direct naar inhoud van Regels
Plan: Stedelijk gebied Waubach
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach' met identificatienummer NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01 van de gemeente Landgraaf.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.3 aan horeca verwante bedrijvigheid

het exploiteren van een gebouw als amusementshal, speelautomatenhal, bingozaal of discotheek.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 aangebouwd bijgebouw

een bijgebouw, dat op enigerlei wijze aan het hoofdgebouw is aangebouwd door het verankeren van vloer, dak of mu(u)r(en) en/of door het gebruik maken van dezelfde constructiemu(u)r(en).

1.7 achtererfgebied

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.8 afrastering

opdelingsobject ten behoeve van scheiding van percelen en/of gebieden.

1.9 agrarisch

het (al dan niet bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.10 automatenhal/speelhal

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte is bestemd en/of wordt gebruikt om het publiek gelegenheid te geven om spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen.

1.11 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.12 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.13 bebouwingspercentage

een in de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.14 bed&breakfast

een overnachtingaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed en breakfast is gevestigd in een woonhuis of bijgebouw en wordt gerund door de eigena(a)r(en) van het betreffende huis.

1.15 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van activiteiten vallend onder geluidhinder veroorzakende inrichtingen als bedoeld in onderdeel D van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

1.16 bedrijfsmatige activiteiten aan huis

het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, gericht op consumentverzorging, waarvan de omvang van de activiteit zodanig is dat de woonfunctie ter plaatse in overwegende mate behouden blijft en waarvan de ruimtelijke uitstraling zodanig is dat deze in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse (zie bijlage 2 bij de regels voor een overzicht met bedrijfsmatige activiteiten aan huis).

1.17 bedrijfsvloeroppervlak

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte.

1.18 beeldkwaliteit

de aan een bouwwerk toegekende architectonische waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.

1.19 begane grond
  • 1. de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging; ook dat gedeelte van een gebouw dat met die oppervlakte gelijk is;
  • 2. bij hoogteverschillen in het terrein: de hoogte van het hoogst gelegen aangrenzend maaiveld.
1.20 beperkt kwetsbaar object

kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van het Bevi.

1.21 beroepsmatige activiteiten aan huis

het beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, (para)medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk of hiermee gelijk te stellen gebied, waarbij de omvang van de activiteit zodanig is dat de woonfunctie ter plaatse in overwegende mate behouden blijft en waarvan de ruimtelijke uitstraling zodanig is dat deze in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse (zie bijlage 2 van de regels voor een overzicht met beroepsmatige activiteiten aan huis).

1.22 bestaand

bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.23 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.24 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.25 Bevi

het Besluit externe veiligheid inrichtingen dat op 27 mei 2004 in werking is getreden.

1.26 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

1.27 beschermd dorpsgezicht

beschermd dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988.

1.28 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.29 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.30 bouwlaag

een gedeelte van een gebouw dat wordt begrensd door vloeren of balklagen, die op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggen - onder nagenoeg gelijke hoogte wordt verstaan een hoogteverschil per vloer of balklaag van maximaal 2,00 meter (gemeten op het laagste punt) - zulks met inbegrip van de begane grond, doch met uitzondering van onderbouwen, zolders en kappen en met een maximale hoogte van 3,20 meter voor woningen en 4,50 meter voor andere gebouwen.

1.31 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.32 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

1.33 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.34 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond.

1.35 bruto vloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van bedrijven of winkels met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.36 bijgebouw

een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.37 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.38 buurthuis

gebouw dat als centrum dient voor het sociale en culturele leven van een buurt met plaats voor vergaderingen en voorzieningen voor activiteiten van recreatieve en educatieve aard met daaraan ondergeschikte horeca bedoeld voor de gebruikers van het buurthuis.

1.39 carport

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedoeld als stallingsgelegenheid voor motorvoertuigen, met ten minste een dak en niet of slechts aan één zijde voorzien van een wand, bestaande wanden van overige gebouwen meegerekend.

1.40 coffeeshop

een horecabedrijf dat als hoofddoel heeft het verstrekken van softdrugs en dranken voor gebruik ter plaatse.

1.41 dagrecreatie

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.

1.42 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.43 dienstverlening

het verrichten van diensten in een vorm die voor wat betreft ruimtelijke uitstraling vergelijkbaar is met detailhandel en waarbij een rechtstreekse relatie bestaat met het publiek zoals reisbureaus, bankinstellingen, postkantoren, verzekerings- en/of administratiekantoren, makelaarskantoren, advocaten- en/of notariskantoren, uitzendbureaus, apotheken, praktijkvestigingen voor tandtechniek, kapsalon, schoonheidssalons, nagelstudio's, schoenmakerijen, kleermakerijen en video-/dvd-verhuurbedrijven, fotostudio's en hondentrimsalons.

1.44 dienst-/bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein noodzakelijk moet worden geacht.

1.45 discotheek/dancing

gelegenheid, waar dranken en soms maatlijden worden verstrekt en waar men de mogelijkheid heeft om te dansen. Hieronder valt tevens een nachtclub.

1.46 (eet-)café

een horecabedrijf, waarin alcoholvrije en alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, al of niet in combinatie met het bereiden en verstrekken van maaltijden; de nadruk ligt echter op het verstrekken van dranken.

1.47 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voor zover het bestemmingsplan de inrichting niet verbiedt.

1.48 evenement

een één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

1.49 extensief recreatief medegebruik

vormen van recreatief medegebruik die ondergeschikt zijn aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatief gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een picknickplaats of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik en met uitsluiting van recreatief nachtverblijf.

1.50 garage

een gebouw, bedoeld als stallinggelegenheid voor motorvoertuigen, met ten minste een dak en minimaal voorzien van twee wanden, bestaande wanden van overige gebouwen meegerekend.

1.51 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.52 gelijke hoogte

een hoogteverschil per vloer of balklaag van maximaal 2,00 meter (gemeten op het laagste punt).

1.53 gevellijn

de bouwgrens die nagenoeg gelijk loopt aan de as van de weg waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de aan de weg(en) grenzende perceelsgrens.

1.54 grondgebonden woning

een gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen.

1.55 groothandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan bedrijven of instellingen, die deze goederen in een door hen gedreven onderneming aanwenden.

1.56 fast-foodvestiging

een horecabedrijf, waarin vooral frituurwaren en kleine eetwaren, al dan niet in combinatie met alcoholvrije of alcoholhoudende dranken, worden verstrekt in wegwerpverpakking al dan niet voor gebruik ter plaatse, zoals een cafetaria, friture of afhaalcentrum.

1.57 hobbymatig

uit liefhebberij en op een wijze en/of schaal niet zijnde van bedrijfsmatige omvang en zonder winstoogmerk, waarbij het geheel van gronden en bebouwing niet als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer valt aan te merken.

1.58 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste gebouw valt aan te merken.

1.59 horeca

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie.

1.60 horecabedrijf

een bedrijf dat is gericht op het ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken, met inbegrip van frituren en snackbars, en/of het exploiteren van zaalaccommodaties. Hieronder vallen niet een automatenhal/speelhal respectievelijk seksinrichting.

1.61 kampeermiddel
  • a. tenten, tentwagens, kampeerauto's, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
1.62 kamperen

een vorm van openluchtrecreatie waarbij men in een tent, caravan, camper, tenthuisje of ander relatief eenvoudige recreatiewoning op een buitenterrein verblijft meestal één of meerdere nachten.

1.63 kantine

een drink- en/of eetgelegenheid ondergeschikt aan de hoofdfunctie behorende bij de bestemming (waaronder bedrijven, scholen, sportvoorzieningen of andere instanties). De prijzen van consumpties zijn veelal lager omdat de organisatie/vereniging geen winstoogmerk heeft.

1.64 kantoor/praktijkruimte

een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van administratieve aard, (para) medische en/of ontwerptechnische arbeid.

1.65 kap

een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door minimaal één schuin hellend dakschild met een helling van ten minste 15° en ten hoogste 75°.

1.66 karakteristiek

alle karakteristieke panden en rijksmonumenten.

1.67 kunstobject

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uiting van een der beeldende kunsten.

1.68 kwetsbaar object:

object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l. van het Bevi.

1.69 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.70 maaiveld

bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.

1.71 maatschappelijke voorzieningen

voorzieningen ten behoeve van onderwijs, kinderopvang, educatie, openbaar bestuur, religieuze functies, overdekte sport- en spelaccommodaties, medisch-sociale functies, maatschappelijke en culturele functies (waaronder knutselverenigingen).

1.72 maatvoeringsvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringsymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.

1.73 mantelzorg

het bieden van zorg aan iemand in relationele sfeer die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. Degene die mantelzorg ontvangt is niet zelfstandig woonachting in het hoofdgebouw dan wel in het bijgebouw.

1.74 natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.75 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.76 omgevingsvergunning

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo.

1.77 onderbouw

(een gedeelte van) een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant in overwegende mate minder dan 1,20 meter boven maaiveld is gelegen.

1.78 ondergeschikt

in omvang gering en niet zelfstandig uitgeoefend.

1.79 ondergeschikte horeca

een horecafunctie die qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie, waarbij tegen betaling etenswaren en/of dranken voor consumptie ter plaatse worden verstrekt.

1.80 onderkomens

voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf.

1.81 openbaar gebied

dat deel van het grondgebied dat voor een ieder nagenoeg vrij toegankelijk is.

1.82 openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.83 opslag

het tijdelijk of permanent opslaan van goederen en/of grondstoffen.

1.84 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met ten minste een dak en niet of slechts aan twee zijden voorzien van een wand, bestaande wanden van overige gebouwen meegerekend.

1.85 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.86 peil
  • a. bij gebouwen: hoogte van de afgewerkte vloer van de begane grond;
  • b. bij bouwwerken geen gebouwen zijnde: de voet van het bouwwerk.
1.87 recreatie

activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.

1.88 recreatief medegebruik

het medegebruik van gronden voor route gebonden recreatieve activiteiten, ondergeschikt ten opzichte van de hoofdfunctie behorende bij de bestemming, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, en voor plaatsgebonden recreatieve activiteiten, zoals voor sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.

1.89 restaurant

een horecabedrijf, waarin in dat bedrijf bereide volledige maaltijden, alsmede alcoholvrije of alcoholhoudende dranken - uitsluitend in combinatie met die maaltijden worden verstrekt voor gebruik ter plaatse; een volwaardige bedrijfskeuken maakt deel uit van de vestiging.

1.90 riool

infrastructuur waarop afvalwater geloosd, ingezameld en getransporteerd wordt.

1.91 risicovolle inrichting

inrichting als bedoeld in artikel 2 eerste lid van het Bevi.

1.92 ruimtelijke kwaliteit

de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte.

1.93 seksinrichting

de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.94 stads- en dorpsgezichten

groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.

1.95 staan- of standplaats

een al dan niet afgescheiden gedeelte van een kampeerterrein bedoeld voor de plaatsing van een kampeermiddel.

1.96 stedenbouwkundig beeld

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.

1.97 straatmeubilair

openbare voorzieningen van geringe afmetingen, zoals banken, bloem- en plantenbakken, gedenktekens, speeltoestellen, straatverlichting, wegbebakening en -bewijzering en andere hiermee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouw zijnde.

1.98 supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (zijnde dagelijkse goederen) en soms enige niet dagelijkse goederen (zoals huishoudelijke artikelen) worden verkocht.

1.99 terras

een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- en of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

1.100 verenigingsgebouw

gebouw bedoeld voor verenigingen of organisaties om ter plaatse activiteiten dan wel bijeenkomsten te ontplooien c.q. te organiseren.

1.101 verkoopvloeroppervlak

de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.

