitzonderingssituaties doen zich hier voor.

Ad a.

De gronden in het betreffende gedeelte van het bestemmingsplan waarop de bouwplanmogelijkheden ontstaan, zijn ten tijde van de tervisielegging deels in eigendom van de commanditaire vennootschap CV TPN en deels in eigendom van de gemeente Venlo.

Door de gemeente Venlo, de gemeente Horst aan de Maas en de CV TPN is op 26 oktober 2012 de Samenwerkingsovereenkomst toepassing Grondexploitatiewet gebied TPN gesloten, welke overeenkomst geldt als een anterieure overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 Wro. Deze samenwerkingsovereenkomst bevat de afspraken over kostenverhaal en te hanteren locatie-eisen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein TPN. Het te ontwikkelen bedrijventerrein is deels gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Venlo respectievelijk de gemeente Horst aan de Maas. In deze samenwerkingsovereenkomst liggen, wat betreft het deelgebied binnen het grondgebied van Venlo, de afspraken vast die zijn gekoppeld aan het bestemmingsplan Trade Port Noord (Venlo).

In 2014 hebben de gemeente Venlo, de gemeente Horst aan de Maas en de CV TPN de Aanvullende overeenkomst Grondexploitatiewet TPN gesloten, waardoor de reikwijdte van de afspraken over kostenverhaal en de toepassing van locatie-eisen zich mede uitstrekken over planologische besluiten betreffende een herziening van het bestemmingsplan Trade Port Noord.

Als gevolg van het eigendom van gronden bij de gemeente Venlo en, wat betreft de gronden die in eigendom zijn bij CV TPN, het sluiten van deze aanvullende overeenkomst in 2014 is het kostenverhaal voor de in het onderhavige gedeelte van het bestemmingsplangebied gelegen gronden waarop bouwplannen kunnen worden ontwikkeld, anderszins verzekerd.

In 2016 hebben de gemeente Venlo, de gemeente Horst aan de Maas en CV TPN voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan Trade Port Noord Herziening Klaver 4 de Tweede aanvullende overeenkomst Grondexploitatiewet TPN gesloten, gericht op het maken van nadere afspraken over de afstemming van het bouwrijp maken van en inrichting van de openbare ruimte in dit gedeelte van het bestemmingsplangebied in afstemming met de regels die ter zake deze werkzaamheden gelden voor het gedeelte van het bestemmingsplangebied dat is gelegen binnen het exploitatieplan Trade Port Noord.

Ad b.

Er is voor het onderhavige gedeelte van het bestemmingsplangebied geen noodzaak aanwezig tot het stellen van publiekrechtelijke locatie-eisen over de onder b genoemde onderwerpen. Met het sluiten van de Samenwerkingsovereenkomst toepassing Grondexploitatiewet gebied TPN, de Aanvullende overeenkomst Grondexploitatiewet TPN en de Tweede aanvullende overeenkomst Grondexploitatiewet TPN is een gestructureerde ontwikkeling van dit gedeelte van het gebied van het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 voor de gemeente voldoende verzekerd.

Een en ander leidt ertoe dat, gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan, de raad zal worden voorgesteld te besluiten om voor het deelgebied van het plangebied Trade Port Noord herziening Klaver 4 dat gelegen is buiten het exploitatieplan Trade Port Noord, geen exploitatieplan vast te stellen.

Economische uitvoerbaarheid

De verantwoording van de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Trade Port Noord is vastgelegd in de toelichting van het vigerende bestemmingsplan Trade Port Noord.

Door de gemeente Venlo, de gemeente Horst aan de Maas en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BV Trade Port Noord (deze laatste handelend als beherend vennoot van de commanditaire vennootschap CV Trade Port Noord) is in 2012 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer vastgelegd dat de uitvoering van de grondexploitatie van het intergemeentelijke bedrijventerrein, voor zover het betreft de door CV TPN verworven c.q. nog te verwerven gronden, geschiedt door en voor rekening en risico van CV TPN. In 2014 is deze samenwerkingsovereenkomst door de genoemde partijen aangepast, waarbij nadere aanvullende afspraken zijn gemaakt voor de situatie dat, ten behoeve van de ontwikkeling van het intergemeentelijke bedrijventerrein, het bestemmingsplan Trade Port Noord zou worden herzien. Zoals aangegeven, is in 2016 deze samenwerkingsovereenkomst opnieuw aangepast. Deze overeenkomst zal zijn gesloten voor vaststelling van dit bestemmingsplan.

