| Plan: | Orthen 53A |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0796.0002462-1401 |
Op 22 september 2009 is het bestemmingsplan 'Dijklint Orthen' vastgesteld. Volgens dit bestemmingsplan ligt op het perceel Orthen 53A een wijzigingsbevoegdheid. Deze wijzigingsbevoegdheid stelt het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden in de gelegenheid de bestemming ten behoeve van woningbouwontwikkeling ter plaatse te wijzigen.
Orthen BV heeft het voornemen om op het perceel 19 sociale huurwoningen te ontwikkelen. In 2018 heeft Orthen BV een verzoek indiend om medewerking te verlenen aan een bouwplan middels een uitgebreide afwijkingsprocedure. Deze uitgebreide afwijkingsprocedure was nodig omdat het bouwplan uit 2018 niet voldeed aan de voorwaarden die aan de wijzigingsbevoegdheid zijn verbonden.
Tijdens de inspraakprocedure zijn op het bouwplan veel reacties binnen gekomen. Deze reacties troffen op enkele aspecten doel. Het bouwplan diende daarop te worden aangepast. Het verzoek om een uitgebreide afwijkingsprocedure te voeren is ingetrokken. Het nieuwe aangepaste bouwplan voldoet wel aan de voorwaarden zoals vastgelegd in het geldende bestemmingsplan. Dit wijzigingsplan is opgesteld om als een planologisch jurdische basis te dienen voor dit bouwplan.
Het wijzigingsplan wordt begrensd door de wegen Orthen, Pater Werenfriendstraat en de Hambakenweg.
fig 1.1 begrenzing plangebied (rood omlijnt).
Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige situatie op het perceel. Zo volgt in dit hoofdstuk een beschrijving van de locatie en de ligging in de stad, de bestaande ruimtelijke functionele structuur en het geldende bestemmingsplan.
In hoofdstuk 3 wordt het plan beschreven. Het initiatief wordt globaal beschreven. Daarbij wordt ingegaan op de voorgenomen bebouwing, de inrichting van de buitenruimte en het voorgenomen gebruik.
Het relevante op het perceel geldende beleid wordt beschreven in hoofdstuk 4, waarna in hoofdstuk 5 op basis van dit beleid het voornemen ruimtelijk wordt verantwoord.
Het juridisch-bestuurlijke kader wordt beschreven in hoofdstuk 6. Daarin wordt ingegaan op hoe het initiatief in de regels is verwerkt. In hoofdstuk 7 staat de overweging over de economische uitvoerbaarheid van het initiatief. Het resultaat van de inspraak, omgevingsdialoog en vooroverleg is in hoofdstuk 8 beschreven. In hoofdstuk 9 volgt de conclusie van de toelichting.
Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van ’s-Hertogenbosch, in de wijk Orthen ten noorden van het stadscentrum. Op de hieronder afgebeelde luchtfoto van ’s-Hertogenbosch (2014) is de locatie met een gele stip aangeduid.
fig. 2.1: ligging plangebied binnen de gemeente (luchtfoto 2014)
Tot 1988 was op deze locatie een autorijschool gevestigd, waarbij ook een ondergrondse dieseltank met pomp aanwezig was. De tank en pomp zijn in 1995 verwijderd. In 1996 is het bedrijfspand met woning in gebruik genomen door installatiebedrijf Swanenberg. Momenteel wordt het pand verhuurd aan de Kortingknaller B.V., die ter plaatse een meubelzaak exploiteert. Het perceel heeft een oppervlakte van 1.578 m2.
De aaneengesloten bebouwing op het perceel heeft een oppervlakte van circa 580 m2 en bestaat uit een woongebouw in twee bouwlagen met een in hoogte verspringende kap, en uit bedrijfsbebouwing in één bouwlaag met plat dak. Het overig deel van het perceel is nagenoeg geheel verhard en wordt gebruikt als parkeervoorziening ten behoeve van de meubelzaak. Onder deze verharding ligt in oost-westelijke richting een gastransportleiding op een afstand van circa 4-5 meter tot de zuidgevel van de bebouwing. Het perceel wordt via de weg Orthen ontsloten. Onderstaande foto’s geven een beeld van de huidige situatie.
fig. 2.2 uitzicht op het plangebied vanaf de Hambakenweg
fig. 2.3 uitzicht op het plangebied vanaf de kruising Orthen - Hambakenweg
fig. 2.4 uitzicht op het plangebied vanaf Orthen
fig. 2.5 uitzicht op het plangebied vanaf de kruiding Orthen - Pater Werenfriedstraat
Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven, ligt de projectlocatie in het stedelijk gebied van 's-Hertogenbosch, in de wijk Orthen ten noorden van het stadscentrum. Het perceel wordt omsloten door de Pater Werenfriedstraat aan de noordzijde, de Hambakenweg aan de oostzijde, en de weg Orthen aan de zuid- en westzijde. Op onderstaande kaart is ook te zien dat de projectlocatie nabij de kruising Hambakenweg/Orthen ligt. De Hambakenweg is een belangrijke uitvalsweg en is onderdeel van de stedelijke hoofdinfrastructuur. Aan de oostzijde van de Hambakenweg bevindt zich het sportpark ' De Hambaken' . De Pater Werenfriedstraat is een ontsluitingsweg voor de ter plaatse aanwezige woningen.
fig 2.6: topografische kaart omgeving
Ten noorden van de projectlocatie en de woningen aan de Pater Werenfriedstraat is, op een afstand van circa 100 meter, een hoogspanningslijn in oost-westelijke richting en een trafostation aanwezig. Op bovenstaande kaart is deze hoogspanningslijn met paarse lijnen aangegeven.
De bebouwing langs de weg Orthen kan gekarakteriseerd worden als historische lintbebouwing. Ten westen daarvan ligt de wijk Orthen-Links, waar momenteel een wijkvernieuwing plaatsvindt door middel van gefaseerde sloop van bestaande woningen en gefaseerde nieuwbouw van in totaal 260 woningen. Op iets minder dan 200 meter ten westen van de projectlocatie is de spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Utrecht gelegen.
De projectlocatie, de woningen aan de Pater Werenfriedstraat en de lintbebouwing aan de westzijde van de weg Orthen, zijn onderdeel van het dijktracé Orthen, dat het belangrijkste element van de hoofdstructuur van Orthen vormt. In de toelichting van het bestemmingsplan Dijklint Orthen wordt over de wijk Orthen onder meer het volgende geschreven: “Orthen, nu een wijk van 's-Hertogenbosch, was tot de Tweede Wereldoorlog een dijkdorp. Kort voor de oorlog werd het getransformeerd van dijkdorp naar brinkdorp. Dit dorp is inmiddels geheel in het stadslichaam van 's-Hertogenbosch opgenomen en vormt het oudste deel van 's-Hertogenbosch-Noord".
“In de naoorlogse periode vonden rondom het plangebied (dijklint Orthen) verschillende ontwikkelingen plaats. Zo werd ten westen van de weg Orthen woonbebouwing (Orthen-links) ontwikkeld. Eind jaren '50, begin jaren '60 vond er een verhoudingsgewijs een grote uitbreiding plaats in noordoostelijke richting (ten oosten van de Hambakenweg en dus buiten het plangebied). Door de aanleg van de Hambakenweg ontstond ten noorden van de dijk een soort 'tussengebied' tussen deze weg en het spoor 's-Hertogenbosch-Utrecht. Vanaf 1950 is dit gebied geleidelijk aan bebouwd met bedrijfsbebouwing en woningen (Pater Werenfriedstraat)”.
“De historische bebouwing langs de weg Orthen wordt gekenmerkt door het individuele karakter en de diversiteit in architectuurstijlen. De bebouwing bestaat met name uit vrijstaande, overwegend haaks op de dijk gebouwde woonhuizen en boerderijen, afgewisseld met enkele kleinschalige bedrijfsgebouwen (uit circa 1850-1950). De woningen worden over het algemeen gekenmerkt door een baksteenarchitectuur en een zorgvuldige detaillering. De woningen aan de dijk zijn hoofdzakelijk grondgebonden, hetgeen passend is bij het bebouwingskarakter van deze woningen. Tussen de historische bebouwing is na 1950 her en der nieuwbouw gepleegd. De nieuwbouw voegt zich echter op een goede manier in dit historische karakter”.
“Hiervoor is al aangegeven dat het gebied ten noorden van het dijktracé, tussen de spoorlijn en de Hambakenweg, van oorsprong een open gebied was. Met de aanleg van de Hambakenweg werd dit gebied een soort 'tussengebied' zonder een echte duidelijke functie. Na 1950 is dit gebied geleidelijk aan opgevuld met bebouwing. In de jaren zestig/zeventig werd het woonbuurtje aan de Pater Werenfriedstraat gebouwd. Opvallend voor dit buurtje is de situering van de woningen. De woningen werden niet volgens het historische stramien 'aan de dijk' gebouwd, maar er is sprake van een hoekverdraaiing van de bebouwing ten opzichte van de dijk. De bebouwing heeft eigenlijk geen enkele relatie met de dijk. Ook met de Hambakenweg heeft de bebouwing weinig relatie. Later is het van oorsprong open gebied opgevuld met bedrijfsbebouwing, o.a. een trafostation van de PNEM. De bedrijfsbebouwing heeft een grootschalig karakter in vergelijking tot de historische bebouwing. Het van oorsprong kleinschalige karakter van Orthen is hierdoor enigszins aangetast.”
Ofschoon het dijktracé op zichzelf een historisch element is in de stadsplattegrond, geldt dat niet voor de bebouwing aan deze dijk. De woningen die het dijktracé begeleiden zijn in verschillende tijdsperioden gebouwd. Onderlinge samenhang is daardoor lastig te definiëren.
In de directe omgeving van de projectlocatie komen diverse functies voor, met name wonen, bedrijvigheid, verkeer en groen. Zoals hiervoor aangegeven, is de locatie omsloten door de Hambakenweg, de weg Orthen en de Pater Werenfriedstraat. Tussen de Hambakenweg en de projectlocatie en de Pater Werenfriedstraat is een langgerekte groenstrook in de vorm van een bomenrij aanwezig. De hoofdbebouwing aan de Pater Werenfriedstraat bestaat uit drie blokken aaneengebouwde woningen aan de zijde van de Hambakenweg, en uit twee blokken met tweeaaneengebouwde woningen aan de zijde van de weg Orthen. Aan de westzijde van de weg Orthen is sprake van overwegend wonen en kleinschalige bedrijvigheid.
Op het perceel Orthen 53a geldt het bestemmingsplan 'Dijklint Orthen'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 22 september 2009. In dit bestemmingsplan heeft de projectlocatie de enkelbestemming 'Gemengd'. De met deze bestemming aangewezen gronden zijn, uitsluitend op de begane grond, bestemd voor kantoren, dienstverlening, detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte per winkelvestiging maximaal 400 m2 mag bedragen, volumineuze detailhandel en detailhandel in woninginrichting (meubels - vloerbedekking) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - meubels', sportschool ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - fitnesscentrum' en op de begane grond en verdieping wonen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' en tenslotte bestemd voor aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.
fig. 2.7 uitsnede verbeelding bestemmingsplan Dijklint Orthen
Voor de projectlocatie is ten behoeve van woningbouw in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (wro-zone - wijzigingsgebied 1). Op grond van atikel 17 van het geldende bestemmingsplan 'Dijklint Orthen' kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming wijzigen in de bestemmingen Wonen, Verkeer, Groen en Leiding-Gas (dubbelbestemming), met inachtneming van de volgende voorwaarden:
In dit wijzigingsplan vindt een afweging plaats in hoeverre het voorliggend bouwplan past binnen de bovenstaande wijzigingsbevoegdheid. In paragraaf 3.2 en paragraaf 5.6 wordt ingegaan op de randvoorwaarde onder 17 lid a. De stedenbouwkundige randvoorwaarden genoemd in artikel 17 lid b t/m e worden behandeld in paragraaf 3.3. Paragraaf 4.3.4 gaat in op de voorwaarde die onder artikel 17 lid f wordt gesteld.
Het bouwplan voorziet in de oprichting van een woongebouw met 19 appartementen in de sociale huursector. Het woongebouw bestaat uit twee evenwijdig aan elkaar gelegen hoofdgebouwen met daartussen een portaal- en trapruimte. De totale oppervlakte van het woongebouw bedraagt 450 m2. Het hoofdgebouw aan de zijde van de Hambakenweg heeft aan de oostgevel een lengte van 29,49 meter, aan de zuidgevel een breedte van 9,64 meter, een bouwhoogte van 9 meter en bestaat uit drie bouwlagen met 5 appartementen per bouwlaag. Het hoofdgebouw aan de zijde van de weg Orthen heeft aan de westgevel een lengte van 14,17 meter, aan de zuidgevel een breedte van 5,65 meter, een bouwhoogte van 6 meter en bestaat uit twee bouwlagen met 2 appartementen per bouwlaag en is voorzien van een dakterras. Het tussen deze hoofdgebouwen gelegen portaal- en trapruimte heeft een breedte van 3,17 meter. Onder een gedeelte van de ruimte tussen de hoofdgebouwen wordt ten behoeve van een fietsenberging een kelder van 40 m2 gebouwd. De hoofdbebouwing met tussenruimte is in noord-zuidrichting gesitueerd en sluit daarmee aan op de situering van de woningen aan de Pater Werenfriedstraat. De noordgevel van het woongebouw heeft een totale breedte van 23,10 meter en loopt evenwijdig met de Pater Werenfriedstraat.
Op onderstaande plattegrondtekening is het bouwvlak weergegeven met de situering van de beoogde bebouwing op het perceel en de afstanden van deze bebouwing tot de perceelsgrenzen en met de indeling van de appartementen op de begane grond. De (gebruiks)oppervlakte van de appartementen varieert tussen de 45 en 52 m2 per appartement.
Fig 3.1: Plattegrond nieuwe situatie
De afstand van westelijke gevel van het gebouw tot de perceelsgrens aan de zijde van de weg Orthen bedraagt op de zuidwestelijke punt 5 meter en op de noordwestelijke punt 10,7 meter. De afstand van de noordgevel tot de perceelsgrens aan de zijde van de Pater Werenfriedstraat bedraagt circa 11 meter en die tot de perceelsgrens aan de zijde van de Hambakenweg bedraagt 11,9 meter. Onderstaande afbeelding bevat een impressie van de bebouwing.
Fig. 3.2: impressie bebouwing Orthen 53a
De gevels bestaan uit gevelmetselwerk met rode gevelstenen (terugliggende voeg) en beige gevelstenen (platvol gevoegd). De balustrade ter plaatse van de galerijen en trappen wordt uitgevoerd in helder glas met RVS steunen, naturel wit. De kozijnenkaders van de raamkozijnen en de naar binnen draaiende ramen in de gevels van de appartementen worden in hout (Accoya) uitgevoerd, naturel geschilderd, en de raamkozijnen bestaan uit vlak glas.
