direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Gasbedrijf Touwslager
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

J.C van Loon Gasservice is voornemens een gasbedrijf, aan de Touwslager in Nieuwkuijk te exploiteren. Dit betreft een inrichting bestaande uit een groothandel in vloeibare en gecomprimeerde gassen en vloeistoffen ten behoeve van medisch gebruik, van de industrie, alsmede recreatie, omvattende onder meer een gasvulbedrijf, alsmede op- en overslag van gasflessen en andere drukhouders en de groothandel in gasgerelateerde producten, zoals gasflessen, drukhouders, appendages en onderdelen, barbecues, gasterrasverwarming en gaskachels.

Met deze nieuwe locatie komt de op- en overslag van bovengenoemde producten op de bedrijfslocatie aan de Bosscheweg 67 te Drunen te vervallen. Om het initiatief mogelijk te kunnen maken dient een planologisch-juridische procedure doorlopen te worden.

Het plangebied

Het plangebied is gelegen ten westen van het bedrijventerrein Het Hoog. De oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 12.085 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0001.png"

Ligging plangebied (luchtfoto 2013)

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten van het initiatief geschetst en in hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van het initiatief gegeven. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de realiserings- en uitvoeringsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische planopzet. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan bod.

Hoofdstuk 2 Uitgangspunten

2.1 Huidige situatie

De beoogde locatie is thans in gebruik als grondopslag ten behoeve van de aanleg van bedrijventerrein Het Hoog. Het perceel ligt ten noorden van een perceel, dat door Rijkswaterstaat wordt gebruikt voor opslag van o.a. grond en stenen en ten zuiden van het perceel Touwslager 11 te Nieuwkuijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0002.png"

Locatie aan de Touwslager te Vlijmen (luchtfoto 2013)

2.2 Geldende planologische situatie

De realisatie van een gasbedrijf past niet binnen het thans geldend bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Vlijmen, vastgesteld op 22 april 1991 en op 10 december 1991 gedeeltelijk goedgekeurd door Gedeputeerde Staten, aangezien voor het perceel een bestemming 'Agrarisch gebied' is opgenomen.

Dit perceel was aanvankelijk opgenomen binnen het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied”. In zijn vergadering van 18 december 2012 heeft de gemeenteraad besloten het perceel buiten het plangebied te laten. Daartoe werd de volgende motivering/overweging gehanteerd:

Ten aanzien van dit perceel bestaat de verwachting dat er sprake zal zijn van een wezenlijk andere bestemming dan de agrarische bestemming die was opgenomen in het ontwerpplan. Om die reden wordt voor dit perceel een nieuwe procedure doorlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0003.jpg"

Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied, voormalige gemeente Vlijmen met ligging plangebied (rode cirkel)

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0004.jpg"

Uitsnede vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied, met ligging plangebied (rode cirkel)

2.3 Beleid

In navolgende paragraaf wordt een verantwoording gegeven hoe het initiatief zich verhoudt tot de Verordening ruimte Noord-Brabant 2012 van de provincie en het gemeentelijk beleid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0005.jpg"

Verordening ruimte Noord-Brabant 2012

Verordening ruimte Noord-Brabant 2012

De Verordening ruimte Noord-Brabant 2012 draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de (Interim)structuurvisie Ruimtelijke Ordening en paraplunota en bevat hiertoe instructieregels die van belang zijn voor gemeenten bij het opstellen van hun bestemmingsplannen. De verordening wijst het gebied waarin het plangebied zich bevindt aan als 'zoekgebied voor verstedelijking'.

Daarnaast is weergegeven dat het plangebied niet in een ecologische hoofdstructuur is gesitueerd. Een stedelijke ontwikkeling is derhalve mogelijk conform de verordening. Wel dient voldaan te worden aan artikel 2.2 'kwaliteitsverbetering van het landschap'. Een verantwoording dient te worden gegeven waarop financieel, juridisch en feitelijk verzekerd is de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatie mogelijkheden van het gebied.

In onderhavig geval is enerzijds sprake van een uitruil van gronden en anderzijds is er sprake van een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe locatie.

