direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling Terpeborch 1, Rosmalen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002485-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voormalige kantoorpand aan de Terpeborch 1 in Rosmalen wordt getransformeerd tot 9 appartementen. In de tuin behorende bij het pand worden 2 halfvrijstaande grondgebonden woningen gerealiseerd.

Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'De Overlaet' is zowel de beoogde transformatie van het kantoorpand als de beoogde nieuwbouw op het bijbehorende terrein, niet toegestaan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voorzien in een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor de beoogde ontwikkeling.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Terpeborch 1 in Rosmalen, kadastraal bekend als Rosmalen, sectie H, nummers 5056, 5057, 5058 en 1952 (gedeeltelijk). In figuur 1.1 is de plangrens weergegeven op een kadastrale ondergrond en de basiskaart grootschalige topografie (BGT). In figuur 1.2 is de begrenzing geprojecteerd op een luchtfoto.

Het plangebied wordt omsloten door de Rodenborchweg aan de westzijde, de Terpeborch aan de zuidzijde en bestaande woningen aan de oost- en noordzijde van het terrein. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1.800 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0001.png"

Figuur 1.1: Kadastrale kaart met begrenzing plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0002.png" Figuur 1.2: Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd weergegeven.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. Een planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 3. Het beleidskader dat van toepassing is op de locatie en het initiatief is opgenomen in hoofdstuk 4. Vervolgens worden de verschillende milieu- en duurzaamheidsaspecten beschreven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de regels. De financiële haalbaarheid van het initiatief komt in hoofdstuk 7 aan de orde. Hoofdstuk 8 gaat in op het resultaat van de omgevingsdialoog en het vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving locatie en ligging in de stad

Het plangebied ligt aan de Terpeborch 1 in Rosmalen. Op de navolgende figuur is de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Het plangebied ligt op circa 930 meter ten noorden van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Rosmalen-Nijmegen, op circa 1.375 meter ten oosten van het Maximakanaal en op circa 1.775 meter ten oosten van de rijksweg A2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0003.png" Figuur 2.1: Topografische kaart met de ligging van het plangebied aangeduid met een rode pijl.

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied ligt in de wijk Overlaet in Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch. De wijk is in verschillende fases gebouwd. Deze fases zijn duidelijk te herkennen in de opbouw en verkaveling van de wijk. In de wijk zijn de volgende vijf onderdelen te herkennen:

  • De oude lintbebouwing aan de Striensestraat, Schoolstraat, Bruggen.
  • Dorpsrand Bruggen.
  • Bebouwing ten noorden van de Schoolstraat-Bruggen (Hondsberg); jaren '80.
  • De Overlaet-West; eind jaren '80 – begin jaren '90.
  • Buitenste rand De Overlaet-Oost; midden jaren '90.

Het plangebied maakt onderdeel uit van de Overlaet-West, een typische wijk uit het einde van de jaren '80, begin jaren '90, waarin de auto een ondergeschikte rol speelt en waarin veel aandacht voor de openbare ruimte is. Het merendeel van de bebouwing in Overlaet-West wordt gevormd door vrijstaande woningen of halfvrijstaande woningen.

De aandacht voor openbare ruimte en groen is ook in de directe omgeving van het plangebied herkenbaar, met de groenstrook aan de oostzijde langs de Rodenborchweg en ook de bomenrijen langs de Nieuwendijk aan de westzijde van het plangebied. Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van oppervlaktewater.

Aan de oostzijde van het plangebied ligt de doorgaande Rodenborchweg, een 50 km/uur weg. Voor het overige is in de directe omgeving sprake van een 30 km-zone.

2.3 Functionele structuur

Ter hoogte van het plangebied en de directe omgeving is sprake van een reguliere woonwijk, met bijbehorende openbare voorzieningen in de vorm van wegen en groen. Op enige afstand ten zuidwesten van het plangebied zijn maatschappelijke voorzieningen aanwezig, waaronder Kindcentrum De Terp en Sportzaal Overlaet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0004.png"

Figuur 2.2: Luchtfoto in vogelvluchtperspectief van het plangebied en de directe omgeving.

Het plangebied zelf is vrijwel volledig verhard en deels bebouwd met een kantoorpand, bestaande uit twee bouwlagen met een plat dak.

2.4 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'De Overlaet' van toepassing, zoals dit op 14 december 2010 door de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch is vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 2 mei 2012.

Voor het plangebied geldt de enkelbestemming 'Kantoor', waarbinnen een bouwvlak is opgenomen. Binnen het bouwvlak zijn hoofdgebouwen toegestaan met een maximum goot- en bouwhoogte van 8 meter. Verder geldt de aanduiding 'archeologische waarden 3'.

Op de navolgende figuur is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0005.png"

Figuur 2.3: Verbeelding bestemmingsplan 'De Overlaet', met het plangebied rood omlijnd weergegeven (bron: www.ruimelijkeplannen.nl).

Enkelbestemming 'Kantoor'

De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor kantoren en aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen. Het gebruik ten behoeve van wonen is binnen de bestemming 'Kantoor' niet toegestaan. Evenmin is een afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de beoogde woonfunctie kan worden toegestaan. De ontwikkeling van deze nieuwbouw is kortom strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Hierin wordt met het voorliggende bestemmingsplan voorzien.

Gelet op het feit dat in de toekomstige situatie een woonfunctie is voorzien, wordt voor het gehele plangebied de bestemming 'Wonen' opgenomen in plaats van de bestemming 'Kantoor'.

Aanduiding 'archeologische waarden 3'

Het is verboden om ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden 3' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) grondwerken (zoals uitgraven, afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) uit te voeren op een diepte van meer dan 0,50 meter beneden peil en met een oppervlakte groter dan 200 m².

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 5.15 van deze toelichting.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Bebouwing

De bebouwing van de voorgenomen ontwikkeling bestaat feitelijk uit een tweetal onderdelen. Tevens wordt het bijbehorende terrein wordt opnieuw ingericht tot binnenhofje en de openbare groenstructuur langs de Rodenborchweg hersteld.

Wat de bebouwing betreft is er enerzijds sprake van een functiewijziging van het bestaande kantoorpand naar 9 appartementen, met inbegrip van een beperkte uitbreiding aan de noordzijde. Daarnaast is er op het noordelijk deel van het perceel voorzien in twee nieuwe halfvrijstaande grondgebonden woningen. De halfvrijstaande woningen worden met de voorzijde gericht op het centrale open deel van het perceel tussen de te realiseren woningen en het te transformeren voormalige kantoorpand.

De te realiseren halfvrijstaande woningen grenzen aan de achterzijde aan de bestaande woningen aan de Terpeborch. Hierdoor ontstaat de gebruikelijke "rug-aan-rug" situering. Ook de gemeenschappelijk entree van het appartementengebouw is gesitueerd aan het binnenterrein. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dit de meest geschikte situering.

Bij de herinrichting van het bijbehorende terrein wordt voorzien in groenvoorzieningen en de benodigde parkeervoorzieningen, zoals is weergegeven op figuur 3.1. Ten opzichte van de bestaande, vrijwel volledig verharde situatie, is sprake van een forse toename van de hoeveelheid groen binnen het plangebied.

Aan de Rodenborchweg wordt de groenstructuur opnieuw vormgegeven. De bomenstructuur wordt hersteld en een begroeid geluidscherm maakt eveneens onderdeel uit van deze groenstructuur.

Op de navolgende afbeeldingen is de toekomstige situatie weergegeven middels een situatieschets en gevelaanzichten van de toekomstige woningen en het toekomstige appartementengebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0006.png"

Figuur 3.1: Situatieschets toekomstige situatie plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0007.png"

Figuur 3.2: Impressie gevelaanzichten toekomstige woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0008.png"

Figuur 3.3: Impressie gevelaanzichten toekomstige appartementengebouw.

Voor wat betreft de appartementen geldt dat sprake is van 8 middeldure huurappartementen en 1 huurappartement in de sociale sector. De 2 halfvrijstaande woningen betreffen koopwoningen.

Hoewel er in tegenstelling tot veel andere milieuaspecten zoals geluid of luchtkwaliteit, geen wettelijke norm voor lichthinder naar de omgeving bestaat en hinderbeleving een subjectief begrip is, is ten behoeve van de beoogde ontwikkeling een verlichtingsplan opgesteld. Bij de nadere uitwerking van het initiatief wordt ter hoogte van het appartementengebouw en de gronden daaromheen, gebruik gemaakt van lichtsturende LED-lampen. Op deze wijze wordt mogelijke overlast voor de omgeving tot een minimum te beperkt.

Bij de woningen zullen voor woningen gangbare armaturen bij de voordeur worden geplaatst.

Het verlichtingsplan is als bijlage 1 bij deze toelichting te raadplegen.

3.2 Gebruik

Zoals beschreven in paragraaf 3.1 wordt het gebruik van het plangebied gewijzigd van een kantoorfunctie naar wonen, in de vorm van een appartementengebouw met 9 appartementen en twee halfvrijstaande grondgebonden woningen op de achterzijde van het perceel. De delen waar de halfvrijstaande woningen en de appartementen voorzien zijn, krijgen middels dit bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. Dit met inbegrip van de tuinen behorende bij de halfvrijstaande woningen en appartementen.

Het centrale deel van het terrein wordt voorzien van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming wordt ook het parkeren grotendeels opgelost.

3.3 Verkeer en parkeren

Verkeer

De verkeersgeneratie kan worden berekend op basis van de CROW-kencijfers, die zijn opgenomen in de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Het plangebied behoort tot de zone 'rest bebouwde kom' en valt binnen 'matig stedelijk gebied'.

In de huidige situatie heeft het plangebied een kantoorbestemming. In de toekomstige situatie is er sprake van een appartementengebouw met 9 huurappartementen en 2 halfvrijstaande grondgebonden woningen. Op basis van de kencijfers van het CROW geldt voor de appartementen (categorie 'huur, appartement, midden/goedkoop, incl. sociale huur') een verkeersgeneratie van gemiddeld 3,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per appartement. Met 9 appartementen komt dit neer op gemiddeld 32,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Voor de twee halfvrijstaande woningen geldt, uitgaande van koopwoningen, een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 7,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. Met 2 woningen komt dit neer op gemiddeld 15,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

De totale verkeersaantrekkende werking bedraagt daarmee op basis van de CROW-richtlijnen circa 48 (32,4 + 15,6) motorvoertuigbewegingen per etmaal. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de verkeersbewegingen van het voormalige gebruik als kantoor komen te vervallen.