Onder het perceel is een gastransportleiding aanwezig. Op grond van artikel 17 onder a van de wijzigingsbevoegdheid, dient de afstand van de woningen tot aan de aardgas transportleiding minimaal 14 meter te bedragen. In hetzelfde lid staat aangegeven dat deze minimale afstand van 14 meter kan worden verminderd, mits uit het advies van de leidingbeheerder (De Gasunie) blijkt dat de veiligheid anderszins kan worden gewaarborgd.
Om het bouwplan te kunnen realiseren is in samenwerking met de Gasunie besloten om de aardgasleiding te verleggen opdat de nieuwe bebouwing op een afstand van minimaal 4,20 meter tot het hart van de nieuwe buisleiding komt te liggen. De bestaande leidingtracé wordt vervangen door een nieuw tracé en de afstand tot de nieuw te bouwen woningen wordt minimaal 4,2 meter. Hiervoor is een belemmeringenstrook opgenomen. De belemmeringstrook, voor zover niet gelegen aan de zijde van de nieuw te bouwen woningen, geldt 5 meter. Hiermee kan de Gasunie de leiding eventueel verder aanleggen van de nieuwe woningen. Op de verbeelding komt voor een nieuwe leiding een belemmeringenstrook met een breedte van 4,2 meter langs de gevel en voor het overige van 5 meter. Op de verbeelding wordt zowel de bestaande als de nieuw aan te leggen ondergrondse gastransportleiding weergegeven (zie onderstaande afbeelding van de hartlijnen).
Fig 3.3: verlegging hogedruk gasleiding
Volgens artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dient de belemmeringenstrook aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, ten minste 5 meter te bedragen. Afwijking van deze minimale afstand is ingevolge artikel 5 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) mogelijk tot een minimale afstand van 4 meter voor gasleidingen met een druk tussen 1.600 en 4.000 KiloPascal. De druk van de gastransportleiding bedraagt 40 Bar (= 4.000 KiloPascal), zodat de afstand van de nieuwe bebouwing tot het hart van de buisleiding minimaal 4 meter moet bedragen. In het kader van externe veiligheid moet daarnaast een berekening van het groepsrisico (QRA) worden gemaakt, inclusief een verantwoording van het groepsrisico. In paragraaf 5.6 Externe veiligheid komt deze berekening en verantwoording van het groepsrisico aan de orde. Hieruit blijkt dat de veiligheid anderszins is gewaarborgd en daarmee het bouwplan voldoet aan artikel 17 lid a van het bestemmingsplan Dijklint Orthen.
Het planvoornemen gaat uit van sloop van de bestaande bebouwing op de projectlocatie en de nieuwbouw van een rechthoekig hoofdgebouw. Het hoofdgebouw zal aan de zijde van de Hambakenweg uitgevoerd worden in drie bouwlagen met 5 appartementen per bouwlaag. Dit hoofdgebouw georiënteerd op de Hambakenweg krijgt een maximale hoogte van 9 meter.
Evenwijdig daaraan wordt aan de zijde van de weg Orthen een kleiner hoofdgebouw gesitueerd in twee bouwlagen met 2 appartementen per bouwlaag. Dit deel krijgt een maximale hoogte maximaal 6 meter bedragen. Deze twee hoofdgebouwen zijn met elkaar verbonden door middel van een trap- en portaalruimte. Bij het ontwerp van dit bouwplan is rekening gehouden met de stedenbouwkundige randvoorwaarden, zoals die reeds in eerdergenoemde wijzigingsbevoegdheid van het geldende bestemmingsplan Dijklint Orthen (artikel 17) zijn geformuleerd. Zo is wat betreft de bouwhoogte in artikel 17 lid b opgenomen dat de bouwhoogte van hoofdgebouwen aan de zijde van en georiënteerd op de Hambakenweg maximaal 9 meter mag bedragen en aan de zijde van en georiënteerd op de weg Orthen (dijk) maximaal 6 meter mag bedragen. Gelet op de bovenstaande beschrijving van de maximale voorgenomen bouwhoogten wordt aan deze stedenbouwkundige voorwaarde voldaan.
De afstand van hoofdgebouwen tot aan de perceelsgrens aan de zijde van de Pater Werenfriedstraat bedraagt minimaal 7 meter. Aan de zijde van de weg Orthen (dijk) bedraagt deze minimaal 5 meter en aan de zijde van de Hambakenweg minimaal 4 meter te bedragen. Hiermee wordt voldaan aan lid c van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 17. De bebouwde oppervlakte bedraagt 450 m². Dit is overeenkomstig de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte, zoals opgenomen in artikel 17 lid d van het op het perceel geldende bestemmingsplan Dijklint Orthen.
Tenslotte de situering van de nieuwe bebouwing. De twee hoofdgebouwen met daartussen een trap en portaalruimte, worden in noord-zuidrichting gesitueerd, overeenkomstig de richting van de woonbebouwing aan de Pater Werenfriedstraat. Daarmee voldoet het bouwvoornemen ook aan lid e van de wijzigingsbevoegdheid zoals deze is opgenomen in artikel 17 van het geldende bestemmingsplan. Het bouwplan past daarmee binnen de stedenbouwkundige randvoorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid als opgenomen in artikel 17 onder b, c, d en e.
Uit de bezonningsstudie (Bijlage 1) blijkt dat de voorgenomen bebouwing weliswaar extra schaduw veroorzaakt, maar dat deze door het jaar heen vooral valt op het eigen terrein of het openbaar gebied. Gelet op de jaargetijden, het tijdstip en de tijdsduur dat er schaduw op omliggende woonpercelen valt, is dit niet onevenredig. Temeer omdat de bestaande bebouwing op die tijdstippen ook al schaduw op de omliggende woonpercelen veroorzaakt.
De kortste afstand van het voorgenomen gebouw tot het dichtstbijzijnde omliggende woonperceel is circa 17 meter. Deze afstand komt vaker in een stedelijke omgeving voor en is acceptabel. De overige afstanden tot de omliggende woonpercelen zijn groter. Het dakterras wordt terugliggend uitgevoerd, waardoor inkijk vanaf dit dakterras op omliggende woonpercelen moeilijker wordt. Mocht door het plan enige inkijk op omliggende woonpercelen plaatsvinden, dan is dit dus beperkt.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:
Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.
In de SVIR is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. In de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 deze zogenaamde laddertoets als procesvereiste opgenomen. Bij besluit van 21 april 2017 is dit artikel gewijzigd. Doel van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De toelichting bij een bestemmings- of wijzigingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmings- of wijzigingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Voorliggend project bestaat uit de bouw van 19 appartementen in de sociale huursector binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij sprake is van een optimale benutting van de ruimte die vrijkomt na sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en waarbij rekening is gehouden met de stedenbouwkundige uitgangspunten van de wijzigingsbevoegdheid, die door de gemeenteraad in het bestemmingsplan 'Dijklint Orthen' zijn vastgelegd.
In de Woonvisie ’s-Hertogenbosch (2020) streeft de gemeente naar een woningproductie van 10.500 in de periode 2020 - 2030, waarbij wordt ingezet op een hogere productie in tijden van hoogconjunctuur en rekening wordt gehouden met een lagere productie in economisch zwaardere tijden. Dat betekent dat de gemeente in tijden van voorspoed zoveel mogelijk woningen wil toevoegen.
Het college van burgemeester en wethouders zet de komende jaren in om de woningbouwproductie op niveau te houden door tempo te maken. In februari 2020 is een samenhangend pakket van maatregelen voor de korte en de (middel)lange termijn benoemd: het 'Uitvoeringsprogramma behorende bij: Woonvisie 's-Hertogenbosch'. Door de woningproductie op gang te houden, kan invulling worden gegeven aan de kwalitatieve doelstellingen uit de woonvisie. Concreet wordt ingezet op drie sporen: (1) het vergroten van het aantal in voorbereiding zijnde plannen om de doelstelling te realiseren, (2) het prioriteren van kansrijke projecten en projecten met overwegend betaalbare woningen en (3) het versterken van de sturingsinstrumenten (o.a. betaalbaarheid van het nieuwbouwprogramma). Het onderhavige woningbouwproject levert een bijdrage aan de voorziening in de behoefte van nieuwe betaalbare woningen in de sociale huursector.
Zoals hiervboven is aangegeven, wordt het onderhavige plan gezien als een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro) omdat het plan de bouw van 19 sociale huurwoningen mogelijk maakt in bestaand stedelijk gebied. Deze stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In het Uitvoeringsprogramma behorende bij de Woonvisie van 's-Hertogenbosch staat de samenwerking met de regio en de provincie benoemd. Plus dat de gemeente de woningbouwplannen in regionaal verband afstemt in de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant. Daarbij volgt de gemeente minimaal de nieuwe prognoses van de provincie.
Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op woningbouwopgave tot 2030 en de behoefte aan betaalbaar wonen, in een actuele lokale en regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied. Het project voldoet hiermee aan de vereisten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden. Dit Barro (voorheen AMvB Ruimte) bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen.
Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco).
Op 1 oktober 2012 is de 1e aanvulling van Barro in werking getreden, waarin regels zijn opgenomen met betrekking tot Rijksvaarwegen, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Ecologische hoofdstructuur, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Veiligheid rond rijksvaarwegen, Verstedelijking in het IJsselmeer, Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
Het onderhavige initiatief op de locatie Orthen 53A is niet invloed op de Rijksbelangen, die in het Barro zijn vastgelegd.
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.
De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaat in op de ruimtelijke kwaliteiten van de provincie en kiest voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en voor een kennisinnovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. De provincie wil het contrastrijke Brabantse landschap herkenbaar houden en verder versterken. Daarom wordt ingezet op de ontwikkeling van robuuste landschappen, een beleefbaar landschap vanaf het hoofdwegennet en behoud en versterking van aanwezige landschapskwaliteiten.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen hebben met name betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant.
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in de structuurvisie in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. Samen vormen deze structuren de provinciale ruimtelijke structuur. De vier structuren zijn: de groenblauwe structuur, infrastructuur, landelijk gebied en stedelijke structuur.
Op de structurenkaart heeft de projectlocatie de aanduiding stedelijk concentratiegebied. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale ruimtelijke overleggen (RRO). Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op de projectlocatie voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en aan de ladder voor duurzame verstedelijking (een compacte bouw van een woongebouw met 19 appartementen in de sociale huursector op een reeds bebouwde locatie binnen bestaand stedelijk gebied) en past daarmee in het beleid met betrekking tot het stedelijk concentratiegebied.
Figuur 4.1: uitsnede structurenkaart Structuurvisie Noord Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ met bijbehorende plan-MER vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving en beschrijft daarvoor de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. De omgevingsvisie heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (komende Omgevingswet) en vervangt uiteindelijk de strategische elementen van de huidige provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie.
De provincie formuleert In de omgevingsvisie haar ambitie: hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? Daarbij worden meetbare tussendoelen gesteld: wat moet de provincie in 2030 op zijn minst voor elkaar hebben om die ambitie te verwezenlijken? De omgevingsvisie legt nu nog niet vast hoe de doelen precies worden bereikt. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma’s.
De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Bij het werken aan een veiligere leefomgeving gaat het om het terugbrengen van risico’s tot een acceptabel niveau en het continu zo goed mogelijk voorbereid zijn op calamiteiten. Bij gezondheid gaat het niet alleen om ‘ziekte voorkomen’, maar ook om ‘quality of life’, welzijn en het bevorderen van gezondheid. Verder worden twee aandachtspunten benadrukt: behoud van de kwaliteit van ons grondwater bestemd voor menselijke consumptie en het verbeteren van de luchtkwaliteit. Vanuit alle opgaven werken we daarom aan een goede omgevingskwaliteit; zowel in de bebouwde als de onbebouwde omgeving.
Hierbij ziet de provincie een steeds grotere verwevenheid van stad en land. Het is daarom belangrijk om stad en land in samenhang te bezien. Deze samenhang is bijvoorbeeld duidelijk terug te zien in de maatregelen rond klimaatadaptatie. Een gebiedsgerichte benadering van de beekdalen, waar stad en land samenkomen is nodig. Een aantrekkelijk landschap is essentieel voor een goede omgevingskwaliteit. Belangrijke dragers van het landschap zijn de natuurlijke, cultuurhistorische en aardkundige structuren en elementen. Het gaat daarbij niet alleen om de groene elementen, maar juist ook om rode elementen als de kralenketting van de Brabantse vestingsteden en de samenhang van stad en land. Daarnaast bepalen ook ‘zachte’ waarden als rust, openheid, donkerte en stilte hoe het landschap wordt beleefd. Het landschap vertelt het verhaal van Brabant en draagt daarmee in sterke mate bij aan de Brabantse identiteit.
Naast deze basisopgave worden vier hoofdopgaven in de omgevingsvisie onderscheiden:
De provincie Noord-Brabant wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een 'Interim' omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de 'definitieve' omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet.
De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014.
In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de Interim omgevingsverordening staan regels voor burgers en bedrijven, maar ook voor bestuursorganen van de overheid. De regels voor burgers en bedrijven zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo’n activiteit te verrichten en geven ook aan of bijvoorbeeld eerst een melding moet worden gedaan voordat met een activiteit mag worden begonnen. De regels voor bestuursorganen van de overheid zijn instructieregels, waarmee de provincie een opdracht geeft aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.
Figuur 4.2 Uitsnede kaart 3 instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed van de Interim
Omgevingsverordening Noord Brabant.
Ten aanzien van de projectlocatie gelden instructieregels voor de gemeente met betrekking stedelijke ontwikkeling en erfgoed. Het gebied waarin de projectlocatie is gelegen, is aangewezen als 'Concentratiegebied' (zie bovenstaande uitsnede van kaart 3 van de Interim omgevingsverordening). De voor de projectlocatie relevante instructieregels betreffen de externe werking Natuur Netwerk Brabant (artikel 3.16) en duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 3.42).
Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant: In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie (fysieke of financiëlecompensatie). Ten behoeve het woningbouwplan op de projectlocatie is een quick-scan flora en fauna uitgevoerd . Daaruit is gebleken dat het plan geen negatieve effecten heeft op de ecologische waarde. Ook is in paragraaf 5.13 van deze toelichting aandacht besteed aan het Natuur Netwerk Brabant, waarbij is geconcludeerd dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant.
Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling: Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Het woningbouwplan op de projectlocatie past binnen de regionale woningbouwafspraken (zie paragraaf 4.1.2) en bevordert een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik door een stedenbouwkundig aanvaardbare herontwikkeling die voorziet in de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van een appartementengebouw met 19 appartementen in de sociale huursector. Deze herontwikkeling vindt plaats in binnen stedelijk gebied, waarbij het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en geconcentreerde bebouwing van toepassing is en levert een bijdrage aan de woningbouwtaakstelling van de gemeente, zoals vastgelegd in Woonvisie ’s-Hertogenbosch en het bijbehorende uitvoeringsprogramma.
In de Brabantse Agenda Wonen geeft Gedeputeerde Staten haar kwalitatieve visie op wonen. Dit vertaalt zich in actielijnen en richtinggevende principes en vervolgactiviteiten.
Het provinciaal bestuursakkoord 2020-2023, ‘Samen, Slagvaardig en Slim: Ons Brabant’ en het addendum op bestuursakkoord 2020-2023 ' Samen bouwen aan de kwaliteit van Brabant', geeft aan dat op het beleidsterrein van wonen het beleid wordt bestendigd. De provincie stuurt niet op basis van contingenten. Hiervoor wordt verlangd van steden en dorpen dat ze samen zorgen voor vraaggerichte en flexibele woningbouwprogramma’s en dat overprogrammering voorkomen wordt. Voor alle steden en dorpen geldt: sturen op realisatie en niet alleen op plannen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de inbreidingslocaties en binnengemeentelijke transformatieopgaven. Daar waar het gaat om uitleglocaties vraagt de provincie van gemeenten dat zij dit binnen de regio met elkaar afstemmen.
De provincie neemt een rol in het bevorderen van regionale afspraken. In de hiernavolgende afbeelding zijn de actielijnen, richtinggevende principes en vervolgactiviteiten op een rij gezet.
Figuur 4.3: De Brabantse Agenda Wonen
Eén van de richtinggevende principes is dat ruim baan wordt gegeven aan ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen, dat wil onder andere zeggen woningbouw op geschikte binnenstedelijke inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties. Het woningbouwinitiatief op de projectlocatie voorziet hierin door sloop van het bestaande winkelpand en nieuwbouw van een appartementengebouw.
Het planvoornemen op de projectlocatie is in lijn met de provinciale belangen, zoals verwoord in de Structuurvisie RO en de Interim omgevingsverordening.
De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant (17 december 2014) is de woningbouw opgave in de gemeente 's-Hertogenbosch begroot op 6.805 woningen in de periode 2014-2024. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave van 18.900 woningen. Voor de lange termijn - tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen. Hiertegenover staat een potentiële (netto) woningbouw capaciteit in de gemeente 's-Hertogenbosch van in totaal circa 8.400 woningen. Hiervan zijn circa 4.000 woningen harde plancapaciteit. Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte.
In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke Structuurvisie 'Stad tussen Stromen' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. Het is ook het toetsingskader dat een onderlegger vormt voor de actualisering van bestemmingsplannen en projectprocedures, alsook een inspiratie- en ontwikkelingsopgave voor integrale gebiedsaanpak en projecten.
De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Deze visie formuleert de ontwikkelingskoers voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen (afwegings- en inspiratiekader). Daarnaast is in deze structuurvisie een uitvoeringsparagraaf opgenomen. In deze uitvoeringsparagraaf wordt, in samenhang met de gemeentelijke meerjarenbegroting en het structuurfonds, de realisatiestrategie van de structuurvisie inzichtelijk gemaakt.
In de ruimtelijke visie wordt onder meer gestreefd naar een goede afstemming van diverse ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor de stedelijke structuur evenwichtiger en meer duurzaam wordt. De grootste uitdaging in de planperiode is het gegeven dat de stad tegen haar natuurlijke en bestuurlijke grenzen aanloopt. Inbreiding is niet langer mogelijk zonder ingrijpende herstructurering. Uitbreidingen kunnen nauwelijks meer plaatsvinden. Dit betekent dat de stedelijke dynamiek grotendeels binnen bestaande, min of meer natuurlijke contouren moet plaatsvinden in het ‘bestaand stedelijk gebied’. Het is ook van wezenlijk belang om een duurzame ruimtelijke structuur te verkrijgen. Dit kan door een betere benutting van het bestaand stedelijk gebied. Stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik, transformatie en aandacht voor duurzame inrichting, bouw en mobiliteit zijn hier de ingrediënten. Herstructurerings- en intensiveringprocessen zijn in beginsel overal binnen het bestaande bebouwde gebied mogelijk. Dit betreffen géén ingrepen in de ruimtelijke structuur.
Eén van de hoofdbestanddelen van het ruimtelijk beleid blijft de woningbouwopgave. In de structuurvisie is onder andere gesteld dat, met de op dit moment voorhanden zijnde woningbouwcapaciteit, er voor de korte en middellange termijn voldoende locaties zijn om te kunnen bouwen en te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Ondanks het theoretisch inzicht van de prognoses zal voor de langere termijn toch gekeken worden naar nieuwe woningbouwlocatie(s). Prioriteit ligt nu echter bij het hebben van haalbare woningbouwprojecten en het oppakken van initiatieven om de woningproductie weer op gang te brengen en de doorstroming te bevorderen. Het tekort aan woningbouwlocatie(s) voor de lange termijn kan deels opgevangen worden door inbreidingslocaties in de stad. De mogelijkheden voor herinvulling van deze vrijkomende binnenstedelijke ruimte hangt mede samen met de kwalitatieve woningbehoefte. In de meeste gevallen betekent herstructurering momenteel het intensiveren van het woningbouwprogramma. Vanuit ruimtelijke kwaliteitsaspecten en woningbehoefte kan het juist ook wenselijk zijn soms te verdunnen in het bestaand stedelijk gebied. Daarom is er nu en in de toekomst altijd een zekere mate van uitwisseling tussen de herstructurering van bestaand stedelijk gebied en het realiseren van uitbreidingslocaties nodig. Beide zijn kwalitatief én ook financieel met elkaar verweven.
Voor de stad is de ontwikkeling van appartementen op bepaalde locaties van essentieel belang. In stedelijke gebieden worden appartementen veelal gepland ter wille van de versterking van de schaarse centrumstedelijke woonmilieus (nabij het stadscentrum, wijkcentra en de stedelijke verbindingsassen), waar door intensief en meervoudig ruimtegebruik gestapelde bouw wordt nagestreefd. Maar het blijft een segment binnen de woningmarkt waarvan de aantrekkelijkheid bepaald wordt door zaken als locatie, uitstraling en kwaliteit. Voorkomen moet worden dat het aantal waarmee (te groot), het tempo waarin (te hoog) en de termijn waarop (te kort), de bouw van appartementen in de woningbouwplanning niet goed aansluit bij de vraagontwikkeling van de woonconsument en het opnamevermogen van de woningmarkt. Het is dus van belang om de bouw van deze appartementen te prioriteren en faseren en in overeenstemming te brengen met de ontwikkeling van de vraag. Dit is temeer van belang omdat de prognoses veel schommelingen vertonen en de planvoorbereiding de nodige bandbreedte behoeft.
De projectlocatie Orthen 53A ligt in bestaand stedelijk gebied en kan als herstructureringslocatie worden aangemerkt. Het planvoornemen voorziet in de sloop van het bestaande winkelpand (meubelzaak) en de bouw van een woongebouw met 19 appartementen in de sociale huursector. De vrijkomende locatie met een detailhandelsfunctie na sloop wordt dus benut voor een woonfunctie, waarbij sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik door op deze locatie een woongebouw met 19 appartementen te bouwen.
De voor de projectlocatie relevante uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie vormen geen belemmering voor onderhavig woningbouwinitiatief.
Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:
Passend en betaalbaar wonen
Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. De gemeente zet in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten.
Leefbare en inclusieve buurten
De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid.
Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad.
Strategisch innovatief woonprogramma
De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 - 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:
Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt. Daarnaast is de inzet van de gemeente om te sturen op kwaliteit en betaalbaarheid in een (regionaal afgestemd) woningbouwprogramma.
Doelgroepenverordening
Vanaf 16 oktober 2021 treedt de 'Doelgroepenverordening betaalbare woningbouw 's-Hertogenbosch 2021' in werking. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om (per deelgebied) in bestemmingsplannen te eisen dat in nieuwbouwontwikkelingen of bij transformatie een percentage van bepaalde categorieën woningen wordt gerealiseerd. Deze categorieën zijn vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): sociale huur, geliberaliseerde woningen voor middenhuur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De doelgroepenverordening vormt de juridische basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen. De doelgroepenverordening heeft alleen betrekking op nieuwbouw of transformatie. In dit wijzigingsplan leggen we de relatie met de toepassing van de doelgroepenverordening door in de Verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociaal' op het bouwvlak te leggen en nemen we de verwijzing naar de verordening op in de regels.
Het woningbouwplan met 19 appartementen in de sociale huursector levert onder meer een positieve bijdrage aan passend en betaalbaar wonen voor met name de groep van 1- en 2-persoonshuishoudens, alsook aan een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad en levert een bijdrage aan het strategisch innovatief woonprogramma door kwaliteit en betaalbaarheid in de categorie sociale huur.
De voorgenomen nieuwbouw op de projectlocatie Orthen 53A van 19 appartementen vindt plaats in het sociale segment en voldoet hiermee aan de doelgroepenverordening van de gemeente. In paragraaf 5.13 wordt ingegaan op de duurzaam aspecten van het project. Door onder andere plaatsing van 102 zonnepanelen en warmte terugwininstallaties en aansluit mogelijkheden voor zonneboilers en een warmtepomp wordt bijgedragen aan de ambitie om tot een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad te komen.
De gemeenteraad van 's-Hertogenbosch heeft de Nota detailhandel 's-Hertogenbosch 2011 vastgesteld op 11 oktober 2011. Het detailhandelsbeleid is restrictief ten aanzien van perifere, grootschalige detailhandelsvestigingen om overaanbod te voorkomen en om het goed functioneren van de binnenstad te waarborgen. Het is ook restrictief in het verlenen van medewerking aan (grootschalige) uitbreiding van winkelcentra ter bescherming van de fijnmazige winkelstructuur.
De uitgangspunten van het detailhandelsbeleid zijn de volgende:
Op 14 april 2015 heeft de gemeenteraad Aanvullingen op Nota Detailhandel 2011 en wijzigingen beleid Niet-bedrijventerrein gebonden functies op bedrijfslocaties vastgesteld. De basisuitgangspunten van de Nota Detailhandel 2011 zijn daarbij niet gewijzigd. De aanvullingen hebben betrekking op het onder voorwaarden en criteria mogelijkheden creëren voor:
De projectlocatie Orthen 53A ligt in bestaand stedelijk gebied en kan als herstructureringslocatie worden aangemerkt. Het planvoornemen voorziet in de sloop van het solitair gelegen winkelpand (meubelzaak) dat buiten een detailhandelscluster ligt. De vrijkomende locatie worden heringevuld met een woongebouw met 19 appartementen. Hiermee verdwijnt een solitaire detailhandelslocatie.
Conform artikel 17 onder f van het geldende bestemmingsplan dient er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gecreëerd te worden. Het ontwikkelde plan en toetsing is gebaseerd op de geldende nota ten tijde van indiening en gevorderde beoordeling. Om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen bij een ontwikkeling benodigd zijn, heeft de gemeente parkeernormen geformuleerd en vastgelegd in de “Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets” (hierna "de Nota"). Deze Nota is vastgesteld op 21 september 2016 en op 1 oktober 2016 in werking getreden. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kengetallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.
Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
Het perceel ligt volgens de gebiedsindeling parkeernormering 's-Hertogenbosch binnen de aanduiding Zone 3: Overige bebouwde kom 's-Hertogenbosch. Het voornemen voorziet in 19 sociale huurwoningen, met een bruto vloeroppervlak van 40-80. Volgens de nota Parkeernormering 2016 genereert het voornemen hierdoor een behoefte van 20 parkeerplaatsen.
Het bouwplan voorziet in de aanleg van 20 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan artikel 17 lid f van het bestemmingsplan. Op de hiervoor afgebeelde tekening is aangegeven waar deze parkeerplaatsen op het perceel zullen worden aangelegd. De parkeerbestrating wordt aangelegd met betonnen grastegels en de parkeerstroken bestaan uit betonklinkers.
Figuur 4.4 inrichtingsschets met daarop aangegeven de ligging en het aantal parkeerplaatsen.
In het wijzigingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor deze 20 parkeerplaatsen gehandhaafd blijven. Het voorgenomen woongebouw genereert minder verkeersbewegingen dan de huidige bestemming 'Gemengd' met aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - meubelhandel'. Ook vervalt, door het verdwijnen van de bestemming 'Gemengd' met aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - meubelhandel' de verkeersbewegingen van vrachtwagens in verband met laden en lossen, wat ten goede komt aan de verkeersveiligheid.
Het perceel wordt via de bestaande in- en uitrit ontsloten via de weg Orthen. Hiervoor zijn buiten het perceel geen infrastructurele ingrepen noodzakelijk. De bestaande tweede in- en uitrit aan Orthen (aan de voorzijde) en de in- en uitrit aan de Pater Werenfriedstraat komen ter vervallen. Hierdoor ontstaat er ruimte voor nieuwe parkeerplaatsen in het openbaar gebied.
Op dit moment wordt binnen de gemeente intensief gewerkt aan het verduurzamen van de gemeente ’s-Hertogenbosch, waarbij beoogd wordt een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente te zijn. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat het een gemeente blijft die door zijn inwoners als prettig en gezond wordt ervaren. Om dit te bereiken heeft de gemeente het visiedocument “Samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch” opgesteld. Het doel is te komen tot een gezond woon- en leefomgeving waarin schone energie centraal staat, je jezelf duurzaam verplaatst en waar verspilling van grondstoffen wordt tegengegaan. In het visiedocument Duurzaam 's-Hertogenbosch zijn de ambities verwoord in 4 pijlers.
Ambitie 1: Een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente
Inwoners van ’s-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit.
Ambitie 2: CO2 – neutrale gemeente
’s-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van ‘s-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto’s.
Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen
In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn.
Ambitie 4: Duurzame mobiliteit
’s-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.
In paragraaf 5.13 wordt nader ingegaan op hoe het voorliggend initiatief bijdraagt aan het behalen van de bovenstaande ambities.
Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader.
Het perceel Orthen 53A is in de welstandsnota als de bouwtype aangemerkt als 'perifere detailhandel'. Het woongebouw kan daarom niet worden beoordeeld aan de hand van de beoordelingsaspecten die aan dit bouwtype zijn verbonden. Daarom wordt voor de beoordeling teruggevallen op de algemene welstandscriteria.
