direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Partiële herziening bestemmingsplan Kern Biest-Houtakker, Vossenhol ongenummerd
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Kern Biest-Houtakker" van gemeente Hilvarenbeek ten behoeve van de beëindiging van het agrarisch melkveehouderijbedrijf aan het Vossenhol te Biest-Houtakker, waarbij de huidige agrarische bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning, en het realiseren van twee extra woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning ter plaatse. De locatie is gelegen direct naast de dubbele boerderijwoning aan het Vossenhol 10 te Biest-Houtakker.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De ontwikkelingen in de melkveehouderij volgen elkaar in hoog tempo op. Met de steeds strenger wordende regelgeving en het vervallen van het melkquotum is het voor een ondernemer in de melkveehouderij lastig om een duurzame en rendabele bedrijfsvoering te blijven voeren. Voor de initiatiefnemer is een rendabele bedrijfsvoering alleen mogelijk door middel van schaalvergroting. Dit is ter plaatse, gezien de ligging in de kern van Biest-Houtakker en de strenge regelgeving, niet wenselijk en niet goed mogelijk. Om deze reden wenst de initiatiefnemer de bedrijfsvoering ter plaatse te staken en de huidige ligboxenstal te slopen.

In ruil daarvoor wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning, waarbij de overige aanwezige bedrijfsbebouwing bij de woning behouden blijft als bijgebouwen bij de om te schakelen woning. Deze bijgebouwen bij de woning zullen grotendeels worden gebruikt voor het uitvoeren van hobbymatige agrarische en agrarisch verwante activiteiten (zoals bijvoorbeeld het bewerken van het omliggende land). Daarnaast worden, ter plaatse van de te slopen ligboxenstal, twee extra woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht.

De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan het Vossenhol, direct naast nummer 10, te Biest-Houtakker en ligt in de kern Biest-Houtakker in het stedelijk gebied van gemeente Hilvarenbeek. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Hilvarenbeek, sectie N nummer 1182. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Kern Biest-Houtakker" van de gemeente Hilvarenbeek, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2011, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' en 'waterstaat - Reservering waterberging' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'maatvoering - maximale bouwhoogte 7 meter', 'maatvoering - maximale goothoogte 4 meter', 'maatvoering - maximum bebouwingspercentage 50%' en 'bouwvlak' van toepassing. Daarnaast is de bedrijfswoning aangeduid met de aanduiding 'bedrijfswoning'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Binnen de agrarische bestemming is uitsluitend agrarisch gebruik van de gronden mogelijk. Het gebruik als burgerwoning(en) past niet binnen de agrarische bestemming.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden wordt voor de locatie een apart bestemmingsplan opgesteld. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het stedelijk gebied van gemeente Hilvarenbeek.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een gemengde omgeving met daarin voornamelijk woonfuncties.

In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Daarnaast zijn in de omgeving van de locatie een sportvoorziening, enkele agrarische bedrijven en maatschappelijke functies gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel een agrarische melkveehouderij aanwezig. Ter plaatse worden, volgens de vigerende milieuvergunning, 18 stuks melkvee en 52 stuks vrouwelijk jongvee tot een leeftijd van
2 jaar gehouden. Deze dieren worden gehouden in een ter plaatse aanwezige ligboxenstal.

Daarnaast is ter plaatse een jongveestal, een werktuigenberging en een mestopslag aanwezig. Ten slotte is een bedrijfswoning aanwezig met bijgebouw.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,93 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het agrarisch bedrijf te beëindigen. Hiervoor zal de aanwezige ligboxenstal (ongeveer 600 m²) en de mestopslag (ongeveer 550 m²) worden gesloopt. In ruil daarvoor wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning, waarbij de huidige jongveestal en werktuigenberging behouden blijven als bijgebouwen bij de woning. Deze worden behouden omdat er voldoende ruimte nodig is voor het stallen van machines en materialen voor het hobbymatig onderhoud van de omliggende agrarische gronden. Tevens zullen kleinschalige hobbymatige agrarisch verwante activiteiten worden uitgevoerd. Het gaar daarbij puur om ondergeschikte hobbymatige activiteiten, waarbij geen sprake zal zijn van bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast wenst de initiatiefnemer ter plaatse van de te slopen ligboxenstal twee extra woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning op te richten met daarbij de bijbehorende bijgebouwen.

In de volgende figuur is in een luchtfoto aangegeven welke bebouwing zal worden gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0004.png"

Luchtfoto met te slopen bebouwing aangegeven.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0005.png"

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

Om het gewenste gebruik als burgerwoning(en) mogelijk te maken dient de bestemming ter plaatse te worden gewijzigd in een woonbestemming. Het bouwvlak zal daarbij in oppervlakte worden teruggebracht tot een passende omvang bij de gewenste woningen met bijgebouwen.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0006.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Laneco Landschaps & Ecologisch Advies.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

2.2.3 Stedenbouwkundige aspecten

De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging van een agrarisch melkrundveehouderijbedrijf aan de Vossenhol in Biest-Houtakker, waarbij de bestaande ligboxenstal en mestopslag zullen worden gesloopt. In ruil daarvoor wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning, waarbij de huidige jongveestal en werktuigenberging behouden blijven als bijgebouwen bij de om te schakelen woning. Daarnaast zullen in ruil voor de sloop van de ligboxenstal en mestopslag twee extra woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning worden gerealiseerd.

De locatie is gelegen in een bebouwingslint in de kern Biest-Houtakker en is gelegen tussen voornamelijk burgerwoningen. Een aantal van deze burgerwoningen betreffen voormalige agrarische bedrijven welke zijn beëindigd en zijn omgeschakeld naar burgerwoningen. De hoofdfunctie in de omgeving is wonen. De voorgenomen wijziging sluit goed aan op de aanwezige functies in de omgeving.

Bij de gewenste ontwikkeling zal een bestaande ligboxenstal en een mestopslag worden gesloopt. Het betreft reeds verouderde bebouwing welke aan vervanging toe is. De nieuwe woningen zullen een in het gebied passende uitstraling en stijl krijgen, waarmee deze beter aansluiten bij het bebouwingsbeeld in de omgeving dan de huidige bebouwing. Hiermee zal het straatbeeld en de beeldkwaliteit ter plaatse en in de omgeving verbeteren. Er ontstaat ook een grotere samenhang tussen de locatie en de omliggende woningen.

Het stedenbouwkundige beeld in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee verbeteren ten aanzien van de huidige situatie.

2.2.4 Beeldkwaliteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is het van belang dat de beeldkwaliteit ter plaatse wordt verbeterd. In de huidige situatie is er op de locatie een agrarische melkrundveehouderij gevestigd met de bijbehorende bedrijfsgebouwen. Deze bedrijfsgebouwen zijn sterk verouderd en aan vervanging toe. De verouderde bebouwing, de ligboxenstal en mestopslag, leiden momenteel tot een verrommeld en verpauperd beeld op de locatie en dragen daarmee niet bij aan de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit van het gebied waarin de locatie is gelegen. De verouderde ligboxenstal en mestopslag zullen in zijn geheel worden gesloopt. Hiermee wordt de situatie op het erf en daarmee in de omgeving verbeterd.

De nieuwe twee-onder-één-kap woning zal worden gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid, energie en beeldkwaliteit. Er is daarmee sprake van nieuwe bebouwing die beter in het lint en in de omgeving past dan de huidige bebouwing. Voor de nieuwe twee-onder-één-kap woning wordt gekozen voor een bij het gebied passende uitstraling. Daarbij wordt het kleurgebruik en materiaalgebruik goed afgestemd op de bebouwing in de omgeving.

Om goed aan te kunnen sluiten bij de omgeving denkt de initiatiefnemer aan een vergelijkbare stijl, kleurstelling en toepassing van materialen als waarvoor is gekozen bij een recente ontwikkeling aan Vossenhol 6. Voor die locatie is door Van Asten Doomen Architecten BNA een ontwerp gemaakt van een twee-onder-één-kap woning. De initiatiefnemer wenst hier bij aan te sluiten en de nieuwe twee-onder-één-kap woning in een vergelijkbare stijl op te richten.

Voor wat betreft architectuur wordt gekozen om niet terug te vallen in de traditionele agrarisch gebruikte bouwstijlen en historie, maar om de nieuwe bebouwing op te richten met gebiedseigen materialen in een eigentijds ontwerp. Dus niet volgens de historische bouwstijlen, maar wel met respect daarvoor. Door het gebruik van gebiedseigen materialen en kleuren past de gewenste bouwstijl wel in het gebied, maar geeft deze toch een moderne en eigentijdse uitstraling aan het lint en het gebied waarin de locatie is gelegen. Dit bevordert de ontwikkeling van het gebied.

Voor wat betreft materialen wordt, zoals aangegeven in het voorgaande, gekozen voor gebiedseigen materialen. Het gaat daarbij voornamelijk om steen, hout, riet en dakpannen. Deze materialen komen in het gebied veelvuldig terug, waardoor de materialen goed passen in de omgeving. Daarmee sluit de voorgenomen ontwikkeling goed aan bij de beeldkwaliteit van het gebied.