Uitruil gronden

De gronden zijn zoals aangegeven opgenomen als 'zoekgebied voor verstedelijking'. Er vindt uitruil van dezelfde oppervlakte gronden plaats met de bedrijfslocatie aan de Bosscheweg 67 te Drunen, waardoor per saldo er geen sprake is van uitbreiding van verstedelijking in het landelijk gebied. De uitruil van gronden aan de Bosscheweg 67 is middels een (vaststellings)overeenkomst vastgelegd en separaat vindt de juridische-planologische borging plaats. Daarbij wordt aan de gronden aan de Bosscheweg ter grootte van 10.628 m2 een bestemming 'natuur' toegekend.

Landschappelijke inpassing

Door de beoogde activiteiten ontstaat tevens ruimte de locatie landschappelijk in te richten, zie hoofdstuk 3. In een (vaststellings)overeenkomst met de initiatiefnemer is deze uitvoering juridisch vastgelegd. Voorts is de landschappelijke inpassing in het bestemmingsplan juridisch vastgelegd, zie ook paragraaf 3.1.

Structuurvisie

Op 21 juli 2009 is de Structuurvisie door de gemeenteraad van Heusden vastgesteld. Het doel van deze visie is het richting geven aan de gemeentelijke ambities voor de ruimtelijke ontwikkeling van de komende tien jaren. In de visie is het plangebied opgenomen als 'uitbreiding bedrijven'. In de toelichting is als actiepunt de uitbreiding van bedrijventerrein Het Hoog genoemd, voor bedrijven met een regionale uitstraling en voor bedrijfsverplaatsingen van lokale bedrijven. In onderhavig geval is sprake van een verplaatsing van een lokaal bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0007.jpg"

Uitsnede Structuurvisie gemeente Heusden

De locatie is gelegen in een gebied dat in de gemeentelijke structuurvisie voor de lange termijn is aangewezen als een uitbreidingslocatie. Gezien de omvang en de ligging van de plaatsgebonden risicocontour (zie paragraaf 4.1) vormt de vestiging van dit bedrijf geen beletsel voor de eventuele realisatie van die uitbreiding, omdat er voldoende ruimte resteert voor de projectie van (beperkt)risicogevoelige objecten.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Locatie en inpassing

De beoogde bedrijfsactiviteiten zijn op basis van stedenbouwkundige eisen niet wenselijk op een regulier bedrijventerrein. De bedrijventerreinen in de gemeente Heusden en omgeving hanteren in een aantal gevallen een minimaal bebouwingspercentage. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijventerrein Het Hoog.

Een gasbedrijf heeft echter een laag bebouwingspercentage, waardoor dit bedrijf moeilijk stedenbouwkundig inpasbaar is op een bedrijventerrein. Gezien de specifieke eisen vanuit externe veiligheid, zie paragraaf 4.1, zijn de activiteiten bovendien niet geschikt in een woon- en/ of werkomgeving.

De beoogde bedrijfsactiviteiten zijn gesitueerd op de Touwslager in Nieuwkuijk. De gehele inrichting omvat naast de gasopslagvoorzieningen, gas- en propaanaanvulfaciliteit, een kantoorruimte, een opstelplaats voor (transport-)voertuigen en parkeervoorzieningen. Op het terrein vinden de volgende algemene activiteiten plaats:

  • opslag propaan in ondergrondse tanks;
  • verlading van propaan;
  • opslag gasflessen met brandbare gassen;
  • vullen van gasflessen;
  • opstelling vrachtwagens;
  • opslag overige industriële en medicinale gassen;
  • leidingwerk voor verlading.

De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast, zoals op hoofdlijnen is aangegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0008.jpg"

De realisering en instandhouding van de landschappelijke inrichting is via een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan geborgd (artikel 3.2.3). Voor meer informatie over de exacte inpassing wordt verwezen naar Bijlage 1 Inrichtingsplan.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheidsaspecten

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. Ten behoeve van het voorliggend initiatief dient inzichtelijk te worden gemaakt dat het plan haalbaar is in relatie tot de verschillende planologische en milieuhygiënische aspecten.

4.1 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het vigerende beleid is vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen.

In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk, en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Aangezien de opslaghoeveelheid de onderste drempel van het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo) overschrijdt is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld (Tebodin Netherlands BV, Kwantitatieve Risicoanalyse (QRA), J.C. van Loon Gasservice, 15 februari 2013), zie bijlage Bijlage 2 QRA en Bijlage 3 Aanvulling QRA.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar op een dodelijk ongeval ten gevolge van een ongewoon voorval (ongeval scenario) indien een persoon (onbeschermd in de buitenlucht) zich bevindt op een bepaalde plaats waar hij voortdurend (24 uur per dag en gedurende het gehele jaar) wordt blootgesteld aan de schadelijke gevolgen van een voorval.

