direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Maria Boodschapkerk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Op het perceel Van Malsenstraat 1 te Goirle staat het rijksmonument Maria Boodschapkerk. Nadat de Maria Boodschapkerk op 11 juli in 2010 aan eredienst is onttrokken heeft het enige tijd geduurd voordat er een concreet plan tot herontwikkeling van het rijksmonument kwam. Inmiddels heeft HERMON Erfgoed Goirle B.V. het monument en bijbehorende gronden aangekocht. Het voornemen is om de kerk te transformeren tot woonfunctie, waarbij maximaal 19 wooneenheden in de kerk worden gerealiseerd. Hiermee wordt leegstand voorkomen en blijft een rijksmonument behouden. Omdat de plannen niet mogelijk zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

Het bestemmingsplan heeft als doel om de beoogde ontwikkeling planologisch te verankeren binnen duidelijke kaders. Deze kaders worden bepaald door de in het Besluit ruimtelijke ordening genoemde onderdelen waaruit een bestemmingsplan ten minste dient te bestaan: een verbeelding, regels en een toelichting.

Het college van de gemeente Goirle heeft op 13 februari 2019, ondanks de negatieve adviezen van de Rijksdienst en de Welstands- en monumentencommissie, ingestemd met het voorliggende plan. Hoewel de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) in deze negatief heeft geadviseerd, is de gemeente toch van mening dat met voorliggend plan geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische/architectonische kwaliteiten van de Maria Boodschapkerk en dat herbestemming zoals die nu voorligt, qua bestemming en programma, de enige mogelijkheid is om het kerkgebouw als monument te behouden. Dit komt voort uit de volgende argumenten:

SITUATIE BIJ AANKOOP

Op het moment dat de initiatiefnemer (HERMON Erfgoed) de kerk aankocht (december 2016) stond de kerk al een flink aantal jaren leeg. Er was een plan van een lokale ontwikkelaar om circa 55 kleine appartementen in het gebouw te realiseren om met de opbrengsten de verbouwing en de aanzienlijke technische onderhoudsbehoefte te kunnen financieren. Het plan zou echter een te grote impact hebben op het exterieur van de kerk (veel gevelopeningen) en strandde op procedurele problemen.

 

HERBESTEMMINGSMOGELIJKHEDEN

De initiatiefnemer heeft een studie verricht naar andere invullingen. Zo is onder andere gekeken naar een huisartsen-onder-één-dak centrum, kantoorinvulling, en ook een invulling binnen de religieuze bestemming (moskee). Deze varianten bleken niet te passen binnen de technische of financiële beperkingen die met de instandhoudingsopgave van het gebouw samenhingen. De enige kansrijke variant was (en bleef) daarom een transformatie naar woningen.

 

BESCHERMING VAN HET MONUMENT

Om een verdere technische achteruitgang van het gebouw te minimaliseren, heeft de initiatiefnemer een subsidie aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om de noodzakelijke dakreparatie in 2017 uit te voeren. Deze subsidie beperkte zich tot een deel van de onderhoudskosten en moest aangevuld worden door een forse storting uit het eigen vermogen van de initiatiefnemer.

BOUWPLAN

Het door HERMON uitgewerkte bouwplan gaat uit van het minimaal noodzakelijk aantal woningen (19) om het hele project financierbaar te maken. Een enorme beperking van de oorspronkelijke 55 units. Desalniettemin staat het project onder grote financiële druk. Door de lange voorbereidingstijd in het besluitvormingsproces en bezwaren lopen de renteverliezen in het plan enorm op.

Met de herontwikkeling worden de cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten/elementen zoveel mogelijk behouden. Het is echter niet te voorkomen dat bepaalde elementen van het pand gewijzigd dienen te worden om te kunnen voldoen aan de voorwaarden uit de wetgeving (Bouwbesluit) in relatie tot bijvoorbeeld daglichttoetreding in de woningen. Dat neemt niet weg dat het plan zeer zorgvuldig en overwogen tot stand is gekomen, waarbij het uitgangspunt is om het rijksmonumentale karakter van de voormalige kerk geen geweld aan te doen. Beeldbepalende elementen in en rondom de kerk worden behouden waar dat mogelijk is en ingepast binnen de bestaande (groen) structuren.

Er is derhalve besloten om positief in te stemmen met het plan, omdat de kerk jarenlang leeg heeft gestaan en het niet te veronderstellen is dat op korte termijn een andere functie gevonden wordt met een kleiner effect op de verschijningsvorm van het pand. Met de voorgenomen herontwikkeling wordt voorkomen dat het rijksmonument binnen afzienbare tijd (opnieuw) in verval raakt. Dit zou zonde zijn voor de gemeenschap en de uitstraling die de Maria Boodschapkerk in de omgeving nu geniet.

Momenteel lijkt de herontwikkeling met woningbouw de meest realistische optie. