direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Rarenderstraat 51
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De aanleiding voor het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Vaals voor de locatie aan Rarenderstraat 51 te Vaals betreft de voorgenomen functiewijziging van deze locatie van een agrarische functie naar een reguliere woning. De locatie wordt hierna aangeduid als het besluitgebied. De initiatiefnemer van deze ontwikkeling is eigenaar van het besluitgebied.

Voorliggend voornemen is strijdig met het ter plekke vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' zoals vastgesteld op 29 juni 2015 door de gemeenteraad van Vaals. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijke deel van het 'Omgevingsplan gemeente Vaals'.

De beoogde herontwikkeling is binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-Omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.

1.2 Ligging

Het besluitgebied is gelegen ten zuidwesten van de kern Vaals. Navolgende figuur geeft de ligging van het besluitgebied weer op topografische kaart ten opzichte van de directe omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0001.png"

Topografische kaart met de ligging van het besluitgebied in de omgeving

1.3 Begrenzing

Het besluitgebied is gelegen aan Rarenderstraat 51 te Vaals. Het besluitgebied bestaat uit het perceel kadastraal bekend als: gemeente Vaals, sectie H, nummer 296 Dit perceel heeft een omvang van 4.860 m². Navolgende figuur betreft een kadastraal overzicht van het besluitgebied (in blauw).

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0002.png"

Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied

1.4 Geldend omgevingsplan

1.4.1 Omgevingsplan gemeente Vaals

Voor het besluitgebied is het Omgevingsplan gemeente Vaals per 1 januari 2024 van rechtswege het geldende planregime. Dit omgevingsplan wordt door de gemeente Vaals nog nader ingevuld. Het besluitgebied is eerder bestemd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ dat hiermee geldt als planregime als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege. Dit bestemmingsplan wordt hierna toegelicht.

1.4.2 Bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'

Voor het besluitgebied aan Rarendersweg 51 te Vaals is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ van toepassing dat op 29 juni 2015 door de gemeeneraad van Vaals is vastgesteld. Het besluitgebied is hierin bestemd als 'Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’ en is voorzien van een bouwvlak. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'. Tevens gelden de functieaanduiding 'caravanstalling' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone - bodembeschermingsgebied'. Navolgende figuur betreft een uitsnede van het eerder geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ waarop het besluitgebied is aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplankaart met aanduiding locatie

Voorliggend planvoornemen voorziet in het gebruik van de bebouwing als reguliere woning. Omdat de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt, is geen sprake meer van een bedrijfswoning. Permanente of tijdelijke bewoning, uitgezonderd van de bedrijfswoning, is volgens artikel 4.5 lid g van het bestemmingsplan 'Buitengebied' binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschap' niet toegestaan. Om voorliggend voornemen mogelijk te maken, dient de bestemming ter plekke te worden gewijzigd van 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschap' naar 'Wonen'. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken zal het omgevingsplan voor de gronden binnen het besluitgebied moeten worden herzien.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het besluitgebied is gelegen aan de Rarenderstraat 51 te Vaals en is gelegen in het buitengebied, ten zuid westen van de kern Vaals. Het betreft een bebouwd perceel van 4.860 m2 en kenmerkt zich door een bedrijfswoning met bijgebouw, oprit en aan de achterzijde enkele loodsen/stallen en een mestopslag. Aan de oostzijde van het perceel is een dubbele loods gesitueerd. De agrarische bedrijfsvoering is sinds lange tijd beëindigd. De huidige bedrijfsvoering betreft caravanstalling.

Aan de hand van de volgende (obliek)foto's wordt de feitelijke situatie ter plekke van het besluitgebied inzichtelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0004.png"

Obliekfoto via Slagboom en Peeters van de totale projectlocatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0006.png"

Straataanzicht projectgebied via Google Streetview

2.2 Nieuwe situatie

Het project voorziet om ter plekke de agrarische bestemming om te zetten naar 'Wonen'. Het regulier wonen zal plaatsvinden in de bestaande bedrijfswoning.

De loods/stal (500m2) gelegen aan de achterzijde van de woning zal worden gesloopt en de bestaande mestopslag zal worden verwijderd. Hiermee verdwijnt een groot deel van het versteende terrein. Daarnaast is men voornemens om ter hoogte van de mestopslag laagstam fruitbomen te planten.

Ondergeschikt aan de nieuwe woonfunctie zullen tevens een coaching praktijk aan huis en een kantoor ten behoeve van administratieve zaken zijn gesitueerd. Aan de gestelde voorwaarden zoals te lezen in de planregels wordt voldaan. De hoofdactiviteit ('wonen') zal dan ook niet worden belemmerd.

De bestaande loods aan de oostzijde van het perceel blijft behouden en wordt hergebruikt, voor het stallen van maximaal 10 auto's welke in bezit zijn van de eigenaar. Het uitvoeren van onderhoud en poetswerkzaamheden aan deze auto's is op deze locatie toegestaan, mits dit niet bedrijfsmatig plaatsvindt en er geen verkoopactiviteiten worden verricht.

De aard en omvang van het gebruik zijn beperkt: maximaal 10 voertuigen worden inpandig gestald, hetgeen geen verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft, geen geluidshinder veroorzaakt en geen ruimtelijke of visuele impact heeft op het buitengebied. De activiteit is vergelijkbaar met het hobbymatig stallen van een privécollectie, waarbij het functionele gebruik gelijk is, ondanks dat het juridisch eigendom bij derden ligt.

In de planregels behorende bij deze wijziging van het omgevingsplan is dit geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0007.png"

Overizcht beoogde indeling besluitgebied met daarin aangegeven de te slopen bebouwing  

2.3 Ruimtelijk-visuele effecten

Ieder project gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Beoordeeld dient te worden of de effecten die optreden vanuit ruimtelijk-visueel oogpunt aanvaardbaar mogen worden gevonden.