Het PR wordt weergegeven als PR-contouren. Zo laat de 10-6 PR-contour die plaatsen zien waar de kans op het overlijden van een persoon één miljoenste per jaar bedraagt. Het plaatsgebonden risico is berekend met Safeti-NL en voor de aangevraagde situatie weergegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0009.jpg"

Plaatsgebonden risicocontouren

De PR 10-5 en 10-6 contouren lopen niet over (geprojecteerde) kwetsbare of beperkte kwetsbare objecten.

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Het GR wordt vastgelegd in een zogenaamde F(N)-curve en is, in tegenstelling tot het PR, afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0010.jpg"

Conclusie

  • Uit bovenstaande figuur is te zien dat, voor de aangevraagde situatie, de oriëntatiewaarden niet worden overschreden en daarmee door de gemeente het groepsrisico te verantwoorden is. Zie Bijlage 4 Verantwoording groepsrisico

4.2 Verkeer en parkeren

De realisatie van het bedrijf binnen het plangebied heeft verkeersbewegingen tot gevolg. De vraag is of de verkeersbewegingen effecten hebben op het geheel van verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied.

Verkeersgeneratie

Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt gebruik gemaakt van:

  • 1. 2 vrachtwagens (in eigendom). In de toekomst uit te breiden tot mogelijk 3 stuks;
  • 2. Tankauto's (ca. 100 maal per jaar om 3 ondergrondse tanks te vullen);
  • 3. 2 heftrucks. In toekomst mogelijk uit te breiden tot 3 stuks.
  • 4. ca. 2 bestelauto's (in eigendom en personeel)
  • 5. ca. 4 personenauto's (in eigendom en personeel)

Naar verwachting vinden ca. 10 transportbewegingen per etmaal door vervoermiddelen van bezoekers plaats (variërend van vrachtwagen, bestelauto's tot personenauto's.

Deze verkeersgeneratie is door de aanwezige verkeerswegen prima op te vangen.

Parkeren

Het parkeren vindt op eigen terrein plaats, op de aan te brengen parkeervoorzieningen. De openbare wegen worden hierdoor niet belast met parkerende voertuigen.

4.3 Bodem

Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer:

  • nog geen gegevens betreffende de bodemgesteldheid bekend zijn (dit betekent dus ook dat als er een bodemkwaliteitskaart is, er geen bodemonderzoek meer hoeft te komen);
  • er meer dan twee uur per dag mensen in verblijven;
  • als het bouwwerk de grond raakt en;
  • als er na sloop wordt herbouwd.

Op basis van historisch gebruik van het perceel als agrarische gronden gaat het om een onverdachte locatie. Voor de omgevingsvergunning zal nader bezien worden of een bodemonderzoek nodig is.

Conclusie

Voor de uitvoerbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan is het niet noodzakelijk om reeds in dit stadium bodemonderzoek uit te voeren. De bodemkwaliteit kan niet tot een onuitvoerbaar plan leiden, mits indien nodig de grond gesaneerd wordt. Derhalve is voorliggend plan uitvoerbaar ten aanzien van het aspect bodem.

4.4 Archeologie

Verdrag van Malta

Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door alle lidstaten van de Raad van Europa. Eén van de doelstellingen van het Verdrag van Malta is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Hiervoor is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) aangenomen, de wet waarmee onder andere de Monumentenwet 1988, Wet milieubeheer, de Woningwet en de Ontgrondingenwet zijn gewijzigd.

Het belangrijkste instrument is hierbij het gemeentelijke bestemmingsplan. Bouw- en andere werkzaamheden, waarbij ingrepen in de bodem plaatsvinden moeten immers aan het bestemmingsplan worden getoetst. Op grond van de Monumentenwet 1988 dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met archeologische waarden en verwachtingen (Monumentenwet 1988 art. 38a). Hierin kunnen bepalingen zoals het overleggen van een rapport (het archeologisch vooronderzoek), vrijstellingsnormen, eventueel verbinden van voorschriften aan vergunning of ontheffing worden opgenomen. De manier waarop archeologie kan worden opgenomen in bestemmingsplannen staat beschreven in de Monumentenwet 1988.