Ook voor wat betreft kleuren wordt zoveel mogelijk aangesloten bij gebiedseigen kleurstijlen, maar wel met een eigentijds karakter. Gedacht wordt aan gevels met glas in combinatie met hout en steen in een lichte kleur met grijstinten. Voor het dak wordt gekozen voor dakpannen van een donkerdere kleur, eventueel in combinatie met riet. Met de gewenste kleurstelling wordt goed aangesloten bij de ontwikkeling die gaande is aan Vossenhol 6 en bij de overige bebouwing in het gebied.

Voor wat betreft de massa wordt gekozen voor één aaneengesloten bouwmassa. Daarmee vormt de bouwmassa van buitenaf één geheel. Dit sluit goed aan bij de vele in het gebied aanwezige (voormalige) langgevelboerderijen en bouwmassa's in de omgeving. De bijgebouwen zullen los van de hoofdgebouwen in het achtererfgebied worden opgericht volgens de richtlijnen van het geldende bestemmingsplan. Deze maken geen onderdeel uit van de hoofdmassa. Dit is vergelijkbaar met de overige bebouwing in het gebied, waarbij in vrijwel alle gevallen sprake is van één hoofdmassa met vrijstaande bijgebouwen. De bijgebouwen zullen in eenzelfde stijl als de hoofdmassa worden opgericht. Daarmee vormen zij, ondanks dat het vrijstaande bijgebouwen betreft, alsnog één geheel op de locatie.

In de volgende figuren zijn enkele sfeerbeelden opgenomen. De daadwerkelijke uitvoering van de gewenste twee-onder-één-kap woning kan afwijken van de sfeerbeelden. Over het uiteindelijke ontwerp en uitvoering van de gewenste twee-onder-één-kap woning vindt in een volgend stadium nog nader overleg met de gemeente plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0007.png"

Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning.
Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0008.png"

Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning.
Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0009.png"

Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning.
Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0010.png"

Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning.
Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Aan de hand van deze definitie kan mogelijk gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt.

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat.

De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

Voor beëindiging van een veehouderij en omschakeling naar wonen zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendige wijze wordt gebouwd.

Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Tevens worden de woningen gasloos en volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid opgericht, waarmee deze zullen bijdragen aan een verduurzaming van de locatie. Daarnaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de woningen en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. De omgevingsverordening is meerdere malen geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 maart 2020 geconsolideerd en in werking getreden.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'stedelijk gebied', 'landelijke kern' en 'stalderingsgebied'. Tevens is het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als 'attentiezone waterhuishouding'.

Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied gelden aanvullende voorwaarden voor (de ontwikkeling van) veehouderijbedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen spake van een (ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Voor wat betreft wonen in het stedelijk gebied zijn in de omgevingsverordening specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt:

" Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

  • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
  • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Lid 2

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

  • a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;
  • b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
  • c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
  • d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
  • e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
  • f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Lid 3

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over:

  • a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang;
  • b. het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder:
  • c. bedrijfswoningen;
  • d. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden;
  • e. voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden."

Het bepaalde in het derde lid van artikel 3.42 heeft betrekking op bedrijventerreinen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bedrijventerrein, waarmee het bepaalde in het derde lid niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

Ad. 3.42, lid 1, sub a:

De voorgenomen ontwikkeling past, zoals omschreven in de paragraaf "Woonvisie gemeente Hilvarenbeek" (paragraaf 3.3.4), binnen het beleid ten aanzien van woningbouw van de gemeente Hilvarenbeek. Dit beleid is tot stand gekomen in overleg met de provincie en voldoet aan de regionale afspraken zoals bedoeld in afdeling 5.4 van de omgevingsverordening.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 1, sub b:

Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijnstof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Daarnaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de woningen en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Daarmee is sprake van een duurzame ontwikkeling.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 2, sub a:

Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot milieuhinder aan de omgeving. Door de beëindiging van de veehouderij zal de milieuhinder aan de omgeving juist alleen maar afnemen. Daarbij zal door de beëindiging van de veehouderij de uitstoot van geur, fijnstof, geluid, ammoniak, stikstofoxiden en mogelijke zoönosen afnemen, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar zal verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van de leefomgeving en de omgevingskwaliteit.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 2, sub b:

De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een functiewijziging binnen het huidige ruimtebeslag. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing zal het bebouwd oppervlak afnemen. Er is daarmee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 2, sub c:

De voorgenomen ontwikkeling staat de productie van duurzame energie niet in de weg. Daarnaast zal, in goed overleg met de gemeente, worden onderzocht wat de eventuele mogelijkheden zijn voor het opwekken van duurzame energie.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 2, sub d:

Bij de voorgenomen ontwikkeling neemt het bebouwd oppervlak af. Daarmee ontstaat meer ruimte tussen de bestaande bebouwing. Hiermee is meer ruimte voor een goede doorstroom van lucht en is geen sprake van projectie van hitte tussen bebouwing in. Daarmee bevordert de voorgenomen ontwikkeling het voorkomen van hitte tussen de bebouwing.

In de huidige situatie is reeds ruim voldoende wateropvang aanwezig voor een afkoppeling van het hemelwater naar bergingsvoorzieningen. Omdat het bebouwd oppervlak afneemt is ook in de gewenste situatie voldoende bergingscapaciteit aanwezig en zal geen sprake zijn van wateroverlast.

Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden onderzocht of er mogelijkheden zijn voor een verbeterde isolatie van de bebouwing.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 2, sub e:

De voorgenomen ontwikkeling zal geen invloed hebben op de infrastructuur en/of de mobiliteit. Daarnaast zal een veehouderij met de daarbij behorende transportbewegingen met landbouw- en vrachtverkeer worden beëindigd. Hiermee zal de verkeersdruk vanuit de locatie aan de omgeving afnemen, wat de mobiliteit en verkeersveiligheid ten goede komt.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 3.42, lid 2, sub f:

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijf beëindigd en worden twee woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht. Een woning concurreert niet met andere (bedrijfsmatige) functies. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen invloed hebben op de economie in de omgeving en zal niet leiden tot een verslechterde concurrentiepositie van andere bedrijven in de omgeving.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Gezien het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de voorwaarden voor het oprichten van een woning in het stedelijk gebied.

Naast de specifieke voorwaarden voor het wonen in het stedelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

" Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1:

Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

Lid 2:

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik;
  • b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
  • c. meerwaardecreatie."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen.

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1:

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:
    • 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;
    • 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
  • b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
  • c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Lid 2:

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel."

Ad. 3.6, lid 1, sub a:

De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een functiewijziging binnen het huidige ruimtebeslag. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing zal het bebouwd oppervlak afnemen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 1, sub b:

Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 1, sub c:

Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 2:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Dit bouwperceel zal niet worden uitgebreid ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Het bouwvlak wordt juist verkleind. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening

de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

" Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering

Lid 1:

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

Lid 2:

De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
  • c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Lid 3:

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid."

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 3.8 meerwaardecreatie

Lid 1:

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2:

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een veehouderij worden beëindigd. Een veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen beëindiging zal de uitstoot van het bedrijf in zijn geheel worden beëindigd. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd.

Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. De huidige aanwezige bebouwing is reeds verouderd en niet langer noodzakelijk bij de woonbestemming en is daarmee aan te merken als overtollige bebouwing. De te slopen bebouwing is ongeveer 1.150 m² groot. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Hilvarenbeek

De gemeente Hilvarenbeek heeft op 25 februari 2010 de "Structuurvisie Hilvarenbeek" vastgesteld. De gemeente heeft met deze visie niet zozeer een toekomstvisie als wel een toetsingskader voor initiatieven voor de komende jaren. Hier en daar maakt de visie een doorkijk op langere termijn. De gemeente wil dat haar ruimtelijk beleid aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

Vanuit de structuurvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Landschapsverbinder' bij de kern Biest-Houtakker. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in de structuurvisie dat deze linten een relatie hebben met het omliggende landschap. Voor ontwikkelingen in het gebied gelden specifieke criteria. Voor woningbouw geldt dat de nieuwbouw (als eveneens wordt gesloopt, zoals bij de voorgenomen ontwikkeling het geval is) geen grote verschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt. Daarnaast moet een toename van bebouwing voorkomen worden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling neemt het bebouwde oppervlak juist af. Bij de bouw van de woningen zal, in overleg met de gemeente, worden gekeken naar een passende invulling en maatvoering zodat de woningen passen in de omgeving en er geen grote verschillen ontstaan.

Bij nieuwe woningen dient te worden voldaan aan hetgeen is gesteld in de woonvisie van de gemeente. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Woonvisie gemeente Hilvarenbeek" (paragraaf 3.3.4).

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de "Structuurvisie Hilvarenbeek" van gemeente Hilvarenbeek.

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek

Op 27 juni 2014 heeft de gemeente Hilvarenbeek het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek vastgesteld, waarin het beleid ten aanzien van de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen is opgenomen.

Het landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek heeft betrekking op het buitengebied. Gezien de locatie in het stedelijk gebied, binnen de kern Biest-Houtakker van de gemeente is gelegen zijn in het Landschapsontwikkelingsplan geen beleidsuitgangspunten voor de betreffende locatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling zal het gestelde in het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek daarmee niet in de weg staan.