Bij voorliggende planontwikkeling wordt een voor agrarische bedrijfsmatige doeleinden bestemde locatie bestemd voor reguliere woondoeleinden, met (inpandig) een coaching praktijk aan huis en een loods ten behoeve van stalling van maximaal 10 voertuigen.

Door voorliggend voornemen worden de negatieve ruimtelijke effecten van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf teniet gedaan; de functie 'wonen' heeft een mindere impact op de omgeving. De initiatiefnemer zal een aantal aanbouwen en opstallen nog behorend tot het voormalige agrarische bedrijf verwijderen. Het doel is om ter plekke een ruimtelijk-visuele kwaliteitsverbetering te laten plaatsvinden.

De ruimtelijk-visuele effecten van voorliggend planvoornemen zullen overwegend positief zijn.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.

In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:

  • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast;
  • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit;
  • de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden;
  • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden;
  • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden;
  • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap.

Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.

In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid-Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.

Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.

Beoordeling

Onderhavige ontwikkeling valt niet binnen een door het rijk in de NOVI gekenmerkte opgave en/of ontwikkeling.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder:

  • waarborgen van veiligheid;
  • beschermen van waterbelangen;
  • beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën.

Beoordeling

In hoofdstuk 5 van voorliggende motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het plan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Over de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (zaaknummer 201608869/1/R3). Daarin is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft.

Beoordeling

Voorliggende project ziet niet op een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend project voorziet in het herbestemmen van een voormalig agrarisch bedrijf naar wonen. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning. Derhalve is geen sprake van het toevoegen van een woning of van een grootschalige recreatieve functie.

3.1.4 Conclusie Rijksbeleid en regelgeving

Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het relevante Rijksbeleid en regelgeving geen belemmeringen voor onderhavig project.

3.2 Provinciaal beleid en regelgeving

3.2.1 Omgevingsvisie Limburg (POVI)
3.2.1.1 Algemeen

Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.

In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.

3.2.1.2 Hoofdopgaven

In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn:

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving:
    • a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied;
    • b. in landelijk gebied;
  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);
  • 3. Klimaatadaptatie en energietransitie.
3.2.1.3 Limburgse principes en algemene zonering

Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes:

  • a. gestreefd wordt naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • b. de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • c. meer stad, meer land;
  • d. zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, boven- én ondergronds.

Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes:

  • 1. landelijke gebieden:
    • a. Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied)
    • b. Buitengebied
  • 2. bebouwde gebieden:
    • a. stedelijk gebied
    • b. stedelijk centrum
    • c. landelijke kern
    • d. werklocaties
  • 3. infrastructuren:
    • a. (inter)nationale weg
    • b. provinciale weg
    • c. (inter)nationale spoorweg
    • d. (inter)nationale waterweg
    • e. (lucht)haven
    • f. (inter)nationale leidingstrook

Het projectgebied ligt binnen de zonering 'Groenblauwe mantel'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0008.png"

Provinciale zoneringen met aanduiding besluitgebied

Groenblauwe mantel

De gebieden aangewezen als groenblauwe mantel liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In de groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en is de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder. De provincie biedt mogelijkheden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap.

Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in de groenblauwe mantel aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige omgevingskwaliteiten, maar ook met regionale afspraken ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer wonen, bedrijventerreinen, detailhandel en vrijetijdseconomie.

3.2.1.4 Thematische visies

De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies:

  • wonen en leefomgeving
  • veiligheid en gezondheid
  • cultuur, sport en erfgoed
  • economie
  • werklocaties
  • mobiliteit
  • energie
  • land- en tuinbouw
  • water
  • natuur
  • landschap
  • bodem en ondergrond

Wonen

Voor onderhavig voornemen is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie 'Wonen en leefomgeving' ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de omgevingsvisie het volgende:

'De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend.'

Voorts wordt het volgende aangegeven:

'Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.'

Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen.

3.2.1.5 Gebiedsgerichte visies

Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg uiteen te zetten.

De provincie geeft aan dat de aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg in sterke mate wordt bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden, gelegen in het unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het heuvellandschap en de Maasvallei geven samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit, rijke historie en eigen cultuur aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen, werken en leven zo'n 600.000 mensen. Zuid-Limburg is het meest verstedelijkt grensgebied en de meest Europese regio van het land. Samen met de stedelijke regio's van Aken (Duitsland), Luik en Verviers (Wallonië) en Tongeren, Hasselt en Genk (Vlaanderen) vormt Zuid-Limburg de Euregio Maas-Rijn met vier miljoen inwoners en 2,2 miljoen banen. Daarnaast maakt de regio deel uit van het groene grensoverschrijdende Drielandenpark.

Beoordeling

Voorliggende project past binnen het provinciale beleid zoals omschreven in de POVI.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg (OvL)
3.2.2.1 Algemeen

De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening.

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven.
  • regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.
3.2.2.2 Gebiedsaanwijzigingen

Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Ter plekke van onderhavige locatie zijn een aantal gebiedsaanwijzingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0009.png"

Uitsnede Omgevingsverordening Limburg met van toepassing zijnde gebiedsaanwijzingen

Instructieregels beschermingsgebied 'Einstein Telescope'

Vooraleerst is de gehele locatie in het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'. Op grond van de instructieregels voor dit beschermingsgebied (Afdeling 16.1 Omgevingsverordening Limburg) zijn specifiek aangewezen activiteiten (zoals bijvoorbeeld de plaatsing van windmolens, of boringen dieper dan 100 meter) verboden. Voorliggend project voorziet niet in een bedoelde verboden activiteit, waardoor geen sprake is van strijdigheid met de regels van het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'.