De welstandscommissie heeft het voorgenomen woongebouw hierop beoordeeld en op 3 november 2021 geadviseerd dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
De visie ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig' als bouwsteen voor de Omgevingsvisie, is op 9 maart 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Deze visie is bedoeld om uitvoering te geven aan een klimaatbestendiger, groener en meer biodiverse gemeente met daarin de volgende drie duurzame ambities:
De visie is uitgewerkt in de Verordening 'Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' Deze is ook op 9 maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In deze verordening is een groennorm opgenomen wanneer er sprake is bij aanleg of verandering van een verhard oppervlak van 500 m2 of meer. Het betreft een algemene kwaliteitsnorm waarbij de systematiek toegespitst is op de Bossche situatie. Het college van burgemeester en wethouders krijgt hierbij een bevoegdheid om onder voorwaarden af te wijken van de norm (ontheffingsregeling) als de methodiek op een bepaalde locatie niet blijkt te functioneren.
De visie beschrijft de maatregelen hoe dit wordt gerealiseerd. Hierbij zijn de maatregelen in te delen naar:
Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.Binnen het plangebied staan geen bomen. Buiten het plangebied staan op grond van de gemeente langs de Hambakenweg bomen die mogelijk effecten kunnen ondervinden van de voorgenomen activiteiten.
Voor de projectlocatie zijn 4 bestaande bomen relevant, die in het Bomenbeleidsplan worden aangemerkt als structuurbomen. Voorheen waren dit er 6 maar 2 bomen zijn vanwege de herinrichting van het kruispunt Hambakenweg - Orthen - Wielsem door de gemeente gekapt. Deze 2 bomen waren sfeer bomen.
Om vooraf inzichtelijk te maken of de geplande werkzaamheden met betrekking tot de nieuwbouw van 19 appartementen, het verleggen van de gasleiding en de inrichting van het terrein inclusief parkeerplaatsen gevolgen hebben voor de 4 aanwezige populieren nabij het plangebied en wat de randvoorwaarden dienen te zijn voor instandhouding van deze bomen, heeft Pius Floris Boomverzorging Vught een bomen effect analyse verricht. De rapportage van 6 november 2017 is als bijlage15 bij deze toelichting gevoegd.
In deze analyse zijn 4 bomen geïnventariseerd, beoordeeld en visueel gekeurd. Bij de inventarisatie is ook aangegeven wat de levensverwachting van deze bomen is. Tevens is steekproefsgewijs onderzoek verricht naar de wortelontwikkeling van de bomen, waarbij gelet is op de (on)mogelijkheden met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van het onderzoek komt Pius Floris over boombescherming tot de volgende adviezen en aanbevelingen:
"Graafwerk kan wortelschade en achteruitgang van de groeiplaats van bomen veroorzaken. Het gebruik vanzware machines en tijdelijk opslaan van materiaal of zand, zal de bodemstructuur zodanig veranderen dat bomen daar negatief op reageren. Voor de te handhaven bomen geldt dat bescherming tijdens de werkzaamheden een vereiste is. Er dient zorgvuldig te worden omgegaan met zowel de boven- als de ondergrondse delen van de te handhaven bomen. Toezicht door een bomenwacht vanaf de start tot het einde van het werk kan schade aan de bomen voorkomen. Op de toekomstige "bouwplaats" zijn de onderstaande maatregelen van toepassing.
Vóór aanvang van het werk
Tijdens het werk
Geadviseerd wordt overleg te plegen met Gemeente 's-Hertogenbosch betreffende het wel of niet behouden van de populieren in het kader van de veiligheid en de planvorming van Orthen BV. De levensverwachting van de bomen is beperkt mede gezien de te verwachten toename van de gevoeligheid voor takbreuk op een locatie met een hoge gevaarzetting. "
De gemeente is vooralsnog niet voornemens de bestaande bomen op haar grond te verwijderen. Om beschadiging en omvallen van de bomen te voorkomen blijven de bovenstaande aanbevelingen van kracht. Twee bomen die waarschijnlijk door de graafwerkzaamheden voor de verlegging van de gasleiding niet te handhaven waren, zijn, vanwege de reconstructie van het kruispunt, al verwijderd. In het kader van duurzaamheid en de gewenste groene uitstraling is met de initiatiefnemer afgesproken dat op het perceel twee nieuwe bomen worden geplaatst.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand in acht te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG, 2009) staan uitgebreide lijsten met richtafstanden, die gebruikt kunnen worden bij het plannen en toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. In de toelichting behorende bij de VNG-publicatie zijn twee verschillende omgevingstyperingen opgenomen, omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en omgevingstype gemengd gebied.
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag één afstandsstap worden verlaagd.
Het besluitgebied kan vanwege de directe ligging aan de Hambakenweg (onderdeel van de hoofdinfrastructuur), worden aangemerkt als omgevingstype gemengd gebied. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën en de bijbehorende richtafstanden voor beide omgevingstypen weergegeven, conform bijlage I van de VNG-publicatie.
In de nabije omgeving van de projectlocatie zijn aan de weg Orthen enkele kleinschalige bedrijven gevestigd:
Ten oosten van de projectlocatie is aan de overzijde van de Hambakenweg het sportpark Hambaken gelegen met diverse sportvoorzieningen, zoals sportvelden en tennisbanen en indoor sportfaciliteiten. Voor een dergelijk sportcomplex met verlichting wordt volgens de VNG brochure een richtafstand gehanteerd van 50 meter voor omgevingstype ‘rustige woonwijk, rustig buitengebied’ en van 30 meter voor omgevingstype ‘gemengd gebied’. De kortste afstand van de nieuwe woonbebouwing op de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde sportveld bedraagt circa 80 meter. Geconcludeerd kan worden dat genoemde bedrijven en het sportpark geen belemmering voor het woningbouwinitiatief vormen en dat deze bedrijven en het sportpark niet belemmerd worden door het woningbouwinitiatief.
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
De beoogde ontwikkeling ligt binnen de in de Wet geluidhinder vastgelegde geluidzone van de Hambakenweg, Orthen en het Wielsem. De locatie is tevens gelegen binnen de geluidzone langs de spoorlijn ’s-Hertogenbosch - Utrecht. De overige wegen rondom de planlocatie zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen, welke volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk gemaakt. Hierbij gaat het met name om de Orthen.
Wettelijk kader
Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk).
Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:
Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag – zoals gezegd - de maximale geluidsbelasting van 63 dB niet overschrijden. Voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geluidsluwe (rustige) zijde en een geluidsniveau in de buitenruimte (zoals achtertuin/balkon) dat voldoet aan de ambitie voor het betreffende gebied. Voor geluidsbelastingen op gevels meer dan 63 dB kan formeel geen ontheffing worden verleend.
Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.
Plan
Uit onderzoek (Bijlage 16) blijkt dat de nieuwbouwwoningen geluidbelast worden door het wegverkeer op de Hambakenweg en Orthen. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt bij alle woningen meer dan 53 dB, ten hoogste 64 dB, zonder aftrek art. 110g Wgh. Hierdoor is een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk, zie Bijlage 17.
Ten behoeve van het geluidonderzoek in is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017. De geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn berekend conform de Standaardrekenmethode 2 uit bijlage III van het ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’, die vanwege het spoorweglawaai conform methode 2 uit bijlage IV. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder:
Uit de berekeningen blijkt dat:
Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft 19 woningen. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. Deze bestaan uit:
De resultaten staan in het akoestisch onderzoek in Bijlage 17 van de Toelichting. Bij afweging van de te nemen maatregelen blijkt dat 17 woningen, de voorkeursgrenswaarde alsnog overschreden. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen heeft het college van burgemeester en wethouders – onder voorwaarden - een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij dit wijzigingsplan gevoegd.
Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ontwikkeling ligt wel in de zone. Als de ontwikkeling in de zone ligt, is de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel (of bouwvlak als dat groter is) van de woning 55 dB. Er is (onder voorwaarden) een hogere geluidbelasting mogelijk tot 68 dB.
Uit akoestisch onderzoek in Bijlage 16 van de Toelichting blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 55 dB niet wordt overschreden.
Geluidszonering
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.
Het doel van zo'n geluidszone is tweeledig: Enerzijds worden geluidgevoelige functies (zoals woningen) beschermd tegen een te hoge geluidsbelasting vanwege industrielawaai. De zone vormt als het ware een buffer (ruimtelijke scheiding) tussen industriële activiteiten en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. De keuze van de ligging van de zone is gebaseerd op een afweging tussen de ruimte voor de bedrijven (industrie) en de ruimte voor geluidsgevoelige objecten. De geluidzone zelf vormt hierbij een aandachtsgebied voor geluid, waarin niet zonder meer nieuwe woningen (en andere geluidgevoelige objecten) mogen worden gebouwd. De geluidzone voorkomt hiermee dat woonbebouwing oprukt in de richting van bedrijven. Het andere doel van de geluidzone is het bieden van akoestische ruimte waarover bedrijven op het industrieterrein maximaal kunnen beschikken. Door het vastleggen van een geluidzone wordt wettelijk akoestische ruimte gecreëerd waarover de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein gezamenlijk maximaal kunnen beschikken zodat dat zij hun activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en milieugevoelige bestemmingen vastleggen in het bestemmingsplan biedt daarmee zowel de omgeving (omwonenden) als bedrijven rechtszekerheid over de kwaliteit van het gebruik van hun kavel.
De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone, die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A) contour, worden vastgelegd. De geluidzone is daarmee het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de zonegrens (de 50 dB(A) contour). De zone is dus het gebied, behalve het industrieterrein zelf, waarbinnen vanwege dat industrieterrein een geluidsbelasting mag heersen van 50 dB(A) etmaalwaarde of meer. Deze eis is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh) en gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Gevolg hiervan is, dat bij ontwikkelingen op en rond het industrieterrein, rekening wordt gehouden met de geluidzone die om het industrieterrein is gelegen. Dit geldt zowel bij ruimtelijke plannen, als bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bij meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen in de zone geldt een hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB(A). De geluidbelasting op woningen op een gezoneerd industrieterrein wordt formeel niet getoetst. Dit geldt ook voor andere mogelijk geluidsgevoelige objecten.
De projectlocatie is niet gelegen binnen de geluidszone van een geluidgezoneerd industrieterrein, waardoor het aspect industrielawaai geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw.
Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.
Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).
Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Het plan ligt buiten het onderzoeksgebied van 100 meter van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch - Utrecht. Ook ligt het niet in de nabijheid van een industrieterrein.
De projectlocatie is niet gelegen binnen 100 meter van een spoorlijn, dan wel een industrieterrein, waardoor het aspect trillingen geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw.
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig wijzigingsplan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat geen van de genoemde bronnen in de nabijheid ligt.
De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (onder andere LPG-tankstations), transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor, buisleidingen, alsmede luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). Ter bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, moet er een bepaalde afstand in acht genomen worden ten opzichte van risicovolle inrichtingen en transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
In augustus 2017 is de in de directe omgeving van het besluitgebied aanwezige risicobronnen geïnventariseerd en onderzocht. De bevindingen zijn verwoord in de “Memo externe veiligheid Orthen 53a te Den Bosch” en de rapportage “Groepsrisicoberekening Hogedruk-gasleiding, Plangebied Orthen 53a te ’s-Hertogenbosch”. Deze memo en rapportage zijn als Bijlage 3 en Bijlage 6 bij de Toelichting gevoegd.
In de directe nabijheid van de projectlocatie bevinden zich de volgende risicobronnen:
Het spoortraject Den Bosch - Utrecht is niet aangewezen in het Basisnet Spoor. Op basis hiervan is het formeel geen transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de feitelijke situatie vindt over dit spoortraject in geringe mate vervoer aan gevaarlijke stoffen plaats. De omvang van het transport is een afgeleide van de transporten die plaatsvinden over het spoortraject Den Bosch - Nijmegen. De afstand van het spoortraject tot de grens van het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling bedraagt circa 190 meter. Op verzoek van de gemeente ’s-Hertogenbosch en de Veiligheidsregio Brabant-Noord is dit spoortraject in de memo in Bijlage 6 van de Toelichting meegenomen.
Op onderstaande afbeelding zijn deze risicobronnen weergegeven. De nummers corresponderen met voornoemde opsomming van de risicobronnen.
Fig 4.5: uitsnede risicokaart en ligging risicobronnen
In de drie volgende subparagrafen wordt het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, binnenwater en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen in hoofdlijnen beschreven. Daarbij komt ook het onderzoek ten aanzien van de voor de projectlocatie relevante risicobronnen aan de orde. Voor een uitgebreide verwoording van de bevindingen van het onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 en Bijlage 6 van de Toelichting.
De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) wordt daarin omschreven als "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Ten aanzien van het PR is een norm vastgesteld van 10-6 per jaar, dat wil zeggen dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Voor kwetsbare objecten (o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen) geldt deze norm als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als richtwaarde, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het groepsrisico wordt gedefinieerd als “cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is”. Als norm voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers, 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers, 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers, enzovoort. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In de memo (Bijlage 3 van de Toelichting) zijn de drie genoemde risicovolle inrichtingen onderzocht:
1. LPG-tankstation
Ten noorden van het plangebied aan de Hambakenweg 3 is een tankstation gesitueerd. Dit tankstation verkoopt LPG en slaat deze stof op. De vergunde jaardoorzet LPG is beperkt tot en met 999 m3. Derhalve geldt een PR 10-6 contour van 35 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied. De inrichtingsgrens van het tankstation is gelegen op circa 240 meter van het plangebied. Derhalve is het plangebied gelegen buiten het invloedsgebied van het tankstation. Vanuit deze risicobron gelden er geen belemmeringen.
2. Heijmans
Op een afstand van ruim 330 meter is het bedrijf Heijmans gelegen aan de Ertveldweg 31. Het bedrijf beschikt over een PGS-15 opslagplaats waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. De PR 10-6 contour bedraagt 20 meter en het invloedsgebied 90 meter. Deze contouren reiken niet tot het plangebied. Derhalve gelden er geen belemmeringen voor de planvorming.
3. Vermolen
Aan de Orthen 108 is een inrichting gelegen met een bewaarplaats voor vuurwerk. Het gaat om een vergunde opslagcapaciteit tot 10.000 kg. De opslag wordt daarmee gerekend tot het Activiteitenbesluit. Op basis van artikel 4.1 van het Activiteitenbesluit geldt voor een dusdanige opslag een maximale in acht te nemen afstand van 20 meter. Omdat de afstand tot het besluitgebied ruim 25 meter bedraagt, gelden er geen belemmeringen voor de planvorming.
Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben in verschillende gebieden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt.
Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen voor de ruimtelijke ordening (ruimtelijke ordeningskant). Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen wonen of verblijven een basisbeschermingsniveau te bieden. Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is. Zo mogen er bijvoorbeeld geen huizen gebouwd worden vlakbij transportroutes voor gevaarlijke stoffen.
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. De Wvgs is al aangepast aan het Basisnet. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling.
De risicoplafonds, die in de Regeling basisnet zijn aangewezen, worden ruimtelijk vertaald in basisnetafstanden. De basisnetafstand is een contour rondom de basisnetroute waarop het plaatsgebonden risico ten hoogste 10-6 per jaar mag zijn. De ruimte tussen de basisnetafstanden wordt ook wel “veiligheidszone” genoemd. Binnen een veiligheidszone gelden beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen langs een basisnetroute moeten daarom vooraf worden getoetst aan de voor de desbetreffende basisnetroute vastgestelde basisnetafstand. De Regeling Basisnet is per 21 november 2016 aangepast in verband met het verkleinen van het plasbrandaandachtsgebied langs enkele rijkswegen.
Plaatsgebonden risico (PR)
Indien die besluitvorming betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van een basisnetroute, dan geldt dat de basisnetafstanden in acht moeten worden genomen voor kwetsbare objecten en er rekening moet worden gehouden met de basisnetafstanden voor beperkt kwetsbare objecten. Wanneer de ruimtelijke ontwikkeling niet in de omgeving van een basisnetroute maar wel in de omgeving van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute is voorzien, dan moet het bevoegd gezag zelf het plaatsgebonden risico berekenen en vervolgens eveneens de grenswaarde van 10-6 per jaar aanhouden. Indien de vaststelling van een bestemmingsplan betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling binnen een veiligheidszone, dan moet de gemeenteraad de bestemming van die gronden wijzigen, zodanig dat daarop geen kwetsbare projecten mogelijk zijn binnen de basisnetafstand. Zolang een dergelijke wijziging niet is doorgevoerd moeten omgevingsvergunningen voor kwetsbare objecten worden afgewezen.
Groepsrisico (GR)
Voor zover de besluitvorming betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een transportroute (gebied dat wordt meegenomen bij de berekening van het groepsrisico) of binnen 200 meter van een transportroute, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan, dan wel een wijzigingsplan het groepsrisico verantwoord worden. Daarbij moet worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking. Gelet op het feit dat wordt gesproken over “transportroute”, geldt voornoemde verplichting zowel voor basisnetroutes als voor door een provincie of gemeente voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen transportroutes.
De projectlocatie is niet gelegen binnen de basisnetafstanden van de dichtstbij gelegen Rijkswegen A59 en A2. De basisnetafstand van de Rijksweg A59 ter hoogte van ’s-Hertogenbosch bedraagt 74 meter en de basisnetafstanden van de Rijksweg A2 ter hoogte van ’s-Hertogenbosch variëren tussen 82 en 88 meter. De kortste afstand van de projectlocatie tot de Rijksweg A59 bedraagt circa 1,25 kilometer en tot de Rijksweg A2 ruim 2,5 kilometer.
In voornoemde memo (Bijlage 3 van de Toelichting) is ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen over spoorwegen het volgende aangegeven:
Over het spoortraject Den Bosch - Nijmegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is gelegen op circa 600 meter van dit spoortraject. Het spoortraject heeft ter hoogte van het plangebied geen PR 10-6 contour of plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied is ook gelegen buiten de 200 meter zone, waardoor toetsing aan artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes niet aan de orde is.
Het invloedsgebied van deze risicobron is afhankelijk van vervoerde stoffen. Voor elke stofgroep geldt een ander incident en reikwijdte daar van. Over dit spoortraject vinden de volgende jaarintensiteiten plaats.
Tabel 1: Jaarintensiteiten gevaarlijke stoffen spoortraject Den Bosch-Nijmegen
Dit betekent dat het besluitgebied gelegen is binnen het invloedsgebied van een incident toxische gassen en vloeistoffen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een incident.
Het invloedsgebied als gevolg van zeer brandbare vloeistoffen (plasbrand) en brandbare gassen reikt niet tot het plangebied. Derhalve worden deze scenario’s niet verder beschouwd.
Over het spoortraject Den Bosch - Culemborg vindt in geringe mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De aard en omvang van de te vervoeren stoffen betreft een afgeleide van het spoortraject Den Bosch - Nijmegen. Het betreft brandbare gassen, toxische gassen en zeer brandbare vloeistoffen. Op basis van de afstand van 190 meter het plangebied tot het spoortraject Den Bosch - Culemborg is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied voor het transport van brandbare gassen en toxische gassen.
Ten aanzien van de hoogte van het plaatsgebonden risico is door de gemeente Den Bosch aangegeven dat bij het huidig vervoer geen sprake is van de aanwezigheid van een PR 10-6 contour en dat de hoogte van het groepsrisico ver beneden de algemeen aanvaarde oriëntatiewaarde van 1 is gelegen. Binnen het plangebied is sprake van een toename van 12 personen in de dagperiode en 50 personen in de nachtperiode. Gelet op de afstand van 190 meter tot de spoorlijn, het feit dat de ontwikkeling gelegen is buiten de 100% letaliteitszone van de betreffende ongevalscenario’s en de omvang van gevaarlijke stoffen beperkt is, is het aannemelijk dat de ontwikkeling geen significante invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico.
In de paragrafen 4.1 en 4.2 van de memo (Bijlage 3 van de Toelichting) wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in een scenario met toxische stoffen (4.1) en een scenario met brandbare gassen (4.2).
Beschrijving incident met toxische stoffen
Door een incident op dit spoortraject met een tankwagon met een toxische vloeistof of gas scheurt de tankwand. Een groot deel van deze vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas en de toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Een toxisch incident met giftige gassen treedt op wanneer als gevolg van een brand toxische dampen vrijkomen. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind.
Bestrijdbaarheid
Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tankwagon, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.
Zelfredzaamheid
Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Bij toepassing van mechanische ventilatie dient deze te worden uitgerust met een centraal afsluitbaar systeem. Indien een ruimte of gebouw niet als safe-haven kan worden ingericht, dient gevlucht te worden. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. Maatregelen die de zelfredzaamheid verder vergroten zijn risicocommunicatie om het risicobewustzijn te vergroten.
Beschrijving incident met brandbare gassen
Het maatgevende scenario op het spoortraject is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een treinwagon. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tank/wagon bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de wagon. Het invloedsgebied van een dergelijke incident reikt tot 460 meter.
Bestrijdbaarheid
Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de wagon. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een BLEVE is.
Indien de BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswater-voorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is.
Zelfredzaamheid
Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Waarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident.
De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Maatregelen aan de bron liggen niet binnen het bereik van dit bestemmingsplan.
Het plangebied is gelegen op circa 195 meter van de spoorlijn. Personen binnen dit gebied zijn (ook in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Ontvluchten is de beste manier om een dergelijke calamiteit te overleven. Wegen die leiden in oostelijke richting zijn geschikte vluchtroutes. Hierbij kan gedacht worden aan Het Wielsem.
Maatregelen die de zelfredzaamheid vergroten, zijn:
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op en nabij de projectlocatie is een ondergrondse gastransportleiding aanwezig. Ten behoeve van de realisering van het woningbouwproject is in samenwerking met de Gasunie besloten om deze gastransportleiding zodanig te verleggen dat de nieuwe woonbebouwing op minimaal 4,2 meter komt te liggen van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Volgens artikel 14 van het Bevb dient de belemmeringenstrook aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, ten minste 5 meter te bedragen. Afwijking van deze minimale afstand is ingevolge artikel 5 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) mogelijk tot een minimale afstand van 4 meter voor gasleidingen met een druk tussen 1.600 en 4.000 KiloPascal. De druk van de gastransportleiding bedraagt 40 Bar (= 4.000 KiloPascal), zodat de afstand van de nieuwe bebouwing tot het hart van de buisleiding minimaal 4 meter moet bedragen. Aan deze afstand wordt voldaan. In het kader van externe veiligheid moet daarnaast een berekening van het groepsrisico (QRA) worden gemaakt, inclusief een verantwoording van het groepsrisico. In Bijlage 5 van de Toelichting is een berekening van het groepsrisico gemaakt met een verantwoording van het groepsrisico:
De leiding heeft geen PR 10-6 contour. De leiding heeft een werkdruk van 40 Bar en een diameter van 12 inch. Het plangebied is volledig gelegen binnen het invloedsgebied van de hogedrukgasleiding. De hogedrukgasleiding heeft een invloedsgebied van 140 meter.
Op basis van artikel 12 van het Bevb dient ingegaan te worden op:
De onderdelen c) tot en met e) behoeven niet aan de orde te komen indien:
Voor de onderdelen a) en b) wordt verwezen naar de uitgevoerde QRA (Bijlage 5 van de Toelichting). Als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is er sprake van een kleine toename van het groepsrisico voor de maatgevende kilometer van 0,186 x OW naar 0,187 x OW. De toename van het groepsrisico is een gevolg van de verlegging van de hogedrukgasleiding. Als gevolg hiervan verschuift de maatgevende kilometer circa 80 meter in oostelijke richting. Ter plaatse van deze kilometer is sprake van een hogere bevolkingsdichtheid. Omdat er sprake is van een groepsrisicotoename van minder dan 10% en het groepsrisico ruim gelegen is onder de oriëntatiewaarde kan volstaan worden met een beschrijving van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid
In paragraaf 4.3 van de memo van 18 januari 2018 (Bijlage 6 van de Toelichting) is deze beschrijving als volgt verwoord:
Beschrijving incident
Het maatgevende scenario voor een gasleiding is een fakkelbrandincident. Door een beschadiging van de leiding kan gas vrijkomen dat vervolgens ontsteekt en een fakkelbrand vormt. De richting van de fakkel is afhankelijk van het punt waar de brandbare gassen vrijkomen.
Bestrijdbaarheid
De werkzaamheden van de brandweer zullen bij een incident met name gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding van de brand. De leidingbeheerder dient de toevoer van het gas af te sluiten bij een incident, er zijn dus geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding.
Zelfredzaamheid
De 100% letaliteitsgrens, de zogenaamde 1e ring, van de aardgasleiding is bij de leiding Z-523 gelegen op 70 meter. Binnen dit gebied geldt een hittestraling van meer dan 35 kW/m2 in geval van een incident. Aanwezigen die in de buitenlucht zijn, op het moment dat de fakkelbrand optreedt, zullen allen komen te overlijden. Aanwezigen die binnen zijn, zullen naar schatting in 90% van de gevallen overleven, maar wel gewond kunnen raken. Van 70 meter tot een afstand van 140 meter, de zogenaamde 2e ring, geldt een straling van tenminste 12,5 kW/m2. Hierbinnen treden secundaire branden op. Binnen deze zone zullen in de bebouwing geen dodelijke slachtoffers vallen en in de buitenlucht vrijwel geen.
De processen en taken van de brandweer zijn primair gericht op het voorkomen van uitbreiding van de brand in de 2e ring. Het gaat dus om het redden van personen in de 2e ring en het voorkomen dat de brand uitslaat naar de 3e ring (van 140 tot 240 meter).
Het plangebied is in zijn geheel gelegen binnen de 1e ring (100% letaliteit), wanneer in het plangebied een breuk van de leiding optreedt en ontsteking plaatsvindt. Ontvluchting in het geval van een fakkelbrandincident (is zichtbaar en hoorbaar voor aanwezigen) is mogelijk buiten de zone van 70 meter, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. In het plangebied wordt geen functie opgericht die specifiek bestemd is voor niet-zelfredzame groepen.
Binnen 70 meter zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid relatief beperkt vanwege de grote hittestraling. Het is alleen mogelijk te vluchten binnen de zone van 70 meter, wanneer de hittestraling voldoende wordt afgeschermd door bijvoorbeeld bebouwing en wanneer personen zelfredzaam zijn. De (nood)uitgangen zijn gesitueerd van de risicobron af, ingeklemd tussen bebouwing. Bij een calamiteit wordt de vluchtroute daarmee afgeschermd tegen hittestraling. Om die reden zijn de mogelijkheden om uit de 1e ring te geraken, gemaximaliseerd. Het verdient aanbeveling om risicocommunicatie te verrichten, zodat bewoners weten wat te doen in geval van een calamiteit.
Op basis van de onderzoeksresultaten (Bijlage 5) kan gesteld worden dat na realisatie van de ruimtelijke ontwikkeling het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico een aanvaardbaar veiligheidsniveau garanderen.
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.
Toetsing beleidsvisie
De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze wongen worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een oranje gebied. Kwetsbare objecten zijn hierin onder voorwaarden toegestaan. Nader motiveren als ontwikkeling niet of onder voorwaarden is toegestaan, danwel strijdig is met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.
Bij wet is bepaald dat voor een ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten in de nabijheid van risicobronnen advies wordt gevraagd aan de Veiligheidsregio. Het advies dient te worden betrokken bij de onderbouwing en uitwerking van het plan. Voor onderhavig plan is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Op 27 oktober 2017 heeft de Veiligheidsregio een advies uitgebracht ten aanzien van de externe veiligheid. In dit advies, dat als Bijlage 4 bij de Toelichting is gevoegd, concludeert de Veiligheidsregio Brabant-Noord dat de functiewijziging van het gebied en het oprichten van de appartementen leidt niet tot veranderingen ten aanzien van de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en geeft de Veiligheidsregio Brabant-Noord nog het volgende advies:
Dit advies zal door initiatiefnemer worden opgevolgd.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van verschillende risicobronnen, zoals genoemd in bovenstaande paragrafen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het wijzigingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Brabant-Noord heeft d.d. 27 oktober 2017 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Tevens is de memo Externe Veiligheid aangepast in versie van 18 januari 2018, zie Bijlage 6 van de toelichting. De relevante onderdelen uit deze memo zijn verwerkt in de verantwoording. De conclusies staan in paragraaf 5.6.7.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en ministeriële regelingen is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgesteld. Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen:
In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt ook voor onderhavig initiatief, omdat de ruimtelijke ontwikkeling enkel voorziet in de bouw van 19 appartementen. In de toelichting van het geldende bestemmingsplan Dijklint Orthen is evenwel aangegeven dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het wijzigen van de bestemming Gemengd in de bestemming Wonen opnieuw een onderzoek naar de luchtkwaliteit is vereist. Het onderhavige woningbouwinitiatief wordt weliswaar niet met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan planologisch mogelijk gemaakt, maar door een uitgebreide afwijkingsprocedure. In dit kader is het ook aan te bevelen om de luchtkwaliteit in relatie tot het nieuwbouwproject opnieuw te onderzoeken.
