| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Eind 61, Nederweert-Eind |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.TAMHfd22cEind61-VA01 |
De aanleiding voor het wijzigen van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (hierna omgevingsplan) van gemeente Nederweert betreft de realisatie van een vrijstaande woning met bijhorende bijgebouwen en verhardingen op een 'open plek' ter plaatse van de locatie gelegen aan Eind 61 te Nederweert-Eind. De locatie zal hierna als plangebied worden aangeduid. Het plangebied duidt de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft.
Voor deze locatie vigeert het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege, zijnde de voormalige beheersverordening 'Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk'. De locatie is daarin bestemd tot 'Wonen'. Echter ter plaats is op de verbeelding geen bouwvlak opgenomen. Dit betekent dat op deze gronden geen woning kan worden gebouwd. De reden hiervan is dat bij de vaststelling van de beheersverordening 'Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk' voor dit perceel de wijzigingsbevoegdheid, uit het voorheen geldende bestemmingsplan 'Nederweert Eind' (gemeente Nederweert), voor het toevoegen van een bouwtitel is geschrapt, waardoor de (indirecte) mogelijkheid tot het realiseren van een vrijstaande woning is komen te vervallen.
De gemeenteraad van Nederweert heeft op 20 juli 2021 de 'Beleidsregel bouwen in tuinen Nederweert 2021' vastgesteld. Op basis van deze beleidsregel wordt de mogelijkheid geboden aan eigenaars van percelen om op plekken waar in het voorgaande bestemmingsplan een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid was opgenomen voor de bouw van een woning, deze planologisch-juridisch vast te leggen in de vorm van een rechtstreeks.
Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Op een later moment kan het TAM-IMRO besluit in het geconsolideerde omgevingsplan worden opgenomen door een nieuw wijzigingsbesluit te nemen conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD).
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Nederweert heeft te kennen gegeven principemedewerking te verlenen aan de realisatie van een vrijstaande woning met bijhorende bijgebouwen en verhardingen op deze locatie. Navolgend hierop is een wijzigingsbesluit opgesteld, onderhavige motivering vormt de motivering van het wijzigingsbesluit om de ontwikkeling mogelijk te maken.
Het plangebied is gelegen aan de doorgaande weg langs de kern van Nederweert-Eind. Op navolgende figuur is de ligging van het plangebied aangeduid.
Plangebied in de omliggende omgeving
Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de kern en is omringd door woningen. Het plangebied is intensief in gebruik als tuin bij het woonperceel Eind 61 en vormt het een 'open plek' langs gebiedsontsluitingsweg Eind. Het plangebied heeft een frontbreedte van ongeveer 25 meter. Aan de overzijde van het plangebied begint het buitengebied. De bebouwing ter hoogte van de kern Nederweert Eind wordt afgewisseld met doorkijkjes naar het agrarische gebied.
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Nederweert , sectie R, perceelnummer 794. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 530 m2. Op navolgende afbeelding wordt het plangebied weergegeven op een kadastrale kaart, aangeduid met een blauw kader.
Ligging plangebied
Ter plaatse van het plangebied is het omgevingsplan van de gemeente Nederweert van toepassing. Dit omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen. wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen) in gemeente Nederweert van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze ruimtelijke plannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Nederweert. In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Het plangebied is, op basis van de voormalige beheersverordening 'Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk' hierin bestemd als 'Wonen' met de bouwaanduiding 'bijgebouwen en de dubbelbestemming 'Archeologie 2 hoog'.
Uitsnede Beheersverordening Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk met ligging plangebied rood omlijnd
De tot wonen bestemde gronden zijn weliswaar qua gebruik bestemd voor wonen, maar door het ontbreken van een bouwvlak zijn er geen bouwmogelijkheden om ter plaatse een hoofdgebouw op te richten in de vorm van een vrijstaande woning. Op basis van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' is het alleen mogelijk om bebouwing in de vorm van bijgebouwen op te richten.
Het planvoornemen is daarmee op basis van het thans geldende ruimtelijke regime niet mogelijk. Om een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen te realiseren binnen het plangebied is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Paraplubeheersverordening Kernen
In januari 2021 is de paraplubeheersverordening kernen, gemeente Nederweert opgesteld. Deze beheersverordening overkoepelt een groot aantal bestemmingsplannen en beheersverordeningen voor bebouwd gebied. Het betreffen de kernen Nederweert (inclusief de uitbreidingswijken Kerneelhoven, Hoebenakker, Meerveld en het bedrijventerrein Pannenweg Oost en West), Ospel (inclusief de uitbreidingswijk Houwakker/Vlut, Ospeldijk en het bedrijventerrein), Nederweert Eind en Leveroy. In de praktijk is bij de toetsing van aanvragen voor omgevingsverguningen aan deze vigerende bestemmingsplannen en beheersverordeningen gebleken dat in de vigerende plannen en beheersverordeningen voor het bebouwd gebied een zestal onderwerpen niet geregeld zijn zoals deze (oorspronkelijk) bedoeld zijn. Hierdoor heeft de gemeente te weinig grip op deze onderwerpen. Daarmee wordt beoogd om voor deze aspecten één uniforme regeling op te nemen voor het bebouwde gebied (kernen) van de gemeente Nederweert.
het heeft betrekking op de volgende onderwerpen:
De eerdergenoemde onderwerpen van de paraplubeheersverordening kernen zullen geen belemmering opleveren voor de realisatie van een vrijstaande woning met bijhorende bijgebouwen en verhardingen op een 'open plek' ter plaatse van de locatie gelegen aan Eind 61 te Nederweert-Eind.
Om de realisatie van een woning binnen het plangebied ruimtelijk mogelijk te maken is dus een wijziging van het omgevingsplan nodig. In voorliggende ruimtelijke motivering van het TAM-omgevingsplan wordt de wijziging van het omgevingsplan nader onderbouwd c.q. verantwoord en worden de mogelijkheden die het gewijzigde omgevingsplan biedt, afgewogen. De regels voor de nieuwe woonfunctie met bouwvlak en aanduiding bijgebouwen sluit aan bij de geldende regels (gebruik en bouwen) voor wonen binnen de kern Nederweert Eind. De verbeelding betreft de visuele weergave hiervan.
Deze wijziging van het omgevingplan is opgezet conform de eisen die de Omgevingswet en de gemeente Nederweert daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012 in combinatie met werkafspraken TAM-omgevingsplan, bijsluiter TAM-omgevingsplan en transpondertabel regels TAM-omgevingsplan . De verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 de huidige en nieuwe situatie op locatie omschreven. In Hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In Hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In Hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgeving van het plangebied, het plangebied zelf en het planvoornemen binnen het plangebied . Tevens komt de ontsluiting en het parkeren aan bod.
Het plangebied is gelegen in de kern Nederweert Eind aan Eind tussen de nummers 61 en 63. Hiermee is het plangebied onderdeel van de bebouwing aan Eind. De omgeving wordt enerzijds aangemerkt als woonomgeving en anderzijds aangemerkt als buitengebied (overzijde weg).
De woonomgeving wordt gekenmerkt door overwegend vrijstaande woningen in twee bouwlagen met kap. De woonpercelen aan Eind worden voorts gekenmerkt door de aanwezigheid van (relatief diepe) voortuinen, waardoor het straatprofiel van Eind breed is in combinatie met het doorgaande karakter van de weg. Recent zijn, verderop aan Eind, eveneens een aantal woningen gerealiseerd waardoor de bebouwing aan Eind versterkt is.
Straatbeeld Eind met rechts het plangebied
De overzijde van de weg betreft het buitengebied met incidentele bebouwing aan het Eind. Deze bebouwing bestaat enerzijds eveneens uit woningen en anderzijds uit (agrarische) bedrijven (twee garagebedrijven en een intensieve veehouderij).
Garagebedrijf Eind 12B
Uitzicht vanuit het plangebied richting buitengebied
In het verleden is door de eigenaar een vrijstaande woning (Eind 61) gerealiseerd, welke te zien is op het navolgende afbeeldingen. Hierbij is een bouw- c.q. woonperceel (perceelnummer 794) onbenut gelaten, waardoor het plangebied een 'open plek' vormt tussen de bebouwing aan Eind. Het perceel is onbebouwd met uitzondering van een tuinhuisje (ongeveer 90 m2) en de gronden zijn momenteel in gebruik als tuin behorende bij de woning aan Eind 61. Aan de straatzijde van het plangebied is een taxushaag en inrit (achterzijde perceel) aanwezig. De gronden zijn verder ingezaaid met gazon, wat regelmatig gemaaid wordt.
Vanuit het verleden is hier altijd de intentie geweest om op deze 'open plek' een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen te realiseren. De gemeente heeft echter dit onbenutte bouw- c.q. woonperceel circa 6 jaar geleden 'wegbestemd' in de voormalige beheersverordening.
Huidige situatie, zuid-aanzicht
Huidige situatie, oost-aanzicht
Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van een bouwvlak ter plekke van de bestaande woonbestemming, ten behoeve van de realisatie van één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. De woning zal bestaan uit maximaal 2 bouwlagen al dan niet met een kap of plat afgedekt (maximale goothoogte 6 meter, maximale bouwhoogte 11 meter). De nieuwe woning zal gesitueerd worden in de bestaande voorgevelrooilijn langs Eind. De afstand van de zijgevels van de woning tot de zijdelingseperceelsgrens zal minimaal 3 meter bedragen.
Hiervoor zal het perceel 794 voorzien worden van een bouwvlak met de bijbehorende aanduiding 'bijgebouwen'.
In de nieuwe situatie zal het tuinhuis van circa 90m2 gesloopt worden om in de realisatie van de vrijstaande woning te kunnen voorzien. In de woning (hoofdgebouw) zijn aan huisgebonden beroep of bedrijf, een internetwinkel, consumentverzorgende dienstverlening toegestaan tot maximaal 40 m2. Ook wordt mantelzorg toegestaan.
Nieuwe situatie
In het navolgende afbeelding is de stedenbouwkundige inpassing te zien. Hier is het bouwvlak ingetekend op het perceel 794. De diepte van het bouwvak betreft 9 meter. De frontbreedt van het bouwvlak betreft 14 meter.
Stedenbouwkundige inpassing van het bouwvlak op perceel 794
De vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen wordt ontsloten via de bestaande infrastructuur, zijnde Eind. Hiervoor wordt een in-/opritconstructie aan de rechterzijde van het perceel aangelegd ter hoogte van de bestaande poort.
Situering in-/opritconstructie ter hoogte van bestaande poort
Het parkeren wordt voorzien op eigen terrein. Hiervoor worden (minimaal) twee parkeerplaatsen aangelegd om te voldoen aan de parkeernorm voor een vrijstaande woning. Gezien de omvang c.q. oppervlakte van het plangebied is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. De aanleg van voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, en de instandhouding hiervan, is geborgd in artikel 15.1.1 in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan.
Het planvoornemen voorziet de realisatie van één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen het plangebied. In het navolgende figuur is het bouwvlak weergeven t.o.v. de erfgrens. De achtergevel van de woning (vanaf de 1ste verdieping) zal uitkijk hebben op de achtertuin van Sint Gerardusstraat 2. Om de privacy te waarborgen is er een aanvaardbare afstand van ongeveer 8,0 meter gehouden vanaf achterkant bouwvlak tot de erfgrens. Dit is in een reguliere woonsituatie binnen bebouwd gebied ruimtelijke gezien een algemeen geaccepteerde afstand.
Uitsnede bouwvlak t.o.v. erfgrens Sint Gerardusstraat 2
Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terassen of speelplekken.
Beleid, wet- en regelgeving Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving.
TNO-normTNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:
De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam.
De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht.
BezonningsdiagrammenBezonningsdiagrammen maken inzichtelijk of de bezonning van nieuwbouw op de gevel, tuin, terras, speelplek, et cetera. voldoende is. Ook geven deze diagrammen inzicht in toename van schaduw op de omgeving door de nieuwbouw.
Met een 3d-model wordt de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie. Hiervoor zijn er de volgende dagen van de 4 seizoenen maatgevend:
Hierna wordt per seizoen een bezonningsdiagram weergeven, het tijdstip wat aangenomen is in het diagram is het tijdstip wanneer de zon het meest- en verste schijnt richting de Sint Gerardusstraat 2. Het jaar van de bezonningsdiagrammen is ingesteld op 2025.
Uitsnede bezonningsdiagram met 4 seizoenen
In het bovenstaande figuur zijn 4 bezonningsdiagrammen weergeven. Hiervoor zijn de dagen die erbij staan van de 4 seizoenen maatgevend. In ieder geval is er uitgegaan van ander tijdstip, namelijk het tijdstip wanneer het planvoornemen mogelijk tot zonbelemmering kan zorgen (voor Sint Gerardusstraat 2). in drie van de vier gevallen zal de zon geen belemmering opleveren voor de woning, en in beperkte maten voor de tuin van Sint Gerardusstraat 2. Op 21 december, wanneer de zon erg laag staat geeft deze een belemmering aan voor zowel de woning als tuin. 21 december heeft de minste lichturen van het jaar met 7 uur en 43 minuten, de zon die rond 14:30 wordt ontnomen door het planvoornemen zal na dit tijdstip snel genoeg ondergaan.
Het planvoornemen zal (voornamelijk aan het einde en begin van het jaar) voor kleinschalige zonbelemmering zorgen. Dit gaat over enkele uren op jaarbasis en hierom kan worden geconcludeerd dat dit planvoornemen aanvaardbaar wordt geacht door de beperkte mate waarin Sint Gerardusstraat 2 wordt belemmerd.
Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het omgevingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het omgevingsplan. Tevens komt de ladder voor duurzame verstedelijking in dit hoofdstuk aan bod.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het Rijk opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de lange termijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:
Om hierin weloverwogen keuzes te maken, Hanteert de NOVI de volgende afwegingsprincipes:
Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'.
Het planvoornemen wordt voorzien op een 'open plek tussen de bebouwing langs Eind binnen het bebouwde gebied van de kern Nederweert Eind. De realisatie van slechts één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen is dermate kleinschalig dat er vanuit de NOVI geen specifieke uitgangspunten zijn.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder :
In Hoofdstuk 4 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.
De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van slechts één vrijstaande woning op perceel 794. Met voorliggend plan vindt er tevens geen functiewijziging op locatie plaats (wonen blijft wonen), maar het betreft enkel het toevoegen van een bouwvak. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling omdat dit pas geldt vanaf 12 woningen. Hiermee vormt de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering voor het planvoornemen.
Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het rijksbeleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen.
In oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de 'Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. Hierin is een lange termijnvisie beschreven, waarin wordt vooruit geblikt richting 2030-2050. De Provincie geeft hierin aan hoe toekomstbestendige ontwikkelingen gaan plaatsvinden en hoe daarbij steeds het balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
De Omgevingsvisie gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin wordt geleefd, gewoond, gewerkt, geleerd en waar vrije tijd wordt besteed. Limburg kiest voor maatwerk en houdt rekening moet het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Limburg stelt een drietal hoofdopgaven:
De drie hoofdopgaven worden ten alle tijden ondersteund door de Limburgse principes:
De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is dus belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.
Limburgse steden en dorpen moeten ook in de toekomst een aantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia dan ook te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. Een belangrijke rol ligt hiervoor bij de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband.
Compacte steden en dorpen blijven het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwde gebied. Dit om de diversiteit tussen stad/dorp en land, tussen dynamisch en rustig wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden. Daarbij is aandacht voor compacte binnensteden/dorpen, het behouden van basisvoorzieningen en leefbaarheid.
Ten aanzien van het thema wonen is aangegeven dat een woningaanbod/ planvoorraad gewenst is waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Derhalve voldoende woningen van de juiste woningen op de juiste plek, waarbij alle woningbouwontwikkelingen worden beschouwd als een provinciaal belang.
Het planvoornemen voorziet slechts in een vrijstaande (levensloopbestendige) woning op een 'open plek' tussen de bebouwing aan Eind binnen de bebouwde kom van de kern Nederweert Eind. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen (slechts één woning) is de bijdrage van de woning aan het provinciaal beleid beperkt, maar zeker niet in strijd met dit beleid. De woning draagt in feiten (beperkt) bij aan een compact dorp en verstrekt de ruimtelijke structuur ter plaatse door de invulling van deze open plek. Doordat de woning (tevens) levensloopbestendig kan worden gemaakt is sprake van een kwalitatieve woning die voor meerder doelgroepen geschikt is.
De Omgevingsvisie, zoals beschreven in voorgaande paragraaf, vormt het beleidskader voor het provinciaal ruimtelijk beleid. Het juridische kader voor dit beleid is vastgelegd in de omgevingsverordening Limburg 2014. De verordening vormt derhalve een belangrijk uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de subparagrafen hieronder worden de artikelen die van toepassing zijn op het plangebied toegelicht.
De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:
Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van slechts één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. Deze woning is nog niet opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg, maar de woning (particuliere koop) is wel opgenomen in de planvoorraadlijst d.d. 1-1-2022 van de gemeente Nederweert. Daarmee maakt de woning (in feite) reeds onderdeel uit van de beoogde woningbouwprogrammering c.q. beoogde woningvoorraad en wordt de woning met dit TAM-omgevingsplan dan ook ruimtelijk mogelijk gemaakt.
Het voornemen is om een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen 5 jaar te realiseren. Mocht er binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan geen gebruik worden gemaakt van de bouwmogelijkheid dan wordt er middels een herziening van het omgevingsplan het bouwvak middels een omgevingsplanwijziging geschrapt. Hiermee wordt dan tegelijkertijd voldaan aan artikel 12.1 van de provinciale omgevingsverordening (instructieregels).
Artikel 12.12 Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning
Deze instructieregel vraagt gemeenten om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. Dit is echter alleen aan de orde in Zuid-Limburg en niet in Midden-Limburg.
Afdeling 16.1 en 16.2 beschermingsgebied Einstein Telescope
In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interferentie activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Onderhavig plangebied ligt echter buiten het aangegeven beschermingsgebied.
Paragraaf 3.2.3 Klimaatadaptatie
Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte) te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
Hierin wordt voorzien door een duurzame woning te realiseren (gasloos, zonnepanelen) en de bebouwing en verhardingen volledig af te koppelen en het hemelwater binnen het plangebied te infiltreren.
Artikel Aanwijzing beschermingsgebieden Roerdalslenk
Daarnaast is het plangebied nog gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Dit betekent dat initiatieven tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk diept dan 80 meter in zone III tot aan de bovenste Brunssumklein niet zonder melding is toegestaan. Dergelijke bodemactiviteiten zijn echter niet aan de orde als gevolg van dit planvoornemen.
Het planvoornemen is dan ook passend binnen het provinciale beleid (visie en verordening).
Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het provinciaal beleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen.