Instructieregels beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'

Onderhavige locatie ligt binnen het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg', alsmede daarbinnen opgenomen 'beekdal'. In Afdeling 7.1 van de Omgevingsverordening Limburg zijn de instructieregels voor dit beschermingsgebied voorgeschreven. Voorgeschreven is dat een motivering bij een omgevingsplan (of buitenplanse omgevingsplanactiviteit) dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg een beschrijving bevat van (a) de in het besluitgebied voorkomende kernkwaliteiten (reliëf, open-besloten karakter, groene karakter, en cultuurhistorisch erfgoed), (b) de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan, en (c) de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd.

Voorliggend project voorziet niet in het toevoegen van bebouwing en/of verharding in het buitengebied. Er vindt sanering plaats van enkele bijgebouwen waarbij de oude oorspronkelijke bebouwing beter tot zijn recht komt. Voorliggend project heeft daarmee overwegend positieve effecten. Daaruit blijkt dat als gevolg van voorliggend project geen sprake van een onevenredige aantasting van aanwezige kernkwaliteiten en daarmee geen strijdigheden zijn met de instructieregels van het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. Een nadere toelichting hierop is te vinden in paragraaf 4.9.2.

Instructieregels 'groenblauwe mantel'

Het projectgebied is gelegen in de 'groenblauwe mantel'. In afdeling 7.3 zijn de instructieregels voor deze groenblauwe mantel voorgeschreven. Voor deze gebieden wordt voorgeschreven dat in de motivering bij een omgevingsplan de volgende onderwerpen dienen te worden beschreven:

  • a. de in het projectgebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel;
  • b. de waarde van het projectgebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura2000-gebieden (inclusief Natura2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben;
  • c. de waarde van het projectgebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg;
  • d. de waarde van het projectgebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdal en;
  • e. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d;
  • f. hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a tot en met d;
  • g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit 'het groene karakter' worden de regels opgenomen in Bijlage IX (van de OvL) gevolgd.

Zoals eerder geconstateerd is als gevolg van voorliggend project geen sprake van een onevenredige aantasting van aanwezige kernkwaliteiten. Op het voornemen in relatie tot het Natuurnetwerk, Natura2000 gebieden, water, en bedreigde soorten wordt nader ingegaan in hoofdstuk 4 van voorliggende motivering. Er is dan ook geen sprake is van strijdigheden met de instructieregels voor de 'groenblauwe mantel'.

Overstromingskansgebied B

Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied B' een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:10 als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan.

Instructieregels 'uitsluitingsgebied windturbines'

In artikel 13.1 van de OvL is bepaald dat ter plekke van het 'uitsluitingsgebied windturbines' geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe wordt gelaten. Daarvan is bij voorliggend project geen sprake.

Instructieregels 'uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw'

Ter plekke van voorliggend projectgebied is sprake van de ligging in een uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw. In afdeling 10.1 is voorgeschreven dat een omgevingsplan een uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf onder specifieke voorwaarden kan toestaan in het uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw. Bij voorliggende project is geen sprake van een glastuinbouwbedrijf.

3.2.3 Conclusie provinciaal beleid en regelgeving

Onderhavig plan levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Het plan is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend plan.

3.3 Regionaal beleid en regelgeving

3.3.1 Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul

De gemeente Vaals beschikt, in samenwerking met de gemeenten Gulpen-Wittem en Valkenburg aan de Geul, over een gemeentelijke structuurvisie voor haar grondgebied. In deze structuurvisie worden de strategische keuzes met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeentegrens voor de lange termijn (15 jaar) vastgelegd.

In de Intergemeentelijke Structuurvisie worden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied gerangschikt onder verschillende modules, met de daaraan verbonden regels voor de hoogte van de te leveren tegenprestaties. In casu is het de vraag welke module dient te worden toegepast.

Voorliggende ontwikkeling voorziet in het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Natuur en landschap' naar 'Wonen'. Middels de wijziging wordt het voeren van een agrarisch bedrijf ter plekke onmogelijk gemaakt en wordt de bedrijfswoning planologisch omgevormd tot een reguliere burgerwoning. Door deze wijziging wordt geen nieuwbouw of extra wooneenheden mogelijk gemaakt. Feitelijk kan voorliggende planontwikkeling niet worden geschaard onder één van de in de intergemeentelijke structuurvisie genoemde modules. In dat geval dient te worden terug gegrepen op de provinciale beleidsregel 'Limburgs Kwaliteitsmenu 2012'. In die beleidsregel wordt in de module 'overige (gebouwde) functies'.

Op basis van de provinciale beleidsregel 'Limburgs Kwaliteitsmenu 2012' maatwerk vereist. Ter plekke worden ten behoeve van het project een aantal bijgebouwen gesaneerd. Daarmee is sprake van een verbetering van de omgevingswaarden en worden de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg versterkt.

3.3.2 Structuurvisie Wonen Zuid Limburg

De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 16 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Beekdaelen, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal.

Het kader voor de SVWZL is het in samenwerking met de provincie en andere direct betrokken partijen tot stand gekomen en in december 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), die eveneens een visie bevat op Zuid-Limburg. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand.

De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk:

  • a. het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot;
  • b. het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;
  • c. het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL.

Op een uniforme wijze dient een afweging te worden gemaakt om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen. Nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik gemaakt worden van:

  • I. Compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking;
  • II. Elke nieuw toe te voegen woning wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitwerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een sub regionaal op te zetten sloopfonds vloeien;
  • III. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarbinnen dit besluit is genomen;
  • IV. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarkt-programmering. Hiervan mag ¼ deel gezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument of beeldbepalend pand kan volstaan worden met een één op één compensatie.

Op grond van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) dienen aan de bestaande planvoorraad toe te voegen woningen in beginsel te worden gecompenseerd, hetzij middels fysieke sloop hetzij middels doen van een financiële storting in het (regionale) sloopfonds.

3.3.3 Beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningplannen 2021’

De gemeenteraad van Vaals heeft op 5 januari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'.

Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde

Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties:

  • Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen;
  • Herstructurering/vervangingsbouw van woningen;
  • Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw;
  • Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad.

Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.

Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar

Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is:

  • Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte
  • Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte

Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd

Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd.

