direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stedelijk gebied Waubach
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Met de invoering van de Omgevingswet wil de overheid de regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk samenvoegen en vereenvoudigen, zodat het in de toekomst eenvoudiger wordt om ruimte te bieden aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wet- en regelgeving in de fysieke leefomgeving. 26 verschillende wetten worden gebundeld tot één wet: de Omgevingswet (hierna: Ow). Daarnaast worden 60 Algemene Maatregelen van Bestuur (hierna: AMvB's) samengevoegd tot 4 AMvB's:

  • het besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);
  • het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • het Omgevingsbesluit.

Tevens worden 75 ministeriële regelingen samengevoegd tot een regeling: de Omgevingsregeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0001.png"

Afbeelding 1.1: de vereenvoudiging van de Omgevingswet

Één van de nieuwe kerninstrumenten in de Ow betreft het omgevingsplan. Het omgevingsplan dient gemeenten naar de toekomst toe meer bestuurlijke afwegingsruimte te bieden om de fysieke leefomgeving te beheren en te ontwikkelen. Op basis van de Ow dienen alle regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente samengevoegd te worden in één allesomvattend plan. Burgers kunnen in het omgevingsplan straks zien welke regels er gelden met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Naast minder en meer overzichtelijke regels moet het omgevingsplan de gemeente tevens meer mogelijkheden geven om ruimte te bieden aan nieuwe initiatieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0002.png"

Afbeelding 1.2: de kerninstrumenten van de nieuwe Ow

Zodra de Ow in werking treedt vormen alle in de gemeente vigerende bestemmingsplan/beheersverordeningen etc. tezamen met de van rijkswege verkregen 'bruidsschat' (rijksregels die komen te vervallen en geïntegreerd dienen te worden in het omgevingsplan) van rechtswege het 'tijdelijke' omgevingsplan voor de gemeente Landgraaf. Er geldt namelijk een overgangsperiode van 10 jaar om het 'tijdelijke' omgevingsplan om te zetten naar een definitief omgevingsplan, waarin tevens zijn opgenomen de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving die op dit moment in gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. Vanaf 1 januari 2029 dient de gemeente Landgraaf te beschikken over een omgevingsplan ('nieuwe stijl'), dat voldoet aan de eisen en standaarden die door de Ow worden voorgeschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0003.png"

Afbeelding 1.3: afbeelding van overgang naar een definitief omgevingsplan

De gemeente Landgraaf wil goed voorbereid zijn op de inwerkingtreding van de Ow. Daarom is besloten alle ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en planologische omgevingsvergunningen) in eerste aanleg de verschillende plannen op elkaar af te stemmen c.q. te uniformeren door middel van een actualisatie.

De bestemmingsplannen 'Kern Waubach' en 'Parkheide - Waubach Noord' dateren uit 2007 en dienen dan ook om die reden thans geactualiseerd te worden.

1.2 Ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0004.png"

Afbeelding 1.1: het plangebied 'Stedelijk gebied Waubach' met planbegrenzing op de luchtfoto

Het bestemmingsplangebied 'Stedelijk gebied Waubach' betreft de oude kern van Waubach en Ubachs over Worms, het Lauradorp en Abdissenbosch. Het plangebied wordt globaal begrensd door:

  • de Reeweg in noordelijke richting;
  • door de Europaweg Noord en Zuid tot aan het buitengebied met inbegrip van de bebouwde omgeving aan de Grensstraat en Kloosterstraat in noord-noordoostelijke richting ;
  • door de Groenstraat Oost en West in zuidelijk richting
  • en in westelijke richting deels de Provinciale weg N299 en deels tot aan de bebouwing aan de Vogelzankweg.

De exacte begrenzing van het plangebied is op afbeelding 1.1 weergegeven.

Op afbeelding 1.2 is de kaart van de wijk Ubachs over Worms opgenomen met de daarbij behorende geografische buurten. De cijfers op de kaart geven de volgende buurten weer:

  • 1. Brunssumerheide;
  • 2. Abdissenbosch;
  • 3. Namiddagsche Driessen;
  • 4. Waubach;
  • 5. Parkheide;
  • 6. Romburg;
  • 7. Lauradorp;
  • 8. Groenstraat.

De kleur van de gebieden geeft een beeld van het aantal inwoners per buurt op referentiedatum 2021 (zie kolom links op de afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0005.png"

Afbeelding 1.2: indeling van de Wijk Ubach over Worms waarin het plangebied grotendeels is gesitueerd (bron: CBS)

In het plangebied van onderhavig bestemmingsplan zijn gelegen de buurten: Waubach, Parkheide, Lauradorp, Namiddagsche Driessen en deels Abdisschenbosch.

1.3 Geldende planologische situatie

Het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach' vervangt en actualiseert de volgende bestemmingsplannen:

  • 'Kern Waubach', vastgesteld op 13 december 2007;
  • 'Parkheide / Waubach Noord', vastgesteld op 3 april 2007.

Verder is op 1 december 2016 het 'Facet bestemmingsplan Archeologie' vastgesteld. Dit plan bevat bepalingen over de archeologische waardevolle gebieden binnen de gemeente. De bepalingen van dat bestemmingsplan zijn verwerkt in onderhavig bestemmingplan.

Tot slot zijn er nog een aantal andere locaties in dit plan opgenomen waarvoor in de loop der tijd afzonderlijke specifieke bestemmingsplannen (zogenaamde postzegel- bestemmingplannen) zijn opgesteld dan wel planologisch herzieningen zijn vergund door middel van een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan.

1.4 Bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach' bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.

Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden. Daarvan zijn inventarisatiekaarten opgemaakt. Deze kaarten zijn als bijlagen 1 t/m 6 bij deze toelichting gevoegd en geven inzicht in de in het plangebied aanwezige functies en bebouwing.

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied opgenomen. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De uitvoerbaarheid van het plan in financiële zin is verantwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 8 geeft inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de gevolgde wettelijke procedure om tot vaststelling van het bestemmingsplan te komen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Historische ontwikkeling

2.1.1 De gemeente Landgraaf

De gemeente Landgraaf is in 1982 ontstaan door samenvoeging van de vroegere gemeenten Nieuwenhagen, Schaesberg en Ubach over Worms (vroeger ook wel de SUN-gemeenten genoemd). In 1986 is besloten om de naam Landgraaf ook als plaatsnaam te gebruiken, omdat de meeste kernen aaneengegroeid waren.

De gemeente Landgraaf omvat thans ca. 16.700 huizen met ca. 36.000 inwoners, verdeeld over de kernen Schaesberg, Ubach over Worms en Nieuwenhagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0006.png"

Afbeelding 1.3: de gemeente Landgraaf op luchtfoto

Historie Landgraaf

De gemeente Landgraaf is gelegen in het Oostelijke Mijngebied, thans beter bekend als Parkstad Limburg. De naam Landgraaf is ontleend aan 'de Landgraaf' of landweer, een reusachtige ringwal, gevormd door een (droge) gracht met aan weerszijden een opgeworpen aarden wal ter verdediging tegen plunderingen, die onder andere door de gemeente loopt.

Rond het begin van onze jaartelling leggen de Romeinen een weg aan van Boulogne-sur-mer aan de Franse kust naar Keulen: de Romeinse heerweg (via). In de buurt van de weg vestigden zich kolonisten in grote boerderijen.

Door archeologen wordt de heerweg de Via Belgica genoemd. De weg was gemiddeld 7 meter breed en bestond uit een dikke kiezel laag van een meter. Aan weerszijden lagen greppels voor de afwatering.

Het precieze tracé van de Via Belgica is nog niet overal bekend. In Rimburg ligt het enige stuk van de weg dat zeker is. Vermoedelijk kwam de Via Belgica –vanuit Tongeren– bij Maastricht de (huidige) grens over. Bij Maastricht wordt een brug gebouwd. Daarna gaat de weg verder naar Meerssen en Valkenburg. Vervolgens naar Voerendaal en Heerlen (Coriovallum). Vanuit Heerlen loopt de weg naar het huidige Landgraaf om tenslotte via Rimburg de (huidige) grens met Duitsland over te steken en naar Keulen te voeren.

Vanuit de hoofdweg liepen er allemaal kleinere lokale wegen naar de vele villa's en dorpjes. In de buurt van de weg vestigen zich kolonisten in zogeheten villa's. Dit waren grote boerderijen. Eén ervan lag bij Overstenhof. Bij de kruising van de weg met het riviertje de Worm ontstaat het straatdorp Rimburg. Langs de weg vond je -naar Romeins gebruik- ook de begraafplaatsen. Soms met heel eenvoudige graven, de andere keer met indrukwekkende grafmonumenten.

Na de Romeinse tijd bleef het gebied bevolkt, zoals blijkt uit sporen die in de bodem zijn achtergebleven. Vanuit de beekdalen werd het gebied ontgonnen: de grootste boerderijen lagen aan het water. Sommige groeiden uit tot kastelen, zoals Schaesberg en Strijthagen. Geleidelijk kwamen ook de hoger gelegen gebieden in gebruik. Zo ontstonden Waubach, Nieuwenhagen en Scheidt, dat pas veel later Schaesberg ging heten (op de plattegrond van Kuyper uit ca. 1870 heet de kern Schaesberg nog steeds Scheydt). Omstreeks 1100 was Nieuwenhagen een belangrijk centrum voor de productie van aardewerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0007.png"

Afbeelding 1.4: situatie rond 1850

Bestuurlijk was het gebied sterk versnipperd. Schaesberg en Nieuwenhagen hoorden bij Heerlen. Waubach hoorde als 'Overworms kwartier' bij Ubach en viel zo onder het gezag van de abdis van Thorn. De heerlijkheid Ubach was door schenkingen al voor 1300 in eigendom gekomen van de Abdis van Thorn. Thorn was van oudsher een wereldlijk stift en geen klooster. De abdis was de grondvrouwe, zij had de grondrechten. De Duitse keizer fungeerde als de opperste beschermheer van het vorstendom Thorn. Na de Limburgse Successieoorlog in 1288 naar de hertog van Brabant het voogdijschap over van de hertog van Limburg. De laatste vorstin van Ubach had heel wat titels maar kort gezegd was zij ook vorstin van Polen en Saksen. In 1797 komt een einde aan de heerschappij van de abdis.

Rimburg was een zelfstandige heerlijkheid. In de 17e eeuw verwierf de heer van Schaesberg bestuursrechten rond zijn kasteel.

Na de Tachtigjarige Oorlog werden zelfs internationale grenzen door het gebied getrokken: Schaesberg en Ubach werden vanuit Brussel (Spaans) bestuurd, Nieuwenhagen vanuit Den Haag. Om het verkeer tussen Heerlen en Ubach mogelijk te maken, werd vanuit Schaesberg door Nieuwenhagen een internationale weg aangelegd: de Pasweg. In 1700 werd Schaesberg een zelfstandige parochie met de Petrus en Paulus als kerk. Waubach en Rimburg kregen in dezelfde tijd ook eigen kerkjes. In Nieuwenhagen werd op Spaans gebied een kapel gebouwd aan het 'Spaans Kentje'.

In 1795 werd het hele gebied bij Frankrijk ingelijfd. Bestuurlijk bracht dit radicale veranderingen met zich mee. Er kwamen vier gemeenten: Schaesberg, Nieuwenhagen, Rimburg en Ubach over Worms (bestaande uit Waubach en Bruchhausen, die losgemaakt werden van Ubach).

Voor de Franse tijd bestond de naam Ubach over Worms overigens helemaal niet. Door de Fransen ontstonden de plaatsnamen Ubach-Palenberg aan de Duitse kant en het deel van het oorspronkelijk Ubach aan de Nederlandse kant kreeg de aanduiding "over Worms". Het lag dus aan de andere kant van de Worms.

Na de val van Napoleon kwamen deze gemeenten bij Nederland. Doordat de Worm de grens ging vormen, bleef van Rimburg -dat gescheiden was van het kasteel en zijn Duitse deel- zo weinig over dat het nauwelijks zelfstandig kon bestaan. In 1886 werd het dan ook, na veel onderhandelen, op eigen verzoek bij Ubach over Worms gevoegd. Intussen waren Waubach, Nieuwenhagen en Rimburg kerkelijk tot zelfstandige parochies uitgegroeid, met ieder een eigen kerk.

Industrialisatie

Tot het begin van de 20e eeuw was de regio zeer landelijk met veel kleine en enkele grote boerenbedrijven. De mijnbouw, die na 1890 opkwam, bracht ingrijpende veranderingen met zich mee, zoals grootschalige industrie, een enorme groei van de bevolking en nieuwe woonwijken in en rond de oude plaatsen.

In 1897 kwam de spoorwegverbinding van Heerlen, via Schaesberg, naar Herzogenrath tot stand. Twee grote mijnen werden in Schaesberg gevestigd: de Oranje Nassau II (1904-1971) en de staatsmijn Wilhelmina (1906-1969). De mijnbouw bracht ingrijpende veranderingen met zich mee, zoals grootschalige industrie, een enorme groei van de bevolking en nieuwe woonwijken in en rond de oude plaatsen. Omstreeks 1965 was hun bloei voorbij. De woonwijken Leenhof, het Eikske, Lauradorp en Kakert zijn de meest tastbare herinneringen aan deze periode.

Na de sluiting van de mijnen volgde een moeizame herstructurering. Er kwamen nieuwe industriegebieden zoals Strijthagen en Abdissenbosch. Onder het motto 'Van zwart naar groen' werden de oude mijngebouwen met de omliggende terreinen grotendeels afgebroken en geruimd, om plaats te maken voor woonwijken en recreatiegebieden. De draf- en renbaan (het tegenwoordige Megaland) en enkele grote groengebieden getuigen van deze omslag.

Bij de herstructurering kon ook bestuurlijke vernieuwing niet uitblijven. Deze kreeg in 1982 vorm in de samenvoeging van Nieuwenhagen, Schaesberg en Ubach over Worms tot één nieuwe gemeente: Landgraaf.

De opbouw van de nieuwe gemeente is vanaf het begin voortvarend aangepakt: de oude kernen werden vernieuwd en met elkaar verbonden door herstructurering van centrumgebieden. Er werd -en wordt- een gezichtsbepalend beleid gevoerd, met als belangrijkste speerpunten: recreatie, wonen en zorg. Inmiddels zijn vele riante woonwijken ontstaan, zijn oude wijken zorgvuldig gerenoveerd en grote recreatieve groengebieden ontwikkeld.

2.2 Ruimtelijke structuur

2.2.1 Algemeen

Landgraaf met Waubach ligt in de voormalige oostelijke mijnstreek in een attractief glooiend Zuid-Limburgs landschap. Het is tevens de hoogst gelegen stedelijke regio van Nederland. Door de snelle stedenbouwkundige ontwikkeling, die vooral was gericht op de verspreid gelegen mijnzetels, kenmerkt de regio zich door een verbrokkelde stedenbouwkundige structuur. Niettemin is daardoor –in een overigens wat bevolkings- dichtheid betreft zeer sterk verstedelijkt gebied– nog een grote hoeveelheid groen aanwezig. Die snelle ontwikkeling had bovendien tot gevolg dat de regio van een nagenoeg volledig agrarische in enkele decennia veranderde in een bijna puur stedelijke. Dit is op vele plaatsen in Parkstad Limburg nog goed zichtbaar, maar bijna nergens zo opvallend als in Ubach over Worms en dan met name in Waubach. Overal in Waubach komt men binnen de tamelijke dichte stedelijke bebouwing boerenhoeves of restanten daarvan tegen, soms nog met rudimenten van boomgaarden en weiden: verrassend en uiterst karakteristiek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0008.png"

Afbeelding 1.5: indeling van Ubach over Worms met deelgebieden

2.2.2 Landschap

Uit de historische ontwikkeling is af te leiden dat de ontstaansgeschiedenis van Landgraaf nauw samenhangt met de landschappelijke opbouw. Deze is dan ook medebepalend voor de karakteristiek en de identiteit van Landgraaf. In de huidige situatie is de landschappelijke opbouw binnen het stedelijk gebied nog te herkennen in de vorm van:

  • de plateaugebieden (vrijwel geheel bebouwd)
  • de geologische breuklijnen (breuklijn Feldbiss)
  • de hellingen (grotendeels vrijgehouden van bebouwing)
  • de beekdalen (De Worm, Strijthagerbeek, Anstelerbeek)
  • de droogdalen (weg naar Rimburg, Groenstraat)
  • de vergraven gebieden (vm. mijnen Wilhelmina en Laura, stortplaatsen en groevegebieden)

De belangrijkste ruimtelijke eenheden waarin landschap en natuur domineren zijn de Brunssummerheide, de hellinggebieden naar de beekdalen en de akkers en weilanden, deze laatste vooral geconcentreerd aan de oostzijde rond Waubach. De belangrijkste nieuwe ontwikkelingen voor natuur en landschap in het buitengebied betreffen de buitengebieden van Ubach over Worms en het Haesdal.

De kwaliteiten van landschap en natuur zijn in en om Landgraaf van hoog niveau. Het spreekt vanzelf dat de gemeente dit niveau wil behouden en waar nodig en mogelijk verbeteren. De landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten worden in hun onderlinge samenhang gewaarborgd, om een verdere teloorgang te voorkomen en waar mogelijk al ontstane schade te herstellen. De ambities en doelen ten aanzien van landschappelijke en natuurlijke kwaliteit worden uitdrukkelijk gekoppeld aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

Met betrekking tot onderhavig bestemmingsplan wil de gemeente Landgraaf de waarde van het landschap, natuur en groen in en om het stedelijk woongebied behouden en versterken. Dit betekent dat met name het al aanwezige groen “natuurlijker” zal moeten worden beheerd en de oppervlakte van deze groenstroken minimaal gelijk zal moeten blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0009.png"

Afbeelding 1.6: groenvoorzieningen met biodiversiteit in de bebouwde kom (bron: Rho adviseurs)

Een groot deel van de waarde van het gebied is gelegen in de landschappelijke ligging. Dit werkt naar twee kanten: enerzijds is vanuit het stedelijk gebied het landschap op veel plaatsen voelbaar (doorzichten en weidse uitzichten) anderzijds manifesteert het silhouet van Waubach zich nog vrij gaaf vanuit het buitengebied, met name daar waar de grote hoogteverschillen een steeds wisselend beeld opleveren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0010.png"

Afbeelding 1.7: zicht op het buitengebied vanuit de bebouwde kom (bron: Rho adviseurs)

2.2.3 Bos en natuur

Landgraaf heeft een sterkere ecologische groenstructuur, die recht doet aan de groene structuur van Parkstad Limburg. Met de mensgerichte natuur die in het kader van de Grote Boslocatie Landgraaf-Kerkrade is aangelegd en de verdere aanvulling daarvan in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ubach over Worms, ontstaat een nieuw kerngebied in deze structuur en wordt de “groene long” Park Gravenrode met het Wormdal en het Rimburgerbos verbonden en ontstaat er tevens een groene verbinding tussen de Brunssummerheide en het Wormdal.

Dit is zowel in ecologisch als in recreatief opzicht van belang. In het geaccidenteerde landschap tussen Ubach over Worms en Eijgelshoven (Kerkrade) vormt zich een afwisselend landschap met bos, natuur en meer kleinschalige landbouw. Kenmerkend zijn de verrassende doorzichten en vergezichten. Het gebied wint hierdoor aan belang als uitloopgebied en kan mogelijk de kwetsbare Brunssummerheide van een al te grote recreatiedruk ontlasten.

Andere gebieden – zoals Park Gravenrode, de Brunssummerheide en het Wormdal met het Rimburgerbos– worden beheerd met het oog op ontwikkeling, herstel en behoud van de aanwezige bijzondere natuurwaarden en landschappen (met biotopen van beekdalen, graslanden, bos, heide). De inrichting is of wordt afgestemd op het extensief recreatief medegebruik.

De verbindingszones tussen deze verschillende gebieden kennen een kleinschalige afwisseling van bosjes (vaak nieuw aangelegd als “stepping stones”), lijnvormige landschapselementen, extensieve graslanden of akkertjes. Langs de oude lintbebouwing van de Groenstraat en in Rimburg zullen de oude huisweiden met hoogstamfruit weer meer in het beeld terugkeren (waardevolle randen).

2.2.4 Landbouw

De gemeente streeft ernaar op het grootschalige open plateaugebied ten oosten van de kern Waubach de landbouw vitaal te houden door de omstandigheden daar optimaal te houden voor de instandhouding en ontwikkeling van enkele volwaardige landbouwbedrijven met toekomstperspectief.

2.2.5 Stedelijke bebouwing

Ubach over Worms

Ubach over Worms is gelegen in het meest noordelijk deel van de gemeente Landgraaf en bestaat uit de gebieden Abdissenbosch, Namiddagsche Driessen, Parkheide, Groenstraat (aaneengegroeid met Lauradorp en/of Waubach), Lauradorp, Waubach en Rimburg. De gemeente ziet deze kernen tegenwoordig als wijken of buurten van het stadsdeel Ubach over Worms.

In 1982 is de gemeente Ubach over Worms opgeheven en opgegaan in de gemeente Landgraaf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0011.png"

Afbeelding 1.8: kaartbeeld van gemeente Ubach over Woms

Abdissenbosch (in het Limburgs: D’r Busj)

Wordt lokaal beschouwd als een van de vijf dorpen van de voormalige gemeente Ubach over Worms. In vroeger eeuwen stond het Abdissenbosch, dat sinds oude tijden bezit was van de abdis van Thorn, onder diverse namen bekend, zoals Ebdeschenbusch, Ebbeschenbosch en in de oudste versie: Embusch.

Groenstraat

Werd (en wordt wellicht nog altijd) lokaal beschouwd als een van de vijf dorpen van de voormalige gemeente Ubach over Worms. Reeds in akten uit de 14e eeuw verschijnt de naam Grünstrasse. Nagenoeg onveranderd blijft de naam tot in de Franse Tijd, als de Nederlandse benaming Groenstraat meer en meer ingang vindt.

Lauradorp (in het Limburgs: ’t Lauradörp)

Voordat Lauradorp gesticht werd, bestond dit gebied, begrensd door het Stenenkruis, Waubach en Groenstraat, uit weilanden, akkers en de zogeheten driessen. Dit waren braakliggende gronden, spaarzaam begroeid met ruw gras en eigendom van de gemeente. De armere mensen die geen eigen weiland rijk waren, konden hun vee tegen een kleine pacht op de driessen laten grazen.

Een compleet dorp werd gebouwd ten behoeve van de huisvesting van mijnwerkers in opdracht van Laura&Vereeniging (L&V) tegen Waubach aan. Het dorp van Laura & Vereeniging (te weten 'Lauradorp'). Een dorp met brede straten en grote pleinen, veel groen, grote tuinen en alle nodige voorzieningen, zoals: scholen, kerk met patronaat en klooster, huishoudschool voor de meisjes, bioscoop, consultatiebureau en winkels. Gebouwd volgens het ontwerp van architect Jan Drummen uit Brunssum.

Rond 1925 kwam de bouw van Lauradorp goed op gang, maar in 1931 stagneerden de bouwactiviteiten. Pas de helft van de geplande 1.000 woningen was toen opgeleverd. Rond 1935 stond bijna de helft van de woningen leeg. Dat duurde tot 1937, toen de economie weer aantrok. Pas na 1945 kon Lauradorp worden afgebouwd. Er kwamen zo’n 450 woningen bij en in het begin van de jaren vijftig kwamen ook de eerder geplande winkels tot stand (aan het kerkplein) en ook een Gemeenschapshuis, dat aanvankelijk “Huis Lauradorp” werd genoemd. In 2008 kreeg de groep van 328 woningen die Drummen in Lauradorp ontwierp de eretitel beschermd dorpsgezicht.

Waubach (in het Limburgs: Waobich)

Deze naam is mogelijk ontstaan uit Waldbach (Bosbeek). De namen Waubach en Ubach over Worms werden en worden vaak door elkaar gebruikt. In het spraakgebruik kwam tot enkele decennia geleden de naam Ubach over Worms als plaatsnaam nauwelijks voor. Dat was t/m 1981 slechts de officiële naam van de gemeente waar onder meer de kern Waubach onder viel. Waubach was oorspronkelijk de hoofdplaats van de gemeente. In Waubach stond het gemeentehuis.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0012.png"

Afbeelding 1.9: voormalig gemeentehuis van Ubach over Worms (bron: Rho adviseurs)

De Oude Markt in Waubach is in 2019 heringericht. In het centrum van Ubach over Worms, op de 'nieuwe markt', zijn een aantal appartementen, parkeerplaatsen en winkelruimte gerealiseerd. Ook de 'Oude Markt' en directe omgeving gemeente is gereconstrueerd en heringericht, samen met burgers en ondernemers. Naast de fysieke herinrichting is gedacht aan een aantal economische en sociaal-maatschappelijke aspecten, die de leefbaarheid rond de 'oude markt' kunnen verbeteren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0013.png"

Afbeelding 1.10: situatie na herinrichting 'oude markt' van Waubach (bron: Rho adviseurs)

Bezienswaardigheden

In Lauradorp staat een aan de heilige Theresia van Lisieux en Don Bosco gewijd kerkgebouw uit 1934 van de Salesiaanse congregatie. De kerk is opgetrokken uit rode baksteen in traditionele stijl. Eigentijds maar met ambachtelijke materialen. De spitsboogvormige vensters herinneren aan de gotiek. In de binnenruimte is op bijzondere wijze een combinatie van functionele hoofdvormen en spitse accenten gevonden. Door de jaren heen is er veel gedaan ter verfraaiing, van welke ondernemingen de geschiedenissen gelukkig in ruime mate zijn opgetekend.