De gemeente Heusden heeft in regionaal verband een Archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een Archeologische Beleidsadvies gemaakt (VESTIGIA BV, Rapportnummer: V834, definitief 2.2, d.d. 20/12/2011). Het plangebied is grotendeels aangewezen als 'Waarde-Archeologie 3' en voor een klein gedeelte aan de zuidzijde als 'Waarde-Archeologie 4'. Voor 'Waarde-Archeologie 3' geldt dat indien werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 50 cm over een oppervlakte van meer dan 500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor 'Waarde-Archeologie 4' geldt dat indien werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 50 cm over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0011.jpg"

Uitsnede Archeologische Beleidsadvieskaart

Conclusie

Archeologisch onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden, omdat daarom niet kan worden uitgesloten dat er ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, zijn ter bescherming van die waarden archeologische dubbelbestemmingen opgenomen die corresponderen met de begrenzing en de normering van de archeologische beleidsadvieskaart.

4.5 Flora- en fauna

Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden ('Natura 2000'). Om dit te bereiken zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen zijn alle lidstaten, dus ook Nederland, verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of andere aan deze richtlijn onderhevige gebieden en is daarom niet van een nadelige invloed hierop.

Flora- en faunawet

Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn moet tevens een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten worden beschermd. Deze soortenbescherming is in Nederland geïmplementeerd in de Flora- en faunawet. Als gevolg van het in werking treden van de Flora- en faunawet heeft de natuurtoets een zwaarder karakter gekregen in de ruimtelijke ordening. De Flora- en faunawet schrijft voor dat bij ruimtelijke ingrepen geen schade toegebracht mag worden aan beschermde dier- en plantensoorten.

Conclusie

Gelet op het huidige gebruik (onbebouwd voormalig agrarisch perceel, dat tijdelijk door de gemeente voor grondopslag is gebruikt) en de ligging van de locatie mag in redelijkheid worden aangenomen dat er in het gebied geen flora- en faunawaarden voorkomen, die het uitvoeren van het plan in de weg staan. Deze constatering neemt overigens niet weg dat de eigenaren van het perceel ontheven zijn van de zorgplicht.

De Flora- en faunawet kent namelijk een zorgplicht waarin vermeld staat dat voldoende zorg in acht dient te worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten en voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover dit in redelijkheid kan worden gevergd. Hieronder kunnen ook maatregelen worden verstaan die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet.

4.6 Water

Het Rijksbeleid ten aanzien van water is neergelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (1998). Hierin is aangegeven dat het waterbeheer in Nederland moet zijn gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde duurzame watersystemen. Om dit te bereiken moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van een watersysteembenadering en integraal waterbeheer. In de nota is onder meer aangegeven dat stedelijk water meer aandacht moet krijgen. Volgens de nota Waterbeheer in de 21e eeuw (2000) moet aan het watersysteem meer aandacht worden gegeven om de natuurlijke veerkracht te benutten. Voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren" staat hierbij centraal. Ook in stedelijke uitbreidingen dient daarom het overtollige hemelwater beter te worden vastgehouden.

Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, per 1 juli 2008 verankerd in art. 3.1.6 lid 1 sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets is een overlegverplichting tussen initiatiefnemer en waterbeheerder(s) en geldt onder andere voor het vaststellen van een bestemmingsplan, of een wijzigings- en uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub a en b Wro. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op even wichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Het Waterschap Aa en Maas stelt voorwaarden aan de realisatie van nieuwe bebouwing. Zo mag het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil), door de planuitvoering niet verslechteren. De bouw van de woning gaat niet gepaard met ingrepen in het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk

Voor Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas is de beleidsterm "hydrologisch neutraal ontwikkelen" in de notitie 'Ontwikkelen met duurzaamwateroogmerk' inhoudelijke uitgewerkt en onderbouwd. Bovendien zijn de (nieuwe) uitgangspunten en randvoorwaarden van beide waterschappen bij dit project geïntegreerd. Deze uitgangspunten en randvoorwaarden worden toegepast in het proces van de watertoets.

De beleidsterm "hydrologisch neutraal ontwikkelen" geeft invulling aan het "niet afwentelen" principe, zoals door de commissie waterbeheer 21e eeuw (WB21) is gegeven. In principe heeft elke ruimtelijke ontwikkeling invloed op de hydrologie. De beleidsterm "hydrologisch neutraal" heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg hebben. Zo mogen bijvoorbeeld geen hydrologische knelpunten worden

gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in het plangebied en het beïnvloedingsgebied.