In de Structuurvisie Wonen 2022-2025 wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/herstructurering. Op deze wijze willen de gemeenten de leefbaarheid op peil houden en een thuis bieden voor (toekomstige) inwoners. De nadruk ligt in het nieuwe beleid dan ook op het realiseren van woningaanbod die kwalitatief aansluit op de behoeften met daarnaast voldoende ruimte om flexibel in te spelen op actuele ontwikkelingen. Daarnaast bestaat er een nadrukkelijke bestuurlijke wens om ambitieuzer te bouwen dan uitsluitend voor de lokale/regionale behoefte. De ambitie is om een gedeelte van de overloop van Zuid-Oost Brabant op te vangen. De provincie stuurt in de Limburgse Agenda Wonen sinds medio 2020 op een versnelde realisatie van kwalitatieve plannen die voorzien in woningen voor met name senioren, starters, 1- en 2-persoonshuishoudens en bijzondere doelgroepen. Deze doelgroepen sluiten voor Midden-Limburg aan bij de uitkomsten van het regionale woningmarktonderzoek.
In de structuurvisie is aangegeven dat het aantal in kwalitatieve zin, wat ook blijkt uit het onderzoek, vooral ingezet moet worden op de realisatie van seniorenwoningen (huur en koop; grondgebonden en appartementen met lift, nultrede en levensloopbestendig), 1- en 2-persoonswoningen (grondgebonden en appartementen; huur en koop) en reguliere huurwoningen (grondgebonden en appartementen; sociale en middenhuur). Daarnaast geeft de structuurvisie aan dat de leefbaarheid in de kernen en wijken erg belangrijk is. De transformatie van (leegstaand) vastgoed kan hierbij kansen bieden maar is niet overal vanzelfsprekend. Het biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht te sturen op huisvesting voor doelgroepen of een andere gewenste invulling. In algemene zin heeft leegstand een negatief effect op de leefbaarheid. Herstructurering geeft gemeenten daarnaast locatie specifieke mogelijkheden voor verdunning in de kernen ter bevordering van de leefomgeving en klimaatadaptatie. Het transformeren van Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) naar een woonfunctie is vanuit het werkveld Wonen niet vanzelfsprekend omdat wonen bij voorkeur wordt gerealiseerd in de bebouwde gebieden. Locaties in het buitengebied die voor herontwikkeling in aanmerking komen kunnen wel kansen bieden voor alternatieve of nieuwe woonvormen.
Deze vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen is reeds opgenomen op de planvoorraadlijst van Nederweert per 1 januari 2022 (Eind 61). Daarmee maakt de woning (in feite) reeds onderdeel uit van de beoogde woningbouwprogrammering c.q. beoogde woningvoorraad en wordt de woning met dit omgevingsplan dan ook planologisch-juridisch mogelijk gemaakt.
De Omgevingsvisie Kernen en Bedrijventerreinen is d.d. 12 december 2023 vastgesteld Het doel van de Omgevingsvisie is zorgen dat het in de kernen, op de bedrijventerreinen én in het buitengebied van gemeente Nederweert goed wonen, werken en recreëren blijft.
Voor wonen geldt op basis van de Omgevingsvisie Kernen en Bedrijventerreinen o.a. het volgende standpunt:
Voor de kern Nederweert Eind geldt tevens dat nieuwe bebouwing tussen de bestaande bouwing aan Eind moet aansluiten op de huidige bebouwing om verrommeling te voorkomen. Zoals in paragraaf 2.3 is toegelicht zal de nieuwe woning gesitueerd worden in de bestaande voorgevelrooilijn langs Eind. Hiermee wordt invulling gegeven aan de eis dat nieuwe bebouwing in het lint van het bestaande straatbeeld aansluit.
Met voorliggend plan wordt een nieuwe woning gerealiseerd op een inbreidingslocatie. Er is sprake van zelfbouw op eigen perceel. Dit sluit tevens aan bij de visie voor woningbouw gehanteerd wordt in het beleidsdocument. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
De gemeente Nederweert heeft op 20 juli 2021 de 'Beleidsregel bouwen in tuinen Nederweert 2021' vastgesteld. Op basis van deze beleidsregel wordt de mogelijkheid geboden aan eigenaars van percelen om op plekken waar in het voorgaande bestemmingsplan (nu onderdeel tijdelijk omgevingsplan gemeente Nederweert) een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid was opgenomen voor de bouw van één of meer woningen, deze planologisch-juridisch vast te leggen in de vorm van rechtstreekse bouwtitels.
De belangrijkste voorwaarden hierbij zijn:
Aan bovenstaande voorwaarden wordt met voorliggend TAM-Omgevingsplan voldaan.
De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om functies weg te bestemmen. Dit is echter alleen mogelijk met een wijziging van het omgevingsplan (een STOP/TPOD-plan of TAM-omgevingsplan). Het is niet mogelijk om hiervoor een wijzigingsbevoegdheid o.i.d. op te nemen omdat dit onder de Omgevingswet niet meer bestaat. Ook kan een functie niet van rechtswege komen te vervallen na 5 jaar.
Het voornemen is om een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen 5 jaar te realiseren. Mocht er binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan geen gebruik worden gemaakt van de bouwmogelijkheid dan wordt er middels een herziening van het omgevingsplan het bouwvlak middels een omgevingsplanwijziging geschrapt. Hiermee wordt dan tegelijkertijd voldaan aan artikel 12.1 van de provinciale omgevingsverordening (instructieregels).
In de Welstandsnota Nederweert 2020 zijn gebieden aangewezen waarop welstandscriteria van toepassing zijn. Het betreft voornamelijk historische dorpskernen met aanverwante straten en gedeelten in uitbreidingsgebieden. De kern Ospel is een van die gebieden. Per gebied is een welstandskaart opgesteld.
Voor de kern Nederweert Eind is deze welstandskaart beperkt tot de woningbouwontwikkeling Tiskeswei. Dit betekent dat er voor het plangebied geen welstandscriteria gelden, buiten de excessenregeling.
Aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van deze aspecten naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor de fysieke leefomgeving en een goed c.q. gezond woon- en leefklimaat nodig. De aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering in de vorm van een richtafstand. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
In onderhavig geval kan gesteld worden dat het plangebied is gelegen binnen een gemengd gebied door met name de ligging aan de doorgaande weg en de enkele bedrijven in de directe omgeving. Hierom kunnen de richtafstanden van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' in deze situatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verkleind worden. Dit geldt niet voor de richtafstand van het aspect gevaar.
Inmiddels is de nieuwe Handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' opgesteld. Deze Handreiking heeft uitsluitend betrekking op de aspecten geluid en geur. In paragraaf 4.2.1 is getoetst aan de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' én de nieuwe Handreiking 'Activiteiten en milieuzonering'.
Ten noorden van het plangebied is op een afstand van ongeveer 80 meter een garagebedrijf met tankstation gelegen (Eind 12 a/b). Het tankstation met LPG is maatgevend voor de betreffende situatie. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een tankstation (benzineservicestation met LPG < 1.000 m3/jr) een maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect gevaar. Ondanks dat het plangebied aan te merken is als gemengd gebied mag deze richtafstand niet met één afstandsstap verkleind worden. Het plangebied is buiten de genoemde richtafstand van 50 meter gelegen, maar is echter wel gelegen binnen het explosieaandachtsgebied in het kader van externe veiligheid (zie paragraaf 4.8).
Ten oosten van het plangebied is op een afstand van ongeveer 45 meter een bouwbedrijf gelegen (Sint Gerardusstraat 8). Een dergelijk bedrijf wordt aangemerkt als een milieucategorie 3.1 bedrijf met een richtafstand van 50 meter (aspect geluid). Vanwege het gemengde gebied kan deze afstand verkleind worden naar 30 meter, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand gezien de afstand van ongeveer 45 meter. Onder de oude systematiek wordt op een afstand van 30 meter rekening gehouden met een geluidsbelasting van 50 dB(A) en op een afstand van 50 meter een geluidsbelasting van 45 dB(A). Onder de nieuwe systematiek wordt afgewogen of de gebruiksruimte passend is voor bedrijven die naar aard en omvang voldoende hebben. Voor onderhavige ontwikkeling wordt de afweging gemaakt dat, aangezien voldaan wordt aan de richtafstand van 30 meter ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten, geconcludeerd kan worden dat op 50 dB(A) op 30 meter van bedrijfsactiviteiten voldaan kan worden.
Daarnaast is op een afstand van ongeveer 90 meter eveneens een garagebedrijf (Eind 20) gelegen. Voor een dergelijk bedrijf geldt een maximale richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Onder de oude systematiek wordt op een afstand van 10 meter rekening gehouden met een geluidsbelasting van 50 dB(A) en op 30 meter een geluidsbelasting van 45 dB(A). Onder de nieuwe systematiek wordt afgewogen of de gebruiksruimte passend is voor bedrijven die naar aard en omvang voldoende hebben. Voor onderhavige ontwikkeling wordt de afweging gemaakt dat, aangezien voldaan wordt aan de richtafstand van 10 meter ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten, geconcludeerd kan worden dat op 50 dB(A) op 10 meter van bedrijfsactiviteiten voldaan kan worden.
Tot slot ligt op enige afstand (170 meter) aan Eind 12 een intensieve veehouderij waar het aspect geur een rol speelt. In paragraaf 4.4 wordt nader onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Visualisering richtafstanden
Omgekeerd vormt de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen geen belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven omdat reeds bestaande woningen op kortere afstand zijn gelegen. De realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen betreft geen hinder veroorzakend object en heeft verder dan ook geen invloed op de directe omgeving en de aangrenzende woningen.
Gelet op de bovenstaande toetsing vormt het aspect bedrijven- en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggende wijziging van het omgevingsplan vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan.
Gemeenten zijn aan zet om gedurende de transitieperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).
In Artikel 17.5 van de Omgevingsregeling is een overgangsrecht geregeld voor het bepalen van de geluidaandachtsgebieden van gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen. De omvang van het geluidsaandachtgebied is weergeven in het onderstaande tabel. Voor het plangebied geldt 200 meter vanuit Eind en 100 meter vanuit de 30 km wegen.