Deze kerken hebben een nieuwe functionele invulling gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0014.png"

Afbeelding 1.11: de Heilige Theresia van het Kind Jezus en Don Bosco (bron: Rho adviseurs)

De Sint Jozefkerk (Kerkstraat) dateert uit 1877. Het is een driebeukige basilikale kruiskerk met een driezijdig gesloten koor met aangebouwde sacristie en een westtoren van twee geledingen, met lantaarn en ingesnoerde naaldspits.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0015.png"

Afbeelding 1.12: de Sint Jozefkerk in Waubach (bron: Rho adviseurs)

In 1936 wordt in Abdissenbosch een klein zaalkerkje naar ontwerp van Frits Peutz gerealiseerd (de Sint-Bernadette kerk). Het heeft een half ingebouwde, stevig en weerbaar ogende, westelijke toren. Aan de oostzijde staat een veel smaller koor in de vorm van een vierkant met driezijdige sluiting. Van buiten is de kerk van baksteen, van binnen van mergel.

De Sint-Bernadette kerk heeft een nieuwe functionele invulling gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0016.png"

Afbeelding 1.13: de Sint-Bernadette kerk in Abdissenbosch (bron: Rho adviseurs)

2.3 Functionele structuur

In voorliggende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach' staat de woonfunctie centraal, met de woongebieden Abdissenbosch, Namiddagsche Driessen, Parkheide, Waubach en Lauradorp. Het beleid is gericht op het behoud en zo mogelijk versterking van de bestaande kwaliteiten. Een en ander wordt bereikt door het vergroten van de verkeersleefbaarheid, het handhaven en versterken van de groenstructuur, het inrichten van een integraal toegankelijke en sociaal veilige openbare ruimte. Voor de woningen zelf is de mogelijkheid geboden om de woningen uit te breiden, te vernieuwen of te herbouwen om zodoende het wooncomfort c.q. woonklimaat aan de eisen van de tijd (levensloopbestendig) aan te passen. De bestaande detailhandel-, horeca- en praktijkvestigingen zijn binnen de woongebieden toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0017.png"

Afbeelding 1.14: bestaande praktijk vestiging in het plangebied (bron: Rho adviseurs)

2.3.1 Woongebieden

Het plangebied gebied heeft hoofdzakelijk een woonfunctie. Tussen de woonbebouwing zijn verspreid nog enkele solitaire functies gelegen. Het betreffen met name bestaande winkels, cafés, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, praktijkruimten, dienstverlening en bed&breakfast en kleinschalige bedrijven. Deze zijn positief bestemd, door middel van een aanduiding binnen de bestemming 'Wonen' of door middel van een specifieke bestemming ('Centrum', 'Gemengd', 'Horeca', 'Cultuur en ontspanning', en 'Maatschappelijk'. Tot slot zijn er nog een aantal aan-huis-gebonden beroepsvestigingen verspreid over het plangebied aanwezig.

Kamerbewoning en woningsplitsing zijn niet toegestaan. Transformatie van andere functies dan wonen op de begane grondlaag wordt via maatwerk beoordeeld en eventueel toegestaan.

Bestaande bedrijven iof bedrijfsactiviteiten in het woongebied geven geen overlast voor de woonomgeving en zijn positief bestemd. Steeds meer bedrijven zijn op verzoek van de eigenaren inmiddels bestemd tot woonfuncties.

Op de historische kaart zijn onder andere de nu nog herkenbare wegen, uit de middeleeuwen of de daaraan voorafgaande periode, aangegeven. De eerste (lint)bebouwing is ontstaan langs de huidige Kantstraat–Grensstraat en langs de huidige Hovenstraat. Deze lintbebouwing werd gekenmerkt door de typerende carré-vormige boerderijen met (van oorsprong) diepe kavels. Op het achterste deel van deze kavels lagen in de meeste gevallen hoogstamboomgaarden. De perceelsgrenzen bestonden uit hagen. Deze karakteristieke lintbebouwing is nu nog duidelijk herkenbaar langs voornoemde wegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0018.png"

Afbeelding 1.15: carré-vormige boerderij aan de Grensstraat (bron: Rho adviseurs)

Waubach

De kern van Waubach is vooral te beschouwen als een woonwijk waarin verspreid verschillende andere kleinschalige functies te vinden zijn, met name winkelvoorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en horecavoorzieningen. Het beleid ten aanzien van het wonen is gericht op de volgende doelstellingen:

  • het handhaven van het woningbestand met de mogelijkheid op incidentele locaties woningbouw te realiseren (indirect);
  • binnen de wijk is een redelijk aantal voorzieningen aanwezig. Het voorzieningenniveau dient gehandhaafd te blijven;
  • de gebruiks- en belevingswaarde van de openbare ruimte zal nauwgezet worden gecontroleerd waardoor ongewenste situaties en ontwikkelingen tijdig kunnen worden aangepakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0019.png"

Afbeelding 1.16: een horecavoorziening in het plangebied (bron: Rho adviseurs)

Bepaalde functies kunnen, ofschoon een scheiding van woonfuncties en centrumvoorzieningen wordt voorgestaan, binnen de woning toegestaan. Het betreft beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis. Aan het toelaten van deze functies is de voorwaarde verbonden dat de overwegende woonfunctie van een woning in stand wordt gehouden.

Lauradorp

Gedurende de Industriële revolutie kwam de mijnbouw sterk in opkomst. Ook in Ubach over Worms is deze periode terug te vinden in de vorm van mijnwerkerskolonie Lauradorp. Met de bouw van de mijnwerkerswoningen in Lauradorp werd aangesloten op de al bestaande kern van Waubach. Het gebied kan beschouwd worden als een belangrijk voorbeeld van de tuindorp gedachte. In het stratenplan, de bouwstijl en de nog bestaande voorzieningen is een en ander, qua architectuur en verkaveling, nog goed herkenbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0020.png"

Afbeelding 1.17: de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht Lauradorp

Het beschermd dorpsgezicht Lauradorp is een complex van ca. 400 woningen in de Zuidwesthoek van Waubach. Het wordt begrensd door de Hovenstraat, de Don Boscolaan, de Esdoornlaan en de Nieuwenhagerstraat.

De aanwijzing stelt: ”Het gezicht Lauradorp is van groot stedenbouwkundig, architectonisch, sociaal- en cultuurhistorisch belang als voorbeeld van een grootschalig opgezet woongebied voor arbeiders en beambten, gebouwd door een woningbouwcorporatie op basis van het tuindorp principe. In het stratenplan, de bouwstijl en de nog bestaande voorzieningen is de tuindorp gedachte nog goed herkenbaar”.

Huidig ruimtelijk karakter

Het grote Lauradorp is opgebouwd uit verschillende onderdelen, die in fasen zijn gereedgekomen. In het wegenpatroon zijn zowel nieuwe straten als bestaande wegen opgenomen. Het eigenlijke tuindorp, het gerealiseerde ontwerp van Drummen, is goed te herkennen. De woningen van Drummen liggen als een halve waaier rond het centrale Kerkplein. Aan de andere zijde van dit plein ligt het deel van Lauradorp dat na de oorlog is gebouwd. Het centrale plein maakt deel uit van de stedenbouwkundige opzet, maar is pas later ingevuld. Op het karakterloze kerkplein komen diverse straten op uit. Aan de noordzijde wordt het begrensd door een doorgaande weg, de Maastrichterlaan. Aan de zuidzijde wordt het plein begrensd door de voormalige Onze-Lieve-Vrouwe(meisjes)- school, die nu een lokale culturele functie heeft. Aan de westzijde ligt het voormalige woon/winkelblokje uit de jaren 1950. De winkels zijn inmiddels verdwenen op een cafetaria na. Aan de oostzijde vormt de Heilige Theresiakerk de enige monumentale afsluiting, geflankeerd door een nieuw appartementencomplex. De meeste straten uitkomend op het centrale Kerkplein worden gekenmerkt door afwisselende bouwblokken en terugspringende rooilijnen. De bouwblokken zijn evenwijdig aan de straat gesitueerd. Kenmerkend is de opzet van lange rijwoningen gesitueerd langs de belangrijkste verkeersweg die het gebied doorsnijdt, de Maastrichterlaan. De Maastrichterlaan kent een entree met terugliggende bebouwing met een bijzondere hoekoplossing, hierdoor wordt een ruimtelijke overgang bewerkstelligd tussen de Maastrichterlaan en de andere belangrijke verkeersweg de Hovenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0021.png"

Afbeelding 1.18 : zicht op splitsing Hoovenstraat en Maastrichterlaan (bron: Rho adviseurs)

De dwarsstraten in de wijk bestaan eveneens uit een structuur van afwisselende bouwblokken en terugspringende rooilijnen. Terugspringende rooilijnen geven het effect van kleine kamers binnen de ruimtelijke structuur. De kruisingen Olmenstraat/Lindestraat, R. Fischerstraat/ Accacialaan zijn hier voorbeelden van. Het plein ter hoogte van de Olmenstraat/Esdoornstraat heeft ook een entree-functie. Het vormt naast het Kerkplein als enige een afgebakende, openbare groene ruimte. Een gesloten woningblok met een knik en terug liggende bebouwing aan de andere zijde begeleiden de ingang aan de Esdoomstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0022.png"

Afbeelding 1.19 : plein aan de Olmenstraat/Esdoonstraat (bron: Rho adviseurs)

De situering van bebouwing met terugspringende rooilijnen en bijzondere hoekoplossingen is kenmerkend voor bet tuindorp. In combinatie met het redelijk uniforme verschijningsbeeld dat hier vooral bepaald wordt door de rode daken, heeft het ruimtelijk een karakteristiek beeld ten gevolg.

De waaiervormige opbouw rond bet centrale plein, met radialen en dwarsstraten, gelegen binnen de driehoek Nieuwenhagerstraat, Hovenstraat en Don Boscolaan is nog duidelijk herkenbaar en vormt een aaneengesloten gebied. Binnen deze structuur zijn de door Drummen ontworpen bouwvolumes duidelijk herkenbaar. Het meest herkenbaar aan de daken, die dankzij de renovatie vlak voor de overdracht nog alle met dezelfde kleur en type pannen zijn gedekt. De opzet van de woonblokken is, althans aan de straatzijde goed bewaard gebleven en enkele typische, door Drummen ontworpen, elementen zoals erkers met bloembakken en aaneengesloten rijen dakkapellen, zijn nog goed herkenbaar.

Na de overdracht van de woningen aan particulieren heeft echter een sterke bouwkundige erosie plaats gevonden: vergroting van vensters, vervanging van hout door kunststof, weghakken van de originele betonnen luifels boven de voordeuren en vervanging van de oorspronkelijke voordeuren door exemplaren die als ze niet van kunststof waren in de patriciërshuizen aan de Keizersgracht niet zouden misstaan. Bovendien zijn veel hagen en hekjes ter afscheiding van de voortuinen verdwenen om plaats te maken voor coniferen en bouwmarkthekken. Plantsoenen en rozenperken aan de straatzijde moesten vaak plaats maken voor parkeerplaatsen.

Ondanks al deze aantastingen vormt het Lauradorp nog steeds een goed te herkennen eenheid, die zich duidelijk onderscheidt van de omringende bebouwing en waarin de hoofdstructuur van het tuindorp goed bewaard is gebleven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0023.png"

Afbeelding 1.20: een oude prent van de Maastrichterlaan - Lauradorp

In schril contrast met Lauradorp staan de diverse complexwijze uitbreidingen rondom Waubach, zoals Abdissenbosch, Namiddagsche Driessen en Parkheide. Deze dateren respectievelijk uit de jaren ’60, ’70 en ’90. Het betreffen structureel duidelijk herkenbare woongebieden. Ieder gebied heeft zijn eigen ruimtelijke karakteristiek.

Abdissenbosch

Het woongebied Abdissenbosch bestaat uit een rechthoekige verkaveling. Dit grid-patroon wordt begeleid door woonbebouwing bestaande uit eengezinswoningen in twee bouwlagen met een kap. Het oudste deel van Abdissenbosch wordt gekenmerkt door complexwijze geschakelde arbeiderswoningen. De woningen aan de Reeweg vormen een rommelig geheel door de aaneenschakeling van aanbouw op aanbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0024.png"

Afbeelding 1.21: woningen gesitueerd aan de Gravenweg (bron: Rho adviseurs)

Het hart van het woongebied bestaat hoofdzakelijk uit geschakelde woningen, aan de randen is een meer open bebouwing gesitueerd, bestaande uit vrijstaande of half-vrijstaande woningen. Het woongebied wordt gescheiden van het woongebied Namiddagsche Driessen door een brede groenstrook.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0025.png"

Afbeelding 1.22: brede groenstrook (Bert Jansenpark) als scheiding tussen het woongebied Abdissenbosch en woongebied Namiddagsche Driessen (bron: Rho adviseurs)

In het woongebied zelf zijn geen bedrijven gevestigd die tot overlast van de woonomgeving kunnen leiden. Het woongebied wordt begrensd door de Reeweg met veel vrachtverkeer direct gesitueerd aan het bedrijventerrein “Abdissenbosch”.

Verspreid in dit woongebied zijn een aantal buurt ondersteunende functies gesitueerd. Het betreft met name een aantal winkels, eetgelegenheden, maatschappelijke voorzieningen, speeltuin en daarnaast nog enkele aan huis gebonden beroepen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0026.png"

Afbeelding 1.23: cafetaria op de hoek Bernadettelaan/Thornsestraat (bron: Rho adviseurs)

Namiddagsche Driessen

Namiddagsche Driessen betreft een woongebied uit de jaren ’70, waarbij de verkaveling is gevormd door de kronkelige wegen. Deze wegen worden begeleid door woonbebouwing bestaande uit eengezinswoningen in twee bouwlagen met een kap. De woningen zijn hoofdzakelijk half-vrijstaand of vrijstaand. Incidenteel komen geschakelde woningen voor. Met name aan de randen (Veeweg, Grensstraat) van dit woongebied zijn enkele solitaire functies gelegen. Het gaat hierbij om een maatschappelijke voorzieningen en bedrijven. Ook hier zijn een aantal aan huis gebonden beroepen aanwezig.

De woningen aan de Grensstraat ondervinden invloed van het verkeer op deze weg. Belangrijkste oorzaak is de relatief korte afstand van de woning tot de weg en de verkeersintensiteit.

Parkheide

Het woongebied is vrij recent gerealiseerd woongebied en door middel van een geluidswal, zowel milieutechnisch als visueel, afgeschermd van het bedrijventerrein “Abdissenbosch".

De verkaveling van Parkheide is opgebouwd vanuit een vormgevingsconcept, met een centraal plein, waar de woonvlekken omheen liggen. Vanuit het plein loopt de groenstructuur in vier verschillende richtingen uiteen. Binnen de verkaveling zijn de groenstructuur en de verkeersstructuur geheel losgekoppeld. De woonbebouwing bestaat hoofdzakelijk uit eengezinswoningen in twee bouwlagen, afwisselend met kap of plat afgedekt. Indien de woningen plat zijn afgedekt betreft het in de regel de meer moderne architectuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0027.png"

Afbeelding 1.24: woningen aan het Berlageplein (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0028.png"

Afbeelding 1.25: woningen aan de Mies van de Rohestraat (bron: Rho adviseurs)

De groenstructuur in oost-west richting wordt beëindigt door een complex van meergezinswoningen in 3 bouwlagen. De groenstructuur in noord-zuid richting vormt een ecologische verbinding door de wijk. Deze groenstructuur wordt nog versterkt door een aantal wegen te begeleiden met groen in de vorm van bomen en hagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0029.png"

Afbeelding 1.26: groenstructuur in Parkheide (bron: Rho adviseurs)

Parkheide is duidelijk een nieuw woongebied met aan de randen (Kantstraat, Veeweg) enkele solitaire functies. Het betreft een aantal bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en een begraafplaats.

Gebied ten zuiden van de Vogelzankweg

Het gebied ten zuiden van de Vogelzankweg heeft geen duidelijk ruimtelijk concept. Het is een open gebied wat onderdeel uitmaakt van de ecologische verbindingszone tussen de Brunssummerheide en de beekdalen in de gemeente.29. Aan de Vogelzankweg liggen nog drie vrijstaande woningen en een aantal woonwagenstandplaatsen (buiten het plangebied gesitueerd).

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0030.png"

Afbeelding 1.27: zicht op de woonwagenlocatie aan de Vogelzankweg (bron: Rho adviseurs)

Aan de zuidkant van de Vogelzankweg liggen nog drie vrijstaande woningen en een aantal woonwagenstandplaatsen (buiten het plangebied gesitueerd). Dit gebied heeft hoofdzakelijk een agrarische functie en er is een rioolbuffer aanwezig.

De gebieden Abdissenbosch, Namiddagsche Driessen, Parkheide, Waubach en Lauradorp zijn op een adequate wijze aangesloten op de moderne nutsvoorzieningen. Dit gaat uiteraard gepaard met een eigen infrastructuur van bovengrondse en ondergrondse voorzieningen en leidingen. Deze nutsvoorzieningen en leidingen leggen beperkingen op aan het verder gebruik van bestaand bebouwd gebied en eventuele nieuwe ontwikkelingen als gevolg van het directe ruimtebeslag en in acht te nemen zoneringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0031.png"

Afbeelding 1.28: nutsvoorzieningen gebouw in het plangebied (bron: Rho adviseurs)

2.3.2 Overige functies

Centrumvoorzieningen en detailhandel

De gemeente streeft in haar beleid ten aanzien van de winkelstructuur naar een concentratie in winkelcentra. Hierbij wordt voor de gehele gemeente uitgegaan van één hoofdwinkelcentrum en wijkwinkelcentra. Het bewonersaantal van de woongebieden is beperkt. De bewoners van Abdissenbosch, Namiddagsche Driessen en Parkheide zullen derhalve op het winkelcentrum Op de Kamp en in de meeste gevallen op het wijkwinkelcentrum van Waubach zijn georiënteerd. De bewoners van Waubach en Lauradorp zijn georiënteerd op het wijkwinkelcentrum van Waubach. Het bewonersaantal van de woongebieden is beperkt. Het ontwikkelen van een volwaardig buurtwinkelcentrum voor de verschillende woonbuurten is dan ook niet realistisch. Verspreid over de woonbuurten zijn in beperkte mate nog een paar winkels gevestigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0032.png"

Afbeelding 1.29: het buurtwinkelcentrum aan de Hovenstraat (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0033.png"

Afbeelding 1.30: een kledingwinkelzaak aan de Groenstraat (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0034.png"

Afbeelding 1.31: bakkerij aan de Kerkstraat (bron: Rho adviseurs)

Horeca en dienstverlening

Verspreid over de woongebieden zijn een aantal horecagelegenheden en gezondheidsvoorzieningen aanwezig (zoals apotheek, fysiotherapie) gelegen. Aangezien binnen de woongebieden het wonen dominant is zullen ook deze voorzieningen binnen de bestemming “woondoeleinden” ter plaatse van een nadere aanduiding worden toegestaan. Horeca en dienstverlening dat geen relatie heeft met wonen of van een bepaalde omvang is specifiek bestemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0035.png"

Afbeelding 1.32: een fysiotherapie in Abdissenbosch (bron: Rho adviseurs)

Maatschappelijke voorzieningen

In het plangebied zijn enkele basisscholen aanwezig. De basisschool aan de Veeweg bestaat uit een hoofdgebouw en een dependance. Aan de achterzijde van de dependance van de school aan de Veeweg is een sport- en gezondheidscentrum gesitueerd. De basisschool aan de Haaselt bestaat eveneens uit twee gebouwen. Het bijzondere van een van de gebouwen is dat dit zodanig is gebouwd dat, indien de behoefte aan leslokalen terugloopt, dit omgezet kan worden in appartementen.

In de woongebieden zijn verder nog kerken en overige geloofsgemeenschappen gelegen, begraafplaatsen, alsmede een buurthuis en een grootschalig verzorgingstehuis.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0036.png"

Afbeelding 1.33: basisschool De Wegwijzer aan de Veeweg (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0037.png"

Afbeelding 1.34: school aan de Haaselt (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0038.png"

Afbeelding 1.35: geloofsgemeenschap aan de Veeweg (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0039.png"

Afbeelding 1.36: begraafplaats aan de Vogelzankweg (bron: Rho adviseurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0040.png"

Afbeelding 1.37: verzorgingstehuis aan de Kloosterstraat (bron: Rho adviseurs)

Bedrijven

Bedrijvigheid in de zin van industriële bedrijvigheid komt in het gebied nagenoeg niet voor. Bedrijvigheid gericht op productvervaardiging en andere bedrijfsmatige activiteiten van industriële aard komt binnen het plangebied voor in de vorm van een aantal kleinschalige bedrijven die gezien aard en schaalgrootte als passend worden beschouwd binnen het plangebied met een overwegende woonfunctie. het betreft planologisch bestaande bedrijven. Nieuwe vestiging van bedrijven anders dan kleinschalig en milieuvriendelijk is daarom dan ook niet wenselijk.

Grofweg kunnen twee categorieën onderscheiden worden:

  • bedrijven met activiteiten van enige omvang ter plaatse;
  • aan huis gebonden bedrijven en beroepen.

De bedrijven uit de eerste categorie die binnen het plangebied gevestigd zijn worden in het algemeen niet als storend ervaren. Deze bedrijven behoeven een specifieke planologische regeling waarbij aangegeven wordt welke categorieën van bedrijven (conform de lijst van bedrijfstypen in de VNG-publicatie: Bedrijven en Milieuzonering) aanvaardbaar worden geacht in verband met de afstemming op de woonomgeving Om te voorkomen dat deze bedrijven zich wel als milieuhinderlijke bedrijven voor de woonomgeving zouden ontwikkelen, wordt de hoogst toelaatbare milieucategorie bepaald op 2 conform de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0041.png"

Afbeelding 1.38: brandstof station (exclusief LPG) aan de Hovenstraat (bron: Rho adviseurs)

Ten aanzien van deze bedrijven is de verwachting dat gedurende de planperiode geen grote veranderingen zullen optreden. Ze zijn derhalve positief bestemd door middel van de bestemming “bedrijfsdoeleinden”.

In deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van woondoeleinden mocht zich toch de situatie voordoen van functiebeëindiging.

Voor de aan huis gebonden bedrijven en beroepen is een specifieke planologische regeling niet noodzakelijk. Het aan huis gebonden aspect is inherent aan de woonfunctie en wordt geregeld binnen de bestemming “woondoeleinden”. De voorwaarde is dat het wonen ter plaatse in overwegende mate gehandhaafd blijft

Nieuwe werkvormen dienen zich aan

Daar waar informatica en telecommunicatie het mogelijk maken meer aan huis gebonden werkplekken te realiseren, wordt dit door het gemeentebestuur als een tijd eigen onomkeerbare ontwikkeling gezien. In de bestemmingsplanregeling met betrekking tot de bestemming “woondoeleinden” wordt deze nieuwe ontwikkeling gezien als een zaak inherent aan het hedendaagse wonen. Om het ondergeschikte karakter te bewaken en het karakter van de woonbuurt niet aan te tasten is bepaald dat de woonfunctie van het betreffende pand in overwegende mate behouden blijft.

Overige functies

Binnen het plangebied bevinden zich geen zodanig grote kantoorcomplexen dat er gesproken kan worden van een echte kantoorfunctie. De aanwezig dienstverlenende functies in het plangebied zijn beperkt. Aan de Kerkberg bevindt zich het Theater Landgraaf ten behoeve van cultuur en ontspanning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0042.png"

Afbeelding 1.39: Theater Landgraaf aan de Kerkberg (bron: Rho adviseurs)

2.3.3 Groenstructuur

Openbare ruimte en groen zijn in voldoende mate aanwezig en bepalen in belangrijke mate de kwaliteit van wonen. Over het plangebied verspreid zijn verscheidene groene zones aanwezig, zoals de groene buffer tussen de woongebieden Abdissenbosch en Namiddagsche Driessen en de groenvoorzieningen in Parkheide. Het privé-groen dat aan de openbare ruimte grenst, draagt bij aan de groene indruk die grote delen van het plangebied geven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0043.png"

Afbeelding 1.40: groenstructuur in Parkheide (bron: Rho adviseurs)

Onderdeel van de groenzone vormt ook het Park ter Waerden, een complex met sportvoorzieningen bestaande uit onder meer een sporthal, voetbalvelden, tenniscomplex en een atletiekbaan gesitueerd binnen een groen ingerichte zone.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0044.png"

Afbeelding 1.41: Park ter Waerden met sporthal aan de Sportlaan (bron: Rho adviseurs)

2.3.4 Verkeersstructuur
2.3.4.1 Verkeer en verblijf

De hoofdontsluiting in dit gedeelte van de gemeente Landgraaf wordt gevormd door de verbinding Nieuwenhagerheidestraat–Kantstraat-Grensstraat, Europaweg Noord en de Reeweg. De zuidzijde van het plangebied wordt begrensd door de provinciale weg van Brunssum naar Kerkrade (N299). Deze weg maakt onderdeel uit van de buitenring Parkstad. Door de realisatie van een volledige aansluiting op deze weg ter hoogte van de Nieuwenhagerheidestraat is het plangebied goed aangesloten zijn op de bovenregionale verkeersstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0045.png"

Afbeelding 1.42: situering van de N299 ten zuiden van het plangebied

Abdissenbosch, Namiddagsche Driessen en Parkheide hebben ieder hun eigen verkeersstructuur als gevolg van de periode waarin de woongebieden zijn gebouwd. Ieder woongebied sluit daarbij aan op de hoofdwegenstructuur van de gemeente Landgraaf. Het woongebied Abdissenbosch heeft een gelijkwaardige verkeersstructuur in de vorm van een gridpatroon. Door middel van de Bernadettelaan, Gravenweg en Veeweg wordt aangesloten op de hoofdwegenstructuur.

Namiddagsche Driessen wordt ontsloten door een soort ringweg (de Trichel/Namiddagsche Driessen) door de wijk en sluit hiermee aan op de hoofdwegenstructuur van de gemeente Landgraaf.

De verkeersstructuur binnen Parkheide bestaat uit hoofdwegen en de overige straten. De hoofdwegen vormen een buitenring rondom het centrale plein. Via de Gang, Vogelzankweg en Veeweg wordt aangesloten op de hoofdwegenstructuur van de gemeente Landgraaf.