Bij voorliggend project wordt een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bedrijfswoning herbestemd tot 'Wonen'. Door onderhavig voornemen wordt géén nieuwe woning toegevoegd aan de planvoorraad.

3.3.4 Conclusie regionaal beleid

Het project is passend binnen het regionale (woning)bouwbeleid er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend project.

3.4 Gemeentelijk beleid en regelgeving

3.4.1 Visie Vaals Verbind(t)

De gemeente Vaals beschikt over de 'Visie Vaals Verbind(t)'. In deze visie wordt een beeld geschetst van hoe Vaals er in 2030 uit zou moeten zien en functioneert. De transitievisie kent zeven onderdelen:

  • Landelijke rust en schoonheid verbinden met eigentijdse rurbane dynamiek;
  • Jong en oud verbinden door nieuwe woonvormen en dienstverlening;
  • Mensen van overal verbinden via een eigentijds cultureel, toeristisch en educatief aanbod;
  • Vernieuwers en ondernemers uit alle windstreken verbinden door nieuwe vormen van ondernemerschap;
  • Een hele Euregio verbinden via zachte duurzame mobiliteit;
  • Plaatsen en mensen verbinden door tegenstellingen te laten versmelten;
  • Gemeente Vaals verbinden met burgers en regio via een integrale cultuuromslag.

Om de transitievisie te bereiken zijn in de structuurvisie transitiepaden benoemd, te weten:

  • 1. mensen van buiten aantrekken;
  • 2. duurzaam kapitaal aantrekken;
  • 3. levenslang leren & ontwikkelen;
  • 4. ontmoetingsplaatsen creëren;
  • 5. armoede bestrijden;
  • 6. mobiliteit verduurzamen;
  • 7. nieuwe bestuursstijl aanwenden;
  • 8. wonen, leefbaarheid en veiligheid zin impuls;
  • 9. werken en ondernemen vernieuwen;
  • 10. ontspannen en gezond leven stimuleren.

Voorliggend project voorziet in het omvormen van een voormalig agrarisch bedrijf naar een burgerwoning . Daarmee wordt in het buitengebied op een kwalitatieve goede locatie een bedrijfslocatie wegbestemd. Hiermee wordt een aantrekkelijke woonlocatie gecreëerd en wordt de leefbaarheid van het buitengebied versterkt. Daarmee voldoet voorliggend project aan de Visie Vaals Verbind(t).

3.4.2 Conclusie gemeentelijk beleid en regelgeving

Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig project passend is binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Vaals.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving

4.1 Bodemkwaliteit

4.1.1 Algemeen

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

4.1.2 Beoordeling

Voorliggend project voorziet in een planologische functiewijziging naar een gevoeligere functie, namelijk van 'Agrarisch' naar 'Wonen'. In dat kader is ten behoeve van het project een historisch vooronderzoek bodem uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 1.

Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

Het uitgevoerde vooronderzoek richtte zich op het onderzoeksgebied en de directe omgeving tot 25 meter buiten de perceelsgrenzen. Tijdens de terreininspectie zijn geen zichtbare verontreinigingen of afwijkingen aan het aardoppervlak waargenomen. Het perceel is echter historisch in gebruik geweest als agrarisch bedrijf, waarvan de bedrijfsactiviteiten ruim 40 jaar geleden zijn beëindigd. Aangezien er nooit eerder bodemonderzoek heeft plaatsgevonden en de toegepaste funderingsmaterialen onbekend zijn, wordt het perceel als diffuus verdacht aangemerkt. Op basis van deze bevindingen is aanbevolen om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform NEN 5740, aangevuld met NEN 5707, voordat een wijziging van het bestemmingsplan kan plaatsvinden. Bij dit onderzoek dient speciale aandacht uit te gaan naar de voormalige olievatopslag bij de garage en de drupzone rondom de oude varkensstal.

Het verkennend onderzoek heeft op 21 augustus 2025 plaatsgevonden, waarbij sprake is geweest van verrichte boringen, het graven van inspectiegaten, het bemonsteren van de grond en een zintuigelijke beoordeling van de grondmonsters. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2.

De eerdere hypothese "diffuus-verdacht" kan op basis van de onderzoeksresultaten worden bevestigd. Het merendeel van de aangetroffen lichte overschrijdingen vormen vanuit milieu hygienisch oogpunt geen directe belemmeringen voor de beoogde realisatie van een woonbestemming op onderhavig perceel.

Uitzondering op vorenstaande betreft de sterk met zink en PAK aangetroffen bodemlaag ter plaatse van boring 16. Boring 16 is gelegen achter de huidige stal, welke behouden blijft ten behoeve van de opslag van maximaal 10 auto's voor privé doeleinden. Het verkennend onderzoek beveelt nader onderzoek aan voor deze locatie teneinde de omvang van deze sterke verontreiniging in beeld te brengen. Daar de verontreiniging wordt aangetroffen onder een betonverharding, bestaan er echter geen directe risico's. Een nader onderzoek ter hoogte van boring 16 zal dan ook enkel aan de orde zijn wanneer sprake is van verwijdering van de huidige betonelementen.

PM - Verkennend bodemonderzoek is in uitvoering

4.1.3 Conclusie bodemkwaliteit

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit', indien uit het verkennend bodemonderzoek geen verontreiniging is aangetroffen, worden geen belemmeringen voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan verwacht.

4.2 Geluid

4.2.1 Algemeen

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat').

Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).

In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.

4.2.2 Beoordeling

Bij voorliggend project is geen sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Het gebruik van de woning als zodanig blijft gelijk. Sprake is van een planologische wijziging van 'bedrijfswoning' naar 'burgerwoning'. Derhalve is toetsing niet noodzakelijk.

Doordat geen sprake van is bedrijvigheid met een geluidsuitstraling in de nabijheid van het plangebied en geen spoorlijnen aanwezig zijn, is geen sprake van industrie- en/of spoorweglawaai.