Het kantoorpand omvat een bruto vloeroppervlak van circa 690 m². Op basis van de kencijfers van het CROW geldt voor een kantoor, uitgaande van een kantoor zonder baliefunctie en ligging in de zone 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk gebied', een verkeersgeneratie van gemiddeld 7,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m² bvo. Dit betekent een totale verkeersgeneratie van gemiddeld 49,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Wanneer de bestaande en toekomstige situatie met elkaar worden vergeleken is er kortom sprake van een lichte theoretische afname van het aantal verkeersbewegingen (49,7 - 49) van gemiddeld 1,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

De toekomstige verkeersgeneratie kan kortom naar verwachting zonder problemen op het omliggende wegennet worden afgewikkeld. Het plangebied wordt daarbij overeenkomstig de huidige situatie ontsloten op de Terpeborch, aan de zuidkant van het plangebied.

Parkeren

Autoparkeren

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld in de vorm van de 'Nota Parkeernormering 2021 Gemeente ‘s-Hertogenbosch'. In deze nota is de volgende overgangsregeling opgenomen: "De Nota Parkeernormering 2021 treedt in werking op de dag nadat deze is gepubliceerd. Deze beleidsregels worden in beginsel toegepast op alle aanvragen omgevingsvergunning die na inwerkingtreding worden ingediend. Het college van burgemeester en wethouders heeft de bevoegdheid om bij aanvragen omgevingsvergunning die na deze datum worden ingediend in afwijking hierop de Nota Parkeernormering 2016 van toepassing te verklaren indien de initiatiefnemer redelijkerwijs uit mocht gaan van de toepassing van de Nota Parkeernormering 2016. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor plannen waarvoor een informatieve aanvraag omgevingsvergunning is gedaan, ingekomen vóór de inwerkingtreding van de Nota Parkeernormering 2021, waarbij gemeente heeft bevestigd bereid te zijn om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het plan met een procedure, mits de uitwerking van het plan en de aanvraag omgevingsvergunning past binnen de door gemeente gestelde voorwaarden."

De bovengenoemde regeling is van toepassing op het voorliggende initiatief. Het plan is ontwikkeld en tevens ingediend als informatieve aanvraag, voorafgaand aan de vaststelling van de Nota Parkeernormering 2021. Ook zijn in 2020 met de initiatiefnemer over het plan al principe-afspraken gemaakt (haalbaarheidsbrief). Daarom kan in dit geval, op basis van het overgangsrecht, gebruik worden gemaakt van de 'Nota Parkeernormering 2016'. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de 6 verschillende zones binnen de gemeente.

Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.

In het voorliggende geval is sprake van een wijziging van een kantoorfunctie naar een woonfunctie. Hiervoor wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het plangebied ligt op grond van de 'Nota Parkeernormering 2016' binnen 'Zone 5: Overige kernen'.

In de gemeentelijke parkeernormen wordt een onderscheid gemaakt naar type woning en oppervlaktes van woningen. Voor wat betreft de appartementen geldt dat sprake is van één appartement kleiner dan 40 m² en acht appartementen met een oppervlakte tussen de 40 en 80 m². Volgens de gemeentelijke parkeernormen geldt voor het appartement kleiner dan 40 m² een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning. Voor de acht appartementen met een oppervlakte tussen de 40 en 80 m² geldt een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning.

Voor de twee woningen geldt op basis van de ligging in 'Zone 5: Overige kernen' en een oppervlakte van 80 - 150 m², een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning.

Bewoners en bezoekers van de appartementen parkeren op het gezamenlijke parkeerterrein waar sprake is van dubbelgebruik. De 2 grondgebonden woningen hebben ook nog parkeerplaatsen op eigen terrein.

De parkeerbehoefte van de appartementen bedraagt, vanwege dubbelgebruik, 12 parkeerplaatsen. Voor de grondgebonden woningen is dat 4 parkeerplaatsen. Omdat parkeerplaatsen op eigen terrein niet volledig meegeteld kunnen worden, zijn er 5 parkeerplaatsen in totaal nodig voor de grondgebonden woningen.

In totaal telt het plan 17 parkeerplaatsen en daarmee voldoet het aan de 'Nota Parkeernormering 2016'.

De uiteindelijke toetsing aan de gemeentelijke parkeernormen vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag.

Fietsparkeren

Voor wat betreft het fietsparkeren gaat de 'Nota Parkeernormering 2016' uit van 1 berging per woning. Het fietsparkeren wordt daarmee in de bergingen opgelost.

3.4 Openbare ruimte

De ontwikkeling vindt over het algemeen plaats op eigen terrein. Een klein deel van het aangrenzende openbaar gebied wordt bij het plangebied getrokken en daarnaast worden in het openbaar gebied 2 nieuwe bomen aangeplant. Meer hierover in paragraaf 3.5.

3.5 Bomen

Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie geen bomen aanwezig die van waarde zijn voor de omgeving. Op gemeentelijke gronden grenzend aan het plangebied staat een es die weliswaar een redelijk formaat heeft, maar essen worden niet toekomstbestendig geacht vanwege essentaksterfte en essenbastkever. Deze es wordt verwijderd en dit kleine stukje gemeentegrond wordt bij het plangebied getrokken, zodat er een evenwichtige groene invulling van het terrein kan ontstaan. Het verwijderen van de boom wordt gecompenseerd door de toevoeging van 2 nieuwe bomen aan de voorzijde van het pand (op gemeentegrond), in de gemeentelijke bomenstructuur, Structuurlijn, conform bijlage 2 van de Verordening Bomen, Water en Groen.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt het in de huidige situatie vrijwel volledig verharde plangebied opnieuw ingericht en vergroend.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten;
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.


Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
  • Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.
  • Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem.
  • Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten.
  • Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit)
  • Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.
  • Verbeteren en beschermen van biodiversiteit.
  • Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Beoordeling

Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn met name het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte en het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen zoals genoemd in het NOVI in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de NOVI.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden en in 2014 is deze partieel herzien. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Beoordeling

Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als stedelijk concentratiegebied. In de provincie zijn in totaal vijf stedelijke concentratiegebieden aangewezen. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0009.png"

Figuur 4.1: Uitsnede 'Structurenkaart' uit de Structuurvisie RO 2010 - partiële herziening 2014.

De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Het voorliggende plan is in lijn met deze uitgangspunten. Er is sprake van de transformatie van een bestaand kantoorpand naar woningen en daarnaast is op het bijbehorende terrein sprake van inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied door de realisatie van grondgebonden woningen. Verder is sprake van een aantoonbare behoefte aan woningen. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de provinciale ambities binnen het stedelijk concentratiegebied en in overeenstemming met de structuurvisie.

4.2.2 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant'

Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling, die plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, is met name de ambitie tot zorgvuldig ruimtegebruik van belang. Het voornemen bestaat uit een transformatie van een bestaand kantoorpand tot woningen en daarnaast uit inbreiding door de realisatie van grondgebonden woningen op het bijbehorende terrein, binnen bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de omgevingsvisie.

4.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld en in 2023 is de meest recente actualisatie vastgesteld. Het is een 'Interim' omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de 'definitieve' omgevingsverordening, gebaseerd op de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014.

In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Beoordeling

Het plangebied ligt volgens de verordening binnen de structuur 'concentratiegebied' (stedelijk gebied). Binnen het plangebied vindt de transformatie van een bestaand kantoorpand naar woningen plaats in combinatie met de realisatie van grondgebonden woningen op het bijbehorende terrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0010.png" Figuur 4.2: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeente: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Op grond van artikel 3.42 'duurzame stedelijke ontwikkeling' dient een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen binnen stedelijk gebied, een onderbouwing te bevatten dat:

  • de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, zoals bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
  • het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

De gemeenten in de Regio Noordoost-Brabant-West (NOBW) hebben in het Regionaal Perspectief op Wonen afspraken gemaakt over de regionale afstemming van woningbouwplannen. Basis voor de regionale afspraken was het Regionaal Perspectief op Wonen Meerjarenperspectief 2021-2024. Hierin is afgesproken dat ruim baan gegeven wordt voor inbreiding en transformatieplannen. Het voorliggende plan betreft de transformatie van een voormalig kantoorgebouw en omliggend terrein naar woningen. Het plan voldoet daarmee aan de regionale afspraken en behoort tot de plannen waaraan in regionaal verband ruim baan wordt gegeven.

In het voorliggende geval is verder sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Er wordt deels voorzien in transformatie van een bestaand kantoorpand en daarnaast wordt voorzien in hoogwaardige, energiezuinige en duurzame nieuwbouw in de vorm van twee grondgebonden halfvrijstaande woningen. Hierbij wordt invulling gegeven aan een concrete behoefte, ook voor de langere termijn.

Aanvullend dient te worden opgemerkt dat inmiddels in de regio een Regionale Woondeal is gesloten, tussen Rijk, provincie Noord-Brabant, regiogemeenten en woningcorporaties, ondertekend op 9 maart 2023. Hierin wordt de grote vraag naar woningen geschetst. Er zijn ambitieuze afspraken gemaakt over het versneld realiseren van voldoende, met name betaalbare, woningen. Onderdeel daarvan is zorgen voor voldoende harde plannen (die de procedure doorlopen hebben), zodat de realisatie kan starten. De ontwikkeling aan Terpeborch 1 past binnen deze afspraken. Het gaat om een inbreidingsplan met een groot aandeel betaalbare woningen (sociale huur en middenhuur). Daarmee past het in de regionale ambities.

Ten aanzien van een duurzame ontwikkeling is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant het volgende opgenomen:

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

  • a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;
  • b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
  • c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
  • d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
  • e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
  • f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.


Ten aanzien hiervan kan het volgende worden opgemerkt:

  • a. Zoals blijkt uit deze toelichting en meer specifiek hoofdstuk 5, is sprake van een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving.
  • b. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij een voormalig kantoorgebouw wordt getransformeerd tot appartementen binnen bestaan stedelijk gebied.
  • c. Voor wat betreft duurzame energie wordt verwezen naar paragraaf 5.12.
  • d. Er wordt invulling gegeven aan de actuele eisen ten aanzien van hemelwaterberging en door het toevoegen van groenvoorzieningen en verminderen van de hoeveelheid verharding, wordt tevens invulling gegeven aan het tegengaan van hittestress.
  • e. Bij de technische uitwerking van de plannen wordt reeds rekening gehouden met de mogelijkheid om laadpalen voor elektrische auto's te plaatsen.
  • f. De realisatie van de appartementen en woningen draagt bij aan het draagvlak van voorzieningen in de nabijheid en daarmee mede ook aan een duurzame, concurrerende economie.