1.102 voorgevel

gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het (hoofd-)gebouw vormt. De voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn wordt gelijkgesteld met de voorgevelrooilijn zoals bedoeld in de Wabo. In hoeksituaties is sprake van maar één voorgevel.

1.103 volkstuin

afgebakend stuk terrein voor niet commerciële sier-, groenten en kruidenteelt welke onderdeel uitmaakt van een groter geheel.

1.104 voorerfgebied

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.

1.105 voorzieningen van openbaar nut:

kleinschalige nutsvoorzieningen zoals transformatorhuisjes en schakelkastjes, ondergrondse lokale leidingen, tele- en datacommunicatieleidingen, riolering, telefooncellen en wachthuisjes, straatvoorzieningen met een inhoud van maximaal 50 m3 per op te richten bouwwerk en een hoogte van maximaal 3,00 meter.

1.106 vrijstaand bijgebouw

een bijgebouw, dat qua constructie en visueel vrij staat van het hoofdgebouw of daarmee slechts verbonden is door een tuinmuur, haag of andere tuinafscherming en functioneel en architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.107 weg

een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

1.108 woning/wooneenheid

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden. Één huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksbinding.

Indeling typologie van woningen:

aaneengebouwd : een woning, deel uitmakend van een bouwmassa, bestaande uit meer dan twee aaneengesloten grondgebonden hoofdgebouwen.

geschakeld : een woning, waarvan het hoofdgebouw door middel van bijbehorende bouwwerken met een naastgelegen hoofdgebouw verbonden is en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd.

gestapeld : bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten.

patio : een woning, waarbij alle of de meeste woonruimten zijn gelegen om of aansluitend aan een onbebouwde onoverdekte omsloten ruimte.

twee-aaneengebouwd : een woning, deel uitmakend van een bouwmassa bestaande uit maximaal twee hoofdgebouwen, waarvan de hoofdbebouwing aan maximaal één zijde grenst/aansluit aan een ander hoofdgebouw.

vrijstaand : een woning, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd.

1.109 woningsplitsing

het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woningen twee of meer woningen/wooneenheden ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.

1.110 zolder

ruimte(n) in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken.

1.111 zoneringsplichtige inrichting

inrichting waarvoor een wettelijke zoneringsplicht bestaat op basis van de Wet geluidhinder.

1.112 zorgwoning

woning waar zorg verleend kan worden bedoeld voor mensen met een AWBZ of WMO-indicatie.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

horizontaal tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is.

2.2 het bedrijfsvloeroppervlak

binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van een goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 de lengte en breedte van een bouwwerk

horizontaal tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van gemeenschappelijke scheidingsmuren).

2.8 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9 het verkoopvloeroppervlak

binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor de detailhandelsactiviteiten.

2.10 uitzondering

de in deze regels gegeven bepalingen omtrent plaatsing, afstanden en maten zijn niet van toepassing op gevel- en kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, erkers, kozijnen, dorpels, dakgoten en overstekende daken, ventilatiekanalen, schoorstenen, balustrades en soortgelijke ondergeschikte bouwdelen mits de bestemmingsgrens, de gevel (zijnde voor-, zij- of achtergevel) van het hoofdgebouw of de aangegeven gevellijn met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. duurzaam agrarisch gebruik met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  • b. het hobbymatig houden van dieren;

en daarbij behorende:

  • c. oppervlaktewaterbeheersing en erosiebestrijding;
  • d. ontsluiting van de afzonderlijke percelen;
  • e. (extensief) recreatief medegebruik;
  • f. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater inclusief de afvoer van het hemelwater van de direct omliggende percelen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op de voor `Agrarisch' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

3.2.2 Uitzondering

Het in artikel 3.2.1 bepaalde is niet van toepassing voor:

  • a. de bouw van afrasteringen met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,40 meter mag bedragen;
  • b. de bouw van schuilgelegenheden ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren met dien verstande dat:
    • 1. het bebouwde oppervlak niet meer mag bedragen dan 3% van de grootte van het bouwperceel, tot een maximum bebouwd oppervlak van 75 m² per bouwperceel;
    • 2. de goothoogte maximaal 2,60 meter mag bedragen;
    • 3. de bouwhoogte maximaal 5,00 meter mag bedragen;
  • c. de bouw van kleinschalige recreatieve voorzieningen (zit- en schuilgelegenheid, picknickplaatsen), mits de aanleg geen onevenredige afbreuk doet aan het agrarisch gebruik en de belangen van natuur en landschap, met dien verstande dat:
    • 1. het oppervlak van recreatieve bouwwerken maximaal 20 m² mag bedragen, waarbij per hectare maximaal 1 recreatief bouwwerk mag worden aangelegd;
    • 2. de goothoogte maximaal 2,60 meter mag bedragen.
3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. staan- of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. als sport- en wedstrijdterrein of lig- en speelweide;
  • c. voor het testen van voertuigen, de beoefening van de motorsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, motoren, (brom)fietsen of mountainbikes;
  • d. voor het racen of crossen met motorrijtuigen, motoren, (brom)fietsen of mountainbikes;
  • e. voor militaire oefeningen, met uitzondering van marsoefeningen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  • f. als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • g. als terrein voor het aanbrengen en het hebben van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen, behoudens het bepaalde in artikel 7 van de Grondwet;
  • h. voor het opslaan van mest(stoffen).
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1 Algemeen

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Agrarisch' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gericht gebruik van de grond;
  • d. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap;
  • e. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van graften, bosstroken, groenstroken en/of grasbanen.

3.4.2 Voorwaarden

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.1 zijn:

3.4.3 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd;
  • e. werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de ecologische structuur en/of waterhuishouding, de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap of natuur.
3.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch' ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1', te wijzigen in:

  • a. een bestemming ‘Wonen', ten behoeve van grondgebonden woningen, mits:
    • 1. de woningen passen binnen de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het regionaal volkshuisvestingsplan;
    • 2. de totstandkoming van een goed woonklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd worden;
    • 3. de parkeerbalans in de directe omgeving niet nadelig wordt beïnvloed, waarbij de noodzakelijke parkeervoorzieningen op eigen terrein worden gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2;
    • 4. het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse niet vermindert;
    • 5. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 15Wonen' van deze planregels;
  • b. een bestemming ‘Natuur', ten behoeve van de aanleg van natuurgebied, multifunctioneel bos en/of ecologische verbindingszone, met dien verstande dat:
    • 1. de betreffende gronden in eigendom zijn gekomen van de gemeente en/of een terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie, dan wel de bestaande eigenaar heeft ingestemd met de aanleg van natuurgebied, multifunctioneel bos en/of ecologische verbindingszone;
    • 2. de financiële middelen voor de aanleg van natuurgebied, multifunctioneel bos en/of ecologische verbindingszone zeker zijn gesteld;
    • 3. aangrenzende waarden en belangen, waaronder het agrarische belang, niet onevenredig worden geschaad;
    • 4. uit onderzoek dient te blijken dat de bodem geschikt is voor het betreffend gebruik en voor wat betreft het aspect bodem, het bodembeheerplan van de gemeente Landgraaf het toetsingskader vormt, met betrekking tot ontwikkelingen betreffende het gebruik en het bouwen;
  • c. een bestemming 'Water', ten behoeve van het aanleggen van watergangen, waaronder regenwaterbuffers, mits:
    • 1. de noodzaak daartoe in het kader van een adequaat waterhuishoudkundig beheer is aangetoond;
    • 2. de ruimtelijke inpassing in het landschap verzekerd is;
    • 3. indien noodzakelijk om advies van het waterschap is gevraagd.

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarisch bedrijf;

en tevens:

  • b. wonen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

en daarbij behorende:

  • c. beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in de bedrijfswoning, toegelaten overeenkomstig artikel 4.4.2;
  • d. rustende boer, toegelaten overeenkomstig artikel 4.4.3;
  • e. tuinen en erven;
  • f. parkeervoorzieningen, volgens het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • g. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op de voor `Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  • b. de daarbij behorende bijgebouwen;
  • c. één bedrijfswoning per bouwperceel;
  • d. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' met uitzondering van aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports die zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd met dien verstande dat aan artikel 4.2.3 wordt voldaan;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf alsmede ten behoeve van sanitaire voorzieningen, gemeenschappelijke ruimten en/of overige voorzieningen ten dienste van kamperen bij de boer;
  • c. de maximale goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  • d. de bedrijfswoning mag in maximaal 2 bouwlagen worden gebouwd met dien verstande dat elke afzonderlijke bouwlaag maximaal 3,20 meter mag bedragen;
  • e. de bouwdiepte van de bedrijfswoning mag maximaal 17,00 meter bedragen;
  • f. de inhoud van een bedrijfswoning mag ten hoogste 750 m³ bedragen.

4.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. per bedrijfswoning mag de maximale oppervlakte van alle aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports tezamen maximaal 130 m² bedragen, met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd;
  • b. de goothoogte van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports mag maximaal 3,20 meter bedragen;
  • c. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden gebouwd op minimaal 3,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldig lijn met dien verstande dat een garage/carport met de toegang gericht naar de weg gekeerde perceelsgrens tevens op een afstand van minimaal 5,00 meter tot een bestemming 'Verkeer' wordt gebouwd;
  • d. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden in of minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd met dien verstande dat in hoeksituaties minimaal 2,50 meter tot de zijdelingse perceelsgrens in acht genomen dient te worden;
  • e. indien een bijgebouw of garage/carport wordt geplaatst op een grotere afstand dan 25,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, dan mag het bijgebouw of de garage/carport ook in de andere zijdelingse perceelsgrens worden geplaatst.

4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 8,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldig lijn maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldig lijn maximaal 2,00 meter mag bedragen met inachtneming van een afstand van minimaal 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied;
  • b. zwembaden, whirlpools, jacuzzi's of vijvers en vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht in het achtererfgebied met dien verstande dat de oppervlakte van zwembaden maximaal 100 m² per bouwperceel bedraagt en dat niet meer dan 50% van het achtererfgebied is bebouwd met inachtneming van een afstand van minimaal 1,00 meter tot de zijdelingse perceelsgrens.
4.3 Afwijken van bouwregels
4.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 4.2.2, onder c. bepaalde ten behoeve van de bouw van fruitopslag-, aardappelopslag- en machineloodsen met een grotere hoogte, mits de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond.

4.3.2 Afwijken aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen tot in de voorgevel

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 4.2.3 onder c. bepaalde, ten behoeve van het bouwen van aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen tot in de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 4.2.3, onder a., onder b. en onder d. onverminderd van toepassing is.

4.3.3 Afwijken garages/carports voor de voorgevel

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 4.2.3, onder c., bepaalde, voor de bouw van garages/carports, met de toegang gericht naar de weg gekeerde perceelsgrens, geheel of gedeeltelijk voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn met dien verstande dat de afstand tot de bestemming 'Verkeer' minimaal 5,00 meter moet bedragen en dat het bepaalde in artikel 4.2.3, onder a., onder b. en onder d. onverminderd van toepassing is.

4.3.4 Afwijken erfafscheidingen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 4.2.4, onder a. bepaalde voor de bouw van een erfafscheiding achter de voorgevel of de in het verlengde daarvan getrokken lijn binnen een afstand van 1,00 meter tot het openbaar toegankelijk mits:

  • a. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk worden gedaan.