Het plangebied kan nader getypeerd worden aan de hand van het bereikbaarheidsprofiel en het mobiliteitsprofiel.

Het bereikbaarheidsprofiel

Het bereikbaarheidsprofiel geeft de kwaliteit van de bereikbaarheid van de locatie aan voor openbaar vervoer, auto’s en fietsers aan de hand van de ligging ten opzichte van openbaar vervoer haltes en verkeersroutes. Het mobiliteitsprofiel is een weergave van de verkeersbewegingen die door (nieuwe) activiteiten in het plangebied gegenereerd worden. Het bereikbaarheidsprofiel van het plangebied kan dan ook als volgt getypeerd worden:

  • auto: goede ontsluiting van de woongebieden en directe aansluiting op de hoofdwegenstructuur van de gemeente landgraaf (Europaweg Noord, N299, Kantstraat/Grensstraat);
  • parkeren: het aantal parkeerplaatsen in de woonstraten, nabij de appartementen en bij de maatschappelijke voorzieningen is naar de normen gerekend voldoende (CROW, ASVV 1996);
  • langzaam verkeer: binnen de woongebieden zijn voldoende fietsvoorzieningen aanwezig. Recent is een fietsplan opgesteld en uitgevoerd;
  • openbaar vervoer: goede busverbinding met Brunssum, Kerkrade, Heerlen en overige delen van Landgraaf.

Het mobiliteitsprofiel

Het plangebied vervult hoofdzakelijk een woonfunctie met incidenteel een voorziening dan wel bedrijf. Dit impliceert dat verkeersbewegingen gegenereerd worden als gevolg van normale functionele relaties als werken, winkelen en het wegbrengen van kinderen naar school. Door de geringe afstand tot de functies zullen de verkeersbewegingen op het huidige niveau gehandhaafd blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0046.png"

Afbeelding 1.43: afbeelding van het wegennet in het plangebied

Het gebied omvat weinig tot geen routes met een duidelijke bovenlokale functie. Aan de buitenkant van het plangebied lopen meerdere doorgaande wegen, die als het ware de functie van verbindingswegen vervullen. De overige wegen hebben over het algemeen het karakter van een buurtverzamelweg of hebben vooral een ontsluitings- en erffunctie en zijn veelal ingericht als 30-km wegen.

De belangrijkste wegen uit het wegennet, zijnde de stroomwegen en de gebiedsontsluitingswegen, vragen om een eenduidige, herkenbare en representatieve inrichting. De functie van de weg binnen het wegennet moet als het ware uit de inrichting van de weg af te lezen zijn. De erftoegangswegen vragen om een afwijkende behandeling. De inrichting van deze wegen moet een afgeleide zijn van de stedenbouwkundige structuur van de wijk of buurt, waar deze wegen deel van uitmaken.

2.3.4.2 Parkeren

Binnen de wegen die het plangebied ontsluiten, is vooral sprake van bewoners parkeren. Tevens zijn er in het plangebied enkele grotere parkeerfaciliteiten gelegen, gekoppeld aan specifieke functies zoals het verzorgingstehuis, het sportcomplex. Voor het overige is er merendeels sprake van langsparkeren of van parkeren op eigen erf.

Op het beleid met betrekking tot verkeer en parkeren binnen het plangebied wordt verder ingegaan in paragraaf 3.4.3.

Hoofdstuk 3 Beleid

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het besluitgebied relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente.

3.1 Europees en rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), september 2020

Vanaf 2023 (naar verwachting) treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI). De NOVI loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Met de NOVI, vastgesteld op 11 september 2020, geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.

Het instrument omgevingsvisie komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies, de relevante delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoerplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.

De delen van verplichte plannen die hun werking behouden, worden gelezen in het licht van de in werking getreden NOVI. Het gaat dan om delen van de volgende plannen:

  • Rijksnatuurvisie 2014
  • Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021
  • Bijlage 6, Essentiële onderdelen Nota Mobiliteit van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
  • Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP)

Daarnaast is er de Structuurvisie Bodem en Ondergrond (STRONG. Deze gaat niet op in de NOVI, maar wordt vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op basis van een gelijkstellingsbepaling) van rechtswege omgezet in een programma: Programma ondergrond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0047.png"

Afbeelding 3.1: Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving (bron: NOVI)

De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit betekent een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Hierdoor ontstaat het volgende beeld: het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

De NOVI gaat uit van vier maatschappelijke prioritaire richtinggevende opgaven en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. De prioriteiten zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0048.png"

Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtings- principes zijn:

  • combineren boven enkelvoudig;
  • kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • afwentelen voorkomen.

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem- verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

Beoordeling

Voor dit plan zijn de relevante nationale belangen:

  • bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

De belangrijkste keuzes zijn:

  • duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit;
  • ruimte voor overgang naar een circulaire economie;
  • woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden;
  • landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.
3.1.2 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormings- mogelijkheden op lokaal niveau. Deze zijn opgenomen in het Barro. In de visie worden ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden.

Van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie) door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.

De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In het SVIR staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van nationale baten en/of lasten, internationale verplichtingen (bijvoorbeeld werelderfgoederen) of provincie- c.q. land overschrijdende onderwerpen.

Het Rijk heeft 13 onderwerpen benoemd waar het, aan de hand van de bovenstaande criteria, een taak voor zichzelf ziet weggelegd. Door het nemen van verantwoordelijkheid ten aanzien van deze onderwerpen stelt het Rijk zich voor de middellange (2028) en lange termijn (2040) tot doel Nederland concurrerend, veilig en leefbaar te houden.

De onderwerpen die een nationaal belang betreffen zijn het creëren van een internationaal bereikbaar vestigingsklimaat, ruimte bieden voor het hoofdnetwerk van (duurzame) energievoorziening en het vervoer van stoffen via buisleidingen en een efficiënt gebruik van de ondergrond. Daarnaast zijn ook het creëren van een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen, het beter benutten en in stand houden van het bestaande mobiliteitssysteem met bijbehorende hoofdinfrastructuur, het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid en klimaatbestendige ontwikkeling, ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationaal unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten van nationaal belang. Tenslotte vindt het Rijk zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij ruimtelijke plannen belangrijk.

De structuurvisie is relevant wanneer de gemeente in haar bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakt die van nationaal belang zijn.

Beoordeling

In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Op het bestemmingsplan is geen van de onderwerpen die door het Rijk zijn aangemerkt als nationaal belang, concreet van toepassing.

3.1.3 Natura 2000

De Europese Unie heeft het initiatief genomen voor 'Natura 2000', een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn zijn ook aangegeven als Natura 2000-gebied. Het is niet toegestaan om zonder vooraf toegekende vergunning nieuwe activiteiten in deze gebieden uit te voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0049.png"

Afbeelding 3.2: situering Natura 2000-gebied de 'Brunsummerheide' (bron: Atlas van de leefomgeving)

Ten noordoosten-oosten van het plangebied is met 542 hectare het natura 2000-gebied 'Brunssummerheide' gesitueerd. De Brunssummerheide is een sterk geaccidenteerd heide- en bosgebied in de oostelijke mijnstreek. Door het gebied lopen een aantal aardbreuken waardoor de grote hoogteverschillen zijn ontstaan. De hoogste delen liggen op het oude Maasterras en bevatten een grofgrindige zandbodem. In de lagere delen is tertiair zand aanwezig dat is afgezet door de zee in een vochtige en warme klimaatsperiode. Dit zogenaamde zilverzand is uiterst voedselarm. In de oorsprong van de Rode Beek en op de Brandenberg zijn doorstroomveentjes aanwezig en er zijn een tweetal hellingveentjes op locaties waar aardbreuken liggen. Het gebied bestaat uit droge en natte heide, actief hoogveen, bron- en broekbos, aangeplant grove dennenbos, een open zandvlakte, vochtige hooilanden, droge schraalgraslanden en een beek die zijn natuurlijk karakter heeft behouden.

Beoordeling

In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een effect hebben op het Natura 2000-gebied.

3.1.4 Waterbeleid

3.1.5.1 Kaderrichtlijn water

Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol.

3.1.5.2 Nationaal waterplan

Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat daarom de stroomgebied- beheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie. De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt 'meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten'. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier.

Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0050.png"

Afbeelding 3.3: situering van waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden buiten het plangebied (bron: Atlas van de leefomgeving)

Beoordeling

In het plangebied zijn geen waterwingebieden en/of grondwaterbeschermingsgebieden gelegen. In de ruimtelijke plannen, zoals onderhavig bestemmingsplan, is een waterparagraaf opgenomen waarin op het aspect waterhuishouding nader ingegaan wordt. Zie hiervoor paragraaf 4.4.

3.1.5 Archeologie

Verdrag van Malta

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed door op verantwoorde wijze om te gaan met archeologische belangen in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard (opgraven en bewaren in depot).

Van belang is dat door middel van veldonderzoek vroegtijdig inzicht wordt gegeven in de archeologische en cultuurhistorische waarden in het gebied. Op deze manier kunnen de aanwezige waarden bij de planontwikkeling voldoende worden gewaarborgd.

Het Verdrag van Valletta is vervolgens door vertaald in Nederlandse wet- en regelgeving.

Wet op de Archeologische Monumentenzorg

In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988, alsmede tot een aanvulling op, of wijziging van, bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), die op 1 september 2007 van kracht werd. Sinds de inwerkingtreding van deze wet is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken.

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: ‘de veroorzaker betaalt’.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen.

Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig (al vroeg in het proces) rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. De eigen rol van de overheden wordt hierbij steeds belangrijker. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe plannen.

Belangrijke punten in de wet zijn onder andere:

  • Zorgplicht voor alle overheidslagen, met name gemeenten.
  • De beheersverordening is het instrument waarbinnen de archeologische monumentenzorg kan worden geregeld. Via de beheersverordening kunnen voorwaarden en regels worden verbonden aan omgevingsvergunningen en afwijkingen.
  • De veroorzaker is financieel en operationeel verantwoordelijk voor de archeologische monumentenzorg.
  • Expliciete verplichting voor overheden en uitvoerende instanties tot terug melden van resultaten van het archeologisch (voor-)onderzoek.

Erfgoedwet

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Dit moet garanderen dat archeologisch onderzoek en opgravingen volgens professionele kwaliteitsnormen worden uitgevoerd.

Een aantal onderdelen van de Erfgoedwet gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om:

  • het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;
  • de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;
  • de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering van de werkzaamheden of die stil te leggen;
  • de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.

In deze toelichting wordt op het aspect externe archeologie nader ingegaan in paragraaf 4.1.1.

3.1.6 Cultuurhistorie

Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.

In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.

Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren:

1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten;

2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;

3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp;

4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie;

5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

In deze toelichting wordt op het aspect cultuurhistorie nader ingegaan in paragraaf 4.1.2.

3.1.7 Wet milieubeheer

Op de grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), moet bij de initiatieven voor bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten.

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten.

Beoordeling

In deze toelichting wordt op het aspect m.e.r.-beoordeling nader ingegaan in paragraaf 4.3.8.

3.1.8 Overig wettelijk kader

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteitseisen, (Wamz), de Natuurbeschermingswet, Besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc.

3.1.9 Conclusie rijksbeleid

De bestaande planologische situatie binnen het plangebied wordt geconsolideerd. Daarmee is het plan passend binnen het rijksbeleid. Het plan sluit aan bij de doelstellingen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en heeft als doel het creëren van een leefbare en veilige omgeving waarin de aanwezige natuurlijke en cultuurhistorische waarden worden ingezet als dragers.

3.1.10 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen, en vloeit voort uit de SVIR.

Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Barro in werking getreden en het Bro van toepassing. Het gaat hiebij om het beschermen van de nationale belangen. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken naar provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen, dus op het niveau van de lokale besluitvorming. Als directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn:

1. Rijksvaarwegen;

2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;

3. Kustfundament;

4. Grote rivieren;

5. Waddenzee en waddengebied;

6. Defensie;

7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

8. Elektriciteitsvoorziening;

9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);

11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);

13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;

14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

In het kader van deregulering en decentralisatie is ervoor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS).

Hieronder wordt kort ingegaan op de nationale belangen 8, 9, 10 en 13. De overige belangen zijn niet van toepassing op het plangebied.

Hoofdwegen en landelijke spoorwegen

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen rijkswegen, vaarwegen of spoorlijnen gesitueerd. De belangrijkste weg in de nabijheid betreft de ten zuidwesten-westen gelegen Buitenring Parkstad. De Buitenring Parkstad Limburg (N300) is een provinciale wegverbinding door de regio Parkstad Limburg. De weg sluit de A76 bij Nuth via de gemeenten Beekdaelen, Brunssum, Landgraaf, Kerkrade en Heerlen aan op de N281 bij de Duitse grens. Samen met deze wegen vormt de Buitenring Parkstad ook een onderdeel van de Ring Parkstad. Het totale tracé is 26 kilometer. Zie afbeelding 3.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0051.png"

Afbeelding 3.4: infrastructuur - Buitenring Parkstad' - in de nabijheid van het plangebied

Elektriciteitsvoorziening

Op het grondgebied van de gemeente Landgraaf loopt een hoogspanningskabel met 150 kilovolt (zie afbeelding 4.5). Deze is echter ver buiten het plangebied gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0052.png"

Afbeelding 3.5: hoogspanningsverbindingen op het grondgebied van Landgraaf (bron: HoogspanningsNet Netkaart)

In deze toelichting wordt op het aspect leidingen nader ingegaan in paragraaf 4.3.7 en paragraaf 4.5.

Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

De buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de gemeente Landgraaf zijn weergegeven op de onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0053.png"

Afbeelding 3.6: situering leidingen van belang (bron: Atlas van de leefomgeving)

In deze toelichting wordt op het aspect externe veiligheid transport gevaarlijke stoffen nader ingegaan in paragraaf 4.3.5 en paragraaf 4.5.

Beoordeling

Uit het Barro volgen geen nationale belangen die een planologisch-juridische doorwerking hebben in het plangebied. Dit houdt in dat er geen beperkingen vanuit de Barro gelden voor het plangebied.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische structuur is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Sinds 2013 de naam van de ecologische hoofdstructuur van Nederland. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Een dergelijk netwerk is belangrijk voor de natuur, want grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen droogte, klimaatverandering en andere schadelijke invloeden. Ook kunnen er meer soorten planten en dieren leven, en kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het natuurnetwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0054.png"

Afbeelding 3.7: situering Natuurnetwerk (bron: Atlas van de leefomgeving)

Op het grondgebied van de gemeente Landgraaf zijn relevante NNN-gebieden gelegen, deze liggen echter niet binnen of in de directe nabijheid van het plangebied.

In deze toelichting wordt op het aspect natuur nader ingegaan in paragraaf 4.2.1

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Er zijn op het grondgebied van de gemeente Landgraaf geen erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde gesitueerd.

3.1.11 Ladder voor duurzame verstedelijking

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen heeft het Rijk, naast het Barro, tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarmee dit mogelijk is. Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden.

Het nationale belang vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit nationale belang 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is wettelijk verankerd in het Bro. Deze Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut.

De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hierna volgt een toetsing van onderhavig plan voornemen aan de nieuwe Ladder.

Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt:

“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro stelt derhalve dat de toelichting bij een plan(ontwikkeling) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan twee stappen:

  • de toelichting bij een plan(ontwikkeling) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling,
  • indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen.

Stedelijke ontwikkeling

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak (vaste jurisprudentie) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen (welke op één dezelfde locatie) gerealiseerd worden. Dit is het maximale aantal woningen, wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen (op dezelfde locatie) pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Beoordeling

De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. De planontwikkeling maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Het plan betreft een consoliderend bestemmingsplan. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

3.1.12 Waterbeleid

Kaderrichtlijn water

Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, wordt een waterparagraaf opgenomen.

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat tevens de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie. De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier.

Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt meegekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0055.png"

Afbeelding 3.8: situering watergangen in de nabijheid van het plangebied (bron: Atlas van de leefomgeving)

Beoordeling

In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.4.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semioverheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021.

De POVI is een strategische en lange termijnvisie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (beoogde inwerkingtreding per 01-07-2022).

Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-)modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Omgevingswet zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma’s, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies.

Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Een programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt.

Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving:

  • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan;
  • maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma’s inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma’s. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma’s worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuurscyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd.

Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen. Voor de Provincie zijn vier programma’s verplicht:

  • Actieplan geluid;
  • Regionaal Waterprogramma;
  • Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden;
  • Programma’s bij dreigende overschrijding van omgevingswaarde (zwaveldioxiden of stikstof)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0056.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0057.png"

Afbeelding 3.9: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg

Het Omgevingsbeleid voor Zuid-Limburg richt zich op het koesteren en verder uitbouwen van de sterke punten uit de profielschets en tegelijkertijd op een strategie om de zwakke punten aan te pakken.

De regio biedt een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren, voor zowel inwoners als toeristen. De regio trekt nieuwe inwoners aan, want het op peil houden van het inwoneraantal draagt bij aan het behoud en het verbeteren van een brede welvaart.

Gezien de stapeling van grote opgaven én kansen in een gebied met een bijzonder karakter en de opkomst van thema’s met (soms nog onbekende) ruimtevragen, onderscheiden we hier opgaven in vier lagen, met elk een verschillend gericht beleid. Deze vier lagen zijn:

  • Landelijk gebied;
  • Duurzame mobiliteit;
  • Regionale centra en grote werklocaties;
  • Stedelijk gebied.

Wonen en leefomgeving

Voor wonen staan voor een belangrijk deel de gemeenten aan de lat. De werkwijze voor wonen is vanaf 2015 gegroeid en per regio vastgelegd in bestuursafspraken tussen de gemeenten en de Provincie. De essentie van deze werkwijze is dat de gemeenten in regionaal verband per thema de kaders uit de provinciale omgevingsvisie (ambitie, opgave, principes) concretiseren tot gezamenlijke (inter)gemeentelijke programma’s (voorheen structuurvisies of visies), waarvan de essenties onderdeel worden van de gemeentelijke omgevingsvisies. De Provincie is nauw betrokken bij deze uitwerkingen. De vaststelling vindt evenwel plaats door gemeenteraden/ besturen. De bestuursafspraken gaan over de totstandkoming, uitwerking, uitvoering, borging, naleving en monitoring van deze regionale uitwerkingen. De regionale aanpakken maken maatwerk per regio (Zuid-Limburg) mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0058.png"

Er is sprake van zowel kwalitatieve als kwantitatieve opgaven op de woningmarkt en van een trage doorstroming. Deze opgaven verschillen per regio. Ook de betaalbaarheid van woningen staat onder druk.

Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen én kansen. Limburg scoort op het punt van besteedbaar inkomen, arbeidsparticipatie, sociale contacten, vertrouwen en gezondheid beduidend slechter dan het Nederlands gemiddelde. Daarom kijkt de provincie met haar beleid voor wonen niet alleen naar de woonbehoefte en de kwaliteit en betaalbaarheid van de woning én de woon- en leefomgeving, maar wordt gekozen voor een bredere aanpak. Er is een ambitie om de brede welvaart van de Limburger te verbeteren. Daarbij zijn er ook kansen om een bijdrage te leveren aan de klimaat-, energie-, verduurzamings-, ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven die er voor de woningmarkt en in de bebouwde omgeving liggen.

De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom wordt gekozen voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee wordt ingespeeld op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van de inwoners van Limburg zijn hierbij leidend.

De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is reeds in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburg breed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte.

Volgens de huidige prognoses worden vanaf ongeveer 2030 overschotten in de woningvoorraad verwacht. Lokaal zijn die er nu al of ontstaat dit overschot juist later. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten.

Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. Gedacht wordt hierbij aan bijvoorbeeld isoleren, het plaatsen van zonnepanelen en woningen van het gas halen. Dit leidt tot sloop- en/of herstructureringsopgaven in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied, om daarmee de woningvoorraad up-to-date en passend bij de woonbehoefte te maken. Bovendien wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de sociaal-economische en gezondheidssituatie van de inwoners en het voorkomen van segregatie.

Ook de betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studieschulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming.

Door het in balans brengen van vraag en aanbod kan een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen worden voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.

De woonkwaliteit voor mensen is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Ook sociaal-economische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving zijn van belang. Leegstand, criminele activiteiten, ondermijning of verloedering en eenzijdig samengestelde woongebieden hebben invloed op de leefbaarheid en kunnen de kloof in de samenleving vergroten. Gemengde wijken met ruimte voor verschillende leefstijlen dragen bij aan een sterker sociaal weefsel en kunnen bijdragen aan het voorkomen van sociale problemen.

Schone lucht, de nabijheid van groen - ook om hittestress tegen te gaan-, voorzieningen om wateroverlast tegen te gaan bij extreme buien en de kwaliteit van de openbare ruimte dragen bij aan de omgevingskwaliteit.

 

Ambitie

Samen met haar partners wil de provincie een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doen we door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn.

De provincie faciliteert flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diverse groep mensen tegemoet kan worden gekomen in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw.

Door in samenhang naar woonopgaven te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wordt verdere segregatie voorkomen en vindt ruimtelijk sturing plaats door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Waarvoor wordt gekozen?

  • De POVI is het richtinggevende kader op hoofdlijnen. Daarnaast worden nadere uitwerkingen gemaakt op basis van regionale en lokale woonbehoeften, zoals de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023. Deze meer gerichte uitwerkingen zijn noodzakelijk in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten. Enerzijds omdat de woningbehoefte verandert en anderzijds omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven ten aanzien van woon- en leefomgeving. Zo bieden we flexibiliteit om opgaven gericht op te pakken en bij te sturen
  • Vanwege het brede maatschappelijke belang van de opgave is gekozen voor een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. In hoofdzaak acteert de provincie vanuit toegevoegde waarde, meestal ondersteunend en aanvullend aan die de partners en via de inzet van (financieel en juridisch) instrumentarium. Indien nodig worden provinciale instrumenten ingezet.
  • Monitoring vormt de basis voor regionale samenwerking. Provinciale monitoring is belangrijk om de Limburgse en regionale woonopgave voortdurend in beeld te hebben. Op basis daarvan kunnen gemotiveerd provinciale en regionale uitwerkingen voor het beleidsveld wonen worden gemaakt. Daarnaast kunnen de regio’s op basis van de monitoringsgegevens hun programmering maken en afstemmen.
  • De woningbouwontwikkelingen worden benaderd vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij het nemen van keuzes wordt rekening gehouden met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast wordt de woningopgave altijd bezien in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. Met het stimuleren van natuur inclusief en circulair bouwen, de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe woningen, vraagt de provincie om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en -adaptieve woonomgeving.
  • Via het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal benut, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Daarvoor wordt samengewerkt met andere beleidsvelden. Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen. Voorbeelden hiervan zijn tijdelijk permanente bewoning toestaan in recreatieparken toestaan voor de huisvesting van internationale werknemers en/of woonurgenten voor de duur van maximaal tien jaar en onder (nader te bepalen) voorwaarden als verdienmodel voor toekomstige herontwikkeling of sanering van het park, of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied zijn hiervan voorbeelden (zie hiervoor ook het hoofdstuk Economie). Deze uitzondering – hoewel niet tijdelijk – geldt ook voor Ruimte voor Ruimte woningen.
  • Waar nodig wordt samen met ondernemers ruimte gemaakt voor arbeidsmigratie met leefbare huisvesting voor tijdelijke internationale werknemers en goede integratie van ‘nieuwe Limburgers’. Gemeenten worden geholpen om op een goede wijze de huisvesting te organiseren waarbij toegewerkt wordt naar één keurmerk, namelijk het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de beleidskaders van de POVI.

3.2.2 Ontwerp Omgevingsverordening Limburg

Algemeen

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI.

Het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) lag van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage. Op basis van de ontvangen zienswijzen kan de inhoud van de verordening nog gewijzigd worden. Uiteindelijk zullen Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg (2021) vaststellen. Dat zal naar verwachting voor de in werking treding van de Omgevingswet plaatsvinden.

In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap;
  • regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen.

Tot het moment van vaststelling van de Omgevingsverordening Limburg geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. De nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is inmiddels in ontwerp gereed.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0059.png"

Afbeelding 3.10: uitsnede uit Omgevingsverordening Limburg

Instructie regels gemeenten

In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor ‘bestemmingsplannen’ golden, maar breder voor ‘ruimtelijke plannen’. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings-of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan.

Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan- activiteit geldende instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en 8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de Omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevingsverordening. De overige ‘ruimtelijke besluiten’ die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen.

Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid. Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. De provincie Limburg beschikt over meer dan voldoende planvoorraad om aan de kwantitatieve vraag te voldoen (2x meer planvoorraad dan de vraag). Of met deze bestaande planvoorraad voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag is niet altijd duidelijk. Daarbij zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken, om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd, in heel Limburg, in steden en op het platteland, is er een realisatie termijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen.

Er is een onderscheid gemaakt in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en niet gerealiseerde plannen van vóór 2015, vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet plaatsvindt, dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen. Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden, geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld, geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden, dan worden ze door de gemeente heroverwogen.

Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn wordt een toename van de realisaties verwacht. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd, of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen. De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen, afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van papieren plannen, worden met de instructieregels in de omgevingsverordening weggenomen. Gesteund door de andere instrumenten die de provincie en het Rijk inzetten, wordt de slagingskans van onze gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van ‘de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment’ vergroot.

Met deze actualisatieplicht in twee stappen, wordt gestuurd op de planvoorraad die past bij de actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, welke tevens ook binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd en anders plaats maakt voor andere woningbouwplannen of functies.