In juli 2017 is een onderzoek naar de luchtkwaliteit verricht. De rapportage “Onderzoek Luchtkwaliteit Woningbouw Orthen 53a ’s-Hertogenbosch” van 28 juli 2017 is als Bijlage 7 bij deze Toelichting gevoegd. In dit rapport is aangegeven dat ingevolge het Besluit NIBM het project zelf niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Wel moet worden beoordeeld of ter plaatse van de te realiseren woningen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer kan worden voldaan. Hiertoe zijn toetspunten aangebracht op de randen van het plangebied. Dit is een worst-case aanname voor de locatie van de woningen. De meest relevante bronnen voor luchtkwaliteit zijn de wegen in de omgeving van het plan. In het onderzoek is de luchtkwaliteit ten aanzien van de wegen in de omgeving (inclusief achtergrondconcentraties) beoordeeld. Uit de rekenresultaten blijkt dat ruim wordt voldaan aan de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor luchtkwaliteit. In dit onderzoek is overigens uitgegaan van een eerder bouwplan met 22 appartementen, maar dit heeft geen gevolgen voor de resultaten van het onderzoek, omdat in het rekenmodel toetspunten op de grenzen van het plangebied zijn gehanteerd.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste woningbouw.
Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Het planvoornemen gaat uit van sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van 19 appartementen. Hiervoor is onderdliggend wijzigingsplan voor opgesteld.
In augustus 2017 is een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. In de rapportage, die als Bijlage 2 bij deze Toelichting is gevoegd, zijn de samenvatting en conclusies als volgt verwoord:
Vooronderzoek
Uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie in het verleden in gebruik is geweest voor onder andere een rijschool en een detailhandel. Ten tijde van de rijschool was op de locatie een ondergrondse dieseltank (5.000 liter) met pomp aanwezig. Deze is in 1995 verwijderd, het is onbekend of hierbij ook een bodemonderzoek is uitgevoerd. Ter plaatse van deze tank met pomp is momenteel de winkel gevestigd, waardoor onderzoek hier niet mogelijk is.
Gelet op het vooronderzoek is de locatie verdacht op het voorkomen van een verontreiniging ter plaatse van de tank, aangezien hier nu bebouwing aanwezig is kan hier geen onderzoek worden uitgevoerd. Uit het onderzoek van 2007 is lokaal puin en kolenresten aangetroffen op een beperkt deel van de onderzoekslocatie wat tevens nu bebouwd is. Voor het overige perceel wordt vooralsnog de onderzoeksstrategie onverdacht niet-lijnvormig gehanteerd.
Onderzoeksresultaten
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn lokaal bakstenen waargenomen in de boven- en ondergrond. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In tabel 2 zijn de analyseresultaten samengevat.
Tabel 2: Onderzoeks resultaten grond
Conclusies en aanbevelingen
Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van het parkeerterrein van de onderzoekslocatie. De aangetroffen resten van baksteen geven geen aanleiding voor een asbest onderzoek aangezien het geen ongedefinieerd gemengd bouwpuin betreft of metselpuin betreft. Analytisch zijn in de bovengrond en ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK aangetroffen. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de parkeerplaats bestaat er ons inziens geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Opgemerkt wordt dat na sloop van de huidige bebouwing nog een onderzoek dient te worden uitgevoerd ter plaatse van de voormalige tank en pomp.
Vervolgonderzoek naar de licht verhoogde concentraties wordt niet zinvol geacht. Dit verkennend bodemonderzoek is geen bewijsmiddel zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.
Industriële geur
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.
Agrarische geur
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij moet worden aangetoond dat het project geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat voor de woning sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij hebben gemeenten de bevoegdheid om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen vast te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch heeft op 21 mei 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente 's-Hertogenbosch 2008 en een gebiedsvisie als bedoeld in artikel 8 van de Wet geurhinder en veehouderij vastgesteld. In deze geurverordening is onder meer bepaald dat binnen de bebouwde kom, met uitzondering van de aangewezen gebieden Gebied 1 en Gebied 2 en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de wet, een vergunning voor een veehouderij geweigerd wordt indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 1,0 odour unit per kubieke meter lucht. Verder geldt dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter bedraagt.
In de nabije omgeving van de projectlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig en vormt het aspect geurhinder veehouderijen geen belemmering voor het realiseren van het woningbouwplan.
De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van de ruimtelijke ordening (bestemmingsplan of omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik) en milieu (omgevingsvergunning milieu). Eén van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Inademing van endotoxinen kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd.
De rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. Dit toetsingskader is momenteel nog niet beschikbaar. Daarom heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Dit toetsingskader endotoxinen kan gebruikt worden bij vergunningverlening aan veehouderijen en in het kader van ruimtelijke ordening. Uitgangspunt van het toetsingskader is genoemde advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het Toetsingskader endotoxinen zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Naar aanleiding van het VGO-2-rapport ((Veehouderij en Gezondheid Omwonenden, 16 juni 2017) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan, waarmee het moratorium geitenhouderij een feit was. Het moratorium is een voorzorgmaatregel en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het doel van het moratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan.
Bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijkend gebruik, moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Eén van de leidende principes van een goede ruimtelijke ordening is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd moet zijn. Milieuregels die van belang zijn voor het woon- en leefklimaat zijn ‘ruimtelijk relevant’ en kunnen daarom doorwerken in de ruimtelijke ordening.
Uit het VGO-2 en VGO-3 (22 oktober 2018) onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied liggen evenwel geen geitenhouderijen. Daarom is geen sprake van een verhoogd gevaar voor de volksgezondheid.
Op een afstand van circa 100 meter ten noorden van het projectgebied bevindt zich de 150 kV hoogspanningsverbinding 's-Hertogenbosch Noord - Eerde. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De laatste jaren is hier meer aandacht voor, mede omdat er statistische aanwijzingen zijn dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed kunnen zijn op de gezondheid van kinderen. Het Rijk heeft in 2005 een advies opgesteld hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen.
Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom soms noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden.
Aanvullend hierop adviseert het Rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 microTesla. Daarom moet terughoudend worden omgegaan met het toestaan van nieuwe functies waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige bestemmingen.
Met betrekking tot de hoogspanningslijn geldt een indicatieve zone van 2 x 80 meter vanaf de hoogspanningslijn. De projectlocatie ligt buiten deze indicatieve zone en vormt geen belemmering voor de realisering van het woningbouwinitiatief.
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.
Initiatiefnemer heeft een watertoets opgesteld voor de ontwikkeling van 19 sociale huurwoningen aan Orthen 53A. Deze is voorgelegd aan de gemeente en aangepast naar aanleiding van opmerkingen de gemeente de conclusie van deze watertoets staan hieronder. De watertoets zelf staat in Bijlage 8 van de Toelichting. De WADI bij het plan staat in Bijlage 9 van de Toelichting.
Inhet plangebied worden in de toekomst 19 appartementen in een woongebouw opgericht. In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet.
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte afneemt met 563 m2. Een deel van de verharding bestaat uit grastegels die hemelwater doorlaten. Daarnaast is er sprake van een groen dak van 38 m2. Uit de gemeentelijk verordening Bomen, Water en Groen blijkt dat groendaken met een waterberging op het dak van 25 mm per m2 in mindering mogen worden gebracht op het verhard oppervlak. Concreet houdt dit in dat hemelwater afstroomt van een toekomstig oppervlakte van: 1015- 38 = 977 m2.
Beleid
Gemeente 's-Hertogenbosch
De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in de Visie Groen en Klimaatbestendig. Hierin staat dat we in ’s-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. .
Waterschap AA en Maas
De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen.
In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s:
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Verder is binnen het beoogde plangebied een ruimtelijk waterschapsbelang van toepassing.Het betreft een invloedsgebied in het kader van de grondwaterhuishouding. Er mogen door de ontwikkeling geen nadelige effecten optreden m.b.t. de grondwaterhuishouding. Bij eventuele bronnering, zal het onttrokken grondwater o.b.v. artikel 34, lid 7 van de Keur volledig terug in de bodem worden gebracht.
Het Invloedsgebied heeft een beschermde status o.b.v. Natura 2000. Dit is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen, omdat hier bepaalde planten en dieren leven die beschermd moeten worden. Invloedsgebieden Natura 2000 zijn bufferzones rond de Natura 2000-gebieden. Op de keurkaarten van het Waterschap AA en Maas behorende bij de algemene regels is te zien dat het plangebied binnen een invloedsgebied ligt.
Afspraken watertoets
De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer;
Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.
Conform de Verordening van de Gemeente ’s-Hertogenbosch 2021 afdeling 4.3 bedraagt de norm voor hemelwaterberging 60 mm.
Hieronder een korte toelichting hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. In Bijlage 8 (Bijlagen Toelichting) staat de waterstoets in zijn geheel.
Afvalwater
Binnen het plangebied komt in de huidige situatie afvalwater (bedrijfsbebouwing) vrij. Huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt bij de toekomstige bebouwing moet worden afgevoerd naar het bestaande gemeentelijke vuilwaterriool, in overleg met de rioolbeheerder, gemeente ‘s-Hertogenbosch.
Hemelwater
In de huidige situatie is nauwelijks sprake van infiltratie van het hemelwaterafvoer ter plaatse in de bodem. Hemelwater wordt via goten, regenpijpen en kolken afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel. Op grond van gegevens uit het DINO-loket, literatuurgegevens en het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de conclusie dat de ondergrond minder tot niet geschikt is voor het infiltreren van regenwater.
Voor het bouwplan wordt uitgegaan van een oplossingsrichting waarbij hemelwater binnen het plangebied geborgen wordt. Hemelwater wordt te allen tijde gescheiden gehouden van huishoudelijk afvalwater. Hiermee wordt onnodige vervuiling tegengegaan. Hergebruik van hemelwater voor huishoudelijke doeleinden op een dergelijke kleine schaal is niet rendabel. Bij een extra verhard oppervlak van 977 m2 dient er 59 m3 hemelwater te worden geborgen. (977 x 60 mm). Een surplus aan hemelwater (>59 m3) mag eventueel afgevoerd worden via een hemelwaterriolering. Aan de bergingseis van 59 m3 wordt voldaan door bandjes te plaatsen om het parkeerterrein en het graven van een wadi in het plantsoen.
Het oppervlak aan verhard terreindeel neemt af, door de aanleg van meer groen en doordat een groot deel van de nieuwe verharding bestaat uit grastegels waarlangs hemelwater de bodem in kan zakken. Tevens wordt een deel van het dak van de bebouwing voorzien van een groene bedekking. Het overige dakoppervlak wordt voorzien van zonnepanelen voor de opwekking van energie.
Door bandjes rondom het parkeerterrein te plaatsen en een kleine drempel aan te leggen als toegang kan de helft van bergingsopgave in dit terreindeel ingericht worden De groenstroken worden “hol” (“als een molgoot”) uitgevoerd zodat het water zich hier kan verzamelen. Tevens wordt het terrein rondom de bebouwing dusdanig ingericht dat hemelwater, dat niet via de grastegels infiltreert, naar de wadi in het plantsoen stroomt. Door de aanleg van de hiervoor genoemde combinatie van voorzieningen voor de afvoer van hemelwater wordt tegemoetgekomen aan de uitgangspunten van de gemeente ‘s-Hertogen-bosch.
Bodem
Het plangebied ligt globaal op een hoogte van 8 m+NAP.Vanaf maaiveld tot circa 4,5 m-mv is een holocene afzetting aanwezig, welke voornamelijk bestaat uit een combinatie van zandige klei en grof lemig zand. Onder deze laag bevindt zich de formatie van Boxtel dat bestaat uit midden tot fijn zand. Het eerste watervoerende pakket bevindt zich op een diepte van 25 m-mv (formaties van Kreftenheije en Sterksel).
In 2017 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.Het buitendeel van de locatie is nu geheel verhard met klinkers. Hieronder zijn lokaal restenbaksteen aangetroffen. Specifiek wordt vermeld dat er geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Verder is gebleken dat in de bovengrond- en ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK zijn aangetroffen. De milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de parkeerplaats vormt geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Wel moet na de sloop van de huidige bebouwing de bodem ter plaatse van de voormalige tank en pomp onderzocht worden. Vervolgonderzoek naar de licht verhoogde concentraties wordt niet zinvol geacht. In Bijlage 2 (Bijlagen Toelichting) is het verkennend bodemonderzoek toegevoegd.
Grondwater
Voor de planlocatie levert de digitale Wateratlas van provincie Noord-Brabant geen informatie op over de grondwaterdiepte. Ook het waterschap kon geen informatie verstrekken. Bij het bodemonderzoek uit 2017 (Bijlage 2 Bijlagen Toelichting) is op een diepte van 5,5 m-mv geen grondwater is aangetroffen. Uit eerdere bodemonderzoeken blijkt dat grondwaterstanden zijn aangetroffen op dieptes van 2,60 tot 4,23 m-mv.
De regionale stroming van het freatische grondwater is noordwestelijk. Dit stromingspatroon wordt bepaald door de ondergrondse afstroming van de hoger gelegen gebieden in Noord-Brabant. Ten noorden van ’s-Hertogenbosch kan plaatselijk onder invloed van de Maas een andere stromingsrichting worden aangetroffen. De stromingsrichting van het freatisch grondwater kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van oppervlaktewateren. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied wordt voor zover bekend geen grondwater onttrokken. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten.
Conclusie
In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied Orthen 53A bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater en o ppervlaktewater.
In de nota Duurzaam 's-Hertogenbosch "Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch" van mei 2019 heeft de gemeente vier duurzame ambities geformuleerd en ten aanzien daarvan een beeld geschetst van wat men met elkaar wil bereiken in 2050. Deze vier duurzame ambities dragen bij aan de in de door de Verenigde Naties in 2015 vastgestelde Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030. Het betreft met name de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen: Goede gezondheid en welzijn, Schoon water en sanitair, Betaalbare en duurzame energie, Industrie, innovatie en infrastructuur, Duurzame steden en gemeenschappen, Verantwoorde productie en consumptie, Klimaatactie, Leven op het land en Partnerschap om doelstellingen te bereiken..
