| Plan: | Diekendaal 21 Heijen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0907.BP20112DIEKEN21HEI-VA01 |
De molen (genaamd Gerarda) aan de Diekendaal 19 in Heijen kent een rijke geschiedenis. Na vele malen opnieuw te zijn opgebouwd na brand of anderszins is in 1951 de molen in zijn huidige hoedanigheid opgericht. Een jaar later is op het terrein diverse bedrijfsbebouwing gerealiseerd met een maalderij, een transformatorhuisje en een bedrijfswoning. In 1970 is op het perceel een pluimveehouderij uitgebaat. Om de cultuurhistorische waarden van deze plek te behouden en de gronden te kunnen verkopen heeft de huidige eigenaar het voornemen om het perceel aan de Diekendaal 21 in Heijen te herontwikkelen.
De herontwikkeling van het terrein biedt kansen om de ruimtelijke kwaliteit rondom de molen te vergroten en daarmee een TOP-locatie (Toeristisch Overstap Punt) te worden. Het voornemen is om de maalderij om te bouwen naar een woning en als compensatie voor het slopen van de stallen van de kuikenmesterij één extra woning te realiseren. De bestaande woning in het Mulderhuis blijft behouden. Voorts is het perceel middels passende kwaliteitsverbeterende maatregelen landschappelijk ingepast.
De ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied ligt aan de Diekendaal 21 ten zuiden van de kern Heijen. Het perceel grenst aan de oostzijde en zuidoostzijde aan een recreatieterrein. Ten zuidwesten van de locatie is een restaurant aanwezig (Molenzicht) en aan de noordzijde ligt een agrarisch bedrijf. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging van plangebied en de omgeving(bron: www.openstreetmap.org)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
De locatie ligt aan de Diekendaal 21 ten zuiden van de kern Heijen en grenst aan de oostzijde en zuidoostzijde aan een recreatieterrein. Ten zuidwesten van de locatie is een restaurant aanwezig (Molenzicht). Aan de noordzijde liggen vervallen stallen behorende bij een agrarisch bedrijf. Het bedrijf en het perceel met de stallen staan momenteel te koop. Aan de N271 staat een molen, de Gerardamolen (Diekendaal 19). Aan de overzijde van de Diekendaal bevinden zich agrarische gronden.
Op het perceel zelf is een woning aanwezig aan de voorzijde (het Mulderhuis). Daar aan vast gebouwd ligt een aanzienlijk oppervlak aan bedrijfsbebouwing. Het betreft hier onder meer de voormalige bebouwing van de maalderij. Achter op het perceel staan nog twee voormalige stallen. Dit waren voorheen de stallen van een intensieve veehouderij (kuikenmesterij).
Grenzend aan het recreatieterrein staat een vakantiewoning, op het kadaster aangeduid als Diekendaal 21a. Nabij de molen staat nog een trafohuisje met een apart kadastraal nummer.
Op het perceel staan langs de toegangsweg enkele markante bomen. Ten noorden van de toegangsweg ligt een lager gelegen dierenweide. Ook ten zuiden van de woning, tussen de hoofdgebouwen en het vakantiehuisje, ligt een dierenweide.
Navolgende afbeeldingen geven de huidige situatie weer.
Luchtfoto van het plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
Aanzicht van de molen
v.l.n.r. het Mulderhuis met aangebouwde delen, de Maalderij en de mestkuikenschuren
Het voornemen is om het gebied rondom de molen een nieuwe kwalitatieve impuls te geven. Leidend hierbij zijn de recreatieve en cultuurhistorische waarde van de molen en haar omgeving. Dit houdt in dat het molenensemble van Molen, Muldershuis en Maalderij zo goed mogelijk tot zijn recht moet komen. Het voornemen is dan ook om de maalderij om te bouwen naar woning. Verder kan kwaliteitswinst behaald worden door de stallen van de kuikenmesterij te slopen en als compensatie voor het slopen één extra woning te bouwen. Naast de stallen van de kuikenmesterij wordt tevens de overtollige voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt, in totaal goed voor 1.576 m². Op het adres Diekendaal 21 is in de huidige regels van het vigerende bestemmingsplan 2.080 m² aan bijgebouwen toegelaten. Op basis van lid 22.3.1 sub d mag voor de gesloopte oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (1.576 m²) 40% van de gesloopte oppervlakte ten behoeve van bijgebouwen terug worden gebouwd, wat neerkomt op 630 m² (1.576 * 40%). In de toekomstige situatie mag hierom (bijgesteld) per woning 200 m² aan bijgebouwen worden gerealiseerd. De bestaande woning en de nieuwe woningen zullen via de bestaande inrit ontsloten worden.
