| Plan: | Neeldervelt |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0957.BP00000309-VG01 |
Op 31 maart 2016 heeft de gemeenteraad van Roermond het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' vastgesteld. Binnen dit gebied aan de noordoostzijde van Roermond, is de ontwikkeling van een woongebied voorzien. In het bestemmingsplan is het gebied opgedeeld in deelgebieden, waarbinnen bepaalde aantallen en typen woningen zijn toegestaan. Als gevolg van de gewijzigde marktvraag bestaat de wens om voor één van de deelgebieden, het gebied aangeduid als 'specifieke vorm van woongebied - 1, tot verdichting te komen. Op basis van het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' zijn ter plaatse 77 woningen toegestaan en het is de bedoeling om middels verdichting 28 extra woningen mogelijk te maken, waarmee voor dit deelgebied in totaal 105 woningen worden toegestaan. Daarnaast is het de bedoeling om de ter plaatse toegestane woningtypen te verruimen.
Het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' biedt geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden, waarmee de gewenste aanpassingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Hiermee wordt voorzien in een juridisch-planologisch kader dat beter aansluit bij de huidige marktvraag.
Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van Roermond en wordt globaal omsloten door de N280 aan de Noordzijde, de Sint Wirosingel aan de oostzijde, de Niellerveld aan de westzijde en een bedrijvencluster met tussenliggende geluidwal aan de zuidoostzijde. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
|
| Afbeelding 1. Topografische kaart met ligging plangebied (rode pijl). |
Op afbeelding 2 is de plangrens weergegeven op de kadastrale ondergrond en de basiskaart grootschalige topografie (BGT).
|
| Afbeelding 2. Plangrens geprojecteerd op kadastrale ondergrond en BGT, met weergave enkelbestemmingen 'Woongebied' (lichtgeel weergegeven) en 'Groen' (groen weergegeven). |
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' dat op 31 maart 2016 door de gemeenteraad van Roermond is vastgesteld. Het plangebied van het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' is opgedeeld in deelgebieden.
Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan betreft het deelgebied dat is aangeduid als 'specifieke vorm van woongebied - 1', met inbegrip van de direct ten zuidoosten ervan gelegen groenstrook waarbinnen een geluidwal en geluidscherm zijn gerealiseerd. Binnen het als 'specifieke vorm van woongebied - 1' aangeduide gebied, zoals weergegeven op afbeelding 3, zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' 77 vrijstaande woningen toegestaan.
|
| Afbeelding 3. Plangebied bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost', met uitgelicht het als 'specifieke vorm van woongebied - 1' aangeduide gebied. |
Dit bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding en gaat vergezeld van deze toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding opgenomen bestemmingen zijn opgenomen. In deze toelichting zijn de gemaakte keuzes nader gemotiveerd en verantwoord. Tevens is het van toepassing zijnde beleid beschreven en is aangegeven hoe bij de ontwikkeling met (milieu)-planologische aspecten rekening is gehouden.
De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een gebieds- en planbeschrijving. Hoofdstuk 3 beschrijft het relevante nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygiënische en planologische aspecten met betrekking tot de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 bevat tot slot een uiteenzetting over de uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt aan de noordwestzijde van Roermond en wordt globaal omsloten door De Tegelarije aan de Noordzijde, de Sint Wirosingel aan de oostzijde, de Niellerveld aan de westzijde en een bedrijvencluster en volkstuinencomplex aan de Elmpterweg aan de zuidoostzijde. In de huidige situatie is sprake van reeds bouwrijp gemaakte gronden ten behoeve van woningbouw.
Binnen de groenstrook aan de zuidoostzijde is een geluidwal aangelegd met daar bovenop een geluidscherm. Door middel van deze geluidwerende voorzieningen is woningbouw binnen het plangebied vanuit akoestisch oogpunt in relatie tot de bedrijven aan de Elmpterweg inpasbaar gemaakt.
Op de navolgende afbeelding is de plangrens geprojecteerd op een luchtfoto.
|
| Afbeelding 4. Plangrens geprojecteerd op een luchtfoto. |
Binnen het voor woondoeleinden bestemde deel van het plangebied bestaat het voornemen om de mogelijkheden te verruimen en op deze wijze beter aan te sluiten op de huidige marktvraag. Binnen het plangebied zijn op basis van het bestemmingsplan Tegelarijeveld Oost in totaal 77 vrijstaande woningen toegestaan. Inmiddels is gebleken dat er behoefte is aan meer variatie in woningtypen.
Het beter aansluiten op de huidige marktvraag wordt enerzijds bereikt door te verdichten en in plaats van maximaal 77 woningen in totaal 105 woningen binnen het plangebied toe te staan. Anderzijds worden zowel vrijstaande, twee-aaneengebouwde als aaneengebouwde woningen toegestaan in plaats van uitsluitend vrijstaande woningen, zoals op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' het geval is. Op de onderstaande verkavelingsschets is de beoogde situatie weergegeven. Binnen dit deelgebied zijn 51 vrijstaande woningen, 38 twee-onder-één-kapwoningen c.q. vrijstaande geschakelde woningen en 16 tussen/hoekwoningen voorzien.
|
| Afbeelding 5. Verkavelingsplan Neeldervelt. |
Op 12 maart 2012 is de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden.
Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:
Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en een klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten.
De bovenstaande nationale ruimtelijke belangen zijn bij de voorgenomen ontwikkeling niet in het geding. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene uitgangspunten zoals efficiënt gebruik van de ondergrond, het op orde houden en brengen van watersystemen en de bescherming van leefgebieden van beschermde soorten. Verder geldt uiteraard dat sprake dient te zijn van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Aan deze uitgangspunten wordt voldaan.
