direct naar inhoud van 3.3 Milieuparagraaf
Plan: Spoorzone - deelgebied Lochtstraat
Status: onherroepelijk
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.PBS2009003-e001

3.3 Milieuparagraaf

3.3.1 PlanMER beoordeling
3.3.1.1 Planmer Spoorzone

Ten behoeve van het bestemmingsplan Spoorzone is een planMER opgesteld en in procedure gebracht. In het bestemmingsplan is gemotiveerd hoe is omgegaan met de bevindingen in het planMER. Het volgende is daarover opgenomen in het bestemmingsplan Spoorzone.

De effecten van het (milieu)beleid van de gemeente Tilburg op het plangebied zijn duidelijk inzichtelijk gemaakt in het MER. De effecten op de luchtkwaliteit en de geluidsbelasting zijn uitgedrukt in Gezondheidseffectscreening(GES)-scores. Hierdoor wordt niet alleen getoetst aan wettelijke normen en grenswaarden, maar wordt - ook voor effecten onder de wettelijke grenswaarde - een genuanceerd beeld gegeven van de effecten op de gezondheid. Bovendien zijn de effecten van de verschillende aspecten beter met elkaar te vergelijken. Door met GES-scores te werken bij het aspect externe veiligheid, had ook voor dit milieuaspect een genuanceerder beeld gegeven kunnen worden.

In het MER valt op dat de milieubelasting in het plangebied, met name de geluidsbelasting van het railverkeer, op dit moment hoog is. De Commissie MER heeft opgemerkt dat alleen door voldoende aandacht te besteden aan een effectieve invulling van het gebied (zoals hoogbouw van niet-geluidgevoelige bestemmingen langs het spoor) en het treffen van mitigerende maatregelen het mogelijk is om de geplande woningbouw te realiseren.

Externe veiligheid in een GES is vrijwel altijd problematisch. Immers externe veiligheid heeft het over dodelijke slachtoffers en een GES of de impact op de gezondheid. Een GES zou geschikt kunnen zijn voor de effecten van een toxisch gas, omdat met nae voor dit type stof de effecten niet direct dodelijk hoeven te zijn. Echter door de analyse van het groepsrisico in de PlanMER en de uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vindt de gemeente dat veel aandacht is geschonken aan eventueel gehinderden en reeds verder gekeken is dan alleen dodelijke slachtoffers. Een GES voor externe veiligheid zou om deze redenen geen significante bijdrage leveren of de plannen wijzigen.

Het planMER resulteert niet in een eenduidige keuze voor een verkeersvariant. De verschillende varianten leveren voor de aspecten geluid (wegverkeer) en luchtkwaliteit vergelijkbare effecten op. Variant 3 heeft vanuit akoestisch oogpunt de voorkeur omdat deelgebieden Lochtstraat en Zwijssen dan slechts vanaf één zijde met geluid belast wordt. Het wordt hierdoor gemakkelijker om in dit gebied stille plekken te creëren. Door het opschuiven van de bebouwing naar het noorden door de zuidelijke ligging van de Noordlaan zal dit tevens een positief effect hebben op de hoogte van het groepsrisico (externe veiligheid). Vanuit verkeerskundig oogpunt gaat de voorkeur uit naar de Noordlaan als een doorgaande weg met een verkeersfunctie tussen NS-plein en Gasthuisring / Jan Heijnstraat, variant 1, alle andere varianten leiden tot problemen of op de Veldhovenring of op de Spoorlaan of op beiden. De betreffende aanvullende gegevens inzake de verkeerseffecten en de verkeersvarianten (alle varianten leiden tot acceptabele belastingen op de omliggende wegen - I/C-verhoudingen) zijn toegevoegd aan het planMER.

Conclusie is derhalve dat het planMER met de nog aangeleverde aanvullende gegevens als toereikend wordt beschouwd voor het bestemmingsplan Spoorzone. Ten behoeve van de uitwerking van de diverse deelgebieden zal steeds een projectMERbeoordeling gaan plaatsvinden.