Breedte van het geluidaandachtsgebied op basis van Artikel 17.5 van de omgevingsregeling (overgangsrecht)
Het plangebied is gelegen binnen een geluidsaandachtsgebied, hiervoor dient akoestisch onderzoek te worden verricht. De rapportage van het uitgevoerde akoestische onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1 Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen overschrijdt de standaardwaarde van 53 dB op de gevels van het gebouw met maximaal 10 dB. Om deze reden dienen maatregelen onderzocht te worden om aan de standaardwaarde te voldoen. De maatregelen dienen in aanmerking genomen te worden als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
In de directe omgeving zijn geen andere relevante geluidbronnen welke bijdragen aan het geluidniveau. het gecumuleerde geluid wordt daarom volledig bepaald door wegverkeerlawaai. Op basis van het onderstaande tabel is aan de achterzijde van de woning, alwaar een buitenruimte gerealiseerd kan worden, is sprake van de milieukwaliteit "goed" waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Uitsnede classificering methode Miedema
De berekende geluidbelasting van wegverkeer zoals vermeld in het onderstaande tabel van ten hoogste 63 dB voldoet aan de grenswaarde van 70 dB. De mogelijkheden om de berekende gevelbelasting terug te brengen naar de standaardwaarde van 53 dB voor wegverkeerslawaai zijn onderzocht.
Uitsnede resultaten op gevels
Hierbij is gebleken dat:
Er wordt voldaan aan de voorwaarden op grond waarvan een ontheffing van de standaardwaarden toelaat baar is. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt het bevoegd gezag verzocht af te wijken van de standaardwaarde van 53 dB. Echter ter waarborging van een binnenniveau van 33 dB is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Dit onderzoek zal uitgevoerd worden in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwtechnische deel.
Uit de berekeningsresultaten van wegverkeerslawaai blijkt op de gevels van de nieuwe woonfuncties een geluidbelasting van ten hoogste 63 dB optreedt. De standaardwaarde van 53 dB wordt bij de woning met maximaal 10 dB overschreden. Aan de grenswaarde van 70 dB wordt voldaan.
Er wordt voldaan aan de voorwaarden op grond waarvan een ontheffing van de standaardwaarde toelaatbaar is. Hiermee is het verantwoord om af te wijken van de standaardwaarde. Met de toevoeging van het bouwvlak is in het kader van geluid sprake van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt het bevoegd gezag verzocht af te wijken van de standaardwaarde uit het bkl voor de geluidimmissie.
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.
In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan.
Het plangebied is gelegen in de kern Nederweert Eind van gemeente Nederweert. In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische bedrijven aanwezig. Geurhinder treedt op als de herhaaldelijk waargenomen geur als onaangenaam wordt beoordeeld en het welbevinden daardoor negatief wordt beïnvloed. Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress gerelateerde lichamelijke gezondheidsklachten. De meest voorkomende en beschreven gezondheidseffecten van geur zijn de effecten van (ernstige) hinder. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder andere af van de aangenaamheid, duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen een belangrijke rol.
De geur van veehouderijen wordt veroorzaakt door de uitstoot van een mengsel van verschillende stoffen, zoals ammoniak, waterstofsulfide en diverse vluchtige koolwaterstoffen. De geur komt vrij uit de (mest in) de stal, mestbassins, bij mestverwerking en opslag en productie van voer. Geuremissie vanuit dierenverblijven van veehouderijen wordt uitgedrukt in odour units (OUE).
Uit het geuronderzoek Bijlage 2 komt naar voren dat het plangebied overbelast is ten aanzien van geur en er sprake is van een matig woon- en leefklimaat. Dit geldt overigens voor het grootste deel van de woonkern Nederweert Eind.
De berekende indicatieve achtergrondbelasting is weergegeven in figuur 5 en 6 in het geuronderzoek (alle kaarten zijn ook bijgevoegd als bijlage 1 in Bijlage 2). De indicatieve achtergrondbelasting bedraagt op de plek waar de woning gesitueerd wordt rond de 15 Ou. Op basis van Tabel A van Bijlage 6 van de handreiking Wgv bedraagt het hinderpercentage ter plaatse van de nieuwe woning 16-17%. In woonkernen wordt ten aanzien van de achtergrondbelasting van geur maximaal 12% (maximaal 10 Ou) als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat beschouwd. De GGD stelt op basis van 12% geurhinder voor woonkernen een gezondheidskundige advieswaarde van 5 OU voor de achtergrondbelasting. De indicatieve achtergrondbelasting ligt ter plaatse van het plangebied boven het maximale hinderpercentage van 12%. Het voorgenomen plan ziet echter toe op slechts één nieuwe woning binnen een bestaande woonkern. Hierbij is sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aantal extra blootgestelden aan de verhoogde geurbelasting in Nederweert-Eind door één extra woning in de bestaande woonkern is te verwaarlozen.
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur 2024 van plangebied
Bij ruimtelijke besluiten moet worden afgewogen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Eén van de leidende principes is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd moet zijn. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van. Geur, fijnstof, endotoxinen afkomstig van veehouderijen en aanwezigheid van geitenhouderijen binnen een afstand van 2 km kunnen mogelijk leiden tot een verhoogd gezondheidsrisico en moeten daarom betrokken worden in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het plan.
Onderhavig plan maakt één nieuwe woning mogelijk in de woonkern Nederweert-Eind. Het plangebied ligt tussen bestaande woningen.
Geur
De westelijke zijde van de woonkern Nederweert-Eind, waar het plangebied is gesitueerd, ligt binnen de vergunde geurcontouren van kalkoenenhouderij Eind 12 en de varkenshouderijen Hulsen 1 en Houtsweg 12, waardoor sprake is van een voor geur overbelaste situatie. Deze veehouderijen worden niet door de nieuwe woning extra beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden, omdat bestaande woningen ook al overbelast zijn en de nieuwe woning niet de meest bepalende woning wordt.
De gemeente Nederweert heeft geen beleidsregels vastgesteld voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen en zal voor iedere ruimtelijke ontwikkeling de aanvaardbaarheid opnieuw moeten afwegen.
De geurbelasting binnen het plangebied is niet geheel toe te schrijven aan één enkele veehouderij, maar hoofdzakelijk aan de varkenshouderijen Hulsen 1 en Houtsweg 12 en de kalkoenenhouderij Eind 12. Het percentage geurgehinderden door geur van veehouderijen bedraagt in het plangebied op basis van de Handreiking Wgv en de berekende achtergrondbelasting maximaal 16-17%, waarbij sprake is van een 'matig' leefklimaat. Binnen het plangebied wordt niet voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarden, maar dit geldt voor een groot deel van de woonkern Nederweert-Eind. Bij een matig leefklimaat is de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling afweegbaar.
Fijnstof
De achtergrondconcentratie fijnstof PM10 ligt tussen de 16 en 17 µg/m3. De bronbijdrage van veehouderijen is beperkt (ongeveer 2 µg/m3). Gezien de relatief lage achtergrondconcentratie en de beperkte bronbijdrage door veehouderijen is er geen sprake van wezenlijk verhoogde gezondheidsrisico's ten gevolge van fijnstof door veehouderijen en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Endotoxinen
Het plangebied ligt net binnen de indicatieve endotoxine-risicocontour van de vleeskalkoenenhouderij op Eind 12. Hierdoor kunnen gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen niet geheel worden uitgesloten. De aanvaardbaarheid moet worden afgewogen door de gemeenteraad. In de omgeving van het plangebied zijn bestaande woningen aanwezig met een grotere endotoxine-belasting door dit bedrijf. Omdat er in de huidige situatie al bestaande woningen binnen de endotoxinen contour liggen is er geen sprake van een extra beperking voor deze veehouderij door de omgekeerde werking van het plan.
Afstand tot veehouderijen
Er liggen geen bedrijfsmatige geitenhouderijen binnen 2 kilometer van het plangebied . Binnen 1 km van het plangebied ligt geen andere pluimveehouderij dan kalkoenenhouderij Eind 12. Binnen 250 meter van het plangebied liggen geen andere veehouderijen dan Eind 12. Ten aanzien van de afstand tot kalkoenenhouderij Eind 12 moet de gemeente de aanvaardbaarheid van de situatie afwegen. Dit hangt samen met de afweging ten aanzien van geur, fijnstof en endotoxinen.
Uit dit onderzoek naar gezondheidseffecten door veehouderijen volgt dat ter plaatse van het plangebied betreft geur, fijnstof en endotoxine de situatie afweegbaar is en als aanvaardbaar kan worden beoordeeld. Deze afweging dient de gemeenteraad te maken. In deze afweging dient betrokken te worden dat het plan slechts één nieuwe woning mogelijk maakt binnen de bestaande woonkern van Nederweert-Eind en de toename van het aantal blootgestelden te verwaarlozen is.
De veehouderijen Hulsen 1, Houtsweg 12 en Eind 12 moeten uiterlijk in 2030 stallen aangepast hebben aan de provinciale eis van minimaal 85% ammoniakreductie. Dit zijn concreet te verwachten ontwikkelingen die zullen zorgen voor een afname van de geurbelasting bij de varkenshouderijen Hulsen 1 en Houtsteeg 12, en mogelijk ook voor een afname van geur, fijnstof en endotoxinen bij Eind 12. De inzet van het programma luchtkwaliteit van de gemeente Nederweert kan ook in deze afweging betrokken worden.
Veehouderijen in de omgeving worden niet in hun belangen geschaad (veehouderijen worden door het woningbouwplan niet extra beperkt in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden).