In het kader van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu worden aanvullende kwaliteitsverbeterende maatregelen getroffen op het perceel (zie ook paragraaf 3.3.2). Een van de maatregelen is dat het noordelijke perceeldeel wordt ingericht als natuurterrein in de vorm van bloemrijk nat grasland. Naast versterking van de natuurwaarden biedt dit terrein ruimte voor de opvang van water. Daarnaast wordt de omgeving van de Gerardamolen opgewaardeerd door het aangrenzende groengebied ten zuiden van de molen te betrekken bij het entreegebied van de molen. De sloop van de bebouwing en onderdelen van het landschappelijk inrichtingsplan met kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn in de regels voorwaardelijk verplicht gesteld. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op welke concrete maatregelen in dit plan worden genomen om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van het Gelders Genootschap uit het Cultuurhistorisch onderzoek molencomplex Diekendaal Heijen.
In het landschappelijk inrichtingsplan in bijlage 1 is (de tot stand koming van) het initiatief nader toegelicht. In navolgende afbeelding is het schetsontwerp van voorliggend initiatief opgenomen.
Schetsontwerp Diekendaal 21 Heijen (bron: Buro SRO)
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
Ladder duurzame verstedelijking
Voorliggend plan maakt twee reguliere woningen binnen het plangebied mogelijk (de woning in het Mulderhuis is reeds toegestaan). Uit jurisprudentie blijkt dat pas van een stedelijke ontwikkeling sprake is bij nieuwe woningbouw ontwikkelingen die voorzien in 11 nieuwe woningen of meer. Dit plan is daarom niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.
Het initiatief past binnen het Rijksbeleid.
De Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld. Dit is een strategische visie op de fysieke leefomgeving voor de lange termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen als wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast zijn ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving meegenomen.
De provincie benoemt de volgende drie hoofdopgaven:
Bij het zoeken naar de balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, worden afwegingen gemaakt op basis van de onderstaande Limburgse principes:
Planspecifiek
Op navolgende kaart uit de Omgevingsvisie Limburg is te zien dat het plangebied in het 'Buitengebied' ligt. Dit gebied laat zich typeren als een gebied met een agrarisch karakter, waar mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw, het terugdringen milieubelasting vanuit landbouw en kwaliteit en functioneren van de ondergrond. Onderdeel van de ambities is de wens een kwaliteitsslag te maken in het landelijk gebied door verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van de leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is. Het nieuw vestigen van een agrarisch bedrijf is gezien de ligging tussen burgerwoningen geen reële optie. Het hergebruiken van de leegkomende bebouwing voor woningen is daarvoor een passend alternatief.
Daarnaast streeft de visie naar het behoud en versterken van de kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het landschap, in combinatie met het ruimte bieden aan ontwikkelingen die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van dat landschap. Van belang daarbij is dat het monumentaal erfgoed zoveel mogelijk (her-)gebruikt wordt, met aandacht voor landschappelijke inbedding. Monumenten zoals de molen en de directe omgeving ervan zijn van invloed op de landschappelijke kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten deze beide elementen op elkaar worden afgestemd. Door het Mulderhuis als zodanig te behouden en de maalderij intern te verbouwen tot een woning blijven de cultuurhistorische waarden van deze plek bewaard. Daarnaast wordt met de inrichting van het perceel rekening gehouden met het behoud van de landschappelijke kwaliteit ter plaatse.
Uitsnede van de ontwerp Omgevingsvisie Limburg, plangebied rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De Omgevingsvisie Limburg staat de uitvoering van dit initiatief niet in de weg.
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is bepaald dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling
mogelijk maakt rekening houdt met de Ladder voor duurzame verstedelijking. De regionale afspraken over wonen zijn met een Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 geborgd in de provinciale omgevingsverordening. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg mag alleen voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale
Woonvisie Noord-Limburg 2020-2040. In het ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen, dient te worden verantwoord op welke wijze het plan aansluit bij de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2040.