Deze vier duurzame ambities zijn:
1. Een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente.
Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ondanks veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door ons veilige watersysteem houden we onze voeten droog en zijn we ook bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan gezonde leefomgeving. Inwoners hoeven niet meer de stad uit te gaan om te kunnen genieten van een groene omgeving. Bovendien is de aanwezigheid van de otter een teken voor een goed functionerend natuurnetwerk met hoge biodiversiteit.Deze ambitie wordt verder uitgewerkt in de volgende te bereiken doelen:
2. CO2 - neutrale gemeente.
's-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en we maken nog beter gebruik van restwarmte. Op grootschalige wijze wordt duurzame energie opgewekt met de nieuwste innovaties. Door ons duurzame energiegebruik besparen we op de energiekosten. Naast duurzame opwek van energie zorgen bedrijven er ook voor dat ze CO2 - neutraal produceren. Ten slotte verplaatsen we ons op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's. Deze ambitie wordt verder uitgewerkt in de volgende te bereiken doelen:
3. Waardebehoud van grondstoffen.
's-Hertogenbosch heeft zich ontwikkeld tot een duurzame gemeente in het jaar 2050. Met zijn allen gaan we bewust om met onze spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn. Door verantwoord te ondernemen versterken we onze concurrentiepositie en gaan we bewust om met onze leefomgeving. Als gemeente dragen we bij aan waardebehoud van grondstoffen door bewust in te kopen. Onze inwoners scheiden afval, proberen onnodige verpakkingen te voorkomen en verspillen geen voedsel. Zo worden we een afvalvrije gemeente.Deze ambitie wordt verder uitgewerkt in de volgende te bereiken doelen:
4. Duurzame mobiliteit.
's-Hertogenbosch heeft zich ontwikkeld tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Onze gemeente is goed bereikbaar vanuit de omliggende steden. Reizigers kunnenmakkelijk hun weg vinden en overstappen op andere vervoersmiddelen. Via de transferia brengt men een bezoekje aan de Bossche binnenstad en in het centrum verplaatsen onze inwoner zich te voet of met de fiets. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden. Deze ambitie wordt verder uitgewerkt in het volgende te bereiken doel:
Naast de vier duurzame ambities kent 's-Hertogenbosch ook een verstedelijkingsopgave. Het slim combineren van stedelijke ontwikkeling zonder het onderliggende natuurlijke systeem aan te tasten, vraagt om strategie waarbij ruimtelijke ontwikkelingen en voorwaarden voor een goed ruimtelijk, duurzaam en klimaatbestendig 's-Hertogenbosch kritisch en integraal worden afgewogen, in samenwerking met andere partijen. Om concrete stappen richting een duurzaam 's-Hertogenbosch te zetten hanteert de gemeente de duurzame uitgangspunten van de methodiek van The Natural Step: We putten de aarde niet uit, We brengen niet meer en sneller chemische stoffen in het milieu dan de natuur kan verwerken, We breken de natuur niet sneller af dan de tijd die nodig is om te herstellen en We doen geen dingen waardoor we mensen beperken in het vervullen van hun basisbehoeften.
Het woningbouwplan Orthen 53a levert met name een positieve bijdrage aan de duurzame ambities "Een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente" en "Een CO2 - neutrale gemeente".
Bij eerstgenoemde duurzame ambitie wordt onder meer ingezet op een op een verdere vergroening in de stad. Het woningbouwproject heeft betrekking op de sloop van de huidige gedateerde bebouwing en het verwijderen van de bestaande verharding en het oprichten van een compact woongebouw in een groene setting met grasklinkers, bomen en overige beplanting. Verder wordt rondom het lager gelegen houten dak een groendak aangelegd. Deze vergroening van de projectlocatie levert tevens een positieve bijdrage aan de bergingscapaciteit van het regenwater en daarmee aan het voorkomen dat het riool niet overbelast wordt met regenwater.
Ten aanzien van de duurzame ambitie in 2050 CO2 neutraal te zijn wordt ingezet op het versnellen van de energietransitie. Het energietransitieprogramma is gericht op energiebesparing en duurzame energieopwekking in woningen, bij bedrijven en in het verkeer. Het woningbouwproject draagt hieraan bij door de woningen te voorzien van zonnepanelen en een goede isolatie van de woningen. De concrete energiebeperkende en duurzame maatregelen zijn:
Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn zijn in Natura 2000 opgenomen. De Europese wetgevingen waren in Nederland tot 1 januari 2017 vertaald in de Flora- en faunawet voor de soortbescherming en in de Natuurbeschermingswet 1988 voor de gebiedsbescherming. Nederland had daarmee de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1988 en de Flora en Faunawet samen met de Boswet vervangen door de Wet Natuurbescherming. In deze wet is de provincie aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van deze nieuwe wet. Per 1 januari 2017 is ook de provinciale Verordening natuurbescherming Noord-Brabant inwerking getreden. In deze verordening staan alle regels voor natuurbescherming in Brabant, zowel voor Natura 2000-gebieden als in het wild levende dieren en bossen of andere houtopstanden.
In de Verordening natuurbescherming zijn ook vrijstellingen opgenomen. Dit betekent dat bepaalde activiteiten uitgevoerd kunnen worden zonder vergunning, ontheffing of melding. Aan de vrijstellingen zijn in de Verordening natuurbescherming wel voorwaarden verbonden.
De Wet Natuurbescherming regelt evenals de voorheen geldende Natuurbeschermingswet 1988 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor de leefgebieden van vogels en voor de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming). Verder stellen de provincies voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Naast de maatregelen in het beheerplan kunnen provincies: eisen stellen aan handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden (art. 2.4 Wet natuurbescherming), de toegang tot Natura 2000-gebieden beperken (art. 2.5 Wet natuurbescherming) en handelingen verrichten die nodig zijn met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen (art. 2.6 Wet natuurbescherming).
Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen. In artikel 2.7, tweede lid is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Alle Europese Natura 2000-gebieden zijn weergegeven op de Natura 2000 Network Viewer. Hierop is te zien dat de projectlocatie niet in een Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en ligt op een afstand van circa 2,5 - 3 kilometer ten zuiden van de projectlocatie. Op circa 8 kilometer is het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen gelegen.
De instandhoudingsdoelstellingen voor het Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn opgenomen in het ministeriële aanwijzingsbesluit van 23 mei 2013 en betreffen uitbreiding en verbetering van Kranswierwateren, blauwgraslanden, Glanshaver- en vossenstaarthooilanden en behoud van overgangs- en trilveen (4 Habitattypen) en uitbreiding en verbetering van pimpernel-blauwtje, donker pimpernelblauwtje, grote modderkruiper en behoud van de kleine modderkruiper en drijvende waterweegbree (5 Habitatrichtlijnsoorten). Later is in het ontwerp-wijzigingsbesluit van 23 februari 2015 het habitattype vossenstaarthooilanden vervallen en is het habitattype Ruigten en zomen (moerasspirea) toegevoegd.
De provincie Noord-Brabant heeft voor dit Natura 2000- gebied een beheerplan (januari 2017) opgesteld. Hierin staat hoe de provincie de komende 6 jaar de leefomgeving van zeldzame dier- en plantensoorten wil verbeteren, en welke herstel- en beheermaatregelen daarvoor nodig zijn. Ook is in het plan aangegeven voor welke activiteiten een Natuurbeschermingsvergunning nodig is en welke voorwaarden voor andere activiteiten gelden.
De storingsfactoren die mogelijk een knelpunt vormen voor de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied zijn vermesting en verzuring (depositie), verdroging, optische verstoring en mechanische effecten. Activiteiten buiten Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek die invloed hebben, zijn vooral emissie van verzurende en vermestende stoffen en grondwateronttrekking door de landbouw en drinkwaterproducenten.
De projectlocatie ligt dus in de nabijheid (<10km) van 2 Natura-2000 gebieden. Daarom is niet op voorhand uit te sluiten dat het nieuwe gebouw gevolgen heeft voor de stikstofdepositie. Voor de sloop/aanleg- en gebruiksfase van 19 nieuwbouwappartementen aan de Orthen 53A te Den Bosch is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd, die als Bijlage 18 bij deze toelichting is gevoegd. De uitkomsten bedragen in alle scenario’s en op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jr.
De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 3 de bescherming van dier- en plantsoorten en bevat regels over de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogelrichtlijn, de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habitatrichtlijn, de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn, schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer, jacht, het vangen en doden van dieren, in het wild levende dieren en planten en handel en bezit van dieren en planten.
De bescherming van wilde dier- en plantensoorten in Nederland was tot 1 januari 2017 geregeld in de Flora- en faunawet. Deze wet bevatte een aantal verbodsbepalingen om de in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen. De Flora- en faunawet hanteerde een drietal beschermings-categorieën (algemeen beschermde soorten, overige beschermde soorten en strikt beschermde soorten). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen.
Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Indien de voorgenomen activiteit niet verstorend werkt of geen nadelige gevolgen heeft, waardoor aangetoond kan worden dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, hoeft er in de meest voorkomende gevallen geen ontheffing aangevraagd te worden.
Op 25 mei 2021 is een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze quickscan is een actualisatie van de eerder op 25 oktober 2017 verrichte toets flora en fauna. De ecologische quickscan bestaat uit een veldonderzoek op locatie en bijbehorende verslaglegging. De rapportages zijn als Bijlage 19 en Bijlage 20 bij deze toelichting gevoegd.
De conclusies en aanbevelingen zijn hieronder verwoord. De aanbevelingen worden in acht genomen bij de voorbereiding en uitvoering van het plan.
Soorten Vogelrichtlijn
1. Vogels met jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is mogelijk geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw. Nader onderzoek naar het voorkomen/ gebied gebruiksfuncties van deze soort wordt dan ook nodig geacht.
Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat.
2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5)
Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden.
Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen (slopen van bebouwingen) is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men maximaal 1 week voor aanvang van de werkzaamheden een extra controle uit te voeren of bewoonde nesten aanwezig zijn. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn.
3 Algemene broedvogels
Het plangebied is mogelijk geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij nestelen vaak in de bebouwing, bomen en struiken welke afwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men maximaal 1 week voor aanvang van de werkzaamheden een extra controle uit te voeren of bewoonde nesten aanwezig zijn. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn.
Soorten Habitatrichtlijn
1 Vleermuizen
De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt nodig geacht.
2 Overige habitatrichtlijnsoorten
Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
3 Nationaal beschermde soorten
In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
Aanbevelingen/ natuur-inclusief bouwen
Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor- en na de bouw van het nieuwe appartementencomplex op de kavel. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe)soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen, en andere soorten is van alles te verkrijgen.
Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen de westgevel van het appartementencomplex, of er kunnen speciale ‘vleermuispannen’ aangebracht worden op het nieuwe gebouw. Voor de vleermuizen kunnen ook ruimtes open gelaten worden in de overstek welke toegang bieden tot de spouw, zodat ze zich in de spouw kunnen schuilhouden en voortplanten. Het is ook mogelijk nestkasten voor huismussen en vleermuizen in te metselen in de spouw. Dit heeft geen negatief effect op de isolatiewaarde maar wel een positief effect op de aanwezige soorten in de omgeving.
Ook kan ervoor gezorgd worden dat vogels zich onder de nieuwe dakpannen kunnen vestigen, door vogelschroot weg te laten. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld huismussen zich vestigen onder het nieuwe dak. Alles wat hierboven benoemd wordt is geen verplichting of iets wat opgelegd wordt, maar dit zou voor de vogels en vleermuizen in het gebied een welkome verandering kunnen zijn en kleine moeite om uit te voeren.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. De milieueffectrapportage is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7.1 tot en met artikel 7.42). In artikel 7.2, lid 1 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Voor deze activiteiten zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (AMvB) categorieën van plannen aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.
Het plan valt niet onder de in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage opgenomen activiteiten en heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Het project is derhalve niet m.e.r.-(beoordelings-) plichtig.
Het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit een aparte m.e.r.-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen.
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van een woongebouw met 19 appartementen. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor op de D-lijst (cat. D 11.2) De drempelwaarde wordt niet overschreden en het woningbouwplan ligt niet in een gevoelig gebied. Ten behoeve van dit woningbouwplan is door middel van de beschrijving van de relevante milieuthema’s in deze toelichting (hoofdstuk 5) een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit deze beschrijving blijkt dat er, gezien de kenmerken en plaats van de beoogde ontwikkeling in relatie met de potentiële effecten daarvan, geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zullen zijn.
Toetsingskader
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Onderzoek
In augustus 2017 heeft BAAC B.V. te ’s-Hertogenbosch voor de projectlocatie een bureauonderzoek uitgevoerd en een inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase), rapportnummer V.17-0153. De rapportage van oktober 2017 is als Bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd.
Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de intactheid van het bodemprofiel te bepalen.
Het bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd aan de hand van de volgende onderzoeksvragen:
In hoofdstuk 4 (Conclusie en aanbevelingen) van het BAAC rapport (Bijlage 10) worden deze onderzoeksvragen als volgt beantwoord:
Bureauonderzoek:
Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan?
Mogelijk zijn er in het zuidelijke deel van het plangebied resten van bebouwing aanwezig, die aan de buitendijkse zijde van de Maasdijk lag halverwege de 18e eeuw. De bebouwing behoorde tot de (periferie van) dorpskern van het in het begin van de 9e eeuw vermelde Orthen.
Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied?
Er wordt een dijklichaam verwacht in het westelijke deel van het plangebied dat in het verleden diverse malen is opgehoogd en ook mogelijk weer is afgegraven. In het oostelijke deel worden kalkloze poldervaaggronden verwacht, die in het (sub)recente verleden zijn opgehoogd.
Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied?
Op basis van historisch, bodemkundig, geologisch en archeologisch onderzoek kan de hoge verwachting op de gemeentelijke verwachtingskaart gehandhaafd blijven voor het gehele plangebied. Er geldt een hoge verwachting op het aantreffen van nederzettingen of jachtkampjes uit de steentijd in de top van het dekzand en indien er sprake is van oeverafzettingen tevens een hoge verwachting op nederzettingsresten tot en met de Romeinse tijd. Met name voor het zuidelijke deel van het plangebied geldt een hoge kans op het aantreffen van huisplaatsen of boerderijen behorende tot de (periferie van de) oude kern van Orthen. Te denken valt aan resten van bebouwing en landgebruik zoals bijvoorbeeld funderingen, doorbraaksleuven, waterputten, beerputten en afvalkuilen vanaf de vroege middeleeuwen of later. Gezien het feit dat het plangebied op een dijk ligt en deze regelmatig vergraven is, kan er mogelijk sprake zijn van palimpsest van de archeologische niveaus.
Veldonderzoek:
Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact?
Het plangebied blijkt hoogstwaarschijnlijk op een door recent zand afgedekt dijklichaam te liggen. Het dijklichaam komt voor vanaf 250 cm -mv en loopt door tot onder de maximale boordiepte van 3 m -mv. In de boringen 1 en 2 is vanaf 2,5 m -mv een archeologisch niveau aangetroffen dat gerelateerd kan worden aan de bebouwing halverwege de 18e eeuw of eerder. Ter plekke van het noordelijke deel van het plangebied ligt mogelijk een asfalt- of betonlaag onder de klinkerverharding. Ter hoogte van boring 4 is een diepe verstoring tot 3 m -mv aangetroffen. Deze verstoring kan gerelateerd worden aan de aanwezigheid van een stelling uit WOII of de aanwezigheid van een hoge druk gasleiding net ten noorden van deze boring.