Het planvoornemen ligt in een overbelaste omgeving ten aanzien van geur en een matig woon- en leefklimaat, maar de geurbelasting op locatie valt in verantwoord gebied zoals gesteld door de GGD. Gezien dat dit een kleinschalig initiatief is met betrekking tot het realiseren van slechts één woning en dat het aantal blootgestelden te verwaarlozen is, is het plan aanvaardbaar en uitvoerbaar.
Gelet op bovenstaande vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Het bevoegd gezag moet een afweging maken of vanwege (onzekere) gezondheidsrisico's uit voorzorgsmaatregelen nodig zijn. Voorbeelden om uit voorzorgsmaatregelen te nemen zijn de gezondheidseffecten van geitenhouderijen, omdat er effecten zijn gevonden. Onduidelijk is nog waar deze effecten precies vandaan komen. In navolgende paragrafen worden de belangrijkste gezondheidsaspecten benoemd.
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de fysieke leefomgeving is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.
Uitsnede geur en gezondheid toetsing van veehouderijen
Het plangebied ligt op ruime afstand van de vergunde individuele en (indicatieve) cumulatieve endotoxine-risicocontouren van omliggende veehouderijen. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen. Het omgevingsplan heeft geen omgekeerde werking en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Ten aanzien van endotoxinen is het plan aanvaardbaar en uitvoerbaar. Een uitgebreide analyse van geur en gezondheid worden toelicht in Bijlage 2.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol bij een wijzigingsbesluit en moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.
Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving.
Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.
Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken. De toepassing van deze gezondheidsaspecten op onderhavige wijziging van het omgevingsplan is hierna beschreven.
Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in het realiseren van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. De meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding bevindt zich op een afstand van circa 1,7 km tot spanning 150kV (blauw) en circa 3 km tot spanning 380kV (rood) tot aan het plangebied. Op navolgende kaart wordt de meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding tot het plangebied afgebeeld.
Uitsnede kaart hoogspanningslijnen t.o.v. het plangebied (Atlas Leefomgeving)
Magneetvelden Onderzoek in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen wijst erop dat magnetische velden in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningskabels mogelijk kunnen leiden tot een verhoogd risico op leukemie bij kinderen.
Om uit te sluiten dat de hoogspanningslijnen het planvoornemen kunnen belemmeren is bekeken of de hoogspanningslijnen in het bovenstaande figuur op genoeg afstand liggen van het plangebied. De notatie '2x80 meter' is de rekenafstand waarbinnen wordt geadviseerd om te rekenen, dit betekent dat deze afstand zich aan weerzijden van de hoogspanningslijn tot 80 meter uitstrekt, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. De dichtbijzijnde hoogspanningslijnen ten opzichte van het plangebied liggen op respectievelijk 1,7 en 3,0 km.
Gelet op de bovenstaande toetsing vormen magneetvelden geen belemmering voor het planvoornemen.
GeluidDe bovengrondse delen van de verbinden kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen, ook wel coronageluid genoemd.
Het planvoornemen ligt op 1,7 km tot de dichtsbijzijnde hoogspanningslijn. Veel woningen liggen dichterbij dan het planvoornemen en de minimale afstand om een nieuwbouwwoning te realiseren ten opzichte van een hoogspanningslijn is 80 meter volgens de richtlijnen van het RIVM. Doordat het planvoornemen op een aanzienlijk grotere afstand ligt dan de richtlijnen die het RIVM stelt, wordt niet geacht dat geluidseffecten hoorbaar zijn op de locatie van het planvoornemen.
Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.
Aan de hand van de 'Beleidsregel omgekeerde werking: woon- en leefklimaat, zesde herziening' geldt dat binnen een afstand van 500 meter tot een geitenhouderij geen nieuwbouw van een woning plaats mag vinden. Binnen 1.500 meter van een geitenhouderij is nieuwbouw van een woning mogelijk mits de geitenhouderijen hierdoor niet in haar bedrijfsactiviteiten worden belemmerd.
In het buitengebied van de gemeente Nederweert bevindt zich een drietal geitenhouderijen. Het gaat om de bedrijven gevestigd op de percelen Houtsberg 11 te Nederweert-Eind (circa 3 km tot plangebied, Roeven 21 te Nederweert (circa 2,1 km tot plangebied en Bergenweg 3c te Leveroy (circa 6 km tot plangebied).
De dichtbijzijnde geitenhouderij bevindt zich op een afstand van circa 2,1 km tot het plangebied. Hiermee kan worden uitgesloten dat er een geitenhouderij binnen 2 km ligt. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de GGD-richtlijnen. Er wordt tevens voldaan aan de 'Beleidsregel omgekeerde werking: woon- en leefklimaat, zesde herziening', aangezien de beoogde woning op een afstand van groter dan 1.500 meter van omliggende geitenhouderijen is gelegen. In Bijlage 2 wordt visueel weergeven hoe het plangebied zich verhoudt tot omliggende veehouderijen.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.
In het kader van de 'Beleidsregel omgekeerde werking: woon- en leefklimaat, zes herziening' geldt een richtafstand van 50 meter tussen de rand van het plangebied en de agrarische gronden (spuitzone).
In de nabijheid van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen waar bestrijdingsmiddelen (tot normaal gebruik) mogen worden gebruikt. De afstand tussen omliggende agrarische gronden en het plangebied betreft 14 meter. De bestaande woningen Eind 16 en 61 zijn dichterbij de agrarische gronden gelegen dan de beoogde woning. In de huidige situatie dient vanaf de agrarische gronden bij eventueel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen al rekening gehouden te worden met de nabijgelegen woningen aan het Eind. De beoogde woning wordt mogelijk gemaakt tussen de bestaande woningen aan het Eind en wordt hiermee onderdeel van het bebouwingslint.
Uitsnede kaart grondgebruik nabijgelegen agrarisch perceel (Bron: Boer&Bunder)
Uit gegevens van Boer&Bunder blijkt dat de agrarische gronden ten oosten van het plangebied al jaren in gebruik zijn als grasland. Bij de bemesting van grasland is relatief weinig sprake van drift. Gezien de nabijheid van bestaande woningen, de kleinschaligheid van drift en de kleinschaligheid van het planvoornemen is er met de beoogde ontwikkeling van de woning sprake van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken.
Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.
Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd.
De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM-kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze zijn nader uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.
Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante bijdragen aan positieve gezondheid geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld.
Met het planvoornemen wordt de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen mogelijk gemaakt. Door de geldende eisen die gelden voor nieuwbouw, zoals gasloos en bijna energieneutraal gebouw (BENG) wordt er een duurzaam en toekomstbestendige woning gecreëerd, welke bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat. Tevens wordt binnen de woning voorzien in een goed ventilatiesysteem waardoor het binnenklimaat van de woningen goed gereguleerd kan worden en er geen 'vochtige' woning kan ontstaan. Dit komt de gezondheid van de toekomstige bewoners ten goede.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld.
In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.
Aandachtsgebieden
In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.
Beoordeling
De beoogde ontwikkeling voorziet in het planologisch mogelijk maken van een vrijstaande woning. Een woning is een gevoelige functie. Hierom is in de volgende subparagraaf de luchtkwaliteit (NO2 en PM10) ter plekke van het plangebied in beeld gebracht en beoordeeld of er met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties in Nederland (GCN). De GCN voor fijnstof (PM10) is hieronder weergegeven en laat de achtergrondconcentratie fijnstof in het plangebied zien voor het jaar 2022. De achtergrondconcentratie binnen het plangebied ligt tussen de 16 en 17 µg/m3. De achtergrondconcentratie fijnstof ligt ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 (en 31,2 µg/m3 voor overschrijdingsdagen). De WHO-advieswaarde voor PM10 van 15 µg/m3 wordt in de huidige situatie nog wel overschreden, maar dit geldt voor de hele gemeente Nederweert.
In Bijlage 2 is een onderzoek uitgevoerd ten behoeve van geur en gezondheid. Hieronder worden de belangrijkste bevinden weergeven op het gebied van luchtkwaliteit.
De indicatieve cumulatieve belasting fijnstof PM10 vanuit emissie van veehouderij bedrijven is weergegeven in figuur 13. De belasting is gebaseerd veehouderij gegevens van het KRD (januari 2024). Er is gerekend met één emissiepunt gelegen op het midden van de veehouderij. Met name pluimveehouderijen hebben een relatief hoge fijnstofemissie. De bijdrage van fijnstof PM10 van veehouderijbedrijven ligt binnen het plangebied rond de 2 µg/m3.
De PM10 concentratie is lager dan de grenswaarde voor PM2,5. Omdat PM2,5 een onderdeel (fractie) is van PM10, wordt er op de planlocatie ook voldaan aan de PM2,5 grenswaarde. De achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ligt ruimschoots onder de grenswaarde. Uit onderzoek van RIVM blijkt dat bij een PM10-concentratie lager dan 32,5 µg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 normen kleiner dan 1% is (bron: Handreiking fijnstof en veehouderijen, Infomil). De grenswaarde voor PM2,5 vraagt geen aanvullende toetsing voor de agrarische sector.
Achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) in 2023 (GCN)
Indicatieve cumulatieve belasting fijnstof (PM10) vanuit veehouderijbedrijven (KRD, jan 2024)
Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 ter plaatse van de locatie overschreden worden. De bijdrage van het initiatief op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar/niet aanwezig en er wordt geen PM10 producerende activiteit op locatie mogelijk gemaakt.
Voor fijnstof PM10 geldt dat de concentratie met (16-18) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 40 µg/m³ PM10 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
De luchtkwaliteit heeft een grote invloed op de volksgezondheid, de emissie uitstoot van verkeer kan hierbij in negatieve mate aan bijdragen. De verkeersintensiteit zal op basis van de CROW toenemen met minimaal 7,7 per 24 uur.