3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek

De gemeente Hilvarenbeek heeft in 2016 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek vastgesteld. De nota bevat richtlijnen voor de uitstraling van nieuwe bebouwing binnen de gemeente. In de nota zijn algemene criteria opgenomen welke gelden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarnaast zijn specifieke criteria opgenomen welke alleen van toepassing zijn voor ontwikkelingen in specifieke gebieden.

De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als Historisch bebouwingslint. Binnen deze gebieden geldt dat wanneer de locatie in een gebied met een kritisch toetsingsniveau is gelegen zowel de gebiedscriteria als de algemene criteria van toepassing zijn. De locatie is gelegen in een gebied met een kritisch toetsingsniveau, waarmee de in de nota opgenomen criteria van toepassing zijn bij de bouw van de gewenste woningen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de van toepassing zijnde criteria in acht worden genomen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.

3.3.4 Woonvisie gemeente Hilvarenbeek

Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie gemeente Hilvarenbeek vastgesteld. In de woonvisie is zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve woningbouwopgave van de gemeente opgenomen.

In de woonvisie heeft de gemeente opgenomen dat nieuwe initiatieven voor woningbouw mogelijk gemaakt kunnen worden als aan de daarvoor opgenomen beoordelingscriteria wordt voldaan. Deze beoordelingscriteria zijn als volgt:

" Beoordelingscriteria:

  • 1. Locatiecriteria
    • a. Bijdrage aan oplossen van leegstand of ander ruimtelijk knelpunt?
    • b. Bijdrage aan versterken ruimtelijke kwaliteit?
    • c. Voorziet het initiatief in zorgvuldig ruimtegebruik?
  • 2. Stedenbouwkundige criteria
    • a. Passen massa en dichtheid in de omgeving?
    • b. Voorziet het initiatief in voldoende parkeermogelijkheden?
    • c. Voorziet het initiatief in een duurzame invulling van de ruimte?
    • d. Voldoet het initiatief aan de nota Dorps Bouwen?
  • 3. Invulling kwalitatieve behoefte
    • a. Voldoet het initiatief aan de geïnventariseerde behoefte uit de woonvisie?
    • b. Worden woningen levensloopgeschikt gerealiseerd?
    • c. Is er sprake van een vernieuwend / actueel woonconcept?
    • d. Is de behoefte van het concrete initiatief aantoonbaar middels een recent uitgevoerd onderzoek?"

Toetsing aan locatiecriteria:

Op de locatie is sprake van een veehouderijbedrijf in het stedelijk gebied. De veehouderij veroorzaakt overlast op de nabijgelegen woningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van de betreffende veehouderij. Hiermee wordt het ruimtelijk knelpunt waarbij een veehouderij overlast veroorzaakt op woningen in de kern opgelost. Daarbij zal met de beëindiging van de veehouderij sprake zijn van het beëindigen van de uitstoot van geur, fijnstof, geluid, ammoniak, stikstofoxiden en mogelijke zoönosen, waarmee het woon- en leefklimaat in de omgeving zal verbeteren.

Daarnaast wordt ter plaatse verouderde agrarische bebouwing gesloopt en wordt een kwalitatief hoogwaardige nieuwe twee-onder-één-kap woning teruggebouwd. Daarmee zal de beeldkwaliteit ter plaatse verbeteren. Tevens wordt ter plaatse voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijk inpassing, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een bevordering van de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Daarnaast zal het bebouwd oppervlak afnemen, waarmee sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Aan de locatiecriteria wordt daarmee voldaan.

Toetsing aan stedenbouwkundige criteria:

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de bestaande bedrijfswoning om worden geschakeld naar een burgerwoning. Er verandert niets aan de stedenbouwkundige uitstraling van dit pand en de daarbij behorende bijgebouwen. Daarnaast zal bestaande, reeds verouderde voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. Daarbij zullen twee woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning worden opgericht. Hiervoor zal in goed overleg met de gemeente worden voorzien in een twee-onder-één-kap woning die qua uitstraling en massa bij het gebied past.

Bij de woningen zal worden voorzien in ruim voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente. Er is op het terrein ruim voldoende gelegenheid aanwezig voor parkeren.

Met de sloop van de verouderde bedrijfsbebouwing en het oprichten van een nieuwe twee-onder-één-kap woning zal het bouwvolume op de locatie afnemen. De nieuwe twee-onder-één-kap woning zal beter aansluiten op het woningbouwlint in de omgeving. De ruimte zal duurzaam en zorgvuldig worden benut.

In goed overleg met de gemeente is gekeken naar een goede en passende invulling van het perceel met een bij het gebied passende woningen en bijgebouwen. Daarbij zullen de uitgangspunten uit de nota Dorps Bouwen in acht worden genomen. Daarnaast zal de stedenbouwkundige kwaliteit van de locatie alleen maar verbeteren. Een en ander is nader omschreven en uitgewerkt in de paragraaf "Stedenbouwkundige aspecten" (paragraaf 2.2.3).

Aan de stedenbouwkundige criteria wordt daarmee voldaan.

Toetsing aan de invulling van de kwalitatieve behoefte:

De voorgenomen ontwikkeling is in goed overleg met de gemeente tot stand gekomen. De gemeente is daarbij van mening dat de voorgenomen ontwikkeling acceptabel is omdat er een substantiële verbetering van het woon- en leefklimaat zal optreden met het saneren van het agrarisch bedrijf.

In overleg met de gemeente zal worden gekeken naar een goede levensloopbestendige manier van bouwen.

Aan de kwalitatieve behoefte wordt daarmee voldoende voldaan.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Woonvisie gemeente Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf en het omschakelen naar wonen ten behoeve van de omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning en de bouw van twee extra woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning. Ten aanzien van burgerwoningen zijn in de handreiking geen richtafstanden opgenomen. Een woning veroorzaakt immers geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf ter plaatse zal juist eerder sprake zijn van een afname van de milieuhinder aan de omgeving.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar burgerwoning. Deze woning betreft echter al een woning en zal een woning blijven. De functie van deze woning zal niet wijzigen, waarmee in feite geen sprake is van een nieuw gevoelig object. Echter komt er wel een nieuwe woonbestemming op de woning te liggen, waarmee deze planologisch alsnog als een nieuwe woning dient te worden beschouwd.

Daarnaast zullen echter twee woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning worden opgericht. Dit betreft wel een nieuw gevoelig object.

De locatie is gelegen in een gebied met voornamelijk burgerwoningen. De omschakeling van de bedrijfswonig naar burgerwoning en de realisatie van de gewenste twee-onder-één-kap woning zal de mogelijkheden van de andere burgerwoningen niet in de weg staan.

Verder is nabij de locatie (aan de overzijde van het Vossenhol) een agrarisch bedrijf met de nadere aanduiding loonwerkbedrijf en intensieve veehouderij gelegen. De ontwikkeling van een nieuwe woning nabij dit bedrijf kan leiden tot een beperking van de mogelijkheden ervan.

De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de om te schakelen bedrijfswoning bedraagt, gemeten van het bestemmingsvlak van de initiatiefnemer tot het bouwvlak van het betreffende bedrijf, ongeveer 15 meter. De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de nieuw op te richten twee-onder-één-kap woning bedraagt, eveneens gemeten van bestemmingsvlak tot bouwvlak, ongeveer 30 meter. Het betreffende bedrijf wordt echter al eerder beperkt door een dichterbij gelegen burgerwoning (deze is direct tegen het bouwvlak van het betreffende bedrijf gelegen). De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een verdere beperking van (de ontwikkelingsmogelijkheden van) het betreffende bedrijf.

Wel dient nog wel te worden voldaan aan de minimaal vereiste afstand van gevoelige objecten tot dierenverblijven en aan de vaste afstand van dieren verblijven tot gevoelige objecten voor het houden van dieren zonder geuremissiefactoren. Gezien de locatie binnen de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand, gemeten van gevel dierenverblijf tot gevel van de woningen, minimaal 50 meter te bedragen. De afstand van de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot aan de rand van het bestemmingsvlak van de locatie bedraagt al ongeveer 69 meter, waarmee aan deze afstand kan worden voldaan.

Daarnaast moet de afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en de nieuwe woning minimaal 100 meter bedragen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij. Aan deze afstand kan niet worden voldaan. Echter heeft de gemeente Hilvarenbeek een geurverordening vastgesteld waarin is vastgelegd dat de minimale afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een gevoelig object binnen de bebouwde kom, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, minimaal 50 meter moet bedragen. Zoals in het voorgaande aangegeven wordt aan deze afstand voldaan.

De uitvoerder van het bedrijf aan de Vossenhol 11 mag geen nieuwe dierenverblijven op een kleinere afstand bouwen, omdat deze al reeds eerder wordt beperkt door reeds aanwezige burgerwoningen. Daarmee kan geen sprake zijn van dierenverblijven op een kortere afstand dan de huidige situatie. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling het betreffende bedrijf niet verder beperken.