Op grond van paragraaf 3.1.2 'Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies' van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geldt:

  • een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5)
  • dat sprake dient te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6)
  • dat de lagenbenadering toegepast dient te worden (artikel 3.7)
  • gestreefd dient te worden naar meerwaardecreatie (artikel 3.8).

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • zorgvuldig ruimtegebruik
  • de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering
  • meerwaardecreatie

Deze aspecten worden hierna beschreven.


Zorgvuldig ruimtegebruik

De toedeling van functies dient plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag. Het bestaand ruimtebeslag betreft 'het bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat enerzijds sprake is van transformatie van een bestaand kantoorpand en anderzijds omdat sprake is van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij voor de grondgebonden woningen sprake is van inbreiding. Hierbij is sprake van een geringe impact op de fysieke leefomgeving. Daarnaast houdt de ontwikkeling rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress door het behoud van zoveel mogelijk groen en het zorgen voor voldoende ruimte voor de opvang van hemelwater. Verder is de ontwikkeling getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.


Toepassing van de lagenbenadering

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
  • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
  • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

In het voorliggende geval is rekening gehouden met de genoemde lagen, hiervoor wordt verder verwezen naar hoofdstuk 3 en 5. Hieruit blijkt dat in voldoende mate rekening wordt gehouden met de ondergrond en meer specifieke de aspecten bodem (zie paragraaf 5.8), grondwater (zie paragraaf 5.11) en archeologische waarden (zie paragraaf 5.15). Verder geldt ten aanzien van de netwerklaag dat de bestaande infrastructuur voldoet (zie paragraaf 3.3), dat geen siginificant negatieve effecten worden uitgevoerd op het Natuurnetwerk (zie paragraaf 5.14) en dat er geen problemen te verwachten zijn ten aanzien van de aspecten energienetwerk en waterwegen.

Voor wat de bovenste laag geldt er geen cultuurhistorische of landschappelijke waarden in het geding zijn (zie onder meer paragraaf 5.15). De omvang van de functie en de bebouwing binnen het plangebied worden passend geacht binnen een stedelijke omgeving zoals in geval van het plangebied en de omgeving. Er is geen sprake van onevenredig negatieve effecten op bestaande en toekomstige functies en er is geen sprake van onevenredige effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu (zie hoofdstuk 3 en 5.

Meerwaardecreatie

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
  • de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

In het voorliggende geval is sprake van meerwaardecreatie, onder meer door het combineren van de tranformatie van leegstand commerciëel vastgoed met de woningbouwopgave. Daarnaast is sprake van een impuls aan het openbaar groen aan de oostzijde van het plangebied.

Conclusie

Het plan leidt tot een goede omgevingskwaliteit en is dan ook in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Ruimtelijke Structuurvisie - Stad tussen Stromen

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

Beoordeling

Het plangebied behoort tot 'De Rosmalense vleugel'. Deze verbindt de stad met Rosmalen en De Groote Wielen. Het plangebied is aangemerkt als bestaand bebouwd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0011.png" Figuur 4.3: De in de ruimtelijke structuurvisie onderscheiden stedelijke vleugels.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de transformatie van een kantoorpand tot woningen en de realisatie van twee halfvrijstaande grondgebonden woningen op het bijbehorende terrein. Daarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de structuurvisie.

4.3.2 Woonvisie 's-Hertogenbosch

Het gemeentelijk woningbouwbeleid is vastlegend in de 'Woonvisie 's-Hertogenbosch' uit 2020. In de woonvisie wordt ingezet op vier woonopgaven:

  • Passend en betaalbaar wonen voor iedereen;
  • Leefbare en inclusieve buurten;
  • Toekomstbestendige woningvoorraad;
  • Strategisch innovatief woonprogramma.

Beoordeling

In het kader van passend en betaalbaar wonen voor iedereen wordt een onderscheid gemaakt in de thema's:

  • betaalbaar wonen;
  • passend wonen en doorstroming;
  • specifieke doelgroepen.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hierbij aangesloten. Er is sprake van betaalbare appartementen (1 appartement onder de liberalisatiegrens en 8 appartementen in het middenhuur-segment). Daarnaast omvat deze ontwikkeling de realisatie van twee halfvrijstaande woningen.

De Woonvisie gaat uit van een stedelijke programmering van ten minste 30% sociale huur, tenminste 20% middenhuur of goedkope koop en maximaal 50% overig. Per project is er ruimte voor maatwerk, waarbij een balans wordt gezocht tussen de stedelijke opgave en wens om bij te dragen aan sterke, leefbare en inclusieve buurten. Vanwege het relatief lage aantal middenhuurwoningen in het stedelijke programma zoeken we bij elke locatie naar de mogelijkheden voor dit segment. Ook het Bestuursakkoord 2022-2026 zet sterker in op het middensegment, namelijk 30% middenhuur en 10% goedkope koop. Met 8 van de 11 woningen in het middeldure huursegment draagt dit plan duidelijk bij aan deze specifieke opgave.

De ontwikkeling voorziet in diverse bouwvormen, prijsklassen en eigendomsvormen. Daarmee is sprake van een divers en passend woningaanbod dat bijdraagt aan woonruimte voor verschillende doelgroepen.

Zoals verderop in deze toelichting nader aan de orde komt, wordt hierbij ook uitdrukkelijk aandacht besteed aan de gewenste verduurzaming (zie ook paragraaf 5.12).

De voorgenomen ontwikkeling sluit kortom aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie 's-Hertogenbosch, voor betaalbaar en passend wonen en een toekomstbestendige woningvoorraad.

4.3.3 Welstand

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader.

Het perceel is in de welstandnota nu opgenomen als "gebied T4 op zich zelfstaande bebouwing". Voor de grondgebonden woningen zal worden aangesloten op het welstandregime van de naastgelegen woningen: "gebied W7 thematische woonbebouwing inbreidingsgebied".

De uiteindelijke toetsing door de Monumenten- en Welstandscommissie vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag.

4.3.4 Bomen

Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021

Om de gevolgen van klimaatverandering voor ’s-Hertogenbosch te beperken is een verordening opgesteld voor bomen, het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen in juridisch opzicht geborgd. Op deze manier is voor iedereen duidelijk wat wel en niet mag en hoe de gemeente daarop toeziet.


Water

Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen voor perceeleigenaren om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd.


Het plan voorziet in het vernieuwen/veranderen van meer dan 500 m² verharding. Er wordt bestrating blijvend verwijderd en veranderd. Op de bestrating vallend hemelwater wordt op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem. De hemelwaterriolering van het bestaande kantoorpand wordt ontkoppeld en het water wordt geïnfiltreerd op eigen terrein. Tevens komen er groendaken die zorgen voor vertraagde afvoer van hemelwater. Er komen bomen en groen die zorgen voor de opname van regenwater. Hemelwater dat valt op de daken van en de verharding ter plaatse van de halfvrijstaande woningen wordt binnen het plangebied geïnfiltreerd. De berekeningen en exacte uitwerking vinden plaats in het kader van de indiening aanvraag omgevingsvergunning (zie ook paragraaf 5.11). Daarbij zal rekening worden gehouden met de eisen zoals deze zijn opgenomen in de verordening Bomen, Water en groen 's-Hertogenbosch 2021.


Groen
Om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving is een groennorm vastgesteld. Per gebied is een ondergrens van het percentage groen aangegeven. In de verordening is een groennorm opgenomen voor ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename aan oppervlakteverharding van meer dan 500 m². Hiervan is geen sprake, waardoor deze norm niet van toepassing is. Desondanks wordt invulling gegeven aan het streven naar een groene inrichting. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.1 en paragraaf 5.12.


Bomen en houtopstanden

De verordening geeft aan welke regels de gemeente hanteert voor het vellen van houtopstanden (bomen), het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. De regels voor bomen en water zijn gebaseerd op de gemeentelijke regels die voorheen golden. Voor groen is een groennorm opgesteld.

Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Deze categorieën zijn aangeduid op de bijbehorende Bomenkaart. Het gaat om:

  • monumentale houtopstanden
  • waardevolle houtopstanden
  • beschermde houtopstanden gelegen binnen Structuren
  • beschermde houtopstanden gelegen binnen Sfeervlakken

Deze categorieën zijn vergunningplichtig in het kader van de verordening Bomen Water en Groen 2021.


Volgens de Groene kaart, zoals genoemd in de Verordening bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021, zijn er binnen het plangebied geen sfeervlakken of structuren gedefinieerd.

Binnen het plangebied wordt, op het kleine stukje huidige gemeentegrond, de bestaande es verwijderd. Het stukje gemeentegrond wordt bij het plangebied getrokken, zodat er een evenwichtige groene invulling van het terrein kan ontstaan. Het verwijderen van de boom wordt gecompenseerd door de toevoeging van 2 nieuwe bomen aan de voorzijde van het pand (op gemeentegrond), in de gemeentelijke bomenstructuur, Structuurlijn, conform bijlage 2 van de Verordening Bomen, Water en Groen.

Visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig (maart 2021)

Met de visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig onderschrijft de gemeente de grote waarde van groen en water in de gemeente, met als streven een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving in 2050.

Daarvoor zijn normen en richtlijnen opgeteld voor de leidende thema's groen, water en biodiversiteit. De gemeente nodigt bedrijven en burgers uit om zelf met initiatief te komen en samen de weg in te slaan naar een duurzaam 's-Hertogenbosch.

Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 september 2017. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan.

Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.

De inventarisatie bestaat minimaal uit:

  • digitaal ingemeten tekening;
  • boomsoorten;
  • stamomvang op 1,30 meter boven maaiveld;
  • kroonomvang;
  • vitaliteit en levensverwachting van de boom.

Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waardevolle bomen binnen het plangebied aanwezig, waardoor het uitvoeren van een boomeffectanalyse niet zinvol wordt geacht. Wel wordt het in de huidige situatie vrijwel volledig verharde plangebied in het kader van de voorgenomen ontwikkeling vergroend.