Instructieregels voor waterschap

Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Het waterschap is de beheerder van de regionale wateren. Vanuit die positie dient(alleen) het waterschap concrete maatregelen te nemen om de afvoer- en bergingscapaciteit van een regionaal oppervlaktewater te vergroten. Daarom moet het waterschap voldoen aan de provinciale normen voor wateroverlast.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid van de Omgevingswet moet een omgevingswaarde worden geduid als een resultaatverplichting, inspanningsverplichting of een andere, te omschrijven verplichting. Op grond van de hieronder beschreven aspecten is de omgevingswaarde geduid als resultaatverplichting:

  • het beleid omtrent de normering zoals opgenomen in het Provinciaal Waterprogramma als continuering van het voorgaande Provinciale Waterplan;
  • de concrete wijze waarop de normering is vastgelegd in de Omgevingsverordening, waarbij is afgewogen of de te treffen maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn;
  • de mogelijkheid om de normering aan te passen op basis van de periodieke beoordeling van de regionale wateren als bedoel in artikel 3.1, tweede lid.

Tevens is bepaald dat op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Omgevingswet dat aan de resultaatsverplichting om te voldoen aan de normering uiterlijk in 2035 moet zijn voldaan. Hierbij is rekening gehouden met de complexiteit van de opgave, met name in het Zuid-Limburgse Heuvelland en de omvang van de kosten.

De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. Deze omgevingswaarden geven afhankelijk van de functie van het gebied en van het oppervlaktewater aan, aan welke normen de bescherming tegen wateroverlast moet voldoen. Bij de uitvoering van maatregelen om aan deze normen te voldoen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het extremer wordende weer, met meer hoosbuien en daardoor een grotere kans op wateroverlast. Bij de normstelling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn. De normering regionale wateroverlast bepaalt de opgave inzake wateroverlast door het waterschap.

De project locatie is gesitueerd in Overstromingsgebied E (zie figuur 3.4) met een gemiddelde overstromingskans van 1:100 voor bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in de droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg. Daarbij geldt dat:

  • de norm voor bebouwing alleen geldt voor woonbebouwing, bedrijven en niet voor overige terreinen in stedelijk gebied;
  • de norm voor bebouwing alleen geldt voor water dat over de drempel van bebouwing naar binnen stroomt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0060.png"

Afbeelding 3.11: uitsnede van kaart 3 'Omgevingswaarden - wateroverlast' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg)

Het waterschap is verantwoordelijk voor het realiseren van de bescherming volgens de normen. Daarbij dient het waterschap de maatregelen zodanig te ontwerpen, dat deze ook in het verwachte klimaat van 2050 nog voldoen aan de geldende normen uit de Omgevingsverordening. Daarbij dient steeds uitgegaan te worden van de meest actuele neerslagstatistieken.

Conclusie

Het voorliggend bestemmingsplan is uitvoerbaar met inachtneming van de (toekomstige) verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor onder meer de verantwoording in hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten").

3.2.3 Geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014

Algemeen

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL 2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Nu is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL 2014 in gemeentelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 en de Verordening Wonen Zuid-Limburg vrijwel ongewijzigd opgenomen. Hierdoor zijn alle doorwerkingsinstrumenten van het omgevingsbeleid nu ondergebracht in één document.

De laatste versie (geconsolideerde versie) van de Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld op 22 november 2019.

Beoordeling

De bestaande planologische situatie binnen het plangebied wordt geconsolideerd. Daarmee worden met onderhavig bestemmingsplan de beleidsdoeleinden van de provincie niet belemmerd.

3.2.4 Waterbeleid Provincie Limburg

Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Limburgse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Limburg.

In paragraaf 4.4 wordt daar nader op ingegaan op het aspect waterhuishouding.

3.2.5 Rapportage ‘Beweging op de woningmarkt’

Op 3 november 2017 hebben Provinciale Staten van Limburg de motie ‘Beweging op de woningmarkt’ aangenomen. PS roepen hierin Gedeputeerde Staten op om met de woningmarktregio’s om tafel te gaan om te inventariseren welke knelpunten vanwege de veranderde woningmarkt binnen de regio’s worden gesignaleerd en in kaart te brengen welke mogelijke maatregelen deze knelpunten kunnen opheffen. Op 30 januari 2018 hebben Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten de rapportage 'Beweging op de woningmarkt' aangeboden. Daarin wordt aangegeven dat de gemeenten de huidige samenwerking (provincie – regio’s – gemeenten) met betrekking het woonbeleid willen voortzetten en op een aantal punten willen verbeteren. Het adagium ‘bouwen naar behoefte’ mag gelden als een breed gedragen uitgangspunt dat ook in de nationale wetgeving is verankerd. Volgens GS levert de vertaling hiervan in de provinciale visie en de regionale structuurvisies als praktijkervaring op, dat naast gewenste effecten ook knelpunten optreden, in de zin dat in een aantal gevallen niet voldoende kan worden voldaan aan de behoefte. GS willen het bouwen naar behoefte beter faciliteren en stellen daarom voor om in de praktijk een aantal praktische oplossingen te hanteren, die kunnen gelden als uitwerkingen van het bestaande woonbeleid. De regio’s worden opgeroepen om deze oplossingen te bezien en in de regionale structuurvisie of de uitwerking daarvan een plek te geven. Onder andere wordt aangegeven dat er woningbouwlocaties zijn die gebaat zijn bij het loslaten van de directe koppeling tussen de reductie van plannen en nieuwe initiatieven met een urgent karakter, waarbij de vraag niet valt te matchen met het reguliere aanbod. Het is verstandig om bij dergelijke initiatieven in eerste instantie te kijken naar locaties, waar een impuls voor de ruimtelijke kwaliteit juist zeer gewenst is (bijv. centrumontwikkelingen, omzetten winkels in aanloopstraten naar woningen).

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (hierna: SVWZL), die op 13 oktober 2016 is vastgesteld door de raad van Landgraaf, is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten (waaronder Landgraaf) vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten.

Het doel van deze visie is om een aantrekkelijke woon- en leefomgeving te creëren waarin de gemeentes elkaar aanvullen. De transformatieopgave staat centraal, dit wordt bepaald op basis van huidige woningcijfers en prognoses. Ontwikkelingen worden altijd getoetst aan de transformatieopgave, zodat iedere gemeente hierop kan worden geattendeerd. Alleen in de stedelijke gebieden in Zuid-Limburg is de vraag naar woningen groter dan het aanbod. In de landelijke woonsfeer komt naar verwachting een overschot aan aanbod. In de suburbane woonsfeer is de grootste verdunningsopgave, er is hier met name in de particuliere voorraad een overschot. Veelal voldoen particuliere woningen niet meer aan de vraag, ze zijn aan vernieuwing of verduurzaming toe of ze staan op de verkeerde plek.

Met deze gemeenschappelijke aanpak erkennen de gemeenten, dat onderlinge concurrentie, met de bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennis regio heeft, leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio. Een overschot aan woningen is niet in het gezamenlijk belang, want dat kan negatieve gevolgen hebben voor de bestaande woningvoorraad, met alle gevolgen van dien voor leefbaarheid, doorstroming en betaalbaarheid.

De woningmarkt in Zuid-Limburg heeft te maken met een kwantitatieve én kwalitatieve mis match: er zijn te veel woningen en tevens sluit het aanbod niet meer aan op de toekomstige vraag. Daarom worden er afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak.

Doel van de visie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid-Limburg hoog in het vaandel heeft.

In de visie wordt op hoofdlijnen de gewenste kwaliteitsslag beschreven die nodig is om het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. De belangrijkste conclusies hierbij zijn, dat de grootste problemen thans optreden in het particulier bezit en dat er naar verhouding meer huurwoningen gewenst zijn. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden.

Het belangrijkste uitgangspunt daarbij is evenwel dat de woningvoorraad in omvang niet meer mag groeien, dit om te voorkomen dat de leegstand toeneemt. Leegstand leidt tot verloedering en ook tot waardedaling. Dit basisprincipe leidt ertoe dat nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad zullen moeten worden gecompenseerd, hetzij met sloop, hetzij met het schrappen van harde bouwtitels, hetzij met een financiële bijdrage (waarmee sloop kan worden gefinancierd).

Voor iedere gemeente wordt daarom aan de hand van actuele demografische gegevens en leegstandscijfers een transformatie opgave afgesproken, zijnde de kwantitatieve koers die de gemeente dient te varen. Die kwantitatieve koers moet worden beschouwd als richtinggevend wat betreft het maken van beleidsmatige keuzes en niet als een harde afdwingbare sloop taakstelling. De transformatie opgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een gezonde frictie leegstand van 2%) en de huishoudens ontwikkeling. De transformatie opgave wordt tweejaarlijks herijkt. Gemeenten worden verplicht een woningbouwprogrammering op te stellen welke is geënt op zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woon opgaven.

Aan de structuurvisie liggen drie onderzoeken ten grondslag. Het betreft de onderzoeken 'Woonmilieus in Zuid-Limburg' (Companen), 'Woonmilieu Zuid-Limburg fase 2' (Atrivé) en het 'Regionaal afwegingskader wonen Maastricht-Heuvelland' (Stec-groep). De onderzoeken hebben geleid tot de volgende algemene inzichten:

Woonmilieus

Er zijn drie milieus in deze woonregio: stedelijk, suburbaan en landelijk:

  • stedelijk milieu: meer vraag dan aanbod, opletten voor gevolgen rest van de gemeente/regio;
  • suburbaan milieu: meer aanbod dan vraag, sterk verdunnen (met name in de particuliere voorraad), inzetten op kwaliteit en transformatie;
  • landelijk milieu: in evenwicht, maar leegstand op de loer, inzetten op verbetering/ vernieuwing.

Kansen:

  • kansen liggen in goedkope huur (onder liberalisatiegrens) en middeldure huur (€ 700 - € 900);
  • kansen in extramuralisering/wonen met zorg (met name bestaand vastgoed interessant);
  • kansen voor bijzondere exclusieve woonvormen, zoals wonen op het water, collectief particulier opdrachtgeverschap en wonen in een kerk of kasteel. Het risico op ontwrichting van de reguliere woningmarkt is hier relatief klein);
  • kansen in studentenhuisvesting.

Afspraken

in de regio zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • Schrappen van programma dat geen toegevoegde waarde meer heeft;
  • transformatie opgave tweejaarlijks vaststellen per gemeente;
  • herinvulling waardevol bestaand vastgoed (zoals monumenten) heeft prioriteit;
  • compensatie verplicht bij nieuwe initiatieven (in deze volgorde):
  • 1. slopen;
  • 2. financiële compensatieregeling;
  • 3. gemeente neemt sloop verplichting over en voert deze uit binnen de raadstermijn;
  • 4. schrappen bestaande plancapaciteit: 1 nieuwe woning tegen 4 bestaande woningen (bij monumenten 1 op 1).

Ruimtelijk wordt geadviseerd de ontwikkeling te concentreren binnen de kernen om de voorzieningen in stand te houden.

Beoordeling

In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De beleidsuitgangspunten en afspraken zoals geformuleerd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg worden in dit bestemmingsplan gerespecteerd.

3.3.2 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021

De Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021, onderdeel gemeente Landgraaf is op eind juni 2017 vastgesteld en vormt het kader voor het woonbeleid op het regionale niveau voor de Stadsregio Parkstad Limburg en op het lokale niveau voor de gemeente Landgraaf. De woonvisie is het integrale beleidsdocument waarin wordt aangegeven hoe de regio en de gemeente samen met de op de woningmarkt actief zijnde partijen, de opgaven op de totale woningmarkt gaan aanpakken. Elke gemeente heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie.

De Woonvisies geven richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt; het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling­ en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft een Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties. Ingegeven door de herziene Woningwet.

De Woonvisie is het resultaat van een interactief proces waarin zowel lokaal als regionaal bijeenkomsten met stakeholders (onder andere woningcorporaties, huurdersorganisaties, ontwikkelaars, makelaars, zorg- en welzijnspartijen, etcetera) zijn georganiseerd, waarbij input is opgehaald voor de nieuwe visie.

Visie Landgraaf op particuliere woningvoorraad

  • De gemeente zet de ingezette koers met de wijkacupunctuur voort. Daarbij worden op kleine schaal, samen met bewoners en corporaties, woningen onttrokken en wordt gelijktijdig de ruimtelijke kwaliteit van de woonomgeving verbeterd. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden voor corporaties om woningen in te ponden en naar de participatie van marktpartijen binnen de wijkacupunctuur.
  • Op regionale schaal dient afstemming plaats te vinden over het evenwichtig spreiden van zowel de onttrekkings- als woningbouwopgave over de regio. Uitgangspunt is een gedeelde verantwoordelijkheid als het gaat om de transformatieopgave binnen Parkstad Limburg.
  • De gemeente wil particuliere woningbezitters meer bewustmaken van de mogelijkheden om hun woning te verbeteren (o.a. door hen te informeren en het bieden van financiële stimuleringsregelingen en ontzorgingsarrangementen).
  • De gemeente stuurt actief op de kwaliteit van nieuwbouwwoningen. Medewerking aan een woningbouwinitiatief wordt pas verleend als dit past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve kaders voor nieuwbouw vanuit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de Woonvisie.
  • De woonaantrekkelijkheid van Landgraaf moet sterker onder de aandacht van woningzoekenden in de regio worden gebracht. Vooral het profiel van gezinsgemeente, het aanbod aan winkel- en toeristische voorzieningen en het ruime wonen in het groen, dient daarbij versterkt te worden.

Visie Landgraaf op betaalbaarheid en beschikbaarheid sociale huur

  • De eerstkomende vijf jaar groeit de behoefte aan sociale huur met ongeveer 130 woningen. Daarna neemt de vraag af met ongeveer 80 woningen. De gemeente zal aan de woningcorporaties vragen in hun voorraadbeleid rekening te houden met zowel de groei als de krimp op termijn.
  • Met de corporaties worden afspraken gemaakt maken over de mogelijkheden om op de tijdelijke vraag in te spelen. Dit kan bijvoorbeeld via het inponden van koopwoningen, het ontwikkelen van tijdelijke/demontabele huurwoningen en het op termijn samenvoegen twee kleinere huurwoningen. Belangrijk is dat de woonkwaliteit van de gekozen richting past binnen de woonomgeving en het profiel van Landgraaf als woongemeente.
  • Gezien de vergrijzing zijn toevoegingen vooral gewenst in de vorm van levensloopgeschikte woningen, bij voorkeur – en daar waar dat technisch mogelijk is - via transformatie van de bestaande woningvoorraad.
  • Samen met de woningcorporaties worden afspraken gemaakt over het aanbieden van voldoende sociale huurwoningen tot de aftoppingsgrenzen, zodat kan worden voldaan aan de wettelijke eisen van het Passend Toewijzen, waarbij er ook voldoende aandacht moet zijn voor de echt goedkope woningen (tot € 500,00) en voor de huisvesting van jongeren tot 23 jaar.
  • Via wijkacupunctuur is het mogelijk om sociale huurwoningen van slechte kwaliteit (qua onderhoud, energiezuinigheid en levensloopgeschiktheid) te slopen en hiervoor in de plaats kwalitatief goede huurwoningen voor terug te bouwen. Voorwaarde is dat nieuwbouw uitsluitend in de prijsklasse tot de aftoppingsgrenzen wordt gerealiseerd.

Visie Landgraaf op wonen en zorg

  • Op het vlak van wonen en zorg ligt de grootste uitdaging bij het levensloopgeschikt maken van de bestaande woningvoorraad. Particuliere woningeigenaren moeten beter bewust gemaakt worden van het belang en de mogelijkheden om de eigen woning tijdig aan te passen. Hiervoor stelt de gemeente de Blijverslening beschikbaar en wordt een ontzorgingsarrangement geboden.
  • De gemeente stimuleert en faciliteert bewonerscollectieven en particuliere initiatiefnemers die nieuwe vormen voor wonen met zorg willen ontwikkelen, met name gericht op zwaardere zorgvragers die nu zelfstandig moeten blijven wonen.
  • Er moet meer zicht komen op de leegstand van bestaand zorgvastgoed, inclusief de kansen om deze locaties te herbestemmen.
  • Met corporaties worden afspraken gemaakt om een deel van de bestaande huurvoorraad levensloopgeschikt te maken, gelet op de groeiende groep oudere huurders. Ook worden afspraken gemaakt over meer maatwerk bij woningtoewijzing bij mantelzorgsituaties (in relatie tot het sociale netwerk).
  • De gemeente streeft een woonomgeving na, die het mogelijk maakt om zolang mogelijk zelfstandig te kunnen wonen. Dat betekent goede bereikbaarheid van winkel- en zorgvoorzieningen en specifieke aandacht voor ouderen en andere zorgvragers bij onderhoud van de openbare ruimte.

Visie Landgraaf op verduurzaming en energetische prestaties van woningen

  • De gemeente wil particuliere woningbezitters beter bewust maken van de mogelijkheden om hun woning te verduurzamen. Dit kan door hen te informeren over de technische en financiële mogelijkheden, zoals de gemeentelijke lening voor duurzaamheidsinitiatieven en de lokale zonnepanelenregeling.
  • De gemeente is een pilot gestart waarbij de bewoner gebruik kan maken van een gemeentelijke lening om de woning te verduurzamen. Bewoners hebben de keuze uit isolatie, HR-ketel, HR++/HR+++ glas en een zonneboiler. De lening wordt gedurende 15 jaar maandelijks richting gemeente afgelost, waarbij maandelijkse aflossing lager is dan het rendement (besparing m3 gas).
  • De gemeente wil gezamenlijk met de burger -in de vorm van een energiecoöperatie (postcoderoos)-duurzame energie opwekken voor eigen gebruik van de burger. Dit gebeurt via een zonnepanelenveld dat op een groot dak van bijvoorbeeld een school, sporthal of loods wordt geplaatst. De deelnemers aan de energiecoöperatie ontvangen korting op hun energiebelasting.
  • Conform het Energieconvenant stelt de gemeente als opgave voor de sociale huursector dat in 2020 de sociale huurvoorraad in de gemeente Landgraaf op gemiddeld label B-niveau (exclusief de woningen die op de sloopnominatie staan) ligt. Gemeente en corporaties moeten samen het gesprek aan gaan over hoe om te gaan met eventuele onrendabele toppen bij het kwalitatief verbeteren van de sociale huurvoorraad
  • Met woningcorporaties worden afspraken gemaakt over het aankopen van woningen uit de particuliere voorraad die zich binnen een woonblok van huurwoningen bevinden (bijvoorbeeld uitgeponde woningen). Door deze woningen (terug) te kopen wordt het mogelijk om het hele woonblok in één keer te verduurzamen.
  • De gemeente streeft naar het vergroten van het aantal Nul-op-de-meter woningen.

Visie Landgraaf op leefbaarheid

  • Samen met de corporaties gaat de gemeente bij de jaarlijks te maken prestatieafspraken kijken waar het komende jaar de accenten per wijk gelegd worden als het gaat om het investeren in de leefbaarheid.
  • Samen met de woningcorporaties en de huurdersbelangenvereniging wordt bekeken of er aanleiding is om af te wijken van het richtbedrag van € 125,- per woning en een hogere bijdrage te leveren in de leefbaarheid.
  • De gemeente streeft ernaar om samen met de corporaties, de leefbaarheid in wijken en buurten te bevorderen en aantrekkelijke woonmilieus te behouden c.q. te creëren. Via wijkacupunctuur kunnen zodanige ingrepen worden gerealiseerd waardoor wijken en buurten ruimer, groener en veiliger gemaakt kunnen worden.

3.3.3 Partiële herziening Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg structuurvisie (2011-10-31)

Sinds het einde van de jaren ’90 heeft de Stadsregio Parkstad Limburg te maken met een significante afname van de bevolking, wijziging van de bevolkingssamenstelling en een daling van het aantal huishoudens. Parkstad is hiermee een van eerste regio’s in Nederland die met ‘Krimp’ te maken heeft. Parkstad Limburg heeft op diverse thema’s beleid geformuleerd om stappen te zetten om te kunnen anticiperen op de bevolkingskrimp.

Wonen

Een afname van de bevolking en van het aantal huishoudens betekent een afname van de vraag naar woningen. Dit leidt vervolgens tot een overschot aan woningen en woningbouwcapaciteit. Wil Stadsregio Parkstad Limburg in de toekomst de kwaliteit van de leefomgeving kunnen behouden of verder verbeteren, dan zal het overschot aan woningen teruggebracht moeten worden. Het beleid van Parkstad is dan ook gericht op het in evenwicht brengen van vraag en aanbod van woningen en een kwalitatieve verbetering van de regionale woningvoorraad.

Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad.

Geen verdere toename van de omvang van de regionale woningvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale woningvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.

De gemeenten in Parkstad Limburg zijn voornemens om dit beleid op de volgende wijze te verwezenlijken:

  • Vanaf 1 januari 2013 zullen -voor bestemmingsplannen waarin woonbestemmingen zijn opgenomen die dan nog niet in realisatie zijn- herzieningen van deze bestemmingsplannen op basis van de actualisatieslag in procedure worden gebracht, deze woonbestemmingen komen te vervallen tenzij deze zijn opgenomen in/passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).
  • Vanaf het moment van vaststelling van dit beleid zullen geen bestemmingsplannen in procedure worden gebracht die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad, tenzij deze zijn opgenomen in/passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).
  • De gemeenten in Parkstad Limburg zullen geen medewerking verlenen aan het verstrekken van een ontheffing dan wel een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan indien daarbij sprake is van toevoegen van woningen aan de regionale woningvoorraad, tenzij deze zijn opgenomen in/passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).
  • Indien noodzakelijk kan het Parkstadbestuur middels een beleidsregel de wijze van uitvoering herzien.

Detailhandel

Voor het thema ‘retail’ is de geactualiseerde Retailstructuurvisie 2010-2020 opgesteld als beleid om te kunnen anticiperen op de bevolkingskrimp.

Een afname van de bevolking en van het aantal huishoudens leidt ook tot een afname van het bestedingspotentieel voor de regio. Deze afname heeft ook weer effecten op de ruimtebehoefte aan vastgoed. Deze neemt in de loop van de jaren af. Overschot aan winkelruimten leidt ertoe dat winkels leeg komen te staan. Dit heeft niet alleen effecten op de woon- en leefkwaliteit, maar ook op de waarde van het vastgoed.

Wil Stadsregio Parkstad Limburg in de toekomst de kwaliteit van de leefomgeving alsmede de duurzame exploitatie van het vastgoed kunnen behouden of verder verbeteren, dan zal het overschot aan retailruimte teruggebracht moeten worden. Het beleid van Parkstad is dan ook gericht op het realiseren van een duurzame retailstructuur door het in evenwicht brengen van vraag en aanbod van winkelruimte met daarbij een kwalitatieve verbetering van de regionale winkelvoorraad.

In haar regionaal retailbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale winkelvoorraad is (regionale kaders). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de winkelvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders. Vigerende bestemmingen detailhandel, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik van is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen/past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. beslisboom Retailstructuurvisie). Aan omgevingsvergunningen die op basis van vigerende rechten nieuw worden uitgegeven zal waar mogelijk een realisatie-verplichting worden gekoppeld. Bij het niet nakomen van deze verplichting zal de omgevingsvergunning worden ingetrokken.

De gemeenten in Parkstad Limburg zijn voornemens om dit beleid op de volgende wijze te verwezenlijken:

  • Vanaf 1 januari 2013 zullen voor bestemmingsplannen waarin detailhandel- bestemmingen zijn opgenomen die dan nog niet in realisatie zijn, herzieningen van deze bestemmingsplannen op basis van de actualisatieslag in procedure worden gebracht, deze detailhandelsbestemmingen komen te vervallen tenzij deze zijn opgenomen in/passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. beslisboom Retailstructuurvisie).
  • Vanaf het moment van vaststelling van dit beleid zullen geen bestemmingsplannen in procedure worden gebracht die leiden tot een toename van de regionale retailvoorraad, tenzij deze zijn opgenomen in/passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. beslisboom Retailstructuurvisie).
  • De gemeenten in Parkstad Limburg zullen geen medewerking verlenen aan het verstrekken van een ontheffing dan wel een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan indien daarbij sprake is van toevoegen van retailoppervlakte aan de regionale retailvoorraad, tenzij deze zijn opgenomen in / passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. beslisboom Retailstructuurvisie).
  • Indien noodzakelijk kan het Parkstadbestuur middels een beleidsregel de wijze van uitvoering herzien.
3.3.4 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0061.png"

Afbeelding 3.12: kaft van rapport 'Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg'

De Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL) is een gezamenlijke ruimtelijk-economische visie en handelingskader voor de winkel-, kantoren en bedrijventerreinenmarkt in Zuid-Limburg. Evenals de SVWZL is deze visie opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten. De SVREZL is voor overheden de basis voor de uitvoering van plannen.

De opgave in de structuurvisie bestaat uit de volgende punten:

  • Behoud van de leefbaarheid en versterking van de hoofdstructuur in de segmenten winkels en kantoren.
  • Het verdunnen van de bestaande vastgoedvoorraad in de segmenten winkels, kantoren en bedrijventerreinen, daar waar sprake is van een overschot.
  • Het stap-voor-stap terugdringen van ongewenste planvoorraad buiten de hoofdstructuur in winkels en kantoren tot er op subregioniveau sprake is van frictieleegstand.
  • Het faciliteren van kwalitatieve toevoegingen die passen binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.

Het door middel van herbestemming bijdragen aan de verbetering van het gebruik en de functionaliteit van de bestaande locatie (kavel, pand, gebied). Overigens kan het gaan om bebouwde of onbebouwde bestemmingen.

3.3.5 Visie Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0062.png"

Afbeelding 3.13: kaft van rapport 'Visie Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg'

De Visie Vrijetijdseconomie is opgesteld door 16 Zuid-Limburgse gemeenten, hierin wordt toegelicht hoe ze gezamenlijk werken aan een toekomstbestendige toeristisch-recreatieve bestemming. De vrijetijdseconomie is in Zuid-Limburg een grote sector met 8% van het totaal aantal banen en een groeiend volume aan bestedingen.

Voor 'Bestemming Zuid-Limburg' zijn voor 2030 ambities opgesteld, waarin:

  • toerisme blijft bijdragen aan duurzame economische structuurversterking van de regio;
  • kwalitatieve groei boven kwantitatieve groei;
  • landschappelijke en stedelijke kwaliteiten elkaar versterken;
  • de vrijetijdseconomie helpt om natuur en landschap te ontwikkelen;
  • inwoners en gasten heel Zuid-Limburg kunnen beleven.

