| Plan: | TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0840.2584K0046-DEF1 |
De gemeente Rucphen is voornemens om op de locatie van basisschool Maria Goretti, gelegen aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord, maximaal 19 appartementen in vier bouwlagen te realiseren. Hiermee wordt voorzien in de actuele behoefte aan betaalbare woningen in St. Willebrord.
Met de komst van de nieuwe basisschool Heilinde komt de functie van de huidige basisschool Maria Goretti te vervallen. Ter plaatse van deze locatie is de bouw van een appartementengebouw voorzien met maximaal 19 koopappartementen in diverse prijsklassen. Het gebouw wordt maximaal vier bouwlagen hoog en krijgt een nieuw parkeerterrein dat direct wordt aangesloten op het bestaande parkeerterrein aan de Vijverstraat.
Aangezien binnen het huidige perceel een maatschappelijke functie geldt en deze komt te vervallen wanneer de nieuwbouw van basisschool Heilinde is voltooid, wordt de herontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt via een TAM-IMRO-procedure.
Voor de gronden vigeren thans de bestemmingsplannen "Kom St. Willebrord" en "Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansesingel 21 te St. Willebrord". Deze bestemmingsplannen maken sinds 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijke gedeelte van "Omgevingsplan gemeente Rucphen". Het beoogde appartementengebouw is in strijd met de vigerende bestemmingsplannen. Het plan is in strijd met de bestemming, bouwvlakken, gevellijnen en de bouwhoogtes binnen het omgevingsplan. Het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan is dan ook noodzakelijk om ter plaatse maximaal 19 appartementen in vier bouwlagen mogelijk te maken. Het onderhavige "TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti" voorziet in de juridisch-planologische basis voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het plangebied is gelegen in de kern St. Willebrord. Binnen het stedelijk gebied van St. Willebrord valt een onderscheid in vier onderdelen te maken. Ten eerste het historische dorpscentrum rondom het Processiepark en de Onze Lieve Vrouwekerk, centraal in het stedelijke gebied. Direct ten zuiden daarvan ligt het economische centrum van het dorp. Het derde gebied vormt een schil rondom het historisch dorpscentrum en het economisch centrum. Het bestaat uit een primair woongebied dat zijn stedenbouwkundige structuur te danken heeft aan de oude agrarische verkavelingsstructuur. Tot slot zijn daaromheen, rondom de uitwaaierende voormalige landwegen, de uitbreidingsgebieden uit de tweede helft van de vorige eeuw gelegen.
Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van het Processiepark, op de overgang tussen het centrumgebied en het woongebied. De ligging van het plangebied is weergegeven in de onderstaande afbeelding.
|
| Ligging plangebied. Aangegeven met rode ster. Bron: Topotijdreis.nl |
Het plangebied staat kadastraal bekend als de gemeente Rucphen, sectie D, percelen 9552, 9551 en gedeeltelijk 8555. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.950 m2. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Pastoor Bastiaansensingel met verkeersinfrastructuur voor fietsers en voetgangers met hierachter het tijdelijke schoolgebouw en openbaar groen. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door een parkeerplaats. Het voormalige terrein van de voormalige Sint Willibrordusschool vormt de zuidelijke gebiedsgrens. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het medisch centrum en woongebied van St. Willebrord.
De begrenzing van het plangebied is globaal weergegeven in de onderstaande afbeelding.
|
| Begrenzing plangebied. |
Toetsingskader
Ter plaatse van het plangebied vigeert het omgevingsplan "Omgevingsplan gemeente Rucphen" sinds 1 januari 2024.
De volgende bestemmingsplannen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen zijn op het projectgebied van toepassing:
De gronden zijn in het bestemmingsplan grotendeels bestemd tot 'Maatschappelijk' en 'Groen'.
Het totale plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 3'. Over het plangebied liggen daarnaast de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – 3’ en ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’.
Binnen het plangebied bevindt zich één bouwvlak met bijbehorende maatvoeringen. Dit bouwvlak heeft tevens de functieaanduiding 'onderwijs'.
|
| Vigerende bestemmingen. Bron: Regels op de Kaart, 2025. |
Beoordeling en conclusie
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening als ook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs' zijn uitsluitend bestemd voor een onderwijsvoorziening en/of brede school.
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor langzaamverkeersroutes, park, plantsoen, bermstroken, bermsloten, paden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen.
Het realiseren van appartementen valt niet onder deze functies, en is derhalve niet toegestaan binnen deze bestemmingbeschrijving.
Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is dit TAM-IMRO plan "TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti" opgesteld.
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en de omgeving gegeven. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan de vigerende ruimtelijke beleidskaders. Hoofdstuk 4 gaat in op de geldende randvoorwaarden en planologisch relevante (milieu)aspecten voor het plan, waarna in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de toelichting van de omgevingsplanregels en de verbeelding. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk gemaakt en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de vraag of sprake is van een goede toedeling van functies aan locaties.
Voor het formuleren van het beleid en het wijzigen van het omgevingsplan is het van belang dat de uitgangspunten van de huidige situatie en gewenste situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. Daarbij wordt mede ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren.
Het plangebied is gelegen in de gemeente Rucphen, een grote landelijke gemeente in het westen van de provincie Noord-Brabant. De gemeente telt 23.995 inwoners (CBS, 1 januari 2025). De gemeente bestaat uit de kernen Rucphen, Sprundel, Schrijf, Sint Willebrord en Zegge. Binnen de gemeente Rucphen zijn veel verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere dorpskern heeft zijn eigen karakter.
Ontstaansgeschiedenis
De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 1125. Het gebied tussen de Rucphense Achterhoek, de Sprundelse Luienhoek, de Ettense Hoge Donk en de Hoevense Heul werd aangeduid als 't Heike. In 1292 werd het oostelijk deel van het gebied door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. Na de beëindiging van de turfwinning omstreeks 1500 werden de vrijkomende gronden benut voor de landbouw. De slechtere gronden raakten begroeid met gagelstruweel en heide. Pas in 1636 werd melding gemaakt van een zekere bewoonde kern op 't Heike, waar geleidelijk meer mensen kwamen te wonen. In 1841 werd de nederzetting met circa 500 inwoners een zelfstandige parochie met de naam St. Willebrord en werd deze afgesplitst van Sprundel. Toen vervolgens de kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op tot een echt dorp. Na 1940 is St. Willebrord uitgegroeid tot het grootste kerkdorp in de gemeente Rucphen.
Bebouwingsstructuur
Kenmerkend voor de kern St. Willebrord is dat de huidige stedenbouwkundige structuur gedeeltelijk de oude verkavelingsstructuur van het agrarisch cultuurlandschap weerspiegelt. Bij de naoorlogse uitbreiding van het dorp is de bebouwing langs bestaande (land)wegen geplaatst en heeft uitbreiding voor een belangrijk deel kavelsgewijs plaatsgevonden. Het Processiepark van de Onze Lieve Vrouwekerk vormt het ruimtelijke centrum van het dorp. Het onderhavige plangebied is gelegen op ongeveer 50 meter ten zuidwesten van het Processiepark.
In de bestaande situatie is binnen het plangebied sprake van maatschappelijk grondgebruik in de vorm van een basisschool. Op het perceel bevindt zich een schoolgebouw, bestaande uit één bouwlaag zonder kap. Het voormalige schoolgebouw is verouderd en voldoet niet meer aan de huidige eisen. Conform het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente Rucphen is daarom besloten een nieuw schoolgebouw te realiseren. Rondom het gebouw zijn groene elementen aanwezig in de vorm van heesters en enkele kleine bomen. Deze maken deel uit van de inrichting van het schoolplein en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de locatie.