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van twee reguliere woningen (de woning in het Mulderhuis is reeds toegestaan). Zoals ook uitgebreider zal worden toegelicht in navolgende paragraaf zijn de woningen passend binnen de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Daarmee voldoet het initiatief aan de gestelde voorwaarde uit de verordening met betrekking tot het thema wonen.
Het initiatief past binnen het Provinciale Omgevingsplan en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Op 1 februari 2010 hebben Gedeputeerde Staten van Limburg de Provinciale Woonvisie vastgesteld. Doel van de woonvisie is om te bereiken dat de juiste woningen op de juiste locatie en op het juiste moment beschikbaar komen. Het streven is een goed functionerende woningmarkt, waarin alle betrokkenen in hun behoeften kunnen voorzien.
De woonvisie behandelt met name de bovenlokale en regionale sturing van de woningmarktontwikkeling, zowel uit kwantitatief als uit kwalitatief oogpunt. Belangrijke aandachtspunten zijn herstructurering, leefbaarheid en duurzaamheid. Nadere concretisering van de provinciale woonvisie vindt op regionaal niveau plaats in regionale woonvisies. Om de lange termijndoelstellingen te kunnen realiseren, wordt op kortere termijn gestreefd naar een kwalitatief goede en passende woningvoorraad met voldoende betaalbare woningen die voor de betreffende doelgroepen in voldoende mate beschikbaar zijn. In de woonvisie is aandacht voor de verwachte afname van de woningbehoefte (in Zuid-Limburg vanaf 2014, in Noord- en Midden-Limburg vanaf 2025/2029) en de daarmee samenhangende problematiek van herstructurering en
noodzakelijke aanpassing van de woningvoorraad. Voor Noord- en Midden-Limburg geldt daarom dat binnen de nog resterende groeimogelijkheden maximaal moet worden ingezet op een tijdige aanpassing van de samenstelling van de woningvoorraad. Binnen stadsregio's dienen nieuwe activiteiten zoveel mogelijk te worden geconcentreerd binnen het bestaand stedelijke gebied. Voor Noord-Limburg geldt voor de periode
2010-2030 een verwachte ontwikkeling in de woningvoorraad van circa 8.000 woningen. Hiervan wordt circa 47% gerealiseerd in de stadsregio's Venlo en Venray en circa 53% in de plattelandskernen.
Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2040
De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2040 geeft richting aan het woonbeleid van de regio voor de komende vier jaar. Uitgangspunt daarbij is dat de huidige samenwerking en afstemming tussen verschillende partijen, waaronder corporaties, ontwikkelaars, zorginstellingen etc., wordt voortgezet. Op basis van een analyse over de huishoudensontwikkeling, de link tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad en enkele trends en ontwikkelingen zijn er in de visie enkele opgaven geformuleerd die als volgt zijn samen te vatten:
Bij nieuwbouw dient de voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Om richting te geven aan de benodigde aantallen wordt er gebruik gemaakt huishoudensprognoses. Een goede onderbouwing van de woningbehoefte blijft echter leidend. Daarvoor zijn in de visie onderstaande uitgangspunten opgenomen, waaraan alle nieuwe woningbouwplannen, ook Ruimte voor Ruimte plannen, aan moeten voldoen:
Planspecifiek
Voorliggend initiatief maakt twee reguliere woningen binnen het plangebied mogelijk (de woning in het Mulderhuis is reeds toegestaan). De woningen zijn passend binnen de woningbouwafspraken van de gemeente Gennep, zie hiervoor ook paragraaf 3.3.3 en 3.3.4. Deze afspraken vormen een uitwerking van de provinciale en de regionale woonvisie. De provinciale woonvisie staat het initiatief niet in de weg. Het initiatief is passend binnen het provinciale beleid.
Op 23 september 2019 heeft de gemeente Gennep de 'Omgevingsvisie gemeente Gennep' gepubliceerd. In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente wat haar visie is op de fysieke leefomgeving voor de komende 10 tot 15 jaar. Dat kan niet zonder de inbreng van en samenwerking met de inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Een belangrijke opgave voor de gemeente is het behouden en versterken van een goed woon- en leef- en werkklimaat. In de zoektocht die volgt vindt de gemeente aansluiting bij het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Voor het definiëren van het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' hanteert de gemeente de volgende vier waarden:
Het behouden van bestaande kwaliteiten en het creëren van nieuwe ruimtelijke kwaliteit is een lastig proces. Bij nieuwe planvorming zal de gemeente daarom vanaf het eerste idee tot aan de realisering en het beheer gezamenlijk aandacht schenken aan het begrip ruimtelijke kwaliteit. De gemeente heeft voor ontwikkelingen in de kernen en het buitengebied een regeling, het kwaliteitsmenu.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Kerngebied Rivierduinen’. Relevante doelstellingen voor dit deelgebieden zijn:
Met de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten op alle relevante doelstellingen.