4.3.5 Voorwaarden

Het bij een omgevingsvergunning afwijken als in artikel 4.3.1 tot en met artikel 4.3.4 bedoeld wordt slechts toegestaan indien aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  • b. een aan huis verbonden beroep of bedrijf, met uitzondering van een aan huis verbonden beroep of bedrijf waarvoor artikel 4.4.2 geldt;
  • c. bewoning, met uitzondering van bewoning van een bedrijfswoning;
  • d. huisvesting van de rustende boer, met uitzondering van huisvesting van de rustende boer waarvoor artikel 4.4.3 geldt;
  • e. detailhandel behoudens indien hiervoor bij een omgevingsvergunning van afgeweken is ingevolge artikel 4.5.1;
  • f. groothandel, anders dan ondergeschikt aan en voortvloeiend uit het toegestane gebruik;
  • g. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel met uitzondering van de stalling van eigen kampeermiddelen in het achtererfgebied en achter het hoofdgebouw;
  • h. opslag;
  • i. het (bedrijfsmatig) verhuren van kamers aan derden die geen deel uitmaken van het huishouden/gezin.

4.4.2 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in de bedrijfswoning

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zoals vermeld in bijlage 3 bij de regels zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. niet meer dan 1/3 deel van het bruto vloeroppervlak van de bedrijfswoning met aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen mag voor de uitoefening van de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten en de daarbij behorende opslag worden gebruikt, tot een maximum van 60 m²;
  • b. vrijstaande bijgebouwen mogen niet voor de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten worden gebruikt;
  • c. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • d. er mogen geen horeca-activiteiten plaatsvinden;
  • e. op de activiteiten is geen vergunning- en of meldingsplicht van toepassing op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of milieuwetgeving;
  • f. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van die woning te zijn. Deze persoon mag worden ondersteund door hoogstens één andere persoon, niet de bewoner zijnde. Deze laatstgenoemde ondersteunende andere persoon mag de activiteit niet zelfstandig ter plaatse uitoefenen;
  • g. de noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van de activiteit worden opgericht conform artikel 33.3.2;
  • h. er mag geen opslag ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit op de onbebouwde grond plaatsvinden;
  • i. er zijn geen reclames groter dan 0,5 m² ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit bij of aan de woning toegestaan.

4.4.3 Rustende boer

Huisvesting van de rustende boer is toegelaten, mits:

  • a. de huisvesting plaatsvindt in de bedrijfswoning;
  • b. de oppervlakte voor huisvesting van de rustende boer maximaal 80 m² mag bedragen;
  • c. na beëindiging noodzaak tot huisvesting van de rustende boer de voorzieningen ten behoeve van de huisvesting worden verwijderd.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Afwijken voor ondergeschikte niet-agrarische nevenactiviteiten naast de bestaande agrarische bedrijfsdoeleinden

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 4.4.1 bepaalde ten behoeve van:

  • a. bewerking en/of verkoop aan de boerderij van agrarische producten en/of aan de agrarische sector verwante producten;
  • b. verblijfsrecreatie in de vorm van bed en breakfast en vakantieappartementen op de boerderij, dagrecreatie in de vorm van het bieden van dagarrangementen en excursie alsmede (sier-)tuinen, kleinschalige horeca zoals theeschenkerijen en culturele activiteiten
  • c. zoals natuurcursussen en exposities en/of daarmee qua aard en omvang naar het oordeel van burgemeester en wethouders gelijk te stellen activiteiten.
4.6 Wijzigingsbevoegdheid
4.6.1 Wijzigingsbevoegdheid Wonen

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming `Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming `Wonen', ten behoeve van de realisering van woningen, mits:

  • a. er sprake is van een agrarisch bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) voor een eigentijdse agrarische bedrijfsvoering;
  • b. de agrarische functie geheel is komen te vervallen;
  • c. het betreft cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing, dan wel een duidelijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering tot stand gebracht wordt. In dat laatste geval dient de initiatiefnemer tot wijziging aan te tonen welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de woonfunctie. De overige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt;
  • d. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van de bebouwing behouden blijven;
  • e. de woningen zijn gelegen binnen de bestaande hoofdbebouwing (de voormalige bedrijfswoning met aangebouwde of inpandige bedrijfsruimte) c.q. sprake is van inpandig bouwen;
  • f. de totstandkoming van een aanvaardbaar woonmilieu in de te realiseren woningen gegarandeerd kan worden;
  • g. de bodem niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering van de woningen;
  • h. de geluidbelasting niet hoger is dan de voor wegverkeerslawaai geldende voorkeursgrenswaarden, of een in het kader van de Wet geluidhinder of diens rechtsopvolger verleende hogere grenswaarde. In het laatste geval moeten de verblijfsruimten van de woning in overwegende mate aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd;
  • i. met dien verstande dat:
    • 1. de bouwmassa niet mag toenemen, wat tot uitdrukking zal worden gebracht door een op de functie afgestemd bouwvlak;
    • 2. per agrarisch bedrijfscomplex ten hoogste 2 woningen, inclusief een bestaande bedrijfswoning, mogen worden gerealiseerd, uitgezonderd in monumenten, cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing, waar binnen de hoofdbebouwing meerder woningen mogen worden gerealiseerd;
    • 3. de inhoud van een woning ten minste 300 m³ zal bedragen;
    • 4. indien meerdere woningen worden gerealiseerd, voorafgaand aan de realisatie, het oppervlak aan bijgebouwen teruggebracht tot ten hoogste 70 m² per woning, uitgezonderd bijgebouwen met landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden met een groter oppervlak , welke geheel behouden mogen worden.

4.6.2 Wijzigingsbevoegdheid Recreatie

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming `Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Recreatie', ten behoeve van de realisering van recreatieve voorzieningen, mits:

  • a. er sprake is van een agrarisch bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) voor een eigentijdse agrarische bedrijfsvoering;
  • b. de agrarische functie geheel is komen te vervallen;
  • c. het betreft cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing, dan wel een duidelijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering tot stand gebracht wordt. In dat laatste geval dient de initiatiefnemer tot wijziging aan te tonen welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de woonfunctie. De overige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt;
  • d. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van de bebouwing behouden blijven;
  • e. geen onevenredige verkeersaantrekkende werking ontstaat;
  • f. geen detailhandel ontstaat, anders dan ondergeschikte verkoop inherent aan de betreffende recreatieve activiteit;
  • g. de recreatieve voorziening functioneel aan het buitengebied is gebonden;
  • h. vooraf is vastgesteld dat vanuit milieuhygiënisch en visueel-ruimtelijk oogpunt geen bezwaren bestaan tegen vestiging van de voorziening;
  • i. de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering van recreatieve voorzieningen.

Artikel 5 Bedrijf

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse bestaande bedrijven;
  • b. bedrijven tot ten hoogste categorie 2 zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels en/of daarmee, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, vergelijkbare bedrijven, met de daarbij behorende voorzieningen;

en tevens voor:

  • c. wonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning (bw)';
  • d. een verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG (vm)';
  • e. een verkooppunt motorbrandstoffen met LPG, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG (vml)';
  • f. voorzieningen van openbaar nut;
  • g. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;
  • h. instandhouding en bescherming van een rijksmonument', ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijkmonument (m)';
  • i. instandhouding en bescherming van een carré-hoeve, ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'carré-hoeve';
  • j. beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in de bedrijfswoning, toegelaten overeenkomstig artikel 5.5.2;

en daarbij behorende:

  • k. tuinen, erven en terreinen;
  • l. in- en uitritten;
  • m. verhardingen;
  • n. parkeervoorzieningen, volgens het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • o. bouwwerken.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de voor `Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. (hoofd)gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in artikel 5.1 toegestane gebruik;
  • b. één bedrijfswoning per bouwperceel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning (bw)’;
  • c. de bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen, garages en carports;
  • d. bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' geldt het aangeduide maximale bebouwingspercentage;

5.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte;
  • c. de bedrijfswoning mag in maximaal twee bouwlagen worden gebouw;
  • d. de (voor-)gevels van de gebouwen moeten worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;
  • e. de bouwdiepte van de bedrijfswoning mag maximaal 17,00 meter bedragen.

5.2.3 Regels met betrekking tot bijgebouwen, garages en carports

Voor het bouwen van bijgebouwen en garages en carports gelden de volgende regels:

  • a. aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bedrijfswoning mag de oppervlakte van alle aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports tezamen maximaal 70 m² bedragen, met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b. mag bij een bouwperceel groter dan 1.000 m² de gezamenlijke oppervlakte van alle aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports maximaal 130 m² bedragen, met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd;
  • d. de goothoogte van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports mag maximaal 3,20 meter bedragen;
  • e. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden gebouwd op minimaal 3,00 meter achter de voorgevel of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn met dien verstande dat een garage/carport met de toegang gericht naar de weg gekeerde perceelsgrens tevens op een afstand van minimaal 5,00 meter tot de bestemming `Verkeer' wordt gebouwd;
  • f. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden in of minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd met dien verstande dat in hoeksituaties minimaal 2,50 meter tot de zijdelingse perceelsgrens in acht wordt genomen;
  • g. indien een bijgebouw of garage/carport wordt geplaatst op een grotere afstand dan 25,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, dan mag het bijgebouw ook in de andere zijdelingse perceelsgrens worden geplaatst.

5.2.4 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen garage/carport zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van:
    • 1. erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 2,00 meter mag bedragen met inachtneming van een afstand van minimaal 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied;
    • 2. voorzieningen ten behoeve van reclame-uitingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 6,00 meter mag bedragen;
  • c. zwembaden, whirlpools, jacuzzi's of vijvers en vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht in het achtererfgebied met dien verstande dat de oppervlakte van zwembaden maximaal 100 m² per bouwperceel bedraagt, met inachtneming van een afstand van 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied met inachtneming van 1,00 meter tot de zijdelingse perceelsgrens.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, de oppervlakte en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de aard van perceel- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

5.3.2 Voorwaarden

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van cultuurhistorische waarden;
  • d. ter bescherming van de verkeersveiligheid.
5.4 Afwijken van bouwregels
5.4.1 Afwijken aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 5.2.3, onder e. bepaalde, ten behoeve van het bouwen van aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen tot in de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 5.2.3, onder b., onder c., onder d., onder f. en onder g. onverminderd van toepassing is.

5.4.2 Afwijken garages/carports

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 5.2.3, onder e. bepaalde, voor de bouw van garages/carports, met de toegang gericht naar de weg gekeerde perceelsgrens, geheel of gedeeltelijk voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn met dien verstande dat de afstand tot de bestemming 'Verkeer' minimaal 5,00 meter moet bedragen en het bepaalde in artikel 5.2.3, onder b., onder c., onder d., onder f, en onder g. onverminderd van toepassing is.

5.4.3 Afwijken erfafscheidingen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 5.2.4, onder b., sub 1 bepaalde voor de bouw van een erfafscheiding, tot 2,00 meter hoogte, achter de voorgevel of de in het verlengde daarvan getrokken lijn en binnen een afstand van 1,00 meter tot het openbaar toegankelijk mits:

  • a. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk worden gedaan.

5.4.4 Voorwaarden

Het bij een omgevingsvergunning afwijken als in artikel 5.4.1, artikel 5.4.2 en artikel 5.4.3 bedoeld wordt slechts toegestaan indien aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Bedrijfscategorieën

De bedrijven zoals toegestaan in artikel 5.1 zijn toegestaan onder de voorwaarde dat de in bijlage 1 bij de regels opgenomen minimaal aan te houden richtafstanden in acht worden genomen.

5.5.2 Bedrijfs- en beroepsmatige activiteiten aan huis in de bedrijfswoning

Bedrijfs- en beroepsmatige activiteiten aan huis zoals vermeld in bijlage 3 bij de regels zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. niet meer dan 1/3 deel van het bruto vloeroppervlak van de bedrijfswoning met aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen mag voor de uitoefening van de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten en de daarbij behorende opslag worden gebruikt, tot een maximum van 60 m²;
  • b. vrijstaande bijgebouwen en garages en carports mogen niet voor de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten worden gebruikt;
  • c. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • d. er mogen geen horeca-activiteiten plaatsvinden;
  • e. op de activiteiten is geen vergunning- en of meldingsplicht van toepassing op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of milieuwetgeving;
  • f. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van die woning te zijn. Deze persoon mag worden ondersteund door hoogstens één andere persoon, niet de bewoner zijnde. Deze laatstgenoemde ondersteunende andere persoon mag de activiteit niet zelfstandig ter plaatse uitoefenen;
  • g. de noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van de activiteit worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels;
  • h. er mag geen opslag ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit op de onbebouwde grond plaatsvinden;
  • i. er zijn geen reclames groter dan 0,5 m² ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit bij of aan de woning toegestaan.