Met het planvoornemen wordt het toevoegen van een vrijstaande woningen met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen voorzien. Deze ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de luchtkwaliteit met betrekking op verkeer in niet betekende mate bijdraagt.
Met het planvoornemen zijn geen belemmeringen volgend uit endotoxinen, hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen, gewasbeschermingsmiddelen en luchtkwaliteit te verwachten én wordt er bijgedragen aan een positieve gezondheid. Het plan voorziet hiermee in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en draagt hierdoor bij aan een positieve ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
De resultaten die voortkomen uit het gezondheidsonderzoek zijn toegevoegd als Bijlage 2.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Met onderhavige wijziging van het Omgevingsplan wordt voorzien in het realiseren van een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl), namelijk: de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. Het plangebied heeft de functie 'wonen' en er wordt de bouw van een woning mogelijk gemaakt. Uit historisch bodem onderzoek (Bijlage 3) is gebleken dat de locatie sinds circa 1967 vermoedelijk in gebruik is als grasland en daarna siertuin, hiervoor was het in gebruik als agrarische grond. Op basis van het historisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en wordt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek in het kader van de wijziging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor het verkrijgen van een bouwtitel niet noodzakelijk geacht.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen het plangebied. Voor de aanvraag van een bouwvergunning zal vermoedelijk wel een onderzoek noodzakelijk zijn.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 ontwikkeld.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend
Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2022-2027 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij: voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
Met name klimaatadaptatie is relevant in het kader van het planvoornemen, met als relevant uitgangspunt: elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verhardingen binnen het plangebied moet dan ook afgekoppeld worden en op eigen terrein geïnfiltreerd worden.
De waterschapsverordening is de opvolger van de keur na de (recente) inwerkingtreding van de omgevingswet. Hierin zijn alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving opgenomen. In paragraaf 1.2.1 van de waterschapsverordening heeft het algemeen bestuur van het waterschap doelcriteria vastgesteld. Deze criteria zijn bepalend voor de vraag of een handeling in het watersysteem kan worden toegestaan of niet. Het dagelijks bestuur heeft deze doelcriteria voor concrete situaties uitgewerkt in stroomschema's, vastgelegd in het document 'Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019'. De uitvoeringsregels bestaan uit stroomschema's toelichting op de zorgplicht, vergunningplicht, algemeen verbod en algemene regels met bijbehorende toelichting. Voor het planvoornemen is in dit kader van belang de gestelde bergingseis van 110 mm waaraan voldaan dient te worden voor de opvang van het hemelwater om dit vervolgens te infiltreren in de bodem.
Op de bij de waterverordening behorende legger van het Waterschap Limburg is te zien dat er aan de overzijde van de weg een aanvoerleiding Hulsenlossing gelegen is. Bij deze aanvoerleiding hoort een beschermingszone van 2 x 5 meter aan weerszijden van de leiding. Deze beschermingszone reikt niet tot aan het plangebied waardoor er geen belangen van het waterschap in het geding zijn.
Uitsnede legger Waterschap Limburg ter hoogte van het plangebied
Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt een rechtstreekse bouwtitel voor een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen mogelijk gemaakt. Er is op dit moment nog geen sprake van een concreet bouwplan voor deze beoogde woning. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwtechnische deel van de woning dienen de onderstaande richtlijnen van het waterschap in acht te worden genomen.
Grondwater
De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 1,25 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk noordwestelijk gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal zuidoostelijk gericht.
Het plangebied is niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied gelegen. Op basis van de omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken van te voren schriftelijk te worden gemeld aan Gedeputeerde Staten. Binnen het plangebied zullen ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden, waardoor vanuit dit kader geen belemmeringen bestaan.
Oppervlakte water
Binnen het plangebied en in de directe omgeving bevindt zich geen oppervlakte water waarmee rekening gehouden dient te worden. Met de realisatie van de vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen wordt ook geen primair oppervlakte water gerealiseerd.
Afvalwater
Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de riolering. Dit zal gescheiden aangesloten worden op de bestaande riolering zoals aanwezig ter plaatse van het Eind.
Hemelwater
Ter plaatse van het plangebied wordt de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen mogeliik gemaakt. In de huidige situatie is geen sprake van verhard oppervlak door het gebruik als tuin. Met de beoogde ontwikkeling wordt ter plaatse een nieuw bouwvlak van circa 179 m2 toegevoegd. Het bouwvlak mag voor 100% bebouwd worden, er zal rekening gehouden worden met 100 m2 erfverharding. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'mogen bijgebouwen worden gebouwd met een oppervlakte van maximal 75 m2. In zijn totaliteit zal er circa 350 m2 verharding worden gerealiseerd.
Conform het gemeentelijk beleid kan voor kleine bouwplannen volstaan worden met een minimale bergingseis van de nieuwe verhardingen van 30 mm. Het planvoornemen betreft een dergelijk klein bouwplan, waardoor de gemeentelijke bergingseis van 30 mm leidend is.
Voor het plangebied betekent dat 350m2 x 0,03 m= 10,5 m3 aan te leggen hemelwaterberging.
De waterberging kan in verschillende vormen gerealiseerd worden, zodat het hemelwater op eigen terrein kan infiltreren, hieronder enkele voorbeelden:
Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden
Met deze verschillende mogelijkheden wordt het opvangen van 10,5 m3 niet als probleem gezien, los van de mogelijkheden op het navolgende figuur, is er ook een bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel, waar mogelijk door middel van een overstort op aangesloten kan worden voor extreme situaties. Om hierop aan te sluiten dient een aanvraag gedaan te worden bij de gemeente Nederweert.
De voorziening dient binnen 48 uren weer beschikbaar te zijn voor een herhalingsbui. Bij het aanleggen van de infiltratievoorzieningen dient er rekening te worden gehouden met een GHG van 2 cm-mv. De hoogste waterstand is gemeten op 2,54 m en het maaiveld ligt op 31,8 m boven NAP. Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden voor een effectieve hemelwaterberging. Ophogen mag niet leiden tot wateroverlast. Op navolgende afbeelding is de GHG-kaart ter plaatse afgebeeld.
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaand uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetra). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigide stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verharding zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Voor hemelwater vraagt het Waterschap Limburg om een voorkeursvolgorde aan te houden, waarbij optie het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:
Bij eventuele verkoop van het perceel dient initiatiefnemer de verplichting tot het realiseren van adequate infiltratievoorzieningen, zoals hierboven weergeven, te vermelden aan de kopers.
In artikel 6 van de regels bij dit TAM-omgevingsplan is de verplichting opgenomen dat bij het indienen van een omgevingsvergunning voor het technisch deel voldoende infiltratie/bergingsvoorzieningen op te nemen om het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen te kunnen afkoppelen en verwerken op eigen terrein. Een een ander in lijn met de bepalingen in het Gemeentelijk Rioleringsplan Nederweert 2022-2027. Hiermee is in voldoende mate verzekerd dat wordt voldaan aan de eisen aangaande hemelwaterafkoppeling.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.
Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.
Plaatsgebonden risicocontourHet plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.
Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: GroepsrisicoBinnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.
Na raadpleging van de Kaart Veilige Omgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) zijn de volgende risicobronnen van invloed op onderhavige wijziging van het omgevingsplan. In deze paragraaf worden de belangrijkste bevindingen behandeld, welke uit het onderzoek externe veiligheid zijn gekomen. Dit onderzoek is terug te vinden in Bijlage 4.
Risicovolle milieubelastende activiteitenIn de nabije omgeving van het plangebied vinden risicovolle milieubelastende activiteiten plaats. Het plangebied ligt buiten de PR-06 contour en het brandaandachtsgebied, maar binnen het explosieaandachtsgebied van het nabijgelegen tanktstation. In de huidige situatie zijn er een aantal bestaande woningen aanwezig tussen het plangebied en het tankstation. De bedrijfsactiviteiten van het tankstation worden hierdoor met de beoogde ontwikkeling niet beperkt.
Een burgerwoning valt conform de definities van het Besluit Bouwwerken leefomgeving niet onder de categorie "zeer kwetsbaar gebouw" en valt derhalve niet onder het verbod zoals opgenomen in regel 21.4.1 van de Beheersverordening Nederweert, Budschop, Eind, Ospeldijk en Pannenweg-Oost, zoals tegenwoordig onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Nederweert. Binnen de veiligheidszone – lpg effectzone van 160 meter is de realisatie van een burgerwoning toegestaan. Nadere beoordeling van veiligheidsrisico's vanuit het omgevingsplan zijn hierdoor niet vereist.
Conform de Omgevingswet is de woning gelegen binnen een explosieaandachtsgebied. Op basis van de Omgevingswet zijn er alleen voorwaarden gesteld aan zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en objecten in relatie tot het plaatsgebonden risico (voorheen 10-6 contour). De geprojecteerde woning valt buiten deze contour.
In het Omgevingsplan gemeente Nederweert is ten aanzien van het tankstation (nog) geen explosievoorschriftengebied vastgelegd. Er kunnen eisen worden gesteld aan de bouw van de woning zoals opgenomen in artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. In het kader van de aanvraag bouwvergunning voor de bouw van de woning zal hiervoor een nadere afweging gemaakt worden.
Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen, de tussenliggende bebouwing en de afstand tot het tankstation is het niet bezwaarlijk om een woning toe te voegen binnen het plangebied. In geval van calamiteiten zijn er voldoende mogelijkheden om uit de richting van het tankstation te vluchten. Met het planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de bereikbaarheid van het tankstation door hulpdiensten.