Voor wat betreft geluid geldt voor het bedrijf aan de Vossenhol 11 een richtafstand van 30 meter. De inrit van de locatie met nummer 11, waarover het zwaar verkeer van het loonbedrijf het bedrijf betreedt en verlaat, ligt op ongeveer 30 meter van de huidige stal. Omdat de nieuwe woningen binnen de contouren van de huidige stal gebouwd zullen worden zal de afstand van de nieuwe woningen tot aan de inrit van het betreffende bedrijf eveneens minimaal 30 meter bedragen. Hiermee wordt aan de richtafstand ten aanzien van de nieuwe woningen voldaan. Daarnaast is middels een akoestisch onderzoek in beeld gebracht wat de geluidsbelasting op de nieuwe woningen is als gevolg van verkeerslawaai. Hierin zijn de verkeersbewegingen van het loonbedrijf meegenomen omdat deze deel uitmaken van het dagelijks verkeer op de Vossenhol. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat wanneer de woningen op minimaal een gelijke afstand van de weg wordt opgericht als de naastgelegen woningen aan de Vossenhol 6 en 10, de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. De nieuwe woningen zullen niet op kleinere afstand van de weg worden gerealiseerd dan de naastgelegen woningen (dit is geborgd middels gevellijnen op de verbeelding). Daarmee is geen sprake van een verhoogde geluidsbelasting op de nieuwe woningen als gevolg van het bedrijf aan Vossenhol 11.

De om te schakelen bedrijfswoning voldoet reeds aan de geluidsnormen in de huidige situatie. Het bedrijf aan Vossenhol 11 moet immers voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer en/of de Wet milieubeheer, zowel op de naastgelegen woningen als op de om te schakelen woning. Daarbij mag de geluidbelasting op de bestaande woningen in de omgeving de normen niet overschrijden. Worden deze normen wel overschreden dan moet het bedrijf aan nummer 11 geluidreducerende maatregelen treffen. Op de bestaande bedrijfswoning van de initiatiefnemer wordt daarmee aan de normen voldaan. Omdat de situatie niet wijzigt zal ook in de gewenste situatie aan de normen worden voldaan.

Daarnaast is nabij de locatie, achter de Gemeintsedijk 1, een sportvoorziening gelegen. Dit betreft een veldsportcomplex zonder verlichting. Voor dergelijke inrichtingen geldt een maximale richtafstand (voor geluid) van 50 meter. Het betreffende complex is, gemeten van de plaats van de gewenste woningen tot de bestemmingsgrens van het veldsportcomplex, gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de betreffende sportvoorziening niet in de mogelijkheden zal worden beperkt.

Voor zowel de nieuwe woningen als de om te schakelen bedrijfswoning dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te worden geborgd. Hiertoe zijn de verschillende aspecten getoetst op zowel de nieuwe woningen als de om te schakelen bedrijfswoning. Uit de notitie woon- en leefklimaat, welke is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting, blijkt dat op alle woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen omliggende functies en bedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden zullen worden beperkt.

4.1.2 Geur

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor de ontwikkeling van twee woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning (burgerwoningen) en de omschakeling van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf zal de voorgenomen ontwikkeling juist eerder leiden tot een verbetering van de situatie ten aanzien van geur in de omgeving.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, aangetoond te worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor moet worden voldaan aan de vaste afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij.

Op grond van artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 ophoudt deel uit te maken van een andere veehouderij, in deze de bedrijfswoning aan Vossenhol 10, tenminste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen en 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen.

Op grond van artikel 14 van de Wet geurhinder en Veehouderij bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd, a) op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b) in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c) in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, in deze de nieuw op te richten woning tussen Vossenhol 6a en Vossenhol 10, ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen en 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen.

Deze minimum afstand van het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de ruimte voor ruimte woning, geldt voor alle diercategorieën (met en zonder geuremissiefactor).

De directe omgeving van het plangebied is te typeren als een kern en een gebied dat gelegen is binnen de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde veehouderij van derden, betreft de varkens-rundveehouderij aan de Vossenhol 11.

Allereerst is gekeken naar de maximaal planologische mogelijkheden. Daarbij dient de vraag gesteld te worden of het voor het bedrijf aan de Vossenhol 11 mogelijk is om op kortere afstand van het plangebied aan de Vossenhol 10 uit te breiden met dierverblijven. Aan weerszijden van Vossenhol 11 zijn beide burgerwoningen, Vossenhol 9a en Vossenhol 13, gelegen. Ten aanzien van deze beide woningen dient ook een vaste afstand van 100 meter in acht te worden genomen. Door de kortere afstand van deze woningen, respectievelijk 58 meter en 13 meter tot het meest dichtbij gelegen emissiepunt van de veehouderij aan Vossenhol 11 is de woning aan Vossenhol 13 beperkend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf en heeft het bedrijf reeds haar maximaal planologische mogelijkheden bereikt.

Voor de beoordeling van de vaste afstand mag derhalve getoetst worden aan de feitelijke situatie. De afstand van het meest dichtbijgelegen emissiepunt van een dierenverblijf tot aan de gevellijn van de nieuw te bouwen woningen bedraagt 80 meter en tot aan het bouwvlak van de voormalige bedrijfswoning aan Vossenhol 10 54 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de vaste afstand. Echter heeft de gemeente Hilvarenbeek een geurverordening vastgesteld waarin is vastgelegd dat de minimale afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een gevoelig object binnen de bebouwde kom, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, minimaal 50 meter moet bedragen. Zoals in het voorgaande aangegeven wordt aan deze afstand voldaan.

Echter omdat het bedrijf aan de Vossenhol 11 ook dieren met een geuremissiefactor houdt, moet de geurbelasting in beeld worden gebracht met een berekening van de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een notitie opgesteld voor het woon- en leefklimaat. Daarin is eveneens de geurbelasting meegenomen en berekend. Uit de opgestelde notitie woon- en leefklimaat, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting, blijkt voor het aspect geur het volgende:

  • Aan het afstandscriterium wordt voldaan.
  • Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Vossenhol 11 in Biest Houtakker maatgevend.
  • De rechten van geen van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied worden aangetast omdat het voornemen voor geen van de bedrijven tot extra belemmeringen leidt. De locatie was vanuit het huidige ook al aan te merken als geurgevoelig object.
  • De voorgrondbelasting (6,8 ouE/m³) voldoet aan een redelijk goede milieukwaliteit en laat zich kwantificeren als passend voor de omgeving.
  • De achtergrondbelasting (8,3 ouE/m³) voldoet aan een redelijk goede milieukwaliteit en laat zich kwantificeren als passend voor de omgeving.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in één nieuwe twee-onder-één-kap woning, in totaal daarmee dus in twee nieuwe woningen. Voor woningen geldt dat deze worden gezien als een NIBM-project wanneer sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen als sprake is van één ontsluitingsweg en niet meer dan 3.000 woningen als sprake is van minimaal twee ontsluitingswegen. Gezien sprake is van één woning wordt de NIBM-grens niet overschreden, waarmee sprake is van een NIBM-project.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen zal door de beëindiging van de veehouderij ter plaatse eerder afnemen. Hiermee zal de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, maar eerder afnemen, en valt onder de noemer NIBM.

Er is daarmee geen sprake van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden. De uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden zal, gezien de beëindiging van het agrarisch bedrijf ter plaatse, juist eerder afnemen.

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient, wanneer sprake is van een nieuw gevoelig object, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De landelijke norm voor een goed woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit bedraagt 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor wat betreft de achtergrondconcentratie van fijnstof. Vanuit de provincie Noord-Brabant geldt een norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 31,2 µg/m³. Volgens gegevens uit de Atlas voor de Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de NSL-monitoringstool zijn opgenomen, bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 18,2 µg/m³ en die van stikstofoxiden ongeveer 18,5 µg/m³. Dit is ruim onder de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee gesteld kan worden dat ter plaatse op het gebied van luchtkwaliteit sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De achtergrondconcentratie fijnstof en stikstofoxiden zal daarnaast met de voorgenomen ontwikkeling, gezien sprake is van beëindiging van een veehouderij, alleen maar afnemen waarmee juist sprake zal zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0011.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof, Atlas voor de Leefomgeving.
Bron: RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0012.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden, Atlas voor de Leefomgeving.
Bron: RIVM.

Tevens is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een notitie woon- en leefklimaat opgesteld. Hierin zijn eveneens de concentraties aan fijnstof en stikstofoxiden meegenomen en berekend. Uit de notitie woon- en leefklimaat, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting, blijkt voor het aspect luchtkwaliteit dat de hoogste achtergrondconcentratie op de woningen 15,6 µg/m³ bedraagt, waarmee ruimschoots aan de norm van 31,2 µg/m³ kan worden voldaan.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen, maar juist afnemen.

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. De betreffende woning is reeds in gebruik als woning en blijft in gebruik als woning. Feitelijk is er daarmee geen sprake van een nieuw gevoelig object. Tevens is de locatie gelegen aan een 30 km/u weg, wat in het kader van de Wet geluidshinder is aan te merken als een zogenaamde "groene zone". Gezien sprake is van een bestaande woning in een zogenaamde "groene zone" is voor de om te schakelen woning geen nader onderzoek nodig naar verkeerslawaai op de gevel(s) van de om te schakelen woning.