Aan deze ambities wordt gewerkt door middel van de volgende opgaven:

  • 1. Het managen en ontwikkelen van Zuid-Limburg als één bestemming.
  • 2. De vrijetijdseconomie beter verbinden aan de kwaliteit van het Zuid-Limburgse landschap en vanuit de vrijetijdseconomie bijdragen aan het bewaken en verhogen van de kwaliteit van het landschap.
  • 3. Het beter beleefbaar maken van de Zuid-Limburgse verhalen en toeristische kernkwaliteiten.
  • 4. Het aanspreken van nieuwe doelgroepen.
  • 5. Het beter in balans brengen van de vraag naar en het aanbod van verblijfsaccommodaties, zowel kwalitatief als kwantitatief.
  • 6. Het behouden en waar mogelijk herbestemmen van monumentale gebouwen voor de vrijetijdseconomie, waarbij een goede balans tussen vraag en aanbod uitgangspunt is.
  • 7. Het optimaliseren van de positieve effecten van toerisme.
  • 8. Intergemeentelijk samenwerken, gezamenlijk beleid uitvoeren en versterken van de samenwerking binnen en buiten de sector, ook in de grensregio.
3.3.6 Regionale Energie Strategie

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0063.png"

Afbeelding 3.14: kaft van rapport 'Regionale Energie Strategie'

De Regionale Energie Strategie (RES) is opgesteld door 16 gemeenten uit Zuid-Limburg voor deze regio. De RES is er om de regio te verduurzamen en de CO2-uitstoot te verminderen. Elke twee jaar kan de strategie aangepast worden door nieuwe ontwikkelingen. Het uitgangspunt is dat iedere gemeente bijdraagt aan de energietransitie, het streven is hierbij om het maximale te halen uit bestaande en toekomstige technologieën.

Zuid-Limburg wil in 2030 tussen de 1,1 en 1,9 TWh kunnen leveren, de landelijke opgave is 35 TWh. Om deze energie duurzaam op te wekken worden zonnepanelen en windturbines gebouwd. Een andere manier is het opwekken van duurzame warmte in de gebouwde omgeving. Dit wordt ook wel de Regionale Structuur Warmte (RSW) genoemd. Er zijn voor de opwekking van duurzame energie verschillende scenario's die terug te vinden zijn in de RES.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Landgraaf 2030

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0064.png"

Afbeelding 3.15: kaft van rapport 'Structuurvisie 2030'

Op 15 december 2011 heeft de raad van de gemeente Landgraaf de Structuurvisie Landgraaf 2030 "Slank en groen" vastgesteld. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen weer van de voorziene ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Daarnaast beschrijft de structuurvisie het ruimtelijk beleid dat de gemeente wil voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0065.png"

Afbeelding 3.16: opbouw van de gemeente Landgraaf (bron: Structuurvisie 2030)

Uit de structuurvisie volgen geen specifieke opgaven voor het bestemmingsplangebied. Daarnaast betreft dit bestemmingsplan een consoliderend plan voor een laag dynamisch gebied. De doelstellingen van de structuurvisie zijn niet in het geding als gevolg van dit bestemmingsplan.

3.4.2 Volkshuisvesting

Er vindt geen toevoeging van extra woningen plaats binnen het plangebied.

Vaststelling beleidsregel tijdelijke versoepeling compensatiesystematiek Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

Deze beleidsregel treedt voor een periode van maximaal 2 jaar in werking vanaf 21 maart 2019, tenzij de evaluatie van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg eerder wordt vastgesteld. Woningbouwinitiatieven die mogelijk worden gemaakt via deze versoepeling, dienen binnen 2 jaar te zijn vastgesteld en binnen 5 jaar te zijn gerealiseerd (vanaf momentum van toevoeging aan de subregionale woningmarktprogrammering). Woningbouwplannen die deze termijnen niet halen, verliezen hun status op de subregionale woningmarktprogrammering. Deze regeling betreft een tijdelijke aanvulling op beleidsregel VI van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Naast deze beleidsregel is er in overleg met de regio, ruimte voor maatwerk oplossingen.

Nieuwe (tijdelijke) beleidsregel VI

Om nieuwe, kwalitatief goede, woningbouwinitiatieven aan de vastgestelde woningmarktprogrammeringen toe te kunnen voegen, is een uniforme wijze van afwegen afgesproken. Deze nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Compenseren moet met direct gekoppelde sloop of onttrekking. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, kan ook worden gecompenseerd in afnemende volgorde:

  • 1. Elke nieuw toe te voegen woning (per locatie 5 of minder woningen) wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitgewerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een subregionaal op te zetten sloopfonds vloeien.
  • 2. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarin dit besluit is genomen.
  • 3. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering. Deze moet minimaal in de verhouding van 1 : 4 (toe te voegen woning : te schrappen harde plannen) ingezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument (niet zijnde rijksmonument) of beeldbepalend pand wordt volstaan met een compensatie van één woning uit de reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarktprogrammering.

Tijdelijke versoepeling

Gedurende de periode van versoepeling van de compensatie worden woningbouwplannen beschouwd in vier categorieën. Voor elke categorie is aangegeven welke eventuele compensatie wordt verwacht. De reeds bestaande compensatiemogelijkheden blijven vigerend als invulling van de compensatie.

1. Uitzonderingsplannen - geen compensatie

Dit betreffen de volgende woningbouwplannen, onder de voorwaarden zoals genoemd binnen de Structuurvisie Wonen Zuid Limburg en/of aanvullende beleidsregels:

  • studentenwoningen in de benoemde gemeenten (conform Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg).
  • woningbouw gericht op de doelgroep zorgbehoevenden (conform Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg / vigerende beleidsregel).
  • tijdelijke woningen (max. 10 jaar) (conform vigerende beleidsregel).
  • woningbouw in Rijksmonumenten (conform Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg).

2. Kwalitatief goede plannen = licht compensatie regime

Dit betreffen woningbouwplannen ter grootte van maximaal 25 woningen gericht op betaalbare levensloopbestendige sociale huurwoningen (max. € 720,42 huur per maand, voor met name starters) en middeldure huurwoningen (tot max. € 950,00 huur per maand) en vergelijkbare betaalbare levensloopbestendige koopwoningen voor starters (max. prijsniveau tot en met de Startersleninggrens, provinciaal € 185.000,00) en voor senioren (tot max. NHG-grens: € 290.000,00 VON).

Voorwaarde is wel, dat deze woningen gebouwd worden in de dorpskernen en de stedelijke centra. Dit in lijn met de kaders van de Structuurvisie Wonen Zuid Limburg en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Bijvoorbeeld: woningbouwprojecten in aanloopstraten of transformaties van commercieel vastgoed naar wonen in centra of kernen, bedoeld voor sociale doelgroepen, senioren en starters.

Licht compensatie-regime, d.w.z.:

  • compensatie door het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit uit de regionale woningmarktprogrammering in een verhouding 1:1.
  • financiële compensatie door een percentage van de WOZ-waarde (7%) conform de regeling kleine woningbouwinitiatieven, maar dan voor maximaal 25 woningen.
  • een combinatie van compensatiemaatregelen een combinatie van bestaande en versoepelde compensatiemaatregelen.

3. Vernieuwingsplannen - verplicht compensatie regime

Ondanks het overschot aan woningen (op termijn) op Zuid-Limburgs niveau, blijft er wel behoefte aan vernieuwing/vervanging van de bestaande woningvoorraad. Ook als een nieuw woningbouwplan niet onder ‘1. Uitzonderingsplannen’ of onder ‘2. Kwalitatief goede plannen’ valt, kan het een goed plan zijn in het kader van vernieuwing/vervanging van de bestaande woningvoorraad. Voor deze woningbouwinitiatieven blijven de kaders van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in stand, zoals o.a. ‘meer stad-meer land’ (inbreiden voor uitbreiden).

Ook voor deze categorie woningbouwinitiatieven t.b.v. vernieuwing/vervanging van de bestaande woningvoorraad is een tijdelijke versoepeling aan de orde, maar deze is zwaarder dan voor woningbouwplannen onder de categorie ‘2. Kwalitatief goede plannen’ en betreft:

  • compensatie door het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit uit de regionale woningmarktprogrammering in een verhouding 1:2.
  • een combinatie van bestaande en versoepelde compensatiemaatregelen.

4. Kwalitatieve verbetering van woningbouwplannen

Daarnaast wordt het voor gemeenten óók mogelijk om op basis van een aangetoonde kwalitatieve verbetering (betere aansluiting op de behoefte/PMC) van het woningbouwplan, harde plancapaciteit uit de regionale woningmarktprogrammering in een verhouding 1:1 te verplaatsen naar een andere locatie.

3.4.3 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP)

Dit Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) geeft richting aan het verkeers- en vervoersbeleid in de gemeente Landgraaf voor de komende jaren en vervangt het voorheen van toepassing zijnde Mobiliteitsplan uit 2009 en de Parkeernota uit 2008. In dit GVVP zijn deze beide rapportages samengevoegd, geëvalueerd en geactualiseerd.

Bij de evaluatie is met name bekeken in hoeverre de maatregelen uit het uitvoeringsprogramma en de benoemde actiepunten zijn uitgevoerd. In de actualisatie worden vijf verschillende beleidsthema’s behandeld:

  • (Hoofd)wegenstructuur en Bereikbaarheid;
  • Verkeersveiligheid en weginrichting;
  • Fietsverkeer;
  • Openbaar vervoer;
  • Parkeren.

Alle aspecten van het betreffende thema die voor Landgraaf relevant zijn, worden in dit GVVP behandeld. Naast een algemene beschrijving van de huidige situatie en het vastleggen van beleidsuitgangspunten, vindt er ook een knelpuntenanalyse plaats op basis waarvan uiteindelijk een nieuw uitvoeringsprogramma is opgesteld. Daarin staan concrete projecten en maatregelen benoemd voor de periode tot 2025.

(Hoofd)wegenstructuur en Bereikbaarheid

  • Door de Binnenring is de bereikbaarheid, ruimtelijke samenhang en oriëntatie verbeterd. Tevens is de positie van Landgraaf ten opzichte van het nationale (A76, A79) en het regionale (N281) wegennet sterk verbeterd. De Buitenring en in de nabije toekomst de Randweg Abdissenbosch moeten voor een verdere verbetering gaan zorgen.
  • De stroomwegen en gebiedsonsluitingswegen vormen samen het hoofdwegennetwerk van Landgraaf waarop het verkeer altijd op een vlotte en veilige manier wordt afgewikkeld. De Ruggengraat is daarnaast herkenbaar ingericht als centrale as van Landgraaf.
  • De Binnenring, Buitenring en Randweg Abdissenbosch moeten op een adequate manier bereikbaar en met elkaar verbonden zijn zodat het regionaal verkeer hier optimaal gebruik van kan maken.
  • Het hoofdwegennet voldoet aan de belangrijkste inrichtingskenmerken van Duurzaam Veilig.
  • De bereikbaarheid wordt met name bepaald door de kwaliteit van de doorstroming op het hoofdwegennet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0066.png"

Afbeelding 3.17: verkeersstructuur binnen de gemeente Landgraaf (bron: Structuurvisie 2030)

Verkeersveiligheid en weginrichting

  • Vanaf 1997 is het verkeersveiligheidsbeleid van de gemeente Landgraaf afgestemd op het landelijke principe van Duurzaam Veilig Verkeer. De kenmerken van een Duurzaam Veilig verkeers- en vervoersysteem zijn:
  • een omgeving die qua infrastructuur aangepast is aan de beperking van de menselijke vermogens;
  • voertuigen die voorzien zijn van middelen om de taken van mensen te vereenvoudigen en die geconstrueerd zijn om de kwetsbare mens zo goed mogelijk te beschermen;
  • verkeersdeelnemers die adequaat worden opgeleid en geïnformeerd.
  • Een belangrijke voorwaarde voor een Duurzaam Veilig wegennet is herkenbaarheid. Om dit te kunnen bereiken wordt de volledige weginfrastructuur ingedeeld in drie wegcategorieën: stroomwegen (SW), gebiedsontsluitingswegen (GOW) en erftoegangswegen (ETW). De hiërarchie van wegen wordt vastgesteld in het wegencategoriseringsplan. Voor iedere wegcategorie gelden specifieke kenmerken met betrekking tot de inrichting van de weg (basiskenmerken wegontwerp). Door consequente toepassing van deze kenmerken zijn de wegcategorieën niet alleen op papier, maar ook voor de weggebruikers herkenbaar. Dit leidt tot uniform, voorspelbaar weggedrag, wat ten goede komt aan de verkeersveiligheid.
  • In Landgraaf bestaat het wegennet voornamelijk uit gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen binnen de kom (GOW50 en ETW30). In onderstaande tabel 1 zijn voor de GOW50 en ETW30 de voor Landgraaf belangrijkste kenmerken opgenomen. Zolang wegen aan deze basiskenmerken voldoen, zijn ze voldoende herkenbaar ingericht en zullen ze veilig functioneren. Onder de ETW’s vallen de 30km-zones (ETW30) en de woonerven. Voor een ETW zijn er tal van mogelijkheden die ervoor zorgen dat de maximum toegestane rijsnelheid van 30km/uur of stapvoets fysiek wordt afgedwongen. Brede wegen en lange rechtstanden dienen hierbij in elk geval vermeden te worden. Uniformiteit is belangrijk om de herkenbaarheid te optimaliseren.

Tabel 1: belangrijkste basiskenmerken voor GOW en ETW binnen de bebouwde kom

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0067.png"

Fietsverkeer

  • Bij het ontwerpen van nieuwe infrastructuur voor de fiets dienen de richtlijnen van het CROW (met name de ASVV en de Ontwerpwijzer Fietsverkeer) zoveel mogelijk te worden toegepast. Uitgangspunt is dat de fietsinfrastructuur fietsvriendelijk is. Hiervoor gelden vijf hoofdeisen op het gebied van samenhang, directheid, aantrekkelijkheid, veiligheid en comfort.
  • Uitgangspunt is dat éénrichtingsverkeer op een ETW niet geldt voor fietsers. De verhardingsbreedte van de rijstrook dient wel voldoende breed te zijn (minimaal 3,40 meter) en er mag geen gevaar ontstaan voor de verkeersveiligheid.
  • Op rotondes binnen de bebouwde kom hebben fietsers voorrang, buiten de bebouwde kom niet. Daarnaast dienen de rotondes binnen de bebouwde kom voorzien te worden van VOP’s (zebrapaden), zodat ook overstekende voetgangers voorrang hebben.
  • Het hoofdfietsnetwerk van de gemeente Landgraaf bestaat in feite uit de fietsvoorzieningen zoals die langs de GOW’s aanwezig zijn. Op de bijlagekaart ‘Overzicht fietsvoorzieningen’ staan alle fietsvoorzieningen aangegeven. Op de Groenstraat en een klein deel van de Streeperstraat na, is overal langs de GOW’s een fietsvoorziening aanwezig. De kwaliteit van die fietsvoorzieningen is echter verschillend. Conform Duurzaam Veilig hebben vrij liggende fietspaden de voorkeur maar daar is niet overal voldoende ruimte voor aanwezig. Hierdoor zijn er fietsstroken of slechts fietssuggestiestroken aanwezig.
  • Naast het landelijke toegepaste fietsroutenetwerk op basis van knooppunten bestaan er nog diverse overige recreatieve fietsroutes, zowel landelijk als regionaal. Voorbeelden van fietsroutes die ook deels door Landgraaf voeren zijn de Groenmetropoolroute, Grensroute, Parkstad Limburgroute, Groenroute, Kastelenroute en de Park Gravenroderoute.

Openbaar vervoer

  • Met het buslijnennet worden de vervoersstromen opgevangen binnen de gemeente. De grootste stromen op basis van snelste route en frequentie.
  • Het buslijnennet dient zoveel mogelijk gebruik te maken van GOW’s waar de bus halteert in haltehavens naast de rijbaan. Daar waar een bus toch over een ETW30 rijdt, moeten de snelheidsremmende maatregelen zo zijn toegepast dat het OV hier geen of zo weinig mogelijk hinder van ondervindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0068.png"

Afbeelding 3.18: buslijnenstructuur met lijn 22 in Ubach over Worms

Parkeren

Voor wat betreft het parkeren gelden de volgende doelstellingen:

  • Parkeeroverlast dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
  • Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een toename veroorzaken in de parkeerbehoefte, dient deze toename opgevangen te worden op eigen terrein. De basis van deze parkeerregeling is vastgelegd in het bestemmingsplan.
  • Om de grootte van de parkeerbehoefte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te bepalen, en dus het aantal te realiseren parkeerplaatsen, worden parkeernormen gebruikt. In bijlage 3 van het GVVP ‘Parkeernormen’ staan voor verschillende gebruiksfuncties de voor Landgraaf geldende parkeernormen aangegeven. Voor grondgebonden woningen geldt een parkeernorm van 2,0 (in de Parkeernota 2008 was dit 1,7). Door middel van het opstellen van een parkeerbalans worden vraag en aanbod van parkeerplaatsen binnen een bepaald gebied inzichtelijk gemaakt en met elkaar in verband gebracht, verdeeld naar gebruiksfunctie. Het parkeerbeleid is vraagvolgend: de parkeervraag wordt zoveel mogelijk gefaciliteerd en moet op elk moment opgevangen kunnen worden.
  • Op grote parkeerterrein zoals bij winkelcentra wordt een maximale bezettingsgraad geaccepteerd van 90%.
  • In gewone woonstraten/-buurten hoeft het geen probleem te zijn als alle parkeerplaatsen zijn bezet. Een hoge bezettingsgraad tot zelfs 100% is hier toegestaan mits er zich hierdoor geen algemene problemen voordoen op het gebied van bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.;
  • Parkeerproblemen worden bij voorkeur opgelost met de traditionele maatregelen zoals parkeerverboden, stilstaan verboden, uitbreiden parkeercapaciteit en fysieke maatregelen. Betaald parkeren en parkeervergunningen worden niet toegepast. Als er sprake is van een ongewenste menging van lang- en kortparkeerders heeft de invoering van een parkeerschijfzone de voorkeur boven parkeervergunningen.
  • In de winkelcentra is rekening gehouden met de realisatie van voldoende parkeerplaatsen waardoor het treffen van parkeer regulerende maatregelen niet nodig is.
  • Parkeren op eigen terreinen van woningen is alleen mogelijk ter plaatse van in-/opritten gelegen voor garages/garageboxen en daar waar aangebouwde vrijstaande bijgebouwen alsmede carports en overkappingen opgericht kunnen worden.
  • Parkeren op het trottoir is volgens de normale verkeersregels verboden. Zolang het geen gevaarlijke of hinderlijke situaties oplevert, wordt er niet opgetreden tegen het trottoir parkeren. Dat kan echter alleen als dit ook echt ‘verkoopbaar’ is. Daarbij wordt als minimale maat voor het resterend trottoir 0,90 meter aangehouden.

In de notitie “Samen Slim Sleutelen aan de Stad – Ambitieboek Wijkontwikkelingsplannen 2016-2019” (afdeling ROG) wordt ook aandacht besteed aan het parkeerplaatstekort in diverse wijken en straten. Als mogelijke oplossing voor zowel het parkeertekort als het leefbaarheidsprobleem wordt het inzetten van ‘wijkacupunctuur’ voorgesteld: het op kwetsbare plekken onttrekken van woningen om daar vervolgens extra parkeerplaatsen in een groene setting aan te leggen. Als gevolg van de demografische ontwikkelingen biedt deze oplossing reële kansen.

Via herstructurering, wijkacupunctuur en wegreconstructies moet worden geprobeerd meer ruimte te creëren voor openbare parkeerplaatsen zodat de noodzaak om in voortuinen te parkeren niet meer aanwezig is. Tot die tijd wordt tegen het voortuin parkeren niet actief handhavend opgetreden.

Parkeernormering en het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is het toetsingskader bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. De berekening van het minimaal aantal noodzakelijke parkeerplaatsen is gebaseerd op de richtlijnen zoals die zijn opgenomen in de CROW/ASVV. In bijlage 3 van het GVVP van Landgraaf zijn deze richtlijnen vertaald naar de parkeernorm voor de gemeente Landgraaf. Nieuwe ontwikkelingen worden hieraan getoetst. Centraal uitgangspunt is het zoveel als mogelijk voorkomen van parkeeroverlast. Om te kunnen bepalen hoe groot de parkeerbehoefte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal zijn bevat de parkeernota voor verschillende gebruiksfuncties geldende parkeernormen. Deze parkeernormen geven het minimumaantal te realiseren parkeerplaatsen aan bij ruimtelijke ontwikkelingen en zijn gebaseerd op de richtlijnen van het CROW. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen hun parkeerbehoefte binnen de plangrenzen op te vangen. Daarnaast dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in hun planvorming rekening te houden met het oplossen van mogelijke reeds bestaande parkeercapaciteitsproblemen, door het realiseren van extra parkeerplaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen van dit uitgangspunt afwijken wanneer op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien. De bevoegdheid tot afwijken dient evenwel met grote terughoudendheid worden toegepast.

Beoordeling

Onderhavig bestemmingsplan heeft geen betrekking op een nieuwe ontwikkeling. Het betreft een sinds jaren bestaande situatie welke op grond van het in het geldende planologische regime mogelijk is. Derhalve behoeft in de bestaande situatie geen rekening te worden gehouden met de parkeernormen uit het GVVP.

3.4.4 Groenstructuurplan 2017 - 2025

Het 'Groenstructuurplan 2017-2025' is vastgesteld op 28 september 2017. Met het 'Groenstructuurplan 2027-2025' wordt de groenstructuur van Landgraaf in beeld gebracht en met kwaliteiten en knelpunten en wordt beleid vastgelegd gericht op het behoud en verdere versterking van de groenstructuur als zich daarvoor kansen voordoen. Het groenstructuurplan geeft een lange termijnvisie (30 jaar) op de gewenste ontwikkeling van het groen binnen de bebouwde kom van de gemeente Landgraaf, die hierbij op hoofdlijnen wordt weergegeven. Tevens wordt er ingegaan op het belang van het particuliere groen en het betrekken van burgers en andere relevante maatschappelijke groepen van mensen bij behoud en versterking van de Landgraafse groenstructuur (burgerparticipatie).

De status van dit beleidsstuk is dat het een kader is om te sturen op de ontwikkeling van het binnenstedelijke groen van onze gemeente. Hierbij kan directe sturing plaatsvinden op ontwikkelingen in het openbaar groen. Daarnaast kan faciliterend en stimulerend opgetreden worden in de op zich relatief autonome ontwikkeling van het particuliere groen, dat tevens een belangrijk aandeel heeft van het groen binnen de gemeente en dat hier in het groenstructuurplan ook in beeld wordt gebracht. De in beeld gebrachte groenstructuur vormt een basis voor het maken van beoordelingen en keuzes ten aanzien van groen/groenstructuren, die ook kunnen landen in het kapvergunningenbeleid en de bestemmingsplannen en houvast bieden bij planologische procedures waarbij groen in het geding is.

Bij dit Groenstructuurplan horen (1) een gedetailleerde groenstructuurkaart en (2) een daarvan afgeleide kaart met de hoofdgroenstructuren. Op beide kaarten staan zowel gemeentelijk- als particulier groen aangegeven. Op de eerste kaart is dit te onderscheiden, op de 2e kaart -omwille van een helder beeld van de hoofdgroenstructuur- niet. Ook is op beide kaarten te zien waar versterking of aanvulling van de groenstructuur gewenst is. De gedetailleerde kaart geeft ook het kleinere buurtgroen aan en kan ook gezien worden als inventarisatiekaart, maar wel met zoals gezegd ook versterkingsvoorstellen erop. De hoofdstructuurkaart geeft naast de versterkingsvoorstellen ook aan hoe de hoofdstructuren aansluiten op het buitenstedelijke groen.

3.4.5 Welstandsbeleid

Om kwaliteit te bereiken is verwijzing naar een goed stedenbouwkundig beeld onontkoombaar. Daarmee loopt de gemeente het gevaar subjectieve criteria te hanteren. De gemeente heeft derhalve in het kader van de Woningwet de 'Welstandsnota' vervaardigd en vastgesteld op 13 mei 2013.

Landgraaf combineert wonen, werken en ontspannen op eigen wijze met een groene omgeving en een rijke historie. Het aanzien van de bebouwing is een belangrijke factor in de identiteit van de gemeente. Welstand is één van de manieren, om het aanzien van daarvan in goede banen te leiden. De gemeente werkt sinds 2004 met een welstandsnota, waarin criteria zijn opgenomen voor de beoordeling van plannen zoals aangegeven in de Woningwet. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om steden­ bouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen.

De welstandsnota maakt onderscheid in gebieden en objecten. Met de nieuwe nota is het aantal gebieden en objecten sterk gereduceerd. De gebieden vormen de kern van het welstandsbeleid. De gemeente is verdeeld in gebieden met een eigen identiteit zoals linten, woonwijken en bedrijventerreinen. Van deze gebieden is het ruimtelijk en architectonisch beeld beschreven gevolgd door een waardering. Deze bepalen de uitgangspunten voor de welstandstoets. De welstandscriteria zijn te zien als een uitwerking van de algemene criteria en beschrijven de voor een bouwplan gewenste eigenschappen. Vanwege het diverse karakter van de gebieden kan het nodig zijn in bijzondere gevallen af te wijken van de gebiedsbeschrijving en terug te vallen op de algemene welstandscriteria, zoals hieronder verwoord.

Net als te onderscheiden gebieden zijn er bescheiden objecten, die zich lenen voor vereenvoudigde toetsing. Voorbeelden daarvan zijn bijgebouwen bij en dakkapellen op een woning. Voor dit soort plannen zijn zo eenduidig en meet­ baar mogelijke criteria opgenomen, die de planindiener vooraf een grote mate van duidelijkheid geven over de uitkomst van de toetsing.