4.3.5 Nota Duurzaamheid

In mei 2019 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Nota Duurzaamheid 'Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch' vastgesteld. Overkoepelende doelstelling is dat 's-Hertogenbosch in 2050 duurzaam is. Deze is vertaald in vier concrete ambities:

  • Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving;
  • CO2-neutrale gemeente;
  • Waardebehoud van grondstoffen;
  • Duurzame mobiliteit.

Deze ambities zijn uitgewerkt in 17 concrete Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Naast deze ambities kent 's-Hertogenbosch ook een verstedelijkingsopgave. Aspecten zoals veiligheid en gezondheid zullen hierin moeten worden meegenomen.

Per ambitie is in de Nota Duurzaamheid beschreven wat de gemeente wil bereiken en hoe men dit wil monitoren. Daarnaast is een aantal goede voorbeelden opgenomen, bedoeld als inspiratie voor alle betrokken partijen.

Beoordeling

De verstedelijkingsopgave voor 's-Hertogenbosch ziet onder meer op het bieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor verschillende doelgroepen. Daarbij is van belang dat, zeker in geval van nieuwe initiatieven op het gebied van huisvesting en woningbouw, een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving centraal staat. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hieraan invulling gegeven door onder meer het in de huidige situatie vrijwel volledig verharde terrein te vergroenen.

Verder is door middel van onderzoek aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft diverse milieuaspecten. Zie hiervoor hoofdstuk 5. Hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied aan deze randvoorwaarden. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Nota Duurzaamheid. Voor meer informatie over de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling invulling wordt gegeven aan het thema duurzaamheid, wordt verwezen naar paragraaf 5.12.

Hoofdstuk 5 Milieu, duurzaamheid en waarden

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

Richtlijn

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

Beoordeling

In het voorliggende geval is sprake van een transformatie van een perceel met een kantoorfunctie naar een perceel met een woonfunctie. Woningen vormen geen functie met een richtafstand naar milieugevoelige functies, dit in tegenstelling tot de voorheen aanwezige kantoorfunctie van milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Vanuit het oogpunt van milieuzonering vindt kortom een verbetering van het woon- en leefklimaat voor de omgeving plaats.

Direct rondom het plangebied zijn verder overwegend woonfuncties gesitueerd en wegen. Bedrijven en overige inrichtingen zijn allemaal op grotere afstand gelegen dan de omringende woningen. Zo ook de maatschappelijke bestemming (Kindcentrum de Terp inclusief Sportzaal Overlaet) op circa 50 meter ten zuidwesten van het plangebied. Voor een basisschool en kinderopvang geldt milieucategorie 2 met een richtafstand tot milieugevoelige functies van 30 meter binnen het gebiedstype rustige woonwijk. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Voor een sporthal geldt maximaal milieucategorie 3.1 met een richtafstand tot milieugevoelige functies van 50 meter binnen het gebiedstype rustige woonwijk. Ook hieraan wordt ruimschoots voldaan.

Door de toekomstige woonfunctie worden omliggende inrichtingen niet in hun functioneren beperkt en andersom beredeneerd vormen de omliggende functies ook geen belemmering voor de beoogde woningbouw. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Onderzoek parkeren

Hoewel ook in de huidige situatie reeds op het gehele terrein rondom het voormalige kantoorpand geparkeerd kan worden, is volledigheidshalve in het kader van de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting vanwege verkeer en parkeren op de parkeerplaatsen binnen het plangebied op omliggende woningen te bepalen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van het onderzoek die als bijlage 2 is te raadplegen.

Uit het onderzoek blijkt dat bij toepassing van schermen tot een hoogte van maximaal 3 meter niet bij alle (gevels van de) woningen volledig wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie.

Bij toepassing van stap 3 voldoen de maximale geluidniveaus ter plaatse van alle (gevels van de) woningen bij een scherm van 2,5 meter of hoger in de dag- en avondperiode aan de richtwaarde. In de nachtperiode wordt slechts ter plaatse van een klein aantal gevels niet geheel voldaan aan de richtwaarde. Desondanks kunnen de geluidniveaus in deze concrete situatie acceptabel worden geacht vanwege de volgende redenen:

  • Overdrachtsmaatregelen anders dan beschreven in de vorm van geluidschermen zijn niet wenselijk.
  • Het betreft een omgevingseigen geluidbron. Het karakter van het geluid van het gebruik van de parkeervoorziening is gelijk aan het gebruik van de nabij gelegen openbare weg.
  • Ter plaatse kunnen in de huidige situatie al vergelijkbare activiteiten plaatsvinden. Ten opzichte van de huidige planologische situatie vindt op dit punt geen wijziging plaats; dit is nu al toegestaan. De optredende geluidniveaus zijn dus al mogelijk op basis van het huidige bestemmingsplan.
  • Het aantal parkeerbewegingen in de avond- (< 10) en nachtperiode (< 5) zal zeer beperkt zijn. Bovendien voldoen de maximale geluidniveaus in de dag- en avondperiode bij scherm van 2,5 meter hoogte aan de richtwaarden. Alleen ten gevolge van de (3 auto's) in de nachtperiode is sprake van lichte overschrijding van de richtwaarden uit de VNG-publicatie.
  • Piekgeluiden van personenauto's zijn algemeen geaccepteerd bij woningbouwplannen en inherent aan het wonen naast en bij elkaar.
  • Gesteld wordt dat de kans op tussentijds ontwaken, gezien het zeer beperkte aantal voertuigbewegingen en de lage stijgsnelheden en de bijbehorende optredende geluidniveaus, zeer klein is.
  • Voor een goed akoestisch woon- en leefklimaat kan worden aangesloten bij de in tabel 2.17a uit het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen richtwaarde voor maximale geluidniveaus in- en aanpandige gevoelige gebouwen van 45 dB(A). Gelet op de geluidwering van de gevels (steenachtige bouw zonder ventilatieroosters) zal dit geluidniveau gewaarborgd zijn.


Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de woningen ook ten aanzien van de maximale geluidniveaus een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De realisatie van geluidschermen met een hoogte van 2,5 meter is geborgd in de planregels.

Onderzoek warmtepompen

In het kader van de beooge ontwikkeling is tevens aan akoestisch onderzoek uitgevoerd naar warmtepompen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van het onderzoek die als bijlage 3 is te raadplegen.

Alle buitenunits zijn ofwel (door de bebouwing c.q. dakrand) afgeschermd ten opzichte van de gevels van appartementen en woningen binnen het plangebied gelegen. De afzonderlijke units voldoen hiermee aan artikel 3.8 lid 2 en artikel 3.9 lid 3 van het Bouwbesluit.

Geclusterde buitenunits (maximaal 9 units op één dak) zorgen gezamenlijk voor een hoger geluidniveau. Dit zal, zelfs indien alle units relevant zouden zijn voor dezelfde gevel, niet leiden tot een geluidniveau van meer dan 40 dB. Er is kortom sprake van een vanuit akoestisch oogpunt inpasbare situatie.

5.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.3.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader

Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen.

Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Rodenborchweg. Daarnaast is het plan gelegen in de directe nabijheid van de Terpeborch en de Zustersbosweg. Vanuit planologisch oogpunt (beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van de gecumuleerde geluidbelasting) is tevens onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege deze 30 km/uur-wegen.

Akoestisch onderzoek

Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen onderzoeksrapportage.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de Rodenborchweg (ook met maatregelen in de vorm van schermen) tot maximaal 59 dB bedragen op de appartementen en 60 dB op de nieuwe woningen. Daarmee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt wel gerespecteerd.

De gecumuleerde geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de Zusterbosweg en de Terpeborch (beide 30 km/uur-wegen) bedraagt de geluidbelasting op een deel van de appartementen meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar minder dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB die de Wet geluidhinder voor 50 km/uur-wegen stelt. Deze geluidbelastingen zijn ruimtelijk aanvaardbaar, maar zijn in het kader van de vereiste gevelwering conform het Bouwbesluit 2012 meegenomen in de cumulatieberekeningen.

Hogere waarden en (afschermende gevel)maatregelen

Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dienen hogere waarden vastgesteld te worden, al dan niet in combinatie met het realiseren van afschermende voorzieningen (schermen), mede om te voldoen aan de randvoorwaarden die de gemeente 's-Hertogenbosch stelt in het gemeentelijk geluidbeleid aan het verlenen van een hoger waarde voor de nieuwe woningen. In het voorliggende geval is een geluidsscherm van 1,8 meter hoogte nodig in combinatie met balkonvoorzieningen. Met deze maatregel wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid en kunnen de hogere waarden worden verleend.

De beschikking hogere grenswaarden is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.

Bij het bepalen van de vereiste gevelgeluidwering conform het Bouwbesluit 2012 dient uitgegaan te worden van de gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen en woningen.

Conclusie

Op basis van het akoestisch onderzoek wordt de ontwikkeling vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai inpasbaar geacht. Wel dient in het kader van de toekomstige omgevingsvergunning aangetoond te worden dat kan worden voldaan aan de binnenwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012.

5.3.2 Railverkeerslawaai

Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ontwikkeling ligt op meer dan 300 meter van het ten zuiden gelegen spoortraject Rosmalen - Den Bosch. Gelet op de afstand en de tussenliggende bebouwing, vormt railverkeerslawaai geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3.3 Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.

In het voorliggende geval ligt het plangebied niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.4 Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Weg- of railverkeer en bepaalde indverlichtingustriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).

Beoordeling

Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. In het voorliggende geval is gelet op de afstand tot spoorwegen van meer dan 900 meter geen sprake van hinder als gevolg van trillingen. Vanuit wegverkeer zijn geen klachten in relatie tot trillingen bekend in de directe omgeving en wordt ook geen overlast in de vorm van trillingen verwacht. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.5 Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.

Beoordeling

Bij het voorliggende plan is lichthinder niet relevant te noemen. Er is immers sprake van een woonfunctie die passend wordt geacht in de reeds bestaande woonomgeving. Andersom beredeneerd is vanuit de directe omgeving evenmin sprake van onevenredige lichthinder voor de beoogde functies binnen het plangebied. Er is immers slechts sprake van gangbare verlichting van het openbaar gebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

Zoals beschreven in paragraaf 3.1 is er desondanks een verlichtingsplan opgesteld voor de beoogde ontwikkeling. Het verlichtingsplan is als bijlage 1 bij deze toelichting te raadplegen.

5.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit).