Ten aanzien van het bedrijf aan de overzijde van het Vossenhol, het bedrijf op nummer 11, wordt in de huidige situatie reeds aan de normen voor geluid voldaan. Het betreffende bedrijf op nummer 11 moet immers voldoen aan de normen zoals gelden vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer en/of de Wet milieubeheer. Daarbij moet het bedrijf op de bestaande woningen (zowel de om te schakelen woning van de initiatiefnemer als op de dichterbij gelegen woningen direct naast het bedrijf) voldoen aan de geluidsnormen. Kan het bedrijf op nummer 11 daar niet aan voldoen dan moet het bedrijf geluidreducerende maatregelen treffen om hier alsnog aan te voldoen. Daarmee wordt in de huidige situatie reeds voldaan aan de geluidsnormen. Met de omschakeling van de bedrijfswoning zal aan de positie van de woning en de woning zelf niets wijzigen, waarmee ook in de gewenste situatie aan de normen zal worden voldaan.

Daarnaast worden twee burgerwoning opgericht in een twee-onder-één-kap woning. Dit is vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen kan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder zoals die geldt voor gezoneerde wegen.

Voorwaarde is, dat de nieuwe woningen ver genoeg van de Vossenhol gerealiseerd worden. Daarbij is berekend dat wanneer de twee-onder-één-kap woning op minimaal een gelijke afstand van de weg als de woningen aan de Vossenhol 10 en 6 wordt gerealiseerd dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. De geluidsbelasting bedraagt dan minder dan 48 decibel en wordt dan aanvaardbaar geacht. Er hoeft dan niet gevreesd te worden voor aantasting van een goed woon- en leefklimaat. Een besluit tot Hogere Grenswaarde is daarbij niet noodzakelijk.

De nieuwe twee-onder-één-kap woning zal niet op kortere afstand van de weg worden gebouwd dan de woningen aan de Vossenhol 10 en 6. Het is wenselijk de nieuwe woningen binnen de bestaande contouren van de te slopen stal op te richten. Deze is op grotere afstand van de weg gelegen dan de naastgelegen woningen. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige geluidshinder ter plaatse van de woning. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

4.1.5 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

4.1.5.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0013.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

Nabij de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Er is daarmee geen sprake van ligging van de locatie binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting.

4.1.5.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen en/of over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevb en het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

Op ongeveer 175 meter van de locatie is een leiding (Z-522-10) voor het transport van aardgas gelegen. De leiding heeft een invloedsgebied van minder dan 175 meter. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van de betreffende gasleiding gelegen.

Wel is de locatie binnen het toxische invloedsgebied van de autosnelweg A58 gelegen. Hiervoor is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.5.3).

4.1.5.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A58 (toxisch scenario) dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico:

De locatie is gelegen op redelijk grote afstand van de risicobron. Er is geen grote toename van het aantal personen door de voorgenomen ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de risicobron. Dit zorgt ervoor, dat de toename van het groepsrisico niet zichtbaar zal doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico:

De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.

Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit:

De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld:

  • 1. Is het rampscenario te bestrijden?
    Gezien de grote afstand van de locatie tot de autosnelweg A58 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.
  • 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren?
    Rond de locatie zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van de locatie onvoldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden.

Zelfredzaamheid:

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario.

De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn redelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet -of verminderd zelfredzame mensen op de locatie woonachtig zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen op de locatie is beperkt, en verandert niet in onevenredige mate.

Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat de locatie:

  • 1. goed te alarmeren is:
    In geval van een calamiteit kan NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
  • 2. goed te ontvluchten is:
    Bij de locatie zijn voldoende vluchtwegen gelegen, zodat bij een calamiteit van de risicobron afgevlucht kan worden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording van het groepsrisico van de gemeente Hilvarenbeek dat is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) en de brandweer. Deze is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting.

Het groepsrisico is daarmee (beperkt) verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. Er zijn derhalve geen (wettelijke) belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het voorgenomen initiatief.

4.1.6 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Dit betreft een reeds bestaande woning, welke in gebruik blijft als woning. De functie van de woning verandert niet. De bodem ter plaatse is reeds geschikt voor het gebruik van de huidige woning en zal derhalve eveneens geschikt zijn voor het gebruik als woning na omschakeling.

Daarnaast worden in ruil voor de sloop van de huidige ligboxenstal en de mestopslag twee nieuwe woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht. Om aan te tonen of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese "niet verdachte locatie", formeel gezien niet juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetroffen. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen echter onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting.

Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.1.7 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan.

Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.

Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang:

  • de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen);
  • de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid;
  • de frequentie van het spuiten;
  • de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting);
  • de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Nabij de locatie vindt mogelijk de teelt van coniferen plaats (bomenteelt). De locatie is ten noorden van het betreffende perceel gelegen waarop de bomenteelt plaatsvindt. Het betreffende perceel waarop de bomenteelt plaatsvindt zal voor een deel in gebruik worden genomen voor een groene inrichting. Daarbij is een afstand van minimaal 50 meter van de gewenste woning tot aan de mogelijkheid voor bomenteelt aangehouden. Dit is ruim voldoende afstand om eventuele gezondheidsrisico's als gevolg van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen.

Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

Vanuit de C-lijst en D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt dat een initiatief voor woningbouw m.e.r.-beoordelingsplichtig is als het een stedelijke ontwikkeling betreft. In het geval van een stedelijke ontwikkeling geldt vanuit de D-lijst een drempelwaarde voor een toename met 2.000 of meer woningen.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast wordt de drempelwaarde niet overschreden. Er is daarmee geen sprake van een project dat m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van ongeveer 4,6 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0014.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch bedrijf beëindigd in ruil voor het oprichten van een burgerwoning. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf, waardoor geen dieren meer gehouden zullen worden, zal de uitstoot van ammoniak in de betreffende gebieden alleen maar afnemen. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen afnemen, waarmee de uitstoot van stikstofoxiden als gevolg van verkeer eveneens zal afnemen. De stikstofdepositie op de betreffende gebieden zal daarmee alleen maar afnemen, wat een verbetering voor de betreffende gebieden betekent.

De gemeente Hilvarenbeek heeft een gemeentebreed stikstofonderzoek uit laten voeren om te bepalen welke ontwikkelingen voor woningbouw eventueel kunnen leiden tot mogelijke effecten op de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Daarbij is uitgegaan van worst-case uitgangspunten tijdens de bouwfase van woningen. In het onderzoek zijn op basis van de worst-case uitgangspunten per deelgebied berekeningen gemaakt met het rekenprogramma Aerius Calculator om te bepalen vanaf hoeveel nieuw te bouwen woningen er effecten optreden op Natura 2000 gebieden. Uit het onderzoek, waarvan het rapport is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting, blijkt dat voor initiatieven voor woningbouw in de kern Biest-Houtakker pas effecten optreden op Natura 2000 gebieden bij de bouw van meer dan 8 woningen. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van de ontwikkeling van meer dan 8 woningen zal het voorgenomen initiatief niet leiden tot nadelige effecten op de Natura 2000 gebieden.

Om zeker te stellen dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige effecten op Natura 2000 gebieden is alsnog een berekening gemaakt (zowel aanleg- als gebruiksfase) met het rekenprogramma Aerius Calculator. Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige effecten op de Natura 2000 gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar).

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning met nummer 10 omgeschakeld naar een burgerwoning. Op deze locatie zullen de bestaande jongveestal en werktuigenberging in gebruik worden genomen als bijgebouw bij de woning. Er zal op deze locatie niet worden gesloopt en niet worden gebouwd. Er is daarmee geen sprake van een wijziging bij de om te schakelen woning en de daarbij behorende bijgebouwen. De omschakeling van de huidige bedrijfswoning zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten.

Daarnaast worden twee nieuwe woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht in ruil voor de sloop van de ligboxenstal en de mestopslag. De te slopen bebouwing is gevestigd aan de westzijde van de om te schakelen woning. Om te onderzoeken of ten aanzien van de sloop van de ligboxenstal en mestopslag en de bouw van de nieuwe woningen mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse een nest van een steenuil is aangetroffen. De werkzaamheden dienen buiten de voor de steenuil kwetsbare periode (deze is van januari tot half juli) worden uitgevoerd. Daarnaast dienen tijdens de werkzaamheden voldoende maatregelen getroffen te worden om verstoring van de vaste rust- en verblijfplaats van steenuil te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van een uilenkast voor de winterperiode. De werkzaamheden zullen buiten de gestelde kwetsbare periode plaatsvinden. De aanbeveling van een uilenkast zal in acht worden genomen. Verder zijn er ten aanzien van flora en fauna geen belemmeringen te verwachten. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) voorkomende beschermde soorten flora en fauna.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Uitvoering en beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN en de bescherming daarvan, opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 130 meter van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0015.png"

Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

Het kan echter voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen, met name door geluid, trillingen en/of uitstoot van fijnstof, alsnog negatieve gevolgen kunnen op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een agrarisch bedrijf worden beëindigd in ruil voor het oprichten van een nieuwe twee-onder-één-kap woningen. De trillingen, het geluid en de uitstoot van fijnstof zullen als gevolg van de gewenste ontwikkeling daarmee alleen maar afnemen, wat een positief effect zal hebben op de betreffende gebieden.

