direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kloosterstraat Johanneshof Nuland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002510-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Kloosterstraat in het dorp Nuland, tussen woonzorgcentrum Martinushuis en buurthuis D'n Hazenkamp, ligt een braakliggend perceel. Tot 2014 was op deze locatie het buurthuis D'n Hazenkamp gevestigd. Met het gereedkomen van de (naastgelegen) nieuwbouw van D'n Hazenkamp werd het oude buurthuis in 2014 gesloopt en sindsdien ligt het perceel aan de Kloosterstraat braak. De gronden hebben nog steeds een maatschappelijke bestemming.

In 2020 heeft initiatiefnemer deze inbreidingslocatie aan de rand van het dorp verworven om er 24 sociale huurwoningen te realiseren. Deze huurwoningen zullen worden gerealiseerd in de vorm van appartementen. De bebouwing zal bestaan uit 3 bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 11,2 meter. Op iedere bouwlaag zullen 8 appartementen worden gerealiseerd.

De realisatie van de 24 appartementen is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Kom Nuland' en de ter plaatse geldende bestemming 'Maatschappelijk'. Het voorliggende bestemmingsplan zorgt voor de juiste juridisch-planologische regeling.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied heeft betrekking op de kadastrale percelen gemeente Nuland, sectie B, nummer 5436 en nummer 5437. Ook een klein gedeelte van het naastgelegen kadastraal perceel gemeente Nuland, sectie B, nummer 3888 is onderdeel van het plangebied. Het betreft de toegangsweg tot het parkeerterrein achter het Martinushuis, die ook zal worden gebruikt ter ontsluiting van de parkeerplaatsen achter het nieuwe appartementengebouw.

Het totale plangebied heeft een oppervlakte van 3.390 m2, zie figuur 1.1. Het plangebied ligt in het noorden van het dorp Nuland. Het wordt omsloten door het Martinushuis ten westen en D'n Hazenkamp ten oosten van het plangebied en groen aan de noordkant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0001.jpg"

Figuur 1.1: begrenzing plangebied (Bron: Vermeer Architecten, september 2022; bewerking: Rho Adviseurs)

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie. Vervolgens wordt het planvoornemen in Hoofdstuk 3 beschreven. Het relevante beleidskader vanuit het rijk, de provincie en de gemeente wordt in Hoofdstuk 4 beschreven. In Hoofdstuk 5 wordt aangetoond dat het planvoornemen milieuhygiënisch uitvoerbaar is. Ook wordt in dat hoofdstuk onderbouwd dat het planvoornemen geen invloed heeft op bestaande waarden in of nabij het gebied en wordt ingegaan op de duurzaamheidsmaatregelen. In Hoofdstuk 6 wordt beschreven hoe de nieuwe situatie juridisch-planologisch in dit bestemmingsplan wordt vastgelegd. De economische uitvoerbaarheid van het plan komt in Hoofdstuk 7 aan bod. Tot slot wordt in Hoofdstuk 8 ingegaan op de te doorlopen procedure.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving locatie en ligging in het dorp

Het plangebied is gelegen halverwege de Kloosterstraat in het noorden van het dorp Nuland. Na de sloop van het buurthuis ligt het terrein braak. Direct ten westen van het plangebied staat een woonzorgcomplex, aan de oostzijde staat een in 2013 nieuw gebouwde buurthuis. Ten noordwesten bevindt zich een woonwinkel en ten noorden daarvan een kerk. Ten noordoosten bevindt zich een gilde waar traditioneel wordt geschoten, daar achter eindigt de bebouwde kom van Nuland. Ten zuiden van de Kloosterstraat ligt een woonwijk (figuur 2.1).

Ter hoogte van het plangebied is alleen de vrijstaande woning Kloosterstraat 26 op de Kloosterstraat georiënteerd. Deze woning bestaat uit één bouwlaag met kap. Aan de Burgemeester Teunissenstraat staan jaren '70 rijwoningen met een bouwlaag en een kap haaks op de Kloosterstraat. In de Sint Janstraat, ook haaks op de Kloosterstraat, staan jaren '70 vrijstaande woningen met twee bouwlagen en een kap

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0002.jpg"

Figuur 2.1: Plattegrond met plangebied oranje omrand (Bron: OpenStreetMap)

Aan beide zijden van de Kloosterstraat loopt een stoep en er bevinden zich hier parkeerplaatsen. Halverwege de zuidzijde van het perceel bevindt zich een parkeerkoffer met 8 parkeerplekken. Daarnaast ligt een jeu-de-boulesbaan met drie bankjes. Op het perceel groeit gras dat regelmatig wordt gemaaid.

In onderstaande figuren staan foto's van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0003.jpg"

Figuur 2.2: Luchtfoto met plangebied oranje omrand en pijlen die de foto richtingen aangeven (Bron: Luchtfoto)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0004.png"

Figuur 2.3: Foto plangebied vanaf pijl 1 (Bron: Google Streetview, 2018)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0005.png"

Figuur 2.4: Foto plangebied vanaf pijl 2 (Bron: Google Streetview, 2018)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0006.png"

Figuur 2.5: Foto plangebied vanaf pijl 3 (Bron: Google Streetview, 2018)

2.2 Ruimtelijke structuur

Verkeer

Het plangebied ligt aan de Kloosterstraat, dit is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximum snelheid van 30 km/u. De Kloosterstraat sluit in westelijke richting aan op de Kerkstraat, eveneens een 30 km/u erftoegangsweg. In zuidelijke richting wordt de Kerkstraat de Dorpsstraat en daarna de Hoogstraat. De Hoogstraat ontsluit op de gebiedsontsluitingsweg de Rijksweg. Vanaf hier is de snelweg de A59 te bereiken.

Ten noorden van het dorp loopt het spoor tussen 's-Hertogenbosch en Nijmegen.

Groen

Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een bosschage met een groen bestemming, hier is ook het lokale Gilde Sint Antonius Abt gevestigd. Achter de bosschage eindigt de kom van Nuland en bevindt zich agrarisch landschap.

Ten westen van de kom van Nuland ligt het natuurgebied de Nulandse Heide.

Bebouwing

Het plangebied ligt aan de rand van de kom van Nuland. Ten zuiden van de Kloosterstraat bevinden zich rijwoningen aan de Burgemeester Teunissenstraat en vrijstaande en twee-onder-een kap woningen aan de Sint Janstraat. Ten noorden van de Kloosterstraat bevinden zich grotere gebouwen, zoals het appartementengebouw van het woonzorgcomplex Martinushuis en het buurtgebouw D'n Hazenkamp.

2.3 Functionele structuur

In de huidige situatie heeft het plangebied geen specifieke functie. Het terrein ligt braak. Het zuidelijk gedeelte wordt gebruikt als ontmoetingsplek door buurtbewoners die er komen jeu-de-boulen. Er heeft tijdelijk een speeltuin gestaan waardoor ook kinderen een deel van het terrein gebruikten om te spelen. De rest van het braakliggende terrein zal waarschijnlijk worden gebruikt om honden uit te laten.

De omgeving van het plangebied dient voornamelijk als woongebied en biedt ruimte voor maatschappelijke activiteiten in het buurthuis D'n Hazenkamp en de Gilde schietvereniging Sint Antonius Abt.

2.4 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Nuland', vastgesteld op 3 juli 2018. Het plangebied heeft een maatschappelijke bestemming met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' en de gebiedsaanduiding: 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'. Ter plaatse van het voormalig buurthuis ligt nog een bouwvlak waar een gebouw tot maximaal 6 meter hoog mag worden gebouwd met een maximum goothoogte van 3 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0007.png"

Figuur 2.6: Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Nuland' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: maatschappelijke voorzieningen en aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals sportvoorzieningen, speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Ook mag de maximale bouwhoogte van 6 meter en de maximale goothoogte van 3 meter niet worden overschreden.

De beoogde ontwikkeling van 24 sociale huurappartementen binnen het plangebied is in strijd met het bestemmingsplan, omdat ze niet past binnen de bestemmingsomschrijving, het bouwvlak en de bouw- en goothoogte.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Stedenbouwkundige inpassing

Voor de positie en hoogte van het appartementengebouw is aansluiting gezocht bij de bebouwing in directe omgeving. De locatie ligt ingesloten tussen het woonzorgcomplex Martinushuis/De Rank en D'n Hazenkamp. Verder bevinden zich in de directe omgeving vooral eengezinswoningen van 1 of 2 lagen met een kap. Voor het appartementencomplex is daarom als uitgangspunt genomen een gebouw dat in aanzicht bestaan uit 2 lagen met een kap. Op alle lagen wordt gewoond. Door met de voorgevel aansluiting te zoeken met bij de naastgelegen gebouwen ontstaat er een verspringing in de voorgevel van het gebouw. Door de verspringingen ook te combineren met topgevels wordt de lange voorgevel doorbroken. Zo ontstaat een appartementencomplex met een schaal en verschijning die aansluit op de dorpse structuur van Nuland. De uitstraling van het gebouw zal traditioneel en ingetogen zijn met subtiele accenten in het metselwerk.

3.2 Bebouwing

In het plangebied zullen 24 sociale huurappartementen worden gerealiseerd. Het appartementengebouw krijgt de naam Johanneshof en zal bestaan uit 3 bouwlagen met op iedere bouwlaag 8 appartementen. De 3e bouwlaag is in de kap verwerkt. De balkons, loggia's en terrassen zijn gesitueerd aan de voorkant waardoor ze op het zuiden zijn gericht. De voorgevellijn kent diverse verspringingen om de schaalgrootte van het gebouw te verkleinen en om aan te sluiten bij de voorgevels van de naastgelegen gebouwen. Aan de achterkant bevinden zich de parkeerplaatsen en fiets- en brommerstallingen. Het groen aan de voorkant van het gebouw zal openbaar groen worden waarin de jeu-de-boulesbaan eventueel weer een plek kan krijgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0008.jpg"

Figuur 3.1: plattegrond beoogde situatie appartementengebouw aan de Kloosterstraat (bron: Vermeer Architecten) 

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0009.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0010.jpg"

Figuur 3.2 en 3.3: impressie en visualisatie voorkant (Bron: Vermeer Architecten, september 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0011.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0012.jpg"

Figuur 3.4 en 3.5: impressie en visualisatie achterkant (Bron: Vermeer Architecten, september 2022)

3.3 Gebruik

De bestemming Maatschappelijk wordt omgezet naar de bestemming Wonen. De 24 sociale huurwoningen met 2 slaapkamers zijn geschikt voor een brede doelgroep.

3.4 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Kloosterstraat die in westelijke richting aansluit op de Kerkstraat. Deze straat loopt van noord naar zuid door het dorp Nuland. Halverwege het dorp wordt deze straat de Dorpstraat en daarna de Hoogstraat. Deze ontsluit het dorp in het zuiden op de A59 tussen 's-Hertogenbosch en Oss. In noordelijke richting wordt de Kerkstraat de Kerkdijk en vindt in westelijke richting de ontsluiting richting Rosmalen plaats.

In oostelijke richting wordt het plangebied ontsloten via de Kloosterstraat op de Sint Janstraat en IJzerkampen. Deze komen uit op de Zandstraat.

Parkeren auto

Op 12 oktober 2021 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch de Nota Parkeernormering 2021 vastgesteld om zo uitvoering te geven aan de gemeentelijke ambities voor wonen, duurzame mobiliteit en klimaat, gebaseerd op de actuele kentallen van het CROW.