Zo wordt de omgeving van de Gerardamolen opgewaardeerd door het entreegebied van de molen te verruimen. Daarnaast zorgt de sloop van de bebouwing en de herbestemming van de maalderij van schuur naar woning voor het behoud van een cultuurhistorisch waardevol ensemble. Binnen het plangebied is daarnaast sprake van de realisatie van nieuwe natuur op een tweetal plekken. Tenslotte zorgt de landschappelijke inpassing van erfbeplanting voor een sterke kwaliteitsverbetering van het plangebied. Voor een volledige omschrijving van de kwaliteitsbijdrage wordt verwezen naar bijlage 1 en navolgende paragraaf 3.3.2.
Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie Gennep.
Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is een uitwerking van hetgeen in hoofdlijnen is vastgelegd in de POL-aanvulling "verstedelijking gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering". Het LKM stelt regels voor het bouwen in het buitengebied in Limburg. Het LKM vereist dat bouwprojecten vergezeld dienen te gaan van kwaliteitsverbeteringen van het buitengebied, bijvoorbeeld door de aanleg van natuur, een groene inpassing of door de sloop van bestaande bebouwing. De verantwoordelijkheid van de uitvoering van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) heeft de provincie overgedragen aan de gemeente. De gemeente Gennep heeft in het LKM uitgewerkt in een gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM) dat is opgenomen in haar Structuurvisie buitengebied gemeente Gennep. In die structuurvisie ligt de locatie binnen het gebied 3A 'Kerngebied rivierduinen'. Per deelgebied heeft de gemeente aangegeven of zij een positieve, neutrale of negatieve grondhouding aannemen voor bepaalde typen ontwikkelingen (verdeeld in modules). Vanuit het GKM geldt een neutrale grondhouding ten opzichte van woningbouw (module 'Nieuwe (solitaire) woningbouw'), wat inhoudt dat er een maatwerkbeoordeling zal plaatsvinden.
Planspecifiek
Kwaliteitsverbetering bij voorliggend plan wordt behaald door de vervallen mestkuikenschuren te slopen en de latere aanbouw tussen het Mulderhuis en de maalderij te verwijderen. Daarbij wordt het perceel opnieuw landschappelijk verbeterd met gebiedseigen beplanting (en behouden behoudenswaardige beplanting) en de nieuwe woning zorgvuldig ingepast. De sloop van de vervallen bebouwing en het ere herstellen van de cultuurhistorische bebouwing zorgen voor het behoud van de cultuurhistorische kwaliteit van deze plek.
In bijlage 1 is op pagina 21 uiteengezet wat de gewenste kwaliteitsbijdrage precies inhoud en is de bijbehorende berekening toegevoegd. Kort samengevat komt de gewenste kwaliteitsinvestering die voortvloeit uit het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) neer op €33.000,-. Alleen al door de sloop van de bebouwing wordt voldaan aan de gewenste kwaliteitsinvestering. Maar sloop van bebouwing is niet het eindpunt van de verbetering van het perceel rondom Gerardamolen. Alle te nemen maatregelen bij elkaar (excl. landsch. inpassing) komen neer op een kwaliteitsinvestering van €90.197,- waarmee ruimschoots voldaan wordt (surplus van €57.197,-) aan het gewenste investeringsbedrag.
Het initiatief past binnen de structuurvisie buitengebied gemeente Gennep.