Welstandgebieden

Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0069.png"

Afbeelding 3.19: welstandsniveau's in de gemeente Landgraaf (bron: Welstandsnota uit 2013)

Allereerst heeft de gemeente enkele welstandsvrije gebieden aangewezen waar het initiatief volledig bij de burger wordt gelegd. Een groot deel van de bebouwing staat in een soepel welstandsgebied. In deze gebieden wordt ruimte geboden voor vernieuwing. De lichte toetsing beperkt zich tot de hoofdlijnen, dus met name tot de voorkanten van gebouwen en bouwwerken. In de gewone welstandsgebieden ligt de lat iets hoger. Van bouwplannen in deze gebieden wordt verwacht, dat ze geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Dit betekent dat ook hier bouwplannen aan achterkanten vanwege hun beperkte invloed op de openbare ruimte veelal soepeler beoordeeld kunnen worden.

In bijzondere gebieden is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Dit geldt ook voor de beschermde gezichten, zoals het Lauradorp. Daar besteed de welstandsnota van Landgraaf ook aandacht aan de inrichting van de openbare ruimte en met name ook aan de overgang van privé naar openbare ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0070.png"

Afbeelding 3.20: welstandsgebieden in de gemeente Landgraaf (bron: Welstandsnota uit 2013)

3.4.6 Duurzaam en energiebewust bouwen

De gemeente Landgraaf streeft nadrukkelijk naar duurzame (nieuw)bouw waarbij ook het energieverbruik zoveel mogelijk wordt teruggedrongen. Bij nieuwbouwontwikkelingen dient minimaal voldaan te worden aan de eisen op grond van het Bouwbesluit. Bij afgifte van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal hieraan worden getoetst.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Archeologie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Hiermee wordt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen geregeld: 'de verstoorder betaalt'.

De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed:

  • Monumentenwet 1988 (deels);
  • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten;
  • Wet tot behoud van cultuurbezit;
  • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied;
  • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen;
  • Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

De gemeente Landgraaf beschikt over archeologisch beleid. Op basis hiervan wordt bepaald of voor een nieuwe ontwikkeling archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Met dit onderzoek wordt dan bepaald of in een gebied de archeologische resten aanwezig zijn die beschermd moeten worden.

In 2007 heeft een archeologisch onderzoeksbureau in opdracht van de Parkstad Limburg gemeenten een Archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart opgesteld (RAAP-rapport 1483). Deze Archeologische Verwachtingskaart voor de gemeente Landgraaf is op 18 september 2008 door de gemeenteraad vastgesteld, samen met de hieraan gekoppelde ondergrenzen voor de archeologische onderzoekplicht. De Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart 2008 en de hieraan gekoppelde ondergrenzen zijn de afgelopen jaren een zeer doeltreffend instrument geweest bij de invulling van het archeologiebeleid. Deze kaart is nu geactualiseerd in 2014.

Op 10 februari 2015 heeft de gemeente de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Landgraaf 2014 vastgesteld. Deze kaart vormt een actualisatie van de op 18 september 2008 vastgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Hiermee heeft de gemeente verwoord op welke wijze rekening gehouden dient te worden met mogelijke archeologische waarden en monumenten in de ondergrond van de gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0071.png"

Afbeelding 4.1: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Landgraaf 2014

Erfgoedverordening 2015

Gelet op de actualisatie van het archeologiebeleid door het vaststellen van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart 2014 en andere actualisaties heeft de gemeente op 10 februari 2015 de Erfgoedverordening 2015 vastgesteld. De in de Erfgoedverordening 2010 geïmplementeerde en in de Erfgoedverordening 2015 voortgezette instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond van het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met archeologische waarden en het behoud daarvan.

Het archeologiebeleid wordt verankerd in bestemmingsplannen en beheers- verordeningen. Elke gemeente heeft de wettelijke verplichting om bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd.

Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart en de daarbij behorende tabel “Ondergrenzen Archeologisch onderzoeksplicht Parkstad” wordt beoordeeld of ten behoeve van een bepaalde ontwikkeling nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Bij grond verstorende activiteiten wordt op basis van deze kaart een advies uitgebracht door een ter zake bevoegde deskundige over de aard van het uit te voeren archeologische onderzoek. Dit kan een bureaustudie zijn eventueel gecombineerd met een inventariserend onderzoek. Indien er sprake is van archeologische waarden die als waardevol worden aangemerkt heeft de gemeente verschillende mogelijkheden. In de eerste plaats kan de gemeente bestemmingen kiezen die goed samengaan met de archeologische waarden. Ten tweede kan de gemeente voorschriften aan de vergunning verbinden. Ten slotte kan een gemeente ook afzien van verdere planvorming.

De archeologische verwachtingskaart kent de navolgende waarden met grenzen onderzoeksplicht:

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0072.png"

Afbeelding 4.2: schema ondergrenzen archeologische onderzoeksplicht

Categorie 1. Rijksmonumenten: terreinen van zeer hoge waarde, wettelijk beschermd 

Bij categorie 1 gaat het om de wettelijk beschermde archeologische Rijksmonumenten. Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet vereist. Voor de andere hieronder beschreven categorieën worden in de planregels bij het bestemmingsplan richtlijnen vastgelegd waaraan bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning, projectafwijkingsbesluit of ontheffing getoetst wordt of er een onderzoekplicht bestaat.

Categorie 2. Terreinen van zeer hoge waarde

Bij categorie 2 gaat het om de terreinen van zeer hoge waarde. Bij ingrepen op deze terreinen geldt 100 m² als ondergrens. Alleen bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een verstoringsoppervlakte groter dan 100 m² zijn onderzoeksplichtig. Binnen deze categorie vallen tevens de cirkels van 50 meter rondom een archeologische vindplaats. In categorie 2 zijn ook de AMK-terreinen opgenomen. AMK-terreinen zijn terreinen van zeer hoge archeologische waarde, hoge archeologische waarde, archeologische waarde of archeologische betekenis en zijn net als de archeologische Rijksmonumenten terug te vinden op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) die de Rijksdienst opgesteld heeft.

Categorie 3. Gebieden met een hoge verwachtingswaarde

Bij categorie 3 gaat het om gebieden met een hoge verwachtingswaarde. Alleen bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m² zijn onderzoeksplichtig.

Categorie 4. Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde

Bij categorie 4 gaat het om gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde. Alleen bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een verstoringsoppervlakte groter dan 2.500 m² zijn onderzoeksplichtig.

Categorie 5. Gebieden met een lage verwachtingswaarde Bij categorie 5 gaat het om gebieden met een lage verwachtingswaarde. Alleen bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een verstoringsoppervlakte groter dan 10.000 m² zijn onderzoeksplichtig.

Categorie 6. Geen verwachtingswaarde

Bij categorie 6 gaat het om gebieden zonder archeologische verwachtingswaarde. Alle bodemingrepen zijn vrijgesteld van onderzoeksplicht.

De van toepassing zijnde categorieën van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Landgraaf 2014 zijn op de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen door middel van de dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Voorliggend bestemmingsplan heeft de volgende dubbelbestemmingen:

  • Waarde – Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde);
  • Waarde – Archeologie 3 (Gebieden met een hoge verwachtingswaarde);
  • Waarde – Archeologie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde);
  • Waarde – Archeologie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde);
  • Waarde – Archeologie 6 (Geen verwachtingswaarde).

Zie tevens paragraaf 5.3.2.

Beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen. Er vindt dan ook geen bodemverstoring plaats die enig effect kan hebben op de archeologie binnen de gemeente Landgraaf. In het bestemmingsplan is het vigerende beleid ten aanzien van archeologie verankerd door middel van de een archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor beschermde archeologische monumenten. Bouwen dan wel aanleggen in dergelijke gronden is niet zonder meer mogelijk.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.

4.1.2 Cultuurhistorie

Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. 

De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Erfgoedwet zijn aangewezen.

Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen erop neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0073.png"

Afbeelding 4.3: rijksmonument aan de Grensstraat 87 (hoeve met binnenplaats) - (bron: Rho adviseurs)

Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid

Het beleid van de gemeente Landgraaf voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedverordening. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van Rijksmonumenten. Binnen Landgraaf is geen gemeentelijke monumentenlijst van kracht. De bescherming wordt geboden via panden op de rijksmonumentenlijst, bestemmingsplannen en speciale beleidsplannen.

Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de omgevingsverordening van Limburg en op de Cultuurhistorische waardenkaart. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken, objecten, lijnen (zichtlijnen en wegen) en complexen van cultuurhistorisch belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0074.png"

Afbeelding 4.4: uitsnede uit provinciale Cultuurhistorische waardenkaart (bron provinciale viewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0075.png"

Afbeelding 4.5: uitsnede uit de erfgoedkaart van Limburg (bron: erfgoedkaartlimburg.nl)

Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de Limburgse omgevingsverordening

Met bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). De provincie Limburg heeft in de omgevingsverordening bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Het ontstaan en de naam van Lauradorp

Lauradorp is een woonkern in het noordoostelijke deel van de gemeente Landgraaf. Het dorp werd tegen het oude agrarische dorp Waubach aangebouwd, vandaar dat Lauradorp ook vaak Waubach werd en wordt genoemd. Van Lauradorp is sprake sinds ca. 1925. Het begint allemaal met de winning van steenkool te Eygelshoven. In 1899 werd te Brussel de Société des Charbonnages Réunis Laura et Vereeniging s.a. opgericht. De nieuwe onderneming, met als eerste president de Belgische militair en ondernemer Albert Thys, ging in het Nederlandse Eygelshoven de mijn Laura exploiteren. De naam Laura was ontleend aan de echtgenote van de Duitser Anton Wackers, een van de eerste concessiehouders. Na Wereldoorlog I (1914-1918) nam de vraag naar steenkool enorm toe. Daardoor kon Laura & Vereeniging in 1921 een tweede mijnzetel in aanbouw nemen, eveneens in Eygelshoven. Deze mijn werd naar de vrouw van Albert Thys genoemd: Julia.

Het nieuwe dorp

Voor het personeel van de nieuwe mijn moest huisvesting gecreëerd worden. Laura & Vereeniging (L&V) pakte dat grootscheeps aan. In de gemeente Ubach over Worms, tussen het dorp Waubach en de buurtschap Groenstraat in, werd een compleet nieuw dorp gebouwd: het dorp van Laura & Vereniging, Lauradorp dus. In 1925 kwam de bouw goed op gang. Maar rond 1931, toen pas de helft van de geplande 1.000 woningen was opgeleverd, stagneerden de bouwactiviteiten. De wereldwijde economische crisis deed de vraag naar steenkool sterk afnemen. L&V kon geen geld meer steken in de verdere bouw van haar dorp. Bovendien was dat voorlopig ook niet nodig, want veel mijnwerkers, vooreerst de buitenlanders, kregen ontslag. Zij moesten elders werk zoeken, als gevolg waarvan er tussen 1931 en 1937 sprake was van grote woningleegstand. In 1933 begon de bouw van de H.H. Theresia- en Don Boscokerk, die in 1934 werd ingewijd. Pas na 1945 kon Lauradorp worden afgebouwd. Er kwamen een kleine 500 woningen bij en nu konden ook de eerder geplande winkelpanden worden gebouwd (aan het kerkplein). Met de bouw, in 1956, van een Gemeenschapshuis rondde L&V het project Lauradorp af.

Beschermd dorpsgezicht Lauradorp

Het Lauradorp is gebouwd buiten de dorpskern van Ubach over Worms en omvat ruim 500 woningen en verschillende maatschappelijke voorzieningen. Het Lauradorp is in de jaren twintig (1926-1931) van de twintigste eeuw speciaal voor de huisvesting van mijnwerkersgezinnen ontworpen als een groene, intieme wijk met een ambachtelijke, decoratieve architectuur. Het "Limburgs" dorp stond centraal voor het ontwerp van de ruimtelijke structuur voor het Lauradorp. In 2008 is Lauradorp aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht. Met de verkoop van de woningen aan de bewoners is de eenheid van architectuur en openbaar gebied deels verloren gegaan door de vele individuele aanbouwen en erfafscheidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0076.png"

Afbeelding 4.6: situering van het beschermd Dorpsgezicht Lauradorp

Tuindorp

Het eigenlijke typisch tuindorp ontstond tussen 1927 en 1931 aan de hand van architect J. Drummen uit Brunssum. Op zijn tekentafel ontstaat Lauradorp. In 1931 stagneerden de bouwactiviteiten. Pas de helft van de geplande 1.000 woningen was opgeleverd. Door de wereldwijde economische crisis nam de vraag naar steenkool sterk af. De mijn kon geen geld meer steken in de verdere bouw van haar dorp. Bovendien was dat voorlopig ook niet nodig, want veel mijnwerkers, vooreerst de buitenlanders, kregen ontslag. Zij moesten elders werk zoeken en daardoor kwamen tussen 1931 en 1937 veel woningen leeg te staan. In 1934 werd de kerk gerealiseerd. Rond 1935 stond bijna de helft van de woningen leeg. Dat duurde tot 1937, toen de economie weer aantrok. Pas na 1945 kon Lauradorp worden afgebouwd. Er kwamen zo'n 450 woningen bij en in het begin van de vijftiger jaren kwamen ook de eerder geplande winkels tot stand (aan het kerkplein) en ook een Gemeenschapshuis, dat aanvankelijk "Huis Lauradorp" genoemd werd. In 2008 kreeg Lauradorp de eretitel van Beschermd Dorpsgezicht. In 2010 is in Lauradorp een monument geplaatst dat herinnert aan het mijnverleden. Het monument werd gemaakt door beeldend kunstenaar Marianne van der Bolt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0077.png"

Afbeelding 4.7: foto van het monument ter herinnering aan het mijnverleden (bron: Rho adviseurs)

Het moderne mijnwerkersdorp van Drummen geldt als een schoolvoorbeeld van goed bouwen. De woningen tellen slechts één bouwlaag onder steile zadeldaken met oranje pannen. Gegroepeerd in blokjes van twee tot twaalf, bepalen ze het dorpse karakter. Bovendien is de buurt opvallend groen. Alle woningen hadden een diepe achtertuin en een kleine voortuin; aan de beplanting, de afscheidingen en hekjes werd veel aandacht besteed. De erkers van de hoekhuizen werden voorzien van stenen bloembakken. Diverse boomsoorten, struiken en bloembedden sieren het straatbeeld. Ook aan de beplanting van de diepe achtertuinen is veel aandacht besteed.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0078.png"

Afbeelding 4.8: foto van een woning uit het tuindorp (bron: Rho adviseurs)

Beoordeling

In het plangebied zijn rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en/of beeldbepalende panden/objecten gesitueerd waarmee in dit bestemmingsplan rekening wordt gehouden. Tevens is er sprake van een beschermd dorpsgezicht.

4.2 Natuur

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb). De Wnb bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wnb voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

4.2.1 Gebiedsbescherming

Ten aanzien van flora en fauna dient in eerste instantie rekening gehouden te worden met gebiedsbescherming. Deze bescherming geschiedt op basis van de oorspronkelijke Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 2005 zijn hierin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden opgenomen als Natura 2000-gebieden.

Het hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhouding)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Voor de Natura 2000-gebieden zijn vanuit het Rijk instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;
  • de provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen. De provincie Limburg heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan voor Limburg. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Daarnaast staan in het beheerplan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Het Natura 2000-gebied 'Brunssumerheide' (542 ha) ligt ten noodwesten van het plangebied op circa 1 kilometer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0079.png"

Afbeelding 4.9: Natura 2000-gebied gesitueerd in de nabijheid van de gemeente Landgraaf (bron: viewer Atlas van de leefomgeving)

Als door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd;
  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee;
  • alle Natura 2000-gebieden;
  • De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen.

Het Nationaal Natuurnetwerk van het Rijk (geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ 1990) is op provinciaal niveau vastgelegd. In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. Deze zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg.

De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. De zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel deel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Limburg de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken.

De gemeente Landgraaf maakt gedeeltelijk onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gedeelten van de EHS maken onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Wet natuurbescherming centraal staat. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Binnen de gemeente liggen een aantal gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (EHS), zie de onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0080.png"

Afbeelding 4.10: NNN (donkergroen) en groenblauwe mantel (lichtgroen) binnen de gemeente Landgraaf (bron: viewer provincie Limburg)

Beoordeling

Geen van de NNN-gebieden binnen de gemeente Landgraaf zijn gesitueerd in het plangebied. In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het plan betreft een consoliderend bestemmingsplan en heeft geen effect op NNN-gebieden gesitueerd buiten het plangebied.

4.2.2 Soortenbescherming

Naast gebiedsbescherming is de soortenbescherming van belang. De soortbeschermings- regeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in de Wnb, voorheen de Flora- en faunawet. In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het besluitgebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Flora- en faunawet geen ontheffing zal worden verleend.

Soortenbescherming

Het hoofdstuk "Soorten" heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden boven op de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen.

Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

  • vogels met een jaarrond beschermde nestplaats;
  • overige inheemse broedvogels;
  • soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn;
  • nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling;
  • nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Beoordeling flora en fauna

Door voorafgaand aan een (bouw)project of ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met het eventueel voorkomen van beschermde en/of zeldzame planten- en diersoorten kan effectief worden omgegaan met de aanwezigheid van een beschermde soort.

In onderhavige bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het plan betreft een consoliderend bestemmingsplan en leidt niet tot het verstoren of beschadigen van beschermde plant- en/of diersoorten. Uiteraard blijft de algemene zorgplicht ten alle tijden gelden.

4.2.3 Stiltegebied

Binnen het plangebied ligt geen stiltegebied. Grenst wel ten dele aan het stiltegebied. Het stiltegebied omvat het besluitvakgebied van de beheersverordening Rimburg en buitengebied Noord-Oost. De gemeenteraad heeft deze beheersverordening vastgesteld op 23 november 2023.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0081.png"

Afbeelding 4.11: afbeelding van stiltegebied Hellingsbos en plateau Rimburg binnen de gemeente Landgraaf (bron: viewer provincie Limburg)

4.3 Milieu

4.3.1 Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.

Bodemkwaliteit

Het (industriële) verleden van Landgraaf heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Landgraaf om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van bouwvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn de gegevens van alle bekende bodemonderzoeken opgenomen.

Op diverse locaties in Landgraaf zijn verontreinigingen aangetroffen, het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen het plangebied dan ook niet bekend.

Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, hoeft er geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerd te worden; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Boringsvrije zones en waterwingebieden

Het plangebied ligt in zijn geheel niet in een boringsvrije zone of waterwingebied, zodat hierdoor geen beperkingen van toepassing zijn.

De provincie Limburg kent een aantal bodembeschermingsgebieden. In deze gebieden wordt gestreefd naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige - en bijzondere - biotopische, a-biotopische en cultuurhistorische waarden stellen. Voor de bodembeschermingsgebieden is een beschermingsregeling, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg, van toepassing.

Het grondgebied van de gemeente Landgraaf is niet gesitueerd in de Roerdalslenk, de Venloschol en/of het bodembeschermingsgebied Mergelland.

Beoordeling

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt dan ook geen nieuwe functies of bodemingrepen mogelijk vergeleken met de vigerende planologische regelingen. In geval van nieuwe activiteiten kan het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld bij het aanvragen van sommige vergunningen en bij het afvoeren van vrijkomende partijen grond.

Het aspect bodem vorm géén belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.3.2 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 vormt het aspect luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer de basis voor de besluitvorming in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Omdat titel 5.2 van de Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'.

Op basis van deze Wet luchtkwaliteit gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdings- gebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

De kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreiniging- componenten stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

Niet in betekenende mate' (NIBM)

De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

  • woningbouwlocaties die niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties die niet meer dan 3.000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en
  • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Als een ontwikkeling valt binnen het 3% criterium (kleinere netto toename van het aantal woningen minder en/of gelijk aan 1.500) hoeft geen luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd te worden.

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

Besluit 'gevoelige bestemmingen'

Op 16 januari 2009 is het besluit 'gevoelige bestemmingen' in werking getreden. Met deze AMVB wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.

Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10) en/of voor stikstofdioxide (NO2). Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw. Wel wordt eenmalig een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaarden- tehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

Beoordeling

Dit plan betreft een actualisatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Daarom kan gesteld worden dat er geen sprake is van een "in betekende mate" project, zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Het plan maakt geen nieuwe gevoelige bestemmingen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk. Gelet op het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.3.3 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies:

  • ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Een (buitenwettelijk) toetsingskader voor milieuzonering wordt geboden door de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

Op basis van deze uitgave kan worden bepaald in hoeverre de inrichtingen en bedrijven beperkend kunnen zijn voor het tot stand brengen van een goed woon- en leefmilieu in hun omgeving. In de uitgave zijn per (milieu)categorie bedrijvigheid richtafstanden genoemd welke kunnen worden aangehouden teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Er worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk';
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand.

In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is ook de ‘Voorbeeldstaat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging’ opgenomen. Deze staat van bedrijfsactiviteiten wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen en/of andere gevoelige functies. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid, die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie bepaald met behulp van de op deze situaties toegesneden toelatingscriteria. Bij functiemengingsgebieden kan onder andere worden gedacht aan dorpskernen, winkelcentra en horecaconcentratiegebieden.

Categorie B1 bedrijven zijn bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan. Deze activiteiten zijn zodanig weinig milieubelasting dat deze in dit gebied mogelijk zijn. Daarnaast worden de (inpandige) activiteiten uitgevoerd in een gebouw dat bouwkundig afgescheiden is van andere woningen / andere gevoelige functies. Derhalve bestaan geen belemmeringen tegen de mogelijkheid om ter plaatse de genoemde bedrijfsactiviteit uit te voeren.

Verder zijn nog diverse nutsvoorzieningen binnen het plangebied aanwezig.

Beoordeling

In of nabij het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig welke conform de richtafstanden uit de uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een belemmering kunnen vormen. Evenmin zijn er bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig waar milieuruimte wordt beperkt.

Dit plan betreft een actualisatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Daarom kan gesteld worden dat het aspect milieuzonering in voldoende mate is gewaarborgd in onderhavig bestemmingsplan.

4.3.4 Geluid

De Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de situatie met betrekking tot geluid in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:

  • wegverkeerslawaai;
  • railverkeerslawaai;
  • industrielawaai;
  • luchtvaartlawaai.

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet.

4.3.4.1 Wegverkeerslawaai

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:

  • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.

Diverse wegen om en in het plangebied zijn zone-plichtige wegen in het kader van de Wet geluidhinder. De zone voor deze wegen bedraagt in buitenstedelijk gebied:

  • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Dit betekent dat bij het oprichten van een gevoelige bestemming binnen deze zone altijd een akoestisch onderzoek is vereist, waarbij voldaan dient te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0082.png"

Afbeelding 4.12: de geluidbelasting kaart m.b.t de meest belastende verkeerswegen in het plangebied (bron: viewer van de provincie Limburg)

In het plangebied zijn meerdere wegen aanwezig waar de maximaal toegestane snelheid 50 km/uur of meer is. Voor dergelijke wegen geldt een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. Binnen deze zones dient bij de ontwikkeling van een geluidsgevoelig object (zoals een woning) onderzoek te worden gedaan naar de geluidbelasting ter plaatse van het object.

Beoordeling

Onderhavig bestemmingsplan is een consoliderend bestemmingsplan en voorziet niet in nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen. Een toetsing aan de Wet geluidhinder alsmede een toetsing aan 'een goede ruimtelijke ordening' zijn derhalve niet aan de orde. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering. Onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.4.2 Railverkeerslawaai

Het lawaai van railverkeer is vastgelegd op een geluidskaart. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwbouwwoningen ligt op 55dB en de maximaal toelaatbare waarde is 68dB.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0083.png"

Afbeelding 4.13: de geluid belasting kaart m.b.t het spoorweglawaai in het plangebied (bron: viewer van de provincie Limburg)

Beoordeling

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd. Een toetsing aan de Wet geluidhinder alsmede een toetsing aan 'een goede ruimtelijke ordening' zijn derhalve niet aan de orde. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering. Onderzoek of een nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.4.3 Industrielawaai

Op industrieterreinen kunnen inrichtingen geluidhinder veroorzaken. Deze industrieterreinen hebben een geluidszone waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

In de gemeente Landgraaf of directe omgeving is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering. Onderzoek of een nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.4.4 Luchtvaartlawaai

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet.

Er liggen geen geluidszones behorende bij een luchtvaartterrein met vliegtuiglawaai over het plangebied of in de directe nabijheid. Het aspect luchtvaartlawaai vormt geen belemmering. Onderzoek of een nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk.

Beoordeling

Onderhavig bestemmingsplan is een consoliderend bestemmingsplan en voorziet niet in nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen. Een toetsing aan de Wet geluidhinder alsmede een toetsing aan 'een goede ruimtelijke ordening' zijn derhalve niet aan de orde. Het aspect luchtvaartlawaai vormt geen belemmering. Onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals bijvoorbeeld omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn c.q. komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. De risico's voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar, dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risico contouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico.

Het GR betreft de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt middels een verantwoordingsverplichting. Het beleid inzake externe veiligheid is gericht op de beheersing van risico’s voor de omgeving. De volgende bronnen kunnen daarbij een rol spelen:

  • 1. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
  • 2. het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen, wegen en spoorwegen);
  • 3. het gebruik van luchthavens.
  • 4. vuurwerkopslagplaatsen;
  • 5. opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR. Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risico normering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb moet zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Zelfredzaamheid bij calamiteit

De mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid verschillen per maatgevend scenario. Bij elke calamiteit is snel reageren echter gewenst. De volgende maatregelen zijn c.q. worden getroffen in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid ter plaatse:

  • De populatie in de woonbebouwing zal bestaan uit bewoners waarvan het grootste deel in hoge mate zelfredzaam zijn. Voor de minder zelfredzame personen in bijvoorbeeld verzorgingstehuizen is er sprake van 24-uurs begeleiding.
  • Er zijn bluswatervoorzieningen in de directe omgeving van de plan locatie aanwezig.
  • Voor de bluswatervoorziening wordt gebruik gemaakt van brandkranen in de directe omgeving die zijn aangesloten op het drinkwaterleidingnet.
  • Alarmering en ontruiming op de locatie en omliggend gebied kan plaatsvinden via WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en een alarmering via de telefonische dienst NL-Alert.
  • De plan locatie is te bereiken via een eigen toegang. Er is geen sprake van een toegangsafsluiting.
  • Het buitenterrein en de openbare weg is groot genoeg om brandweervoertuigen te kunnen opstellen. Er zijn geen belemmeringen op de plan locatie of directe omgeving aanwezig die de doorstroming en bereikbaarheid van de plan locatie beperken.
  • Met bewoners zal actief worden gecommuniceerd over hoe te handelen bij brand en calamiteiten. Tevens worden instructies op papier verstrekt hoe te handelen bij brand en calamiteiten.
  • Gebouwen voldoen aan de eisen ten aanzien van brandwerendheid en brandpreventie en beschikt over een brandweeringang overeenkomstig het Bouwbesluit.