Het schoolgebouw blijft in gebruik totdat de nieuwbouw van basisschool Heilinde wordt opgeleverd. Dit nieuwe schoolgebouw bevindt zich momenteel in de ontwikkelfase en wordt gerealiseerd op de locatie van de voormalige Willibrordusschool. Buiten het plangebied aan de noordzijde is een tijdelijk schoolgebouw geplaatst om de leerlingen op te vangen gedurende de herontwikkeling van de nieuwe basisschool Heilinde aan de Poppestraat. Het bestaande gebouw bedraagt circa 1.370 m2.
De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door maatschappelijke functies en woonfuncties. De maatschappelijke functies zijn grotendeels opgetrokken in één of twee bouwlagen zonder kap. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap.
|
| Huidige situatie. Bron: Street Smart, april 2025 |
|
| Huidige bebouwing plangebied, Basisschool Maria Goretti Bron: Google Maps 2024 |
In de beoogde situatie wordt het Maria Goretti-schoolgebouw gesloopt en worden maximaal 19 appartementen gerealiseerd. 6 van de appartementen van ongeveer 64 m2 worden ontwikkeld in het goedkope segment, 7 van 80 m2 in het betaalbare segment en 6 van > 100 m2 in het dure segment.
Het appartementengebouw wordt maximaal vier bouwlagen hoog. De exacte indeling en positionering van de appartementen in de vier bouwlagen zijn nog niet bekend. Op de begane grond wordt een gezamenlijke bergingsruimte gerealiseerd, aangevuld met individuele bergingsunits voor de appartementen. Vier bouwlagen zorgen voor een goede balans tussen dichtheid en leefbaarheid, zodat het gebouw visueel verbonden blijft met de straat. Om massa te beperken is gekozen voor een terugliggende vierde bouwlaag, zodat het gebouw beter aansluit bij het straatbeeld. De nog nader te selecteren marktpartij stelt een definitief ontwerp voor de nieuwbouw op.
De verdere detaillering van het gebouw zal plaatsvinden via een tenderprocedure. Daarbij worden marktpartijen gevraagd het ontwerp nader uit te werken binnen, de door de gemeente, opgestelde randvoorwaarden.
|
| Indicatieve indeling appartementen. Bron: Aveco de Bondt, 2025 |
Het plan voorziet daarnaast in een vergroening van het gebied, er worden nieuwe bomen en groenstroken aangelegd, waarbij gebruik wordt gemaakt van inheemse, klimaatbestendige beplanting. Verder wordt het huidige fietspad langs de noordgrens van het plangebied verlegd naar de westzijde, zodat het direct aansluit op het terrein van de nieuwe basisschool Heilinde.
|
| Beoogde situatie. Bron: Aveco de Bondt, 2025 |
Toetsingskader
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader dient aangetoond te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.
Beoordeling parkeren
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Door de gemeente Rucphen zijn in de ‘Nota Parkeernormen 2017 Rucphen’ (d.d. 31-5-2017) parkeernormen voorgeschreven.
Blijkens de nota geldt dat voor het plangebied wordt aangesloten bij de parkeernormen zoals deze gelden voor het gebied 'Overige bebouwde kom'. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende parkeernormen van toepassing:
|
|
|
| Parkeernormen en verkeersgeneratie voor wonen, koop etage duur/midden/goedkoop (per woning). Bron: Nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Rucphen. |
Op basis van het programma geldt de volgende parkeerbalans en verkeersgeneratie:
| Woning | Parkeernorm | Parkeerbehoefte | Verkeersnorm | Verkeers- generatie |
| 6 appartementen duur | 2,1 | 12,6 | 7,4 | 44,4 |
| 7 appartementen middelduur | 1,9 | 13,3 | 6,0 | 42 |
| 6 appartementen goedkoop | 1,6 | 9,6 | 5,6 | 33,6 |
| Totaal | 35,5 | 120 | ||
In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 34 parkeerplaatsen opgenomen in de openbare ruimte. Tevens is er plek op het parkeerterrein aan de Pastoor Bastiaansensingel. Afwijking van maximaal 10% van de gemiddelde parkeernorm is bij uitzondering mogelijk. In dit geval biedt de aanwezigheid van het naastgelegen parkeerterrein aan de Pastoor Bastiaansensingel een oplossing voor de resterende 2 parkeerplaatsen. De maatschappelijke functies worden overdag bezocht en de woonfuncties kennen juist 's avonds en 's nachts een hoge parkeerdruk. Binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd conform de 'Nota Parkeernormen 2017 Rucphen'.
Beoordeling verkeersgeneratie
De verkeersgeneratie is in bovenstaande tabel bepaald aan de hand van de 'Nota Parkeernormen 2017'. De nieuwbouw genereert 120 voertuigen per etmaal. De onderstaande afbeelding geeft de verkeersintensiteit van omliggende wegen aan.
|
| Verkeersintensiteiten in de omgeving van het plangebied. Bron: De Roever Omgevingsadvies, oktober 2025. |
In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is de verkeersintensiteit van de wegen in de omgeving afgebeeld (zie hierboven).
Het appartementengebouw wordt ontsloten door bestaande infrastructuur via de Vijverstraat, Poppestraat en de Pastoor Bastiaansensingel. De gemeten verkeersintensiteit aan de Vijverstraat bedraagt 2.676 mvt/etmaal, de Poppestraat 6.095 mvt/etmaal en de Pastoor Bastiaansensingel 2.476 mvt/etmaal. Deze intensiteiten nemen met inbegrip van het onderhavige plan toe met 120 mvt/etmaal.
Daaraan moet worden toegevoegd dat de omliggende wegen geschikt zijn voor de verwerking van die intensiteiten. CROW hanteert voor erftoegangswegen als Pastoor Bastiaansensingel 2.000 tot 5.000 mvt/etmaal. Voor gebiedsontsluitingswegen zoals de Poppestraat, en de Vijverstraat hanteert het CROW verwerking van intensiteiten van 7.000 tot 12.000 mvt/etmaal. Met een beperkte toename van 120 mvt/etmaal op de huidige intensiteiten van de ontsluitingswegen blijft de verkeersintensiteit binnen de aanvaardbare normen, waardoor het plan geen verkeerskundige belemmeringen veroorzaakt.
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.
Toetsingskader
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:
De voor deze plannen relevante nationale belangen zijn:
De belangrijkste keuzes zijn:
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Beoordeling
Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van in maximaal 19 woningen wordt dan ook neergelegd bij decentrale overheden. De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoge abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Het planvoornemen is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie van het Rijk.
Toetsingskader
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Bij het zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke opgaven vindt de provincie Noord-Brabant het belangrijk om vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken:
Beoordeling
Het voorliggend initiatief is passend in de omgeving en zorgt voor een kwalitatieve verbetering van het bestaand stedelijk gebied van St. Willebrord. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant aandacht voor de nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur. Dit draagt bij aan de gezondheid, nodigt uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De basisopgave van de POVI is "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden accenten gelegd:
Conclusie
Het voornemen past binnen de kernwaarden zoals door de provincie Noord-Brabant zijn geformuleerd in haar Omgevingsvisie.
Toetsingskader
De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is op 1 januari 2024 in werking getreden. Hier wordt getoetst aan de meest recente versie van 16 september 2025. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun omgevingsplannen. De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. Tevens is een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
Beoordeling
Het voorliggende plangebied is binnen de Omgevingsverordening gelegen in het 'Stedelijk gebied'. Voor het onderhavige initiatief gelden meerdere toetsingscriteria binnen deze verordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels die gelden voor ontwikkelingen binnen het 'Stedelijk gebied'. Daarnaast dient het initiatief te voldoen aan de basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit. De toetsing aan deze criteria wordt in de onderstaande paragraaf uitgewerkt.
|
| Uitsnede kaartbeeld stedelijk gebied van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De locatie van het plangebied is aangeduid met de paarse marker. Bron: Omgevingsloket, Regels op de kaart ; 2025. |
Artikel 5.55: Duurzame stedelijke ontwikkeling
Toetsingskader
Beoordeling
Lid 1
Uit de regionale "Woondeal West-Brabant" (maart 2023, actualisatie 2025) blijkt een behoefte van 475 woningen voor Rucphen in de periode van 2022-2030. Dat zijn gemiddeld 55 woningen per jaar. De 19 appartementen dragen bij aan de kwantitatieve behoefte. De gemeente wil tot en met 2039 minimaal 695 woningen toevoegen om in te spelen op demografische ontwikkelingen, waarvan er al 55 gerealiseerd zijn in 2024. Daarbij ligt de nadruk op betaalbaarheid (70% betaalbaar), doorstroming en toekomstbestendigheid.