Volgens de gebiedsindeling in deze Nota Parkeernormering 2021 valt Nuland in Zone 4b.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0013.png"

Figuur 3.6: Overzichtskaart gebiedsindeling parkeerzones gemeente 's-Hertogenbosch (bron: Nota Parkeernormering 2021 's-Hertogenbosch)

Voor sociale huurappartementen geldt voor Zone 4b voor bewoners een parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per woning en 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers. Dit betekent dat er voor de beoogde 24 sociale huurappartementen 27 parkeerplaatsen nodig zijn (24 x 1,1 = 26,4). In het bouwplan zijn 28 parkeerplaatsen op het achterterrein beoogd. Hiermee wordt volledig voorzien in de parkeerbehoefte conform de Nota Parkeernormering 2021.

De 8 bestaande parkeerplaatsen op het voorterrein blijven behouden voor algemeen gebruik. Het nieuwe appartementengebouw deelt de ontsluiting met het naastgelegen Martinushuis. Hiervoor zal de ontsluiting iets verplaatst worden, zodat deze voor beide goed aansluit, en vervalt in het openbaar gebied aan de voorkant waarschijnlijk 1 parkeerplaats. Met het behoud van de eerder genoemde 8 parkeerplaatsen en de andere (langs)parkeerplaatsen in openbaar gebied, blijft hier voldoende ruimte voor (openbaar) parkeren.

Naar aanleiding van de omgevingsdialoog (zie paragraaf 8.1 en Bijlage 12) is over de toekomstige inrichting van de 8 bestaande parkeerplaatsen met omwonenden overlegd. Uiteindelijk is ervoor gekozen om de 8 parkeerplaatsen aaneengesloten aan te leggen, zodat in elk geval aan de oostzijde voldoende ruimte blijft voor een substantiële groene invulling. Dit verstrekt de kwaliteit en de beleving van de groene openbare ruimte aan de voorzijde.

Parkeren fiets

Fietsparkeernormen zijn een instrument dat de gemeente hanteert om het gebruik van de fiets te stimuleren en om de bereikbaarheid voor fietsers te waarborgen. Volgens de Nota Parkeernormering 2021 dient voor het bouwplan rekening te worden gehouden met 3 fietsparkeerplaatsen per appartement. Dit betekent dat er voor de 24 appartementen in totaal 72 fietsparkeerplaatsen nodig zijn.

Op het achterterrein wordt een gezamenlijke berging gerealiseerd met ruimte voor naar verwachting 50 fietsen. Voor het overige aantal benodigde fietsparkeerplaatsen beschikken de appartementen over een eigen berging die ruimte biedt voor de stalling van fietsen. Dit geldt in elk geval voor de appartementen op de begane grond. De appartementen op de verdieping zijn met een lift bereikbaar, waardoor de bergingen hier in principe ook voor de stalling van fietsen kunnen worden benut. Bij de entree en ook in de groenstrook aan de achterkant van het gebouw is optioneel ruimte voor extra fietsnietjes. Samen leidt dit tot voldoende fietsparkeerplaatsen.

Parkeren scootmobiel

Initiatiefnemer realiseert daarnaast in het centrale trappenhuis stallingsplaatsen voor enkele scootmobiels.

3.5 Openbare ruimte

De beschreven activiteiten in paragraaf 3.2 worden allemaal op eigen terrein gerealiseerd. Het achterliggende parkeerterrein wordt bereikbaar via de nieuwe toegangsweg die nieuwe bewoners aan de Kloosterstraat zullen delen met de bezoekers en werknemers van het Martinushuis.

De groene ruimte aan de voorkant van het appartementengebouw zal openbare ruimte zijn. De bestaande jeu-de-boulesbaan kan hier weer een plek krijgen.

3.6 Bomen

Initiatiefnemer vindt het belangrijk dat de nieuwe bewoners in een groene omgeving wonen en dat omwonenden tegen een groen ingepast nieuw woongebouw aan kunnen kijken. Om te bepalen wat de conditie van de 21 bomen op of nabij het plangebied is, is een Boom Effect Analyse uitgevoerd, zie Bijlage 4. In onderstaande figuur is de invloed van het project op de bomen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0014.png"

Figuur 3.7: Overzichtskaart projectinvloed (Bron: Pius Floris)

Voor realisatie van het gebouw, de toegangsweg en de parkeerplaatsen is het noodzakelijk om 3 bomen te rooien, namelijk boom 14, 16 en 21. Binnen het plangebied worden 9 nieuwe bomen aangeplant waardoor er per saldo 6 nieuwe bomen worden toegevoegd.

Voor de bomen die het risico lopen op wortelschade wordt rondom de bomen zo min mogelijk ontgraven, zodat de schade grotendeels voorkomen kan worden. In de verdere planvorming wordt dit in samenspraak met het adviesbureau en aannemer bekeken. Mocht ernstige wortelschade bij enkele bomen niet voorkomen kunnen worden, dan worden eventueel extra te rooien bomen conform het bomenbeleidsplan op het terrein gecompenseerd. Op basis van het advies van de boomadviseur zal initiatiefnemer hier dan met de gemeente over in gesprek gaan.

Natuurinclusief

De locatie biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar de ligging en omgeving van het plangebied bieden wel kansen voor deze soorten. Initiatiefnemer is daarom voornemens om maatregelen in de bouw te nemen die het ‘natuurvriendelijker’ maken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken. Hierdoor kan de nieuwbouw gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, is de langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland flink veranderen.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.


In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.


Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Voor dit plan relevante nationale belangen zijn:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.


Toetsing

Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het realiseren van 24 sociale huurappartementen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling vereist dat wordt onderbouwd of en in hoeverre er sprake is van 'duurzaam ruimtegebruik'. Om dit duurzaam ruimtegebruik te garanderen moet de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zoals omschreven in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) worden doorlopen: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Toetsing

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. In dit geval worden 24 sociale huurappartementen toegevoegd. Voor wonen geldt, dat vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Omdat de ontwikkeling kan worden gezien als stedelijke ontwikkeling, is hierna de woningbehoefte beschreven.

In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." In dit geval is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied.

Beschrijving behoefte

De relevante regio voor wonen is 's-Hertogenbosch en omstreken binnen de regio Noordoost-Brabant. De woningbehoefte in de regio en de gemeente ‘s-Hertogenbosch blijkt uit diverse rapporten en onderzoeken die hierna worden behandeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0015.png"

Figuur 4.1: Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, 2017)

Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2020

Doordat het aantal huishoudens de komende jaren nog sterk toeneemt, zijn er ook meer huizen nodig. Naar verwachting is in 2050 zo'n 43% van alle huishoudens een éénpersoonshuishouden. Vooral het aantal oudere alleenstaanden van 75 jaar en ouder neemt sterk toe. Vergeleken met de vorige prognose uit 2017 ligt de groei van de Brabantse bevolking duidelijk hoger. De indicatie voor de gemeente ‘s-Hertogenbosch c.a. is 8.175 woningen in de periode 2020-2030. De tabel in figuur 4.2 is richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0016.png"

Figuur 4.2: Indicatie toename woningvoorraad per gemeente (Bron: woningbehoefteprognose Noord-Brabant, 2020)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0017.png"

Figuur 4.3: Woningbouwcapaciteit en opgaven (Bron: Voortgangsrapportage 2020/2021)

Wonen in regionaal perspectief, 2018

De subregio Den Bosch-Oss heeft in 'Wonen in regionaal perspectief, 2018' procesmatige afspraken opgenomen over de sociale en middeldure huur, binnenstedelijke transformatieopgaven en energietransitie. In het perspectief is een 'doe-agenda' opgenomen. Afgesproken is dat nieuwe woningbouwplannen – en zowel inbreidings- als uitbreidingsplannen – die de hoge variant van de provinciale prognoses overstijgen, bestuurlijk worden afgestemd. Nieuwe uitbreidingsplannen worden altijd bestuurlijk afgestemd.

Woonvisie ’s-Hertogenbosch (2020)

In de gemeentelijke woonvisie is aangegeven dat de gemeente de provinciale prognose als minimum ziet. De gemeente wil voldoende woningen bouwen om de druk op de woningmarkt te verlichten en de te verwachten groei en huishoudensverdunning in goede banen te leiden. Vanwege de druk op de woningmarkt, zet de gemeente zich in om zoveel mogelijk woningen te bouwen. De ambitie is om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 tot 2030.

De inzet voor de komende jaren wordt beschreven op basis van vier woonopgaven met de volgende inzet:

  • 1. Passend en betaalbaar wonen voor iedereen
  • 2. Leefbare en inclusieve buurten
  • 3. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
  • 4. Strategisch innovatief woonprogramma

Van de woningcorporaties wordt verwacht dat zij verantwoord en maximaal hun financiële ruimte inzetten om bij te dragen aan de maatschappelijke opgaven waarover zij prestatieafspraken met de gemeente maken. Ook wordt verwacht van de corporaties dat zij zelf actief inzetten op het zoeken en verwerven van ontwikkelmogelijkheden voor sociale woningbouw, naast de mogelijkheden die de gemeente biedt. In dit geval worden sociale huurwoningen gerealiseerd.

Nuland wordt aangeduid als een dorps woonmilieu. In de dorpse woonmilieus zet de gemeente in op het (op kleine schaal) toevoegen van nieuwe woningen. Daarbij hebben initiatieven die een passend aanbod bieden voor de ouderen of juist starters uit de dorpen de voorkeur. Zo ontstaat er ook doorstroming en komt er aanbod voor gezinnen vrij. De aantrekkingskracht om in de dorpse woonmilieus zoals Nuland te wonen is groot omdat er een basisniveau aan voorzieningen is en de dorpen goed bereikbaar zijn. Het toevoegen van woningen helpt bij het behoud van het voorzieningenniveau.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0018.png"

Figuur 4.4: Woonwensen en woonmilieus (Bron: Woonvisie)

Conclusie

De druk op de woningmarkt is groot. Er is behoefte aan meer woningen en te weinig harde plancapaciteit. Met dit bestemmingsplan worden 24 woningen mogelijk gemaakt. Het planvoornemen betreft de realisatie van 24 sociale huurappartementen binnen de bebouwde kom van het dorp Nuland. De bouw van sociale huurwoningen draagt direct bij aan woonopgave 1. 'Passend en betaalbaar wonen voor iedereen' en aan woonopgave 4. 'Strategisch innovatief woonprogramma' waarbij minimaal 25% van het woningbouwprogramma sociale huur moet zijn. De initiatiefnemer heeft deze locatie verworven om sociale woningen te realiseren en daarmee te voorzien in de grote woningvraag. De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. 

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn:

  • werken aan energietransitie;
  • een klimaatproof Brabant;
  • de slimme netwerkstad;
  • een concurrerende duurzame economie.

Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basisopgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Toetsing

Het planvoornemen voorziet in een relatief kleinschalige ontwikkeling, waarbij 24 sociale huurappartementen worden gerealiseerd op een braakliggend terrein. Hierdoor wordt de ruimte binnen bestaand stedelijk gebied zorgvuldig gebruikt. In paragraaf 4.1.2 is te lezen dat er grote behoefte is aan sociale huurwoningen. Daarnaast wordt in paragraaf 5.11 berekent dat er voldoende maatregelen worden genomen om hemelwater op te vangen en overstromingen te voorkomen. Aanvullend wordt in paragraaf 5.12 aangegeven welke acties ondernomen worden om bij te dragen aan een duurzame omgeving in de vorm van gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving, energie, circulariteit en duurzame mobiliteit.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening (hierna: Iov N-B) Noord-Brabant vastgesteld. Op 15 april 2022 is de Iov N-B voor het laatst geconsolideerd. Deze versie is dan ook leidend. De Iov is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin worden de bestaande verordeningen voor de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één integrale omgevingsverordening.