Een en ander betekent dat, wat betreft de eigendommen in het bestemmingsplangebied die in eigendom zijn van de gemeente Venlo en/of CV TPN, het verhaal van kosten als bedoeld in artikel 6.12 Wro anderszins is verzekerd. Zoals aangegeven, zijn niet alle gronden binnen het bestemmingsplangebied in handen van de gemeente Venlo en/of CV TPN. Deze gronden zijn alle gelegen binnen het vigerende exploitatieplan Trade Port Noord. Voor de gronden van derden geldt dat het kostenverhaal zal plaatsvinden met toepassing van afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie).

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het bestemmingsplan Trade Port Noord herziening Klaver 4 als economisch uitvoerbaar mag worden aangemerkt.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen.

Er zijn 4 zienswijzen ingediend. In de Nota van Zienswijzen zijn deze zienswijzen samengevat en van een gemeentelijk standpunt voorzien (zie bijlage 8). Met inachtname van hetgeen in deze Nota van Zienswijzen vermeld is, beslist de gemeenteraad over de vaststelling van dit plan.

Hoofdstuk 7 Overleg

7.1 Integrale omgevingsbeoordeling

Vanuit DCGV/TPN zijn in het kader van de Integrale Omgevingsbeoordeling (IOB) in februari 2016 een tweetal informatieavonden georganiseerd. Te weten op 18 februari 2016 in het bijzonder voor de gemeenteraadsleden van de gemeenten Horst aan de Maas, Venlo en Peel en Maas en op 22 februari 2016 voor omwonenden en geïnteresseerden. Daarnaast heeft op 3 maart 2016 een bijeenkomst plaatsgevonden met de vaste klankbordgroep van de Greenport Venlo (bestaande uit bewoners en belangengroeperingen), waarin het voornemen tot planherziening is toegelicht.

7.2 Notitie Reikwijdte en Detailniveau

In de periode vanaf 25 februari 2016 heeft voor de duur van zes weken (tot 6 april 2016) de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ter inzage gelegen met de mogelijkheid tot het kenbaar maken van zienswijzen hierop. De zienswijzen die zijn ingebracht op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau zijn betrokken bij het opstellen van het MER.

7.3 Voor-overleg

Met de provincie Limburg heeft in het kader van de Integrale Omgevingsbeoordeling en de verdere uitwerking in de planherziening voor Klaver 4 overleg plaatsgevonden. De provincie heeft in dit overleg aangegeven geen bedenkingen te hebben op de planherziening voor Klaver 4. Daarnaast heeft de provincie per e-mail d.d. 24-5-2016 een reactie gegeven in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro), zie Bijlage 7. Daarbij zijn twee opmerkingen gemaakt met betrekking tot het aspect Externe Veiligheid welke betrekking hebben op de Nota Omgevingsveiligheid, de Nota is hierop aangepast.

In het kader van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau heeft zij een zienswijze ingediend. Voor de reactie hierop wordt verwezen naar de milieu-effectrapportage behorende bij deze planherziening.

Met gemeente Horst aan de Maas heeft in het kader van de Integrale Omgevingsbeoordeling en in de verdere uitwerking om te komen tot deze planherziening overleg plaatsgevonden. Zij heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de inhoud van dit bestemmingsplan en de bijbehorende Nota's Omgevingsveiligheid en Industrielawaai. Beide nota's hebben ook betrekking op het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas.

Ditzelfde geldt voor de Veiligheidsregio Limburg- Noord. Het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord is aangehecht aan de Nota Omgevingsveiligheid waarnaar in deze planherziening wordt verwezen.

Met het waterschap Peel en Maas heeft afstemming plaatsgevonden ten aanzien van de beoogde te realiseren waterstructuur, de benodigde capaciteit, de verbindingen van de aanwezige waterstructuren en de afvoer. Het waterschap Peel en Maas heeft aangegeven in te kunnen stemmen met hetgeen wordt beoogd.

Met de relevante nutspartijen, zijnde het Waterschapsbedrijf Limburg, WML en Enexis heeft overleg plaatsgevonden over de aspecten om te komen tot realisatie. Zij verlenen medewerking om snel te komen tot realisatie.