Met het intiatief wordt voorzien in maximaal 19 gestapelde woningen, passend binnen de kwantitatieve woningbehoefte van St. Willebrord. Het plan wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. Het woningbouwplan is met de regio West-Brabant afgestemd.
Lid 2
Onderhavige ontwikkeling betreft een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’: de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een inbreidingslocatie. Tevens bevordert het initiatief een gezonde leefomgeving door woningen te realiseren binnen de kern van St. Willebrord, alwaar voorzieningen te voet en per fiets te bereiken zijn. Tot slot wordt de mogelijkheid tot productie en gebruik van duurzame energie niet belemmerd. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Het fietspad wordt verlegd, waardoor de school met de fiets en te voet veilig kan worden bereikt.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 5.55 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel 5.7, 5.8, 5.9 en 5.10: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
Toetsingskader
Beoordeling
Voorwaarden artikel 5.8:
Voorwaarden artikel 5.9:
Voorwaarden artikel 5.10:
Binnen het onderhavig initiatief wordt op een voormalige schoollocatie invulling gegeven aan het principe van meerwaardecreatie zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Door de transformatie van een schoolgebouw naar een woonlocatie met maximaal 19 gestapelde appartementen, wordt zorgvuldig ruimtegebruik bevorderd binnen bestaand stedelijk gebied.
Het plan draagt bij aan de leefbaarheid van de omgeving door toevoeging van groen en het oplossen van de parkeerbehoefte binnen het openbaar terrein. De appartementen zijn levensloopbestendig en sluiten aan bij de demografische ontwikkelingen in de gemeente, waaronder vergrijzing en de groei van kleinere huishoudens. Door sloop van verouderde bebouwing ontstaat ruimte voor duurzame nieuwbouw en een klimaatadaptieve inrichting van de buitenruimte. Een bestaand fiets- en voetpad wordt verlegd, zodat burgers veilig naar school kunnen fietsen en wandelen. Daarmee levert het initiatief aantoonbare meerwaarde op het vlak van People, Planet en Profit, zoals door de provincie benoemd in de toelichting op artikel 5.10.
Conclusie
Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.
Toetsingskader
De provincie Noord-Brabant en het Rijk hebben op 30 juni 2022 een handtekening gezet onder een totaal van 130.600 woningen in de periode t/m 2030. Hiervan dienen 8.630 (netto) woningen te worden gerealiseerd in de Stedelijke Regio West-Brabant West. Deze opgave is gebaseerd op de taakstelling van het Rijk waarbij een uitsplitsing is gemaakt op basis van de (provinciale) bevolkingsprognose.
De Provincie Noord-Brabant bestaat uit 4 woonregio's met elk een woondeal. In de woondeal West-Brabant-West wordt een minimum woningbouwopgave gepresenteerd. De regio WestBrabant-West zet zich, in samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van de woningbouwopgave.
Uitgangspunt is om per project 2/3 betaalbare woningen (maximum huur €1.184,82 per maand en maximum koopprijs €405.000) te realiseren waarvan 30% sociale huurwoningen. In 2025 is de Woondeal West-Brabant West geactualiseerd waarbij er nog eens 1800 extra woningen bovenop de eerdere prognose benodigd zijn.
Beoordeling en conclusie
In de Woondeal West-Brabant West is aangegeven dat toetsing aan de Woondeal niet noodzakelijk is bij woningbouwprojecten onder de 20 woningen. De betaalbaarheidsverdeling zoals opgenomen in de Woondeal is hiermee niet van toepassing. Met het toevoegen van 19 appartementen voorziet het plan in een concrete behoefte, waarvan 13 van de 19 woningen in het betaalbare segment worden gerealiseerd. Verder betreft de locatie een inbreidingslocatie waarmee gehoor wordt gegeven aan de prioritering van de provincie Noord-Brabant.
Toetsingskader
De Omgevingsvisie 2.0 geeft richting aan de toekomst van de gemeente Rucphen tot 2040. De Omgevingsvisie 2.0 is gebaseerd op drie ambities: Prettig Samenleven, Duurzaam Samenleven en Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding. Deze ambities en de bijbehorende doelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie 1.0 en verder verrijkt in de Omgevingsvisie 2.0. Initiatieven dienen aantoonbaar bij te dragen aan één of meer van de volgende ambities:
De algemene uitgangspunten voor het programma 'prettig samenleven' zijn:
De gemeente richt zich op het flexibeler maken van de woningvoorraad om sneller te kunnen reageren op de veranderende behoefte en het versterken van de kwaliteit van de woonomgeving.
Thema’s binnen de ambitie ‘duurzaam samenleven’ zijn:
De gemeente richt zich op een gezonde en veilige leefomgeving, zowel boven als onder de grond, die aangepast is op de veranderende weersomstandigheden en de energietransitie.
Beoordeling
De nieuw te realiseren woningen sluiten aan bij een groot aantal doelen van de gemeente Rucphen. Wat betreft duurzaamheid wordt een watertoets uitgevoerd (zie paragraaf 4.6) om te bepalen of waterretentie benodigd is. Dit met betrekking tot de veranderende weersomstandigheden. Op de planlocatie worden maatregelen getroffen wat betreft wateropvang en duurzaam bouwen. De woningen worden namelijk gasloos gebouwd.
Wat betreft prettig samenleven zorgt de toevoeging van de woningen voor een grotere woningvoorraad. Het geeft ook kansen om mensen door te laten stromen naar een ander soort woning. Vanwege leefbaarheid en duurzaamheid is het belangrijk om bij de ruimtelijke opzet te gaan voor kwaliteit.
Toetsingskader
De gemeente Rucphen staat voor een belangrijke opgave: het creëren van voldoende passende en betaalbare woningen voor al haar inwoners. Dat is niet vanzelfsprekend, want de woningmarkt staat onder druk. De prijzen zijn gestegen, het woningtekort is voelbaar en veel bestaande woningen sluiten niet meer aan op wat inwoners nodig hebben. Vooral de dominantie van grote gezinswoningen past niet meer bij de toenemende vraag van kleinere huishoudens, zoals alleenstaanden, jonge stellen en senioren. Ook de doorstroming stagneert, waardoor de gehele woonketen onder druk komt te staan.
In het volkshuisvestingsprogramma beschrijft de gemeente hoe zij deze uitdagingen wil aanpakken. De noodzaak is duidelijk: vergrijzing, een toenemende zorgvraag en de groei van kwetsbare doelgroepen vragen om meer sturing en een integrale aanpak. Hoewel de gemeente al veel doet, is dat niet genoeg om de veranderende woonbehoefte op te vangen. Daarom vormt dit programma een nieuwe, operationele basis. Het sluit aan op de Omgevingsvisie en op landelijke en provinciale ontwikkelingen, met name de Wet versterking regie volkshuisvesting, die gemeenten meer verantwoordelijkheid geeft om te sturen op woningbouw en zorgopgaven.