5.5.3 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. risicovolle inrichtingen, zoals bedoeld in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen';
  • b. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • c. een supermarkt, ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt uitgesloten (-su)';
  • d. detailhandel met uitzondering van ondergeschikte detailhandel tot een maximum van 10% van het bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 500 m² verkoopvloeroppervlak per bedrijf;
  • e. horeca en aan horeca verwante bedrijvigheid;
  • f. wonen, met uitzondering van bewoning van een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning (bw)';
  • g. permanente of tijdelijke bewoning van bijgebouwen, garages en carports;
  • h. een aan huis verbonden beroep of bedrijf, met uitzondering van aan huis verbonden beroepen waarvoor artikel 5.5.2 geldt;
  • i. opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak en opslagdoeleinden, anders dan in verband met het toegelaten gebruik. In ieder geval wordt als strijdig gebruik aangemerkt: brand- en explosie-gevaarlijke opslag, waaronder opslagruimte voor vuurwerk;
  • j. verkooppunt voor motorbrandstoffen.

5.5.4 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 5.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

5.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 5.5.1 bepaalde, ten behoeve van het overschrijden van de geldende indicatieve afstanden, indien het treffen van maatregelen bij het bedrijf ter voorkoming van geur, stof, geluid of gevaar of het treffen van maatregelen die de overdracht ervan voorkomen, zoals een geluidswal, zodanig mogelijk is dat de effecten ervan de geldende afstanden niet zullen overschrijden.

5.7 Wijzigingsbevoegdheid
5.7.1 Kantoor, praktijkruimte en dienstverlening

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming 'Bedrijf' te wijzigingen in kantoor, praktijkruimte of dienstverlening met dien verstande dat voldaan kan worden aan de volgende voorwaarden:

  • a. de parkeerbalans in de directe omgeving wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
  • b. het woonmilieu wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
  • c. aan het stedenbouwkundige beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit wordt geen afbreuk gedaan.

5.7.2 Wonen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming 'Bedrijf' te wijzigingen in 'Wonen' met dien verstande dat voldaan kan worden aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van een bestaande bedrijfswoning op het bestemmingsvlak;
  • b. er is geen sprake van een toename van het aantal woningen c.q. wooneenheden;
  • c. aan het stedenbouwkundige beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit wordt geen afbreuk gedaan;
  • d. er is gedurende vijf jaar vanaf het moment van inwerkingtreding van het plan geen sprake geweest van bedrijfsactiviteiten zoals toegestaan in artikel 5.1 .

Artikel 6 Bedrijf - Nutsvoorziening

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen van openbaar nut;

en daarbij behorende:

  • b. ondergrondse leidingen;
  • c. zonering;
  • d. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en daarbij behorende:

  • e. terreinen;
  • f. in- en uitritten;
  • g. verhardingen;
  • h. bouwwerken.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Op de voor `Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen ten behoeve van het in artikel 6.1 toegestane gebruik;
  • b. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' geldt het aangeduide maximale bebouwingspercentage.

6.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 4,50 meter bedragen.

6.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van voorzieningen van openbare verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen.
6.3 Nadere eisen
6.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de aard van perceel- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

6.3.2 Voorwaarden

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van de verkeersveiligheid.

Artikel 7 Centrum

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. dienstverlening;
  • c. maatschappelijke voorzieningen;
  • d. horeca, zijnde de horeca-bedrijven (eet)café, fast-food vestiging, restaurant;
  • e. detailhandel;
  • f. kantoor- en praktijkruimten;
  • g. consument verzorgend ambacht;

en tevens voor:

  • h. voorzieningen van openbaar nut;
  • i. groen- en speelvoorzieningen;
  • j. instandhouding en bescherming van een rijksmonument', ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijkmonument';
  • k. instandhouding en bescherming van een karakteristiek bouwwerk, ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'karakteristiek';
  • l. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;
  • m. verkeer in de vorm van ontsluitingswegen en paden;

en daarbij behorende:

  • n. erven en terreinen;
  • o. bevoorradingsvoorzieningen;
  • p. in- en uitritten;
  • q. verhardingen;
  • r. parkeervoorzieningen, conform het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • s. bouwwerken.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Op de voor `Centrum' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. (hoofd)gebouwen ten behoeve van het in artikel 7.1 toegestane gebruik;
  • b. de daarbij behorende bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van (hoofd)gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. (hoofd)gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aangegeven gevellijn waarbij de (voor-)gevels van het hoofdgebouw moeten worden geplaatst in de aangegeven gevellijn waarbij de voorste gevellijn in de richting van de voorste perceelsgrens of naar weg gekeerde perceelsgrens niet mag worden overschreden;
  • b. de maximale goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  • c. (hoofd)gebouwen mogen achter de aangegeven gevellijn uitbreiden, met dien verstande dat de afstand tussen de voor- en achtergevel maximaal 20,00 meter mag bedragen;
  • d. kantoor en praktijkruimten zijn toegestaan met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 150 m² per vestiging;
  • e. het bouwperceel mag voor nooit meer dan 60% worden bebouwd;
  • f. de vrijstaande zijgevel dient in of minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd te worden;
  • g. de inhoud van een grondgebonden woning mag maximaal 1.000 m3 bedragen en de inhoud van een gestapelde woning maximaal 600 m3.

7.2.3 Regels met betrekking tot bijgebouwen, garages en carports

Voor het bouwen van bijgebouwen, garages en carports gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van alle aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports tezamen mag maximaal 70 m² bedragen met dien verstande dat maximaal 60% van het bouwperceel mag worden bebouwd;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag bij een bouwperceel groter dan 1.000 m² de gezamenlijke oppervlakte van aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports maximaal 130 m² bedragen met dien verstande dat maximaal 60% van het bouwperceel mag worden bebouwd;
  • c. de goothoogte van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports mag maximaal 3,20 meter bedragen;
  • d. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden gebouwd op minimaal 3,00 meter achter de aangegeven gevellijn of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn;
  • e. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden in maximaal één zijdelingse perceelsgrens en minimaal 2,50 meter uit de andere zijdelingse perceelsgrens gebouwd met dien verstande dat in hoeksituaties minimaal 2,50 meter tot de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijdelingse perceelsgrens in acht genomen dient te worden.

7.2.4 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 2,00 meter mag bedragen met inachtneming van minimaal 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied;
  • b. voorzieningen voor de openbare verlichting, waarvan de hoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen;
  • c. antennes en antennemasten waarvan de hoogte maximaal 12,00 meter mag bedragen;
  • d. zwembaden, whirlpools, jacuzzi's of vijvers en vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht in het achtererfgebied met dien verstande dat de oppervlakte van zwembaden maximaal 100 m² per bouwperceel bedraagt met inachtneming van minimaal 1,00 meter tot de zijdelingse perceelsgrens.
7.3 Nadere eisen
7.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, de oppervlakte en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

7.3.2 Voorwaarden

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundige beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van cultuurhistorische waarden;
  • d. ter bescherming van de verkeersveiligheid.
7.4 Afwijken van de bouwregels
7.4.1 Afwijken gebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 7.2.2, onder c. en onder e. bepaalde, om de afstand tussen de voor- en achtergevel uit te breiden tot maximaal 30,00 meter met dien verstande dat niet meer dan 70 % van het bouwperceel wordt bebouwd.

7.4.2 Afwijken erfafscheidingen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 7.2.4, onder a. bepaalde voor de bouw van een erfafscheiding, tot 2,00 meter hoogte, achter de voorgevel of de in het verlengde daarvan getrokken lijn en binnen een afstand van 1,00 meter tot het openbaar toegankelijk gebied.

7.4.3 Voorwaarden

Het bij een omgevingsvergunning afwijken als in artikel 7.4.1 en artikel 7.4.2 bedoeld wordt slechts toegestaan indien aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

7.5 Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Afstemming functies

Ten aanzien van de onderlinge afstemming van de verschillende functies gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de woonfunctie mag niet op de begane grond plaatsvinden met uitzondering van bestaand gebruik alsmede ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - wonen op de begane grond';
  • b. de functies detailhandel, dienstverlening, horeca, kantoor en praktijkruimte mogen alleen plaats vinden op de begane grond van de bebouwing.

7.5.2 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. het oprichten van nieuwe woningen binnen de bestaande bebouwing, behoudens vervangende nieuwbouw;
  • b. het splitsen van bestaande woningen;
  • c. het (bedrijfsmatig) verhuren van kamers aan derden die geen deel uitmaken van het huishouden/gezin;
  • d. detailhandel, met uitzondering van detailhandel waarvoor artikel 7.1 juncto artikel 7.5.1 geldt;
  • e. horeca en aan horeca verwante bedrijvigheid, met uitzondering van horeca waarvoor artikel 7.1 juncto artikel 7.5.1 geldt;
  • f. gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, kampeermiddelen en dergelijke;
  • g. staanplaats of ligplaats voor onderkomens, behoudens voor zover en voor zolang de aanwezigheid van onderkomens nodig is in verband met het in het bos- en/of natuurgebied uit te voeren werken of werkzaamheden;
  • h. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel.

7.5.3 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 7.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

7.6 Afwijken van de gebruiksregels
7.6.1 Afwijken vergroten functies

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 7.5.1, onder b. bepaalde, voor het toestaan van het gebruik van de verdieping voor de toegestane functie onder de volgende voorwaarden:

  • a. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • b. er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe woonomgeving mag niet onevenredig nadelig worden of kunnen worden beïnvloed volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

Artikel 8 Gemengd

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. dienstverlening;
  • c. detailhandel, uitgezonderd een supermarkt;

en tevens voor:

  • d. voorzieningen van openbaar nut;
  • e. groen- en speelvoorzieningen;
  • f. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;
  • g. verkeer in de vorm van ontsluitingswegen, woonstraten, fiets- en voetpaden;

en daarbij behorende:

  • h. erven en terreinen;
  • i. bevoorradingsvoorzieningen;
  • j. in- en uitritten;
  • k. verhardingen;
  • l. parkeervoorzieningen, volgens het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • m. bouwwerken.
8.2 Bouwregels

Op de voor `Gemengd' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. (hoofd)gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.2.1 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte;.
  • d. de (voor)gevels moeten worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens.

8.2.2 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 2,00 meter mag bedragen met inachtneming van een afstand van minimaal 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied.
8.3 Nadere eisen
8.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

8.3.2 Voorwaarden stellen nadere eisen

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van de verkeersveiligheid.
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 8.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

Artikel 9 Groen

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groen en groenvoorzieningen;
  • b. verkeer in de vorm van parkeerplaatsen en fiets- en voetpaden;
  • c. voorzieningen van openbaar nut;

en tevens voor:

  • d. speeltuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin (spt)';
  • e. speelvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorzieningen (sz)';
  • f. kortdurende activiteiten en evenementen (maximaal dag);
  • g. dagrecreatie;
  • h. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en daarbij behorende:

  • i. speelvoorzieningen en trapvelden;
  • j. straatmeubilair;
  • k. kunstobjecten;
  • l. kunstwerken;
  • m. honden uitlaatplaatsen;
  • n. verhardingen;
  • o. bouwwerken.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Op de voor `Groen' aangewezen gronden gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend toegestaan zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het in artikel 9.1 toegestane gebruik;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' geldt het aangeduide maximale bebouwingspercentage;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte.