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

Beoordeling

Toetsing beleidsvisie

De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. Woningen worden beschouwd als kwestbare objecten. Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt/extra/kwetsbare objecten zijn binnen dit gebied toegestaan.

Beschouwing risicobronnen

Op basis van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Op figuur 5.1 zijn de belangrijkste risicobronnen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0012.png"

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart voor het plangebied en de omgeving, met het plangebied aangeduid met een zwarte pijl.

Inrichtingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. De PR 10-6-risicocontouren en invloedsgebieden van inrichtingen reiken niet aan het plangebied.

Buisleidingen

Op meer dan 1.000 meter ten zuiden van het plangebied ligt een ondergrondse gastransportleiding van de Gasunie (Z-523-01). De PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied van deze buisleiding reiken niet aan het plangebied.

Transportroutes (weg/spoor)
Het plangebied ligt op meer dan 900 meter afstand van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen, op ruim 1.750 meter van de A2 en op meer dan 1.900 meter van de A59. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6-risicocontouren van deze transportroutes reiken niet aan het plangebied. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van het spoor.

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Uit de inventarisatie van de risicobronnen blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van het spoortraject van 's-Hertogenbosch-Nijmegen.

Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de genoemde transportroutes ligt, kan op basis van artikel 8, lid 1, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit houdt op basis van artikel 7 van het Bevt in dat ingegaan dient te worden op:

  • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor, en
  • de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet.

Bestrijdbaarheid

Voor wat betreft de (spoor)wegen zijn gelet op de tussenliggende afstand uitsluitend risico's in verband met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario) relevant.

De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

Zelfredzaamheid

Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het maatgevende scenario), biedt ‘schuilen’ in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwingen AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Binnen het plangebied sprake is van permanente zorg en toezicht om de minder zelfredzame personen te begeleiden. Middels uitbreiding van het bedrijfsnoodplan met het toxisch scenario, zodat tijdig de ventilatie wordt afgesloten kan binnen geschuild worden. Ondanks dat er sprake is van niet-zelfredzame personen, wordt hiermee voldoende veiligheid geboden.

Advies Veiligheidsregio

In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR het niet meer nodig om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken.

Conclusies en restrisico's

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na het nemen van maatregelen. Vanwege de ligging van het plan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Uit het bovenstaande blijkt dat het plan in lijn is met vigerende wet- en regelgeving en het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.

Verder worden de beperkte restrisico's acceptabel geacht. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Beoordeling

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is.

Op de navolgende weergave van de berekening is te zien dat zelfs bij een aantal van 2.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal met een aandeel vrachtverkeer van 0,5%, een project niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals weergegeven in paragraaf 3.3 is in het voorliggende geval slechts sprake van een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0013.png"

Figuur 5.2: Weergave berekening NIBM-tool d.d. 01-05-2023.

Zoals reeds aangegeven, is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde. In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' is de actuele luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke NSL-Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de omgeving van het plangebied onder 35 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 20 µg/m³ gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m³. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt kortom geen belemmering.

5.8 Bodem

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek.

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing.

5.9 Geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de omgeving van het plangebied in de bebouwde kom van Rosmalen en op ruime afstand van agrarische gebieden, is geur hier geen relevant aspect.

Ook bevinden er zich geen andere geurproducerende (industriële) bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geur is voldoende verzekerd.

5.10 Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

Beoordeling
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005 en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. In het voorliggende geval zijn geen hoogspanningslijnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het voorzorgsbeginsel staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.11 Water

In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan.

Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer

Waterschapsbeleid

Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.


Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s:

  • 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.


Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:

  • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
  • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
  • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
  • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.


Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.


Keur

De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.


Legger

De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Gemeentelijk beleid

Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water.

In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.

Voor het plangebied is afdeling 4.3 'Het lozen van grond en hemelwater' van de Verordening Bomen, Water en Groen van toepassing. Voor wat betreft hemelwater luiden de regels als volgt:

Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater

art. 4.15 lid 1. Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein.

art. 4.15 lid 2. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat:

a. bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken;

b. bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m² , de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken. Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m² .


art. 4.15 lid 3. In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken.


art. 4.15 lid 4. Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van de wateropgave; b. een situatietekening van de hemelwatervoorziening.


art. 4.15 lid 5. De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd.


Bestaande toestand

In de huidige situatie is sprake van een kantoorpand, waarbij het bijbehorende terrein vrijwel geheel verhard is met betonklinkers. Het bestaande terrein is voorzien van straatkolken die lozen op de gemeentelijke riolering. De hemelwaterafvoeren van het dak van het bestaande kantoorgebouw zijn eveneens aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Onderstaand is de verhouding verhard en onverhard terrein in de bestaande situatie weergegeven:

Totale oppervlakte perceel: 1.688 m²

  • Verhard oppervlak: 1.500 m²
  • Onverhard oppervlak: 188 m²

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

  • 1. Voor de tuinen van de twee-onder-één-kapwoningen wordt de bestaande terreinverharding gedeeltelijk verwijderd. De percelen van de woningen zijn circa 220 - 230 m² groot. Het op tekeningen aangegeven bebouwingsvlak van de twee-onder-één kapwoningen met bijgebouwen bedraagt circa 167 m². Er is sprake van een vermindering van verhard oppervlak c.q. bebouwd oppervlak. Het hemelwater dat op het toekomstige onverharde oppervlak valt, kan ter plaatse in de bodem infiltreren.
  • 2. Het hemelwater van de daken van de twee-onder-één-kapwoningen wordt geïnfiltreerd in de ondergrond. Het perceel ligt op circa 3,7 meter +NAP, het grondwater bevindt zich op een hoogte van circa 2,5 meter +NAP. Voorgesteld wordt gebruik te maken van infiltratiekratten met omgekeerde waaierdeksel als noodoverloopvoorziening. De infiltratiekratten worden aangebracht in het terrein naast de woningen. Bij hevige regenval waarbij de capaciteit van de infiltratiekratten onvoldoende blijkt te zijn zal het regenwater via het omgekeerd waaierdeksel in de tuin overlopen c.q. overlopen naar het verlaagd aangelegde terrein voor de woningen. Het lager aangelegde terrein bestaat gedeeltelijk uit graskeien waardoor het water vertraagd wordt afgevoerd. De verlaagd aangelegde bestrating krijgt tevens infiltratieputten met infiltratievoorziening waardoor hemelwater vertraagd wordt afgevoerd. Het terrein van de woningen wordt lager aangelegd dan het peil van de aangrenzende woningen. Hierbij wordt uitgegaan van een minimale berging van 60 mm per vierkante meter verharding. Aandachtspunt is dat de voorziening binnen 48 uur voor een volgende bui beschikbaar (leeg) moet zijn.
    Het bovenstaande leidt tot de volgende berekening voor de infiltratievoorziening voor de twee-onder-één-kapwoningen: 167 m² x 0,06 m/m² = 10,0 m³. Dat is circa 5 m³ bergingscapaciteit per woning. Als bij zeer extreme regenval zowel de infiltratievoorziening van de woning, de infiltratievoorziening van het verlaagd aangelegde terrein en ook de bergingscapaciteit van het terrein onvoldoende blijkt te zijn, zorgt een overloopvoorziening van het verlaagd aangelegde terrein naar de groenstrook langs Rodenborchweg, voor de afvoer van het overtollige hemelwater. Daardoor wordt een calamiteit met hemelwater binnen het plan voorkomen. Uit oogpunt van verkeersveiligheid kan het niet wenselijke zijn dat bij extreme regenval de Rodenborchweg nog extra waterbelasting krijgt. In het ontwerp van plan is op eigen terrein de mogelijkheid opgenomen om bij de herinrichting van de groenstrook een wadi aan te leggen al dan niet in combinatie met het openbaar groen langs de Rodenborchweg. De daken van de buitenbergingen worden voorzien van een groendak. De oppervlakte bedraagt circa 10 m². Een hemelwaterafvoer als overloopvoorziening voor het overtollig water loost in de grond/terrein.
  • 3. Op de percelen van de twee-onder-één-kapwoningen zal plaatselijke bestrating voor inrit/parkeerplaatsen en terrassen worden aangebracht. Het hemelwater dat op deze bestrating valt zal afwateren en infiltreren op eigen terrein.

Door de uitvoering van bovengenoemde punten 1 tot en met 3 wordt circa 450 m² verhard oppervlak ontkoppeld en geïnfiltreerd in de bodem.

  • 4. De daken van de bergingen tegen de percelen Terpeborch 15-17 worden voorzien van een groendak. De noodoverloop loost op het onverharde terrein. Hierbij wordt circa 37 m² verhard oppervlak ontkoppeld.
  • 5. Het dak van het bestaande kantoorgebouw wordt voorzien van een groendak. Bij de toepassing van een groendak op het bestaande kantoordak wordt de bestaande hemelwaterafvoer op de gemeentelijke riolering gehandhaafd en gebruikt als noodoverloop-voorziening voor het groendak. Om bij verstopping c.q. onvoldoende capaciteit bij extreme regenval overbelasting van de dakconstructie te voorkomen worden er noodoverlopen (spuwers) aangebracht. Praktische uitvoering: aangezien het afschot van het dak richting de hemelwaterafvoer (standleiding in het midden van het dakvlak gaat, zal deze noodoverloop voorziening bestaan uit een noodoverloop waarvan de bovenkant 40-50 mm is gelegen boven de dakbedekking in de nabijheid van de standleiding van de hemelwaterafvoer en vervolgens intern horizontaal verloopt naar de gevel. T.p.v. de gevel komt de afvoer als "spuwer" uit de gevel.
  • 6. De hoofdmassa van het bestaande kantoorgebouw wordt uitgebreid. De oppervlakte is circa 30 m². Het dak van de uitbreiding wordt voorzien van een groendak. Een deel van de uitbreiding is de buitenruimte van het appartement op de verdieping. De afvoer daarvan zal lozen op / infiltreren in het terrein.
  • 7. De bestaande entree luifel wordt verwijderd. De nieuwe entreeluifels krijgen een afvoer die loost op eigen terrein. De luifels bevinden zich boven het verhard oppervlak. Het verhard oppervlak voert het water af naar de infiltratievoorziening in het terrein.
  • 8. Het dakterras van het appartement op de 1e verdieping heeft een omvang van 14 m². De bergingsopgave bedraagt 0,9 m³ (14 m² x 0,06 m/m² = 0,9 m²). De hemelwaterafvoer van het dakterras loost zijn water op / in het terrein door middel van de water-passerende bestrating en de infiltratievoorziening onder de bestrating van het terrein. Bij onvoldoende capaciteit bij hevige regenval vloeit het water over het terrein af richting groenstrook langs de openbare weg.