Toetsing

Het plangebied ligt in de Iov in het 'Bestaande stedelijk gebied', in het 'Concentratiegebied voor verstedelijking' en in het 'Grondwaterbeschermingsgebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0019.png"

Figuur 4.5: Uitsnede Interim omgevingsvisie Noord-Brabant kaart 3 stedelijke ontwikkeling en erfgoed (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0020.png"

Figuur 4.6: Uitsnede Interim omgevingsvisie Noord-Brabant kaart 5 grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De regels uit de Interim omgevingsverordening die daarom specifiek van belang zijn voor deze ontwikkeling aan de Kloosterstraat in Nuland zijn artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling en artikel 3.11 Grondwaterbeschermingsgebied.

Toetsing artikel 3.42

De realisatie van 24 sociale huurappartementen past binnen de regionale afspraken in de Brabantse Agenda Wonen, zoals onderbouwd is in paragraaf 4.1.2 middels de ladder voor duurzame verstedelijking. In de ladder is toegelicht dat de beoogde ontwikkeling een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Deze duurzame ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door een braakliggend perceel in het stedelijk gebied van Nuland te transformeren naar een gebouw met sociale huurappartementen. Een gezonde omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd door rekening te houden met de geluidshinder van het naastgelegen gilde. Dat de nieuwe bewoners aan de Kloosterstraat geen geluidshinder zullen ervaren wordt onderbouwd in paragraaf 5.2.

In paragraaf 5.11 wordt berekend dat er voldoende hemelwater opgevangen kan worden door de parkeerplaatsen in halfverharding uit te voeren en eventueel in het groen van de openbare tuin rond het appartementengebouw. Vervolgens wordt in paragraaf 5.12 op een rijtje gezet welke maatregelen worden genomen om bij te dragen aan een duurzame leefomgeving.

Toetsing artikel 3.11

De regels uit het vigerende bestemmingsplan 'Kom Nuland' zijn in voorliggend bestemmingsplan overgenomen voor de aanduiding 'milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied'. Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Het is verplicht een omgevingsvergunning te hebben voor werkzaamheden in de bodem, het infiltreren van water en het aanbrengen van ondergrondse infrastructuur. Voor de bouwwerkzaamheden van de realisatie van het planvoornemen aan de Kloosterstraat zal daarom een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij de gemeente. Voorliggende toelichting dient mede als onderbouwing voor deze aanvraag.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Kernen Maasdonk 2006

In 2015 is de gemeente Maasdonk opgeheven en zijn de dorpen Nuland en Vinkel bij de gemeente 's-Hertogenbosch gevoegd. Geffen is naar de gemeente Oss gegaan. De vigerende Ruimtelijke StructuurVisie van de gemeente 's-Hertogenbosch is op 24 januari 2014 vastgesteld. Nuland is hier dus nog niet in meegenomen.

Het laatste visie document van Nuland is het integraal Dorpsontwikkelingsplan (iDOP) Nuland uit 2009. Dit is de visie van en voor het dorp waarin een praktische agenda is uitgewerkt waar voor de middellange termijn is aangegeven hoe de visie volgens de bewoners kan worden uitgevoerd.

In hoofdstuk 3 is het wensbeeld van de bewoners voor Nuland verwoord. Een van die doelen die de bewoners willen bereiken is in 2025 een breed samengestelde bevolking hebben. Voor nieuwe woongebieden is een mix van de doelgroepen jong en oud het meest wenselijk, met voldoende doorstroommogelijkheden. Het accent moet liggen in het bereikbaar houden van woningen voor starters. Een van de belangrijkste vier opgaven is dan ook: uitwerken van een dekkend woon- en zorgaanbod.

De vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, die voor een groot deel op het conto van de ouder wordende bevolking komt, zal gezien de bevolkingsprognose fors toenemen. De inwoners van Nuland vinden het raadzaam om nog verder te zoeken naar mogelijkheden om ouderenwoningen, bijvoorbeeld in de vorm van appartementen, aan te bieden.

Op de leefbaarheidsagenda staat dan ook bij het thema Wonen het agendapunt 'Realiseren huisvesting voor doelgroepen, mix van woningen'. De initiatiefnemer is hierbij een van de participanten.

Toetsing

Met de realisatie van 24 sociale huurwoningen wordt invulling gegeven aan de grote vraag naar starters- en seniorenwoningen voor kleine huishoudens. Dit was in 2006 al een vraagstuk en die behoefte is in 2021 alleen maar groter geworden op de huidige krappe woningmarkt.

4.3.2 Woonvisie 2020

De doelstelling van de Woonvisie 's-Hertogenbosch is wonen in een sterke stad met leefbare wijken en dorpen. De inzet voor de komende jaren wordt beschreven op basis van vier woonopgaven met de volgende inzet:

1. Passend en betaalbaar wonen voor iedereen.

Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten.

2. Leefbare en inclusieve buurten

De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid.

3. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

De Woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad.

4. Strategisch innovatief woonprogramma

De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:

  • minimaal 30% sociale huur
  • minimaal 20% middenhuur en goedkope koop
  • maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop.

Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt.

De nieuwbouw draagt bij aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. Gemeente 's-Hertogenbosch stimuleert projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven.

Bestuursakkoord 2022-2026 'Slagkracht en ambitie'

In het Bestuursakkoord 2022-2026 'Slagkracht en ambitie' is opgenomen dat voor (nog) zachte plannen gestuurd wordt op 70% betaalbare woningbouw. Het gaat daarbij om 30% sociale huur, 30% middenhuur, 10% betaalbare koop en 30% dure huur en koop. Het betreft hier het totale stedelijk programma, op projectniveau kan hiervan worden afgeweken. Dit project geeft met 24 sociale huurappartementen mede invulling aan de ambitie om 30% van het stedelijk programma in de sociale huur te realiseren.

Prestatieafspraken woningcorporaties

De vier corporaties waarmee de gemeente 's-Hertogenbosch samenwerkt zijn Zayaz, BrabantWonen, JOOST en Mooiland. De samenwerking tussen gemeente, corporaties en de huurdersvertegenwoordiging (het Stedelijk Huurders Platform) wordt vastgelegd in meerjarige prestatieafspraken. Deze woonvisie is het kader dat de gemeenteraad meegeeft aan het College voor het maken van die prestatieafspraken. Van de woningcorporaties wordt verwacht dat zij verantwoord en maximaal hun financiële ruimte inzetten om bij te dragen aan de maatschappelijke opgaven waarover zij afspraken maken. Ook wordt verwacht van de corporaties dat zij zelf actief inzetten op het zoeken en verwerven van ontwikkelmogelijkheden voor sociale woningbouw, naast de mogelijkheden die we als gemeente bieden.

Nuland

Nuland wordt aangeduid als een dorps woonmilieu, zie figuur 4.7. In de dorpse woonmilieus zet de gemeente in op het (op kleine schaal) toevoegen van nieuwe woningen. Daarbij hebben initiatieven die een passend aanbod bieden voor de ouderen of juist starters uit de dorpen de voorkeur. Zo ontstaat er ook doorstroming en komt er aanbod voor gezinnen vrij. De aantrekkingskracht om in de dorpse woonmilieus als Empel, Nuland, Vinkel en Engelen te wonen is groot omdat er een basisniveau aan voorzieningen is en de dorpen goed bereikbaar zijn. Het toevoegen van woningen helpt bij het behoud van het voorzieningenniveau.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0021.png"

Figuur 4.7: Woonwensen en woonmilieus

Toetsing

Het plan betreft de realisatie van 24 sociale huurappartementen binnen de bebouwde kom van het dorp Nuland. De bouw van sociale huurwoningen draagt direct bij aan de vier woonopgaven in de Woonvisie 2020. Door het toevoegen van betaalbaar en toegankelijk aanbod dat een aanvulling is op de bestaande woningvoorraad van het dorp draagt het plan bij aan 1. 'Passend en betaalbaar wonen voor iedereen' en aan 2. 'Leefbare en inclusieve buurten' maar ook aan 4. 'Strategisch innovatief woonprogramma' waarbij minimaal 25% van het woningbouwprogramma sociale huur moet zijn. Tot slot wordt het nieuwe woongebouw duurzaam, waarmee vanzelfsprekend tegemoet gekomen wordt aan woonopgave 3. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad (zie paragraaf 5.12).

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het plan aansluit bij de uitgangspunten van de Woonvisie 2020 van de gemeente 's-Hertogenbosch.

4.3.3 Welstand

Op 11 oktober heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch besloten om de Maasdonkse Welstandsnota in 2017 en verdere jaren in afwachting van de implementatie in het kader van de Omgevingswet in stand te houden.

Om te voorkomen dat voor Nuland en Vinkel geen welstandsbeleid geldt blijft de Maasdonkse Welstandsnota in 2017 en volgende jaren in stand. Dit in afwachting van implementatie van het welstandsbeleid in het kader van de Omgevingswet.

De Welstandsnota van de gemeente Maasdonk uit 2004 is dus nog steeds op Kom Nuland van toepassing.

Gebiedsbeschrijving

Het historische dorpsgebied Nuland is ontstaan in de 13e eeuw en heeft zich door de tijd heen ontwikkeld van langstraatdorp tot het huidige centrum van de kern Nuland. Het historisch dorpsgebied strekt zich uit van noord naar zuid langs de Kerkstraat, Dorpsstraat en Hoogstraat. De lintbebouwing langs deze straten kenmerkt zich door een grote diversiteit in zowel verschijningsvorm als in functie. Op enkele plaatsen bevinden zich bijzondere bebouwingselementen zoals de kerk en Villa Maasdonk.

Toetsing 

Het woongebouw met 3 bouwlagen, waarvan een uitgevoerd als kap, staat samen met een fietsenstalling op het perceel. Het gebouw staat evenwijdig aan de straat. Er zitten twee verspringingen in de voorgevel. Twee accenten in het dak worden gevormd door zadeldaken die haaks op de voorgevel staan. De gevel wordt uitgevoerd in twee kleuren baksteen, de westelijke zijde wordt in grijze baksteen uitgevoerd en het middenstuk en de oostzijde wordt in bruine baksteen uitgevoerd. De kozijnen zijn licht.

Ligging

De bebouwing is georiënteerd op de (belangrijkste) straat; de bebouwing is geplaatst in een (licht) verspringende rooilijn op ruime afstand van de weg. Bijgebouwen staan niet op de voorgrond.

Massa

De bebouwing is individueel en afwisselend (gevarieerd beeld). Bijgebouwen is ondergeschikt en maakt deel uit van de totale compositie van het gebouw. De massa is geleed, grote gevelvlakken worden doorbroken door middel van geleding van de wand (in materiaal of vorm). Er zijn geen blinde gevels aan de zijde van de openbare ruimte.

De bebouwing bestaat uit 3 woonlagen waarvan er een is uitgevoerd in de kap. De nokrichting is wisselend, maar ligt evenwijdig en op twee punten loodrecht aan de straat);

Materialen en kleuren

De gevels zijn grotendeels uitgevoerd in baksteen. De dakpannen zijn in gebiedseigen kleuren. Het ontwerp is een interpretatie van de gebiedseigen architectuur met eigentijdse materialen. Het materiaal- en kleurgebruik is afgestemd op de belendende panden. Het bijgebouw is in materiaal en kleur afgestemd op de hoofdmassa;

Detaillering

De detaillering van de begane grond en bovenverdieping zijn op elkaar afgestemd(verticaliteit), de gevel is samenhangend vormgegeven. De raamopeningen zijn verticaal. De vormgeving is afgestemd op de bestaande bebouwingskarakteristiek.

4.3.4 Bomen, water en groen

Op 9 maart 2021 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' vastgesteld. Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen en behoort bij de visie ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd.

Bomen

Wat betreft het onderdeel bomen (houtopstanden) is aangesloten bij het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in deze verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld.