9.2.2 Uitzondering

In afwijking van het bepaalde in artikel 9.2.1, onder a. zijn gebouwen toegestaan, binnen het bestemmingsvlak met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' en de aanduiding 'maximum goothoogte (m)'.

9.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen met uitzondering van:

  • a. speelvoorzieningen, waarvan de hoogte maximaal 5,00 meter mag bedragen;
  • b. voorzieningen van openbare verlichting, waarvan de hoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen;
  • c. geluidwerende voorzieningen, welke maximaal een bouwhoogte mogen hebben die vereist is op grond van een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder of diens rechtsopvolger.
9.3 Nadere eisen
9.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van bebouwing;
  • b. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

9.3.2 Voorwaarden

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundige beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • c. ter bescherming van de landschappelijke en/of natuurwaarden.

Artikel 10 Horeca

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horeca, zijnde de horecabedrijven (eet)café, fast-foodvestiging en/of restaurant;

en tevens voor:

  • b. voorzieningen van openbaar nut;
  • c. groen- en speelvoorzieningen;
  • d. verkeersvoorzieningen in de vorm van ontsluitingswegen en paden;
  • e. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en daarbij behorende:

  • f. erven en tuinen;
  • g. in- en uitritten;
  • h. verhardingen;
  • i. parkeervoorzieningen, conform het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • j. bouwwerken.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen

Op de voor `Horeca' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. (hoofd)gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' geldt het maximum aantal aangeduide bouwlagen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte.

10.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 2,00 meter mag bedragen.
10.3 Nadere eisen
10.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

10.3.2 Voorwaarden stellen nadere eisen

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van de verkeersveiligheid.
10.4 Specifieke gebruiksregels
10.4.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. discotheek/dancing;
  • b. coffeeschop;
  • c. automatenhal/speelhal.

10.4.2 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 10.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

Artikel 11 Maatschappelijk

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen, waaronder mede begrepen sociale, culturele en educatieve voorzieningen, buurthuis, verenigingsgebouw en zorgwoningen;

en tevens voor:

  • b. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel (dh)';
  • c. horeca, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - ondergeschikte horeca';
  • d. voorzieningen van openbaar nut;
  • e. groen- en speelvoorzieningen;
  • f. verkeersvoorzieningen in de vorm van ontsluitingswegen en paden;
  • g. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en daarbij behorende:

  • h. erven en tuinen;
  • i. in- en uitritten;
  • j. verhardingen;
  • k. parkeervoorzieningen, conform het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • l. bouwwerken.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen

Op de voor `Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. (hoofd)gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' geldt het aangeduide maximale bebouwingspercentage;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' geldt het maximum aantal aangeduide bouwlagen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte.

11.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van:
  • c. erfafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 2,00 meter mag bedragen;
  • d. voorzieningen voor de openbare verlichting, waarvan de hoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen.
11.3 Nadere eisen
11.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van de gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

11.3.2 Voorwaarden stellen nadere eisen

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van de verkeersveiligheid.
11.4 Specifieke gebruiksregels
11.4.1 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 11.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

Artikel 12 Maatschappelijk - Religie

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Maatschappelijk - Religie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. religieuze doeleinden met inbegrip van een begraafplaats;

en tevens voor:

  • b. horeca, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - ondergeschikte horeca';
  • c. instandhouding en bescherming van een rijksmonument' ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijksmonument';
  • d. voorzieningen van openbaar nut;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;
  • g. verkeersvoorzieningen in de vorm van ontsluitingswegen en paden;

en daarbij behorende:

  • h. erven en tuinen;
  • i. in- en uitritten;
  • j. verhardingen;
  • k. parkeervoorzieningen, conform het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • l. bouwwerken.
12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemeen

Op de voor `Maatschappelijk - Religie' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. (hoofd)gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

12.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' geldt het aangeduide maximale bebouwingspercentage;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte.

12.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van:
  • c. erfafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 2,00 meter mag bedragen;
  • d. voorzieningen voor de openbare verlichting, waarvan de hoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen.
12.3 Nadere eisen
12.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

12.3.2 Voorwaarden stellen nadere eisen

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van cultuurhistorische waarden;
  • d. ter bescherming van de verkeersveiligheid.

Artikel 13 Sport

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. sport en spelvoorzieningen;
  • b. groenvoorzieningen;

en tevens voor:

  • c. een horeca voorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • d. een maatschappelijk voorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk';
  • e. een zend-/ontvangstinstallatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ ontvangstinstallatie (zo)';
  • f. voorzieningen van openbaar nut;
  • g. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en daarbij behorende:

  • h. terreinen, ontsluitingswegen en paden, in - en uitritten;
  • i. terreinafscheidingen, ballenvangers en tribunes;
  • j. kantines en kleedruimten;
  • k. parkeervoorzieningen, conform het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • l. verhardingen;
  • m. overige bouwwerken.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Algemeen

Op de voor `Sport' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in artikel 13.1 toegestane gebruik;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

13.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' geldt het aangeduide maximale bebouwingspercentage;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' geldt de aangeduide maximale goothoogte;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' geldt het maximaal aantal aangeduide bouwlagen.

13.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gerealiseerd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10,00 meter bedragen, met uitzondering van:
    • 1. erfafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen;
    • 2. ballenvangers, waarvan de hoogte maximaal 20,00 meter mag bedragen;
    • 3. een zend-/ontvangstinstallatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ ontvangstinstallatie (zo)', mag ten hoogste 40 meter bedragen;
    • 4. schietbomen (inclusief kogelvanger) ten behoeve van traditioneel schieten door schutterijverenigingen, waarvan de hoogte maximaal 20,00 meter mag bedragen.
13.3 Nadere eisen
13.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

13.3.2 Voorwaarden stellen nadere eisen

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 14 Verkeer

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen;
  • b. woonstraten en woonerven;
  • c. pleinen;
  • d. (on-, half- en verharde) voet- en rijwielpaden;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. voorzieningen van openbaar nut;
  • h. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en tevens voor:

  • i. een parkeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  • j. standplaatsen voor kramen en stallen ten behoeve van markten;
  • k. kunstobjecten;
  • l. speelvoorzieningen;

en daarbij behorende:

  • m. geluidsbeperkende voorzieningen;
  • n. kunstwerken;
  • o. bermen en waterlopen;
  • p. laad-/losvoorzieningen;
  • q. verhardingen;
  • r. bouwwerken.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen

Op de voor `Verkeer' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. noodzakelijk met het oog op de regeling van de veiligheid van het verkeer;
  • b. ten behoeve van de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden;
  • c. behorende tot de recreatieve voorziening, zoals recreatieve bewegwijzering, informatieborden en kleinschalige uitzicht- en rustpunten;
  • d. behorende tot het straatmeubilair.

14.2.2 Regels met betrekking tot gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 4,00 meter bedragen;
  • b. de oppervlakte van gebouwen mag maximaal 6,00 m² bedragen.

14.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10,00 meter bedragen met uitzondering van kunstobjecten waarvan de hoogte maximaal 4,00 meter mag bedragen.

14.3 Specifieke gebruiksregels
14.3.1 Tuin/erf

Het in beperkte mate gebruiken van de grond als tuinen of erven is onder de volgende voorwaarden toegestaan:

  • a. er is sprake van een bestaande situatie;
  • b. het betreft enkel tuinen en erven gelegen vóór de voorgevelrooilijn bij woningen en bij hoeksituaties vóór de naar de weg gekeerde gevellijn.

Artikel 15 Wonen

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen waarbij:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand (vrij)' uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen (tae)' uitsluitend twee-aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd (aeg)' uitsluitend aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld (gs)' uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geschakeld (sba-gsch)' uitsluitend geschakelde woningen zijn toegestaan;

en tevens voor:

  • f. begeleid wonen, uitsluitend ter plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - begeleid wonen (sw-bgw)';
  • g. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel (dh)';
  • h. horeca, zijnde een (eet)café, fast-food vestiging, restaurant, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'horeca (h)';
  • i. dienstverlening, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'dienstverlening (dv)';
  • j. kantoor, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'kantoor (k)';
  • k. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'maatschappelijk (m)';
  • l. praktijkruimte, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'praktijkruimte (prr)';
  • m. bed&breakfast, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'bed&breakfast (bb)';
  • n. tuin, uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding 'tuin (t)';
  • o. instandhouding en bescherming van een rijksmonument' ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding rijkmonument (sba-m)';
  • p. instandhouding en bescherming van een carré-hoeve, ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding carré-hoeve (sba-cah)';
  • q. de instandhouding en/of herstel van een karakteristiek object mede gelet op de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek (ka)';
  • r. beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, toegelaten overeenkomstig artikel 15.4.1;
  • s. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;

en daarbij behorende:

  • t. tuinen en erven;
  • u. verkeersdoeleinden in de vorm van toegangswegen tot woningen, toegangswegen tot parkeren, in-/opritten bij woningen, toegangswegen tot garageboxen, verblijfsgebieden, voetgangers- gebieden, pleinen en fiets- en voetpaden;
  • v. parkeervoorzieningen ter plaatse van in-/opritten gelegen voor garages/garageboxen en daar waar aangebouwde vrijstaande bijgebouwen alsmede carports en overkappingen opgericht kunnen worden;
  • w. parkeervoorzieningen ten behoeve van de in artikel 15.1 functies, conform het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • x. verhardingen;
  • y. bouwwerken.
15.2 Bouwregels
15.2.1 Algemeen

Op de voor `Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. de daarbij behorende bijgebouwen, carports en garages;
  • c. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • d. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.

15.2.2 Regels met betrekking tot hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aangegeven 'gevellijn' waarbij de (voor-)gevels van het hoofdgebouw moeten worden geplaatst in of evenwijdig aan de aangegeven 'gevellijn' waarbij de voorste gevellijn in de richting van de voorste perceelsgrens of naar weg gekeerde perceelsgrens niet mag worden overschreden;
  • b. het bouwperceel behorende bij een woning mag voor nooit meer dan 50% worden bebouwd, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld (gs)' waarbij tevens de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, daar mag het bouwperceel voor 100% worden bebouwd;
  • c. gebouwen worden gebouwd in maximaal twee bouwlagen, met dient verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' tot maximaal het aangegeven aantal bouwlagen mag worden gebouwd;
  • d. de maximale goothoogte en maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • e. de maximale goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  • f. hoofdgebouwen mogen achter de aangegeven 'gevellijn' uitbreiden, met dien verstande dat de afstand tussen de voor- en achtergevel:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd (aeg)' waarbij geen aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, maximaal 13,00 meter mag bedragen;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' waarbij geen aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, maximaal 13,00 meter mag bedragen;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld (gs)' waarbij geen aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, maximaal 13,00 meter mag bedragen;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand (vrij)', maximaal 17,00 meter mag bedragen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'kap uitgesloten (-kap)', is een kapconstructie niet toegestaan;
  • h. op de in de bestemming begrepen gronden mag maximaal 1 woning/wooneenheid per bouwperceel worden opgericht, met uitzondering van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' waarbij maximaal het aantal aangeduide wooneenheden opgericht mag worden;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand (vrij)' dient de zijgevel van het hoofdgebouw minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' waarbij de aanduiding 'bouwvlak' niet is opgenomen, dient de zijgevel van het hoofdgebouw aan één zijde minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' dient een hoekwoning aan één zijde minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld (gs)' waarbij tevens de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen mag in beide zijdelingse perceelsgrenzen worden gebouwd.