Met de voorgenomen ontwikkeling zullen daarmee geen van de NNN-gebieden worden geschaad.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers sprake van beëindiging van een veehouderij, waarmee de uitstoot van ammoniak alleen maar zal afnemen. Omdat de uitstoot van ammoniak zal afnemen zal geen sprake zijn van een verhoogde, maar van een afname van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving, maar eerder van een verbetering van de situatie voor wat betreft deze gebieden.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Hilvarenbeek voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'gebied met een hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jager-verzamelaars (categorie 5)'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0016.png"

Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Gemeente Hilvarenbeek.

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 500 m² en dieper dan 10 centimeter onder maaiveld indien de locatie in een bestaand natuurgebied is gelegen en bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld indien de locatie buiten een bestaand natuurgebied is gelegen. De locatie is gelegen buiten een bestaand natuurgebied, waarmee onderzoek nodig is voor ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling van meer dan 500 m² en dieper dan 10 centimeter onder maaiveld, waarmee nader onderzoek naar archeologische resten noodzakelijk is. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de grond ter plaatse reeds is verstoord door in het verleden uitgevoerde coniferenteelt. Deze verstoringen hebben ervoor gezorgd dat de archeologische resten die nog kunnen worden aangetroffen niet meer intact kunnen zijn. Zodoende kan de archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit deze periode worden bijgesteld naar laag. De onderzoeker adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Voor het volledig onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 10 van deze onderbouwing.

Indien tijdens de werkzaamheden alsnog vondsten worden gedaan (toevalsvondsten) dan zullen deze direct aan het bevoegd gezag worden gemeld.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0798.BPVossenhol10B-VG01_0017.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

De locatie is gelegen in een cultuurhistorisch landschap en voor een klein deel in een cultuurhistorisch vlak. Het betreft het gebied De Kempen. Ten aanzien van dit gebied stelt de provincie het volgende:

" Beschrijving

De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Plaatsen met leem in de ondergrond hadden een gebrekkige afwatering, zodat daar vennen en kleine veenmoerassen ontstonden. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden.

De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen.

Goed bewaard gebleven voorbeelden van oude zandontginningen met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen zijn de buurtschappen in de omgeving van Cartierheide en Oerle-Knegsel. Gave beekland-schappen vinden we in (delen van) de dalen van de Dommel en de Beerze. Het Belvedèregebied beeklandschap van de Dommel ligt ten zuiden van Eindhoven. Kenmerkend zijn vloeiweiden en viskwekerijen, watermolens, omvangrijke bossen met heidevelden en vennen en aangrenzend cultuurlandschap.

Het cultuurhistorisch gave beeklandschap van de Beerze ligt in het noordelijke deel van de Kempen en maakt deel uit van het Nationale Landschap Het Groene Woud. De identiteit wordt bepaald door bossen met heide en vennen en nieuwe natuur in het beekdal.In de Kempen liggen tal van - vaak uitgestrekte - landgoederen. Oude landgoederen zijn bijvoorbeeld Baest, Heeze en Annanina's Rust. De landhuizen met bijgebouwen, de parken en lanen en de afwisseling van bossen en landbouwgronden verlenen de landgoederen grote cultuurhistorische betekenis. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos.

De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht. De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginnings-landgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen.

De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven.

Cultuurhistorisch belang

De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige klein-schaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland.

Essentiële acpecten

In de regio liggen de volgende cultuurhistorisch landschappen van provinciaal belang:

  • 1. Het Groene Woud (grotendeels in regio Meierij);
  • 2. Dommeldal;
  • 3. Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel;
  • 4. Oud zandlandschap Cartierheide;
  • 5. Oud zandlandschap bij Stiphout (ook deels in regio Peelrand);
  • 6. Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg.

Dragende structuren in de regio zijn:

  • 1. De oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden, en hakhoutbosjes en -wallen;
  • 2. De dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen;
  • 3. De woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen;
  • 4. Plantages met naaldhout;
  • 5. De (grote) landgoederen;
  • 6. De vloeiweiden en visvijvers;
  • 7. De watermolens;
  • 8. De oude kerklocaties buiten de dorpen;
  • 9. De grafheuvels.

Ontwikkelingsstrategie

  • 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio;
  • 2. De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen:
    • a. “Het Groene Woud” (grotendeels in gebiedspaspoort Meierij);
    • b. “Dommeldal”;
    • c. “Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel”;
    • d. “Oud zandlandschap Cartierheide” (met omliggende akkercomplexen);
    • e. “Oud zandlandschap bij Stiphout” (ook deels in gebiedspaspoort Peelrand);
    • f. “Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg” (Gorp en Rovert, De Utrecht, De Hoevens, Het Ooijvaarsnest, Wellenseind; ook deels in gebiedspaspoort Baronie);
  • 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek”, “Kempenland”, “Keersop-Dommel”, “Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa” en “Helmondse Akkers”."

De locatie is gelegen in een van de dorpen in De Kempen. Van belang hierbij is dat het landelijk karakter ervan zoveel mogelijk behouden blijft. Daarnaast dient de herkenbaarheid en de structuur van het landschap zoveel mogelijk behouden blijven.

Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor de ontwikkeling van een nieuwe twee-onder-één-kap woning. Deze nieuwe twee-onder-één-kap woning zal een landelijk karakter krijgen en draagt daarmee bij aan de landelijke uitstraling van de kern. Door de sloop van bebouwing zal de bebouwde oppervlakte afnemen, wat bijdraagt aan de openheid en ontstening van de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op het cultuurlandschap De Kempen, maar zal hier eerder aan bijdragen.

Het Vossenhol is aangemerkt als een historisch geografische zichtlijn met een redelijk hoge waarde. De voorgenomen ontwikkeling zal geen aanpassingen aan de structuur van deze zichtlijn tot gevolgen hebben. De ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard en vindt niet plaats op het Vossenhol, maar op een bestaand erf aan deze weg. Daarnaast zal de bebouwde oppervlakte afnemen door de voorgenomen ontwikkeling, wat de zichtlijnen en openheid ten goede komt. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de betreffende zichtlijn.

De dubbele boerderijwoning aan het Vossenhol 10 is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol pand. Met de voorgenomen ontwikkeling zullen geen wijzigingen aan het betreffende pand plaatsvinden. De werkzaamheden vinden in geheel op het naastgelegen perceel plaats. Hiermee is geen sprake van aantasting van het betreffende cultuurhistorisch waardevolle pand.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op het Vossenhol. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor voertuigen om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Op de locatie is momenteel een zeer brede inrit aanwezig die ruim voldoende mogelijkheden biedt voor de ontsluiting van zowel de huidge woning als de gewenste woningen. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. Daarnaast zal door de beëindiging van het bedrijf het vrachtverkeer van en naar de locatie in zijn geheel komen te vervallen. Er is alleen nog sprake van personenvervoer.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Daarbij dient te worden voldaan aan het parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018. Daarin is opgenomen dat bij functiewijzigingen dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Vanuit de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van kennisplatform CROW is voor vrijstaande woningen in de bebouwde kom een parkeernorm van minimaal 1,9 parkeerplaatsen opgenomen. Dit houdt in dat per woning afgerond minimaal 2 parkeerplaatsen nodig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar burgerwoning. Dit betreft echter een bestaande woning, waarbij reeds voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. De parkeerbehoefte verandert niet ten aanzien van deze woning.

Daarnaast wordt een twee-onder-één-kap woning opgericht. Daarbij dienen op basis van de parkeernormen minimaal 4 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Op de locatie is ruim voldoende gelegenheid om per woning 2 auto's en in totaal meer dan 4 auto's kwijt te kunnen.

Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein daarmee ruim voldoende gelegenheid zijn en zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor het oprichten van twee burgerwoningen, welke zullen worden opgericht in de vorm van één twee-onder-één-kap woning. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen, maar juist afnemen. Er is immers geen aan- en afvoer van voer, melk en dieren meer nodig. Daarnaast is geen sprake meer van bedrijfsmatig transport met vrachtverkeer en landbouwverkeer. Gezien het aantal verkeersbewegingen zal afnemen zal sprake zijn van een verbeterde situatie ten aanzien van verkeer.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit besluit wordt het begrip "waterhuishouding" breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

4.5.1 Beleid

Rijksbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.

Provinciaal beleid

Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. In de omgevingsvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod:

  • Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem;
  • Een betere waterveiligheid door preventie;
  • Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027.

Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het:

  • voldoende water voor mens, plan en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;
  • verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt.

Beleid waterschap, Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:

  • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
  • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
  • Wat schoon is moet schoon blijven.

Nog meer dan voorheen, is aanpassing aan de veranderende leefomgeving en het zoeken naar nieuwe oplossingen en antwoorden nodig. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan kunnen oplossingen worden gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit kan worden bereikt. Meer dan voorheen wordt daarbij ingezet op:

  • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
  • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied.
  • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Keur

De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger

De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.

Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek

De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor ¼ betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder "nieuw verhard oppervlak" wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken.