In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodigen zo ja, in welke vorm?
Aangezien het nieuw te realiseren appartementencomplex wordt onderkelderd en tegelijkertijd met de werkzaamheden een hoge druk gasleiding dient te worden omgeleid bestaat er een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden. BAAC adviseert dan ook om bij bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 230 cm -mv, rekening houdende met een door BAAC gehanteerde buffer van 20 cm, een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren voor de gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachting. In de regel wordt bij een verwachting op resten uit de nieuwe tijd en/of de middeleeuwen geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren voorafgaand aan de (ondergrondse sloop-) werkzaamheden. Tijdens dit onderzoek wordt gekeken naar de aanwezigheid van archeologische resten en, indien aanwezig of deze behoudenswaardig worden geacht. Indien blijkt dat de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de (sloop- en) graafwerkzaamheden logistiek en praktisch niet haalbaar is, wordt geadviseerd de werkzaamheden archeologisch te begeleiden, conform het protocol proefsleuven met een eventuele doorstart naar het protocol opgraven. In de regel nemen dergelijke onderzoeken echter veel meer tijd in beslag en kan men tijdens de bouw voor onverwachte zaken komen te staan. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek of begeleiding dient een PvE (Programma van Eisen) te worden opgesteld, waarin onder meer het sleuvenplan zal staan.
Het is vooralsnog onduidelijk hoe de bodemopbouw er uit ziet onder 3 m -mv. Als blijkt dat de verstoringen dieper gaan reiken dan 3 m -mv dan adviseert BAAC om voorafgaand aan de werkzaamheden een mechanisch, karterend booronderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek heeft als doel eventuele vindplaatsen in de top van het onderliggende dekzand en in het afdekkende kom- of oeverpakket in beeld te brengen. De boordichtheid en boordiameter dienen geschikt te zijn om vindplaatsen uit de steentijd te kunnen karteren. Conform de richtlijnen beschreven in de leidraad karterend booronderzoek dienen er een booronderzoek uitgevoerd te worden volgens zoekoptie E2. Dit houdt in dat er geboord dient te worden in een 13x15 m verspringend boorgrid met een 12 cm brede boor. Het relevante sediment dient verbrokkeld of versneden te worden op zoek naar eventueel aanwezige archeologische resten/indicatoren. De exacte invulling van het booronderzoek zal worden beschreven in een PvA.
Bovenstaand advies is beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling erfgoed) en leidt tot een selectiebesluit (zie hieronder). Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.
Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.”
Inhoud selectiebesluit gemeente 's-Hertogenbosch d.d. 1 december 2017
Het conceptrapport is een prima rapport en biedt voldoende informatie tot het opstellen van een selectiebesluit.
De gemeente 's-Hertogenbosch verwacht dat de kans dat bij de realisatie van de nieuwbouwplannen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen worden verstoord of vernietigd dermate klein is dat zij geen noodzaak ziet tot het uitvoeren van een aanvullend karterend onderzoek of een proefsleuvenonderzoek. Wel biedt de realisatie van het bouwplan mogelijkheden om waarnemingen te doen. Daarom wordt de stadsarcheoloog van 's-Hertogenbosch tijdig (minstens twee weken van te voren) op de hoogte gebracht van de start van de graafwerkzaamheden zodat die in de gelegenheid is om waarnemingen te doen en waar nodig de ruimte krijgt om relevante zaken te documenteren.
In zijn algemeenheid geldt dat indien tijdens de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, de verstoorder wettelijke verplicht is deze te melden aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ook de gemeentelijk archeoloog wordt in dat geval op de hoogte gebracht.
Op de projectlocatie is een ondergrondse gastransportleiding aanwezig die ten behoeve van het woningbouwplan zodanig wordt verlegd dat deze geen belemmering (meer) vormt voor de realisering van het bouwplan. In paragraaf 5.6 is het veiligheidsaspect ten aanzien van deze gasleiding aan de orde geweest.
Op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is het verplicht om bij graafwerkzaamheden een graafmelding te doen bij het Kadaster. Deze melding dient maximaal 20 werkdagen voorafgaande aan de aanvang van de graafwerkzaamheden te worden gedaan. Initiatiefnemer zal tijdig zorg dragen voor deze melding.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Het wijzigingsplan 'Orthen 53A' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Het wijzigingsplan maakt het bouwen en gebruik van 19 sociale huurwoningen in een appartementengebouw, groen, verkeer en parkeren mogelijk in coördinatie met een aanvraag omomgevingsvergunning via een Wabo-procedure. De toekomstige bouwplannen dienen te passen binnen de mogelijkheden van dit wijzigingsplan.
Bij het opstellen van voorliggend wijzigingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke bestemmingsplannen. Onder paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.
De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels.
Groen
Binnen deze bestemming zijn in hoofdzaak groen en groenvoorzieningen, alsmede water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Ook fiets- en voetpaden, verkeersvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, kunstobjecten, nutsvoorzieningen, verhardingen, terrassen en speelvoorzieningen, zijn binnen deze bestemming toegelaten. Tevens is binnen deze bestemming de aanduiding Groen - Parkeren opgenomen daar waar de 20 parkeerplaatsen komen.
Verkeer
Deze gronden zijn primair bestemd voor voorzieningen van verkeer en verblijf. Wegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden, sport- en speelvoorzieningen, groen en groendvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en bouwwerken ten behoeve van de bestemming mogen binnen deze bestemming worden gerealiseerd.
Wonen
De woonbestemmingen in het plangebied maken de gewenste sociale woningbouw mogelijk. Het bouw- en gebruikstype van de woningen (gestapeld en sociale woningen) zijn door middel van functieaanduidingen op de verbeelding en in de regels vastgelegd. Daarnaast zijn de maximale oppervlakten voor erfbebouwingen en de afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels conform de gebruikelijke Bossche standaarden opgenomen.
Leiding - Gas
De aan de noordwest zijde van het plangebied aanwezige ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding is voorzien van een beschermende aanduiding op de verbeelding. Om het plan te kunnen realiseren moet het bestaande tracé worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheid maakt dat mogelijk en in dit wijzigingsplan wordt daarvan gebruik gemaakt. De bestemming ''Leiding - Gas' is voor dit doel uitgebreid. Naast de bestaande leiding is daarmee ook de nieuwe leiding mogelijk. Middels een aanduiding is onderscheid gemaakt tussen de 'te realiseren' en 'te verplaatsen' leidingdelen. In de regels wordt geborgd dat er in beginsel niet gebouwd mag worden binnen deze beschermingszone. Op de verbeelding is in overleg met de Gasunie de bestemming en de aanduidingen opgenomen. Dit om te zorgen dat het huidige tracé planologisch beschermd blijft en dat de aanleg van het nieuwe deel planologisch mogelijk is, inclusief de bijbehorende beschermingen.
Daarnaast geldt er een vergunningplicht voor diverse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. voor de aanleg van het te wijzigen tracé zijn bepalingen opgenomen, zoals afstemming met de netwerkbeheerder.
In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze algemene regels gelden voor het gehele plan.
Zo geldt bijvoorbeeld dat bij het gebruik van gronden en gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de bestemmingen in dit plan, dit gebruik uitsluitend alleen is toegestaan als voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd en gehandhaafd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2016 of diens opvolger. Ook deze bepaling geldt voor het gehele bestemmingsplan.
In deze paragraaf zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.
Het bouwvoornemen wordt volgens artikel 6.2.1 lid a Bro beschouwd als een bouwplan in het kader van artikel 6.12 lid 1 Wro. Ingevolge dit artikel dient de gemeenteraad voor het voornemen een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a Bro hiervan afwijken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins is verzekerd.
De locatie wordt door de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico ontwikkeld. Er zijn voor de gemeente geen kosten (waaronder begrepen eventuele planschade) aan verbonden. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het wijzigingsplan is hiervoor een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Met het sluiten van de overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid verzekerd. Daarmee is voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 6.12, lid 2, sub a van de Wet ruimtelijke ordening.
Ten behoeve van de maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog met omwonenden gevoerd. Het initiatief kent een lange voorgeschiedenis met reacties uit de omgeving. In 2018 zijn tegen het toenmalige bouwplan, bezwaren ingediend. Het plan voldeed toen niet aan de wijzigingsmogelijkheid in het geldende bestemmingsplan. Naar aanleiding van deze bezwaren is het plan aangepast aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de wijzigingsbevoegdheid. Het huidige plan voldoet nu wel aan de genoemde wijzigingsmogelijkheid.
In verband met de maatregelen in relatie tot de corona-uitbraak kon de omgevingsdialoog in 2020 niet plaatsvinden door het organiseren van een bijeenkomst of een persoonlijk gesprek met de omwonenden. Gekozen is om hen schriftelijk op de hoogte te brengen van de beoogde herontwikkeling op het perceel Orthen 53a. Op 11 april 2020 is bij alle betreffende omwonenden de brief d.d. 10 april 2020 in de brievenbus gedaan met daarin het aangepast ontwerp. Hen is verzocht om voor 28 april 2020 via post of mail te reageren of opmerkingen door te geven. Enkele omwonenden hebben via de mail aangegeven dat zij behoefte hebben aan een aanvullende maatvoeringstekening. Deze terreintekening d.d. 22 april 2020 is via mail naar de omwonenden gestuurd die hierom hadden gevraagd. Tot en met 28 april 2020 heeft een zestal omwonenden via de mail gereageerd op het nieuwe ontwerp.
Eén omwonende heeft een klacht ingediend bij de gemeente, omdat geen informatie is gegeven over het nieuwe plan. Uit mailwisseling in april 2020 blijkt echter dat de informatie wel is gedeeld met deze omwonende. Initiatiefnemer heeft deze omwonende opnieuw voorzien van alle informatie van de omgevingsdialoog.
De inhoudelijke reacties van omwonenden hebben met name betrekking op de omvang en architectuur van het nieuwe woongebouw (te hoog en te modern), het aantal appartementen (te veel) en parkeren (te weinig parkeerplaatsen, toename parkeerdruk- en overlast), infrastructuur kan extra verkeersbewegingen niet aan (verkeersveiligheid, bereikbaarheid hulpdiensten), privacy en woongenot (inkijk mogelijk vanaf dakterras en dakramen), uitzicht en waardedaling van de woning en geen meerwaarde groen dakterras.
Op basis van bovenstaande is er een brief opgesteld d.d. 30 juni 2020 waarin alle opmerkingen zijn opgesomd. Indien van toepassing heeft initiatiefnemer gereageerd op de opmerkingen en aangegeven hoe met deze opmerkingen om te zullen gaan. Op verzoek heeft initiatiefnemer het verloop van de toekomstige gasleiding aangegeven en zijn de raamopeningen in de west- en noordgevel op de terreintekening aangegeven. In deze brief heeft initiatiefnemer ook de terreintekening d.d. 22 april 2020 toegevoegd voor de omwonenden die deze nog niet hadden ontvangen. Bij alle omwonenden is de brief d.d. 30 juni 2020 in de brievenbus gedaan, zodat iedereen is geïnformeerd op basis van alle documenten. Op de situatietekening op blad 1 van Het Eindverslag Omgevingsdialoog (Bijlage 11) staan met blauwe stippen de woningen aangegeven waar de documenten in de brievenbus zijn gedaan.
Het eindverslag van de omgevingsdialoog is beoordeeld. Gelet op de uitzonderlijke situatie in verband met Corona uitbraak en de restricties die dit met zich meebracht, stemt de gemeente in met de gekozen schriftelijke benadering van de omgeving. Uit het eindverslag blijkt dat de omgeving is geïnformeerd. De informatie die volgens de omgeving ontbrak bij de eerste brief zijn adequaat nagezonden en openbaar gemaakt. De omgeving heeft schriftelijk kunnen reageren en heeft ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De antwoorden op de reacties zijn helder, worden gesteund door de ingediende stukken en komen niet onevenredig over. Op basis van het resultaat van de omgevingsdialoog is besloten de voorprocedure over te slaan en meteen het ontwerp wijzigingsplan ter inzage te leggen. Het eindverslag met bijlagen zijn als bijlagen 11, 12 en 13 bij deze toelichting gevoegd.
Het voorontwerp is voor vooroverleg verzonden naar de provincie, het Waterschap en Tennet. Alleen vanuit het Waterschap en de Gasunie zijn inhoudelijk opmerkingen op het plan in het kader van het vooroverleg ontvangen:
Gasunie
De regels voor Artikel 6 Leiding - Gas zijn aangepast op basis van de standaard artikel leiding-gas conform de laatste versie. Tevens zijn de Velin Graafvoorwaarden April 2017 rev September 2019 in de bijlagen van de toelichting toegevoegd. Zie hiervoor bijlage Bijlage 21. In overleg met de Gasunie zijn de regels, de verbeelding en de toelichting aangepast. Dit om het huidige en toekomstige tracé en de beschermingen inclusief de belemmeringenstroken in regels en voorwaarden zichtbaar te laten zijn. De beschermingsstroken op de verbeelding en de bijhorende regels zijn in overleg met de Gasunie opgenomen. Hiermee biedt het bestemmingsplan de ruimte om de nieuwe gasleiding aan te leggen zonder dat de bestaande leiding haar bescherming verliest. Met alle aanpassingen zorgen we voor een duidelijke zichtbaarheid van het bestaande (te vervallen) en het nieuwe tracé van de ondergrondse gasleiding.
Waterschap AA en Maas
Het waterschap heeft een tweetal conclusies aangegeven. Deze zijn in het wijzigingsplan "Orten 53A' verwerkt. Zo is de referentie naar waterschapsbeleid gecorrigeerd. Verder is binnen het beoogde plangebied een ruimtelijk waterschapsbelang van toepassing. De conclusie hierover is in paragraaf 5.12 de watertoets onder beleid Waterschap opgenomen. Het betreft een invloedsgebied in het kader van de grondwaterhuishouding. Er mogen door de ontwikkeling geen nadelige effecten optreden m.b.t. de grondwaterhuishouding. Bij eventuele bronnering, zal het onttrokken grondwater o.b.v. artikel 34, lid 7 van de Keur volledig terug in de bodem worden gebracht.
Het Invloedsgebied heeft een beschermde status o.b.v. Natura 2000. Dit is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen, omdat hier bepaalde planten en dieren leven die beschermd moeten worden. Invloedsgebieden Natura 2000 zijn bufferzones rond de Natura 2000-gebieden. Op de keurkaarten van het Waterschap AA en Maas behorende bij de algemene regels is te zien dat het plangebied binnen een invloedsgebied ligt.