15.2.3 Regels met betrekking tot bijgebouwen, garages en carports

Voor het bouwen van bijgebouwen, garages en carports gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van alle aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports tezamen mag maximaal 70 m² bedragen onder de volgende voorwaarden:
    • 1. ter plaatse van de aanduidingen 'twee-aaneen (tae)' en 'aaneengebouwd (aeg)' waarbij geen bouwvlak is opgenomen, voor het perceelsgedeelte gelegen op een afstand vanaf 13,00 meter achter de aangegeven 'gevellijn' of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwperceel bebouwd mag worden;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' voor het perceelsgedeelte gelegen op een afstand vanaf 17,00 meter achter de aangegeven 'gevellijn' of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwperceel bebouwd mag worden;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouw' zijn bijgebouwen toegestaan met een maximale oppervlakte van 20 m2 en een maximale bouwhoogte van 3,5 meter;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld (gs)' waarbij tevens de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen mag het bouwperceel voor maximaal 100% worden bebouwd;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a., sub 1 en sub 2 mag bij een bouwperceel groter dan 1.000 m² de gezamenlijke oppervlakte van aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports maximaal 130 m² bedragen met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd;
  • e. de goothoogte van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports mag maximaal 3,20 meter bedragen;
  • f. de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports worden gebouwd op minimaal 3,00 meter achter de aangegeven 'gevellijn' of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, dan wel bij het ontbreken van de aangegeven 'gevellijn' achter de voorgevel, met dien verstande dat een garage/carport met de toegang gericht naar de weg gekeerde perceelsgrens tevens op een afstand van minimaal 5,00 meter tot de bestemming `Verkeer' wordt gebouwd;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand (vrij)' worden de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports in maximaal één zijdelingse perceelsgrens en minimaal 2,50 meter uit de andere zijdelingse perceelsgrens gebouwd met dien verstande dat in hoeksituaties minimaal 2,50 meter tot de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijdelingse perceelsgrens in acht genomen dient te worden;
  • h. indien ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand (vrij)' een bijgebouw dan wel garage/carport wordt geplaatst op een grotere afstand dan 25,00 meter achter de naar de weg gekeerde gevellijn of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, dan wel indien geen gevellijn is aangeduid achter de bestaande voorgevel of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn, dan mag het bijgebouw en de garage/carport ook in de andere zijdelingse perceelsgrens worden geplaatst;
  • i. ter plaatse van de aanduidingen 'aaneengebouwd (aeg)' en 'twee-aaneen (tae)' waarbij geen bouwvlak is opgenomen worden de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en garages/carports in of minimaal 2,50 meter uit de zijdelingse perceelgrens gebouwd met dien verstande dat in hoeksituaties minimaal 2,50 meter tot de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijdelingse perceelsgrens in acht genomen dient te worden.

15.2.4 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen garages/carports zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 2,00 meter mag bedragen met inachtneming van minimaal 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied;
  • b. zwembaden, whirlpools, jacuzzi's of vijvers en vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht in het achtererfgebied met dien verstande dat de oppervlakte van zwembaden maximaal 100 m² per bouwperceel bedraagt en dat niet meer dan 50% van het achtererfgebied is bebouwd met inachtneming van minimaal 1,00 meter tot de zijdelingse perceelsgrens.
15.3 Afwijken van de bouwregels
15.3.1 Afwijken gevellijn

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 15.2.2, onder b. bepaalde, om ter plaatse van de aangegeven 'gevellijn', te overschrijden tot een maximum van 2,00 meter en over maximaal 30% van de lengte van de gevellijn of voorgevel per bouwperceel, mits:

  • a. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. er geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • d. aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk worden gedaan.

15.3.2 Afwijken gebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 15.2.2, onder i., onder j. en onder k. bepaalde, tot het bouwen van de zijgevel in de zijdelingse bouwperceelsgrens dan wel binnen een afstand van 2,50 meter tot de zijdelingse perceelsgrens mits:

  • a. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. er geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • d. aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk worden gedaan.

15.3.3 Afwijken aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 15.2.3, onder f. bepaalde, ten behoeve van het bouwen van aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen tot in de naar de weg gekeerde gevellijn of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige gevellijn, dan wel bij het ontbreken van de aangegeven 'gevellijn' tot in de voorgevel, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 15.2.3. onder a., onder b., onder c., onder d., onder e., onder g. en onder h. onverminderd van toepassing is.

15.3.4 Afwijken garages/carports

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 15.2.3, onder f. bepaalde, voor de bouw van garages/carports, met de toegang gericht naar de weg gekeerde perceelsgrens, geheel of gedeeltelijk voor de gevellijn, van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige gevellijn, met dien verstande dat de afstand tot de bestemming `Verkeer' minimaal 5,00 meter moet bedragen en het bepaalde in artikel 15.2.3, onder a., onder b., onder c., onder d., onder e., onder g. en onder h. onverminderd van toepassing is.

15.3.5 Afwijken erfafscheidingen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 15.2.4, onder a., en onder b. bepaalde voor de bouw van een erfafscheiding, tot een hoogte van 2,00 meter, achter de voorgevel of de in het verlengde daarvan getrokken lijn en binnen een afstand van 1,00 meter tot het openbaar toegankelijk gebied.

15.3.6 Voorwaarden

Het bij een omgevingsvergunning afwijken als in artikel 15.3.1 tot en met artikel 15.3.5 bedoeld wordt slechts toegestaan indien aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

15.4 Specifieke gebruiksregels
15.4.1 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zoals vermeld in bijlage 3 bij de regels zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. niet meer dan 1/3 deel van het bruto vloeroppervlak van de woning met aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen mag voor de uitoefening van de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten en de daarbij behorende opslag worden gebruikt, tot een maximum van 60 m²;
  • b. vrijstaande bijgebouwen mogen niet voor de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten worden gebruikt;
  • c. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • d. er mogen geen horeca-activiteiten plaatsvinden;
  • e. op de activiteiten is geen vergunning- en/of meldingsplicht van toepassing op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht / Wet milieubeheer;
  • f. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van die woning te zijn. Deze persoon mag worden ondersteund door hoogstens één andere persoon, niet de bewoner zijnde. Deze laatstgenoemde ondersteunende andere persoon mag de activiteit niet zelfstandig ter plaatse uitoefenen;
  • g. de noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van de activiteit worden op eigen terrein gesitueerd conform de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels;
  • h. er mag geen opslag ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit op de onbebouwde grond plaatsvinden;
  • i. er zijn geen reclames groter dan 0,5 m² ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit bij of aan de woning toegestaan.

15.4.2 Detailhandel, kantoor, praktijkruimte en horeca

De functies detailhandel, horeca, kantoor en praktijkruimte mogen alleen plaats vinden onder de volgende voorwaarden:

  • a. de functie mag alleen plaatsvinden op de begane grond van de bebouwing;
  • b. het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van de functie mag maximaal 200 m2 bedragen.

15.4.3 Bed&Breakfast

Ter plaatse van de aanduiding 'bed&breakfast (bb)' is en bed&breakfast toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. de functie is toegestaan voor maximaal 4 personen;
  • b. er geldt een aangesloten verhuurperiode van maximaal 14 dagen;
  • c. horeca is niet toegestaan.

15.4.4 Kampeermiddelen

Het stallen van eigen kampeermiddelen is toegestaan indien de stalling plaatsvindt in het achtererfgebied en achter het hoofdgebouw.

15.4.5 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 15.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

15.4.6 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. het overschrijden van het maximum aantal toegelaten wooneenheden;
  • b. het oprichten van nieuwe woningen binnen de bestaande bebouwing;
  • c. het splitsen van bestaande woningen;
  • d. het (bedrijfsmatig) verhuren van kamers aan derden die geen deel uitmaken van het huishouden/gezin;
  • e. een aan huis verbonden beroep of bedrijf, met uitzondering van aan huis verbonden beroepen waarvoor artikel 15.4.1 geldt;
  • f. detailhandel, kantoor, horeca en praktijkruimte, met uitzondering van detailhandel, kantoor, horeca en praktijkruimte waarvoor artikel 15.1 juncto artikel 15.4.2 geldt;
  • g. gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde gevellijn voor het stallen van voertuigen, kampeermiddelen en dergelijke, anders dan op een oprit, met uitzondering van de stalling van kampeermiddelen waarvoor artikel 15.4.4 geldt.
15.5 Afwijken van de gebruiksregels
15.5.1 Afwijken vergroten functies

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 15.4.2, voor de functies horeca, kantoor en praktijkruimte, bepaalde voor:

  • a. het vergroten van het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van de toegestane functie met maximaal 50%;
  • b. het toestaan van het gebruik van de verdieping voor de toegestane functie.
15.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om ter plaatse van de aanduidingen 'horeca (h)' en 'detailhandel (dh)' de aanduiding te wijzigen in de aanduiding 'kantoor (k)' of 'praktijkruimte (prr)' onder de volgende voorwaarden:

  • a. de parkeerbalans in de directe omgeving wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
  • b. het woonmilieu wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
  • c. aan het stedenbouwkundige beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit wordt geen afbreuk gedaan.

Artikel 16 Wonen - 2

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;

en tevens voor:

  • b. de instandhouding en/of herstel van een karakteristiek object mede gelet op de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek [ka]';
  • c. beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, toegelaten overeenkomstig artikel 16.4.1;
  • d. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren van hemelwater;
  • e. verkeersdoeleinden in de vorm van toegangswegen tot woningen, toegangswegen tot parkeren, in-/opritten bij woningen, toegangswegen tot garageboxen, verblijfsgebieden, voetgangersgebieden, pleinen en fiets- en voetpaden;
  • f. parkeervoorzieningen ter plaatse van in-/opritten gelegen voor garages/garageboxen en daar waar aangebouwde vrijstaande bijgebouwen alsmede carports en overkappingen opgericht kunnen worden;

en daarbij behorende:

  • g. tuinen en erven;
  • h. parkeervoorzieningen ten behoeve van de in artikel 16.1 genoemde functie, volgens het bepaalde in artikel 33.3.2;
  • i. verhardingen;
  • j. bouwwerken.
16.2 Bouwregels
16.2.1 Algemeen

Op de voor `Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. de daarbij behorende bijgebouwen, carports en garages;
  • c. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.

16.2.2 Regels met betrekking hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. de maximale goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  • d. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.

16.2.3 Regels met betrekking tot bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. bijgebouwen bij de woningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen (bg)' worden gebouwd;
  • b. de oppervlakte van alle aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports tezamen mag maximaal 700 m² bedragen;
  • c. de goothoogte van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen en van garages/carports mag maximaal 3,20 meter bedragen;
  • d. een fietsenstalling voor algemeen gebruik is tot een maximale bouwhoogte van 2,5 meter toegestaan.

16.2.4 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen garages/carports zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte voor de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 1,00 meter en achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de in het verlengde daarvan getrokken denkbeeldige lijn maximaal 2,00 meter mag bedragen met inachtneming van minimaal 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied;
  • b. zwembaden, whirlpools, jacuzzi's of vijvers en vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht in het achtererfgebied met dien verstande dat de oppervlakte van zwembaden maximaal 100 m² per bouwperceel bedraagt en dat niet meer dan 50% van het achtererfgebied is bebouwd met inachtneming van minimaal 1,00 meter tot de zijdelingse perceelsgrens.
16.3 Nadere eisen
16.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en/of de hoogte van gebouwen;
  • b. de situering en/of de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • c. de aard, hoogte en/of de situering van perceels- en/of terreinafscheidingen;
  • d. de situering van in- en uitritten;
  • e. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek.