In paragraaf 3.6 wordt de Boom Effect Analyse toegelicht. Binnen of nabij het plangebied bevinden zich geen (bijzondere) beschermde bomen of houtopstanden. Per saldo worden er 6 bomen toegevoegd. daarmee wordt voldaan aan het Bomenbeleidsplan 2017.

Water

Wat betreft het onderdeel water zijn in deze verordening regels opgenomen voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in deze verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd.

De watertoets wordt gedaan in paragraaf 5.11. Geconcludeerd kan worden dat er binnen het plangebied voldoende mogelijkheden zijn om de benodigde waterbergingsvoorziening van minimaal 150,7 m³ aan te leggen.

Groen

Wat betreft het onderdeel groen is in deze verordening per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het doel van het opnemen van een groennorm in deze verordening is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving.

De kwantitatieve groenscore wordt in paragraaf 5.12.2.1 berekend. De groenscore komt uit op 49%. Dit is ruim hoger dan de minimaal vereiste 40%. Ook de kwalitatieve groenscore wordt berekend. Deze komt 10 punten ook hoger uit dan de norm van 8 punten.

Hoofdstuk 5 Milieu, duurzaamheid en waarden

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

5.2.1 Richtlijn

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

5.2.2 Beoordeling

Het plangebied wordt gekenmerkt als een 'gemengd gebied' gezien de vele verschillende functies (bedrijven en voorzieningen) in de directe omgeving. Er wordt niet uitsluitend gewoond waardoor geen sprake is van een "rustige woonwijk'.

Bedrijven

In het plangebied van het bestemmingsplan 'Kom Nuland' bevinden zich alleen bedrijven in milieucategorie 1, 2 of 3 volgens de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009. Zwaardere bedrijven komen niet voor.

Het plangebied bevindt zich aan de Kloosterstraat in het noorden van Nuland. In de buurt van het plangebied bevinden zich 5 bedrijfsbestemmingen (1, 2, 3, 4 en 6), zie figuur 5.1. Deze bedrijfsbestemmingen liggen alle 5 op meer dan 100 meter van het plangebied. De maximale richtafstand die een bedrijf met milieucategorie 3 kan hebben, is binnen een gemengd gebied 50 meter. Het plangebied ligt dus niet binnen de richtafstanden van een van deze bedrijven.

De supermarkt (nr. 5) heeft standaard een richtafstand van 30 meter ten behoeve van geluid. De bebouwing langs de Kerkstraat kan aangemerkt worden als een gemengd gebied. Hierdoor geldt nog een richtafstand van 10 meter. Het plangebied ligt op circa 85 meter afstand, dit is ruim voldoende.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0022.png"

Figuur 5.1: Bedrijfsbestemmingen rondom plangebied, met marker aangeduid (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Maatschappelijke voorzieningen en interieurhandel

Het plangebied wordt omringd door een woonzorgcomplex aan de linkerzijde, een buurthuis aan de rechterzijde, een kerk ten noorden en daartussen een interieurhandel.

Ondanks dat de percelen van het woonzorgcomplex, het buurthuis en de interieurhandel direct grenzen aan het perceel van het plangebied, bestaat er voldoende afstand tussen de bouwvlakken. Hierbij is het bouwvlak gebaseerd op de schets uit figuur 3.1 als maatgevend genomen voor het plangebied. Aangezien er buiten de bouwvlakken niet gebouwd mag worden, zijn deze afstanden leidend. De afstanden zijn weergegeven in onderstaande tabel en corresponderen met de nummers op figuur 5.2.

Tabel 5.1: Afstanden plangebied tot omliggende voorzieningen

Voorzieningen   VNG categorie   VNG richtafstand (meter)
1 afstandstap minder i.v.m. gemengd gebied  
Werkelijke afstand in meters tussen de bouwvlakken  
1. Woonzorgcomplex   2 --> 1   30 --> 10   10,25  
2. Buurthuis   2 --> 1   30 --> 10   9,45  
3. Interieurhandel   2 --> 1   30 --> 10   33  
5. Kerk   2 --> 1   30 --> 10   64  

Het woonzorgcomplex, de interieurhandel en de kerk worden niet belemmerd door de realisatie van de 24 sociale huurappartementen aan de Kloosterstraat. De afstand tussen het nieuwe woongebouw en het buurthuis is ongeveer 8,3 en voldoet daarmee niet aan de aan te houden richtafstand van 10 meter. Deze aan te houden afstand is ingegeven vanuit het aspect geluid, en dat heeft voornamelijk betrekking op buitenspelende kinderen.

Het betreffende buurthuis biedt onderdak aan de naschoolse opvang Joepie, de Klepel en de Stichting Jeugdbelangen. In het gebied tussen het buurthuis en aangrenzend aan het plangebied en het nieuwe woongebied bevinden zich geen ruimten waar kinderen spelen en geluid maken. Het speelterrein is voorzien aan de oostzijde van het buurthuis. Er zal om die reden ter plaatse van het nieuwe woongebouw, geen sprake zijn van geluidsoverlast van het buurthuis. Het buurthuis zelf zal door de realisatie van het nieuwe woongebouw, niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0023.png"

Figuur 5.2 - Afstand sportvelden, maatschappelijke voorziening en nutsvoorziening t.o.v. plangebied

Gilde / schietvereniging

Volgens de VNG-publicatie valt het Gilde Sint Antonius Abt aan de IJzerkampen 22 (nr. 4) binnen de categorie 'schietinrichtingen, buitenbanen met voorzieningen: schietbomen’ met een richtafstand van 300 meter voor geluid. (Paragraaf 5.5 gaat in de beoordeling van mogelijke lichthinder conform de VNG-publicatie.) Het beoogde appartementengebouw bevindt zich op circa 35 meter afstand. Omdat niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid is in een akoestisch onderzoek onderzocht of ter plaatse van het beoogde appartementengebouw sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of het gilde niet in haar belangen wordt geschaad.

Het akoestisch onderzoek naar het effect van industrielawaai vanwege het gilde is als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Hieruit volgt:

  • 1. Het gilde voldoet aan de grenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit.
  • 2. Het gilde door het beoogde appartementengebouw niet in haar belangen wordt geschaad.
  • 3. Tijdens de incidentele bedrijfssituaties (evenementen en buiten oefenen met tamboeren en bazuinblazen) sprake kan zijn van geluidhinder in de omgeving.

In de representatieve bedrijfssituatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande en beoogde woningen. Alleen ter plaatse van enkele beoordelingspunten wordt niet voldaan aan de grenswaarden van 50/45 dB(A) in de dag/avondperiode voor herhaald hoorbare knallen: de grenswaarde wordt met 3 dB(A) overschreden ter plaatse van bestaande woningen en met 5 dB(A) ter plaatse van het maatgevende nieuwe appartement.

De voormalige gemeente Maasdonk heeft echter de 'Verordening Traditioneel Schieten gemeente Maasdonk' vastgesteld waarin de volgende grenswaarden waren opgenomen:

  • Lknal (enkelvoudige knal): 70 dB(A) tussen 07.00 en 23.00 uur
  • Lr (herhaald hoorbare knallen): 59 dB(A) tussen 07.00 en 23.00 uur

Aan deze grenswaarden wordt ruimschoots voldaan. De huidige gemeente ’s-Hertogenbosch heeft geen nieuwe verordening waarin grenswaarden voor het geluid afkomstig van traditioneel schieten zijn opgenomen, maar:

  • De bestaande situatie levert geen klachten in de omgeving op de geluidbelastingen op de bestaande woningen zijn vergelijkbaar met de geluidbelastingen op de beoogde woningen.
  • De activiteiten van het gilde zijn in de tussentijd niet toegenomen. Voorheen was sprake van geweerschieten in de avondperiode. Dat is niet langer het geval
  • Het aantal schoten en de schiettijden van het gilde kunnen worden vastgelegd, bijvoorbeeld door middel van maatwerkvoorschriften, om te voorkomen sprake is van meer geluidhinder dan in de huidige situatie het geval is.
  • De toekomstige bewoners van het appartementengebouw kunnen voorafgaand aan hun keuze zich daar te vestigen worden geïnformeerd over de aanwezigheid van het gilde en haar activiteiten, waarbij de beschrijving van de bedrijfssituaties van het gilde uit dit akoestisch onderzoek gebruikt kan worden.

Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid geen knelpunten voor de gewenste bedrijfsvoering van het gilde en voor het beoogde appartementengebouw.

5.2.3 Conclusie

De belangen van de bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, de interieurhandel en het Gilde zullen niet worden geschaad door de realisatie van de sociale huurappartementen aan de Kloosterstraat. De afstanden tot bedrijven, de nutsvoorziening en de sportvelden voldoen aan de VNG-richtlijn.

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van de woningen.

5.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.3.1 Weg- en railverkeerslawaai
5.3.1.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

In de Wet geluidhinder is bepaald dat elke (spoor)weg van rechtswege een zone heeft. De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg dan wel de hoogte van het geluidproductieplafond naast het spoor. Indien de geluidgevoelige bestemmingen gelegen zijn in de zone van de (spoor)weg, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk en dient de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in acht te worden genomen.

Een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is na afweging van geluidsreducerende maatregelen toegestaan tot de maximaal te ontheffen geluidsbelasting. Indien op basis van overwegende bezwaren de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemming onvoldoende of niet kan worden gereduceerd, kan het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning.

In de directe omgeving van het plan zijn meerdere wegen met een toegestane maximumsnelheid van 30 km/uur gelegen. Dergelijke wegen hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie is een akoestisch onderzoek naar het woon- en leefklimaat ten gevolge van deze wegen benodigd. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt aangesloten bij de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting uit de Wet geluidhinder. Voor de nabijgelegen 30 km/uur wegen kunnen vanwege het ontbreken van een zone geen hogere waarden worden vastgesteld.

Geluidbeleid gemeente 's-Hertogenbosch

Volgens het “Gebiedsgericht geluidbeleid” zijn voor verschillende gebieden geluidambities vastgelegd. De nieuwe woningen bevinden zich in gebiedstype “dorps landelijk”. Voor het gebied “dorps landelijk” geldt voor wegverkeerslawaai een ambitieniveau met een bandbreedte van 38 tot en met 43 dB (rustig) en een bovengrens van 43 tot en met 48 dB (redelijk rustig). Voor railverkeerslawaai geldt een ambitieniveau met een bandbreedte van 45 tot en met 50 dB (rustig) en een bovengrens van 50 tot en met 55 dB (redelijk rustig).

Het document “Nota Hogere Grenswaarden Geluid” is opgesteld door de gemeente ’s-Hertogenbosch. De Nota beschrijft onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van de gekozen ambitie en hoe de bevoegdheid tot het vaststellen van hogere grenswaarden wordt ingevuld.

Het vaststellen van een hogere waarde boven de bovengrens tot aan de maximaal te ontheffen geluidsbelasting is in beperkte situaties mogelijk. De gemeente hanteert hierbij de regel dat een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woning moet worden gegarandeerd. Het binnenniveau in de woning mag maximaal 33 dB bedragen. Niet akoestische compensatie wordt eveneens positief betrokken in de besluitvorming.

Bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat worden 30 km/uur wegen meegenomen in het akoestisch onderzoek. Bij een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.

5.3.1.2 Beoordeling

Railverkeerslawaai

De geluidsgevoelige bestemming van de 24 sociale huurappartementen ligt binnen de zone van een (spoor)weg, hierdoor is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch rapport is opgenomen in Bijlage 2.

De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de geluidszone van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Oss. In de nabijheid van het plan zijn geen relevante gezoneerde wegen gelegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en conform het gemeentelijk beleid zijn de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Burgemeester Teunissenstraat, IJzerkampen, Kerkstraat, Kloosterstraat en de Sint Janstraat) in het onderzoek betrokken.