Uitsnede kaart veilige omgeving
LeidingenOp een afstand van circa 800 meter ten oosten van het plangebied is de buisleiding A-521 van de Gasunie gelegen. De grootste inventarisatieafstand voor hogedruk aardgastransportleidingen bedraagt 580 meter. Gezien de afstand tot het plangebied zal dit niet tot verdere problemen leiden voor het planvoornemen.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming.
Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).
De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:
1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
Bij voorliggend planvoornemen is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V. van het Omgevingsbesluit.
Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit bijlage V van het Omgevingsbesluit overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
1. Drempelwaarden Bijlage V Omgevingsbesluit
Voor het planvoornemen is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: “J11: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.)”
Het planvoornemen is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het betreft namelijk slecht de realisatie van één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen bestaand bebouwd gebied. Hiermee betreft het planvoornemen geen m.e.r. -plichtige activiteit.
2. Ligging binnen een gevoelig gebied
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden,landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in onderdeel A in het Besluit m.e.r. Het plangebied maakt onderdeel uit van bestaand bebouwd gebied waarbij geen sprake is van natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden alsmede waterwingebieden gezien het huidige gebruik als tuin.
3. Belangrijke milieugevolgen
In Hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen.
Het planvoornemen is getoetst aan alle milieuaspecten van de fysieke leefomgeving die betrekking kunnen hebben op het planvoornemen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve milieueffecten heeft ten aanzien van deze aspecten. De locatie, aard en omvang van het planvoornemen leiden dan ook niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
Uit de M.E.R -beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is het cultureel erfgoed geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het beschermen en het voorkomen van aantasting van archeologische waarde.
Het plangebied kent een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 hoog'. Het plan voorziet in de bouw van een woning met (mogelijk) bijgebouw(en) en verharding(en). Het te verstoren oppervlak is daarmee veelal groter dan 250m2 en dieper dan 0,4m.
Derhalve is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd, deze is als Bijlage 5 opgenomen.
Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging buiten een gedurende de steentijd voor bewoning aantrekkelijke gradiëntzone, een lage verwachting voor resten uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum. Voor bewoningsresten daterend uit het neolithicum, de bronstijd, de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen geldt in verband met de ligging op een relatief laaggelegen deel van het dekzandlandschap een middelhoge verwachting. Voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt eveneens een middelhoge verwachting omdat het plangebied minstens de laatste tweehonderd jaar op een akker heeft gelegen buiten de zone met historische bebouwing.
Om het gespecificeerd archeologische verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied zes boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor en is tevens een kijkgat gegraven.
Bodemopbouw
De bodem binnen het plangebied bestaat bovenin uit een rommelig pakket zand dat overwegend bestaat uit humusrijk zand. De dikte van dit pakket loopt uiteen van vijfendertig centimeter tot 1,6 meter maar ligt over het geheel genomen rond een meter. Hieronder is een pakket schoon zand aangetroffen waarvan de top veelal wordt gekenmerkt door de aanwezigheid hierin van oxidatievlekken.
In welke maten is de bodem verstoord
Vergelijking van de bodemopbouw op het boorpunt met de minst diep verstoorde bodem met die op de overige boorpunten, laat zien dat de bodem op drie boorpunten tot minimaal een halve meter in C-horizont is verstoord, op één boorpunt 1 tot minimaal 75 centimeter in de C-horizont en het laatste boorpunt 4 zelfs tot 1,2 meter in de C-horizont.
Kunnen er nog behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn
De diepe bodemverstoring van minimaal een halve meter in de C-horizont, betekent dat de kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische sporen in deze zones uiterst gering is. Overigens zijn ondanks de hoge boordichtheid van ruim honderd boringen per hectare, het op vier van de zes boorpunten naboren met een megaboor met een diameter en het zeven van het hiermee opgeboorde zand, en het graven van een kijkgat op een vijfde boorpunt, nergens binnen het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen die op de (voormalige) aanwezigheid van dergelijke zouden kunnen wijzen.
Conclusie
Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische waarden aangetroffen waarmee met de toekomstige inrichtingswerkzaamheden rekening moet worden gehouden. In alle gevallen blijft echter onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11.
Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is het cultureel erfgoed geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het beschermen en het voorkomen van aantasting van cultuurhistorische waarde.
Cultuurhistorische waarde verwijst naar de waarde die een bepaald object, gebouw, landschap of fenomeen heeft vanuit een historisch en cultureel perspectief. Het omvat de betekenis en het belang van iets binnen een bepaalde culturele context, vaak gebaseerd op historische, artistieke, sociale, of symbolische aspecten
Het plangebied kent een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 hoog'. Het plan voorziet in de bouw van een woning met (mogelijk) bijgebouw(en) en verharding(en). Het te verstoren oppervlak is daarmee veelal groter dan 250m2 en dieper dan 0,4m.
Ten aanzien van cultuurhistorie is het plangebied zelf op basis van de cultuurhistorische waardenkaart voor Weert en Nederweert aangeduid als 'cultuurland'. Eind 61 is aangeduid als 'weg ouder dan 1890. Het plangebied is onbebouwd en in gebruik als tuin. Er zijn binnen het plangebied geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig dan wel andere bebouwing met cultuurhistorische waarden. Verder heeft de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen geen invloed op de aangrenzende weg. Deze blijft in zijn huidige vorm en inrichting bestaand. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Uit acheologisch onderzoek Bijlage 5 en de toetsing aan de cultuurhistorische waardenkaart is gebleken dat het cultureel erfgoed niet worden aangetast en geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan. Sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Het plangebied is op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Nederweert bestemd als 'Wonen'. Het plangebied is tot op heden altijd in gebruik geweest als tuin. De tuin is door initiatiefnemer onafgebroken intensief beheerd. Het gras is intensief gemaaid en de struiken zijn meermaals per jaar gesnoeid, waardoor er geen sprake is van een geschikt habitat voor beschermde soorten. Gezien de ligging binnen de bestaande bebouwde kom van de kern Eind is het dan ook zeer aannemelijk dat binnen het plangebied geen beschermde dier- en plantensoorten te verwachten zijn. Er dient voor de realisatie van de vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen op het voorste deel van het perceel beplanting te worden gerooid. Dit betreft een coniferenhaag en eventueel een boom. Deze beplanting is enkel geschikt voor eventuele broedvogels. Indien het rooien van deze beplanting buiten het broedseizoen (half maart - half augustus) plaatsvindt zal er geen sprake zijn van overtredingen in het kader van de Omgevingswet. Daarnaast zal het bestaande tuinhuisje verwijderd worden. Dit tuinhuis is slechts enkelwandig en bevat geen spouwmuren of zolderverdieping waar zich eventueel vleermuizen kunnen vestigen. Er dient bij het verwijderen van dit tuinhuisje altijd rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht.
Voor eventuele beschermde diersoorten zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikte habitat en/of vanwege vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen niet aan de orde. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, waardoor uitsluitend sprake is van een externe werking. Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen bestaand stedelijk gebied) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (0,75 km tot Sarsven en De banen) is verstoring ten gevolge van licht, trillingen, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten op voorhand uit te sluiten.
Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden
Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator), dit wordt gedaan in subparagraaf 4.11.2.3.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.
In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN, waardoor er uitsluitend sprake is van externe werking. Ten zuidoosten van het plangebied is op een afstand van 0,5 km NNN gelegen. Gezien de afstand tot het NNN en de afschermende werking van tussenliggende bebouwing zijn hierop ook geen effecten te verwachten.
Ligging plangebied t.o.v. omliggende NNN
Voor voorliggend plan is een stikstofnotitie opgesteld, de uitwerking hiervan is toegevoegd als Bijlage 6. Uit de notitie blijkt dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor onderhavig plangebied geldt een maximale emmisieruimte van 13,0 kg NOx/jaar. Hiermee kunnen significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatie- en gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden.
Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).
Een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 ha of meer, of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat zijn niet aanwezig in het plangebied. Hierom kan worden uitgesloten dat er houtopstanden aanwezig zijn in het plangebied. Daarnaast maakt het plangebied onderdeel uit van de bebouwde kom van de kern Nederweert Eind en is van houtopstanden in het kader van het beschermingsregime uit het Bal geen sprake.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Voor de weg Eind geldt een snelheidslimiet van 50 km/h. Voor de aangrenzende wegen (binnen de bebouwde kom) 30 km/h. Er mag uit worden gegaan van een 'normale' verdeling van het verkeer. De huidige verkeersintensiteit is niet bekend, er van uitgaande dat er in 2018 een verkeersintensiteit was van 4.504 per etmaal.
De vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen wordt ontsloten via de bestaande infrastructuur, zijnde het Eind. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de 'bestaande' inrit (poort) aan de rechterzijde van het perceel. Wel dient hiervoor nog de inritconstructie in aansluiting op de rijbaan worden aangelegd.
Aanzicht plangebied met aan rechterzijde de 'bestaande'inrit
Op basis van de CROW geldt op locatie voor een vrijstaand koophuis (Niet stedelijk, schil centrum) een minimale verkeersgeneratie van 7,7 per 24 uur. Deze toename zal gezien de bestaande infrastructuur geen belemmeringen opleveren voor het planvoornemen aangezien de capaciteit van de gebiedsontsluitingsweg Eind nog voldoende 'restruimte' heeft.
Het parkeren wordt voorzien op eigen terrein. Hiervoor worden (minimaal) twee parkeerplaatsen aangelegd om te voldoen aan de parkeernorm voor een vrijstaande woning. Gezien de omvang c.q. oppervlakte van het plangebied is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. De aanleg van voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, en de instandhouding hiervan, is geborgd in artikel 15.1.1 in de regels van voorliggend plan.