In de SVIR is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd, met als doel een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Daarnaast ondersteunt het gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
In het voorliggende geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte (zie voor nadere uitleg paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4) binnen bestaand stedelijk gebied, geheel in lijn met de beleidsuitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. De ontwikkeling voldoet kortom aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen onder meer bestemmingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones volgend uit het Barro dan wel de ministeriële uitwerking hiervan in de 'Regeling algemene regels ruimtelijke ordening' (Rarro). Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het gestelde in het Barro en de Rarro.
Algemeen
Provinciale Staten van de provincie Limburg hebben op 12 december 2014 het 'Provinciaal Omgevingsplan 2014' (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
Het POL 2014 gaat uit van twee Limburgse principes: 'kwaliteit centraal' en 'uitnodigen centraal'.
De uitgangspunten van 'kwaliteit centraal' zijn: 'meer stad, meer land', 'van scheiden naar verweven van functies', 'inspiratie door kwaliteitsbewustzijn', 'een grens die verbindt' en 'zorgvuldig omgaan met onze voorraden'.
De uitgangspunten van 'uitnodigen centraal' zijn: 'uitnodigen en inspireren', 'een selectieve provincie', 'dynamisch voorraadbeheer', stimuleren van voorlopers', kwaliteitsbewust ontwikkelen', instrumenten op maat' en 'ruimte om te experimenteren'.
Gebiedstypen
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied is gelegen in de zone 'buitengebied', waarbinnen woningbouw over het algemeen niet beoogd wordt. Voor het plangebied is echter reeds middels het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' vastgelegd dat ter plaatse een uitbreiding van de kern Roermond kan plaatsvinden. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan slechts een verdichting van de reeds toegestane woonbebouwing mogelijk maakt, waarmee beter wordt aangesloten bij de huidige marktvraag, bestaan er vanuit de ligging binnen de zone 'buitengebied' geen belemmeringen. Bij de eerstvolgende herziening van het POL2014 zal het plangebied normaal gezien onderdeel uitmaken van het als 'overig bebouwd gebied' aangeduide gebied, waarbinnen woningbouw bij uitstek gesitueerd dient te worden.
Visie Midden Limburg
De in het POL2014 omschreven centrale ambitie voor Midden-Limburg is het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven en sluit aan bij die voor Limburg als geheel. Het woon- en leefklimaat in Midden-Limburg is van hoog niveau, mensen voelen zich er prettig. De woningmarkt biedt voldoende woningen, van de juiste kwaliteit op de juiste plek. De steden en dorpen hebben zich verder ontwikkeld tot vitale gemeenschappen met een sterke sociale structuur en voldoende beschikbare voorzieningen (sociaal, cultureel, onderwijs), waarbij stad en platteland hand in hand gaan.
Het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven vormt een belangrijke uitdaging in Midden-Limburg. De focus in POL2014 is gericht op de fysiek-ruimtelijke opgaven en keuzen. Uiteraard moet hierbij het menselijk kapitaal als belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat niet vergeten worden. Voor Midden-Limburg (en dit geldt voor geheel Limburg) is er zowel een kwalitatieve als kwantitatieve opgave.
Midden-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er is er sprake van een gedifferentieerd woongebied waarin de komende 10-15 jaar een demografische transitie zal plaatsvinden. De woningmarkt heeft als opgave mee te bewegen in deze transitie. De regio heeft middels een regionale structuurvisie (zie paragraaf 3.3) gezamenlijk invulling gegeven aan het dynamisch voorraadbeheer. Dat omvat het werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad door kwaliteitsverbetering, herstructurering en waar nodig sloop en nieuwbouw, maar ook het terugdringen van nog niet gerealiseerde plannen die niet bijdragen aan de beoogde vernieuwing.
Conclusie
Binnen het plangebied wordt bijgedragen aan de bovengenoemde doelstellingen. Middels de verdichting wordt beter aangesloten bij de huidige marktvraag, onder meer door een toevoeging van levensloopbestendige woningen. Hiermee is het plan in lijn met de uitgangspunten zoals opgenomen in het POL2014.
Algemeen
Op 12 december 2014 is de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding geven.
Beschermingsgebieden
Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III ligt. Ter plaatse zijn alle boringen (en het roeren van grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden. Voor boringen dieper dan 80 meter geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Dergelijke boringen zijn vooralsnog niet voorzien.
Verder ligt het plangebied niet binnen een stiltegebied, waterwingebied, grondwaterbeschermingszone of overige boringsvrije zone. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen.
Duurzame verstedelijking
In paragraaf 2.2 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten behoeve van duurzame verstedelijking. Onderdeel hiervan vormt onder meer de Ladder voor duurzame verstedelijking. De onderbouwing van het project in relatie tot deze ladder is reeds opgenomen in paragraaf 3.1.2. Het plan voldoet aan het gestelde in de omgevingsverordening ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Bestuursafspraken ten aanzien van wonen
In paragraaf 2.4 van de omgevingsverordening zijn bestuursafspraken opgenomen met betrekking tot de regionale uitwerking van het POL2014. In artikel 2.4.2 'Wonen' lid 3 is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde regionale structuurvisie ten aanzien van wonen voor de regio Midden-Limburg.
In dit geval past de ontwikkeling binnen het regionale woonbeleid, zoals omschreven in paragraaf 3.3.1.
Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Algemeen
In de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021' van de samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) zijn op basis van een woningmarktonderzoek en met ondersteuning van de Provincie Limburg, concrete afspraken gemaakt ten aanzien van het woningbouwbeleid voor de periode 2018 tot en met 2021. De structuurvisie geeft een doorkijk op de verwachte behoefte tot 2030.