Het programma werkt met drie hoofdthema’s: nieuwbouw, wonen en zorg, en toekomstbestendige wijken. In hoofdstuk 5 worden deze thema’s samengebracht in een overzicht dat de koers voor de komende jaren in één oogopslag laat zien. Het gaat niet alleen om bouwen, maar om het versterken van de sociale basis, het behouden van voorzieningen en het verbeteren van leefbaarheid en duurzaamheid. Daarbij kijkt de gemeente nadrukkelijk naar de relatie tussen wonen, zorg, welzijn en de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 6 zoomt in op de eerste pijler: nieuwbouw als kwalitatieve aanvulling. De gemeente ziet dat het aantal inwoners de afgelopen jaren groeit, vooral door instroom van dertigers die van buitenaf naar Rucphen verhuizen. Deze groei vergroot de vraag naar woningen die aansluiten op hun wensen, maar ook op die van oudere inwoners die vaker kleiner of levensloopbestendig willen gaan wonen. Tegelijkertijd is de bestaande woningvoorraad verouderd; veel huizen hebben nog een laag energielabel, waardoor verduurzaming noodzakelijk is. Leefbaarheid staat over het algemeen op een goed niveau, maar voorzieningen komen onder druk te staan als de groei niet zorgvuldig wordt begeleid.
|
| Opgave uit de Woondeal en al gerealiseerde woningen. Bron: Stedelijke regio West-Brabant West (2024) & CBS (2025). Bewerking Stec Groep (2025). |
De gemeente wil tot en met 2039 minimaal 695 woningen toevoegen om in te spelen op demografische ontwikkelingen, waarvan er al 55 gerealiseerd zijn in 2024. Daarbij ligt de nadruk op betaalbaarheid (70% betaalbaar), doorstroming en toekomstbestendigheid.
Binnen de koop hanteert de gemeente drie prijssegmenten (prijspeil 2025):
Naast betaalbaarheid en doorstroming spelen ook locatie en ruimtelijke kwaliteit een rol. De voorkeur gaat uit naar inbreiding en transformatie binnen bestaand stedelijk gebied. Verder wordt gekeken naar bereikbaarheid, parkeervoorzieningen en nabijheid van (zorg)voorzieningen, vooral voor ouderen.
De visie op nieuwbouw gaat dan ook verder dan het simpelweg toevoegen van woningen. De gemeente wil bouwen in alle kernen, op locaties die zorgvuldig worden beoordeeld op hun geschiktheid en in lijn zijn met de identiteit en schaal van elk dorp. Nieuwbouw moet passen bij de lokale behoeften en rekening houden met waterveiligheid, klimaatadaptatie en een duurzame toekomstige inrichting. Daarnaast wordt niet alleen ingezet op nieuwbouw, maar ook op een beter gebruik van bestaande woningen. Grote woningen kunnen vaker worden gesplitst of gedeeld. De gemeente wil dit faciliteren met nieuw beleid en afspraken met corporatie Thuisvester, bijvoorbeeld via friendscontracten voor jongeren of alleenstaanden. Ook worden nieuwe woonvormen gestimuleerd, zoals tiny houses, geclusterde woonvormen en prémantelzorgwoningen, die families de mogelijkheid bieden om vroegtijdig dichter bij elkaar te wonen.
De gemeente ondersteunt inwoners voor het verduurzamen van woningen via onder meer het Regionaal Energieloket, stimuleert isolatie en energiezuinige maatregelen, en richt zich eerst op woningen met de slechtste labels. Zo wordt niet alleen het wooncomfort verbeterd, maar ook de betaalbaarheid en toekomstige bestendigheid van de woonomgeving.
Beoordeling
Met het intiatief wordt voorzien in maximaal 19 gestapelde woningen, passend binnen de kwantitatieve woningbehoefte van St. Willebrord. Het plan wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. Het voorziet in de bouw van 6 woningen in het goedkope segment, 7 in het betaalbare en 6 in het dure segment. Daarmee sluit het initiatief aan bij het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Rucphen. Het levensloopbestendige programma sluit aan bij de behoefte van de ouder wordende bevolking. Daarnaast wordt het plan gerealiseerd in de kern van St. Willebrord, in de nabijheid van zorgvoorzieningen zoals een apotheek, huisartsenpraktijk, fysiotherapeut en tandarts. Het plan sluit aan op de bestaande infrastructuur van St. Willebrord, dit is nader uitgewerkt in paragraaf 2.6.
Conclusie
Onderhavig initiatief is passend binnen het volkshuisvestingsprogramma van gemeente Rucphen.
Toetsingskader
Het ‘Visiedocument Groenbeleid Rucphen’ beschrijft de waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedssfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen.
|
| Uitsnede Groene Kaart. Het plangebied is aangeduid met een oranje contour. 2011 |
Beoordeling
Uit de Groene Kaart blijkt dat zich binnen het plangebied één waardevolle houtopstand bevindt. Deze houtopstand wordt in de toekomstige inrichting van het openbaar gebied ingepast en uitgebreid. Voor het koppelen van het nieuwe parkeerterrein aan de bestaande infrastructuur moeten maximaal twee bomen uit de bestaande houtopstand worden verwijderd. Hiervoor wordt tezijnertijd een omgevingsvergunning aangevraagd. De kap van deze bomen wordt gecompenseerd door de aanplant van nieuwe bomen aan de oost- en zuidzijde van het plangebied. In paragraaf 2.5 wordt de beoogde inrichting van het plan weergegeven.
Conclusie
De ontwikkeling heeft binnen het plangebied één waardevolle houtopstand. Er moeten maximaal twee bomen te worden verwijderd om de aansluiting van het nieuwe parkeerterrein op de bestaande infrastructuur mogelijk te maken. De aanplant van nieuw groen is voldoende ter compensatie van de te rooien bomen.
Toetsingskader
De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit).
Beoordeling en conclusie
Voor voorliggend initiatief zijn geen welstandsregels van toepassing.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving zoals deze relevant zijn voor het initiatief dat voorligt. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen.
Toetsingskader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan kan het plan kaderstellend zijn voor ontwikkelingen die milieueffecten kunnen hebben. Projecten die in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Obl) staan zijn plan-mer-plichtig. Projecten die niet opgenomen zijn in bijlage V Omgevingsbesluit zijn plan-mer-beoordelingsplichtig. Indien projecten wel voorkomen in bijlage V Obl maar onder de drempelwaarden vallen van kolom 2 uit bijlage V Obl dan is een plan-mer-beoordeling toelaatbaar indien:
In alle overige gevallen dient een plan-mer procedure gevolgd te worden.
Beoordeling
Het initiatief betreft de nieuwbouw van maximaal 19 gestapelde woningen binnen bestaand stedelijk gebied van St. Willebrord. Daarmee valt het project onder de categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11) zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor deze categorie is geen drempelwaarde vastgesteld in kolom 2 van de bijlage. Dat betekent dat het project niet direct mer-plichtig is. Het initiatief valt wel onder kolom 3 'Aanleg', wat inhoudt dat een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Deze beoordeling is bedoeld om te bepalen of het project mogelijk aanzienlijke milieugevolgen heeft.
Een m.e.r.-beoordeling is door Aveco de Bondt in oktober 2025 uitgevoerd (Bijlage 1). Deze beoordeling toont aan dat het planvoornemen geen significante negatieve effecten op het milieu heeft. Kortom het planvoornemen is niet mer-plichtig.
Conclusie
De uitgevoerde m.e.r.-beoordeling toont aan dat het onderhavige plan geen significante milieuimpact heeft en dus niet mer-plichtig is.
Toetsingskader
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen of een functiewijziging vanaf 500 m2 bvo. Het geldende bestemmingplan is vertrekpunt in de beoordeling of iets een stedelijke ontwikkeling is.
Beoordeling
Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de 'ladder' verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de 'ladder' niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Een woonfunctie zoals een appartementengebouw wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
Het onderhavige besluit maakt ter plaatse van het plangebied de realisatie van maximaal 19 gestapelde woningen mogelijk. In beginsel is de ontwikkeling daarom gelet op de omvang als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' te classificeren.