16.3.2 Voorwaarden stellen nadere eisen

De nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter bescherming van de verkeersveiligheid.
16.4 Specifieke gebruiksregels
16.4.1 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zoals vermeld in bijlage 3 bij de regels zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. niet meer dan 1/3 deel van het bruto vloeroppervlak van de woning met aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen mag voor de uitoefening van de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten en de daarbij behorende opslag worden gebruikt, tot een maximum van 60 m²;
  • b. vrijstaande bijgebouwen mogen niet voor de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten worden gebruikt;
  • c. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • d. er mogen geen horeca-activiteiten plaatsvinden;
  • e. op de activiteiten is geen vergunning- en/of meldingsplicht van toepassing op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht / Wet milieubeheer;
  • f. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van die woning te zijn. Deze persoon mag worden ondersteund door hoogstens één andere persoon, niet de bewoner zijnde. Deze laatstgenoemde ondersteunende andere persoon mag de activiteit niet zelfstandig ter plaatse uitoefenen;
  • g. de noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van de activiteit worden op eigen terrein gesitueerd conform de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels;
  • h. er mag geen opslag ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit op de onbebouwde grond plaatsvinden;
  • i. er zijn geen reclames groter dan 0,5 m² ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit bij of aan de woning toegestaan.

16.4.2 Parkeren

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van bestaande functies zoals genoemd in artikel 15.1 worden op eigen terrein gesitueerd volgens de normen zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels en volgens het bepaalde in artikel 33.3.2.

16.4.3 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. het overschrijden van het maximum aantal toegelaten wooneenheden;
  • b. het oprichten van nieuwe woningen binnen de bestaande bebouwing;
  • c. het splitsen van bestaande woningen;
  • d. het (bedrijfsmatig) verhuren van kamers aan derden die geen deel uitmaken van het huishouden/gezin;
  • e. een aan huis verbonden beroep of bedrijf, met uitzondering van aan huis verbonden beroepen waarvoor artikel 33.3.2 geldt.

Artikel 17 Wonen - Garageboxen

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Wonen - Garageboxen' aangewezen gronden zijn bestemd voor garageboxen ten behoeve van het stallen van motorvoertuigen.

17.2 Bouwregels
17.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen - Garageboxen' aangewezen gronden mogen uitsluitend garageboxen worden gebouwd.

17.2.2 Regels met betrekking tot garageboxen

Voor het bouwen van garageboxen gelden de volgende regels:

  • a. garageboxen mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag voor maximaal 100% worden bebouwd;
  • c. de bouwhoogte van garageboxen mag maximaal 3,20 meter bedragen;
  • d. de inhoud van een garagebox mag maximaal 60 m3 bedragen.
17.3 Specifieke gebruiksregels
17.3.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. bedrijfsmatige doeleinden en/of bedrijfsmatige opslagruimte;
  • b. detailhandel;
  • c. opslag, anders dan inherent aan de stalling van motorvoertuigen;
  • d. (permanente) bewoning.

Artikel 18 Wonen - Uit te werken

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. verkeersdoeleinden;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. infiltratievoorzieningen.
18.2 Uitwerkingsregels

Er gelden de volgende regels:

  • a. er mogen maximaal 50 woningen worden gebouwd;
  • b. de bepalingen van artikel 15 'Wonen', artikel 9 'Groen' en artikel 14 'Verkeer' van deze planregels zijn van overeenkomstige toepassing;
  • c. de woningbouw moet voldoen aan de regionale woningbouwafspraken;
  • d. de parkeervoorzieningen moeten voldoen aan de bepalingen van artikel 33.3.2 van deze planregels;
  • e. er vindt afstemming op de bestaande bebouwingsstructuur plaats;
  • f. de groenverbinding tussen de Europaweg Noord en de Vogelzankweg wordt doorgezet en sluit aan op de beoogde ecologische verbindingszone langs de N299;
  • g. er wordt voorzien in de noodzakelijke infiltratievoorzieningen ten behoeve van de infiltratie van afgekoppeld hemelwater.
18.3 Bouwen volgens uitwerkingsregels
  • a. Op de tot 'Wonen - Uit te werken' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig de door Burgemeester en Wethouders uitgewerkt plan als bedoeld in artikel 18.2 dat onherroepelijk is geworden.
  • b. Zolang het in artikel 18.2 bedoelde uitwerkingsplan niet onherroepelijk is geworden mag de op de tot 'Wonen - Uit te werken' bestemde gronden slechts worden gebouwd indien het bouwwerk niet in strijd is met een ter inzage gelegd ontwerp-uitwerkingsplan en Gedeputeerde Staten geen bezwaar heeft.
18.4 Uitwerkingsplicht volgens artikel 3.6. lid 1, onder a Wro

Burgemeester en wethouders werken de in artikel 18.1 omschreven bestemming uit overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 19 Leiding

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor ondergrondse leidingen voor het transporteren van gas, water en riolering, waarbij:

  • 1. ter plaatse van de figuur 'hartlijn leiding - gas', 'hartlijn leiding - water' en 'hartlijn leiding - riool' het hart van de betreffende leiding is gelegen;
  • 2. ter plaatse van de zodanig aangeduide strook voor direct ruimtebeslag, deze tevens dient als toetsing- en veiligheidsgebied.
19.2 Bouwregels
19.2.1 Algemeen

Op de voor 'Leiding' aangewezen gronden mag, in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen niet worden gebouwd.

19.2.2 Uitzondering

Het in artikel 19.2.1 bepaalde is niet van toepassing voor bouwwerken van geringe omvang ten dienste van de betreffende leiding met een hoogte van maximaal 3,20 meter.

19.3 Afwijken van de bouwregels
19.3.1 Afwijken oprichten bouwwerken

Het bevoegd gezag kan, na voorafgaand schriftelijk advies van de leidingbeheerder, bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 19.2.1 bepaalde ten behoeve van het oprichten van bouwwerken welke ter plaatse conform de aangegeven bestemming mogen worden opgericht mits;

  • a. deze geen gevaar opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding geen afbreuk doen; en/of
  • b. door het aan de afwijking verbinden van voorwaarden een en ander kan worden voorkomen.

19.3.2 Externe veiligheid

Voor zover wordt afgeweken ten behoeve van bouwwerken welke ter plaatse van de betreffende ondergrondse leiding voor het transporteren van gas (buisleiding) mogen worden opgericht geldt dat een omgevingsvergunning ter afwijking van artikel 19.2.1 uitsluitend kan worden verleend voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten.

19.4 Specifieke gebruiksregels
19.4.1 Algemeen

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor:

  • a. een wijze die gevaar kan opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding afbreuk doet;
  • b. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding zoals wegen en paden;
  • c. het aanbrengen en rooien van diep wortelende beplantingen en bomen;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het opslaan van goederen;
  • h. het toelaten van een kwetsbaar object in geval van een ondergrondse leiding voor het transporteren van gas (buisleiding).

19.4.2 Verbodsbepaling

In afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen is het verboden de gronden te gebruiken voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, behoudens voor zover het de uitvoering betreft van werken of werkzaamheden ten behoeve van de desbetreffende ondergrondse leiding.

19.4.3 Uitzondering

De verbodsbepaling in artikel 19.4.1 en artikel 19.4.2 geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • b. die het normale beheer en onderhoud tan aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken;
  • d. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
19.5 Afwijken van de gebruiksregels
19.5.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 19.4.1 bepaalde, behoudens het gestelde in onder h., mits:

  • a. daardoor geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de leiding;
  • b. het functioneren van de leiding niet in gevaar komt;
  • c. er voorwaarden aan verbonden worden waardoor er geen schade te verwachten is of het functioneren van de leiding niet in gevaar komt.

19.5.2 Voorwaarden afwijken van de gebruiksregels

Het bij een omgevingsvergunning afwijken als in artikel 19.5.1 bedoeld wordt slechts toegestaan nadat vooraf schriftelijk advies bij de beheersinstantie van de betrokken leiding is ingewonnen over de vraag of de in artikel 19.4.1 vermelde activiteiten daadwerkelijk gevaar opleveren voor de leiding, dan wel afbreuk doen aan het functioneren ervan en de eventueel ter voorkoming daarvan te stellen voorwaarden.

Artikel 20 Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

20.2 Bouwregels
20.2.1 Bouwverbod

Op de voor 'Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd.

20.2.2 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 20.2.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.
20.3 Afwijken van de bouwregels
20.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20.2.1 ten behoeve van grotere en diepere bodemingrepen.

20.3.2 Voorwaarden grotere bodemingrepen

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 20.3.1, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

20.3.3 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde in sub c van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het verlagen of afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur';
  • f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpen voorwerpen in de bodem.

20.4.2 Voorwaarden aan een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 20.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.
20.5 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 20.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven- /booronderzoek);
  • b. de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.
  • e. de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
20.6 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c. van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
20.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
20.7.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen.

20.7.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 20.7.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

20.7.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 20.7.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² beslaat;
  • c. de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.

20.7.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning
  • a. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.7.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:
  • b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • c. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • d. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • e. indien het bepaalde in sub c van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.
20.8 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming 'Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen en wijzigen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie (geen) archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 3, 4, 5 of 6' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 21 Waarde - Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde)

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

21.2 Bouwregels
21.2.1 Bouwverbod

Op de voor 'Waarde - Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd.

21.2.2 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 21.2.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.
21.3 Afwijken van de bouwregels
21.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21.2.1 ten behoeve van grotere en diepere bodemingrepen.

21.3.2 Voorwaarden grotere bodemingrepen

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 21.3.1, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

21.3.3 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c. van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het verlagen of afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur';
  • f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpen voorwerpen in de bodem.

 

21.4.2 Voorwaarden aan een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 21.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

21.4.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 21.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven- / booronderzoek);
  • b. de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt;
  • e. de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

21.4.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde in sub c van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
21.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
21.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen.

21.5.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 21.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

21.5.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 21.5.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m² beslaat;
  • c. de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.

21.5.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c., van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
21.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming 'Waarde - Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen en wijzigen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie (geen) archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 2, 4, 5 of 6' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 22 Waarde - Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Waarde - Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

22.2 Bouwregels
22.2.1 Bouwverbod

Op de voor `Waarde - Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd.

22.2.2 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 22.2.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.
22.3 Afwijken van de bouwregels
22.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22.2.1 ten behoeve van grotere bodemingrepen.

22.3.2 Voorwaarden grotere bodemingrepen

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 22.3.1, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

22.3.3 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
22.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming `Waarde - Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het verlagen of afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur';
  • f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpen voorwerpen in de bodem.

22.4.2 Voorwaarden aan een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 22.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

22.4.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 22.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven- / booronderzoek);
  • b. de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.
  • e. de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

22.4.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. e verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde in sub c van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
22.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
22.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming `Waarde - Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen.

22.5.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 22.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

22.5.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 22.5.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m² beslaat;
  • c. de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m² beslaat en de verstoring niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.

22.5.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c. van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.
22.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming `Waarde - Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen en wijzigen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie (geen) archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3, 5 of 6' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 23 Waarde - Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde)

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Waarde - Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

23.2 Bouwregels
23.2.1 Bouwverbod

Op de voor `Waarde - Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd.

23.2.2 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 23.2.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m² beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

23.2.3 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23.2.1 ten behoeve van grotere en diepere bodemingrepen.

23.2.4 Voorwaarden grotere bodemingrepen

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 23.2.3, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.
23.3 Afwijken van bouwregels
23.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23.2.1 ten behoeve van grotere en diepere bodemingrepen.

23.3.2 Voorwaarden grotere bodemingrepen

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 23.3.1, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. r geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

23.3.3 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c. van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
23.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming `Waarde - Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het verlagen of afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur';
  • f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpen voorwerpen in de bodem.

23.4.2 Voorwaarden aan een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 23.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

23.4.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 23.4.1is niet van toepassing indien:

  • a. de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven- /booronderzoek);
  • b. de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend;
  • c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m² beslaat;
  • d. de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m² beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt;
  • e. de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

23.4.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde in sub c van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
23.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
23.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming `Waarde - Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen.