De regio heeft haar ambities om te bouwen naar behoefte geactualiseerd om ervoor te blijven zorgen dat de juiste kwaliteit woningen op de juiste plekken kunnen worden gebouwd. Deze actualisatie is, net zoals haar voorganger (de gezamenlijke structuurvisie uit 2014), een uitwerking van het POL2014 en bevat tevens een regionale reactie op het Provinciale rapport “Beweging op de woningmarkt”.
De structuurvisie is uitvoeringsgericht en in de praktijk toepasbaar, inclusief toetsingskaders. Voorop blijft staan dat voorzienbaarheid gecreëerd wordt m.b.t. de benodigde reductie van de planvoorraad. Daarnaast ligt de focus op de realisatie van de (ver)bouwopgave en de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. De structuurvisie bevat een gereedschapskist, het in te zetten instrumentarium om deze opgaven te bereiken.
De structuurvisie biedt verder de mogelijkheid om planvoorraad in een segment toe te voegen waar ruimte bestaat (d.w.z. meer behoefte dan plannen), zelfs in het geval de gemeente overall meer plannen heeft dan behoefte.
Opgave Roermond
De gemeente Roermond heeft binnen Limburg een relatief grote woningbehoefte, welke direct wordt bepaald door de groei van het aantal huishoudens. In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021 wordt voor de afspraken uitgegaan van de woningbehoefteberekening uit 2013, welke per 1 januari 2018 een resterende woningbehoefte van 2.841 geeft. Het voorliggende plan maakt een verdichting van 28 woningen (nultredenwoningen) binnen het plangebied mogelijk. Voor het gehele gebied Tegelarije Oost komt het totaal daarmee op 207 woningen, waarvan 58 woningen in het segment grondgebonden nultreden wordt gerealiseerd.
Op basis van het woningmarktonderzoek is er voor het stedelijk gebied een ruimte van ca. 400 nultredenwoningen in de koop, bij een capaciteit van 160. In 2019 is er nog voor circa 50 grondgeboden nultredenwoningen in de koop principemedewerking toegezegd. Daarmee is er nog ruimte voor een kleine 200 woningen in dit segment. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de structuurvisie de mogelijkheid biedt om planvoorraad in een segment toe te voegen waar ruimte bestaat (d.w.z. meer behoefte dan plannen), zelfs in het geval de gemeente overall meer plannen heeft dan behoefte.
Op basis van het bovenstaande past de toevoeging van maximaal 28 woningen binnen de afspraken zoals deze zijn gemaakt in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021.
Op 22 december 2016 is de Toekomstvisie Roermond 2030 door de gemeenteraad vastgesteld. De toekomstvisie is in een interactief proces met burgers en bedrijven in Roermond tot stand gekomen. In de Toekomstvisie Roermond 2030 staan drie rode draden centraal. In 2030 moet Roermond een stad zijn van ontmoeten (1), verbinden (2) en samenwerken (3). Deze rode draden lopen dwars door de verschillende thema’s heen die in de toekomstvisie worden benoemd. De rode draden zijn op basis van een constatering van (maatschappelijke) trends tot stand gekomen.
In de eerste plaats worden de verschillen in de samenleving groter. Dat gaat allereerst over sociaal-economische verschillen. Internationaal gezien is de ongelijkheid in inkomen relatief klein in Nederland. Maar bepaalde mensen hebben over de afgelopen tien jaar een minder gunstige inkomensontwikkeling gehad dan anderen. Het aantal kwetsbare mensen in de samenleving is de afgelopen jaren toegenomen. Daarnaast ontstaan ook sociaal-culturele verschillen, omdat mensen van verschillend opleidingsniveau, verschillende afkomst of leeftijd groepen vormen. Door de inwoners van Roermond is aandacht gevraagd voor het verbinden van deze groepen.
Een tweede trend is het toegenomen organiserend vermogen van de samenleving, wellicht ingegeven door het vormen van groepen gelijkgestemden. Maatschappelijke initiatieven worden belangrijker in een samenleving waar steeds meer nadruk komt te liggen op zelfredzaamheid en zelforganisatie. Het is een uitdaging om nieuwe mensen te betrekken bij initiatieven en te enthousiasmeren om een actieve rol op te pakken. Ontmoeting en verbinding zijn zodoende cruciale ingrediënten van maatschappelijke initiatieven.
Daarnaast is een goede samenwerking tussen maatschappelijke initiatieven en professionele partijen in de stad, waaronder de gemeente, onontbeerlijk.
In de economie groeit het belang van beleving en innovatie. Steeds sterker komt de nadruk te liggen op beleving van een product of dienst, dan het product of de dienst zelf. Om de concurrentie voor te blijven zetten producenten en winkels in op beleving en datzelfde geldt voor winkelgebieden. Een centrale rol in beleving is weggelegd voor ontmoeting. Een beleving krijgt pas echt waarde als je deze kan delen.
Tot slot is de samenleving door de toegenomen beschikbaarheid van informatie en social media getransformeerd in een netwerksamenleving. Dat vraagt een andere rol van de gemeente. Het is niet langer zo dat een gemeente van bovenaf, met enkele grote andere partijen, de ontwikkeling van de stad kan bepalen. De toekomst van Roermond wordt gemaakt door een veelheid aan partijen en in de eerste plaats door de inwoners van Roermond zelf. Samenwerken is daarin cruciaal.