Kwantitatieve behoefte
Uit de regionale "Woondeal West-Brabant" (maart 2023, actualisatie 2025) blijkt een behoefte van 475 woningen voor Rucphen van 2022-2030. Dat zijn gemiddeld 55 woningen per jaar. De 19 appartementen dragen bij aan de kwantitatieve behoefte. De gemeente wil tot en met 2039 minimaal 695 woningen toevoegen om in te spelen op demografische ontwikkelingen, waarvan er al 55 gerealiseerd zijn in 2024. Daarbij ligt de nadruk op betaalbaarheid (70% betaalbaar), doorstroming en toekomstbestendigheid.
|
| Opgave uit de Woondeal en al gerealiseerde woningen. Bron: Stedelijke regio West-Brabant West (2024) & CBS (2025). Bewerking Stec Groep (2025). |
Met het intiatief wordt voorzien in maximaal 19 gestapelde woningen, passend binnen de kwantitatieve woningbehoefte van St. Willebrord. Het plan wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. Het voorziet in de bouw van 6 woningen in het goedkope segment en 7 in het betaalbare segment.
Kwalitatieve behoefte
De uitkomsten uit het woonwensenonderzoek laten zien dat de bewoners van St. Willebrord behoefte hebben aan doorstroming van ouderen in de kern (Thuis in gemeente Rucphen, Volkshuisvestingprogramma gemeente Rucphen, 9 mei 2025). De gemeente focust zich op relatief kleinschalige inbreidingsplekken, waarbij kleinere woningen worden toegevoegd in hogere dichtheden. Zo wordt de betaalbaarheid geborgd.
Het initiatief voorziet in de realisatie van maximaal 19 nultreden appartementen, waarvan 6 in het goedkope segment, 7 in het betaalbare segment en 6 in het dure segment, waarbij aan de woonwensen van de bewoners van St. Willebrord wordt voldaan. De gemeente zet zich in op woningen in het betaalbare koop- en het middenhuursegment om doorstroming uit sociale huur mogelijk te maken. Om dit mogelijk te maken focust de gemeente zich op het toevoegen van kleinere woningen op inbreidingsplekken in de kern.
Het plangebied is gelegen binnen de kern St. Willebrord. De locatie maakt onderdeel uit van bebouwing met stedelijke functies, aldus is de ontwikkeling gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
De voorgenomen woningbouwontwikkeling met maximaal 19 appartementen, voornamelijk in het goedkope en betaalbare segment, voorziet zowel in de kwantitatieve als in de kwalitatieve behoefte. Het plan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Toetsingskader
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. In Rucphen zijn de omgevingsvisie 2.0 en de Visie Duurzaamheid 2019-2030 de richting gevende beleidskaders voor het aspect duurzaamheid.
Beoordeling
Openbare ruimte
De nieuw aan te leggen openbare ruimte, waaronder parkeerplaatsen, fietspad, voetpad en de te planten bomen worden aangelegd in groen. Dit is groen wat bijdraagt aan de gezondheid van de nieuwe bewoners door er naar te kijken, maar ook door er doorheen te kunnen wandelen en elkaar te kunnen ontmoeten. Het nieuw aan te leggen groen zal de biodiversiteit in het gebied sterk verbeteren.
Daarnaast levert een versterking van groen een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Door de aanleg van dit groen en het watersysteem kan daarnaast hemelwater infiltreren bij natte periodes (piekbuien), maar ook vastgehouden worden bij drogere periodes. Het plan geeft hiermee invulling aan meerdere klimaatvraagstukken en is daarmee klimaatadaptief.
Bij de aanbesteding zal de gemeente aan marktpartijen aanvullende eisen stellen ten aanzien van klimaatadaptieve maatregelen en de inrichting van groen binnen het nieuwbouwplan. Daarnaast zal de gemeente het omliggende openbaar gebied, waaronder het parkeerterrein en de fiets- en voetpaden, kwalitatief groen uitwerken.
Na de sloop van de basisschool wordt binnen de bebouwde kom een herontwikkeling gerealiseerd. In het kader van maatwerk wordt daarbij, op basis van de groenladder uit de groennorm, beoordeeld op welke wijze de groene kwaliteit door deze ontwikkeling kan worden verbeterd.
Bouw
Voor wat betreft de ambitie klimaat, energie en wonen wordt het nieuw te bouwen appartementengebouw gerealiseerd volgens de eisen van Bijna Energieneutraal Gebouw (BENG), die sinds 2021 als norm gelden.
Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen moet met verschillende energiebehoeftes rekening gehouden worden. Het betreft energie ten behoeve van het verwarmen en koelen van de woningen als ook voor het bereiden van warm water. Verder is er behoefte aan elektriciteit voor huishoudelijk gebruik en in toenemende mate ook voor mobiliteit. Om te bepalen welk energieconcept in het plan het meest passende is, zullen verschillende opties worden overwogen. Hierbij zal aansluiting worden gezocht bij de ambities van de gemeente Rucphen.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid is voldoende meegenomen in de planvorming.
Toetsingskader
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Besluit kwaliteit leefomgeving. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
Beoordeling
In september 2023 is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 2.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Op basis hiervan is geen aanvullend onderzoek naar asbest in bodem of puin noodzakelijk.
In een zintuiglijk schoon mengmonster van de bovengrond is een matige PAK-verontreiniging vastgesteld. Daarnaast is de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie en de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.
Naar aanleiding van de waargenomen PAK-verontreiniging is in januari 2024 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 3. Na uitsplitsing van het mengmonster is geen PAK-verontreiniging aangetoond. De eerder vastgestelde PAK-verontreiniging blijkt een incidentele afwijking te zijn en kan worden beschouwd als een uitbijter.
Op basis van de resultaten van het verkennend en het aanvullend bodemonderzoek bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw.
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
Beleid Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5)
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)
Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater:
Waterschapsverordening
De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing.
In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij:
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:
Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.
Beoordeling
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een integrale weging van het waterbelang uitgevoerd, zoals opgenomen in Bijlage 4. Daarbij zijn de waterhuishoudkundige consequenties van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt en zijn de waterbelangen op het gebied van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zorgvuldig afgewogen. Voor deze afweging zijn de gemeentelijke regels uit het omgevingsplan en de bepalingen uit de waterschapsverordening als uitgangspunt genomen. Hiermee is een helder kader vastgesteld voor de borging van het wateraspect, zoals voorgeschreven in de Omgevingswet. Het plan voldoet aan de gestelde regels voor water en de resultaten zijn voorgelegd aan het waterschap, dat heeft ingestemd met de conclusies zoals opgenomen in Bijlage 4. In de nadere uitwerking dient middels een klimaatstresstest nog inzicht te worden gegeven in de hemelwaterafvoer.
Conclusie
Op grond van de uitgevoerde beoordeling kan worden vastgesteld dat vanuit het aspect water sprake is van een evenwichtige en verantwoorde toedeling van functies.
Toetsingskader
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan / archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan
Beoordeling archeologie
Om het aspect archeologie goed mee te wegen in een gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en verschillende archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart.
Uit de beoordeling van de Archeologische Beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een Archeologisch Beleidsadviesgebied 4. In dit gebied geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring vanaf 500 m² en een diepte van ten minste 50 cm. Aangezien deze mate van bodemverstoring bij de voorgenomen werkzaamheden niet kan worden uitgesloten, is archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd.
Econsultancy heeft in september 2023 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten behandeld.
Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft vanaf het maaiveld tot 40 tot 220 cm -mv voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
Op grond van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om de dubbelbestemming op het plangebied te handhaven, maar de delen met een lage verwachting binnen het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden.