4.2.3 Conclusie geluid

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.3 Bedrijvigheid

4.3.1 Algemeen

Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • het tegelijk daarmee aan de locaties voor bedrijfsmatige activiteiten voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. Het gaat dan om richtafstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelig object (bijvoorbeeld een woning) die volgens het omgevingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Voorts zijn de richtafstanden afgestemd op twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De omgeving van onderhavig projectgebied kan getypeerd worden als 'gemengd gebied'.

4.3.2 Beoordeling

Ten opzichte van onderhavig besluitgebied is geen sprake van bestaande bedrijvigheid in de directe omgeving die van invloed kan zijn op het project. Het dichtstbij gelegen bedrijf ligt op het adres Holset 96 op ruim 680 meter van het besluitgebied. Op deze locatie is een bedrijf t/m milieucategorie 2 toegestaan, waarvan een maximale richtafstand 30 meter moet worden aangehouden. Omdat op onderhavige locatie reeds een (bedrijfs)woning ligt en tussen het bedrijf en het plangebied een aantal woningen liggen, vormt voorliggen plan geen belemmeringen voor de mogelijkheden van het bedrijf op de locatie Holset 96.

Als gevolg van voorliggend project worden geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving. De agrarische bedrijfsactiviteiten van het ter plekke liggende agrarische bedrijf zijn gestaakt. De bestaande (bedrijfs)woning wordt herbestemd naar 'Wonen'. De beoogde functiewijziging tot een primaire woonfunctie leidt tot een afname van negatieve milieueffecten ter plekke voor de omliggende woningen.

4.3.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bedrijvigheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.4 Kwaliteit van de buitenlucht

4.4.1 Algemeen

Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

4.4.2 Beoordeling

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect.

In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie.

Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat tot 3.524 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer en als jaar van realisatie 2025.

4.4.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.5 Omgevingsveiligheid

4.5.1 Algemeen

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol.

Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.

De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

4.5.2 Beoordeling

Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Signaleringskaart externe veiligheid geraadpleegd. Daaruit blijkt dat het besluitgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van risicovolle bronnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0010.png"

Uitsnede Signaleringskaart externe veiligheid met aanduiding plangebied

4.5.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.6 Cultureel erfgoed

4.6.1 Algemeen

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
4.6.2 Beoordeling
4.6.2.1 Archeologie

Voor onderhavig plangebied is ten aanzien van het aspect archeologie de 'Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Vaals' geraadpleegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0011.png"

Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Vaals met aanduiding besluitgebied

Op grond van de bovenstaande kaart is voor onderhavig besluitgebied sprake van meerdere archeologische verwachtingswaarden, namelijk 'middelhoog', 'hoog' en 'terrein van hoge archeologische waarde'. Deze archeologische verwachtingswaarden van het gebied heeft geleid tot het opnemen van de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'.

Indien binnen een gebied meerdere archeologische waarden aanwezig zijn, gelden de voorschriften behorend tot de hoogste waarde.

Door de ligging buiten de bebouwde kom is op basis van deze dubbelbestemming het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk, indien werkzaamheden plaatsvinden bij een diepte groter dan 0,3 m en als de oppervlakte meer bedraagt dan 100 m².

In voorliggend planvoornemen wordt de bestaande loods, gelegen achter de bestaande bedrijfswoning, gesloopt. circa 500 m² aan bebouwing gesloopt, daarnaast wordt de bestaande mestplaats verwijderd. Het betreft voor een groot deel lichte constructies die maar tot een beperkte diepte zijn gefundeerd. De beoogde bodemingrepen ten behoeve van de sloop zullen derhalve niet voldoen aan de eisen (groter dan 100 m² én dieper dan 0,3 m). Derhalve wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

4.6.2.2 Cultureel erfgoed

Ter plekke van onderhavig besluitgebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Historisch dorpsgezicht' . Ook is de bebouwing binnen en rond het projectgebied niet opgenomen in de lijsten met monumentale en/of karakteristieke bebouwing van de gemeente Vaals.

De gronden die zijn aangewezen als 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' zijn naast hun andere bestemmingen ook bedoeld om de cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van het dorpsgezicht te behouden en te herstellen, zoals de architectuur van de gebouwen, hun historische samenhang en rangschikking, en de landschappelijke inpassing. Gezien het grote belang van de historische dorpskernen met betrekking tot het invullen van de bestaande kennislacunes aangaande bewoningsgeschiedenis gedurende de Middeleeuwen, is in de gemeente Vaals gekozen voor een vrijstellingsgrens van 100m2. Ingrepen ondieper dan 30cm beneden maaiveld in het buitengebied, zijn altijd vrijgesteld van onderzoek op grond van de aanname dat in deze zone geen ongestoord bodemarchief aanwezig is.

Onderhavig voornemen betreft geen ingreep waarbij de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Derhalve wordt een archeologisch onderzoek als gevolg van de cultuurhistorische waarde van het terrein niet noodzakelijk geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0012.png"

Uitsnede Cultuurhistorische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Vaals met aanduiding besluitgebied

4.6.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.7 Verkeer en parkeren

4.7.1 Algemeen

Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

4.7.2 Beoordeling

Als gevolg van onderhavig voornemen zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie afnemen. Het ter plekke aanwezige agrarisch bedrijf heeft haar bedrijfsactiviteiten reeds lange tijd gestaakt. Echter is ter plekke wel een caravanstalling actief. De buitenruimte in het besluitgebied biedt in ieder geval ruimte voor 25 caravans, welke ook dikwijls zijn bezet. De weide ten oosten van het besluitgebied gelegen heeft eveneens een functieaanduiding als caravanstalling en is eveneens in eigendom van initiatiefnemen. Momenteel is er in totaal dan ook ruimte voor 160 caravans.