4.5.2 Waterhuishoudkundige gebieden

Beekdalen en reserveringsgebied waterberging

Binnen het werkgebied van het waterschap zijn, in de lagere delen van het landschap, beekdalen gelegen met aan de randen daarvan de hoger gelegen zandgronden. Omdat water van hoog naar laag stroomt is de beek daarom in het laagste deel van het beekdal gelegen. Echter kan in tijden van hevige neerslag water tijdelijk op het land naast de beek komen te staan.

Het water in de beken heeft ruimte nodig om water tijdelijk te parkeren. Zo blijven steden en dorpen droog. Dit wordt waterberging genoemd. In de beekdalen gelden geen standaardnormen, omdat hier soms waterberging nodig is. Het waterschap hoeft hier niets te doen om wateroverlast te voorkomen. Ook niet voor gebouwen.

Wel worden aanvullende gebieden aangewezen voor overstroming van de beekdalen. Binnen die aangewezen gebieden gelden dan aanvullende regels. In beginsel zijn hiervoor de volgende gebieden aangewezen:

  • Regionale waterberging.
  • Reservering waterberging.

Over een deel van de locatie, aan de zuidzijde, is een gebied reservering waterberging gelegen.

Binnen deze gebieden komt een overstroming gemiddeld eens per 100 jaar voor (vanuit het klimaatscenario in 2050), waarmee deze minder vaak overstromen. Toch is het van belang hierbinnen voldoende ruimte te behouden voor waterberging, omdat het wenselijk is om in de toekomst ook voldoende ruimte te hebben voor waterberging in de beekdalen. Daarnaast is het van belang te voorkomen dat water schade kan veroorzaken aan gebouwen en/of bedrijven.

Omdat er voor de reserveringsgebieden van het waterschap geen norm van toepassing is, wil dit zeggen dat er voor de waterbeheerder geen inspanningsverplichting geldt om maatregelen te nemen om een bepaald beschermingsniveau te (blijven) garanderen. Er vindt geen achteruitgang plaats, de status quo blijft van toepassing. Als er door projecten elders een verslechtering in het beschermingsniveau zou plaatsvinden moet dat gecompenseerd worden door de waterbeheerder.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) vindt met de voorgenomen ontwikkeling geen verslechtering plaats. Daarnaast is het reserveringsgebied voor waterberging alleen over het meest zuidelijke deel van de locatie gelegen, waarbinnen geen ontwikkelingen plaatsvinden. Aanvullende compensatie is daarmee niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op het reserveringsgebied waterberging.

Beschermingszone natte natuurparel

Voor meer gevoelige gebieden in het kader van de waterhuishouding zijn de zogenaamde Attentiegebieden waterhuishouding aangewezen. Binnen deze gebieden strekt het beleid tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

Binnen de attentiezone zijn onder andere de beschermingszones voor natte natuurparels opgenomen. Een deel van de locatie, met name het zuidelijke deel, is aangemerkt als een beschermingszone natte natuurparels. Het doel van deze gebieden is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is.

Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die van nadelige invloed zijn op de natte natuurparels. De werkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone. Daarnaast wordt de veehouderij beëindigd, waarmee er minder kans is op verontreinigingen van het oppervlakte- en/of grondwater. Ook zal het bebouwde oppervlak afnemen, wat de waterhuishouding ten goede komt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de natte natuurparels.

4.5.3 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor het oprichten van een nieuwe twee-onder-één-kap woning. Hierbij zal de bestaande bedrijfsbebouwing (een ligboxenstal en een mestopslag, worden gesloopt. In totaal zal de bebouwde en verharde oppervlakte afnemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:

  • Voor ontwikkelingen tot 500 m² is geen aanvullende compensatie nodig.
  • Voor ontwikkelingen tussen de 500 m² en 10.000 m² dient de rekenregel te worden toegepast om te bepalen hoeveel compensatie nodig is.
  • Voor ontwikkelingen boven de 10.000 m² is maatwerk noodzakelijk.

De gemeente heeft echter een eigen (strenger) beleid ten aanzien van de verwerking van hemelwater. Het waterbeleid van de gemeente is opgenomen in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitbreidingen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert voor compensatie bij ontwikkelingen buiten de bebouwde kom de volgende richtlijnen:

  • Hemelwater dient bij nieuw verharde oppervlakken met meer dan 250 m² gematigd af te wateren op watergangen om zo wateroverlast te voorkomen.
  • Bij een toename van verharde oppervlakken met meer dan 250 m² geldt de eis dat de hemelwaterafvoer moet voldoen aan de buffer die geldt bij een situatie T=10. Deze buffer bedraagt 35 mm per m² toename.
  • Bij een toename van verharde oppervlakken met meer dan 250 m² moet bij het ontwerp van een bergingsvoorziening rekening te worden gehouden met een buffer van 60 mm en een tijd van maximaal 24 uur waarbinnen de voorziening weer is geledigd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak afnemen. Echter stelt het beleid van de gemeente dat de aanleg van nieuwe verharde oppervlakken in zijn geheel in aanmerking moeten komen voor compensatie. Het slopen van bebouwing wordt daarbij niet meegerekend. Dit betekent dat de oppervlakte van de twee-onder-één-kap woning, de bijgebouwen en de erfverharding moet worden gezien als een toename van het verhard oppervlak op basis van het gemeentelijk beleid en dient derhalve te worden gecompenseerd volgens de hiervoor aangegeven uitgangspunten.

De nieuwe woningen zullen een inhoud van maximaal 750 m³ krijgen. Dergelijke woningen hebben doorgaans een maximale oppervlakte van 150 m². Dit houdt in dat de twee woningen een totale oppervlakte van maximaal 300 m² zullen hebben. Daarnaast zal er maximaal 300 m² aan bijgebouwen worden opgericht (maximaal 150 m² per woning). Voor de ontsluiting van het perceel en de bereikbaarheid van en rondom de woningen zal nog maximaal 200 m² aan erfverharding worden aangelegd. Er is daarmee sprake van een maximale toename van het verhard oppervlak met 800 m².

Op basis van de compensatieregels van het beleid van de gemeente dient per m² minimaal 60 millimeter te worden gecompenseerd. Bij een toename van 800 m² is daarmee een compensatie nodig van minimaal 48 m³ nodig.

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de woning op wordt geloosd.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.4 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) is voor de voorgenomen ontwikkeling minimaal 48 m³ aan compenserende waterberging nodig.

Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. Volgens gegevens uit de Bodematlas Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant bedraagt de GHG ter plaatse tussen de 80 en 100 centimeter onder het maaiveld (gemiddeld 90 centimeter onder het maaiveld).

Infiltratie is doorgaans goed mogelijk wanneer de GHG op minimaal 50 centimeter onder het maaiveld is gelegen. Met een gemiddelde GHG ter plaatse van 90 centimeter onder maaiveld is infiltratie goed mogelijk.

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak ter plaatse zal door de initiatiefnemer ter plaatse van de huidige te slopen silo een bergingsvoorziening in de vorm van een poel/wadi worden gerealiseerd. Deze voorziening zal voldoende groot worden aangelegd om de gestelde capaciteit te kunnen bergen. Tevens zal deze worden voorzien van een overloop naar de gemengde riolering.

Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook eventuele planschade in een deze overeenkomst worden geregeld.

Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Kern Biest-Houtakker" van gemeente Hilvarenbeek en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Hilvarenbeek vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

5.4 Participatie

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gehouden. Daarbij zijn omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gebracht van de plannen van de initiatiefnemer en daarbij in de gelegenheid gesteld om eventuele zorgen en/of aandachtspunten nader kenbaar te maken.

Vanuit de gehouden dialoog met de omgeving zijn geen zorgen en/of aandachtspunten van omwonenden en/of belanghebbenden naar voren gebracht. De reacties tijdens de dialoog waren overwegend enthousiast. Daarmee heeft de voorgenomen ontwikkeling voldoende draagvlak vanuit de omgeving.

Voor het verslag van de dialoog met de omgeving wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting. Vanwege privacy-overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt.

5.5 Zienswijzen

In het kader van de ruimtelijke procedure volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het voorliggend plan van 24 november 2022 tot en met 4 januari 2023 als ontwerp ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van ter inzage legging zijn twee zienswijzen ingebracht op het voorliggend plan. In deze paragraaf worden de ingekomen zienswijzen puntsgewijs samengevat en is opgenomen op welke wijze met de aangedragen punten is omgegaan.

5.5.1 Zienswijze waterschap De Dommel

Op 19 december 2022 heeft het waterschap De Dommel op het voorliggende plan tijdens de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze ingediend. Kort samengevat luidt de zienswijze als volgt:

  • 1. Op de verbeelding is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Reserveringsgebied waterberging' opgenomen over het gehele plangebied. Vanuit de provinciale kaarten behorende bij de Interim Omgevingsverordening is dit gebied slechts over een deel van het plangebied gelegen. Het waterschap verzoekt de dubbelbestemming op de verbeelding in overeenstemming te brengen met het gebied zoals in de provinciale kaart is weergegeven.
  • 2. Op de verbeelding is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone natte natuurparel' over het gehele plangebied gelegen. Vanuit de kaart behorende bij de Keur van het waterschap is dit gebied slechts over een deel van het plangebied gelegen. Het waterschap verzoekt ook deze dubbelbestemming op de verbeelding in overeenstemming te brengen met het gebied zoals in de kaart behorende bij de keur van het waterschap is weergegeven.
  • 3. Het waterschap vindt de waterparagraaf wat aan de beknopte kant en verzoekt in de waterparagraaf nog meer informatie op te nemen over het meest recente water gerelateerde beleid van Rijk, provincie en gemeente en over de hydrologische omstandigheden, waaronder de zones zoals zijn aangegeven met de dubbelbestemmingen en de redenen daarvoor.