3.3.1.2 Planmerbeoordeling deelgebied Lochtstraat

De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen voor het deelgebied Lochtstraat is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de 'bijzondere omstandigheden' genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op:

a. de kenmerken van de activiteit;

b. de plaats waar de activiteit plaatsvindt;

c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie);

d. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de

activiteit kan hebben.

Op grond van de informatie in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van het MERbeoordelingsrapport, dat als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

De locatie Lochtstraat is gelegen in een gebied met een hoge milieubelasting, met name veroorzaakt door het railverkeer (geluidsbelasting) en het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor (externe veiligheid). In het bestemmingsplan Spoorzone zijn randvoorwaarden opgenomen waarbinnen de locatie verder uitgewerkt moeten worden. Op deze manier zal binnen de locatie bestaande wettelijke kaders ontwikkeld worden. De locatie is niet gelegen in of in de nabijheid van gebieden met een bijzondere betekenis op mondiaal, Europees, nationaal, provinciaal of gemeentelijk niveau. De ontwikkeling van de locatie Lochtstraat veroorzaakt op zichzelf geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op de omgeving die door middel van een MER moeten worden uitgewerkt.

De gegevens die gebruikt zijn bij het opstellen van het planMER bij het bestemmingsplan Spoorzone zijn nog actueel en kunnen gebruikt worden voor de het de ruimtelijke onderbouwing voor het deelgebied Lochtstraat.

Voor die uitwerking geldt dat er voor de verschillende milieuonderzoeken nader onderzoek vereist is en op deze manier voldoende waarborgen geboden worden om tot een aanvaarbare ontwikkeling van het deelgebied te komen.

De conclusie is dat op grond van bovenstaande beoordeling het niet noodzakelijk is een MER op te stellen gekoppeld aan de besluitvorming over het het projectbesluit voor het deelgebied Lochtstraat.

In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de in het bestemmingsplan Spoozone verplicht gestelde nadere onderzoeken op gebied van externe veiligheid, geluid en luchtkwaliteit verwerkt. Voorts is ook een windonderzoek uitgevoerd en verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing.

3.3.2 Externe veiligheid

Algemeen

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen.

Beschrijving en ligging plan.

Het plangebied "Lochtstraat" ligt in Spoorzone-West. Daar waar de bestaande Binnenstad en De Werkplaats de hoogste binnenstedelijke dynamiek krijgen, wordt Spoorzone-West beschouwd als een entreegebied van de Binnenstad en de Spoorzone. In functioneel opzicht biedt Spoorzone-West ruimte aan onder andere kantoren, appartementen, en (al dan niet) commerciële functies in met name de plinten. Eén en ander eventueel aangevuld met andere functies, bijvoorbeeld maatschappelijke functies, onderwijs etc.

Spoorzone-West wordt uitgewerkt in verschillende deelgebieden, een van de deelgebieden omvat het plangebied "Lochtstraat".

Verantwoording

Op grond van artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is het vereist invulling te geven aan de verantwoordingsplicht bij het opstellen van een projectbesluit als het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor het groepsrisico ten gevolge van transportbronnen is de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen gepubliceerd. Ook deze circulaire kent het principe van de verantwoordingsplicht.

Werkwijze rondom het spoor

Al vroegtijdig is duidelijk dat externe veiligheid in dit plangebied een belangrijke rol speelt gezien de locatie van de Lochtstraat direct naast het spoor. Het spoor maakt onderdeel uit van het zogenaamde Brabantroute waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Tijdens het ontwikkelproces heeft de regionale brandweer en de plaatselijke brandweer deelgenomen en gestuurd op passende maatregelen om de veiligheid in dit gebied te bevorderen en bouwstenen aan te dragen voor de verantwoording.