In het onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van het appartementengebouw. Voor elke zijde van de appartementen zijn toetspunten ten behoeve van maximaal drie bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.

De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen appartementen bedraagt ten hoogste 48 dB als gevolg van de spoorweg en ten hoogste 43 dB als gevolg van het wegverkeer. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB (railverkeer) en 48 dB (wegverkeer) plaats. Tevens vallen de berekende geluidsbelastingen binnen de ambitiewaarden van het gebiedstype ‘dorps landelijk’.

Wegverkeerslawaai

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of er al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat vanwege het extra verkeer. De realisatie van appartementen leidt tot een toename van verkeer op bestaande wegen. Het uitgangspunt is dat 100% van het verkeer vanuit het plan over de Kloosterstraat rijdt. Uit de berekeningen blijkt dat het plan afgerond 170 verkeersbewegingen per weekdag genereert. De geluidsbelasting in de bestaande situatie zonder het appartementengebouw en de toekomstige situatie met de realisatie van het appartementengebouw zijn berekend ter plaatse van de gevels van de geluidsgevoelige bestemming, zie Bijlage 3.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidsbelasting in de toekomstige situatie vanwege de Kloosterstraat met maximaal 4 dB toeneemt, maar niet hoger is dan 48 dB. Geconcludeerd wordt dat met het voorgenomen plan geen onevenredige nadelige geluidseffecten op zullen treden bij de woningen aan de Kloosterstraat 26 en de Sint Janstraat 35 en dat er sprake is van een goed woon-en leefklimaat.

5.3.2 Industrielawaai
5.3.2.1 Wettelijk kader

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.

5.3.2.2 Beoordeling

Het plangebied ligt niet in de geluidzone van een geluidgezoneerd bedrijventerrein. Wat betreft industrielawaai in het algemeen is in paragraaf 5.2 aangetoond dat de afstand van bedrijven tot het plangebied voldoende groot is en dat het plangebied dus geen hinder ondervindt van omliggende bedrijven. In een akoestisch onderzoek naar industrielawaai is aangetoond dat er wat betreft geluid geen knelpunten voor de activiteiten van het gilde zijn en niet voor het beoogde appartementengebouw aan de Kloosterstraat.

5.3.2.3 Conclusie

De geluidsgevoelige functie van 24 sociale huurappartementen zal niet worden gehinderd door omliggende geluidsbronnen. Het aspect 'Geluid' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.4 Trillingen

5.4.1 Richtlijn

Bij trillingen in de ruimtelijke ordening gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillinghinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is – indien relevant - een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).

5.4.2 Beoordeling

In de nabijheid is geen zware bedrijvigheid aanwezig of geprojecteerd. Gezien de ruime afstand tot het spoor (460 meter) en tot de A59 (1,2 kilometer) is het aspect trillingen voor de 24 nieuwe sociale huurappartementen niet relevant te noemen.

5.4.3 Conclusie

Het aspect 'Trillingen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Verlichting

5.5.1 Richtlijn

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.

5.5.2 Beoordeling

In de buurt van het plangebied staan alleen lichtmasten bij het Sint Anthonius gilde. Voor sportbanen met verlichting wordt op basis van de VNG-publicatie een indicatieve afstand van 30 meter in gemengd gebied aanbevolen. De afstand van de lichtmasten van het gilde tot de beoogde woningen bedraagt circa 35 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan.

Bovendien mogen de leden alleen op woensdagavond van 19:00 tot 20:00 uur traditioneel schieten beoefenen. Deze lichtmasten zijn alleen tijdens de schietoefeningen aan, dat is dus beperkt tot één avond in de week. Deze lichtmasten staan achter de rij bomen, zoals te zien is op de foto in figuur 2.4.

De 24 sociale huurappartementen zullen geen hinder ondervinden van deze wekelijkse verlichting achter de bomen rij.

5.5.3 Conclusie

Het aspect 'Verlichting' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6 Externe veiligheid

5.6.1 Beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

5.6.2 Onderzoek

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0024.png"

Figuur 5.3 Uitsnede openbare risicokaart met het plangebied (zwart omcirkeld)

Overeenkomstig de risicokaart bevindt zich ten oosten van het plangebied een hogedrukaardgasleiding met een invloedsgebied van 240 meter (figuur 5.3). De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding bedraagt circa 1,5 kilometer. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding.

Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de weg A59 waarover onder andere de stofcategorie LT2 wordt vervoerd met een invloedsgebied van 880 meter. De afstand van deze weg tot het plangebied bedraagt circa 1,9 kilometer. Het plangebied valt buiten dit invloedsgebied.

Ten noorden van het plangebied bevindt zich een spoorlijn met spoortrajectnummer 64 (Den Bosch Diezebrug aansl. – Nijmegen) waarover gevaarlijke stoffen van onder andere de stofcategorie B2 worden vervoerd met een invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 470 meter van dit spoortraject. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0025.png"

Figuur 5.4: Vestigingskaart kwetsbare objecten

Volgens de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch, valt het plangebied in het groene gedeelte van de vestigingskaart kwetsbare objecten. Dit houdt in dat kwetsbare objecten zijn toegestaan en dat er een standaard verantwoording opgesteld moet worden. De beoogde ontwikkeling bestaat uit woningen en valt onder kwetsbare objecten en de beknopte verantwoording volgt hierna.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Kloosterstraat in Nuland. Deze weg sluit aan op de Kerkstraat, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Nuland. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

5.6.3 Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een spoorlijn. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording gezien het feit dat de spoorlijn op meer dan 200 meter is gelegen en er geen toename is van het groepsrisico in het plangebied. Door de afstand zal er geen sprake zijn van een significante invloed. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7 Lucht

5.7.1 Beleidskader

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool.

5.7.2 Onderzoek

Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 4,5 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 24 x 4,5 = 108 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0026.png"

Figuur 5.5 - Uitslag NIBM-tool, versie 6-4-2021 (Bron: infomil.nl)

Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied onder respectievelijk 18,5 en 16,9 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier 9,5 µg/m³. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m³. De resultaten staan weergegeven in figuur 5.6.

Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0027.png"

Figuur 5.6: NSL-monitor, met plangebied rood geblokt (Bron: nsl-monitoring.nl)

5.7.3 Conclusie

Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van goede kwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.

5.8 Bodem

5.8.1 Algemeen

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

5.8.2 Onderzoek

Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan. De bestemming zal daarom gewijzigd moeten worden naar 'Wonen'. Voor deze bestemmingswijziging en voor de bouw van de 24 sociale huurappartementen is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 5.

Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De bovenste 15 centimeter van boring 14 bestaat uit zwak zandige grind. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend.

Ter plaatse van boring 09 is de bodem, over traject 0,1-0,5 m -mv, zwak betonhoudend. Onder de jeu-de-boulesbaan is een volledige puinlaag aanwezig met een dikte van 15 centimeter. Gezien de jeu-de-boulesbaan omstreeks 2015 gerealiseerd is, is het puin niet verdacht op de parameter asbest.

In het overige opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.

In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd.

5.8.3 Conclusie

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Algemeen

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

5.9 Geur

5.9.1 Industriële geur

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.

5.9.2 Agrarische geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins.

5.9.3 Beoordeling

Gezien de afwezigheid van agrarische bedrijven, alsook industriële geur-producerende bedrijven in de nabijheid van het plangebied, is geur hier geen relevant aspect.

5.9.4 Conclusie

Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Hoogspanningslijnen

5.10.1 Advies

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

5.10.2 Beoordeling

Ten noorden van het dorp Nuland loopt een hoogspanningsverbinding. Deze verbinding ligt op meer dan 2 kilometer van het plangebied af. Dit is ruim voldoende afstand buiten het magneetveld.

5.10.3 Conclusie

De hoogspanningsleiding heeft geen invloed op de gezondheid van de toekomstige bewoners van de 24 sociale huurappartementen ter plaatse van het plangebied.

De hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Water

5.11.1 Beleidskader

Waterbeheerplan 2022-2027 Aa en Maas

In het Waterbeheerplan staan de doelen voor de komende 6 jaar beschreven, hoe deze doelen behaald gaan worden en hoe ingespeeld wordt op veranderende omstandigheden. De missie van het waterschap Aa en Maas is: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.”

Het waterschap wil samen met de gemeente werken aan een klimaatrobuust watersysteem. Om dit te bereiken:

  • maakt het waterschap op strategisch niveau afspraken met gemeenten en andere overheden over de ruimtelijke borging van het waterbelang;
  • maakt het waterschap met gemeenten op basis van de stresstesten, risicodialogen en het uitvoeringsprogramma DPRA kwantitatieve afspraken gericht op een klimaatrobuust watersysteem. Hierbij komen ook de Vitale en Kwetsbare Functies in beeld en ontstaat er duidelijkheid over restrisico’s. De ambitie van Aa en Maas voor grondwaterstandsverhoging (zie paragraaf 2.2.2.2) brengen we hier nadrukkelijk in;
  • denkt het waterschap met gemeenten mee bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen en hemelwaterverordeningen zodat de hoeveelheid water vanuit bebouwd gebied doelmatig wordt ingezet en/of afvoer naar het regionale systeem wordt beperkt;
  • gaat het waterschap op zoek naar mogelijkheden om in bebouwd gebied verdroging tegen te gaan en ruimte te vinden voor waterberging;
  • wordt het waterschap uitgangspunten voor weging van het waterbelang (de watertoets) geactualiseerd voor waterkwantiteit en waterkwaliteit;
  • meet en monitort het waterschap de waterkwaliteit van het water in en rondom de stad. Op basis hiervan stellen we een overzicht op van knelpunten en streven we ernaar om deze samen met gemeenten te verhelpen;
  • zet het waterschap in op vergroten sponswerking. Dit doen we door maatregelen als ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken te promoten/te ondersteunen. De stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied zetten we daarom voort en koppelen dit waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen;
  • zoekt het waterschap in het bebouwde gebied breed de samenwerking op met gemeenten, woningcorporaties, bedrijventerreinen, ontwikkelaars en de bouwsector om anders bouwen te promoten.

Keur Waterschap Aa en Maas 2015

In de Keur staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer te waarborgen.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • Voorkom vervuiling van (regen)water;
  • Houd vuil water en schoon hemelwater gescheiden;
  • Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. hergebruik; 2. infiltratie/bergen; 3. vertraagde afvoer;
  • Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;
  • Houd rekening met waterschapsbelangen, bijvoorbeeld ruimteclaims voor waterberging of een ecologische verbindingszone) de aanwezigheid van keringen of watergangen;
  • Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;
  • Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;
  • Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.

Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, dient een hemelwatervoorziening te worden gerealiseerd die minimaal 60 mm per m² toename/vernieuwd verhard oppervlak kan verwerken.

De rekenregel luidt dus als volgt:

Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)

's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig

In deze visie beschrijft de gemeente 's-Hertogenbosch waar ze wil staan om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze visie is een bouwsteen van de Bossche Omgevingsvisie, een integrale visie op de fysieke leefomgeving.

Door in- en uitbreiding van stedelijk gebied vindt steeds meer bebouwing en verharding plaats. Bij extreme neerslag kan dit zorgen voor overstromingen, bij extreme hitte kan dit leiden tot hittestress en het verdwijnen van de groene ruimtes zorgt voor een achteruitgang in de biodiversiteit. De ambitie om dit te voorkomen is de Stad van de Toekomst. Dit is een groene stad. De stad en de dorpen moeten zelf in staat zijn om wateroverlast en hitte op te vangen. Een stad met soortenrijke stadsnatuur, dicht bij de inwoners en de relatie tussen het stedelijk gebied met het buitengebied versterken.