Op 3 juli 2017 heeft de gemeenteraad van Gennep de lokale woonvisie 'Samen Sturen op Kwaliteit - lokale woonvisie gemeente Gennep 2017 - 2021' vastgesteld. De gemeente omschrijft de woningmarkt binnen Gennep als een gezonde woningmarkt waarbinnen vraag en aanbod voor de korte en lange termijn in balans zijn. Sturing vindt voornamelijk plaats op kwantiteit en kwaliteit, waarbij mét de gemeente ook inwoners, woningcorporaties, ontwikkelaars, makelaars en zorg aanbieders zijn betrokken. Om de woningmarkt de aankomende jaren gezond te houden zet de gemeente in op doorstroming. De markt moet daarvoor zowel kwantitatief als kwaliteit divers zijn. Nieuwbouw moet vooral worden ingezet om te voldoen aan de behoefte op langere termijn. Per kern werkt de gemeente vervolgens uit of en zo ja, waaruit het woningbouwprogramma tot aan 2030 uit gaat bestaan. Voor wat betreft de kern Gennep wordt er in de visie ingegaan op de grootschalige woningbouwinitiatieven. Met betrekking tot particuliere initiatieven heeft de gemeente een eigen beleidsregel 'woningbouw op inbreidingslocaties 2019' opgesteld, zie 3.3.4.
Planspecifiek
In de lokale woonvisie gemeente Gennep staat aangegeven dat binnen de gemeente weinig ruimte meer is voor (grootschalige) woningbouwontwikkelingen. Om particulieren toch de kans te bieden zelf via eigen initiatief een nieuwe woning te realiseren, heeft de gemeente een apart beleidsstuk ontwikkeld. Op welke wijze dit plan aansluit op de beleidsregel voor particuliere woningbouwinitiatieven wordt nader toegelicht in navolgende paragraaf 3.3.4. De lokale woonvisie staat voorliggend plan niet in de weg.
Het plan past binnen de Lokale Woonvisie gemeente Gennep 2017 - 2021.
Om ondanks de te verwachten ontgroening en vergrijzing toch incidentele woningbouw voor particulieren mogelijk te maken heeft de gemeente Gennep speciaal voor deze doelgroep vanaf 2012 beleid ontwikkeld welke ondertussen meermaals is geactualiseerd. Uit het beleid volgen onder andere de volgende voorwaarden waarbinnen de gemeente particuliere woningbouw initiatieven redelijk acht:
Planspecifiek
Voorliggend initiatief maakt twee reguliere woningen binnen het plangebied mogelijk (de woning in het Mulderhuis is reeds toegestaan). Een van de twee nieuwe woningen wordt gerealiseerd in de bestaande maalderij en de andere woning komt in de plaats van de twee grote mestkuikenschuren. Door gebruik te maken van een bestaand pand heeft de ontwikkeling van de woning in de maalderij geen effect op het aanzicht van het perceel. De nieuwe woning ter plaatse van de mestkuikenschuren zorgt er voor dat grote vervallen agrarische bebouwing verdwijnt van het perceel waardoor er een grote kwaliteitsslag gemaakt wordt voor het perceel. Door het toevoegen van één woning op deze plek is er in zekere zin sprake van inbreiding van een zeer bescheiden formaat ten opzichte van de huidige mestkuikenschuren. Voorliggend document motiveert het voornemen vanuit een goede ruimtelijke ordening en voorziet in de ruimtelijke procedure. De aanvullende voorwaarden hebben betrekking op de haalbaarheidsaspecten waar de nieuwe woning vanuit goede ruimtelijke ordening aan dient te voldoen. Op welke wijze dit plan passend is binnen de haalbaarheidsaspecten wordt toegelicht in hoofdstuk 4.
Het initiatief past binnen het gemeentelijk beleid met betrekking tot het thema wonen.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Gennep", vastgesteld op 3 april 2012 door de raad van de gemeente Gennep. In dit geldende bestemmingsplan heeft het plangebied deels de enkelbestemming 'Wonen' en deels de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap'. De gehele planlocatie heeft de gebiedsaanduiding 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Een klein gedeelte ten zuiden van de molen kent de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied'.
Ter plaatse van het plangebied geldt tevens het "Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemeente Gennep", vastgesteld op 4 juni 2018.
Uitsnede bestemmingsplan "Buitengebied Gennep" (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen de bestemming 'Wonen' is één woning toegestaan. Daarnaast is specifiek voor dit perceel bepaald dat 2.080 m² aan bijgebouwen zijn toegestaan. Binnen de gronden van het perceel met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur en landschap' is geen bebouwing toegestaan. Tenslotte geldt binnen de aanduiding molenbiotoop dat bij nieuwbouw er een beperking is van de bouwhoogte om zo de windvang van de molen te garanderen.