De verantwoording voor de Lochtstraat, die als een bijlage is opgenomen, is gebaseerd op de risico's overeenkomstig de prognosecijfers van 2003. Hierbij is uitgegaan van meerdere soorten stoffen die getransporteerd worden dan in de prognosecijfers van 2003. Deze uitbreiding van stoffen, leidt tot meer scenario's van calamiteiten. Al deze mogelijke scenario's zijn meegenomen bij de verantwoording wat heeft geleid tot maatregelen en afspraken om de veiligheid rondom het spoor te optimaliseren.

Maatregelen en afspraken

Voor de nieuwbouw en het gebied tussen het spoor en de nieuwbouw zijn afspraken gemaakt met de ontwikkelaar waarmee de veiligheid geoptimaliseerd wordt. Daarnaast vindt er overleg plaats met het Rijk, Prorail en brandweer waar afspraken worden gemaakt rondom vervoer en veiligheidsmaatregelen.

3.3.3 Geluid

Het bouwplan ondervindt hoge geluidsbelastingen van het spoor Tilburg – Breda en van het wegverkeer op de omliggende wegen zijnde de Lochtstraat en de St.Ceciliastraat/Jan Heijnsstraat. De geluidsbe-lastingen zijn onderzocht. De resultaten zijn weergegeven in het akoestisch onderzoek van Movares met kenmerk MNO-VDD-090029864-versie 4.0 d.d. 8 december 2009, dat als bijlage is toegevoegd.

De haalbaarheid van diverse geluidmaatregelen is onderzocht. Na afwegingen blijken veel maatregelen vanuit stedenbouwkundig of financieel niet realiseerbaar. Wel uitgevoerd wordt het aanbrengen van geluidsarm asfalt bij reconstructie van de Lochtstraat en het plaatsen van galerijschermen van 1,80 m hoogte (geluidsreductie van tenminste 5 dB).

 Uit het onderzoek blijkt dat voor zowel weg- als railverkeer bij de realisatie van de maatregelen op het bouwplan overschrijdingen blijven plaatsvinden van de voorkeursgrenswaarde. Voor wegverkeer blijven de geluidsbelastingen onder de maximale ontheffingswaarde. Voor railverkeerslawaai worden een aantal maatregelen in het gebouw geïntegreerd. Deze maatregelen zijn omschreven in het akoestisch onder-zoek van Movares. Desondanks wordt bij een aantal appartementen de maximale ontheffingswaarde overschreden en moeten dove gevels worden toegepast. Voor de woningen met een geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde en onder de maximale ontheffingswaarde dient door het college een hogere waardebesluit te worden genomen.

In het hogerewaardebesluit zijn voorwaarden gesteld met betrekking aanwezigheid geluidsluwe gevel en buitenruimten en zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot de bepaling geluidwering in verband met cumulatie geluid.

3.3.4 Lucht

Vanaf augustus 2009 zijn de luchtkwaliteitsnormen in de Wet milieubeheer aangepast. De gemeente Tilburg neemt deel aan Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. De Spoorzone is in dit programma opgenomen als een in betekende mate project. Het plan hoeft dan ook niet meer individueel getoetst te worden aan luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de Wet milieubeheer bestaan er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Binnen het dit plan worden geen extra (lucht)gevoelige groepen geplaatst, waardoor geen aanvullend beleid van de gemeente Tilburg geldt.

3.3.5 Bodem

De locatie Lochtstraat maakt deel uit van de Spoorzone. In verband met de jarenlange bedrijvigheid zijn ter plaatse van een groot deel van de spoorzone bodemverontreinigingen ontstaan. Daarop is een grootschalig onderzoek naar bodemverontreinigingen uitgevoerd (Spoorzone Tilburg, Bepaling saneringkosten ten behoeve van herontwikkeling, 201970, Grontmij, 24 april 2006). Uit dit onderzoek is op te maken waar op en nabij de locatie grond en grondwaterverontreinigingen (zouden kunnen) zijn.

De mate waarin een bodemverontreiniging verwijderd moet worden, hangt af van de aard van aanwezige bodemverontreiniging en van de toekomstige inrichting van het terrein.

De bodemfunctie voor de Spoorzone is aangeduid als "Wonen". Dit betekent alleen grond met de kwaliteit "Wonen" aangebracht mag worden. De bestaande bodemkwaliteit wordt aangeduid als "Industrie".