Door de uitvoering van de punten 4, 5, 6, 7 en 8 wordt circa 412 m² verhard oppervlak ontkoppeld, geïnfiltreerd in de bodem c.q. gebufferd in groendak.

  • 9. Het bestaande parkeerterrein achter en naast het terrein is nagenoeg volledig verhard. Een relatief groot deel van de bestrating wordt verwijderd t.b.v. een groenstrook langs de perceelsgrens, tuinen en buitenruimte. Ook komen er hagen en bomen die zorgen de opname van water, verkoeling en natuurinclusief bouwen.
  • 10. De nieuwe appartementen op de begane grond, in het te transformeren kantoorgebouw krijgen een terras/buitenruimte. Het op de verharding vallende hemelwater zal afwateren en infiltreren op eigen terrein.


Nieuwe toestand - overzicht oppervlaktes

  • 1. Tuinen/groenvoorziening/graskeien: oppervlak circa 581 m² onverhard oppervlak.
  • 2. Bergingen op terrein en dak bestaand kantoorgebouw inclusief uitbreiding: dakoppervlak circa 412 m², voorzien van groendak, alternatief infiltratie in bodem (geldt voor buitenberging 2 onder 1 kapwoningen).
  • 3. Terrein: verhard oppervlak circa 514 m², bestrating waterdoorlatende uitvoering, 167 m². Voor de traditionele bestrating van 476 m² dient te worden voorzien in een voorziening van 31 m³ (514 m² x 0,06 m). Daarnaast 86 m² traditionele bestrating opgenomen i.v.m. toekomstige aan te leggen terrassen door bewoners. Daarvoor is 5 m³ vertraagde afvoercapaciteit nodig (86 m² x 0,06 m). Daarnaast telt de oppervlakte van de water-passerende bestrating voor 50% mee in de berekening verhard oppervlak. Oppervlakte water-passerende bestrating 167 m² x 0,5 x 0,06 m) resulteert in 5 m³. Dit wordt gerealiseerd door de (nieuwe) bestrating lager en de waterpasserende bestrating circa 10-15 cm lager aan te leggen dan het peil dan de bestaande bestrating en de aanliggende bebouwing (zie figuur 5.3). De bestaande bestrating ter plaatse van het nieuwe binnenhofje ligt nu ook al lager dan de overige bestrating.
    De parkeervakken met water-passerende bestrating en de aangrenzende groenstroken zorgen voor de vertraagde afvoer. Door een verlaging van 10 cm over een oppervlakte van circa 375 m² van de bestrating, water-passerende bestrating en de groenstroken van het nieuwe binnenhofje kan eenvoudig een bergingscapaciteit van 37,5 m³ gerealiseerd. Als dit in combinatie gedaan wordt met het vervangen van de bestaande riolering door een water-infiltrerende uitvoering, die tevens aangesloten wordt op een infiltratievoorziening onder de bestrating, dan kan op praktische wijze goed voldaan worden aan de eisen. Deze lager gelegen bestrating krijgt een noodoverloop voorziening richting de Rodenborchweg om bij extreme regenval er voor te zorgen dat er geen problemen ontstaan. Het terrein van het plangebied ligt hoger dan de openbare weg (Rodenborchweg) De meeste buien in die in Nederland vallen blijven binnen de norm van 40 mm/m². In het ontwerp is er daarom voor gekozen om in het terrein een infiltratievoorziening op te nemen die deze buien kan opvangen. Slechts enkele buien per jaar zijn heviger. Deze vallen binnen de norm van 60 mm/m². Deze buien kunnen tot gevolg hebben dat een paar keer per jaar er korte tijd plasvorming met een plasdiepte van 20 mm kan ontstaan. Deze plassen worden vertraagd afgevoerd. Voor zeer extreme regenval is in het ontwerp een noodoverloopvoorziening opgenomen. De voorziening loost op de groenstrook langs de Rodenborchweg. Deze voorziening kan een verlaging in het terrein zijn maar ook een gootje. De totale bergingscapaciteit die voor de infiltratie in het terrein moet worden opgenomen is voor de traditionele bestrating 36 m³ + water-passerende bestrating 5 m³ + traditionele bestrating terrassen 5 m³ + hemelwaterafvoer dakterras eerste verdieping 0,9 m³ = 41 m³.
    De bergingscapaciteit die daarvoor in het terrein wordt opgenomen 40/60 x 41 m² = 27,3 m³.
  • 4. Daken buitenruimte appartementengebouw en 2 onder 1 kapwoningen: oppervlak circa 181 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0014.png"

Figuur 5.3: Weergave verlaagde bestrating.

In de onderstaande tabel is het totaalbeeld cijfermatig weergegeven, waarbij in de rechterkolom wordt verwezen de kleuren op figuur 5.4. Een exemplaar op schaal van figuur 5.4 is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen.

Plandeel   Oppervlakte  
Oppervlakte plangebied   1.688 m²  
Oppervlakte perceel te transformeren   1.250 m²  
Oppervlakte percelen twee-onder-een-kap   438 m²  
1. Oppervlakte groene daken   412 m² (geel)  
2. Oppervlakte traditionele daken   181 m² (blauw)  
3. Oppervlakte traditionele bestrating   560 m² (arcering bestrating)  
4. Oppervlakte water-passerende bestrating   167 m² (roze)  
5. Oppervlakte groen   382 m² (groen)  


Totaal groene daken (1) + groen oppervlak (5) + waterpasserende bestrating (4): 412 m² + 328 m² + 167m² x 0,5 = 823,5 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0015.png"

Figuur 5.3: Weergave waterbergende voorzieningen.

Vergelijking verharding bestaande en toekomstige situatie

Huidige toestand  
Oppervlakte plangebied   1.688 m²  
Totaal verhard oppervlak plangebied   1.500 m²  
   
Nieuwe situatie  
Totaal verhard oppervlakte   1.153 m²  
Oppervlakte groendak bergingscapaciteit > 25mm/m²   412 m²  
Te infiltreren oppervlakte   741 m²  

Nieuwe toestand - overzicht capaciteit infiltratievoorzieningen

Overzicht capaciteit infiltratievoorzieningen  
Plandeel   Oppervlakte   Inhoud  
1. Traditionele bestrating   514 m² + 86 m2 = 600 m² x 0,06 m/m²   36 m³  
2. Water-passerende bestrating   167 m² x 0,5 x 0,06 m/m²   5,0 m³  
3. Dakterras appartement verdieping   14 m² x 0,06 m/m²   0,9 m³  
Van plandelen 1+2+3 wordt 0,04 m/m² door bodeminfiltratie ondergronds opgevangen en 0,02 m/m² bovengronds. 36,0 m³ + 5,0 m³ + 0,9 m³ = 41,9 m³ x (0,04/0,06)   27,9 m³  
4. Dak twee-onder-een kapwoningen   167 m² x 0,06 m/m²   10 m³  
Totale capaciteit infiltratievoorzieningen 27,9 m³ + 10,0 m³   37,9 m³  


Conclusie

Met de voorgestelde uitwerking van de omgang met hemelwater en afvalwater, wordt een verbetering ten opzichte van de huidige situatie bereikt en wordt voldaan aan de vereisten zoals opgenomen in de Verordening Bomen, Water en Groen.

5.12 Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).

Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's:

  • Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging)

Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit.

  • CO2 neutrale omgeving (energie)

's-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van 's-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's.

  • Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)

In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn.

  • Duurzame mobiliteit

's-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.

Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving

Hemelwaterberging

Hemelwaterberging wordt op de volgende manieren toegepast in het plan:

  • De groenstructuur langs de Rodenborchweg krijgt een impuls door het planten van extra bomen.
  • De noodzakelijke geluidwerende voorziening aan de noord- en oostzijde van het perceel wordt uitgevoerd als groen/begroeid geluidscherm.
  • Er worden groene daken toegepast. Opname van hemelwater en vertraagde afvoer van hemelwater.
  • Een deel van de bestaande terreinverharding wordt blijvend verwijderd.
  • Tevens wordt extra groen geplant voor de opname en het vasthouden van hemelwater. Bodembedekkers, hagen, heesters en bomen.
  • De hemelwaterriolering van het dak van het bestaande kantoorgebouw wordt ontkoppeld van de aansluiting op het gemeentelijke riool. Groendaken zorgen voor opname van hemelwater, vertraagde hemelwaterafvoer van overtollig water. Het overtollige water wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein.


Het voorkomen van hittestress

Het tegengaan van hittestress door de volgende maatregelen:

  • De bestaande gevels van het bestaande kantoorgebouw worden aan de buitenzijde aanvullend geïsoleerd. Daardoor optimale benutting van de bestaande gebouwmassa voor temperatuurregeling aan de binnenzijde van de woning.
  • De gevels van het bestaande kantoorgebouw krijgen overwegend een lichte kleurstelling.
  • Het aanbrengen van het groendak op het bestaande kantoorgebouw draagt bij aan de natuurlijke koeling van het gebouw en de onderliggende woningen.
  • Het aanbrengen van groendaken op de bergingen.
  • Het verwijderen van bestrating en het aanbrengen van groen en groene hagen.
  • Het planten van extra bomen voor de groenstructuur.
  • Bij de uitwerking van de aanvraag omgevingsvergunning zal nader invulling worden gegeven aan maatregelen waardoor oververhitting wordt voorkomen. In het geval dat uit de BENG-berekening voor het energielabel blijkt dat oververhitting leidt tot extra noodzakelijke maatregelen. In dat geval zal gekozen worden voor bouwkundige maatregelen. Zoals als een spuiventilatie raam voor nachtventilatie en zonwering.