Nieuwe ontwikkelingen en projecten worden gestimuleerd om groen aan te leggen en natuurinclusief te bouwen door de verordening Bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021 (zie onderstaande alinea) en een nieuw ontwikkeld puntensysteem. Nieuwe ontwikkelingen moeten een substantieel aandeel aan groen waarborgen. Daarvoor hanteert de gemeente een wijkspecifieke norm. Door middel van het puntensysteem wordt voor voldoende groene en blauwe elementen in elk ruimtelijk plan gezorgd.

Verordening bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021

De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch vastgesteld op 9 maart 2021 en is sinds 8 juni 2021 onherroepelijk. De verordening behoord tot de "Visie 's-Hertogenbosch groen en klimaatbestendig".

Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd.

Als er minder dan 500 m² nieuw verhard oppervlak wordt toegevoegd geldt een waterberging van minimaal 10 mm per m². Nieuwe groene daken met een waterbergende capaciteit van meer dan 25 mm per m² worden niet meegeteld als verharding.

Het uitgangspunt in de gemeentelijke verordening is dat bovengrondse oplossingen (groene daken, wadi's) de voorkeur hebben boven ondergrondse oplossingen (infiltratiekratten).

5.11.2 Huidige situatie

Verhard oppervlak

Het plangebied is momenteel grotendeels onverhard. De verharde delen bestaan uit de parkeerplaatsen en stoep en beslaan circa 290 m2.

Verwerking hemelwater

Doordat het terrein grotendeels onverhard is, kan hemelwater op het hele terrein worden opgenomen in de bodem. De provincie stelt regels aan het infiltreren van hemelwater.

Verwerking vuilwater en type rioolstelsel

In de Kloosterstraat ligt een gemengd rioolstelsel dat in goede staat is en goed functioneert. Alleen de hemelwaterafvoer van de oudere bebouwing is er nog op aangesloten.

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Bodem en grondwater

De provincie stelt regels aan het infiltreren van hemelwater. Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied maar maakt geen onderdeel uit van een waterwingebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied zelf niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Uit het bodemonderzoek is echter gebleken dat de bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand bestaat. De bovengrond is bovendien zwak humeus.

In het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ongeveer 3,5 meter +NAP, waardoor het grondwater zich op ongeveer 2,5 meter onder maaiveld zou bevinden. Volgens de Bodemkaart van Nederland bevindt de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) ten noorden van het plangebied zich op 106 centimeter. onder maaiveld. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 5,2 meter +NAP. Dit gemiddelde is terug te zien in de inmetingen van het plangebied door initiatiefnemer, zie figuur 5.7. In het infiltratieonderzoek is 1 meting gedaan naar het grondwater. Deze werd aangetroffen op een diepte van circa 2,3 - 1,9 meter- maaiveld. Dit komt overeen met circa NAP +3,4 meter - NAP +2,9 meter. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordwestelijke richting.

Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwater-stroming ter plaatse van de onderzoekslocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0028.png"

Figuur 5.7: Inmetingen Kloosterstraat Nuland (Bron: Mooiland)

5.11.3 Beoogde situatie

Extra verhard oppervlak

Voor de beoogde ontwikkeling is een infiltratieadvies opgesteld (zie Bijlage 10). Het dakoppervlak aan bebouwing bedraagt in de nieuwe situatie in totaal 1.016 m². De oppervlakte vanwege de terreinverharding bedraagt circa 1.496 m2. Het totale afwaterend oppervlak komt daarmee neer op circa 2.512 m2. Conform de eis van Waterschap Aa en Maas van 60 mm per m² verharding en rekening houdend met een en gevoeligheidsfactor vanwege een locatie binnen de bebouwde kom, is de waterbergingsopgave (2.512 m2 x 1 x 0,06) 150,7 m3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0029.jpg"

figuur 5.8: oppervlakte (half)verharding (bron: Vermeer Architecten)

Rekening houdend met onder meer de leeglooptijd van infiltratiekratten, op grond waarvan van een kleinere opvangcapaciteit gebruik kan worden gemaakt, met de doorlatendheid van de bodem en met infiltratie tijdens een bui, zijn in het infiltratieadvies twee ontwerpadviezen voor de infiltratievoorziening gegeven. Hierbij is rekening gehouden met een breedte van een infiltratiekrat van circa 4,8 meter, overeenkomend met de lengte van een parkeervak:

  • 1. bij de toepassing van een infiltratiekrat van 0,4 m hoog is een oppervlakte nodig van (l x b = 78 x 4,8 =) 374,4 m² (figuur 5.9);
  • 2. bij de toepassing van een infiltratiekrat van 0,8 m hoog is een oppervlakte nodig van (l x b = 348,4 x 4,8 =) 184,3 m² (figuur 5.10).

De parkeerplaatsen op het achterterrein worden van grasstenen voorzien en worden daarmee als halfverhard beschouwd (figuur 5.8). Hier is zowel in totale oppervlakte (475 m²) als in de totale lengte van de parkeerstroken voldoende ruimte voor beide typen voorzieningen. Eventueel is daarnaast ruimte voor hemelwaterberging in de openbare tuin rond het appartementengebouw.

Hoewel de leeglooptijd voldoet aan de richtlijn van het waterschap, duurt het gemiddeld circa vier dagen voordat de voorzieningen zijn leeggelopen wanneer deze volledig zijn gevuld. Om de leeglooptijd te versnellen en daarmee het risico te verkleinen dat er onvoldoende capaciteit beschikbaar is bij een kort opvolgende bui, wordt er aangeraden om de voorzieningen te voorzien van een vertraagde afvoer naar de omliggende watergangen of het gemeentelijk (hemelwater)riool.

De waterbergingsopgave is berekend op basis van het inrichtingsplan dat bekend is bij de gemeente. Binnen de bandbreedte van het bestemmingsplan kan dat nog wijzigen en daarmee ook de precieze waterbergingsopgave. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning kan deze opgave dan ook afwijken van het infiltratieadvies en/of dit bestemmingsplan. Binnen het plangebied is echter voldoende ruimte aanwezig voor de vereiste waterbergingsopgave. Daarbij moet ook worden nagedacht over een terreininrichting met extra waterberging in de openbare ruimte, zodat ook bij bovennormatieve buien (T=150) geen wateroverlast optreedt.

Uit het infiltratieadvies volgt dat de toepassing van infiltratiekratten mogelijk is en met de beschikbare ruimte onder de halfverharde parkeerplaatsen is aangetoond dat de realisatie van de vereiste infiltratievoorziening uitvoerbaar is. Hierover maken initiatiefnemer en gemeente in de anterieure overeenkomst afspraken, met inachtneming van het infiltratieadvies in bijlage 10.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0030.jpg" figuur 5.9: infiltratieadvies bij toepassing infiltratiekrat 0,4 m hoog

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0031.jpg"

figuur 5.10: infiltratieadvies bij toepassing infiltratiekrat 0,8 m hoog

Verwerking hemelwater

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Voor het gebruik van uitlogende bouwmaterialen geldt tevens een verbod vanuit de provincie.

Verwerking vuilwater en type rioolstelsel

Het hemelwater van de beoogde nieuwe bebouwing zal worden afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel en zal ter plaatse worden geborgen en infiltreren.

Het afvalwater van het nieuwe appartementengebouw zal worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel en worden afgevoerd naar het meest nabijgelegen rioolgemaal. Naar verwachting kan het afvalwater zonder problemen verwerkt kunnen worden door het bestaande rioolgemaal.

Oppervlaktewater

In de nieuwe situatie wordt geen oppervlaktewater aangelegd. Wel is eventueel de aanleg van een wadi mogelijk ter plaatse van de nieuwe jeu-de-boulesbaan en de omgeving daarvan. Aandacht is dan wel nodig voor het feit dat bij kleine buitjes het water ook afstroomt naar deze verlaging en dan niet te vaak voor overlast moet zorgen. De grindbak kan daar een oplossing voor zijn.

5.11.4 Conclusie

Met het planvoornemen kan voldaan worden aan de eisen van het waterschap en de gemeente. Binnen het plangebied is een waterberging met voldoende capaciteit mogelijk. De realisatie ervan conform de eisen van waterschap en gemeente wordt zeker gesteld in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente.

5.12 Duurzaamheid

5.12.1 Richtlijn

Visie Duurzaam 's-Hertogenbosch 2019
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).

Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's:

  • 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging)

Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit.

  • 2. CO2-neutrale omgeving (energie)

's-Hertogenbosch wil in 2045 CO2-neutraal zijn en gebruikt dan alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van 's-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's.

  • 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)

In 2045 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn.

  • 4. Duurzame mobiliteit

's-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.

5.12.2 Beoordeling

In 2018 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een Duurzaamheidsakkoord gesloten met onder meer de initiatiefnemer. Vanuit de vier belangrijke thema's Energie, Circulariteit, Klimaatadaptatie &biodiversiteit en De Mens werkt initiatiefnemer nu aan het duurzaam 's-Hertogenbosch van straks. Ook in dit bouwplan is het duurzaamheidsakkoord als onderlegger voor de planvorming gebruikt. Aan de hand van de thema's uit de Visie Duurzaam s'-Hertogenbosch wordt beschreven op welke wijze hier voor het bouwplan invulling aan wordt gegeven. 

5.12.2.1 Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving

Ontmoeten

Een prettige omgeving is een gezonde leefomgeving. In het plan is daarom ook aandacht voor groen en ontmoeten. Rondom het pan is daarom ruimte gereserveerd voor groen. Aan de voorzijde komen twee groenstroken die openbaar toegankelijk zijn. In deze groenstroken is ook ruimte gereserveerd om een nieuwe jeu-de-boulesbaan te realiseren. Hier kunnen bewoners en omwonenden elkaar op een ontspannen, sportieve manier ontmoeten.

Natuurinclusief

De braakliggende locatie biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar de ligging en omgeving van het plangebied bieden wel kansen voor deze soorten. Initiatiefnemer is daarom voornemens om maatregelen in de bouw te nemen die het 'natuurvriendelijker'  maken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken. Hierdoor kan de nieuwbouw gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen.

Waterberging

In het plangebied wordt de hemelwaterafvoer losgekoppeld van het vuilwater riool. Het hemelwater wordt afgevoerd naar infiltratiekratten op het terrein. In de kratten wordt het water opgeslagen tot het in de bodem is opgenomen. Door deze waterberging wordt tijdens piekbuien voorkomen dat het riool overbelast raakt. In paragraaf 5.11 is deze waterberging uitgebreider beschreven.


Groen
Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Om het plan te kunnen realiseren moeten er naar verwachting 3 bomen worden gerooid. Voor het rooien van deze bomen is naar verwachting geen omgevingsvergunning noodzakelijk. Binnen het plangebied worden echter ook tenminste 9 nieuwe bomen aangeplant, waardoor per saldo 6 nieuwe bomen worden toegevoegd. De bomen die reeds aanwezig zijn op het perceel en de nieuw aan te planten bomen leveren een positieve bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Bij het nieuw aan te planten groen wordt tevens gekeken naar bomen en planten die een bijdrage leveren aan de biodiversiteit (bijvoorbeeld dracht- waardboom voor bijen en /of vlinders). Groen zorgt zo voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.

Binnen de gemeente is de 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' van toepassing. In deze verordening zijn ook een kwantitatieve en een kwalitatieve groennorm opgenomen. Doel van het opnemen van deze groennormen is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving. Dat betekent dat binnen het plangebied een minimale kwantitatieve groenscore van 40% geldt.