De definitie van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' is vertaald in een aantal toetsbare criteria:

  • 1. er is geen toe- of afname van de waterafvoer op de rand van het plangebied;
  • 2. er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn);
  • 3. er mag geen overlast optreden door extreme gebeurtenissen;
  • 4. de omvang van grondwateraanvulling blijft gelijk (dit is de som van infiltratie vanaf oppervlak, inzijging vanuit oppervlaktewater, kwel en drainage);
  • 5. er mogen geen veranderingen van grondwaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn).

Plangebied

Referentiesituatie

Het huidige plangebied aan de Touwslager te Nieuwkuijk betreft een onbebouwd voormalig agrarische perceel, dat door de gemeente is gebruikt voor grondopslag ten behoeve van het aangrenzende bedrijventerrein 't Hoog. Het perceel is niet van een verharding voorzien.

Voorgenomen activiteit

Door realisatie van de nieuwe bebouwing en verharding zal het verharde oppervlakte met 10.800 m2 toenemen.

Oppervlakte   Huidig   Toekomstig  
Bebouwing   0 m2   722 m2  
Erf verharding   600 m2   10.078 m2  
Totaal oppervlakte verharding   600 m2   10.800 m2  

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0012.jpg"

Inrichtingsschets van nieuwe situatie aan de Touwslager met ligging bebouwing

Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).

Het watersysteem in het landelijke gebied is veelal ontworpen op een (afvoer)gebeurtenis met een herhalingstijd van 10 jaar (T=10). Er dient getoetst te worden aan de maatgevende neerslaggebeurtenis volgens de regenduurlijn T=10. Door de klimaatsveranderingen nemen de neerslagintensiteiten in komende decennia mogelijk toe. De neerslagvolumen van de regenduurlijnen worden daarom vooraf met 10% verhoogd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPgasbedrijfTouwsl-VG01_0013.jpg"

Regenduurlijnen

Om hydrologisch neutraal te bouwen en versnelde afvoer te voorkomen, worden de volgende waterkwantiteitstrits gehanteerd, waarbij de optie 'hergebruik' het meest wenselijk en de optie 'afvoeren naar oppervlaktewater' het minst wenselijk is. Optie 'hergebruik': hergebruik van regenwater vindt niet plaats binnen de bestemmingen van de initiatiefnemer. Binnen de inrichting zijn geen mogelijkheden deze hemelwatertoevoer te verwerken of hergebruiken. Optie 'vasthouden': geconcludeerd kan worden dat op basis van de grondwaterstanden (GHG 0,6 m – mv) en de gemiddelde infiltratiemogelijkheden ter plaatse, de bodem redelijke mogelijkheden biedt voor de berging en infiltratie van hemelwater. In periode van kwel zijn de infiltratiemogelijkheden beperkt. Er zal een bergingsvoorziening gerealiseerd worden binnen de inrichting.

Bergingscapaciteit

Versnelde afvoer door de geplande uitbreiding dient voorkomen te worden. Door het nieuwe verharde oppervlak zal het water versneld afstromen. Dit effect kan opgevangen worden door deze versnelde afvoer te compenseren middels een waterberging (retentie). Waterschap de Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk het toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen ontwikkeld. Het toetsinstrumentarium is in principe bruikbaar voor toetsing van alle plannen. In een aantal gevallen is aanvullend het gebruik van een (geo)hydrologisch model nodig. Voor de planlocatie is dit niet noodzakelijk. ER zijn 3 verschillende type infiltratievoorzieningen die gebruikt kunnen worden voor de compensatie van de toename van het verhard oppervlak:

  • IT Riolering
  • Ondergronds infiltratievoorziening
  • Bovengrondse infiltratievoorziening

Op dit moment is nog niet bekend welk type infiltratievoorziening de initiatiefnemer wil realiseren. In de bijlage “Type infiltratievoorzieningen” staan de berekeningen per type infiltratievoorziening. Voor alle 3 de voorzieningen geldt dat de te bergen en/of infiltreren volume T10+10%: 459 m³ dient te zijn.