Inwoners en partners in de stad kozen vijf thema's die zij voor de nabije toekomst het belangrijkst vinden en die in hun ogen centraal zouden moeten staan in de toekomstvisie:
Roermond is een compacte stad met een rijke variatie aan stadslandschappen en woonbuurten. De stad is meerkernig met herkenbare gemeenschappen. Er is een rijkdom aan natuur in de directe omgeving en de Maasplassen bieden een uitgestrekt waterlandschap aan de westkant van de stad. Roermond is een veelzijdige stad. Roermond is in 2030 een stad waar aandacht is voor kwaliteit van leven van haar inwoners.
Voorliggend bestemmingsplan sluit aan bij hetgeen wordt nagestreefd in de Toekomstvisie van Roermond. De bouw van maximaal 105 woningen binnen het plangebied en het verruimen van de mogelijkheden om beter aan te sluiten op de huidige martkvraag, draagt bij aan de compacte stad en een rijke variatie aan woonbuurten.
Op 30 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Roermond de 'Duurzaamheidsvisie Roermond' vastgesteld. Voor Roermond is duurzaamheid een van de pijlers uit het coalitieakkoord 2018 - 2022. De gemeente onderschrijft daarbij ook de mondiale doelen. Elke bestuurslaag in ieder land ter wereld, dient mee te werken om deze doelstellingen te realiseren in de periode 2016 – 2030.
De gestelde doelen zijn talrijk, ambitieus en breed. Het is onmogelijk om aan alle doelen tegelijkertijd te werken. Om die reden zijn voor de komende 15 jaar een aantal doelen voor Nederland in het bijzonder benoemd. Ook de gemeente Roermond en haar inwoners willen hun bijdrage leveren aan de realisatie van deze doelen. Nationaal wordt ingezet op:
Op Roermondse schaal kan via realisatie van de in deze visie opgenomen doelstellingen, maar ook via sociaal beleid en uitvoering daarvan (armoedebeleid, gezondheidsbeleid, participatiebeleid etc.) een bijdrage worden geleverd. Bijvoorbeeld via de realisatie van de klimaatdoelstellingen en de doelstellingen vanuit participatie en sociale duurzaamheid. Dat geldt overigens ook voor een aantal andere doelen zoals het streven naar toegang tot duurzame energie voor iedereen, het veerkrachting en duurzaam maken van steden, het duurzaam consumeren en produceren en het beschermen van ecosystemen, bossen en biodiversiteit.
Verder is het creëren van een aantrekkelijke leefomgeving en een goed woonklimaat, waarbij de beschikbare ruimte in Roermond efficiënt en duurzaam wordt gebruikt een belangrijke doelstelling. De kwaliteit van de ruimte wordt verhoogd, wat wil zeggen dat Roermond inzet op een toegankelijke en bruikbare buitenruimte voor een breed spectrum aan doelgroepen.
Een andere doelstelling betreft het streven naar energieneutrale bouwplannen en Nul op de Meter (NoM) bebouwing, waarbij materiaalgebruik en groen in relatie tot elkaar worden toegepast. Verder wordt gestreefd naar een gasloze woningvoorraad. Gestreefd wordt naar een verduurzaamde Roermondse woningvoorraad in 2040, wat onder meer inhoudt dat de woningvoorraad minimaal energielabel C (of) B heeft.
Concreet gaat de gemeente duurzaamheidspricipes hanteren bij het inrichten van de stad. Zo gaat inbreiding boven uitbreiding en dient er voldoende ruimte te blijven voor groen, natuur en water. Woningeigenaren worden geadviseerd, gestimuleerd en ontzorgd bij verduurzaming van woningen en in samenwerking met bewoners en bedrijven wordt gestreefd naar het creëren van een bruikbare en groene buitenruimte.
Voorliggend bestemmingsplan geeft invulling aan de duurzaamheidsvisie van de stad Roermond. Zo wordt invulling gegeven aan het principe inbreiding gaat voor uitbreiding en is sprake van gasloze woningen.
De Nota parkeernormen 2014 is op 4 november 2014 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Doel van deze nota is om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties in de stad te realiseren. Het parkeerbeleid van de gemeente Roermond vormt zowel een volgend als een sturend beleid. Met een sturend beleid wil de gemeente het selectief gebruik van de auto bevorderen. Dit wordt toegepast op de functies werken, winkelen en recreëren.
Middels de parkeernota is een actuele parkeernormensystematiek vastgesteld waarin de eisen ten aanzien van parkeren bij in-, uitbreidingen en functieveranderingen duidelijk zijn vastgelegd. De huidige parkeernormen worden getoetst aan de nieuwste parkeerkencijfers. Uitgangspunt is om binnen de bandbreedtes van de nieuwste parkeerkencijfers van CROW te zoeken naar de best passende parkeernorm voor Roermond. Mogelijkheden om bij nieuwe functies bezoekers op te nemen in de bestaande parkeervoorzieningen moeten worden onderzocht.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren functies of uitbreidingen; bij bestaand gebruik blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld.
De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. In Roermond worden drie zones onderscheiden:
Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'Rest van de bebouwde kom en buitengebied'. Volgens de Nota parkeernormen geldt voor vrijstaande woningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning, voor 2 onder 1 kap woningen een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning en voor tussen/hoekwoningen een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op de wijze waarop binnen het plangebied invulling wordt gegeven aan de parkeerbehoefte.
De parkeernormen uit de parkeernota zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. Hiermee zijn de uitgangspunten van de Nota parkeernormen 2014 in voldoende mate verzekerd.