4.3.5.1 Inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Dit besluit heeft tot doel de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Onderstaand een uitsnede van de kaart 'inrichtingen gevaarlijke stoffen' in en in de directe nabijheid van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0084.png"

Afbeelding 4.14: inrichtingen met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied en directe omgeving (bron: Atlas van de leefomgeving)

Beoordeling

De huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid wijzigt niet als gevolg van dit bestemmingsplan, aangezien geen nieuwe ontwikkelingen zijn opgenomen. Risicoafstanden zijn vastgelegd in besluiten (zoals bij Lpg-stations). Is het nodig de risicoafstand te bepalen met een berekeningsresultaat dan gaat het om de afstand tot waarop het individueel (plaatsgebonden) risico de waarde van 10-6 heeft (of 10-5, afhankelijk van de omstandigheden).

Binnen het bestemmingsplan is slechts 1 risicovol bedrijf gesitueerd, het benzineservicestation met LPG (Shell) aan de Nieuwenhagerheidestraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0085.png"

Afbeelding 4.15: het benzine servicestation (Shell) aan de Nieuwenhagerheidestraat (bron: Rho adviseurs)

In de huidige situatie is geen sprake van buiten de wettelijke grenzen vallende overlast van dit bedrijf. De bedrijfsactiviteiten zijn door middel van de milieuregelgeving en de verstrekte milieuvergunningen afgestemd op de milieugevoelige functies in de omgeving. Daar onderhavig bestemmingsplan niet rechtstreeks voorziet in nieuwe ontwikkelingen is onderzoek naar hinder door de aanwezige bedrijvigheid niet uitgevoerd. Binnen PR 10-6 contour is het niet toegestaan nieuwe kwetsbare objecten op te richten.

Er zijn verder geen vuurwerkopslagplaatsen en opslagplaatsen met ontplofbare stoffen voor civiel gebruik dan wel overige noemenswaardige inrichtingen in het plangebied of directe omgeving aanwezig die van invloed zijn op dit plan of waarvoor planologische bescherming in dit bestemmingsplan nodig is.

4.3.5.2 Transport gevaarlijke stoffen

Het vervoer van gevaarlijke stoffen leidt tot risico's voor de omgeving. Er is daarom beleid opgesteld om te komen tot een afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving.

Buisleidingen

In het plangebied lopen geen risicovolle leidingen gelegen welke vallen onder werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Een hogedruk gastransportleiding is wel buiten het plangebied gesitueerd langs de provinciale weg N299. Het invloedsgebied behorende bij deze leiding ligt gedeeltelijk binnen het plangebied. Het betreft echter een bestaande situatie en het aanwezige groepsrisico wordt aanvaardbaar geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0086.png"

Afbeelding 4.16: transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen binnen het plangebied en directe omgeving (bron: Atlas van de leefomgeving)

Transport over de weg

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg vormt een risico in het kader van de externe veiligheid. Bij de ontwikkeling van plannen rond deze transportwegen moet met de aanwezigheid van externe veiligheidsrisico's rekening worden gehouden en dienen de vereiste afstanden tot kwetsbare bestemmingen te worden aangehouden.

Binnen het plangebied of directe omgeving vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over een weg plaats.

Transport gevaarlijke stoffen spoorlijn

Binnen het plangebied of directe omgeving vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over een spoorlijn plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0087.png"

Afbeelding 4.17: transport van gevaarlijke stoffen over een spoorlijn op ruime afstand van het plangebied (bron: Atlas van de leefomgeving)

Transport gevaarlijke stoffen water

Binnen het plangebied of directe omgeving vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over een vaarweg plaats.

Beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Omdat geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegevoegd c.q. gerealiseerd in het plangebied vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen verdere belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan

4.3.6 Geurhinder
4.3.6.1 Agrarisch

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.

Beoordeling

De gemeente Landgraaf heeft géén eigen geurbeleid opgesteld. Het aspect geur (agrarisch) vormt geen belemmering in onderhavig bestemmingsplan. Onderzoek of een nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.6.2 Industrieel

Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn:

  • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
  • als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe;
  • de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Limburg heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven. De gemeente Landgraaf heeft geen eigen geurbeleid opgesteld voor industriële bedrijven.

Beoordeling

Het aspect geur (industrieel) vormt geen belemmering in onderhavig bestemmingsplan. Onderzoek of een nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.7 Overige hinderaspecten
4.3.7.1 Straling

Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. Dit advies wordt als beleidsuitgangspunt gehanteerd. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0088.png"

Afbeelding 4.18: bovengrondse hoogspanningsleidingen - 150Kv (bron: Atlas van de leefomgeving)

Beoordeling

Op enige afstand van het plangebied zijn 150 kv-hoogspanningslijnen gesitueerd. Deze transportlijnen hebben geen invloed op de bestaande functies en objecten in het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Het uitvoeren van nader onderzoek of een nadere beschouwing naar straling is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.7.2 Spuitzones

Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen/fruitteelt en andere gewassen in de open lucht wordt geteeld en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen, verblijfsrecreatie en/of (horeca)terrassen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming (c.q. gevoelige objecten). Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel (op basis van constante jurisprudentie). Het is echter een indicatieve afstand. Dat wil zeggen, er kunnen omstandigheden aanwezig zijn op basis waarvan hiervan kan worden afgeweken. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat er een onderzoeksplicht of er sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van voornoemde afstand rechtvaardigen. De in acht te nemen afstand in verband met de verwaaiing van spuitvloeistof (drift) is onder meer afhankelijk van de toxiciteit (aard en omvang) van het gewasbeschermingsmiddel, de spuittechnieken die door de teler worden toegepast, de hoogte van de bomen/struiken, de feitelijke afstand van de bomen/struiken tot de gevoelige functie, de rijsnelheid bij machinale bespuiting, de windsnelheid en windrichting alsmede de aanwezigheid van een blad houdende beplanting ter afvang van door drift verplaatste stoffen.

Beoordeling

Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het uitvoeren van nader onderzoek of een nadere beschouwing naar 'drift' is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.7.3 Trilling

Voor een gemeente is het van belang om rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast daarvan. Als er bij het vaststellen van een bestemmingsplan sprake is van een trillingsbron(nen), is het belangrijk om rekening te houden met de mogelijke overlast hiervan, dit in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Beoordeling

In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van een onderzoek of nadere beschouwing naar trilling is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.7.4 Lichthinder

In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. het uitvoeren van nader onderzoek naar trilling is niet noodzakelijk.

Mens en dier kunnen last hebben van licht (kunstmatige verlichting), zoals dit voorkomt bij (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. De effecten van kunstmatige verlichting zijn te onderscheiden in 3 soorten, te weten: hinder voor de mens, hinder/verstoring voor de natuur en horizonvervuiling. De mate van hinder hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Dit is afhankelijk van de omgeving en aan de leefwijze van mens en dier.

Het Activiteitenbesluit regelt lichthinder en de bescherming van het donkere landschap grotendeels met de zorgplicht. Voor assimilatiebelichting bij glastuinbouw en voor verlichting van sportterreinen gelden wel voorschriften.

Daarnaast beschermt de Wet milieubeheer de duisternis en het donkere landschap. Het beschermen van de duisternis en het donkere landschap valt daarmee ook onder de zorgplicht. Het bevoegd gezag kan met de zorgplicht maatregelen of voorzieningen voorschrijven. Dat kan alleen, als de inrichting in een aangewezen gebied ligt. Dat wil zeggen: een gebied waarvoor het bevoegd gezag eisen heeft opgesteld om de duisternis of het donkere landschap te beschermen

Beoordeling

Lokaal binnen het plangebied is sprake van licht afkomstig van lokaalverkeer, stedelijke bewoning, bedrijven en/of instellingen en sportcomplexen. In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt, het betreft een bestaande situatie. Het uitvoeren van onderzoek of een nadere beschouwing naar lichthinder is derhalve niet noodzakelijk.

4.3.8 Milieueffectrapportage

Wettelijk kader

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient nagegaan te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. Uit de toelichting op het Besluit m.e.r. en jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang, locatie en de milieugevolgen van de voorziene ontwikkeling een rol spelen.

In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte of meer, of in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare.

Beoordeling

Dit bestemmingsplan richt zich op het vastleggen van de bestaande situatie met betrekking tot de functionele en ruimtelijke structuur. Er worden met onderhavig bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Gelet op de kenmerken van het project (consoliderend bestemmingsplan) in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is er geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het besluit MER en behoeft er geen m.e.r.-procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen te worden.

4.4 Water

4.4.1 Watertoets

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de voor de waterhuishouding van belang zijnde invloeden van de herontwikkeling van het projectgebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de voor de waterhuishouding van belang zijnde invloeden van de herontwikkeling van het projectgebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.

4.4.2 Waterbeheerplan

Het besluitgebied valt onder het Waterbeheerplan 2016-2021 en onder het beheerplan Waterkeringen 2017-2022 Waterschap Limburg. Het Waterbeheerplan is het centrale beleidsplan van het waterschap. Het bevat de beleidsvoornemens voor de komende planperiode. Het is een plan op hoofdlijnen dat voortvloeit vanuit de vele beleidskaders die Europa, het Rijk en de provincie Limburg stellen. Het bevat de doelstellingen van de watersystemen en waterketen in Limburg.

Om de beleidstaken uit te voeren beschikt het waterschap over verschillende instrumenten. De belangrijkste hiervan zijn de Keur met bijbehorende legger.

4.4.3 Keur van het Waterschap Limburg

Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van het Waterschap Limburg van toepassing.

Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende legger als kaart), De Keur is een waterschapsverordening die gedoogplichten, gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De keur omvat regels die gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij watergangen (beken en regenwaterbuffers), waterkeringen (kaden en dijken) en kunstwerken zoals duikers. De regels geven duidelijkheid over wat wel en wat niet mag voor mensen die langs het water, wonen of die in, op of aan het water, een waterkering of een waterstaatswerk een activiteit willen uitvoeren. De Keur stelt alleen regels voor oppervlaktewateren die niet behoren tot de wateren waarvoor het rijk verantwoordelijk is. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-VG01_0089.png"

Afbeelding 4.19: kernzone wateren in de gemeente Landgraaf (bron: legger Waterschap Limburg)

De breedte van de beschermingszones rond de primaire hoofdwatergangen varieert, afhankelijk van de situatie rond de watergang of de regenwaterbuffer. De beschermingszone heeft behalve voor het handhaven van de bereikbaarheid als 'nevenfunctie' om eventuele toekomstige herinrichtingen of verbeteringen (capaciteitsvergroting) mogelijk te houden.

4.4.4 Waterhuishoudkundige situatie

De binnen gemeente aanwezige primaire watergangen en overige watergangen worden als 'Water' bestemd. De bij de aanwezige primaire watergangen beschermingszone wordt overeenkomstig de legger van het waterschap opgenomen als 'Waterstaat - Waterlopen'.

Binnen het plangebied zijn watergangen met daarbij behorende beschermingszones gesitueerd.

4.4.5 Wateradvies

Dit bestemmingsplan zal worden voorgelegd aan het waterschap Limburg, waarna eventuele reacties van het waterschap in het plan worden verwerkt.

4.4.6 Grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied

In waterwingebieden wordt voor de drinkwatervoorziening grondwater gewonnen. Aantasting van de milieukwaliteit ten gunste van economische functies, bedrijfsactiviteiten met een hoog risico voor de drinkwaterwinning, nieuwe woon- en bedrijfsbebouwing (inclusief uitbreiding) en nieuwe spoor- en waterwegen zijn niet toegestaan. Het waterwingebied is geregeld in de Omgevingsverordening Limburg.

De grondwaterbeschermingsgebieden moeten garanderen dat het grondwater een zodanige kwaliteit behoudt (of krijgt) dat het geschikt is voor de drinkwatervoorziening. De grondwaterbeschermingsgebieden zijn van een zodanige omvang dat de waterwinningsputten minimaal 25 jaar zijn beschermd tegen een mogelijke verontreiniging. Het grondwaterbeschermingsgebied is eveneens in de Omgevingsverordening Limburg geregeld. Hierin zijn specifieke regels opgenomen voor de (nieuw)vestiging of uitbreiding van diverse soorten inrichtingen of constructies en voor het (verbod op het) gebruik of vervoer van diverse (schadelijke) stoffen.

In dit bestemmingsplan zijn geen waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden gelegen

Beoordeling

In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het plan betreft een consoliderend bestemmingsplan. Het plan heeft dan ook geen gevolgen voor de waterhuishouding binnen de gemeente Landgraaf en er zijn geen belangen van het waterschap in het geding (zie paragraaf 8.1).

4.5 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen een aantal relevante planologische kabels en leidingen waarmee rekening dient te worden gehouden. Het betreffen buisleidingen die gevaarlijke stoffen transporteren.

Ter waarborging van een veilig en bedrijfszeker gastransport en het beperken van gevaar voor goederen en personen in de directe omgeving, is wettelijk bepaald dat het voldoende is om de belemmeringenstrook van de leidingen in dit bestemmingsplan te beperken tot een zone van 4 meter ter weerszijden van deze leidingen.

Binnen de belemmeringenstrook mag geen bebouwing worden opgericht. Deze afstand is als zodanig met een dubbelbestemming 'Leiding' opgenomen op de verbeelding en in de regels. Bebouwing is wel mogelijk na afwijking, waarbij vooraf door de leidingbeheerder toestemming moet zijn verleend.

Beoordeling

Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het uitvoeren van nader onderzoek ten aanzien van de bescherming van leidingen is derhalve niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Planopzet

5.1 Planvorm

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van gronden en gebouwen in het plangebied van bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach'. Het bestemmingsplan is uitsluitend gericht op het beheer van de bestaande situatie en heeft daarom een conserverend karakter.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en daarop betrekking hebbende planregels de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVBP2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening als verplichte opbouw is opgenomen.

Het bestemmingsplan bestaat formeel uit een verbeelding en regels. Deze gaan vergezeld van een toelichting waarin het plan en de daaraan ten grondslag liggende beleidsmatige afwegingen zijn verwoord. De indeling van de regels is hierna beknopt en artikelsgewijs aangegeven. De planvorm betreft een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan heeft een uniek IDN-nummer.

5.2 Verbeelding

Het bestemmingsplan bevat een verbeelding met daarop aangegeven de (dubbel)bestemmingen op een topografische/kadastrale ondergrond. Het bestemmings- plan is opgebouwd conform het Handboek Bestemmingsplannen van de Gemeente Landgraaf dat is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), zoals gepubliceerd door het (toenmalige) ministerie van VROM, en de op 1 oktober 2012 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening (Wro).

De verbeelding is getekend op een gecombineerde digitale kadastrale ondergrond en een GBKNondergrond, schaal 1:1000. Op de verbeelding zijn aangegeven:

  • de grens van het plangebied;
  • de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden;
  • dubbelbestemmingen;
  • bouwvlakken;
  • bouwaanduidingen;
  • overige aanduidingen waarnaar in de regels wordt verwezen.

De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleur op de verbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Voor de benaming, kleur en vorm van de bestemming zijn de richtlijnen voor digitalisering en standaardisering van bestemmingsplannen overgenomen (SVBP 2012).

Dubbelbestemmingen betreffen met name een beheersregeling, dan wel aanvullend beleid op de onderliggende bestemming. Meestal gaat het hier om van toepassing zijnde zoneringen of sectoraal beleidsaspecten.

Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen de voornaamste gebouwen opgericht mogen worden. In het bouwvlak moet het hoofdgebouw gesitueerd worden en mogen bijgebouwen gebouwd worden. Binnen de gemeente wordt het bouwvlak niet binnen de bestemming 'Wonen' gebruikt. Binnen deze bestemming wordt met een bouwaanduiding bepaald welke type woningen is toegestaan en in de regels wordt de situering van hoofdgebouwen verbaal bepaald. De bestaande situatie is hierbij uitgangspunt. Specifieke bouwregels zijn verbaal in de planregels opgenomen. Overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte bepaling is opgenomen.

5.3 Opzet van de planregels

Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de modelregels van de gemeente.

De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.

De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 - Algemene regels

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.3.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat een eerste artikel met begripsbepalingen. In het tweede artikel is de wijze van meten opgenomen, waarin wordt aangegeven hoe bij toepassing van de planregels wordt gemeten. In beide artikelen is, conform de SVBP2012, een aantal standaard- begrippen en een aantal standaard meetwijzen opgenomen en is aansluiting gezocht bij de modelregels van de gemeente Landgraaf.

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd en van belang zijn voor toepassing van het plan. Getracht is zoveel mogelijk van toepassing zijnde begrippen op te nemen. Daar waar geen begripsbepaling is opgenomen dient aangesloten te worden bij hetgeen daaronder onder het normale spraakgebruik wordt verstaan. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe bij toepassing van de planregels wordt gemeten, zoals de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden.

5.3.2 Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn artikelsgewijs de regels behorende bij de specifieke bestemming neergelegd. De artikelen zijn opgezet volgens een vast stramien (conform SVBP 2012). Bij de aanwijzing van de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen geldt dezelfde structuur, en wel de volgende:

  • Bestemmingsomschrijving: hierin is bepaald voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd, met andere woorden voor welke gebruik zijn de gronden bedoeld.
  • Bouwregels: in deze bepaling is aangegeven aan welke maatvoeringseisen (goothoogte, bouwhoogte en dergelijke) de bebouwing binnen de betrekkende bestemming moet voldoen en welke bebouwing is toegestaan.
  • Nadere eisen: hierin wordt de mogelijkheid geboden tot het stellen van nadere eisen ten behoeve van het algemene belang.
  • Afwijken van de bouwregels: de mogelijkheid om bij een omgevingsvergunning af te wijken ten aanzien van bouwregels.
  • Specifieke gebruiksregels: in de bestemmingsregeling is in bepaalde situaties expliciet aangegeven welk gebruik in ieder geval in strijd wordt geacht met de aan de gronden gegeven bestemmingsplan. Een dergelijk gebruiksverbod is een nadere invulling van het algemene gebruiksverbod zoals opgenomen in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  • Afwijken van de gebruiksregels: hierin wordt de mogelijkheid geboden om bij een omgevingsvergunning af te wijken ten aanzien van de gebruiksregels.
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: deze bepaling geeft aan voor welke werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist.
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk: werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor slopen vereist is.
  • Wijzigingsbevoegdheid: deze bevoegdheid houdt de mogelijkheid in om af te wijken ten aanzien van bepalingen in het bestemmingsplan.
5.3.3 Bestemmingen

In voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen:

Artikel 3 Agrarisch

Binnen de bestemming 'Agrarisch' is het beleid gericht op een ongewijzigd agrarisch gebruik van de thans reeds als zodanig in gebruik zijnde gronden.

Op agrarische gronden nabij de Vogelzankweg/Verlengde Stenenkruisweg is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ('wetgevingszone - wijzigingsgebied 1') waar de agrarische bestemming gewijzigd kan worden naar de bestemming 'Wonen', 'Water' en/of 'Natuur'.

Artikel 4 Agrarisch-Agrarisch bedrijf

Deze bestemming is van toepassing op het agrarisch perceel gesitueerd aan de rand van het plangebied aan de Kloosterstraat 35. Op het perceel is het bestaande agrarisch bedrijf met bedrijfsbebouwing (loods) en agrarische bedrijfswoning planologisch vastgelegd.

Artikel 5 Bedrijf

Het beleid is erop gericht om bestaande bedrijven positief te bestemmen. Vestiging van nieuwe bedrijven is slechts toegestaan tot milieucategorie 2. De bijgevoegde bedrijvenlijst geeft allen mogelijke bedrijven weer. In de regeling is daarnaast aangegeven dat bestaande bedrijven mogelijk zijn.

Een bedrijfswoning is alleen toegestaan indien deze ter plaatse reeds aanwezig is, bij deze percelen is een aanduiding opgenomen. Binnen de bedrijfswoning zijn, net als bij reguliere woningen, mogelijkheden om bedrijvigheid aan huis uit te voeren mits aan de daaraan gekoppelde voorwaarden wordt voldaan. Voorzien is een wijzigingsregeling teneinde de bestemming te wijzigen in een woonbestemming. Deze regeling kan enkel gebruikt worden bij de percelen waar reeds een bedrijfswoning aanwezig is en kan niet leiden tot een toename van woningaantallen. Aan deze regeling is een ruime termijn, namelijk vijf jaar, gekoppeld. Indien binnen deze termijn geen aantoonbare bedrijfsactiviteit wordt verricht dan kan van deze bevoegdheid gebruik gemaakt worden.

Voor de bestemming 'Bedrijf' is het bouwvlak afgestemd op de bestaande afmetingen van de aanwezige bedrijven, e.e.a. zoals aangegeven op de verbeelding. Daarbij is aangegeven welke goothoogte geldt en welk bebouwingspercentage.

Artikel 6 Bedrijf -Nutsvoorziening

Binnen de bestemming 'Bedrijf-Nutsvoorzieningen' is het beleid gericht op behoud van de bestaande functie. Nutsvoorzieningen zijn te allen tijde nodig voor een goede distributie van energie en dergelijke in een gebied. Daartoe behoren voorzieningen van de schaal van schakelkasten tot verdeelstations. In het plangebied zijn diverse transformatorhuisjes gelegen van een dergelijke schaal dat dit niet meer als ondergeschikt bouwwerk gekenschetst kan worden. Hieraan is derhalve een aparte bestemming 'Bedrijf – Nutsvoorziening' toegekend, waarbinnen uitsluitend dergelijke voorzieningen zijn toegestaan. Het bouwvlak Voor de bestemming 'Bedrijf – Nutsvoorziening' is het bouwvlak afgestemd op de bestaande afmetingen van de transformatorhuisjes. Dit bouwvlak mag volledig worden bebouwd. De bouwhoogte mag maximaal 4,5 meter bedragen.

Artikel 7 Centrum

Dit gebied is bedoeld als centrum met een diversiteit aan voorzieningen met wonen. Het betreft het gebied gesitueerd aan en tussen de Korte Hovenstraat/Hovenstraat /Schoolstraat en Kerkstraat. Hier ligt het zwaartepunt van de winkelvoorzieningen (inclusief supermarkten) in het plangebied. Een diversiteit van functies is mogelijk.

Artikel 8 Gemengd

Deze bestemming is van toepassing op de locatie Abdissenlaan 82-82E in het plangebied, waar verschillende functies naast elkaar zijn toegestaan op de planlocatie in het bedrijfsverzamelgebouw ter plaatse.

Artikel 9 Groen

Structureel groen dient behouden te blijven in het plangebied. Hieraan is in het bestemmingsplan de bestemming 'Groen' toegekend. Binnen deze bestemming ligt de nadruk op groen en groenvoorzieningen, maar zijn tevens fiets- en voetpaden toegestaan, alsmede doeleinden van openbaar nut als ondergeschikte doeleinden. Ook wordt ruimte geboden aan waterhuishoudkundige voorzieningen. Bebouwing Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij kan gedacht worden aan straatverlichting, bankjes en overig straatmeubilair, speelvoorzieningen, hekwerken en dergelijke.

Artikel 10 Horeca

Deze bestemming is gelegd op de bestaande solitair gelegen horecavestigingen in het plangebied. De horecavestigingen die als zodanig zijn bestemd, betreffen voorzieningen zijnde (eet)café, fast-foodvestiging en/of restaurant, inclusief bestaand wonen op de verdieping.

Artikel 11 Maatschappelijk

Maatschappelijke voorzieningen in de woonomgeving zijn onmisbaar. In het plangebied zijn twee scholen aanwezig is waaraan deze bestemming is toegekend. Deze bestemming biedt ruimte om diverse maatschappelijke voorzieningen te realiseren. Ook (sport)verenigingen (zoals een gymnastiek club) kunnen gebruik maken van deze percelen. Kinderopvang behoort ook tot de mogelijkheden (bestaande uit naschoolse en voorschoolse opvang, maar ook kinderopvang gedurende de dag).

Binnen deze bestemming mogen gebouwen worden opgericht, uitsluitend binnen het bouwvlak. Daaraan is een goothoogte en bebouwingspercentage gekoppeld. De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht.

Artikel 12 Maatschappelijk - Religie

Deze bestemming is afgestemd op de bestaande kerken, gebedshuzien alsmede begraafplaatsen. De bestemming is toegespitst op de ter plaatse aanwezigebebouwing.

Artikel 13 Sport

Het in het plangebied gesitueerde sportcomplex in het Park ter Waerden is ondergebracht in deze bestemming. Het betreft omvangrijk complex aan de noord-oostzijde van Waubach bestaande uit een sporthal, sportvelden, tennisvelden en een atletiekbaan. De bebouwingsregeling is afgestemd op de ter plaatse toegestane bouwwerken en voorzieningen.

Artikel 14 Verkeer

Verkeervoorzieningen zijn noodzakelijk in verband met de verkeersafwikkeling van het gebied. Wegen worden gebruikt voor doorgaand verkeer en voor de ontsluiting van het gebied. Het beleid is primair gericht op:

  • a. De voorzieningen voor het bewegend en stilstaand wegverkeer hebben de prioriteit boven de andere genoemde doeleinden. De nuts-, groen- en infiltratievoorzieningen nemen een ondergeschikte plaats in qua situering en omvang.
  • b. Bebouwing is uitsluitend toegestaan ten dienste van de verkeersfunctie. Daarnaast zijn ook kunstobjecten mogelijk.