Kwantitatieve groenscore: oppervlakten
Voor Nuland geldt een groennorm van 40%. Het plangebied is 3.390 m² groot. Het nieuwe appartementengebouw inclusief fietsenstalling krijgt een dakoppervlakte van 1.016 m². Naast bebouwing wordt het plangebied echter ook verhard ten behoeve van de ontsluiting en parkeerplaatsen. In totaal is daarvoor 1.496 m² aan extra verharding noodzakelijk, waarvan 475 m2 aan halfverharding (telt 50% mee). Op basis van deze getallen is de groenscore 33%. Om toch te voldoen aan de 40% groennorm van de verordening zorgt initiatiefnemer ervoor dat er per saldo 6 nieuwe bomen worden toegevoegd met een gemiddelde kroonprojectie na 10 jaar van 84 m2. Deze oppervlakte telt mee voor 334,41 m2 in de groennorm (viervoud van kroonprojectie). De fietsenstalling wordt deels uitgevoerd met een groene gevel met een totale oppervlakte van 44 m2. Deze oppervlakte telt voor 175 m2 mee in de groennorm (viervoud van geveloppervlakte). Met deze voorzieningen haalt het plan een ingeschatte groenscore van 48% en voldoet het daarmee ruim aan de minimale norm.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0032.jpg"

Figuur 5.11: Kwantitatieve groenscore

Kwalitatieve groenscore

De 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' hanteert ook een kwalitatieve groennorm. Figuur 5.12 toont de score van het project op de kwalitatieve groenscore. Omdat het project meer dan 500 m² verharding behelst, moet een minimale kwalitatieve groenscore van 8 punten worden behaald. Het project scoort in totaal 10 punten en voldoet daarmee aan de norm.

  • Ad A. Op basis van de (behouden) berekening van de kwantitatieve groenscore blijkt dat deze met 48% ruim voldoet aan de norm van 40%, maar niet meer dan 10% boven de norm ligt waardoor dit in de kwalitatieve groenscore punten zou opleveren. Initiatiefnemer streeft ernaar in de verdere uitwerking van het plan de kwantitatieve groenscore te laten stijgen tot 50% of hoger. Deze 50% is al te bereiken door 1 boom extra aan te planten.
  • Ad B1. Uitgangspunt is om waar mogelijk de aanwezige bomen (met voldoende toekomstwaarde) te behouden. Niet te voorkomen is dat als gevolg van het plan drie bomen gekapt moeten worden, maar daarmee blijft het overgrote deel van de bomen binnen (of grenzend aan) het plangebied gehandhaafd. Dit is overeenkomstig het Bomenbeleidsplan 2017 waarop de 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' aansluit.
  • Ad B2. Bij de aanleg van de plantenborders aan de voor- en zijkant wordt ervoor gekozen om beplanting toe te passen die belangrijk is voor de vlinder- en (wilde) bijenvegetatie. Gedacht wordt aan beplanting als vlinderstruik, zonnehoed, kattekruid, laurierkers en hedera. De aan te planten bomen in de soorten berk, esdoorn en sierpeer zijn een voedselboom voor vogels, drachtboom voor bijen en waardboom voor vlinders. Tevens wordt gekeken of de houtwal aan de achterzijde kan worden versterkt met een inheemse struweelbeplanting zoals aalbes en gelderse roos en probeert initiatiefnemer waar mogelijk erfafscheiding te beperken of zo uit te voeren dat de egel kans krijgt deze te passeren.
  • Ad C1. Er worden tenminste 9 nieuwe bomen aangeplant. Van de 3 soorten bomen die worden aangeplant zijn de berk en esdoorn inheemse bomen, waarvan (Nederlandse) cultivars beschikbaar zijn.
  • Ad C2. Initiatiefnemer zal de te realiseren fietsenberging op het terrein voorzien van een groene gevel (hedera). Tevens wordt gekeken naar het toepassen van inheemse gevelbeplanting als de kamperfoelie en bosrank (door middel van een klimhulpsysteem) op enkele delen van het complex.
  • Ad D. Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Initiatiefnemer kiest er daarom voor om natuurinclusief te bouwen door bijvoorbeeld het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken. Zo kan het gebouw gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0033.jpg"

Figuur 5.12: Kwalitatieve groenscore

5.12.2.2 CO2-neutrale omgeving

Gasloze woningen

De appartementen worden gasloos en volgens de BENG-norm (Bijna Energie Neutraal Gebouw) gerealiseerd. Dit betekent dat de verwarming van woning, koeling van de woning en het warm tapwater op een duurzame manier voorzien kan worden.

Beperken van de energiebehoefte

Naast de duurzame opwekking van de energie wordt ook aandacht besteed aan het beperken van de energiebehoefte van de appartementen. Door de woningen goed te isoleren en luchtdicht uit te voeren wordt de benodigde energie die nodig is voor verwarming en koeling van het appartement maximaal beperkt. Oververhitting in de appartementen wordt voorkomen door de toepassing van warmtepompen die ook kunnen koelen en door de toepassing van diepe neggen in de ramen en het geschikt maken van deze ramen voor de plaatsing van screens.

Belangrijk in het beperken van de energiebehoefte is ook het juiste gebruik van de installaties. Om bewoners zich hiervan bewust te laten zijn organiseert initiatiefnemer 12 weken na oplevering altijd een servicedag voor de bewoners. Op deze servicedag krijgen zij, naast de al in de woning beschikbare gebruikershandleidingen en gebruikersfilmpjes, individueel uitleg over de installatie. Initiatiefnemer is tevens betrokken bij een initiatief om energiecoaches op te leiden waar bewoners gebruik van kunnen maken om tips te krijgen over energiebewust wonen.

Duurzaam

In het bouwplan worden bouwkundige voorzieningen getroffen die het mogelijk maken om zonnepanelen (bij) te leggen in de toekomst. Initiatiefnemer voorziet het bouwplan volledig van led-verlichting en zeer efficiënte installaties.

Door energiezuinige en duurzame woningen te realiseren draagt initiatiefnemer er tevens aan bij dat de vaste lasten voor de bewoners beperkt kunnen worden. In de huidige periode met stijgende prijzen en belangrijk onderdeel om de woningen duurzaam betaalbaar te houden. 

5.12.2.3 Waardebehoud van grondstoffen

Initiatiefnemer streeft (conform het duurzaamheidsakkoord 2018) naar het bijna volledig circulair bouwen in 2030. Om deze ambitie invulling te geven wordt onder andere met vaste bouwpartners gewerkt om deze doelstelling vorm te geven. Het voorliggende bouwplan wordt daarom bij een van deze bouwpartners onder gebracht.

Er is in de huidige materialisering – naast aandacht voor het waterwingebied – ook aandacht voor duurzame  en circulaire keuzes. Zo wordt het gebouw voorzien van zoveel mogelijk hernieuwbare materialen. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de beplating van geveldelen zoveel mogelijk wordt geschroefd en niet verlijmd. Op deze wijze kan de gevelbeplating eenvoudig gedemonteerd worden en weer als grondstof gebruikt worden. In de materialisering wordt ook gekozen voor zoveel mogelijk onderhoudsarme materialen zoals bakstenen gevels en keramische dakpannen. 

5.12.2.4 Duurzame mobiliteit

In het plan zijn meer dan voldoende fietsparkeerplaatsen opgenomen voor bewoners én bezoekers. Zo stimuleert de initiatiefnemer het gebruik van de fiets als duurzame manier van mobiliteit. In de afgesloten fietsenstalling komen oplaadpunten voor elektrische fietsen.

De parkeerplaatsen voor de auto's op het achterterrein worden voorbereid op eventuele toekomstige laadinfrastructuur voor elektrische auto's. Als in de toekomst vraag naar oplaadpunten ontstaat, kunnen deze relatief eenvoudig worden gerealiseerd.

5.12.3 Conclusie

Het plan draagt bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente 's-Hertogenbosch.

5.13 Gezondheid

De gemeente 's-Hertogenbosch hecht belang aan een gezonde leefomgeving. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren (‘Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014’). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast . Fijn stof en geluidsbelasting leveren de grootste bijdrage aan de ziektelast door milieufactoren. Vrijwel overal in Nederland wordt aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen.

Naast het beperken van de druk op de gezondheid door diverse omgevingsfactoren, zoals luchtverontreiniging of geluid, is het tevens belangrijk om aandacht te hebben voor de positieve invloed die de omgeving kan hebben op de gezondheid. Dit kan door in het plan bij de leefomgeving rekening te houden met verschillende thema's en belangen, zoals gezonde mobiliteit, natuur, groen en water, sport en spelen, openbare ruimte, milieukwaliteit, en binnenmilieu.

Toetsing

Gezondheid nieuwe inwoners

Bescherming

In voorgaande paragrafen is getoetst dat de nieuwe inwoners geen hinder ondervinden van weg- en railverkeerslawaai of van industrielawaai (paragraaf 5.3), geen hinder van trillingen (paragraaf 5.4) en geen hinder van verlichting (paragraaf 5.5). De nieuwe bewoners hoeven zich geen zorgen te maken over hun veiligheid in de zone van het spoor. Door de afstand is er geen significante invloed op het groepsrisico (paragraaf 5.6). Er bevinden zich geen intensieve boerderijen in de nabijheid van het plangebied waardoor de nieuwe bewoners geen gezondheidsrisico's oplopen door fijnstof van vee (paragraaf 5.9). Ook ondervinden de nieuwe bewoners geen hinder door de hoogspanningslijn ten noorden van Nuland (paragraaf 5.10). Ook bevat het plangebied geen bodemvervuiling. Dit alles maakt dat nieuwe inwoners hier op basis van de milieuaspecten gezond kunnen leven.

Bevordering

Door zo veel mogelijk bomen te behouden en nieuwe bomen aan te planten wordt een groene leefomgeving gecreëerd. Een groene leefomgeving zorgt voor een betere mentale gezondheid en de schaduw van bomen zorgt voor het voorkomen van hittestress. De openbare ruimte aan de voorkant van het woongebouw biedt ruimte voor ontmoeting en gezamenlijke activiteiten, hierdoor kan eenzaamheid worden tegengegaan.

Gezondheid voor omwonenden

Door de komst van het nieuwe woongebouw wordt de luchtkwaliteit niet significant verslechterd (paragraaf 5.7) en lijdt de toename in het aantal verkeersbewegingen niet tot extra geluidhinder (paragraaf 5.3).

5.14 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r..
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist.

Als een beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarden in de bijlagen bij het Besluit m.e.r. blijft, is een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk.

5.14.1 Beoordeling en conclusie

ad a.

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien het een gebied betreft met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 24 middeldure koopwoningen dus voldoet het niet aan deze criteria. Op grond hiervan is geen m.e.r. nodig.

ad b.

Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied en op een afstand van 10,2 kilometer tot Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken bedraagt 11,1 kilometer. Uit uitgevoerde stikstofberekeningen blijkt dat het planvoornemen geen significant negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden, zie Bijlage 6 en paragraaf 5.15. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.

Omdat de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarden in de bijlagen bij het Besluit m.e.r. blijft, is een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd. Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling, zie Bijlage 11, blijkt dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch heeft, op basis van de vormvrije m.e.r-beoordeling in Bijlage 11, op 8 november 2022 besloten dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. Naar aanleiding van de Porthos-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de bouwvrijstelling en de nieuwe versie van de AERIUS-calculator die op 26 januari 2023 beschikbaar is gekomen, is na dit besluit een stikstofberekening voor de realisatiefase uitgevoerd en is de stikstofberekening voor de gebruiksfase geactualiseerd. Ook uit deze nieuwe berekeningen zoals opgenomen in Bijlage 7 en paragraaf 5.15 volgt dat het planvoornemen geen significant negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden: de nieuwe stikstofberekeningen hebben dan ook geen invloed op het besluit van het college van 8 november 2022.

