| Plan: | Spoorzone - deelgebied Lochtstraat |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | projectbesluit |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.PBS2009003-e001 |
De bescherming van natuurwaarden vindt plaats door middel van gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
Het deelgebied van de Spoorzone aan de Lochtstraat ligt niet in een Habitatrichtlijngebied of in de nabijheid of de invloedssfeer ervan. Bovendien gaat het om de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied van Tilburg, waardoor geen sprake is van significant negatieve effecten op het Habitatrichtlijngebied. Bescherming in het kader van de Habitatrichtlijn is dan ook niet aan de orde.
Daarnaast ligt het deelgebied niet in of nabij de Ecologische Hoofdstructuur of Groene Hoofdstructuur. Vanuit het bestaande rijks- of provinciale natuurbeleid rust dan ook geen planologische gebiedsbescherming op de locatie.
Tot slot ligt dit gebied niet in de Groene Mal. Vanuit het gemeentelijk natuurbeleid rust daarom ook geen planologische gebiedsbescherming op de locatie.
Soortenbescherming
In het kader van de Flora- en faunawet is in 2005 in het plangebied van de gehele Spoorzone onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van zwaluwen, uilen, vleermuizen en muurplanten (EAC, 2005). Uit dit onderzoek komt naar voren dat er geen broedlocaties van zwaluwen of uilen zijn vastgesteld. Wel is in het plangebied van de Lochtstraat een territorium van de zwarte roodstaart vastgesteld. Voor wat betreft vleermuizen is vastgesteld dat alleen de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger foeragerend in (de omgeving van) het plangebied aanwezig zijn. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Tot slot komt uit het onderzoek naar voren dat er geen muurplanten zijn aangetroffen.
Voor een juiste handelswijze ten aanzien van beschermde soorten is het van belang dat kort voor de start van de werkzaamheden een actuele opname plaatsvindt van de aanwezige beschermde soorten in het plangebied. Dit omdat de meest recente inventarisatie dateert van 2005. De 'houdbaarheid' van soortgegevens bedraagt tussen de 3 en 5 jaar, en is ondermeer afhankelijk van de aard van het gebied. In het plangebied worden geen grote veranderingen verwacht in aanwezige soorten, omdat het systeem vrij stabiel is (ter illustratie: in pioniersituaties kunnen op korte termijn veel nieuwe soorten opduiken of weer verdwijnen). Wel gaat het in het plangebied om streng beschermde soorten, waardoor zorgvuldigheid geboden is.
Er vanuit gaande dat vanaf 1 januari 2010 met het bouwrijp maken van het gebied wordt gestart, is het belangrijk dat zo snel mogelijk een actualisatie van de soortgegevens wordt uitgevoerd. Daarbij moet de aandacht uitgaan naar soorten uit de categorie 'streng beschermde soorten', met name binnen de soortgroep vleermuizen. Het onderzoek dient door een ter zake deskundige te worden uitgevoerd en voor wat betreft de vleermuizen conform het vleermuisprotocol.
Daarnaast dient inzichtelijk te worden gemaakt welke mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden t.a.v. de zwarte roodstaart.
Bovengenoemd aanvullende onderzoek is op 18 oktober 2009 uitgevoerd door Ecologisch Adviesbureau Cools in samenwerking met de Vleermuisstichting Noord-Brabant. Tijdens dit onderzoek is binnen het plangebied nog één foeragerende exemplaar van de gewone dwergvleermuis waargenomen nabij de groenzone langs de spoorlijn. Uit de gebouwen vliegende vleermuizen zijn niet waargenomen. Hoewel de temperatuur in oktober 2009 dermate laag was dat vleermuizen beduidend minder actief zijn, kan op basis van de veldbezoeken en de deskundigenervaring van de Vleermuisstichting Noord-Brabant worden geconcludeerd dat de gebouwen binnen het plangebied weinig geschikt zijn als vaste verblijfplaats van vleermuizen. Ondanks deze conclusie kan de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats (met name van de gewone dwergvleermuis) binnen het plangebied nooit worden uitgesloten, mede omdat het aanvullende onderzoek in 2009 slechts gebaseerd was op één bezoek in oktober. Bij de sloop van het gebouw moet de initiatiefnemer voorkomen dat onverhoopt aanwezige vleermuizen gewond of gedood worden (bijvoorbeeld door in het voorjaar of najaar te slopen). Wanneer bij de sloop eventueel aanwezige vleermuizen worden aangetroffen, moet een vleermuisdeskundige gevraagd worden de dieren te verplaatsen.
Om het foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger te kunnen behouden en vooral te optimaliseren is het wenselijk om hier en daar binnen het plangebied bomen aan te planten. Dit kunnen een aantal alleenstaande bomen zijn dan wel een rij van bomen. De verlichting in het plangebied dient ten behoeve van vleermuizen tot het uiterste worden beperkt en alleen in dienst staan van de veiligheid van de gebruikers van het plangebied. Door te kiezen voor armaturen die strooilicht zoveel als mogelijk voorkomen, kan de lichthinder wellicht worden beperkt.
Met betrekking tot de zwarte roodstaart kon geen aanvullend onderzoek worden gedaan, gezien de tijd van het jaar. Er mag echter worden aangenomen dat het in 2005 aangetroffen territorium ook in 2009 nog aanwezig was binnen het plangebied, omdat deze vogelsoort vaak terugkeert naar de plaats waar ze het jaar daarvoor hebben gebroed of in ieder geval in de omgeving van deze broedplaats. Bij de (herziene beoordeling van ruimtelijke ingrepen volgens de) Flora- en faunawet is de zwarte roodstaart opgenomen in categorie 5 van de Lijst van jaarrond beschermde vogelnesten. Tot categorie 5 behoren vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Nesten zijn jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is niet het geval, omdat binnen het plangebied eenvoudig mitigerende maatregelen kunnen worden genomen door het toepassen van 2 speciale neststenen in de bebouwing, respectievelijk in het westelijk en oostelijk deel van het plangebied op een afstand van minimaal 100 meter. Mitigerende maatregelen met betrekking tot het belangrijkste voedsel voor de zwarte roodstaart, te weten insecten en spinnen, kunnen bestaan uit de aanplant van diverse struiken en bomen.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het rapport 'Onderzoek naar vleermuizen en mitigerende maatregelen voor de zwarte roodstaart in het plangebied Lochtstraat te Tilburg' (EAC, oktober 2009) dat als bijlage is toegevoegd.
Tot slot is te allen tijde de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel en tevens nadelig zijn voor de flora en fauna achterwege dienen te blijven. In de praktijk betekent dit dat het kappen van bomen plaatsvindt buiten het broedseizoen en het slopen van gebouwen in het voor- of najaar.