Artikel 15 Wonen

De bestemming 'Wonen' is de meest voorkomende bestemming binnen het plangebied. Het beleid voor deze bestemming is gericht op de onderstaande punten:

  • 1. Ten aanzien van de onderlinge afstemming van de verschillende doeleinden gelden de volgende bepalingen: - centraal in deze bestemming staat het streven naar behoud en versterking van de woonfunctie; hiermee in strijd zijnde ontwikkelingen moeten worden voorkomen. Er wordt een beheer gevoerd dat binnen de daarvoor beschikbare financiële middelen gericht is op de optimalisering van het woonklimaat; de detailhandelsdoeleinden en praktijkruimten zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding toegestaan. Elders in deze bestemming zijn deze functies niet toegestaan; - daar waar is aangegeven dat ter plaatse van een specifieke gebruiksfunctie deze is uitsluitend daar is toegestaan, wordt bedoeld dat het betreffende perceel niet voor de overige gebruiksfuncties in aanmerking komt. - parkeren dient in eerste instantie op eigen terrein opgelost conform de gemeentelijke normen. In de bijlage van de regels is een overzicht met deze parkeernormen opgenomen.
  • 2. Bestaande woningen worden voorzien van een redelijke uitbreidingsmogelijkheid ter realisering van een naar de eisen van de tijd redelijk wooncomfort. Daarbij wordt behoud van de herkenbaarheid als vrijstaande, twee aaneen, aaneengesloten, bungalow of gestapeld nagestreefd. Toevoeging van nieuwe woningen is niet toegestaan. Ook de splitsing van woningen dan wel kamerverhuur is niet mogelijk. Herbouw van een woning is wel mogelijk. Indien een perceel de aanduiding ‘maximumaantal wooneenheden = 0’ kent dan is op dat betreffende perceel geen woning mogelijk.
  • 3. De uitoefening van aan huis gebonden beroepen of bedrijven bij de woningen wordt toegelaten, onder de voorwaarden dat:
  • niet meer dan 1/3 deel van het bruto vloeroppervlak van de woning met aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen voor de uitoefening van de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten en de daarbij behorende opslag mag worden gebruikt, tot een maximum van 60 m²;
  • geen detailhandel of groothandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • geen horeca-activiteiten mogen plaatsvinden; - op de activiteiten geen vergunning- en of meldingsplicht van toepassing is op grond van de Wet milieubeheer en/of andere milieuwetgeving;
  • degene die de activiteiten in de woning uitvoert, tevens de bewoner van die woning dient te zijn. Deze persoon mag worden ondersteund door hoogstens één andere persoon, niet de bewoner zijnde. Deze laatstgenoemde ondersteunende andere persoon mag de activiteit niet zelfstandig ter plaatse uitoefenen; - de noodzakelijke parkeervoorzieningen ten gevolge van de activiteit op eigen terrein worden gesitueerd conform de normen zoals opgenomen in de ‘Parkeernota Landgraaf 2008, d.d. 4 december 2007';
  • geen opslag ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit op de onbebouwde grond mag plaatsvinden;
  • geen reclame-uitingen groter dan 0,5 m² ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit bij of aan de woning zijn toegestaan. Daarbij geldt dat alle voorwaarden zijn geënt op het behoud van de woonfunctie en ter voorkoming van de aantasting daarvan en het voorkomen van overlast naar de woonomgeving. Door de genoemde voorwaarden wordt gewaarborgd dat de ruimtelijke uitstraling van de woning die van een woonhuis blijft.
  • 4. Onderscheid in de bouwmogelijkheden naar hoogte, oppervlak en situering leidt niet tot onderscheidt in de gebruiksmogelijkheden. De gebruiksmogelijkheden van de onderscheiden bouwmogelijkheden worden niet beperkt, voor zover sprake is van normaal gebruik in relatie tot de woonbestemming.
  • 5. Binnen het plangebied is het niet toegestaan om bestaande woningen te splitsen of in bestaande bebouwing een extra woning te realiseren. Met een omgevingsvergunning kan hiervan onder voorwaarden voor woningsplitsing afgeweken worden. Nieuwe woningen mogen alleen worden opgericht daar waar een onbenutte bouwmogelijkheid geldt dan wel een bestaande woning wordt vervangen door een nieuwe woning.
  • 6. Het is toegestaan om een gedeelte van het hoofdgebouw, maximaal 80 m², te gebruiken voor mantelzorg. Daarbij mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden en bedrijven. Tevens dient de noodzaak te worden aangetoond en dienen de voorzieningen bij beëindiging van de inwoning verwijderd te worden.
  • 7. Het gebruik van de gronden voor kampeermiddelen is mogelijk in het achtererfgebied en achter het hoofdgebouw. De voorgevel Bij grondgebonden woningen is aan de voorzijde van een woning een gevellijn aangeduid. Hoofdgebouwen, concreet de woningen, dienen in of evenwijdig aan de gevellijn gesitueerd te worden. Met de bouwaanduiding ‘twee-aaneen, ‘aaneengebouwd’, ‘specifieke bouwaanduiding – bungalow’ en ‘vrijstaand’ wordt bepaald welk soort bebouwing achter de voorgevel is toegestaan. Daarbij mogen woningen tot niet dieper dan 13,00 meter uit de voorgevel worden uitgebreid. In uitzondering hierop bedraagt voor vrijstaande woningen die afstand maximaal 17,00 meter. Als bovengrens geldt dat niet meer dan 50% van het bouwperceel dat bij de woning bebouwd mag worden, uitgezonderd daar waar iets anders is aangegeven.

Bijgebouwen

Per bouwperceel mag de oppervlakte aan aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen maximaal 70 m² bedragen of bij percelen groter dan 1.000 m2 maximaal 130 m2. Het perceel mag daarbij tot maximaal 50% bebouwd worden uitgezonderd bij patiowoningen en bungalows. Daar mag het perceel tot maximaal 70% bebouwd worden. Bijgebouwen die binnen een afstand van 13,00 of 17,00 meter achter de voorgevel worden gebouwd, tellen niet mee bij het bepalen van de totale oppervlakte aan vierkante meters bijgebouwen. Buiten het ‘gevellijnvlak’ mag dus 70 m2 of 130 m², rekening houdende met de in deze paragraaf opgenomen voorwaarden, aan bijgebouwen worden gebouwd. Bijgebouwen dienen minimaal 3,00 meter achter de gevellijn te worden gebouwd.

Bij vrijstaande woningen mag het bijgebouw aan één zijde in de perceelsgrens worden gebouwd en aan de andere zijde dient een afstand van ten minste 2,50 meter uit de perceelsgrens te worden aangehouden, behoudens wanneer het bijgebouw op meer dan 25 meter uit de voorgevel is gelegen.

Bij aaneengebouwde of twee-aaneen woningen dient een bijgebouw in de zijdelingse perceelsgrens of minimaal 2,50 meter uit deze grens te worden gebouwd. In geval van een hoeksituatie dient zowel voor vrijstaande, aaneengebouwde of twee-aaneen woningen minimaal een afstand van 2,50 m tot de zijdelingse perceelsgrens in acht genomen te worden genomen.

Een garage/carport valt ook onder bovenstaande bijgebouwenregeling. Echter geldt hiervoor een aanvullende voorwaarde. Een garage/carport dient op een afstand van minimaal 5,00 meter uit een bestemming ‘Verkeer’ gebouwd te worden.

Artikel 16 Wonen - 2

Deze bestemming is van toepassing op de locatie aan de Reeweg 71/Bernadettelaan 1. Het betreft de voormalige Sint-Bernadette kerk met pastoriegebouw in Abdissenbosch. Deze gebouwen met bijbehorende gronden krijgen een woonbestemming ten behoeve van de realisatie van 10 wooneenheden (in de bestaande bebouwing) met een nader aangeduide zone op het perceel waar bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden.

Artikel 17 Wonen - Garageboxen

De binnen het plangebied gelegen garageboxen zijn opgenomen in de bestemming 'Wonen – Garageboxen', vanwege het specifieke gebruik en de specifieke bebouwingseisen, welke afwijken van hetgeen wenselijk is op privé-erven.

Binnen deze bestemming mogen gebouwen worden opgericht in de vorm van garageboxen. Deze dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht, wat volledig bebouwd mag worden. Er gelden specifieke bouwregels.

Artikel 18 Wonen - Uit te werken

Deze bestemming is van toepassing op onbebouwde gronden aan de Vogelzankweg. Ter plaatse is de ontwikkeling van een nieuw woongebied voorzien met ten hoogste 50 woningen.

Artikel 19 - Leiding

Ter plaatse van het directe ruimtebeslag van de ondergrondse en bovengrondse leidingen alsmede de bijbehorende beschermingszone worden activiteiten, die het bedrijfszeker en -veilig functioneren van deze leidingen kunnen schaden, geweerd. Daarom worden beperkingen opgelegd aan de mogelijkheden tot bebouwing en gebruik van de grond, die tot beschadiging van de leidingen kan leiden.

Artikel 20 - Waarde - Archologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde)

Deze bestemming is toegekend aan de gronden waar op basis van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart sprake is van een zeer hoge waarde, categorie 2. Op deze gronden geldt ter bescherming van de archeologische waarden een bouwverbod. Dit verbod is niet van toepassing indien de verstoringsdiepte niet meer dan 40 centimeter onder maaiveld bedraagt en de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² bedraagt. Andere uitzonderingen op dit verbod gelden voor bebouwing ten behoeve van archeologisch onderzoek en de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, mits de bestaande fundering weer wordt gebruikt en de bestaande oppervlakte niet wordt vergroot. Van het bouwverbod kan middels het verlenen van een omgevingsvergunning worden afgeweken als op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld, er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad, de schade door bouwactiviteiten beperkt kan worden door voorschriften aan de vergunning te verbinden, dan wel indien door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. Deze voorschriften kunnen de verplichting inhouden om technische maatregelen te treffen om de archeologische waarden in de bodem te behouden. Maar ook om opgravingen te doen of de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Tevens wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden. Het archeologisch onderzoek dient te worden aangeleverd door de aanvrager van de omgevingsvergunning. Daarnaast geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden ter de bescherming van de archeologische waarden. Alleen als op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, de archeologische waarden niet worden verstoord of dat deze voldoende kunnen worden beschermd door voorschriften aan de vergunning te verbinden, kan de omgevingsvergunning worden verleend. De voorschriften betreffen hetzelfde soort voorschriften als die aan een omgevingsvergunning voor een afwijken van het bouwverbod kunnen worden verbonden. Uitgezonderd van de vergunningplicht zijn onder meer werken en werkzaamheden die behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden, die het archeologisch onderzoek betreffen, die niet dieper reiken dan 40 cm onder het bestaande maaiveld of een oppervlakte hebben van niet meer dan 100 m², of die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend. Ook geldt er een sloopverbod. Van het sloopverbod kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning worden afgeweken als op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld, er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad, de schade door sloopactiviteiten beperkt kan worden door voorschriften aan de vergunning te verbinden, dan wel indien door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. De voorschriften betreffen hetzelfde soort voorschriften als die aan de andere omgevingsvergunning kunnen worden verbonden. Uitgezonderd van het sloopverbod zijn sloopwerkzaamheden ten behoeve van het archeologisch onderzoek, of indien de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² bedraagt of de verstoringsdiepte niet meer dan 40 centimeter bedraagt. Indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen waarden (meer) aanwezig zijn kunnen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen door de bestemming 'Waarde – Archeologie 2' te doen vervallen. Ook kunnen burgemeester en wethouders middels een wijziging van het bestemmingsplan een andere archeologische waarde toekennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming aanpassing behoeft.

Artikel 21 - Waarde - Archeologie 2 (gebieden met een hoge verwachtingswaarde)

Deze bestemming is toegekend aan de gronden waar op basis van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart sprake is van een hoge verwachtingswaarde, categorie 3. Binnen de bestemming 'Waarde – Archeologie 3' gelden dezelfde regels als in de bestemmingen 'Waarde – Archeologie 2', met dien verstande dat in de bestemming 'Waarde – Archeologie 3' een oppervlaktegrens geldt van 250 m².

Artikel 22 - Waarde - Archeologie 3 (gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde)

Deze bestemming is toegekend aan de gronden waar op basis van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvies kaart sprake is van een middelhoge verwachtingswaarde, categorie 4. Binnen de bestemming 'Waarde – Archeologie 4' (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde) gelden dezelfde regels als in de bestemmingen 'Waarde – Archeologie 2', met dien verstande dat in de bestemming 'Waarde – Archeologie 4' (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde) een oppervlaktegrens geldt van 2.500 m².

Artikel 23 - Waarde - Archeologie 4 (gebieden met een lage verwachtingswaarde)

Deze bestemming is toegekend aan de gronden waar op basis van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart sprake is van een lage verwachtingswaarde, categorie 5. Binnen de bestemming 'Waarde – Archeologie 5' (Gebieden met een lage verwachtingswaarde) gelden dezelfde regels als in de bestemming 'Waarde – Archeologie 2' (Terreinen van zeer hoge waarde), met dien verstande dat in de bestemming 'Waarde – Archeologie 5' een oppervlaktegrens geldt van 10.000 m².

Artikel 24 - Waarde - Archeologie 6 (gebieden met geen verwachtingswaarde)

De voor 'Waarde - Archeologie 6' (Geen verwachtingswaarde)' aangewezen gronden zijn enkel bestemd voor de andere daar voorkomende bestemming(en).

Wijzigingsbevoegdheid:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming 'Waarde - Archeologie 6' (geen verwachtingswaarde)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie archeologische waarden aanwezig zijn.
  • b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3, 4 of 5' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 25 - Waarde - Beschermd dorpsgezicht

Om de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kwaliteiten van het beschermd dorpsgezicht adequaat te kunnen beschermen is een dubbelbestemming opgenomen. In dit artikel zijn regels opgenomen voor wat betreft het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden op of in gronden binnen het beschermde gebied. De bepalingen gelden naast of in sommige gevallen in afwijking van de overige regels in het bestemmingsplan en gelden voor alle gronden gelegen binnen het beschermde dorpsgezicht, ongeacht de bestemming.

5.3.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. De regels zijn deels ingegeven door de verplichting vanuit paragraaf 3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) om deze bepalingen op te nemen in ieder bestemmingsplan. Het betreft de volgende regels:

Artikel 26 Anti-dubbeltelregel

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hiervoor een standaardbepaling (artikel 3.2.4) opgenomen. De antidubbeltelregel beoogt te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het bestemmingsplan. Deze regel zorgt ervoor dat gronden niet dubbel worden meegerekend bij het toestaan van bouwplannen.

Artikel 27 Algemene bouwregels

Deze regel bevat algemene bepalingen omtrent het overschrijden van onder andere bouwgrenzen en het bouwen in strijd met de bestemming.

Artikel 28 Algemene gebruiksregels

Hierin worden alle vormen van gebruik, die in strijd zijn met de aan de grond gegeven bestemming.

Artikel 29 Algemene aanduidingsregels

Het betreft de aanduidingen ten aanzien van geluid van industrie behorende bij het industrieterrein Abdissenbosch aan de Reeweg ('geluidzone - industrie) en de aanduiding verbonden aan het LPG-vulpunt ('veiligheidszone - LPG') behorende bij het benzineservice-station aan de Nieuwe Hagerheidestraat.

Artikel 30 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Hierin wordt bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan, zoals een algemene 10% afwijking van de in het plan opgenomen maatvoeringen

Artikel 31 Algemene wijzigingsregels

Hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders bevoegd zijn het plan te wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid heeft betrekking op het wijzigen van de plaats van de bestemmingsgrenzen, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van andere ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op de praktische uitvoering gerechtvaardigd is, respectievelijk indien de aanpassing aan de terrein- gesteldheid dit noodzakelijk maakt en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Tevens is een wijzigingsbevooegdheid opgenomen ten aanzien van de van toepassing zijnde parkeernormering binnen de gemeente Landgraaf.

Artikel 32 Algemene procedureregels

Algemene procedureregels: de procedureregel schrijft voor welke procedure gevolgd dient te worden bij het stellen van nadere eisen, het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan of bij wijziging van het bestemmingsplan.

Artikel 33 Overige regels

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan.

Dit artikel bevat voorrangsregels hoe te handelen bij eens strijdigheid tussen een dubbelbestemming en een enkelbestemming alsmede de regeling omtrent toepassing van parkeernormen bij ruimtelijke ontwikkeling.

5.3.5 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:

Artikel 34 Overgangsrecht

Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind.

Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk.

Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Artikel 35 Slotregel

De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Waubach'.

5.4 Bijlagen

Bij de regels zijn bijlagen opgenomen, te weten:

  • Bijlage 1: Toegesneden lijst van bedrijfstypen
  • Bijlage 2: Bedrijfsmatige en beroepsmatige activiteiten aan huis
  • Bijlage 3: Parkeernormering uit het GVVP
  • Bijlage 4: Lijst van bedrijfsactiviteiten - functiemenging

Bijlage 1 bevat een lijst met daarop weergegeven welke bedrijven gevestigd kunnen worden op de bedrijfsbestemming. Bijlage 2 geeft een overzicht van beroepen en bedrijven die vallen onder de bedrijfsmatige en beroepsmatige activiteiten aan huis. In bijlage 3 is de parkeernota van de gemeente Landgraaf opgenomen zoals die geldt bij vaststelling van het bestemmingsplan, daarin zijn ook de parkeernormen opgenomen. Bijlage 4 geeft weer welk bedrijf gevestigd kan worden ter plaatse van een hiertoe specifiek opgenomen aanduiding op de verbeelding.

Ook de toelichting bevat bijlagen. Het betreft de bijlagen 1 t/m 6 waarin de inventarisatie gegevens ten aanzien van het plangebied zijn opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan betreft een beheerplan (consoliderend bestemmingsplan). Het betreft de actualisatie van verouderde bestemmingsplannen/planologische regelingen. Dit heeft geen financiële consequenties.

In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij:

  • het kostenverhaal anderszins verzekerd is;
  • er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is;
  • er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.

In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwplan. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buiten-toepassingsverklaring van een beheersverordening zijn.

Beoordeling

Onderhavig bestemmingsplan betreft een consoliderend bestemmingsplan waarin de bestaande feitelijke planologische situatie wordt vastgelegd en is niet aan te merken als een 'bouwplan' in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Het betreft de actualisatie van verouderde bestemmingsplannen. Voor het plangebied wordt de bestaande situatie opnieuw geregeld. Er worden geen directe nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd. Aan dit bestemmingsplan hoeft derhalve geen exploitatieplan te worden gekoppeld. Dit bestemmingsplan heeft geen financiële consequenties, de economische uitvoerbaarheid is derhalve gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. De begrippen toezicht en handhaving definiëren wij als "elke handeling van de gemeente die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding daarvan te beëindigen".

Handhaving is erop gericht dat de geldende planregels worden nageleefd. De gemeente wil door middel van een helder en duidelijk geformuleerd beleid handhaven.

Handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit het oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden.

Handhaving van het ruimtelijke beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.1 Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders zorgdragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wro. Uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving geschiedt conform de gemeentelijke handhavingsstrategie, die opgenomen is in het gemeentelijk handhavingsbeleid.

Daarnaast vallen overtredingen van het bestemmingsplan onder de Wet op de economische delicten. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden genoemd onder gebruiksverbod en bouwverbod. Deze strafrechtelijke handhaving is in het leven geroepen om ernstige onomkeerbare gevolgen, zoals het afbreken van monumentale panden, te voorkomen.

Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregime gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben, wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is, hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt. Dit wordt bij het opstellen van het bestemmingsplan geïnventariseerd.

Reeds bij de totstandkoming van een bestemmingsplan dient terdege aandacht te worden besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Om een goed handhavingsbeleid mogelijk te maken moeten doelstellingen duidelijk aangegeven worden. Op basis van een risicoanalyse en aandachtspunten worden prioriteiten gesteld en wordt de handhavingsorganisatie zodanig ingericht dat gestelde doelen bereikt kunnen worden.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Met het oog hierop heeft de wet in de bestemmingsplanprocedure in ieder geval een aantal verplichte inspraakmomenten ingebouwd.
  • 2. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden als het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het bestemmingsplan. Uiteraard kan niet eenieder zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk.
  • 3. Inzichtelijke en realistische regeling. Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn. Dit houdt in: helder van opzet, niet onnodig beperkend of inflexibel en goed controleerbaar. De regels behoren dan ook niet meer dan noodzakelijk is te regelen.
  • 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien deze maatregelen achterwege blijven, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechts situatie is en of er bouw- en of gebruiksregels worden overtreden.

Door een inzichtelijk plan te maken is zoveel mogelijk evenwicht gezocht tussen de zeer diverse waarden die beschermd moeten worden, de verschillende ontwikkelingen die mogelijk zouden moeten zijn, de voorwaarden die daarbij dan gesteld moeten worden, en de afstemming met de beleidslijnen van bijvoorbeeld waterschap, provincie, etc.

Handhaving van gebruiks- en aanlegregels wordt algemeen als knelpunt ervaren. Om de handhaafbaarheid te bevorderen worden de aanwezige kwaliteiten zo specifiek mogelijk op de verbeelding weergegeven.

Hoofdstuk 8 Procedure

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

8.1.1 Algemeen

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1.2 Vooroverlegreacties

Rijksbelangen

Geconcludeerd kan worden dat bij het voorliggende bestemmingsplan geen rijksbelangen in het geding zijn. Derhalve is het ministerie in het kader van artikel 3.1.1 lid 1 van het Bro niet bij de planvorming betrokken.

Provinciale belangen

De provincie Limburg heeft in het kader van artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro de Provinciale interim-belangenstaat opgesteld. Dit is een lijst met diverse provinciale belangen die in het geding kunnen komen bij ruimtelijke plannen. Op basis van deze staat kan bepaald worden of het noodzakelijk is de provincie Limburg bij het vooroverleg te betrekken.

De betrokkenheid van de provincie bij het vooroverleg is noodzakelijk wanneer er provinciale belangen aan de orde zijn bij het ruimtelijke plan. De provincie geeft aan dat zij zich, minder dan voorheen, richten op het beoordelen van individuele ontwikkelingen met een lokaal karakter. Dat kunnen gemeenten het beste. Wel worden de gemeenten een aantal kaders meegegeven. Zo wordt via de Omgevingsverordening gevraagd om in de verantwoording van hun afweging aan te geven hoe ze met de ladder van duurzame verstedelijking en de voorkeur voor het herbenutten van leegstaande (cultuurhistorische en beeldbepalende) panden omgaan. En met de kernkwaliteiten van bronsgroene landschapszones of het Nationaal Landschap Zuid-Limburg.

Het plan is in overeenstemming met de provinciale belangen.

Waterschap Limburg

Met het voorliggende bestemmingsplan zijn geen waterschapsbelangen in het geding.

Overige instanties en besturen

In het kader van het voorliggende plan zijn geen belangen van andere besturen dan wel diensten in het geding. Het voeren van vooroverleg is derhalve niet aan de orde.

8.2 Inspraak / omgevingsdialoog

Sedert 2010 kent de gemeente Landgraaf een Inspraakverordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (zoals bij een bestemmingsplan). De inspraakverordening maakt het mogelijk dat recht wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en het gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Er bestaan namelijk alternatieven voor inspraak die beter recht doen aan het doel; het betrekken van inwoners. Deze verordening biedt de verplichting om inspraak te verlenen in gevallen dit wettelijk geregeld is (artikel 4, lid 1) en de mogelijkheid om daar waar inspraak niet wettelijk is voorgeschreven maatwerk toe te passen door inspraak te verlenen dan wel voor een alternatieve vorm van inspraak te kiezen (artikel 4, lid 2).

Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid bepaalt het college ten aanzien van bestemmingsplannen ex artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of inspraak wordt verleend (artikel 4, lid 3). Bij de procedure om te komen tot vaststelling van bestemmingsplannen is wettelijk reeds voorzien in diverse momenten waarop eenieder kan reageren. Afhankelijk van de omvang en reikwijdte van het bestemmingsplan kan inspraak of een alternatief voor inspraak overbodig zijn. Het college kan derhalve beoordelen of inspraak passend is.

Onderhavig bestemmingsplan betreft een consoliderend bestemmingsplan waarin de bestaande planologische situatie (geactualiseerd) wordt vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkeling met impact op de omgeving zijn in voorliggend bestemmingsplan niet voorzien. Mede hierdoor en vanwege het feit dat in het kader van de wettelijke procedure ex artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening reeds de mogelijkheid wordt geboden om vóór de vaststelling van het bestemmingsplan zienswijzen kenbaar te maken, wordt het verlenen van inspraak niet nodig geacht en wordt in deze situatie van inspraak afgezien.

8.3 Ambtshalve wijzigingen

Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn een beperkt aantal ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

Bij het plan is de 'Nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen' als bijlage 7 gevoegd.

8.4 Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024 ter inzage gelegen:

  • op www.ruimtelijkeplannen.nl via het IDN-nummer NL.IMRO.0882.BPSTEDGEBWAUBACH3-On01;
  • op de gemeentelijke website www.landgraaf.nl/ruimtelijke-plannen;
  • analoog (op papier) in te zien bij de publieksbalie van het Burgerhoes.

Kennisgeving van de ter inzagelegging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de editie van het Gemeenteblad van 13 december 2023 (nr. 533013) gepubliceerd.

Gedurende de termijn van ter inzage legging is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het bestemmingsplan kenbaar te maken.

Tijdens de tervisielegging is een zienswijzen ontvangen van de Gasunie. Naar aanleiding van deze zienswijze is er een aanpassing doorgevoerd op de verbeelding en in de planregels.

Bij het plan is de 'Nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen' als bijlage 7 gevoegd.