Op 13 juli 2017 heeft de gemeenteraad van Roermond het 'Gemeentelijk rioleringsplan Roermond 2017 - 2021' vastgesteld. In het rioleringsplan wordt gesteld dat het afvalwater van alle nieuwbouw in de kernen wordt aangesloten op de riolering. In nieuwbouwgebieden wordt stedelijk afvalwater en hemelwater gescheiden.
Voor nieuwbouwlocaties wordt de riolering ontworpen volgens de laatste stand der techniek, in overleg met het waterschap en/of Rijkswaterstaat. Nieuwe plannen worden op wateraspecten getoetst door de watertoets. De trits “vasthouden-bergen-afvoeren”is hierbij leidend. Dat betekent ook dat in nieuwe plannen voldoende ruimte moet worden gereserveerd voor het vasthouden en bergen van water, de zogenaamde “blauwe ruimte”. Om dit te waarborgen, moet vanaf het beginstadium van planontwikkelingen de gemeente worden betrokken (voor de bestemmingsfase).
Aan het voorgaande wordt invulling gegeven bij de ontwikkeling van het plangebied. Het plan sluit dus aan op en geeft invulling aan het gemeentelijk rioleringsplan. Voor meer informatie over de wijze waarop wordt omgegaan met afvalwater en hemelwater, wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
In de afgelopen jaren zijn binnen het plangebied Tegelarijeveld Oost diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn samengevat in een briefrapportage die als Bijlage 1 bij deze toelichting te raadplegen is. In de briefrapportage wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied na uitvoering van alle werkzaamheden geen verontreinigingen en/of asbestresten meer zijn aangetroffen. Met de diverse uitgevoerde bodemonderzoeken, onderzoeken asbest en sanering, zijn de gronden in voldoende mate onderzocht en/of gesaneerd. Hiermee wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt geacht voor de beoogde woonfunctie.
Indien bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de
toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om
onderzoek te doen naar PFAS.
Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige briefrapportage die als Bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen.
In het kader van het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' is reeds een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Omdat de verkaveling voor het plangebied van dit bestemmingsplan is gewijzigd, is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting te raadplegen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit het onderzoek.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat in het kader van de Wet geluidhinder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal worden overschreden vanwege wegverkeerslawaai van de N280 en de N271. De maximale ontheffingswaarde wordt nergens overschreden.
Bij de gemeente Roermond dient een verzoek tot vaststelling van een hogere waarde te worden ingediend. Afhankelijk van de hoogte van de optredende gevelbelasting dient er rekening mee te worden gehouden dat in het kader van het Bouwbesluit plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de geluidwering van de gevel. In een aanvullend onderzoek dienen de te treffen geluidwerende gevelmaatregelen te worden bepaald. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen.
Conclusie
Met inachtneming van bovengenoemde aandachtspunten, gelden er voor het bestemmingsplan van wegverkeerslawaai geen belemmeringen.
Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
Het Besluit NIBM
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 105 woningen, waarbij sprake is van een toevoeging van maximaal 28 woningen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'.
Achtergrondwaarden
In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. De luchtkwaliteit wordt in Nederland gemonitord door middel van het NSL. Volgens de monitoringstool uit het NSL bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse minder dan 35 µg/m³, de concentratie PM2,5 µg/m³ minder dan 20 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 35 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. De luchtkwaliteit ter plaatse is in de huidige situatie daarom voldoende voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen.
Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009.
Woningen vormen geen functies die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat in de toekomstige woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.
In het kader van het bestemmingsplan Tegelarijeveld Oost is reeds een invenstarisatie gemaakt van in de omgeving aanwezige bedrijvigheid. Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied deels binnen de geluidruime van aan de Elmpterweg gelegen bedrijven valt. Om enerzijds te voorkomen dat de bedrijven in hun functioneren worden belemmerd en anderzijds een goed woon- en leefklimaat in de woningen kan worden geborgd, zijn inmiddels een grond-/geluidwal en geluidschermen gerealiseerd (zie Bijlage 2 bij de regels). Middels de aanleg van deze voorzieningen en de hieraan gekoppelde verplichting uit het vigerende bestemmingsplan, die één op één is overgenomen in dit bestemmingsplan, wordt de vergunde geluidruimte van de omliggende bedrijven niet aangetast. Daarnaast wordt een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige woningen verzekerd.
Aangezien in dit geval slechts sprake is van een inbreiding, waarbij de afstand tussen woningen en bedrijven niet wijzigt ten opzichte van de mogelijkheden op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost', wordt met inachtnemening van de bovengenoemde akoestische maatregelen, voldaan aan de richtafstanden die voor omliggende bedrijven gelden op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Er kan kortom worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.
Algemeen
Op 1 april 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking
getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat voor elk project dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., ook als de genoemde indicatieve drempelwaarden niet worden overschreden, het bevoegd gezag dient te beoordelen of er een m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Dit besluit dient expliciet te zijn genomen voordat de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure of bestemmingsplanprocedure wordt voortgezet.
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen betreft.
Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Het initiatief betreft namelijk slechts een wijziging van het bestemmingsplan voor een reeds voorziene woningbouwlocatie, waarbij door verdichting 28 extra woningen worden toegestaan en het totaal toegestane aantal woningen binnen dit gebied van 77 naar 105 wordt opgehoogd. Tevens wordt meer flexibiliteit geboden ten aanzien van de toegestane woningtypen. Hierdoor kan beter worden aangesloten op de huidige marktvraag. Dit betekent dus dat de bovengenoemde (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden worden, waardoor kan worden volstaan met het uitvoeren een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.
Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient de initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldingsnotitie op te stellen. Deze aanmeldingsnotitie is in principe vormvrij, mits wordt voldaan aan opbouw uit bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Daarbij is gekozen voor een beknopte samenvattende notitie in tabelvorm die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In de bovengenoemde Europese richtlijn is gesteld dat moet worden ingegaan op:
in samenhang met de criteria van bovenstaande punten in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking, het
grensoverschrijdende karakter van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de duur,
frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Om een correcte beoordeling te kunnen geven over de mogelijke milieugevoelige effecten die de voorgenomen ontwikkeling kan veroorzaken, is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Op basis van deze notitie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond op 07-04-2020 besloten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is. De volledige aanmeldnotitie is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan naar externe veiligheidsaspecten uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies die hieruit naar voren zijn gekomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen.
Quickscan Externe veiligheid
Transport over het water
Het plangebied ligt niet binnen een afstand van 1.070 meter van een waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over water vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
Transport over de weg
In de omgeving van het plangebied zijn enkele wegen aanwezig waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gebleken is dat de rijksweg A73 en de provinciale weg N280 relevant zijn voor de planontwikkeling, aangezien hierover toxische vloeistoffen (LT1 en LT2) en brandbare gassen (GF3) getransporteerd worden die een invloedsgebied hebben dat het plan overlapt.
De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch en BLEVE scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Transport over het spoor
Het plangebied bevindt zich op ca. 600 meter van de spoorlijn Roermond - Venlo Oost (route 50) en op ca. 760 meter van de spoorlijn Weert - Roermond (route 110). Op basis van de afstand vormen de plaatsgebonden risicocontour en het PAG geen belemmering voor de planontwikkeling. Ook de hoogte van het groepsrisico hoeft niet kwantitatief bepaald te worden.
Wel dienen de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Roermond - Venlo Oost (toxisch scenario) meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico.
Buisleidingen
Op circa 70 meter van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Tegelarijveld Oost' is in 2013 reeds een berekening uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat de hoogte van het groepsrisico ruim onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde is gelegen. De toevoeging van 28 woningen zal niet leiden tot een relevante toename van de hoogte van het groepsrisico.
Wel dienen de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding (fakkelbrand scenario) meegenomen te worden in een verantwoordingsrapportage.
Inrichtingen
Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is.
Verantwoording groepsrisico
Het bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN). Het advies is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Daarnaast is een verantwoordingsdocument opgesteld, waarin het advies van de VRLN is meegenomen. Het verantwoordingsdocument is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.
In het verantwoordingsrapportage worden kort samengevat de volgende maatregelen genoemd:
De conclusie in het verantwoordingsdocument luidt dat het restrisico, met inachtneming van bovengenoemde maatregelen, aanvaardbaar wordt geacht.
Voor de ontwikkeling van Tegelarijeveld Oost als geheel is een 'watertoets en rioleringsberekening' uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de belangrijkste conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage die als Bijlage 7 bij deze toelichting is opgenomen.
Hemelwater
Uitgangspunt is dat al het hemelwater afkomstig van dakoppervlakte en verhardingen binnen het plangebied geborgen en geïnfiltreerd dient te worden. Voor hemelwater afkomstig van de daken en particuliere verhardingen voor de vrije kavels dient binnen de perceelsgrenzen een voorziening te worden gerealiseerd. Deze voorziening moet een bergingscapaciteit hebben van 35 mm. Overtollig water van de kavels mag dan naar de openbare ruimte worden gebracht. In verband met beheer en onderhoud is de voorkeur van gemeente Roermond om dit bij voorkeur bovengronds te doen.
Voor de geschakelde woningen kan de bergingseis volledig in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Dit omdat op de kavels zelf weinig ruimte beschikbaar is en in de praktijk deze kavels nagenoeg volledig worden verhard. Door een centrale voorziening te realiseren in het openbare gebied komt het beheer en onderhoud bij de gemeente terecht. Het functioneren van de voorziening zal daarmee goed beheersbaar en controleerbaar zijn.
De openbare verharding zal volledig afwateren naar de centrale infiltratievoorziening. De oppervlaktes van groen worden niet meegerekend vanwege directe infiltratie in de ondergrond.
Op basis van het huidige verkavelingsplan zijn de verharde oppervlaktes bepaald en is voor het plangebied de wijze van infiltratie bepaald. Voor het afstromend oppervlak zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
In een eerder stadium werd bij de uitwerking reeds gekozen voor een leidingstelsel bestaande uit een IT-riool met omhulling. Tijdens de aanleg van het eerste deel van het totale bouwplan is ter plaatse van het Niellerveld en De Tegelarije reeds IT-riool aangelegd. Voor het restant van het plangebied zal dan ook eenzelfde bergings- en infiltratievoorziening worden gerealiseerd. Dit type voorziening is reinigbaar en inspecteerbaar en voldoet daarmee aan de voorkeur van de gemeente Roermond.
De gevolgen van een extreme bui dienen conform de uitgangspunten in beeld te worden gebracht. Het optreden van een bui T=100 mag niet tot overlast leiden. Water op straat wordt in deze context weliswaar als hinderlijk ervaren maar wordt niet als overlast gezien. Onder overlast wordt verstaan dat het water in (kelders van) woningen stroomt. Door de bouwpeilen voldoende hoog boven straatpeil te houden en de groenzones laag te houden kan overtollig water in extreme neerslaggevallen daar nog geborgen worden.
Bij de uitwerking van dit plan in 2017 werd eerder het bestaand speelterrein aan de zuidzijde van het plangebied aangewezen om extra water te bergen. Uit de hydraulische toetsing destijds bleek echter dat de gemiddelde infiltratiecapaciteit zo hoog is, dat zelfs bij T=100 (84mm in 48 uur) er géén water op straat ontstaat. De verwachting is nu ook dat de combinatie van berging en infiltratie het aanbod aan water aan kan.