Voor het overige heeft het waterschap aangegeven te kunnen instemmen met het voorliggende plan.

Met de zienswijze van het waterschap is als volgt omgegaan:

  • 1. De verbeelding is hierop aangepast. De dubbelbestemming is overgenomen van de provinciale kaart behorende bij de Interim Omgevingsverordening.
  • 2. De verbeelding is ook hierop aangepast. De dubbelbestemming is overgenomen vanuit de kaart behorende bij de keur van het waterschap.
  • 3. De waterparagraaf (paragraaf 4.5) is hier mee aangevuld.

Gezien het voorgaande is in voldoende mate tegemoet gekomen aan de zienswijze van het waterschap.

De volledige beantwoording van de zienswijze en de daaruit volgende ambtshalve wijzigingen zijn nader omschreven in de "Nota van beantwoording zienswijzen" en de "Nota van ambtshalve wijzigingen", welke zijn opgenomen als bijlage 12 en 13 van deze toelichting.

5.5.2 Zienswijze bewoners Vossenhol 9a

Op 10 december 2022 hebben de bewoners van de woning aan Vossenhol 9a, tevens eigenaars van een agrarisch bedrijf, op het voorliggende plan tijdens de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze ingediend. Kort samengevat luidt deze zienswijze als volgt:

Met betrekking tot de Nota woon- en leefklimaat die als bijlage 3 bij het voorliggende plan is opgenomen en de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) van het voorliggende plan:

  • 1. Als de voorgrondbelasting meer is dan de helft van de achtergrondbelasting, dan is de voorgrondbelasting bepalend voor het percentage geurgehinderden in het kader van de afweging/beoordeling van het woon- en leefklimaat. Dat betekent ook dat het hinderpercentage moet worden afgeleid uit tabel B in plaats van tabel A. De voorgrondbelasting is namelijk bepalend. Dit volgt ook uit hetgeen is opgenomen in het rapport.
  • 2. De doorvertaling van de resultaten van de geurberekeningen naar de conclusies in het kader van woon- en leefklimaat kloppen niet.
  • 3. Zowel in de provinciale verordening als het onderzoek dat de gemeente heeft uitgevoerd (geur en fijnstof in de gemeente Hilvarenbeek, onderzoek naar de belasting), waarin de gemeente aansluit op de landelijke en provinciale uitgangspunten, volgen waarden om de geurbelasting te beoordelen. In het kader van de beoordeling van de milieukwaliteit voor woonkernen in het buitengebied geldt voor deze gebieden een percentage van maximaal 12% voor het aantal geurgehinderden binnen de bebouwde kom. De locatie maakt deel uit van de bebouwde kom van de kern Biest-Houtakker. Uit de geurberekeningen volgt dat de voorgrondbelasting tussen de 5,4 en 6,8 odeurunits per kubieke meter lucht bedraagt. Wanneer deze wordt vertaald naar de tabel met geurgehinderden dan is sprake van een percentage van meer dan 12%, waarmee geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zoals de gemeente dat voor ogen heeft in de bebouwde kom.
  • 4. Op basis van de gemeentelijke geurverordening geldt een norm voor de voorgrondbelasting van maximaal 2 odeurunits per kubieke meter lucht met een bijbehorend percentage geurgehinderden van ongeveer 6%. Het bedrijf van de indiener van de zienswijze is zowel op voorgrond als achtergrond bepalend ten aanzien van de nieuwe woningen. Een maximaal percentage van 12% geurgehinderden is daarmee al hoger dan dat de gemeente voor de bebouwde kom heeft beoogd. De berekende geurbelasting op de woningen sluit daarmee niet aan bij de doelstellingen van de gemeente voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De nieuwe woningen zullen daarmee leiden tot extra burgers/personen die worden blootgesteld aan geurhinder als gevolg van het bedrijf van de indiener van de zienswijze. Dit leidt daarmee onherroepelijk tot verdere beperkingen van de agrarische bedrijfsvoering van de veehouderij van de indiener van de zienswijze.
  • 5. De geurberekeningen zijn niet verifieerbaar, omdat de daarbij behorende bijlagen ontbreken.

Met de zienswijze van de bewoners van de woning aan Vossenhol 9a en uitvoerders van het ter plaatse gevestigde bedrijf is als volgt omgegaan:

  • 1. De constatering dat de voorgrondbelasting leidend is en tabel B gebruikt dient te worden klopt. In de notitie woon- en leefklimaat is ook gebruik gemaakt van tabel B, welke in het rapport is meegenomen.
  • 2. In de notitie woon- en leefklimaat wordt vermeld dat de berekende waarde ten hoogste 6,8 OU/m³ bedraagt. Deze waarde correspondeert met een matig woon en leefklimaat. Het is inderdaad correct dat de doorvertaling van de berekende waarden niet geheel correct is. Naar aanleiding van de zienswijze zijn de geurberekeningen opnieuw uitgevoerd en is de notitie woon- en leefklimaat aangepast. Daarbij is dit punt gecorrigeerd.
  • 3. Het bepalen van een acceptabel woon- en leefklimaat is een bevoegdheid van het college. De hier aangehaalde norm van 12% is een richtwaarde die volgt uit landelijke en provinciale wetgeving waarvan gemotiveerd door het College kan worden afgeweken. Het advies van de omgevingsdienst aan de gemeente is bij het bepalen van de hoogte van een acceptabel woon- en leefklimaat aan te sluiten bij eerdere vastgestelde woningbouwplannen in de gemeente en bij vergelijkbare woningbouwinitiatieven. Hiervoor dienen dan wel nieuwe geurberekeningen te worden gemaakt. Op basis van de zienswijze en het advies van de omgevingsdienst zijn nieuwe geurberekeningen gemaakt. Daarbij is tevens de notitie woon- en leefklimaat aangepast en aangevuld. Daarbij is een nadere motivatie opgenomen voor het bepalen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij is aangesloten bij richtlijnen die zijn gebruikt bij andere, vergelijkbare woningbouwinitiatieven in de omgeving.
  • 4. Door de reeds aanwezige en omliggende woningen op de adressen Vossenhol 9A, 9, 13 en 12 zijn de uitbreidingsmogelijkheden van de indiener van de zienswijze al ernstig beperkt. De nieuwe woningen die op de plaats van de rundveestal worden gebouwd liggen verder dan de reeds aanwezige woningen bij de veehouderij vandaan. De herbestemming van de bestaande bedrijfswoning levert geen grote of andere beperkingen op omdat er sprake is van een woning die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden onderdeel uit te maken van een veehouderij. De aangehaalde 12% volgt uit het ruimtelijke toetsingskader en speelt dus een rol bij dit bestemmingsplan. Het is geen toetsingsgrond voor de vergunningverlening in het kader van milieu. Daarom levert een overschrijding geen belemmering in de bedrijfsvoering van het bedrijf van de indiener van de zienswijze.
  • 5. Het klopt inderdaad dat de bijlagen ontbraken. Deze zijn in de gecorrigeerde versie van de notitie woon- en leefklimaat toegevoegd.

Verder is op advies van de omgevingsdienst zowel de notitie woon- en leefklimaat (bijlage 3 van de voorliggende toelichting) als de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) van de voorliggende toelichting aangepast. Daarbij zijn nieuwe geurberekeningen gemaakt en is een vergelijking gemaakt met vergelijkbare woningbouwinitiatieven in de omgeving. Op basis van de aangepaste notitie woon- en leefklimaat met de daarbij behorende geurberekeningen is te concluderen dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd en dat het bedrijf van de indiener van de zienswijze niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt.

Op basis van het voorgaande is daarmee in voldoende mate tegemoet gekomen aan de zienswijze van de bewoners van de woning aan Vossenhol 9a.

De volledige beantwoording van de zienswijze en de daaruit volgende ambtshalve wijzigingen zijn nader omschreven in de "Nota van beantwoording zienswijzen" en de "Nota van ambtshalve wijzigingen", welke zijn opgenomen als bijlage 12 en 13 van deze toelichting.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Wonen', waarbij de functie wonen in een woning wordt neergelegd.
  • 'Agrarisch', waarbij de functie voor het agrarisch gebruik van de gronden (zonder bedrijfsbebouwing) wordt neergelegd.

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

  • Het bestemmingsvlak voor wonen zal met de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind tot een passende omvang bij een burgerwoningen en de daarbij behorende bijgebouwen. Dit is nader weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.
  • De locatie zal worden voorzien van een aanduiding die ter plaatse twee wooneenheden in de vorm van een twee-onder-één-kap woning mogelijk maakt. De huidige om te schakelen bedrijfswoning zal worden voorzien van een aanduiding die een vrijstaande woning mogelijk maakt. Dit is nader weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).