In 2006 is een bodemonderzoek op de locatie uitgevoerd (Integraal Onderzoek Lochtstraat 4-16 te Tilburg, CBB 6060621, 29-9-2006). In het onderzoek zijn sterk verhoogde gehalten in grond en grondwater gemeten. Gevallen van ernstige bodemverontreiniging vereisen sanerende maatregelen.

In 2008 is door de gemeente onderzoek verricht in de openbare weg (Aanvullend Onderzoek Lochtstraat in Tilburg, TAUW 7 mei 2008). Hierbij is lokaal een matig verhoogde concentratie aan PAK in de grond aangetroffen.

Langs de ontwikkelingslocatie zijn lijnbronnen (voornamelijk slootdempingen) aanwezig die nog niet onderzocht zijn op bodemverontreiniging.

Uit onderzoek komt naar voren dat de Lochtstraat verdacht is voor asbest (Pilot Asbestkansenkaart gemeente Tilburg, Spoorzone en Kouwenberg/Rugdijk, Geofox Lexmond, 27 februari 2007, 20060231/SROI).

Relevante verontreinigingen omgeving.

Mobiele verontreinigingen uit de omgeving kunnen aangetrokken worden wanneer grondwater onttrokken gaat worden. De volgende relevante grondwaterverontreinigingen liggen binnen een straal van 100 meter van de Lochtstraat.

Hart van Brabantlaan 15 t/m 29: vluchtige chloorkoolwaterstoffen en zink.

Gasthuisring 58: vluchtige chloorkoolwaterstoffen aangetroffen.

Overig.

Voor het verkrijgen van een bouwvergunning is het van belang dat ter plaatse alle aanwezige bodemverontreinigingen in beeld moeten zijn. Als de bouw invloed heeft op een nabij gelegen bodemverontreiniging moet aangegeven worden hoe in het kader van de Wet bodembescherming hiermee om moet worden gegaan. Bodemonderzoeksrapporten mogen hierbij niet ouder zijn dan 5 jaar voor onverdachte locaties en 2 jaar voor verdachte locaties.

3.3.6 Windstudie

Er is een windtunnelonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de resultaten van dat uitgevoerde windtunnelonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • het windklimaat in de opening tussen de beide bouwdelen is beoordeeld: als slentergebied slecht, als loopgebied matig. Er wordt geadviseerd dit windklimaat te verbeteren door het plaatsen van windremmende elementen op loopniveau, zo mogelijk in combinatie met het aanbrengen van halfdoorlatende luifels aan de bebouwing;
  • het windklimaat op de daktuin is overwegend goed tot matig, lokaal bij een aantal gebouwhoeken slecht. Er wordt geadviseerd om bij de terreininrichting hiermede rekening te houden;
  • in het openbaar gebied rond het complex mag een overwegend goed windklimaat verwacht worden;
  • op geen van de meetpunten wordt het criterium voor windgevaar overschreden of is sprake van een beperkt risico op windgevaar.

Conluderend wordt gesteld dat het complex geen overmatige windhinder in de omgeving zal veroorzaken, maar dat het windklimaat op het complex zelf nog voor verbetering vatbaar is. Er wordt geadviseerd de effectiviteit van de geplande maatregelen in de windtunnel te testen.

3.3.7 Duurzaam bouwen en inrichten

De gemeente Tilburg hecht aan een duurzame ontwikkeling van de stad. Dat betekent dat bij de (her)ontwikkeling van (binnen)stedelijke locaties duurzaamheidprincipes mede leidend zullen zijn. Dergelijke ontwikkelingen zullen niet plaatsvinden binnen de kaders van dit (beheer) bestemmingsplan. De principes van dit beleid gaan echter ook op voor bijvoorbeeld grootschalige renovatieprojecten of bij sloop en nieuwbouw.