Voor de delen met een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt dat er verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen te toetsen (Bijlage 6).
Proefsleuvenonderzoek
In juli 2024 is door Econsultancy een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Programma van Eisen en onder certificering volgens de BRL SIKB 4000 en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1). Binnen het plangebied zijn drie proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van circa 275 m².Tijdens het onderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen:
Op basis van de KNA-waardering is vastgesteld dat de aangetroffen vindplaatsen niet behoudenswaardig zijn. Daarmee bestaan er geen archeologische belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling binnen het plangebied, waarmee de dubbelbestemming archeologie kan komen te vervallen. De regioarcheoloog heeft in het selectieadvies aangegeven akkoord te gaan met het advies van Econsultancy om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Dit selectieadvies is opgenomen als Bijlage 7.
Beoordeling cultuurhistorie
De provincie Noord-Brabant gaat ervan uit dat de informatie afkomstig uit de kaartlaag 'overige cultuurhistorische waarden: informatie van CHW 2006' op gemeentelijk niveau wordt geactualiseerd en waar nodig geacht beschermd. De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen, vastgesteld in 2010, biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Rucphen.
|
| Uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen. Plangebied is aangeduid met de rode ster. |
Het plangebied is gelegen binnen een gebied met historische stedenbouw en staat aangeduid als 'Sint Willebrord' met een 'redelijk hoge' waarde. De Pastoor Bastiaansensingel en de Poppestraat zijn betreffen straten die in het kader van de historische geografie een 'redelijk hoge' waarde heeft.
Binnen de cultuurhistoriekaart (erfgoedkaart) van de gemeente Rucphen is het plangebied aangeduid als 'historisch gegroeide ruimtelijke structuur (lage waarde)'. In het "Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie" is het plangebied niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.
Conclusie
Het planvoornemen doet geen afbreuk aan archeologische en cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.
Toetsingskader
Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.
De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.
Natura 2000-gebieden
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening (Natuur netwerk Brabant, NNB). In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Beoordeling en conclusie
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het 'Ulvenhoutse Bos', dat is gelegen op een afstand van circa 14 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aangezien het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan.
Binnen het plangebied is geen Natuur Netwerk Brabant (NNB) aanwezig. Ook in de directe omgeving is geen NNB-gebied gelegen. Het plangebied bevindt zich in een stedelijke omgeving. Het dichtsbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 1,25 km afstand, buiten de bebouwde kom van St. Willebrord. Gezien de afstand tussen het NNB en plangebied met het tussenliggend stedelijke gebied, is er geen sprake van directe of indirecte ruimtelijke of ecologische aantasting van het NNB. Het planvoornemen veroorzaakt geen verslechtering van de natuurwaarden. Hiermee voldoet het plan aan de uitgangspunten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Toetsingskader
Het plangebied is gelegen op circa 14 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse bos’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Omgevingswet (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.
Beoordeling
De Roever Omgevingsadvies heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 8). In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekening dat de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten in de Belgische Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.
Conlcusie
Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat als gevolg van de (aanleg- en) gebruiksfase er ten aanzien van stikstofdepositie geen negatieve effecten optreden als gevolg van het plan op Natura 2000-gebieden.
Toetsingskader
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid daarvan. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.
De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).
Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Beoordeling
Door Blom Ecologie is in februari 2022 een Quickscan afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 9 gevoegd bij deze toelichting.
In de Quickscan wordt aangegeven dat aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismussen en vleermuizen.
|
| Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten. Bron: Blom Ecologie, 2022. |
|
| Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie. Bron: Blom Ecologie, 2022. |
Blom Ecologie heeft in oktober 2022 het aanvullend onderzoek ecologie afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 10 gevoegd bij deze toelichting. In april 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van huismussen aanwezig zijn.
In de periode mei tot september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de basisschool Maria Goretti leefgebied biedt voor de gewone dwergvleermuis als zomerverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. De beoogde sloop van het schoolgebouw leidt tot overtreding van een verbodsbepaling uit de Omgevingswet (artikel 5.1, tweede lid, onder g) in samenhang met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Tijdens het onderzoek is binnen het plangebied een houtduif- en kauwennest vastgesteld. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen, dienen de werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
|
| Samenvatting van de aangetroffen nestlocaties en vleermusiverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied. Bron: Blom Ecologie, 2022. |
Voor de uitvoering van de ingreep is vergunning nodig van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Voor de vergunningsaanvraag inzake Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is een Mitigatieplan opgesteld door Blom Ecologie. De rapportage daarvan is als Bijlage 11 gevoegd bij deze toelichting.
De huidige vleermuisverblijfplaatsen zijn onder begeleiding van een ter zake deskundige ecoloog ongeschikt gemaakt. Tussen het ongeschikt maken en de uitvoering van de sloop is met een controlebezoek uitgesloten dat er vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden zijn er voor de vleermuizen tijdelijke alternatieve voorzieningen getroffen om de periode tussen ontoegankelijk of ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen en het realiseren van de permanente alternatieve voorzieningen te overbruggen. In totaal worden er 8 vleermuiskasten geplaatst aan de gebouwen in de directe omgeving.
Voor de gewone dwergvleermuis worden permanente voorzieningen gerealiseerd in de gevel van het nieuwe schoolcomplex ten zuiden van het plangebied. Daarmee kan worden gesteld dat de gunstige instandhouding van beschermde soorten is gewaarborgd. Op basis hiervan is op 20 april 2023 een ontheffing Wet natuurbescherming verleend. Het besluit Wet natuurbescherming is opgenomen in Bijlage 12. De ontheffing heeft betrekking op de sloop van het scholencomplex 'Heilinde' ten behoeve van gewone dwergvleermuis. Deze ontheffing is geldig tot 1 november 2028. Tijdens de sloopwerkzaamheden dienen alle handelingen te worden uitgevoerd conform de Omgevingswet.
Conclusie
Voor het verwijderen van zomerverblijfsplaatsen voor de gewone dwergvleermuis in de basisschool Maria Goretti is een ontheffing Wnb verleend. Met inachtname van de algemene zorgplicht en de in de ontheffing opgenomen voorwaarden kan worden geconcludeerd dat het plan geen hinder veroorzaakt voor beschermde flora en fauna.
Alle vogels zijn in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode van 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
Toetsingskader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
Beoordeling
De Roever Omgevingsadvies heeft in 2025 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 13). In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor het nieuwe appartementengebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21, St. Willebrord.
De geluidbelasting van gemeentelijke wegen bedraagt ten hoogste 51 dB ter plaatse van de noordgevels van het appartementengebouw. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is niet benodigd.
In het kader van het borgen van een goed woon- en leefklimaat is het akoestische woon- en leefklimaat beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsindicatie geluid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
|
| Classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in Lden. Bron: Akoestisch Onderzoek Wegverkeerslawaai, De Roever Omgevingsadvies 2025 |
Het gecumuleerde geluidniveau (Lden) ter plaatse van de beoogde appartementen bedraagt 33-51 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Redelijk’ tot ‘Zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan daarmee als aanvaardbaar worden aangemerkt.
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
De juridische basis voor activiteiten en milieuzonering is sinds 1 januari 2024 vastgelegd in de Omgevingswet. Deze wet richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) om hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten te voorkomen. Dit wordt bereikt door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, en gevoelige functies, zoals woningen.
In 2009 stelde de VNG, in samenwerking met de Ministeries van VROM en Economische Zaken, de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" op. Deze handreiking bevat richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij hogere categorieën zwaardere milieubelasting betekenen en grotere richtafstanden vereisen. De richtafstanden zijn indicatief en kunnen worden aangepast mits zorgvuldig onderbouwd.
De handreiking onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijken/buitengebieden en gemengde gebieden. In rustige woonwijken wordt functiescheiding nagestreefd, terwijl in gemengde gebieden kortere richtafstanden acceptabel zijn.