Gemeente Roermond acht voor extreme neerslaggebeurtenissen een noodoverlaat toch wenselijk. Daarom is in het noordwestelijke deel waar het maaiveld het laagst is, een noodoverlaat voorzien. Indien het stelsel de hoeveelheid neerslag niet aankan, zal daar het water naar buiten treden en in het laaggelegen groengebied stromen.
Dit groengebied is omsloten door een geluidswal. Eventueel overtollig water dat hier terecht komt
voert niet af richting Leijgraaf van Weijershof naar Asselt.
Bij de verdere civieltechnische uitwerking, waarbij ook de nog benodigde berging van 800 m³ verder zal worden gedetailleerd, zal in overleg met gemeente Roermond worden bekeken of een nieuwe
dynamische berekening nodig is.
Afvalwater
Voor de afvoer van het vuilwater wordt een nieuw DWA-riool onder de rijweg aangelegd. Dit stelsel wordt aangesloten op het bestaande stelsel. Hiermee wordt ook voor afvalwater voorzien in een passende uitwerking.
In het kader van het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' zijn reeds archeologische onderzoeken uitgevoerd, op basis waarvan door de gemeente Roermond op 19 december 2012 een selectiebesluit is genomen tot vrijgave van het plangebied. Vanuit het aspect archeologie bestaan er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Desalniettemin geldt conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet de verplichting om eventuele archeologische vondsten te melden te bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente Roermond.
Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle elementen waarop met de beoogde ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen.
Algemeen
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014). De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.
De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art.1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Toetsing
Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is onderstaand nader ingegaan op de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming
Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Roerdal' bevindt zich op meer dan 2,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het 'Swalmdal' bevindt zich op meer dan 2,8 kilometer ten noorden van het plangebied en het 'Leudal' op meer dan 6 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid op voorhand uitgesloten.
Voor wat betreft de effecten als gevolg van depositie van stikstof is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies.
Uit het onderzoek is gebleken dat op basis van de volgende uitgangspunten de stikstofdepositie voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt:
Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is daarmee niet aan de orde.
Het plangebied is verder niet gelegen binnen of in de nabijheid van de goudgroene natuurzone (de NNN). De wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN zullen daarom niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt niet noodzakelijk geacht.
Houtopstanden
Het plangebied is reeds bouwrijp gemaakt en er zijn geen bomen aanwezig. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is bij dit plan kortom niet aan de orde.
Soortenbescherming
In de huidige situatie is het plangebied reeds bouwrijp gemaakt. Gelet hierop is geen sprake van aanwezigheid van specifieke ecologische waarden of beschermde soorten. De locatie is een ongeschikte biotoop voor beschermde plantensoorten. Binnen het plangebied worden evenmin sporen van zwaarder beschermde soorten zoogdieren verwacht gezien de aanwezige ongeschikte biotoop en de ligging in de hoek tussen de N280 en Sint Wirosingel, met de daarbij behorende verstoring. Negatieve effecten op zwaarder beschermde zoogdieren zijn op voorhand uitgesloten. Het voorkomen van amfibieën, reptielen en zwaarder beschermde ongewervelde diersoorten wordt op voorhand uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt habitat en geschikte waardplanten.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat in het kader van het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' in verband met een dassenburcht aan de noordoostzijde van het plangebied reeds dassentunnels zijn aangelegd onder de Sint Wirosingel en onder de toerit naar de N280. Tevens zijn dassenkerende rasters geplaatst. Op basis van de inmiddels genomen maatregelen, vormt de dassenburcht geen belemmering voor de ontwikkeling.
Conclusie
Het plan kan kortom in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, met dien verstande dat ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten de algemene zorgplicht in acht dient te worden genomen.
Verkeer
Voor het plangebied geldt dat in de huidige situatie reeds 77 vrijstaande woningen zijn toegestaan. Middels dit bestemmingsplan wordt dit aantal verhoogd naar 105 woningen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende typen woningen:
De toename van het aantal woningen leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking. Op basis van de 'rekentool verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW geldt voor de 77 vrijstaande woningen die op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn toegestaan een verkeersaantrekkende werking van 631 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
In de onderstaande tabl is de verkeersaantrekkende werking voor het beoogde plan in beeld gebracht, waarbij een onderscheid is gemaakt in de verschillende typen woningen.
| Type woning | Motorvoertuigbewegingen per etmaal (gemiddelde weekdag) | |
| Vrijstaand (51) | 418 | |
| Twee-onder-één-kap (38) | 297 | |
| Tussen/hoek (16) | 113 | |
| Totaal | 828 | |
Indien zou worden uitgegaan van het theoretische worst-casescenario, zijnde 105 vrijstaande woningen, dan geldt een verkeersaantrekkende werking van 860 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
Het plan leidt op basis van bovenstaande gegevens tot een toename van het aantal verkeersbewegingen voor het beoogde plan ten opzichte van de vigerende situatie van 197 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Wanneer wordt uitgegaan van het theoretische worst-casescenario van 105 vrijstaande woningen, dan is sprake van een toename van 229 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
De bovengenoemde toename van het aantal motorvoertuigbewegingen kan naar verwachting zonder problemen op de aanwezige en nog te realiseren infrastructuur worden afgewikkeld.
Parkeren
Binnen het plangebied worden in totaal 105 woningen mogelijk gemaakt, 51 vrijstaande woningen, 38 twee-onder-een-kapwoningen c.q. geschakelde woningen en 16 tussen/hoekwoningen.