Conclusie

Voor de onderhavige ontwikkeling dient een infiltratievoorziening te worden gerealiseerd met een minimale inhoudsmaat van 459 m³.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken, is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). Bedrijven zijn opgenomen in een tabel die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenoemde afstandentabel). De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk, maar kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

SBI-2008   Nr.   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Gevaar   Categorie  
46712   0   Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen            
46712   1   - vloeistoffen, o.c. < 100.000 m3   50   0   50   200   4.1  
46712   2   - vloeistoffen, o.c. > 100.000 m3   100   0   50   500   5.1  

Conclusie

Afhankelijk van hoeveelheid vloeistoffen is voor de beoogde bedrijfsactiviteiten sprake van een milieucategorie 4.1/5.1. Het maatgevende aspect is zoals in de tabel weergegeven 'gevaar'. Voor de overige aspecten wordt ruimschoots voldaan aan de afstandeisen ten opzichte van omliggende woonbebouwing. Voor het aspect gevaar is nader onderzoek gedaan naar de risico's om de omgeving, zie paragraaf externe veiligheid. Hiermee kan ten aanzien van het aspect gevaar gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstanden.

4.8 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Het onderhavige project valt onder voornoemde lijst met categorieën van gevallen. Een luchtkwaliteitonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

De verkeersgeneratie van het gasbedrijf (zie paragraaf 4.2) is van dien aard dat op voorhand kan worden gesteld dat de ontwikkeling als NIBM kan worden gezien ten aanzien van de verandering in de luchtkwaliteit.

4.9 Kabels en leidingen

Ter plaatse van het plangebied zijn voor zover bekend geen kabels en/of leidingen aanwezig die belemmeringen opleveren voor de toekomstige ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan Gasbedrijf Touwslager van de gemeente Heusden voldoet aan de vereisten die de wet aan het bestemmingsplan stelt. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Regeling Standaarden ruimtelijke ordening 2012.

5.2 Toelichting op de regels

Het hoofdstuk inleidende regels omvat de artikelen met betrekking tot de 'begrippen' en de 'wijze van meten'. In artikel 1 'begrippen' worden begrippen uit de planregels verklaard. In artikel 2 'wijze van meten' wordt beschreven hoe de maatvoering (bijvoorbeeld de goothoogte en de bouwhoogte) moet worden gemeten. In de bestemmingsregels zijn de regels voor de bestemming Bedrijf - Gasbedrijf  opgenomen.

Bedrijf - Gasbedrijf
Binnen deze bestemming is het gasbedrijf toegestaan. In de bestemmingsomschrijving is exact vastgelegd welke activiteiten mogen plaatsvinden. In de bouwregels is opgenomen hoeveel oppervlakte bebouwd mag worden en tot welke hoogtemaat.

Algemene regels
In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.

Anti-dubbeltelregel

Het artikel "Anti-dubbeltelregel" bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Deze regel met deze formulering is verplicht gesteld in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening).

Algemene bouwregels
In dit artikel is vastgelegd dat bestaande, legaal tot stand gekomen bebouwing is toegestaan, ook als deze in strijd is met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene gebruiksregels
In deze bepalingen zijn enkele gebruiksvormen aangegeven, die in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt. Het gebruiksverbod zelf is geregeld in artikel 7.10 van de Wro.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel is in aanvulling op afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene mogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.

Procedureregels
Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen bij toepassing van nadere eisen. De procedureregels vloeien voort uit de bepaling in artikel 3.6, lid 5 Wro: 'belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen omtrent een voorgenomen afwijking bij een omgevingsvergunning of nadere eis naar voren te brengen'.

Overgangs- en slotregels
In de overgangsbepalingen is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Deze bepalingen met deze formulering zijn verplicht gesteld in het Bro.

In de slotbepaling is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Op grond van artikel 6.12 lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad beslissen om bij vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen.

Voor de geboden bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan en de gemaakte plankosten is een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer (Vaststellingsovereenkomst Bosscheweg 67 Drunen 2013, vastgesteld door de gemeenteraad op 17-09-2013).

De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve aangetoond en anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan wordt dan ook niet nodig geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De ontwikkelingen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan, zijn voortgekomen uit een mediation traject naar aanleiding van beroepszaken bij de rechtbank in Den Bosch. Voor meer informatie wordt verwezen naar de Vaststellingsovereenkomst Bosscheweg 67 Drunen 2013, vastgesteld door de gemeenteraad op 17-09-2013.

Het ontwerp van bestemmingsplan Gasbedrijf Touwslager heeft vanaf 10 oktober 2013 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn in totaal vijf zienswijzen ingediend. Voor de samenvattingen, beantwoordingen en aanpassingen van het bestemmingsplan bij vaststelling wordt verwezen naar Bijlage 5 Nota zienswijzen en Bijlage 6 Nota van wijzigingen.