Als norm voor het bepalen van de verkeersbewegingen is uitgegaan van een koop, huis, vrijstaand, met maximaal 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. In totaal gaat het dus om ca. 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Daarnaast is "worst-case" rekening gehouden met één bezoeker per dag voor het kantoor gedeelte. Dit is "worst-case" omdat initiatiefnemer eigenlijk altijd naar de klant toegaat. In uitzonderlijke gevallen komt er een klant naar kantoor. Daarnaast is als gevolg van de beoogde stalling voor maximal 10 auto's, regekening gehouden met 4 motorvoertuigbewegingen etmaal meegenomen.

Dit komt neer op circa 8,6 + 1 + 4= 13,6 = 14 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Aangezien door onderhavig voornemen eveneens de functieaanduiding 'caravanstalling' zal komen te vervallen, is sprake van een aanzienlijke afname van het aantal verkeersbewegingen. Er zijn geen aanpassingen in de bestaande verkeersstructuur noodzakelijk.

Parkeren

In de beoogde situatie is sprake van één woning. Voor een (vrijstaande koop)woning wordt een kencijfer van 1,7 tot 2,5 parkeerplaatsen gehanteerd. Voor klanten van de coachingspraktijk aan huis is rekening gehouden met 1 parkeerplaats. Uitgaande van één woning en één klantbezoek zal de parkeerbehoefte ter plaatse 2,7 tot 3,5 parkeerplekken bedragen.

Binnen het besluitgebied is voldoende ruimte om minimaal 4 auto's op eigen terrein te parkeren.

4.7.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.8 Water en watersystemen

4.8.1 Algemeen

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.

Nationaal Water Programma 2022-2027

In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering;
  • Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:

  • Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas;
  • Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek;
  • Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen.

De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.

Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.

Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:

  • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas;
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden;
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht;
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.

4.8.2 Beoordeling

Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet.

Afvalwater

Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Vaals. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

Hemelwater

Door onderhavig planvoornemen zal het oppervlakte (dak)verharding gaan afnemen, omdat een aantal opstallen (totaal ongeveer 500 m²) wordt gesloopt en de verharde mestplaats wordt verwijderd. Binnen het plangebied zal het verharde oppervlak dus gaan afnemen. De wijze van afvoeren van het hemelwater zal worden gehandhaafd.

4.8.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.9 Natuur en landschap

4.9.1 Algemeen

Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:

  • óf er soorten aanwezig zijn;
  • en indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

4.9.2 Beoordeling

Flora en fauna

Ter plekke is primair sprake van een inpandige functiewijzing en verbouwing. Echter, ten behoeve van het project worden een aantal bijgebouwen gesloopt. Omdat sprake is van sloopwerkzaamheden is ten behoeve van onderhavig project een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 3. Op grond van de quickscan zijn de volgende bevindingen gedaan:

Vastgesteld kan worden dat binnen het besluitgebied geen jaarrond beschermde broedvogels aanwezig zijn. Nader soortgericht onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Eventuele broedvogels in de omliggende groenstroken kunnen worden beschermd door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De aanwezige bebouwing is ongeschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen en de locatie maakt geen onderdeel uit van belangrijke foerageer- of vlieggebieden, waardoor negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn er op de locatie geen andere zwaar beschermde soorten aanwezig, waardoor er geen knelpunten zijn met de vigerende natuurwetgeving.

Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied is het op circa 200 meter gelegen 'Geuldal'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0013.png"

Ligging plangebied t.o.v. Natura2000 gebieden

Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4 bij voorliggende motivering.

Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Onderhavig plangebied ligt niet in het Limburgse deel van het Natuurnetwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.TAMRarenderstr51-VG01_0014.png"

Ligging plangebied t.o.v. natuurnetwerk

Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 3.2.2.2 ligt het besluitgebied in het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg' en de 'groenblauwe mantel'.

In de Omgevingsverordening Limburg wordt ten aanzien van deze gebieden voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden een beschrijving bevat van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.

Het Nationaal Landschap is onder te verdelen in een aantal deelgebieden. De deelgebieden zijn opgedeeld door de natuurlijke fysieke grenzen die gevormd worden door de landschapstypen (plateaus, hellingen en dalen). De deelgebieden verschillen onderling, soms subtiel en soms zijn de verschillen groot. Ze verschillen van elkaar in landschapstypen en kernkwaliteiten. Door deze nuanceverschillen kunnen bepaalde leidende beginselen in meer of mindere mate van toepassing zijn voor elk deelgebied. Die toepasbaarheid is ook afhankelijk van de specifieke locatie en de soort ruimtelijke ontwikkeling.

Onderhavig plangebied is gelegen in het deelgebied 'Vijlenerbos'.

Het Vijlenerbos ligt op een smalle, deels vlakke maar vooral sterk glooiende plateaurug met een opvallend microklimaat dat lijkt op dat van de Ardennen. De top is dicht bebost, met relatief veel naaldhout. Aan de bosranden komen veel bronnen en natte brongebieden voor, die uitmonden in de Geul en Selzerbeek en belangrijke natuurwaarden herbergen. Het gebied kent een lange geschiedenis, zichtbaar in grafheuvels en Romeinse sporen. Markante punten zijn de kerktoren van Vijlen en de Vaalserberg bij het Drielandenpunt. Vanaf de rug richting Mechelen bieden Vijlen en Hilleshagen wijdse vergezichten, terwijl de plateautop zelf juist een besloten karakter heeft.

De vier kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap zijn 'Reliëf', 'Open-besloten', 'Cultuurhistorie' en 'Groen karakter'. De vier kernkwaliteiten zijn niet vanzelfsprekend en zijn daarom gebaat bij een zorgvuldige omgang en bescherming. Ze vormen het kapitaal van de omgeving. Om een raamwerk voor deze bescherming te bieden zijn er een aantal zogenaamde leidende beginselen gesteld. De leidende beginselen zijn algemene principes met als doel de vier kernkwaliteiten van het NLZL te behouden dan wel te versterken. Door het algemene karakter gelden de leidend beginselen voor meerdere landschapstypen.