Biodiversiteit

De biodiversiteit wordt behouden en versterkt:

  • Door toepassing van groene daken (zie ook figuur 5.3 in paragraaf 5.11).
  • Door de toepassing aanplant van meer groen zoals het planten van bodembedekkers, hagen en bomen.
  • De op het terrein aanwezige vleermuiskasten worden gehandhaafd. Zie ook figuur 5.4.
  • In het plan wordt een insectenhotel opgenomen, tegen de zijgevel van de bergingen, één en ander op advies van een ecoloog. Zie ook figuur 5.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0016.png"

Figuur 5.4: Locatie insectenhotel (rode pijl) en vleermuiskasten (blauwe pijlen)

CO2 neutrale omgeving (energie)

Twee-onder-een-kap-woningen

  • De twee-onder-een-kap-woningen worden prefab geproduceerd. Daardoor optimalisering bouw- en productieprocessen.
  • Minder transportbewegingen voor de realisering maar ook minder afval bij de productie. Daardoor minder energie nodig voor de productie van materialen en de bouw van de woningen.
  • De woningen zijn optimaal geïsoleerd waardoor zij weinig energie gebruiken.
  • De woningen zijn gasloos.
  • De woningen wekken eigen energie op d.m.v. zonnepanelen.
  • Door de vergroening is minder energie nodig voor koeling. De vergroening heeft een positief effect op de woningen in dit plan als ook voor de woningen in de directe omgeving.
  • Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet ook specifiek worden aangegeven hoe oververhitting wordt voorkomen.


Herbestemming bestaand kantoor

  • De isolatie van de schil en de kierdichting van het te transformeren kantoorgebouw worden op het huidige nieuwbouwniveau gebracht.
  • In overleg met installatieadviseur wordt duurzame installaties aangebracht. De meest duurzame oplossing is dat het pand en de woningen kunnen worden aangesloten op een laagtemperatuur netwerk in de wijk. Echter de gemeente en de wijk is nog niet zover dat op korte termijn een dergelijk netwerk zal worden aangelegd. Bij de transformatie wordt uitgegaan van zogenaamde "no-regret"-maatregelen. Waardoor dat in de toekomst wel mogelijk is. Daarbij zijn individuele oplossingen maar ook collectieve (gebouw)oplossingen mogelijk.
  • Afhankelijk van de beschikbaarheid zal worden ingezet op het aardgasloos maken van het bestaande pand. Indien nog noodzakelijk zal de installatie geschikt zijn voor duurzaam geproduceerd gas.
  • De maatregelen voor het tegengaan van hittestress dragen bij aan een natuurlijke wijze van koeling.
  • Daardoor besparing op eventueel noodzakelijke energie voor koeling.
  • Balkons voor de appartementen op de verdieping zijn vaste bouwkundige zonwering voor de ramen van de woningen op de begane grond.
  • Als uit de BENG-berekening voor het energielabel blijkt dat oververhitting leidt tot extra noodzakelijke maatregelen, zal gekozen worden voor bouwkundige maatregelen. Zoals als een spuiventilatie raam voor nachtventilatie en zonwering. Waardoor energieverbruik voor koeling wordt voorkomen c.q. zoveel mogelijk tot een minimum wordt beperkt.


Waardenbehoud van grondstoffen (circulariteit)

Bestaand kantoorgebouw

  • De bouwdelen van het bestaande pand worden zoveel mogelijk behouden. Daar waar noodzakelijk aangepast voor de herbestemming. Concreet houdt dat bij dit plan in het behoud van de hoofddraagconstructie, fundering, begane grondvloer, verdiepingsvloer. Ook de staalconstructie die een belangrijk onderdeel vormt van de hoofddraagconstructie wordt behouden, aangepast en daar waar noodzakelijk uitgebreid.
  • Gevels waarbij alleen de bestaande gevelkozijnen worden verwijderd. Beperkte alleen noodzakelijke gevelaanpassingen om het kantoorgebouw de uitstraling te geven voor de nieuwe woonbestemming.
  • Hergebruik van bestratingsmaterialen.


De twee-onder-een-kap-woningen

  • Worden prefab geproduceerd. Daardoor worden deze optimaal geproduceerd. Daardoor minder energie nodig voor de productie van materialen. Efficiënte productie waardoor minder afval tijdens de bouw. Tijdens de productie vrijkomend afval wordt hergebruikt als grondstof.
  • Prefab woningen zijn aan het eind van hun levensduur eenvoudig te demonteren. Vrijkomende materialen en bouwdelen kunnen een herbestemming krijgen in andere gebouwen c.q. als grondstof voor nieuwe materialen.
  • De nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de eisen MPG-berekening.


Duurzame mobiliteit

Door de ligging binnen de bestaande bebouwde kom van Rosmalen, met alle direct benodigde voorzieningen op loop- en korte fietsafstand, draagt dit plan bij aan duurzame mobiliteit. De wijk De Overlaet heeft een stedenbouwkundige opzet en structuur waarbij de auto bij de aanleg van de wijk een ondergeschikte rol heeft gekregen. Ondanks dat indertijd het terugdringen van het autogebruik nog geen maatschappelijk en beleidsthema was. Langzaam verkeer is voor een belangrijk deel gescheiden van het autoverkeer. De wijk wordt gekenmerkt door woonerven die gelegen zijn aan ontsluitingswegen. Kenmerk van woonerven is dat de auto ondergeschikt is aan het langzaam verkeer. In de bestaande omgeving draagt dit onbewust bij aan bewuste vervoerkeuzes door de toekomstige bewoners.


In het plan worden nog geen deelauto's opgenomen. Er worden nog geen laadpalen aangelegd. Wel wordt daar al technisch rekening mee gehouden. Daarin volgt het project het beleidsplan "Elektrisch rijden en laden in gemeente 's-Hertogenbosch". In dat plan wordt geleidelijk en bewust in samenspraak met de omgeving, laadpalen aangelegd in de openbare ruimte. Gezien het vinden van een goede balans tussen elektrische auto's, brandstofauto's en de hoeveelheid parkeerplaatsen in de gehele wijk een goede beleidskeuze.


Conclusie

In het kader van de beoogde ontwikkeling worden diverse maatregelen getroffen die leiden tot verduurzaming ten opzichte van de huidige situatie. Dit geheel in lijn met het streven van de gemeente 's-Hertogenbosch naar verduurzaming.

5.13 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist.

Beoordeling

Ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

Ad b.

Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 8,5 km van Natura 2000-gebied Rijntakken, op circa 5,6 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek en op circa 13 km van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

De beoogde ontwikkelingen in het plangebied hebben gelet op de aard en beperkte omvang in combinatie met de grote afstand tot Natura 2000-gebieden, geen significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstanden zijn hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zoals beschreven in de als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegde aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Het bevoegd gezag heeft dan ook besloten dat in het kader van de voorgenomen activiteit geen milieueffectrapportage nodig is.

5.14 Ecologie

5.14.1 Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

5.14.2 Onderzoek

In verband met de voorgenomen ontwikkelingen is een verkennend flora- en fauna onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als Bijlage 9 bij deze toelichting is opgenomen.

Beschermde soorten

Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij het renoveren en verduurzamen van het kantoorpand, en het realiseren van negen wooneenheden binnen het pand, mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels en vleermuizen. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten en egel binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht.

Broedvogels - rekening houden met broedseizoen bij werkzaamheden

Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen en/of nesten van algemene broedvogels aanwezig.

Hoogstwaarschijnlijk komen soorten als merel en heggemus wel voor in de omgeving van het onderzoeksgebied. Van deze soorten is niet uit te sluiten dat zij tot broeden komen in de aanwezige struikbegroeiing en de klimop rondom het kantoorpand. Het is verder niet uit te sluiten dat in de periode tot aan en tijdens de werkzaamheden, alsnog vogels gaan broeden in een van de aanwezige bomen binnen het onderzoeksgebied. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen kunnen hiermee mogelijk leiden tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) of het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.).

In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden aan de oevers binnen het onderzoeksgebied. Er dient derhalve gewerkt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.

Indien niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de bomen en/of het struweel die allen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden gelegen zijn. Indien nesten afwezig zijn kan het onderzoeksgebied vrijgegeven worden voor de werkzaamheden.

Vleermuizen - nader onderzoek

Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen binnen het onderzoeksgebied ten gevolge van de ingreep kunnen niet uitgesloten worden. Hiervoor is een nader onderzoek noodzakelijk.

Muizen (ware muizen, woel- en spitsmuizen) en egel - rekening houden met zorgplicht

Voor algemeen voorkomende muizensoorten en egel bieden de struiken aan de zuid- en westkant van het kantoorgebouw binnen het onderzoeksgebied geschikt leefgebied. Algemeen voorkomende muizensoorten en egel zijn in de provinciale verordening van provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (in het kader van de zorgplicht) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen bij de (graaf)werkzaamheden verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten worden in aanliggend gebied, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

Overige soortgroepen

Voor de volgende soortgroepen geldt dat bij de verduurzaming en functiewijziging van het kantoorgebouw, de aanleg van parkeerplaatsen en het realiseren van schuurtjes, geen negatieve effecten verwacht worden: flora, overige grondgebonden zoogdieren (knaagdieren, marterachtigen, haasachtigen en overige zoogdieren), amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden.

Beschermde gebieden

Natura 2000-gebieden - stikstofdepositieonderzoek

Op voorhand kan niet met 100% zekerheid worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) in de aanleg- en gebruiksfase negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe dient een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.

Provinciale gebiedsbescherming - niet aan de orde

Het volledige onderzoeksgebied is gelegen buiten het Natuurnetwerk Brabant. Negatieve gevolgen zijn redelijkerwijze uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast valt het onderzoeksgebied niet binnen of in de buurt van de groene buffer, of strategische reservering natuur. Ook deze gebieden zullen bij de uitvoer van de plannen niet worden aangetast.

Houtopstanden - niet aan de orde

Men is voornemens bij de ingreep één boom te kappen. Hiervoor is artikel 4.2 Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.

5.14.3 Nader onderzoek vleermuizen

Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend flora en fauna onderzoek is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies.

Ut het nader onderzoek is gebleken dat door de ingreep een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis verloren gaat. Daarnaast worden er mogelijk vleermuizen verstoord door de werkzaamheden, voor wat betreft paarplaatsen en foerageergedrag. Hiervoor zijn passende maatregelen nodig, die beschreven dienen te worden in een activiteitenplan en/of ecologisch werkprotocol. Tevens dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis aangevraagd te worden.

Het onderzoeksgebied fungeert niet als essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute voor de gewone dwergvleermuis of andere soorten vleermuizen. Op grond hiervan kan gesteld worden dat het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied vormt of essentiële vliegroutes bevat voor vleermuizen. Mogelijk kunnen wel vleermuizen verstoord worden. Dit dient voorkomen te worden door tijdens de renovatie van het kantoorgebouw en de nieuwbouw op het achterliggende terrein geen verlichting te richten op de begroeiing in de buurt van de randen van het onderzoeksgebied.