Tilburg doorloopt elke vier jaar een milieubeleidscyclus: plan, programma, monitoren, verslagleggen en aanpassen. Het eerste Gemeentelijke Milieubeleidsplan (GMP) van Tilburg dateert uit 1990 en is inmiddels een paar keer geactualiseerd: GMP-2 in 1996 en de GMP-impuls in 2000. Met de milieubeleidsvisie voor de periode 2001 t/m 2004 - 'De Koers, De weg naar duurzaamheid' - zijn 3 strategische doelen geformuleerd: Tilburg, complete stad (zorgzaam, ondernemend en bruisend); Tilburg, duurzame stad (verantwoord omgaan met eindige natuurlijke hulpbronnen zoals fossiele energie, primaire grondstoffen, water en natuur); Tilburg, leefbare stad (een schoon en gezond milieu waarbij milieuverontreiniging van bodem, water en lucht worden teruggedrongen dan wel beheerst). Dit betekent onder meer dat er zuinig om moet worden gegaan met de schaarse ruimte. Bij elke planontwikkeling moet dan ook onderzocht worden of er mogelijkheden bestaan voor meervoudig ruimtegebruik.

De nieuwe Milieubeleidsvisie 2006 - 2010 'Zorgen voor Milieu is Samenspel' bouwt voort op deze strategische doelen. Het accent ligt nu nog meer dan voorheen op gezondheid van en de kwaliteit van de leefomgeving voor de burger. De sleutel is samenwerking en duurzaam bouwen vormt een van de ankerpunten.

Duurzaam bouwen
Om duurzaam bouwen te bevorderen en makkelijker te maken heeft de gemeente Tilburg een instrument ontwikkeld. Dit is de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Duurzaam Bouwen (GPR Gebouw). De GPR Gebouw bestaat uit vijf modules, te weten: energie, materiaalgebruik, water, afval en binnenmilieu. Voor woningen komt hier nog een zesde module bij: integrale woonkwaliteit. Elke module bevat een pakket keuzemaatregelen. De gemaakte keuzes geven aan de module een score (van 5 tot 10). De milieukwaliteit van het gebouw wordt dus weergegeven door vijf of zes cijfers. Het gemeentebestuur heeft bepaald dat de GPR Gebouw gebruikt moet worden bij alle nieuw te bouwen gebouwen binnen de gemeente.

3.3.8 Afval

Naast het bouwbesluit geeft de gemeentelijke nota ´Herijking Afvalbeleid 2005-2007´ richtlijnen voor het het beperken en beheersen van bouwafval. Tevens geeft deze nota aanvullend op de Afvalstoffenwet en het daaruit afgeleide Landelijk AfvalbeheerPlan (LAP) richtlijnen over afvalvermindering, betere afvalscheding en hergebruik. In deze paragraaf wordt ingegaan op de afval in relatie tot nieuwbouw.

3.3.8.1 Bouwafval

Het afvalbeleid voor bouwen richt zich voornamelijk op vermindering van materiaalgebruik en duurzaam gebruik van grond- en hulpstoffen. Het Bouwbesluit geeft richtlijnen voor het afval afkomstig bij bouwactiviteiten, het hergebruik van materialen en stimuleert flexibel en demontabel bouwen, hoge restwaarde (economisch en milieutechnisch). Samenvattend is het beleid gericht op:

  • a. vermindering gebruik van materialen door flexibel en demontabel te bouwen;
  • b. gebruik van secundaire en her te gebruiken grondstoffen;
  • c. toepassing herbruikbare materialen met hoge restwaarde.

Bij nieuwbouw binnen het plangebied moet bovenstaande uitgangspunt zijn.

3.3.8.2 Nieuwbouw en huishoudelijk afval

De Afvalstoffenwet en het daaruit afgeleide Landelijk AfvalbeheerPlan (LAP) stuurt aan op afvalvermindering, betere afvalscheiding en hergebruik. Binnen Tilburg is het afvalbeleid beschreven in de nota Herijking Afvalbeleid 2005 - 2007, Deze nota is op 7 december 2004 behandeld in het college van B&W en in de raad vastgesteld op 31 januari 2005. Binnen de gemeente Tilburg worden veel voorzieningen aangeboden waardoor het voor de burgers gemakkelijker wordt om hun afval gescheiden aan te bieden. Een deel van de voorzieningen wordt geplaatst in de openbare ruimte, denk hierbij aan glasbakken en textielbakken.