Bij bedrijven en milieuzonering wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe werking. Interne werking betreft de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat, terwijl externe werking gaat over de vraag of de nieuwe functie in de omgeving past. Bij zonering moet rekening worden gehouden met planologische rechten en daadwerkelijk gebruik van bestemmingen.
De Omgevingswet introduceert ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de zogenaamde bruidsschat, die beoordelingsregels voor bedrijven bevatten. In het Bal worden bedrijven gezien als verzamelingen van milieubelastende activiteiten, met algemene regels voor toelaatbare milieuhinder en specifieke milieuvergunningsplichten.
In oktober 2024 publiceerde de VNG een nieuwe versie van de handreiking "Activiteiten en milieuzonering". Deze nieuwe systematiek integreert het ruimtelijk- en milieuspoor en richt zich op geluid en geurhinder door bedrijvigheid. De handreiking werkt met zones met milieuwaarden in plaats van milieucategorieën, waarbij grotere afstanden tot woonomgevingen meer gebruiksruimte voor geluid en geur bieden.
De nieuwe systematiek biedt ruimte voor aanvullende regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, gericht op efficiënt ruimtegebruik en het voorkomen van onaanvaardbare cumulatie van geur- en geluidbelasting bij woonomgevingen. De zones voor geluid en geur zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van milieugevoelige activiteiten, met specifieke geluid- en geurbelastingen per activiteit op vaste afstanden van de locatie.
Beoordeling
De VNG-handreiking "Bedrijven en milieuzonering" onderscheidt twee omgevingstypen: het rustige woongebied/buitengebied en het gemengde gebied. Gezien de aanwezigheid van diverse centrumfuncties, maatschappelijke voorzieningen en woningen in de directe omgeving van het plangebied, kan deze omgeving worden aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden uit de handreiking met één afstandstrap mogen worden verlaagd.
In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied in gebruik als maatschappelijke bestemming, namelijk als basisschool. In de toekomstige situatie wordt het plangebied bestemd voor ‘wonen’, ‘verkeer’ en ‘groen’. Direct grenzend aan het plangebied bevindt zich de hernieuwde basisschool, eveneens met een maatschappelijke functie. De afstand tussen deze maatschappelijke functie en de toekomstige woonfunctie bedraagt circa 38 meter. Volgens de VNG-handreiking geldt voor basisscholen in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter op gevoelige functies. Gelet op de feitelijke afstand van 38 meter wordt aan deze richtafstand voldaan. Eveneens zijn in de omgeving van het plangebied zijn meerdere activiteiten/voorzieningen aanwezig zoals een sportvoorziening met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. De horeca en huisartsenpost hebben in een rustig gebied een richtafstand van 10 meter, door de ligging in een gemengd gebied wordt deze richtafstand met categorie verlaagd naar 0 meter. Het plangebied is voor alle activiteiten/voorzieningen in de omgeving gelegen op een grotere afstand dan de richtafstand. Daarmee kan worden gesteld dat er geen sprake is van hinder of strijdigheid met de uitgangspunten van milieuzonering.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is in het kader van bedrijven en milieuzonering.
Conclusie
Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.
Toetsingskader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
|
| Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode stip. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024. |
|
| Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024 |
Beoordeling
Beoordeling inrichtingen en externe veiligheid
Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen welke negatieve invloed kunnen hebben op de externe veiligheid, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden en groepsrisico. Het plangebied is echter gelegen in een gifwolksaandachtsgebied van Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Het veroorzakende bedrijf is gelegen op meer dan 1.500 meter afstand en heeft geen consequenties voor dit plan.
Transport en externe veiligheid
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de REV geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Buisleidingen en externe veiligheid
Voor de beoordeling van risicorelevante buisleidingen in de omgeving van het plangebied is het Risico en Externe Veiligheid (REV) via atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk aardgasleiding op circa 1 kilometer afstand ligt. Gezien deze ruime afstand vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het toelaten van nieuwe woningen leidt daarnaast niet tot nieuwe externe veiligheidsrisico’s.
Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen
Het toelaten van de nieuwe woningen mag niet leiden tot nieuwe risico's op het gebied van externe veiligheid. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de nieuwe woningen moeten gewaarborgd worden. De bereikbaarheid dient getoetst te worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving § 4.6.3 (Bereikbaarheid van een bouwwerk). Tevens dient er rekening gehouden te worden met de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening, vastgesteld door de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorzieningen Bereikbaarheid 2022. Bij de nadere uitwerking van de Omgevingsplanactiviteit 'Bouwen' wordt dit getoetst. De uitruk- en rijtijd is ongeveer 10 minuten en dit valt binnen de referentiewaarde.
Op circa 50 meter van de hoofdingang van het bouwwerk bevindt zich een ondergrondse brandkraan met een capaciteit van 60 m3/uur. Het wordt geadviseerd om het voorstel voor de bluswatervoorziening op te nemen in de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'.
Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
Het aspect luchtkwaliteit is om meerdere redenen relevant. In de eerste plaats omdat woningen worden gerealiseerd en luchtkwaliteit een gezondheidsaspect is voor de toekomstige bewoners. In de tweede plaats omdat de een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op wegen die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit.
Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in § 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving relevant. Deze zijn met name relevant als het projectgebied is gelegen in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, locaties met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is voor de gewenste ontwikkeling.
Beoordeling
Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het plangebied. Maatgevend is het toetspunt aan de Vijverstraat, direct ten noorden van het plangebied. Uit de kaart blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2025; 14,5 µg/m³ voor NO2, 14,9 µg/m³ voor PM10 en voor 8,2 PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
Het plangebied bevindt zich niet in de in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Om deze reden is nader onderzoek niet noodzakelijk.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de initiatiefnemer verplicht zorg te dragen voor een veilige werkplek. In het kader van grondroerende werkzaamheden bestaat de mogelijkheid dat tijdens de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven (CE) zijn achtergebleven in of nabij het plangebied. Indien daar aanleiding toe is, vormt dit reden om een vooronderzoek uit te voeren conform het WSCS-OCE (Werkveldspecifiek Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven).
De gemeente Rucphen hanteert hiervoor het Beleid Conventionele Explosieven 2019, waarin een reactieve ruimingstrategie wordt gevolgd. Dit houdt in dat CE pas worden opgespoord en geruimd indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een project. De toetsing vindt plaats op basis van de bodembelastingkaart, waarbij het gebied wordt ingedeeld als verdacht, aandachtsgebied of onverdacht. Afhankelijk van deze classificatie en de aard van de werkzaamheden kunnen aanvullende maatregelen zoals een risicoanalyse of detectieonderzoek vereist zijn.
Beoordeling
Door RPS Explosive Engineering Services is in opdracht van gemeente Rucphen in 2024 een Vooronderzoek na-conflictperiode uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 14. Hierin zijn eventuele risico's van ontplofbare oorlogsresten in kaart gebracht in het kader van sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden van het appartementencomplex te St. Willebrord. Op basis van het geactualiseerde historisch vooronderzoek en aanvullende bronnen is vastgesteld dat het plangebied in Rucphen gedeeltelijk verdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO), met name Duitse geschutmunitie uit de Tweede Wereldoorlog.
Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied diverse naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden, waaronder delen van het gebied als onverdacht kunnen worden beschouwd. In de onderstaande afbeelding is het onderzochte terrein weergegeven. Het plangebied (rood omlijnd) bevindt zich in onverdacht terrein. Waarbij grijs gebied onverdacht is tot 0,3 m -mv en oranje gebied onverdacht kan worden beschouwd tot een diepte van 0,8 m -mv.
|
| Bodembelastingkaart, plangebied rood omlijnd. Bron: Vooronderzoek OO Na-conflictperiode RPS Rapportage 19 juni 2024. |
Conclusie
Op basis van het NGE-onderzoek en de bodembelastingkaart bevindt het plangebied zich in een gebied dat als onverdacht wordt beschouwd tot een diepte van gedeeltelijk 0,3 en 0,8 meter onder maaiveld. Binnen deze diepte kunnen grondroerende werkzaamheden veilig worden uitgevoerd, mits het protocol voor toevalsvondsten wordt gevolgd.
Toetsingskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant:
Beoordeling
Ter plaatse van het plangebied dient ter hoogte van het fietspad aan de noordzijde van het plangebied een lokale buisleiding te worden verlegd. Dit is bekend bij het bevoegd gezag. Verder zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
Toetsingskader
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Beoordeling
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft.
Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken.
De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. In het projectgebied wordt een nieuw fiets- en wandelpad aangelegd. Deze stimuleren net als de veiligheid óók de gezondheid.
In het projectgebied komt voldoende waterberging. Daarnaast heeft het belendende groen aan de Pastoor Bastiaansensingel een waterbergende functie. Dit gebied zal het meeste water opvangen. Deze waterberging draagt positief bij aan aan de opvang van overtollig regenwater.
Er worden nieuwe groenvoorzieningen en bomen aangelegd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Door het vele groen kan het water makkelijker worden geïnfiltreerd. Ook zorgen bestaande bomen en nieuwe bomen voor schaduw en koele plekken.
Nieuwbouwwoningen kunnen daarnaast bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.
Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de locatie Maria Goretti te St. Willebrord. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart.
De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2) en algemene regels (hoofdstuk 3).
Artikel 1. Toepassingsbereik
sub a
Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan.
Sub b
Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard.
Sub c
Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd.
Artikel 2. Begripsbepalingen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan.
Artikel 3. Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is vastgelegd dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk.
Artikel 6 Groen
Ter plaatse van de functie 'Groen' zijn grotere en structurele groenvoorzieningen opgenomen, maar ook structuren zoals groenstroken, bermen, fiets- en wandelpaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair en overige tot de bestemming behorende voorzieningen zijn binnen deze bestemming gelegen. Wijziging, aantasting en compensatie van het groen en bomen dient getoetst te worden aan het gemeentelijk groenbeleid. Op de gronden mogen kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe te staan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw toe te staan ten behoeve van speeltoestellen.
Artikel 7 Verkeer
De wegen en bijbehorende verblijfsgebieden zijn aangeduid als 'Verkeer'. Deze functie geldt voor alle straten, erven en wegen, er is dus geen onderscheid noodzakelijk naar de wegencategorisering. Onder deze bestemming zijn tevens begrepen groenstroken, bermen en bomen langs wegen.
Artikel 8 Wonen
Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden zijn in het plan bestemd tot 'Wonen'. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, met inachtneming van een eventueel aangegeven maximaal aantal wooneenheden en het type 'gestapeld'.
Artikel 9. Anti-dubbeltelregel
In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.
Artikel 10. Aanvullende beoordelingsregels bouwen
In dit artikel worden aanvullende regels voor ondergronds bouwen en het afwijken van bestaande afstanden en maatvoeringen genoemd. Ten slotte wordt bij realisatie van bouwwerken beoordeeld of er genoeg parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
Artikel 11. Aanvullende beoordelingsregels gebiedsaanwijzingen
In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de geometrie opgenomen gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 3'. Hierin is aangegeven wat de maximale bouwhoogte van bouwwerken mag bedragen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak ten aanzien van Breda International Airport. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. Binnen deze aanduiding mogen geen windturbines en gebouwen worden opgericht met een hoogte van 90 meter of meer.
Artikel 12. Aanvullende beoordelingsregels afwijkingen
In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Als laatste is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 15 meter.
Artikel 13. Overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht bepaald. Dit artikel bevat standaard overgangsrecht voor bouwen en gebruik.
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van appartementen in de kern St. Willebrord door de gemeente Rucphen. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. Daarbij zorgt de gemeente voor het bouw en woonrijp maken van het openbare gebied. Het bouwperceel c.q. bestemmingsvlak "Wonen", waarop het appartementencomplex wordt gerealiseerd, wordt in een tender aan marktpartijen aangeboden.
De gemeenteraad heeft voor deze ontwikkeling een grondexploitatie vastgesteld, waarbij een positief eindresultaat wordt voorzien. De kosten van de ontwikkeling, waaronder de voorbereidingskosten en het bouw- en woonrijp maken van het openbare gebied, worden ten laste gebracht van de grondexploitatie. Aangezien de gemeente eigenaar is van de gronden en de kosten via de grondexploitatie worden gedekt, is het kostenverhaal als bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet anderszins verzekerd. Hiermee is de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit is aangegeven dat bij de wijziging van een omgevingsplan moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En ook wat der met de resultaten is gedaan. Wie bij de participatie worden betrokken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.
Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemer kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.
Op 20 november 2025 is het plan besproken aan de Omgevingstafel, waarbij externe partijen zoals de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant zijn uitgenodigd. De reacties van de veiligheidsregio Midden- en het waterschap zijn in het plan verwerkt.
Op maandag 24 november 2025 vond er van 19:30 - 20:45 uur een inloopavond plaats. Tijdens deze bijeenkomst zijn direct omwonenden en andere belangstellende geïnformeerd, over de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor de realisatie van het appartementengebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel te St. Willebrord. De verslaglegging van de dialoog is opgenomen in Bijlage 15. Onderstaand volgt de samenvatting van de inloopavond.
De inloopavond vond plaats in het gemeentehuis van Rucphen (Binnentuin 1). In de 'burgerzaal' zijn een drietal tekeningen en schetsen gepresenteerd, waarmee bewoners en andere belanghebbenden een beeld kregen van de wijziging van het omgevingsplan en de beoogde inpassing van het nieuwbouwplan in de omgeving. Deze tekeningen en schetsen zijn onder bij dit verslag opgenomen.
De inloopavond is aangekondigd via de Rucphense Bode, de gemeentewebsite en het Gemeenteblad. Daarnaast ontvingen circa 80 directe omwonenden per post een persoonlijke uitnodiging. Belangstellenden die verhinderd waren, konden de stukken digitaal per e-mail opvragen. Op de avond zelf waren slechts 6 bezoekers aanwezig. Ook hebben wij geen verzoeken meer gehad om de stukken digitaal te versturen.
Tijdens de inloopavond waren drie grote informatieborden opgesteld in een opstelling zodat bezoekers eromheen konden lopen en de tekeningen van alle kanten konden bekijken. Projectmedewerkers waren aanwezig om toelichting te geven en vragen te beantwoorden.
Gezien het beperkte aantal bezoekers konden de projectmedewerkers één-op-één gesprekken voeren met de aanwezigen. De bezoekers waren vooral geïnteresseerd in de beoogde bouwhoogte/aantal bouwlagen en de situering van de parkeerplaatsen en routing van de wegen. De sfeer tijdens de bijeenkomst was overwegend positief. Uit de gesprekken bleek dat de aanwezigen zich kunnen vinden in de opzet van het plan.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 24 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging heeft eenieder over het ontwerp TAM-omgevingsplan een zienswijze naar voren kunnen brengen bij de raad. Van deze mogelijkheid is echter geen gebruik genaakt zodat het plan op 10 juni 2026 door de raad ongewijzigd is vastgesteld. Het plan treedt vier weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking. Wanneer geen beroep bij de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State wordt ingesteld, wordt het besluit na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de beoogde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de beoogde activiteit) zorgvuldig onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4.
Om te waarborgen dat het project niet in strijd is met de beleidsdoelen, is het planvoornemen in hoofdstuk 3 getoetst aan het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. In de hoofdstukken 5 en 6 is daarnaast ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid.
Op basis van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met de beleidsdoelen en geen onaanvaardbare effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.