5.14.4 Ontheffing

Naar aanleiding van de resultaten uit het nader onderzoek naar vleermuizen, zijn mitigerende maatregelen getroffen, is een activiteitenplan opgesteld en op basis daarvan een ontheffingsaanvraag ingediend. Op 1 februari 2023 is door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een ontheffing (kenmerk Z/176898-335761) verleend ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. De volledige beschikking is als Bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen.

5.14.5 Onderzoek stikstofdepositie

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies.

Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het onderhavige plan zal afzonderlijk - of in combinatie met andere plannen - geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

5.14.6 Conclusie

Vanuit het aspect flora en fauna bestaan er met inachtneming van de in deze paragraaf genoemde voorwaarden, geen belemmeringen.

5.15 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Deze hoge verwachting is in het vigerende bestemmingsplan vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' met ondergrenzen voor onderzoek bij ingrepen met een bodemverstoringsoppervlak groter dan 25 m² en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002485-1401_0017.png"

Onderzoek

Voor het tot appartementen te transformeren reeds bestaande kantoorgebouw geldt dat geen nieuwe bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden. Hiervoor hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voor de te realiseren woningen op het achterterrein en eventuele overige bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 0,5 meter beneden het maaiveld dient wel onderzoek plaats te vinden.

Het benodigde archeologisch onderzoek kan worden uitgevoerd in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag.

Conclusie

Middels de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn de mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem in voldoende mate beschermd, aangezien hiertoe voorwaarden zijn opgenomen die bij bodemverstoringen vanaf een bepaalde omvang en diepte het uitvoeren van archeologisch onderzoek verplichten. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan tijdens bodemverstorende werkzaamheden, niet kan worden uitgesloten. Conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet geldt dan ook te allen tijde de verplichting om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan wordt vermoed dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is het verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente 's-Hertogenbosch.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

6.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.

6.2 Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan zijn de enkelbestemmingen 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen' opgenomen. Daarnaast zijn bouwvlakken opgenomen en maatvoeringsaanduidingen voor de toegestane goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen. Hierbij is het bestaande bouwvlak, voor zover het de bestaande bebouwing betreft, met bijbehorende maatvoeringsaanduiding ten behoeve van de toegestane goot- en bouwhoogte, één op één overgenomen vanuit het vigerende bestemmingsplan. Voor de nieuwbouw op het achterterrein is een afzonderlijk bouwvlak opgenomen. Tevens is voor beide bouwvlakken de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen.

Naast de genoemde enkelbestemmingen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. De juridische betekenis van de bestemmingen en aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.

6.3 Toelichting op de regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken.
  • Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen.
  • Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels;
  • Overgangs- en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel.

Inleidende regels

De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten.

Bestemmingsregels

De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving
  • bouwregels
  • nadere eisen
  • afwijken van de bouwregels
  • specifieke gebruiksregels
  • afwijken van de gebruiksregels
  • wijzigingsbevoegdheid.

In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving.

Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Verkeer - verblijfsgebied

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor een smal strookje aan de noordoostzijde van het plangebied dat deel uitmaakt van het openbaar gebied en daarnaast voor het centrale 'open' deel van het perceel. Binnen deze bestemming zijn de ontsluiting en parkeerplaatsen voorzien. Verder is maximaal 50m² aan bergingen toegestaan binnen deze bestemming.

Wonen

Aan het resterende deel van het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend. De gronden zijn onder meer bestemd voor wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, huisvesting in verband met mantelzorg en tuinen, erven en terreinen.

In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden beschreven. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'. Voor het voormalige kantoorpand geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 8 meter. Voor de nieuwbouw geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 10 meter. Verder is per bouwvlak een maximum aantal wooneenheden opgenomen, 9 voor het voormalige kantoorpand en 2 voor de nieuwbouw.

Verder is binnen de bestemming 'Wonen' een regeling opgenomen in verband met de hoge geluidbelasting als gevolg van wegverkeer. Voor de twee-aaneengebouwde woningen geldt dat het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de twee-aaneengebouwde woningen, uitsluitend is toegestaan indien:

  • er wordt voldaan aan het hogere waardebesluit;
  • daarbij vaststaat dat het ononderbroken geluidsscherm met een minimale hoogte van 1,8 meter en een massa van minimaal 10 kg/m², zoals opgenomen in Bijlage 2 bij de regels, wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

Ook is in de regels verankerd dat wonen in gestapelde woningen uitsluitend is toegestaan indien:

  • er wordt voldaan aan het hogere waardebesluit;
  • de woningen zoals omschreven in paragraaf 4.4.1 in het tweede bullet onder het kopje 'Appartementen BG-oost, 1eV-oost en 1eV-zuid' van het Akoestisch onderzoek "Wegverkeerslawaai Terpeborch 1 te Rosmalen van 8 juli 2022", voorzien zijn van de benodigde geluidwerende balkon-afscherming, zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regels.

Tot slot zijn in regels, na afstemming hierover met de omgeving, maatregelen verankerd ten behoeve van de privacy van omwonenden. Zo is geregeld dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van het appartementengebouw binnen de bestemming 'Wonen', alleen kan worden verleend, indien de volgende maatregelen zijn opgenomen in de vergunning:

  • een voorziening dient te worden gerealiseerd die zicht wegneemt op omliggende percelen en onderdeel vormt van de puien op de verdieping van de dichtbijgelegen westgevel van appartement 8 in bijlage 3 van de regels;
  • het balkon aan de westzijde van het pand, gelegen bij appartement 6 zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regels, dient te zijn voorzien van een glazen afscheiding van minimaal 1,8 meter hoog, zodanig uitgevoerd dat zicht wordt weggenomen op de omliggende percelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om een lamellen scherm en melkglas in het balkon.
  • uiterlijk binnen 6 maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van gestapelde woningen, dienen:
    • 1. bergingen met een groen dak, met een maximale hoogte van 2,3 meter te zijn gerealiseerd binnen de functieaanduiding 'bijgebouwen' binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

Verder kan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van gestapelde woningen alleen worden verleend, indien daarbij vaststaat dat een ononderbroken scherm met een minimale lengte van 38,5 meter, een minimale hoogte van 2,5 meter en een massa van minimaal 10 kg/m², ter plaatse van de functieaanduiding 'scherm' binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

De omgevingsvergunning voor het bouwen van de twee-aangebouwde woningen kan alleen worden verleend indien daarbij vaststaat dat een ononderbroken scherm met een minimale lengte van 16,5 meter, een minimale hoogte van 2,5 meter en een massa van minimaal 10 kg/m², ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidscherm 2' binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' en de bestemming 'Wonen' wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

Waarde - Archeologie 3

Aan het volledige plangebied is de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. In deze bestemming zijn ondergrenzen opgenomen voor de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden.

Algemene regels

In de algemene regels komen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. In dit hoofdstuk is onder meer een regeling ten aanzien van het parkeren opgenomen.

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn tot slot de voor elk bestemmingsplan op te nemen overgangs- en slotregels opgenomen.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van afdeling 6.4 van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:

  • de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.


Gelet op de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied is sprake van een bouwplan. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg

8.1 Omgevingsdialoog

De gemeente vraagt initiatiefnemers om voorafgaand aan de juridisch-planologische procedure een omgevingsdialoog te voeren. Ze heeft daartoe een handreiking opgesteld aan de hand waarvan initiatiefnemers deze dialoog kunnen voeren. Als de omgevingsdialoog goed is gevoerd, biedt de gemeentelijke inspraakverordening de mogelijkheid om de inspraakprocedure over te slaan.

In het voorliggende geval heeft de initiatiefnemer een uitgebreide omgevingsdialoog gevoerd met de omgeving. Het verslag hiervan is aan de gemeente overhandigd. Vanuit privacyoverwegingen (Algemene verordening gegevensbescherming) is een geanonimiseerde versie hiervan als Bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Gelet op de gevoerde omgevingsdialoog wordt de inspraakprocedure overgeslagen en wordt het bestemmingsplan direct als ontwerp ter inzage gelegd.

Kort samengevat zijn de reacties op het plan vanuit de omgeving overwegend positief. Daarnaast zijn er vanuit enkele direct omwonenden ook zorgen. De zorgen betreffen met name de privacy, parkeren en hinder door woongeluid. Voor zover vanuit de omgeving zorgen zijn geuit, is getracht hieraan binnen redelijkheid en billijkheid tegemoet te komen.

8.2 Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is met belanghebbende instanties overleg gevoerd. Het Waterschap Aa en Maas heeft aangegeven dat er geen ruimtelijke waterschapsbelangen van toepassing zijn in het plangebied. Wel is verzocht het waterschapbeleid op te nemen. Dit is dienovereenkomstig gedaan in paragraaf 5.11.

De provincie Noord-Brabant heeft aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben.

De Brandweer Brabant-Noord heeft aangegeven de conclusie uit de paragraaf externe veiligheid te onderschrijven en adviseert om voor de inrichting van het plangebied de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswater als uitgangspunt te nemen. In het plan is mogelijk sprake van een doodlopend eind bij de tweekappers. Dit is strijd met de uitgangspunten uit de beleidsregels. Voor het plangebied lijkt het meest realistisch om een keerlus te maken of om een aansluiting te maken op de Rodenborchweg. Aan het advies is invulling gegeven door een calamiteitendoorgang te realiseren aan de zijde van de Rodenborchweg door middel van grasstenen en een klein bordje 'calamiteitenuitgang'. Deze oplossing is besproken met de brandweer en door hen akkoord bevonden.

In het voorliggende geval zijn gelet op de beperkte aard en omvang van het initiatief geen belangen van het Rijk of overige instanties in het geding.

8.3 Terinzagelegging ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 19 juni 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn zijn enkele zienswijzen ingediend. Voor meer informatie over de inhoud van de zienswijzen en het gemeentelijk standpunt ten aanzien hiervan, wordt verwezen naar de "Nota van zienswijzen bestemmingsplan 'Herontwikkeling Terpeborch 1, Rosmalen" die als bijlage bij het vaststellingsbesluit is opgenomen.

Naar aanleiding van de zienswijzen is een nadere studie (zie bijlage 14) uitgevoerd naar schaduwwerking en inkijk. Uit deze studie blijkt dat de privacy van omwonenden in voldoende mate geborgd blijft en dat geen sprake is van onevenredige effecten in de vorm van schaduwwerking.