Reliëf

Het reliëf vormt de basis van het Zuid-Limburgse landschap, bestaande uit drie typen: het hooggelegen plateau, de tussenliggende helling en het lage dal. Plateaus zijn vlak tot glooiend en variëren in grootte door erosie. Hellingen verbinden plateaus met dalen en kunnen steil of flauw zijn. Dalen vormen het afwateringssysteem, waarbij sommige permanent water voeren en andere slechts tijdelijk.

Specifiek voor onderhavig plangebied wordt met de ontwerpprincipes vooral het behoud van openheid en de leesbaarheid van het reliëf benadrukt. Open ruimtes in linten, dalhoofden en overgangen tussen open hellingen en hellingbossen moeten zichtbaar blijven, zodat de relatie tussen bebouwing en landschap sterk blijft. Hellingen kunnen strategisch worden vergroend met lage landschapselementen om zowel erosie te beperken als de verticale beleving van het landschap te versterken. Steile hellingen horen dicht bebost te zijn, waarbij verdichting of uitbreiding van hellingbossen de natuurlijke overgang tussen plateau en dal verduidelijkt.Nieuwe bebouwing wordt bij voorkeur geplaatst langs bestaande hellingwegen of tegen de rand van het hellingbos, zodat het reliëf wordt gerespecteerd en nieuwe ontsluitingen worden voorkomen. Het hellingbos kan bovendien worden gebruikt om nieuwe gebouwen landschappelijk in te passen.Karakteristieke landschapselementen zoals graften en mergelwanden verdienen herstel en zichtbaarheid. Graften helpen erosie tegengaan en versterken de landschappelijke structuur, terwijl vrijgehouden mergelwanden de geologische opbouw van het gebied laten zien en bijdragen aan een herkenbaar, grillig landschap.

Open-besloten

Het contrast tussen open en besloten landschap in Zuid-Limburg wordt bepaald door het reliëf. De open, weidse plateaus contrasteren met de intieme, begrensde dalen en steile hellingen. Opgaande elementen zoals bomen en heggen beïnvloeden de zichtlijnen. Plateaus zijn grotendeels open, terwijl hellingbossen en graften voor beslotenheid zorgen. In de smalle dalen wordt het zicht bepaald door de dalranden.

De ontwerpprincipes behorend tot de kernkwaliteit 'Open-besloten' onderhavig plangebied draaien om het bewaren van een duidelijke en evenwichtige afwisseling tussen open ruimtes en groene of bebouwde omsluitingen. Open plekken in linten en oude kernen moeten herkenbaar blijven, waardoor het landschap zichtbaar blijft en verdichting wordt voorkomen. Nieuwe bebouwing sluit bij voorkeur aan op bestaande structuren of wordt inpandig toegevoegd, zodat de ruimtelijke openheid niet verder wordt aangetast.Tegelijk blijft de beslotenheid van het landschap herkenbaar door het gebruik van gebiedseigen beplanting, het herstel van graften en het zorgvuldig omgaan met bosranden. Open zones, zoals dalhoofden of hellingovergangen, worden vrij gehouden van nieuwe bebossing, terwijl strategische vergroening met lage elementen zorgt voor zachte overgangen. Door bebouwing slim te positioneren – bijvoorbeeld tegen de bosrand – kan deze vanzelf worden opgenomen in het groene kader. Zo blijft het kenmerkende spel tussen open en omsloten landschap behouden.

Cultuurhistorie 

Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg kent een lange bewoningsgeschiedenis, zichtbaar in relicten die samenhangen met het reliëf. Het plateau, met vruchtbare lössgrond, werd tussen de 10e en 13e eeuw definitief ontgonnen. Flauwe hellingen werden geschikt gemaakt voor landbouw, terwijl steile hellingen grotendeels ongerept bleven. Het dal, met vroege nederzettingen langs waterlopen, vormt de kern van de bewoningsgeschiedenis en bevat de oudste cultuurlandschapselementen.

De ontwerpprincipes voor de kernkwaliteit 'Cultuurhistorie' richten zich op het behouden en versterken van de historische structuur van dorpen en landschap. Linten en kernen behouden hun open ruimten, terwijl nieuwe bebouwing aansluit bij bestaande ensembles of inpandig wordt toegevoegd. Entrées worden herkenbaar gemaakt met huisweides, boomgroepen of holle wegen, en straten krijgen een uniform profiel om de historische continuïteit te benadrukken. Parkeren en nieuwe functies worden ingepast zonder het traditionele karakter aan te tasten. In het landschap blijft het historische patroon van open en groene structuren zichtbaar door herstel van graften, holle wegen en mergelwanden, strategische vergroening en het gebruik van gebiedseigen beplanting. Archeologische locaties kunnen subtiel worden gemarkeerd met taluds, beplanting of kunstwerken. Zo blijft de cultuurhistorische identiteit van Zuid-Limburg herkenbaar en beleefbaar.

Groen karakter

Het groene karakter van Nationaal Landschap Zuid-Limburg wordt gevormd door een samenspel van natuurlijke flora en menselijke invloed. Oorspronkelijk bosrijk, is het landschap door ontginning veranderd, met open landbouwgebieden op de plateaus en bossen op steile hellingen. Heggen, graften en beekbeplanting dragen bij aan de biodiversiteit en het visuele landschap. De vochtigheid en oriëntatie van dalen beïnvloeden de vegetatie, met dichte beplanting langs waterlopen en open weidegebieden ertussen.