In de onderstaande tabel is weergegeven hoeveel parkeerplaatsen in totaal benodigd zijn:
| Type woning | Norm | Aantal woningen | Parkeerbehoefte |
| Vrijstaand | 2,2 | 51 | 112,2 |
| Twee-onder-één-kap | 2,1 | 38 | 79,8 |
| Tussen/hoek | 1,9 | 16 | 30,4 |
| Totaal | 105 | 222 |
Op basis van het beoogde plan voor 105 woningen en de voorziene typen woningen, is sprake van een totale parkeerbehoefte van 222 parkeerplaatsen. Deze zullen deels op het eigen terrein van de toekomstige woningen gerealiseerd worden en deels in het openbaar gebied. Binnen het plangebied is in ieder geval voldoende ruimte om invulling te geven aan de parkeerbehoefte. De uiteindelijke toetsing vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen, waarbij zal worden getoetst aan de in de regels van dit bestemmingsplan verankerde parkeernormen van de gemeente Roermond.
Het bestemmingsplan 'Neeldervelt' bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de gewijzigde mogelijkheden voor een deelgebied van Tegelarijeveld Oost. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Hierbij is gestreefd naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. In dit geval is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' gekozen voor een globaal en flexibel bestemmingsplan om op wijzigende omstandigheden en/of nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen inspelen. Uitgangspunt is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid voor de burger wordt geschaad.
In paragraaf 5.3 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen.
Bij de opzet van de verbeelding is de SVBP2012 als uitgangspunt gehanteerd. In de SVBP2012 zijn onder andere bestemmingscategorieën vastgelegd en zijn uniforme kleuren en aanduidingen beschreven.
Het plangebied kent de volgende bestemmingen:
De gronden behorend tot dit bestemmingsplan zijn op de verbeelding begrensd door de plangrens. De bestemmingen op de verbeelding zijn in de planregels voorzien van bouw- en gebruiksregels.
De regels zijn conform de SVBP2012 opgebouwd uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de bestemmingen die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied van toepassing zijn dan wel aanduidingen die betrekking hebben op meer dan één bestemmingsvlak. In hoofdstuk 4 zijn de regels opgenomen waarmee het overgangsrecht wordt geregeld en is een artikel opgenomen waarin de formele naamgeving van het bestemmingsplan is vastgelegd.
Voor het plangebied zijn overeenkomstig het bestemmingsplan 'Tegelarijeveld Oost' de enkelbestemmingen 'Groen' en 'Woongebied' opgenomen. Onderstaand wordt achtereenvolgens ingegaan op de genoemde bestemmingen.
Groen
Voor de groenwal aan de zuidoostzijde van het plangebied is de bestemming 'Groen' opgenomen. Binnen deze groenwal is een geluidwal aangelegd met daar bovenop een geluidscherm. Door middel van deze geluidwerkende voorzieningen is woningbouw binnen het plangebied vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar gemaakt. De voorzieningen dienen dan ook gehandhaafd te blijven.
Voor een deel van de als 'Groen' bestemde gronden geldt dat deze worden uitgegeven als tuin bij de woningen. Voor dit deel is de aanduiding 'tuin' opgenomen. Het bouwen van bijgebouwen is ter plaatse niet toegestaan. Tevens is ter bescherming van de geluidwal een omgevingsvergunningstelsel opgenomen op basis waarvan bepaalde uit te voeren werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden niet zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan.
Woongebied
Voor het gebied waarbinnen de woningen met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen zijn voorzien, is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Er is sprake van een flexibele bestemming, waarbij met name algemene kaders zijn opgenomen, waarbinnen de ontwikkeling verder vormgegeven kan worden. Het maximum aantal woningen is vastgelegd op 105. Qua woningtypen zijn vrijstaande woningen, halfvrijstaande woningen, vrijstaand geschakelde woningen en aaneengebouwde woningen toegestaan. De goothoogte van een hoofdgebouw met een kap bedraagt maximaal 6,5 meter en de bouwhoogte van een hoofdgebouw met een kap bedraagt maximaal 11 meter. De goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw zonder kap bedraagt maximaal 11 meter.
Verder is vastgelegd dat de afstand van een hoofdgebouw tot de voorste bouwperceelgrens minimaal 4 meter bedraagt. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt:
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient de economische uitvoerbaarheid te worden onderzocht in het kader van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een initiatief van een marktpartij voor de realisatie van koop- en huurwoningen.
De risico's verbonden aan de realisering van het project liggen bij de ontwikkelende partij. Hiertoe is tussen gemeente en ontwikkelaar een overeenkomst aangegaan. Ter beperking van eventuele risico's voor de gemeente is in deze overeenkomst een garantiestelling opgenomen. Hierdoor is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan verzekerd.
Kostenverhaal
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan, indien sprake is van in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen bouwplannen. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien:
Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van maximaal 28 extra woningen in het plangebied. Het betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten.
De ontwikkelaar heeft de gronden binnen het plangebied in eigendom. In de met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst zijn afspraken opgenomen over het verhaal van kosten, een gefaseerde realisering en eisen aan de inrichting van de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van locatie-eisen aan de inrichting van de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen middels een exploitatieplan niet nodig.
Omdat het bestemmingsplan geen percentage woningbouwcategorieën bevat, is het niet mogelijk om door middel van een exploitatieplan nadere eisen te stellen aan de uitvoerbaarheid.
Gelet op het vorenstaande kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
Aangezien slechts sprake is van een beperkte wijziging van een reeds voor woondoeleinden bestemd gebied, wordt geen inspraakprocedure doorlopen.
Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg voorgelegd aan de betrokken instanties.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 15 april tot en met 26 mei 2020 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.