Het realiseren van een nieuwe woning ter plaatse van de mestkuikenschuren en het omzetten van de maalderij tot een woning is op basis van de huidige regels niet toegestaan. Daarnaast is het oprichten van de nieuwe woning niet toegestaan binnen de molenbiotoop. De herontwikkeling van het perceel is echter in groot belang voor het behoud van de recreatieve en cultuurhistorische waarde van de molen. Door de woonfunctie op het perceel te vergroten wordt het (financieel) mogelijk de ruimtelijke kwaliteit rondom de molen te verbeteren en op te waarderen tot een TOP-locatie (Toeristisch Overstap Punt). Bovendien komt de nieuwe woning achter hoge bestaande bomen en de maalderij waardoor het voornaamste bezwaar, de bescherming van de windvang van de molen, komt te vervallen.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
In het kader van voorliggend initiatief is een verkennend onderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd, zie bijlage 2. Geconcludeerd wordt dat het terrein vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor de huidige en de toekomstige bestemming, afgezien van de locatie van de mestkuikenschuren. De toplaag van de bodem ter plaatse van de druppelzone ten westen van de oostelijke schuur bevat een gewogen asbestgehalte welke de interventiewaarde cq. hergebruiksnorm overschrijdt. In het kader van de geplande herontwikkeling dient de aangetoonde asbestverontreiniging gesaneerd te worden. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding opgesteld en ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Na sanering van de
asbestverontreiniging vormt de bodemkwaliteit geen belemmering meer voor de geplande herontwikkeling en
aanvraag omgevingsvergunning. Er is inmiddels een offerte aangevraagd om de sanering uit te voeren.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15987738 (aan de Diekendaal ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) | 19,2 µg/m3 | 18,7 µg/m3 | 11,6 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Voorliggend initiatief maakt twee reguliere woningen binnen het plangebied mogelijk (de woning in het Mulderhuis is reeds toegestaan). Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt twee reguliere woningen binnen het plangebied mogelijk (de woning in het Mulderhuis is reeds toegestaan) waarmee nieuwe geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd. Om aan te tonen dat er sprake is van goed woon- en leefklimaat is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. In het onderzoek is geconcludeerd dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Diekendaal (N271) 50 dB bedraagt na aftrek van 2 dB ex art 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdracht is financieel en landschappelijk niet haalbaar. Voor de gevels van één woning dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 50 dB voor geluid door wegverkeer op de N271. Voor de gevels zijn daarom geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. Effecten vanuit geur kunnen daarmee op voorhand worden uitgesloten.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. Het perceel grenst aan de oostzijde en zuidoostzijde aan een recreatieterrein met een camping. Ten zuidwesten van de locatie is een restaurant aanwezig (Molenzicht) en aan de noordzijde ligt een agrarisch bedrijf. De Diekendaal is tenslotte een provinciale weg. Geconcludeerd wordt dat de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, waarmee de richtafstand met één stap kan worden verlaagd.
Dit initiatief voorziet maakt twee nieuwe woningen mogelijk. Het aantal milieugevoelige objecten binnen het plangebied neemt dus toe in de toekomstige situatie. In de nabijheid van het plangebied liggen enkele bedrijfslocaties:
Voor alle overige voorgenoemde milieubelastende functies wordt aan de richtafstand voldaan. Verder liggen er in de omgeving geen andere functies die vanuit milieuzonering van belang zijn. Daardoor is er vanuit het aspect milieuzonering sprake van een goed woon- en leefklimaat in de burgerwoningen die dit plan mogelijk maakt. Daarnaast worden er geen bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd door dit initiatief.
Het plan is uitvoerbaar vanuit milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt twee extra woningen mogelijk. Omdat er een nieuw kwetsbaar object gerealiseerd wordt en daarmee het aantal aanwezige personen beperkt toeneemt, is gebruik gemaakt van de website risicokaart.nl. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart, het plangebied is blauw omcirkeld (risicokaart.nl)
Op voorgaande afbeelding is te zien dat er in de omgeving van het plangebied een aantal potentiële risico bronnen vanuit externe veiligheid liggen. Het gaat om de rijksweg N271 en een propaantank.
Rijksweg N271
De N271 wordt gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een plaatsgebonden risico is niet verbonden aan de weg. Het groepsrisico bedraagt < 0,1 maal de oriëntatie waarde. De nieuwe woningen in het plangebied liggen op 60 m en 120 m van deze weg en vallen binnen het invloedsgebied van deze route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en de meest relevante zone voor het groepsrisico.
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet voor de (spoor-)wegen, gezien de ligging, worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. In dit geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.
Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Er zijn voldoende mogelijkheden om dit advies tijdig op te volgen.
Propaantank
Daarnaast ligt binnen het plangebied zelf een propaantank. Aan deze bron is een plaatsgebonden risicocontour opgenomen van 10 m. Deze tank wordt gebruikt om de bestaande woning en de woning in de voormalige maalderij te voorzien van verwarming en zal behouden blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Gennep 2020-2024
Op 11 september 2019 heeft de gemeente Gennep het verbrede Gemeentelijke Rioleringsplan gepubliceerd. Het document beschrijft op hoofdlijnen hoe invulling wordt gegeven aan de rioleringszorg. Het betreft een visie en strategie voor de lange termijn. Voor nieuwbouwprojecten hanteert de gemeente het principe dat afvalwater en hemelwater gescheiden moeten worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. In nieuwe situaties is het uitgangspunt dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater wordt ingezameld, vastgehouden of afgevoerd. In nieuwe gebieden met een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel (apart riool voor de inzameling en afvoer van hemelwater) moet het hemelwater op het hemelwaterstelsel aangesloten zijn. Het hemelwater wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein. Hieraan stelt de gemeente onder andere de volgende eisen:
Planspecifiek
Vanuit het gemeentelijk waterbeleid dient hemelwater voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden en gescheiden van het afvalwater te worden ingezameld, vastgehouden of afgevoerd. Om te bepalen of en hoeveel hemelwaterberging er gerealiseerd dient te worden, is het nodig om de toename van het verhard oppervlak te bepalen. In de huidige situatie is in het plangebied circa 2.113 m² verhard oppervlak aanwezig (bestaande woning, de maalderij, tussenliggende aanbouwen en de voormalige mestkuikenschuren). In de toekomstige situatie wordt circa 1.576 m² aan schuren en bijgebouwen gesloopt. De toename aan verhard oppervlak bestaat uit de nieuwe woning van circa 115 m² en per woning mag 200 m² aan bijgebouwen worden gerealiseerd. In totaal zal het verhard oppervlak binnen het plangebied afnemen met circa 861 m². Het realiseren van watercompensatie is daardoor niet nodig.
Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaand gescheiden rioolstelsel aan de Diekendaal. Er zal daarnaast geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen en zo veel mogelijk worden gebouwd met lokale en duurzame (bouw)materialen.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie is gelegen op een afstand van 195 m tot het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Maasduinen’ en tevens het Natuurnetwerk Nederland.
Natura 2000 gebied Maasduinen (bron: nationaal Georegister PDOK opgenomen in het rapport van de uitgevoerde quickscan)
Ten behoeve van de Wet natuurbescherming is een voortoets stikstof uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 5. Geconcludeerd wordt dat het toekomstig gebruik geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden. De aanleg van de woning, de verbouwing en de sloop van de schuren/bijgebouwen veroorzaakt eveneens geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden op basis van de inschatting van de werkzaamheden. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Soortenbescherming
In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4.In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten heeft ten aanzien van beschermde soorten en er gestart kan worden met de sloop van de aanwezige bebouwing.
Met inachtneming van het treffen van maatregelen (op pagina 15 van het onderzoek) om verstoring te voorkomen wordt het plan uitvoerbaar geacht vanuit het aspect ecologie.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
Ontsluiting/bereikbaarheid
Het plangebied is ontsloten worden via een bestaande inrit op de Diekendaal. In de nieuwe situatie is sprake van een zeer geringe toename aan extra verkeer als gevolg van de twee nieuwe woningen. Op basis van verkeerscijfers van het CROW is er, uitgaande van een weinig stedelijk gebied in het buitengebied, sprake van een toename van 17,4 verkeersbewegingen. De Diekendaal kan deze beperkte toename gemakkelijk verwerken, verkeersmaatregelen worden dan ook niet nodig geacht. De realisatie van de woning op deze locatie zal niet leiden tot onaanvaardbare verkeershinder.
Parkeren
In juni 2018 heeft de gemeente Gennep een parapluplan Parkeren vastgesteld welke regelt dat nieuwe ontwikkelingen binnen gronden waarop het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Gennep (geconsolideerde versie)' van toepassing is, dienen te voldoen aan voldoende parkeergelegenheid conform de 'Nota Parkeernormen Gennep 2015'.