Een deel van de voorzieningen staat bij de burgers thuis en hiervoor zal dus ruimte in de woning, de berging of binnen het perceel aanwezig moeten zijn. Deze ruimte kan inpandig gelegen zijn of de containers kunnen in de achtertuin worden geplaatst.

Gestapelde woningen in meer dan vier woonlagen
Bij gestapelde bebouwing in vier of meer woonlagen is een inpandige ruimte noodzakelijk welke voldoet aan de eisen zoals gesteld in het bouwbesluit voor het plaatsen van voldoende 1000 liter (rol)containers voor rest- en papierafval. Binnen ieder nieuwbouwproject dient deze inpandige ruimte te worden gerealiseerd. Bij bestaande hoogbouw is het niet altijd mogelijk om een inpandige voorziening te creëren. Indien genoemde voorziening niet realiseerbaar is kan in overleg met het BAT hiervan afgeweken worden. Verder kan er gezocht worden naar alternatieven zoals buitenpandige of ondergrondse containers. Hierbij dient onderstaande lijst als richtlijn op volgorde van voorkeur, waarbij gescheiden dient te worden ingezameld:

  • a. Inpandig
  • b. Ondergrondse containers op eigen terrein
  • c. Bovengrondse containers op eigen terrein
  • d. Ondergrondse containers buiten eigen terrein
  • e. Bovengrondse containers buiten eigen terrein

Verder dient in de ontwikkelingsfase van een bouwplan reeds de afvalinzameling meegenomen te worden. Daarnaast dient het BAT op de hoogte te zijn ingrijpende ontwikkeling(en). Mochten er ingrijpende bouwactiviteiten of wegwerkzaamheden plaats vinden dan dient vooraf met het BAT gesproken te worden over de bereikbaarheid en de mogelijkheid voor het BAT om containers in te zamelen of te legen tijdens de bouwactiviteiten.

3.3.9 Energie

Het beleid omtrent Energie is vastgelegd in het Energiebeleidsplan Tilburg (2002) en richt zich op het verminderen van de energievraag, het gebruik van duurzame energiebronnen en het efficiënt omgaan met de energie. Bij alle nieuwbouw moet worden uitgegaan van een EPC-waarde (Energie Prestatie Coëfficiënt) van 10% onder de geldende landelijke norm uit het Bouwbesluit.

Bij grote woningbouwprojecten (250 woning(-equivalenten) of meer), welke bijvoorbeeld middels een wijzigingsbevoegdheid of door sloop en nieuwbouw tot stand komen moet door de ontwikkelende partij een energievisie worden gemaakt en overlegd. In deze visie moet aandacht besteed worden aan de mogelijkheden voor eventuele nieuwe en/of aanvullende energie-infrastructuur (bijv. warmtesystemen, warmte/koude opslagsystmen), realisatie van duurzame en innovatieve energievormen en mogelijkheden voor energiebesparing. Ook in de energievisie dient te worden uitgegaan van een EPC-waarde van 10 % onder de wettelijke norm. Indien het project een herstructurering betreft met in merendeel woningen die worden gerenoveerd of groot onderhoud ondergaan moet een EPL-bestaand (Energie Prestatie op Locatie voor bestaande bouw) worden gerealiseerd van minimaal 6,0. Bij grote nieuwbouwprojecten moet een EPL-nieuwbouw (Energieprestatie op Locatie voor nieuwbouw) worden gerealiseerd met een minimale waarde van 7,2 in 2006 oplopend naar 7,4 vanaf 2010. Daarnaast dient bij nieuwbouwplannen in het plangebied zoveel mogelijk te worden uitgegaan van compact bouwen en het gebruik van passieve en/of actieve zonne-energie.