5.15 Ecologie

5.15.1 Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

5.15.2 Onderzoek

Wettelijke gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied en op een afstand van 10,2 kilometer tot Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken bedraagt 11,1 kilometer, zie onderstaande figuur. Door de afstand van deze gebieden tot het plangebied heeft de ontwikkeling van 24 sociale huurappartementen geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen of kernkwaliteiten in deze gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0034.png"

Figuur 5.11: Afstand Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied, rode stip (Bron: natura2000.nl/gebieden)

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het plangebied ligt niet in Natuur Netwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op een afstand van circa 370 meter aan de westzijde van Nuland. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0035.png"

Figuur 5.12: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, kaart natuur en stiltegebieden (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Omdat de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 24 appartementen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening heeft uitgewezen dat er geen toename van stikstofdepositie (zowel in de realisatiefase als de gebruiksfase) plaatsvindt. De onderzoeken zijn bijgevoegd in Bijlage 7. De AERIUS-memo is te vinden in Bijlage 6.

Het onderhavige plan zal geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hierdoor vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Soortenbescherming

Het plangebied bestaat momenteel uit een braakliggend grasland. Aan de straatzijde staan enkele bomen en de noordzijde wordt begrensd door struweel. In het oosten is een speeltuin en was tijdens het veldbezoek ook een pop-up speeltuin aanwezig.

Voor de bouw van de 24 sociale huurappartementen zal het plangebied bouwrijp worden gemaakt en zal een deel van de begroeiing, met name aan de straatzijde, worden verwijderd.

De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect, omdat met de kap van bomen via de Wet natuurbescherming beschermde soorten bedreigd kunnen worden. Op basis hiervan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het hele rapport is bijgevoegd in Bijlage 8.

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel 5.2: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen (Bron: BRO)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0036.png"

Houtopstanden 

In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Om de impact van het plan op de bomen te bepalen is een Boom Effect Analyse uitgevoerd, zie paragraaf 3.6.

Aanleg parkeerplaatsen en ontsluitingen

Voor de parkeerplaatsen aan de noordzijde van het plangebied, waar deze tussen de eiken nabij de noordelijke plangrens worden gerealiseerd, is grote kans op schade aan stabiliteitswortels van de bomen 5, 6, 8 en 13. Parkeerplaatsen dienen te worden verplaatst tot buiten de stabiliteitskluit van deze en andere bomen (Bijlage II uit rapport).

Voor de aanleg van de parkeerplaatsen binnen de kwetsbare zone (kroonprojectie +1,5 meter) van bomen (in het huidige ontwerp 5 t/m 11 en 13) geldt de randvoorwaarde dat een maximale ontgraving van 20 centimeter-mv moet worden aangehouden. Ophogen met maximaal 10 centimeter, na verwijdering van de graszode en beplanting, is ook toegestaan. Uitgaande van het huidige maaiveldniveau.

De kroon van de eiken 5 t/m 8 en 10, 11 kunnen allen worden opgesnoeid zodat ter plaatse van de geplande ontsluiting en de parkeervakken de doorrijhoogte van 4,5 m +mv wordt behaald. Wel moet vermeldt worden dat de ingreep een significante verandering aanbrengt in de huidige structuur van de houtwal.

Heester beplanting en opslag binnen de kwetsbare zone van te behouden bomen dienen onderaan te worden afgezaagd waarbij eventuele stobbes mogen worden gefreesd. Beplanting mag niet worden uitgetrokken. Aanwezig hekwerk dient handmatig of met licht materieel te worden gedemonteerd en mag tevens niet worden uitgetrokken. Eventueel aanwezige (paal)funderingen binnen de stabiliteitskluit van bomen mogen niet worden verwijderd. Verwijderen van funderingen op overige plaatsen dient plaats te vinden met een zo minimaal mogelijke ontgraving.

Realisatie nieuwbouw

Voor de realisatie van de prefab-fietsenstalling geldt dat een minimale ontgravingsdiepte (max. 20 centimeter -mv) moet worden aangehouden om onnodige wortelschade aan boom 2 en 4 te voorkomen.

5.15.3 Conclusie

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:

  • Om kolonisatie door de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te voorkomen wordt geadviseerd om maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van amfibieënschermen, of de vorming van ondiepe plassen en opslag van vergraafbaar zand te vermijden;
  • Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
  • In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
  • Verlichting op het parkeerterrein mag de houtwal aan de achterkant niet beschijnen.

De bouw van het appartementengebouw heeft na verwijdering van boom 16 geen noemenswaardig effect op overige te behouden bomen. Voor de bomen 14 en 16 is onderzocht wat de bovengrondse knelpunten zijn wanneer de geplande parkeerplaatsen binnen de stamvoet van deze bomen worden verplaatst. Hierbij is geconstateerd dat er sprake zal zijn van een fatale belemmering door kroonschade op boom 16. Boom 14 kan op deze manier wel worden behouden. Ook voor boom 13 is het wenselijk dat de huidige 6 parkeerplaatsen zoals deze aanwezig zijn aan de Kloosterstraat als zodanig in gebruik blijven, zodat geen graafwerkzaamheden binnen de invloedssfeer van bomen aan deze straat hoeven plaats te vinden. Mochten de parkeerplaatsen toch worden gesplitst, maar in een andere vorm, dan dient dit nieuwe ontwerp te worden getoetst middels een vervolg-BEA.

5.16 Archeologie en cultuurhistorie

5.16.1 Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

5.16.2 Onderzoek

Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2', zoals te zien is in figuur 5.12. Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 100 m2 en meer dan 0,5 meter beneden maaiveld. Het bevoegd gezag kan toch een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden verlenen, mits een door deskundigen opgesteld archeologisch rapport wordt overlegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002510-1401_0037.png"

Figuur 5.13: Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Nuland' met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek is opgesteld in september 2021. Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 9. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek

De verwachting voor het voorkomen van de resten is laag voor het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum en middelhoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek

Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat in het hele plangebied matig fijn zwak siltig zand voorkomt dat bovenin (de A-horizont), met uitzondering van één boring waar de A-horizont ontbreekt maar waarschijnlijk sprake is van een opgebracht pakket zand en puin, zwak tot matig humeus was. De A-horizont was plaatselijk puinhoudend. Onder de A-horizont is overal een geroerde laag vastgesteld met daaronder de C-horizont.

5.16.3 Conclusie

Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem (voor zover dat kon worden vastgesteld) in het plangebied verstoord is. Onder de voormalige bebouwing is de bodemopbouw niet bekend en door het ontbreken van bouwdossiers kunnen hier ook geen uitspraken over gedaan worden. De vastgestelde verstoringsdiepte, alhoewel deze varieert binnen het plangebied, is van dien aard dat verwacht wordt dat er geen behoudenswaardige archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn.

Advies 

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

6.1 Algemeen

In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

6.2 Toelichting op bestemmingen

De bestaande bestemming 'Maatschappelijk' zal wijzigen in 'Wonen', 'Groen' en 'Verkeer'.

6.2.1 'Wonen'

In overeenstemming met de bestemming 'Wonen' in de rest van Nuland is, op basis van het bouwplan zoals toegelicht in paragraaf 3.2, een bouwvlak met de bouwaanduiding 'gestapeld' opgenomen. Daarnaast is het maximum aantal wooneenheden van 24 opgenomen. Met de specifieke aanduidingen van de 'maximum goot- en bouwhoogte' op de verbeelding is de maximale goot- en bouwhoogte geregeld en daarbij ook de twee hoogteaccenten. Aan de achterzijde is de goothoogte gelijk aan de bouwhoogte, omdat de achterzijde een galerij is. De voorzijde en de zijkanten hebben een kap met daarin de bovenste woonlaag.

In de woonbestemming is op het achterterrein de aanduiding 'fietsenstalling' opgenomen. Met uitzondering van deze fietsenstalling zijn hier op grond van dit bestemmingsplan geen (bij)gebouwen toegestaan.

De balkons aan de voorzijde vallen (deels) buiten het bouwvlak. Hiervoor is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - balkons' aangegeven, zowel aan de rechterkant als aan de linkerkant van het gebouw.

6.2.2 'Groen'

Ten zuiden, aan de voorkant, en aan de oostkant van het appartementengebouw wordt een openbaar toegankelijke tuin aangelegd met ruimte voor een nieuwe jeu-de-boulesbaan. Om deze openbare tuin ook juridisch-planologisch te verankeren krijgt het de bestemming 'Groen'.

Het is niet toegestaan om gebouwen binnen deze bestemming te realiseren. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is een maximum hoogte en maximum oppervlakte opgenomen in de regels.

6.2.3 'Verkeer'

Aan de linkerzijde zal een gedeelde inrit/uitrit worden gerealiseerd. Deze toegang leidt naar de parkeerplaatsen en de stoep aan de achterzijde van het gebouw. Deze toegangsweg en de parkeerplaatsen en de stoep aan de voorzijde hebben de bestemming 'Verkeer'.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

De gronden zijn in het bezit van een ontwikkelende partij. Zij is, samen met de gemeente 's-Hertogenbosch initiatiefnemer van onderhavige bestemmingswijziging. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. Tussen de ontwikkelende partij en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de plankosten en planschadeverhaalskosten.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Omgevingsdialoog

Omdat een fysieke (inloop)bijeenkomst in januari 2022 nog niet mogelijk was door de coronamaatregelen is de tijdelijke website www.kloosterstraatnuland.nl opgezet. Op deze website is het schetsplan en de bijbehorende informatie gepresenteerd. Initiatiefnemer heeft direct omwonenden en belanghebbenden (ongeveer 35 adressen/ organisaties) uitgenodigd om via deze website kennis te nemen van het plan en hun vragen en/of opmerkingen te maken. Geïnteresseerde bezoekers van de website konden ook hun reactie op het schetsontwerp achter laten. Voor diegene die er behoefte aan had was er de mogelijkheid voor een persoonlijk gesprek.

Het schetsontwerp is gedeeld met omwonenden en belanghebbenden. Het schetsontwerp is zo'n 190 keer bekeken. De initiatiefnemer heeft 10 reacties ontvangen en er zijn 5 persoonlijke gesprekken gevoerd. Geconcludeerd kan worden dat het plan overwegend positief is ontvangen. Twee omwonenden vrezen door de ontwikkeling voor hun woongenot en privacy. Initiatiefnemer heeft met hun bezwaren waar mogelijk rekening gehouden, maar kan deze zorgen en bezwaren niet volledig wegnemen.

8.2 Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan voorafgaand aan de terinzagelegging ervan toegezonden aan provincie Noord-Brabant en waterschap Aa en Maas.

Provincie Noord-Brabant

Naar aanleiding van de inventarisatie van belangen in het kader van het vooroverleg (door middel van het e-formulier over de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten) geeft de provincie aan dat het plan haar geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Waterschap Aa en Maas

Het waterschap concludeert dat de waterschapsbelangen op de juiste wijze zijn opgenomen in het plan en heeft daarom geen opmerkingen op het plan.

8.3 Ontwerpfase

Het ontwerpbestemmingsplan 'Kloosterstraat Johanneshof Nuland' heeft met ingang van 14 november 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar kunnen maken bij de gemeenteraad van de gemeente 's-Hertogenbosch. Er zijn twee zienswijzen ingediend.

In de, bij het vaststellingsbesluit behorende, 'Nota zienswijzen' zijn deze zienswijzen beantwoord. De zienswijzen hebben niet geleid tot wijziging van het bestemmingsplan. Wel zijn de stikstofberekening en bijbehorende memo vervangen, omdat de bouwvrijstelling is vervallen en er begin 2023 een nieuw rekenmodel is verschenen.