In deze nota is voor een woonhuis buiten de bebouwde kom een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning opgenomen. Op het perceel is voldoende ruimte om het parkeren op eigen terrein op te lossen. In de regels is geborgd dat aan de geldende parkeernorm wordt voldaan.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Het Gelders Genootschap heeft een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd naar het Molencomplex Diekendaal, zie bijlage 6. In dit onderzoek zijn de cultuurhistorische waarden en al aanwezige kwaliteiten
geïnventariseerd. Naast het benoemen van bestaande waarden is ook aangegeven waar ruimte is voor transformatie vanuit cultuurhistorie.
De molen (genaamd Gerarda, naar de vrouw van de eigenaar in 1951) aan de Diekendaal 19 in Heijen ken een rijke geschiedenis. Na vele malen opnieuw te zijn opgebouwd na brand of anderszins is in 1951 de molen in zijn huidige hoedanigheid opgericht. Een jaar later is op het terrein diverse bedrijfsbebouwing gerealiseerd met een maalderij, kippenhokken, een transformatorhuisje en een bedrijfswoning. In 1970 is op het terrein een pluimveehouderij uitgebaat. Door de uitbreiding van dit bedrijf stond een ouder kippenhok leeg welke in 1976 werd verbouwd tot recreatiewoning.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het maalderijcomplex architectonische, stedenbouwkundige en algemeen-historische waarden bevat als historisch gegroeid agrarisch complex naast de molen. Daarnaast
is de waardevolle bebouwing exemplarisch voor de bouwperiode van de wederopbouw (1945-1965). Door de jaren heen hebben er zich op het terrein wijzigingen voorgedaan dat de herkenbaarheid van het maalderijcomplex als zodanig heeft aangetast.
Gesteld wordt dat de herontwikkeling van het terrein kansen biedt om de ruimtelijke kwaliteit rondom
de molen te vergroten. Op pagina 14 van het Cultuurhistorisch onderzoek molencomplex Diekendaal Heijen zijn de conclusies en aanbevelingen van het Gelders Genootschap opgenomen om de ruimtelijke kwaliteit rondom de molen te vergroten, rekening houdend met de historische betekenis van de locatie. In voorliggend plan zijn deze aanbevelingen en conclusies op de volgende wijze doorvertaald in concrete maatregelen:
Op verschillende manieren zijn voorgaande concrete maatregelen juridisch doorvertaald in de regels van voorliggend plan. In de regels is bepaald dat de nieuwe woningen pas in gebruik mogen worden als de gebouwen op de sloopkaart uit bijlage 1 van de regels, waaronder de mestkuikenschuren en het tussenlid, zijn gesloopt. Ook dient het plangebied te zijn ingericht volgens de uitgangsprincipes van het landschappelijk inpassingsplan uit bijlage 2 van de regels. Daaronder valt ook de kap van de bomen in de nabijheid van de molen. De bestaande maalderij krijgt zogezegd de aanduiding 'karakteristiek' en de bijbehorende beschermingsregels uit het vigerende bestemmingsplan worden in voorliggend plan overgenomen. Tot slot dient bij het toevoegen van de nieuw op te richten woning rekening te worden gehouden met de historische architectuurstijl en het materiaalgebruik. Met deze juridische doorvertaling is planologisch geborgd dat voorliggend plan tegemoet komt aan de aanbevelingen van het Gelders Genootschap en wordt de ruimtelijke kwaliteit rondom de molen verbeterd.
Archeologie
Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied een lage archeologische verwachting. Navolgende afbeelding toont hier een uitsnede van.
Uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Gennep, plangebied rood omcirkeld (bron: gemeente Gennep)
Indien er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden binnen gronden met deze aanduiding is het uitvoeren van onderzoek niet nodig.
Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
De regels van het voorliggend bestemmingsplan zijn gebaseerd op die van het bestemmingsplan 'Buitengebied Gennep (geconsolideerde versie)'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
De relevante instanties worden in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro op de hoogte gebracht van voorliggend initiatief.
Voor dit plan wordt geen formele inspraakprocedure ex artikel 3.1.6 Bro doorlopen. De initiatiefnemer brengt omwonenden persoonlijk op de hoogte van het initiatief. Daarnaast heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen gedurende de zienswijzeperiode.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van zes weken, van donderdag 25 november 2021 tot en met woensdag 5 januari 2022, voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen op het bestemmingsplan ingediend.