Gelet op bovenstaande vindt er op locatie een toename van minimaal 7,7 verkeersbewegingen per 24 uur plaatsvinden. De bestaande infrastructuur heeft een zodanig straatprofiel en capaciteit dat deze toename aan verkeersbewegingen geen probleem vormt en de verkeersveiligheid niet in het geding komt. Voor de weg Eind geldt een snelheidslimiet van 50 km/h. Voor de aangrezende wegen (binnen de bebouwde kom) 30 km/h. Er mag uit worden gegaan van een 'normale' verdeling van het verkeer. Tevens kan voorzien worden in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.
Het aspect verkeer en parkeren vormt hierdoor geen belemmering voor het planvoornemen.
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.
11 april 2023 is de nota energietransitie van de gemeente Nederweert gepubliceerd. Hierin beschrijft de gemeente Nederweert waar ze de komende jaren op focussen én waarom dit nodig is. Het betreffen concrete activiteiten en projecten die nodig zijn als eerste stappen om de uiteindelijke doelen te halen. Het doel voor 2030 is om gebouwen en huizen te voorzien met 25% Co2 en in 2050 het duurzaam opwekken en verwarmen, zonder dat er Co2 vrijkomt.
De gemeente heeft leidende principes opgesteld die in elk geval gehanteerd worden bij het realiseren van de doelen en het bepalen van de concrete gemeentelijke aanpak. Hierbij onderscheiden ze de volgende principes:
Het realiseren van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen draagt bij aan de doelen die de gemeente stelt op het gebied van duurzaamheid. Er zal een nieuwbouwwoning gerealiseerd worden, waarvoor al eisen gelden op het gebied van duurzaamheid zoals; gasloos en bijna energie neutraal gebouw (BENG). Met de geldende eisen die voor nieuwbouw gelden wordt direct aangesloten op de doelstelling van 2030 voor gebouwen en huizen.
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.
Er zijn verschillende manieren om de omgeving aan te passen aan de klimaatverandering. Door het extreme klimaat zoals: extreme regenbuien, hitte en droogte is het belangrijk om te zorgen dat de leefomgeving bestand is tegen deze klimaatveranderingen. Het planvoornemen betreft een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. In totaal zal er ongeveer 350m2 aan verharding worden toegevoegd. Hieronder worden de effecten van klimaatverandering behandeld.
Er zijn verschillende manieren om invulling te geven aan de bevordering van klimaatadaptie, voor elk van deze aspecten gelden andere mogelijke maatregelen die hieronder worden toegelicht.
Wateroverlast
Door klimaatverandering valt er steeds meer neerslag en neemt de intensiteit van de buien toe. Dit vergroot het risico op wateroverlast. Wateroverlast ontstaat als er zoveel regen valt, dat het oppervlaktewater de afvoer van het regenwater niet meer kunnen verwerken. Het is daarom belangrijk dat wanneer er verharding wordt toegevoegd, er gecompenseerd moet worden met waterbergingen. In de gemeente Nederweert geldt een compensatie van 0,03m wanneer de verharding minder dan 500 m2 betreft. In dit planvoornemen moet er 10,5m3 worden gecompenseerd. Hiervoor zijn er verschillende opties mogelijk, zoals al eerder toegelicht in 4.7.5:
Droogte
Door klimaatverandering komen langere droogteperiodes voor. Hierdoor, en ook door bijvoorbeeld ontwatering en waterwinning neemt verdroging van de bodem toe. Droogte en verdroging zijn nadelig voor de biodiversiteit, natuur, drinkwaterproductie, industrie en landbouw.
Het probleem van wateroverlast, kan tegelijkertijd de oplossing voor droogte zijn. Zoals eerder toegelicht in 4.7.5 geeft het Waterschap Limburg een voorkeursvolgorde aan, hoe om te gaan met hemelwater. De meest wenselijke mogelijkheid: water bergen en vasthouden voor hergebruik. Hiermee kan in tijden van veel neerslag het water worden opgevangen en in droge periodes het opgeslagen water worden gebruikt om droogte te bestrijden.
Hemelwater kan simpelweg worden opgevangen door een regenton, die onder een regenpijp staat. Hiermee komt het water direct in de regenton terrecht en kan het water worden opgeslagen tot dat het nodig is om te gebruiken in droge periodes.
Hittestress
Klimaatverandering leidt tot meer zomerse en tropische dagen. Extreme hitte heeft een groot aantal gevolgen, bijvoorbeeld voor de gezondheid van mensen, voor de buitenruimte en de leefbaarheid in de stad. Hitte heeft ook gevolgen voor andere aspecten van de leefomgeving, waaronder infrastructuur, drinkwater en oppervlaktewater.
Om een woning zo klimaatbestendig te maken zijn er verschillende manieren om in de zomer de hitte zo veel mogelijk te beperken. Zoals eerder toegelicht in 4.7.5 zijn er meerdere manieren mogelijk om warmte en wateroverlast tegen te gaan:
Een groen dak heeft vele voordelen zoals biodiversiteit en het opnemen van fijnstof en co2, het neemt tot maar liefst 5 graden minder warmte op. Bovendien houdt het groene dak water langer vast en geeft dat door verdamping geleidelijk af.
Wadi's worden steeds meer toegepast om water op te nemen in tijden van veel regenbuien. Het draagt niet alleen bij tegen wateroverlast maar verbetert de biodiversiteit en draagt bij aan het reduceren van de hittestress.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.
Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)
Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert is opgesteld op basis van TAM-IMRO.
Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging namelijk te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een wijziging van het omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die al is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan.
Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:
Toepassingsbereikbepaling (Artikel 1)
In Artikel 1 is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met de geometrische bepaalde planobjecten.
Begripsbepalingen (Artikel 2 en Artikel 3)
In Artikel 2 zijn de begrippen uit bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling van toepassing verklaard. In aanvulling daarop zijn in Artikel 3 aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Meet- en rekenbepalingen (Artikel 4)
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in artikel 4 en 5) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Aanvraagvereisten (Artikel 5)
In dit artikel is de koppeling gelegd met de aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 (van de bruidscha). Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van de regels.
Algemeen gebruiksverbod (Artikel 6)
Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaald dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Wonen (Artikel 7)
Ter plaatse van de functie 'Wonen' is het oprichten van een woning uitsluiten binnen het bouwvlak toegestaan, waarbij het maximum aantal wooneenheden niet meer mag bedragen dan is aangeduid op de verbeelding door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. In dit TAM-Omgevingsplan betreft dit één vrijstaande woning. Eventuele bijgebouwen mogen worden opgericht binnen de aanduiding 'overige zone - bouwvlak' of binnen de aanduiding 'overige zone - bijgebouwen'. Ter plaatse van deze aanduiding mag maximaal 75 m2 bebouwd worden, en 100 m² bij een levensloopbestendige woning, tot een maximum van 40%. Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht.
Als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie zijn een beroep aan huis, een bedrijf aan huis en mantelzorg onder voorwaarden rechtstreeks toegestaan in het hoofdgebouw. Er is een vergunningplicht voor afwijken opgenomen om deze functies ook in een bijgebouw te mogen uitvoeren.
Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 8)
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het (tijdelijke) omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
Algemene aanduidingsregels (Artikel 9)
Hier is een regeling opgenomen in verband met de ligging binnen een explosieaandachtgebied die bepaalt dat bouwwerken dienen te voldoen aan het vereiste uit artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), of gelijkwaardigheid als opgenomen in artikel 4.7 van de Omgevingswet.
Algemene beoordelingsregels (Artikel 10)
Voor het hele plangebied, en dus alle functies, gelden eveneens een aantal algemene beoordelingsregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke functies. Dit betreft name het borgen van de bergingseis voor het afkoppelen van het hemelwater.
Overige regels (Artikel 11)
In de overige regels zijn regels opgenomen zoals onder andere de rangorde van regels en regelingen omtrent parkeren.
Overgangsrecht (Artikel 12)
In deze regels is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bouwen en gebruik.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan:
Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.
Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is door de initiatiefnemer zelf een omgevingsdialoog gevoerd met de directe omgeving. Daarbij is de handleiding participatie en omgevingsdialoog van de gemeente Nederweert gehanteerd.
In het kader van de omgevingsdialoog heeft afstemming plaatsgevonden met de bewoners c.q. eigenaren van de belendende percelen (Eind 63 en 65 en Sint Gerardusstraat 2 en 4) en de bewoners c.q. eigenaren aan de overzijde van de weg (Eind 16). Zij hebben in een persoonlijk gesprek aangegeven aan initiatiefnemer dat zij geen bezwaar hebben tegen het planvoornemen (vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen). Er is zelfs aangegeven dat de bewoners (Eind 63) juist erg blij zijn met de extra mogelijkheid tot het realiseren van een vrijstaande woning voor initiatiefnemer. Een overzicht van de geanonimiseerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als Bijlage 7 bij deze motivering.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Anterieure overeenkomst
Als sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
Het kostenverhaal van voorliggende planontwikkeling is verzekerd in het privaatrechtelijke spoor middels een anterieure overeenkomst c.q. nadeelcompensatie-overeenkomst. Het betreft namelijk een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Er is, op ambtelijke kosten middels leges na, geen sprake van op de initiatiefnemer te verhalen kosten. Er is met de nadeelcompensatie-overeenkomst gewaarborgd dat eventuele kosten niet voor rekening van de gemeente komen, maar voor rekening van de initiatiefnemer op het moment van realisatie van de woning. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiele uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd en anderzijds verzekerd is.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
In dit kader is tussen gemeente Nederweert en initiatiefnemer een anterieure c.q. nadeelcompensatie-overeenkomst gesloten.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit
PM
PM
PM