De ontwerpprincipes voor de kernkwaliteit 'Groen karakter' richten zich op het behouden en versterken van de groene identiteit van zowel het landschap als de bebouwde omgeving. Open ruimten in linten en oude kernen blijven zichtbaar, terwijl nieuwe bebouwing zoveel mogelijk aansluit bij bestaande ensembles of inpandig wordt toegevoegd. Entrées van dorpen en kernen worden versterkt met huisweides, boomgroepen, holle wegen of bomenrijen, waardoor het landschap en de bebouwing een samenhangend geheel vormen.In het omliggende landschap ligt de nadruk op het behoud van open dalhoofden, strategische vergroening van hellingen, verdichting van hellingbossen en het vrijhouden van mergelwanden en hellinggrenzen. Het herstel van graften en het gebruik van gebiedseigen beplanting versterken zowel de groene beleving als de ecologische waarde van het gebied. Zo blijft de karakteristieke wisselwerking tussen open en besloten, bebouwd en groen, goed zichtbaar en beleefbaar.

Beoordeling

Onderhavig voornemen zal een deel van de bestaande bebouwing verwijderen en de bestaande open ruimtes blijven behouden. Hierdoor blijft de relatie tussen bebouwing en landschap zichtbaar en wordt verdichting voorkomen. De aanplant van laagstam fruitbomen en het behoud van bestaande bebouwing versterken het groene karakter en sluiten aan bij historische structuren, zoals huisweides en linten.

De inpandige toevoeging van functies en het beperkte gebruik van de stalling zorgen ervoor dat het open–besloten karakter behouden blijft en het landschap geen nieuwe ontsluitingen of visuele impact ondervindt. Door het respecteren van hellingranden, het gebruik van gebiedseigen beplanting en het vergroten van het waterbergend vermogen van de tuin wordt zowel de ecologische waarde als het reliëf van het gebied versterkt. Zo worden de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg, 'Relief', 'Open–besloten', 'Cultuurhistorie' en 'Groen karakter' op een samenhangende manier geborgd.

4.9.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.10 Kabels, leidingen en vrijwaringszones

4.10.1 Algemeen

Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen van de aanwezigheid van kabels, leidingen en vrijwaringszones inzichtelijk te worden gemaakt.

4.10.2 Beoordeling

Door het besluitgebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.

4.10.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels, leidingen en vrijwaringszones' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

4.11 Duurzaamheid en klimaat

4.11.1 Algemeen

Duurzaamheid

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen;

  • Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen;
  • Natuurinclusief bouwen.

Klimaat

Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.

In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. 

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.

4.11.2 Beoordeling

Bij voorliggend voornemen wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 5.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

4.11.3 Conclusie

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het bij voorliggend voornemen rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Eén omgevingsplan

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente van rechtswege over één (tijdelijk) omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings-, uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd. Deze is opgenomen in hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan.

Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe separate ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd om een functiewijziging mogelijk te maken. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.

5.2 Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)

De publicatie van een wijziging van het Omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD omgevingsplan).

Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het Omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het Omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk aangeduid als TAM-IMRO.

Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Vaals is opgesteld op basis van TAM-IMRO.

5.3 Opzet planwijziging

Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter van dit plan is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een Omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie van het plan. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel.

In juridisch opzicht worden de in dit TAM-Omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel Omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die reeds is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan.

Dit TAM-Omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:

  • met dit TAM-Omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22e.
  • Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Rarenderstraat 51 te Vaals.
  • De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22e van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 5.4 nader toegelicht.
  • Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q. het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen.
  • Een TAM-Omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties.
  • De zogenoemde ‘pons’ die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn ‘overschreven’ door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan.

5.4 Artikel gewijze toelichting

5.4.1 Uitwerking in de regels

Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Vaals van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Vaals van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Vaals. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013 leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'.

Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-Omgevingsplan voorkomen.

De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken met, namelijk 'Inleidende regels' (hoofdstuk 1) met daaraan voorafgaand een preambule, 'Functies en regels voor activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.

Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

Inleidende regels (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 Inleidende regels van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, meet- en rekenbepalingen en de aanvraagvereisten.

Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
In Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 5.4.2 nader toegelicht.

Algemene regels (hoofdstuk 3)
Hoofdstuk 3 Algemene regels van het TAM-Omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemeen aanduidingsregels en overige regels.

5.4.2 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten van het TAM-Omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen welke binnen het plangebied zijn toegestaan

Wonen
Bij voorliggend TAM-Omgevingsplan is de functie 'Wonen' vastgelegd. In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn een aantal gebruiksactiviteiten toegestaan, waaronder het wonen. Daarnaast is ter plekke van onderhavige locatie de aanduiding 'stalling auto's - maximaal 10' van toepassing waar het stallen van maximaal 10 auto's, ondergeschikt aan het wonen, onder voorwaarden is toegestaan.

Archeologie

Bovendien is op de locatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 5 en 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' vastgelegd. Het voor 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gebieden zijn, naast de andere daar voorkomende functie(s) mede bedoeld voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden van zeer hoge waarde en terreinen met hoge waarde, historische dorpskernen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie en omgevingsdialoog

6.1.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.

Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.

Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan:

Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.

Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.

Het participatieproces bij het aanvragen van een omgevingsvergunningen (BOPA) kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

6.1.2 Omgevingsdialoog

In het kader van voorliggend project is een omgevingsdialoog gehouden. Het verslag hiervan is bijgevoegd als Bijlage 7.

6.1.3 Zienswijze

Het ontwerp-TAM-Omgevingsplan en bijhorende stukken heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen, dit kon schriftelijk of mondeling.

Er zijn geen zienswijze binnengekomen op het ontwerp-TAM-Omgevingsplan.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

6.2.2 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Anterieure overeenkomst

Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot de verlening van de BOPA en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.

Publiekrechtelijk kostenverhaal

Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:

  • Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow)
  • Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)

Bij voorliggend project is geen sprake van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid, waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst niet aan de orde is.

6.2.3 Financiële bijdragen

Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.

In het kader van voorliggend project zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.

6.2.4 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • een omgevingsvergunning,
  • een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.

De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Bij voorliggend project is tussen de initiatiefnemer en de gemeente een overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat eventueel voor vergoeding in aanmerking komende schade voor rekening en risico komt van de initiatiefnemer.