23.5.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 23.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  • c. schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel;
  • d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

23.5.3 Uitzonderingen op verbod

Het verbod als bedoeld in artikel 23.5.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen;
  • b. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m² beslaat;
  • c. de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m² beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt.

23.5.4 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • d. indien het bepaalde onder c. van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.
23.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming `Waarde - Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde) geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie (geen) archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3, 4 of 6' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 24 Waarde - Archeologie 6 (Geen verwachtingswaarde)

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Waarde - Archeologie 6 (Geen verwachtingswaarde)' aangewezen gronden zijn enkel bestemd voor de andere daar voorkomende bestemming(en).

24.2 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming `Waarde - Archeologie 6 (Geen verwachtingswaarde)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie archeologische waarden aanwezig zijn.
  • b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3, 4 of 5' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 25 Waarde - Beschermd dorpsgezicht

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van ter plaatse bestaande bebouwing, bouwwerken en bebouwde gronden, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, die een beeld opleveren dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap, de cultuurhistorische waarde en de ruimtelijke structurele samenhang.

25.2 Bouwregels
25.2.1 Algemeen

Op de voor `Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden mag, in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen niet worden gebouwd.

25.2.2 Uitzondering

Het in artikel 25.2.1 bepaalde is niet van toepassing indien en voor zover het oprichten van bouwwerken verenigbaar is met het beheer, de ontwikkeling en het behoud van de karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht en vooraf advies aan de Monumentencommissie is gevraagd, met dien verstande, dat:

  • a. geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld;
  • b. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming.
25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.3.1 Bebouwde gronden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, voor zover de gronden bebouwd zijn, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: het verven in een andere kleur van gevels, ramen, deuren, luiken en/of sieronderdelen.

25.3.2 Onbebouwde gronden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, voor zover de gronden onbebouwd zijn, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het opslaan, deponeren, lozen of storten van al dan niet afgedankte of aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, alsmede het aanleggen of inrichten van opslag-, stort- of bergplaatsen;
  • b. het rooien van bomen en hagen anders dan voor de effectuering van een omgevingsvergunning;
  • c. et wijzigen of aanleggen van bestrating van parkeergelegenheden, pleinen, straten, voet- en/of toegangspaden;
  • d. het verlagen of afgraven, het ophogen of het egaliseren van de bodem plus of min 10 centimeter ten opzichte van de toestand op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

25.3.3 Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend, wanneer de bedoelde werken geen afbreuk doen aan het karakter en de schoonheid van het beschermd dorpsgezicht.

25.3.4 Uitzondering

Het in artikel 25.3.1 en artikel 25.3.2 bepaalde is niet van toepassing voor:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden voor de instandhouding van de bestaande inrichting;
  • b. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale grondgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
25.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
25.4.1 Vergunningplicht

Ter plaatse van de als 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden is het verboden zonder omgevingsvergunning de aanwezige cultuurhistorische waardevolle en/of karakteristieke bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen.

25.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 25.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. sloopwerkzaamheden in verband met normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. sloopwerkzaamheden, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan ingevolge een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning in uitvoering zijn dan wel mogen worden uitgevoerd.

25.4.3 Toepassingscriteria

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 25.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 31 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 26 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 27 Algemene bouwregels

27.1 Verbod op bouwen in strijd met de bestemming

Het is verboden op de in het plan begrepen gronden:

  • a. enig bouwwerk te bouwen waarbij de aangegeven bebouwingsgrens wordt overschreden, dan wel de bouwregels niet in acht worden genomen, behoudens overschrijdingen die volgens deze regels zijn toegestaan;
  • b. een bouwwerk of een complex van bouwwerken te bouwen, indien daardoor een bouwwerk, geen gebouw zijnde of een complex van bouwwerken, hetzij niet langer zal blijven voldoen aan, hetzij in een grotere mate zal gaan afwijken van het plan;
  • c. ondergronds te bouwen, met uitzondering van daar waar dit volgens de regels is toegestaan danwel bij bestaande ondergrondse bouwwerken.
27.2 Algemene bouwregels

Indien bij het afwijken van de bouw- of gebruiksregels of wijzigingsbevoegdheden in de afzonderlijke bestemmingen niets staat vermeld over bebouwingspercentage, bouwhoogte of maximaal aantal bouwlagen kan bij hantering van het afwijken van de bouw- of gebruiksregel of wijzigingsbevoegdheid met maximaal 10 % van het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)', 'maximum aantal bouwlagen' respectievelijk 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bebouwingspercentage, bouwlagen respectievelijk bouwhoogte worden afgeweken.

Artikel 28 Algemene gebruiksregels

28.1 Verbod op gebruik in strijd met de bestemming

Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. opstallen te gebruiken of te doen gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming aangegeven bebouwings- en gebruiksmogelijkheden.

28.2 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:

  • a. het gebruik van bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning als zelfstandige woning(en);
  • b. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan krachtens deze regels;
  • d. het gebruik van bebouwing voor seksinrichting;
  • e. het gebruik van bijgebouwen behorende bij een (dienst-)woning, bedrijfswoning ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

Artikel 29 Algemene aanduidingsregels

29.1 Geluidzone - industrie
29.1.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de geluidsbelasting van industrie.

29.1.2 Voorwaarden

In afwijking van het bepaalde voor de ter plaatse voorkomende andere bestemmingen zijn geluidsgevoelige objecten ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie' uitsluitend toegestaan, indien wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder.

29.2 overige zone - hinderzone rioolzuiveringsinstallaties
29.2.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - hinderzone rioolzuiveringsinstallaties' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd ter bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met hinderzone verbonden aan de waterzuiveringsinstallatie.

29.3 Veiligheidszone - LPG
29.3.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - LPG' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd ter bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met externe veiligheid.

29.3.2 Voorwaarden

In afwijking van het bepaalde voor de ter plaatse voorkomende andere bestemmingen is ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - LPG' geen nieuwbouw ten behoeve van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen toegestaan.

29.4 Veiligheidszone - gasontvangstation
29.4.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - gasontvangstation' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd ter bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met externe veiligheid.

29.4.2 Voorwaarden

In afwijking van het bepaalde voor de ter plaatse voorkomende andere bestemmingen zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - gasontvangstation' onderstaande bouwregels van toepassing:

  • a. In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geldt op of in de gronden het volgende:,
    • 1. bouwen van kwetsbare objecten is niet toegestaan;
    • 2. bouwen van beperkt kwetsbare objecten binnen een afstand van 4 meter vanaf het gasontvangstation is niet toegestaan.

Artikel 30 Algemene afwijkingsregels

30.1 Afwijken met 10%

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de voorgeschreven maten ten aanzien van bouwhoogten, oppervlakten, lengtes, breedtes en dieptes en bebouwingspercentages tot ten hoogste 10%, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en in de afzonderlijke bestemmingen niet reeds wordt voorzien in een soortgelijke afwijkingsbevoegdheid.

Artikel 31 Algemene wijzigingsregels

31.1 Wijzigingsbevoegdheid plaats bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen ten aanzien van de plaats van de bestemmingsgrenzen, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van andere ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op de praktische uitvoering gerechtvaardigd is, respectievelijk indien de aanpassing aan de terreingesteldheid dit noodzakelijk maakt en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

31.2 Wijzigingsbevoegdheid Parkeernota Landgraaf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de parkeernormering behorende bij dit bestemmingsplan (zie bijlage 2 bij de regels: 'Parkeernormeringen volgens bijlage 3 uit het GVVP, d.d. 26 oktober 2017 vastgesteld) te wijzigen in de meest actuele versie van de parkeernota.

Artikel 32 Algemene procedureregels

32.1 Omgevingsvergunningen

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is de procedure als vervat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.

32.2 Wijzigingen

Met betrekking tot de voorbereiding van een wijziging van het plan ingevolge artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening door burgemeester en wethouders, is de procedure zoals deze ingevolge de Wet ruimtelijke ordening gevoerd dient te worden van toepassing.

32.3 Nadere eisen

Bij het stellen van nadere eisen dient bij de voorbereiding van het betreffende besluit de volgende procedure te worden gevolgd:

  • a. het ontwerp van het besluit met bijbehorende stukken ligt gedurende twee weken ter inzage;
  • b. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren in één of meer in de gemeente verspreid wordende dag- en/of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze bekend;
  • c. in het voorkomende geval wordt tevens de aanvrager van de omgevingsvergunning, naar aanleiding waarvan de nadere eisen worden gesteld, tevoren schriftelijk in kennis gesteld van de terinzagelegging;
  • d. de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van terinzagelegging schriftelijk zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit in te dienen bij burgemeester en wethouders;
  • e. burgemeester en wethouders nemen zo spoedig mogelijk een beslissing;
  • f. burgemeester en wethouders maken aan hen, die zienswijzen naar voren hebben gebracht, de beslissing op die zienswijzen bekend.

Artikel 33 Overige regels

33.1 Wettelijke regels

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan.

33.2 Milieuwetgeving
  • a. Bij afwijking van de bestemming en bij nieuw op te richten gebouwen dient, voor zover nodig, inzicht te worden verschaft in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de archeologische waarden in de grond van het gehele bouwperceel aan de hand van een in te stellen bodemonderzoek en archeologisch onderzoek. Dit geldt eveneens voor locaties waar door middel van afwijking van het bestemmingsplan gebouwd kan worden.
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwen zal niet eerder worden verleend dan nadat de gronden, indien nodig, zijn gesaneerd dan wel indien er zekerheid bestaat dat alvorens bouwactiviteiten een aanvang nemen bedoelde gronden, indien nodig, feitelijk zullen zijn gesaneerd, alsmede de aanwezige archeologische waarden in de grond in beeld zijn gebracht.
33.3 Gemeentelijke regels
33.3.1 Gemeentelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar gemeentelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van ter inzagelegging van het ontwerpplan.

33.3.2 Parkeernormen

De noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van nieuwe activiteiten c.q. nieuwe functies dan wel uitbreiding van mogelijke functies zoals genoemd in de afzonderlijke artikelen worden op eigen terrein gesitueerd.

Voldaan dient te worden aan de parkeernormen in de 'Parkeernota Landgraaf 2008' (d.d. 4 december 2007) van de gemeente Landgraaf (zie bijlage 2 bij de regels). Hiervan kan worden afgeweken indien in de openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid aanwezig is, zulks naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders.

33.4 Voorrangsregels
33.4.1 Strijdigheid belangen

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, met name aan de orde bij wijzigingsbevoegdheden, prevaleert het belang van de dubbelbestemming. De dubbelbestemming vormt het toegevoegde na te streven nieuwe beleid en levert als zodanig extra criteria op voor de uit te voeren toetsing bij de wijzigingsbevoegdheid. Kan bij wijziging niet aan deze criteria voldaan worden en/of wordt op enig vlak onevenredige schade aangebracht dan kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

33.4.2 Onderlinge relatie dubbelbestemming

Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat dubbelbestemmingen gericht op het in stand houden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven dubbelbestemmingen met bebouwing. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de dubbelbestemming:

  • a. Waarde - Beschermd dorpsgezicht;
  • b. Leiding;
  • c. Waarde - Archeologie 2;
  • d. Waarde - Archeologie 3;
  • e. Waarde - Archeologie 4;
  • f. Waarde - Archeologie 5;
  • g. Waarde - Archeologie 6;

Uitzondering hierop, in de vorm van nevenschikking, is mogelijk, wanneer compensatie van eventueel verlies aan kwaliteit is gegarandeerd.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 34 Overgangsrecht

34.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10 %.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
34.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 35 Slotregel

Deze regels (met bijlagen) worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach' van de gemeente Landgraaf.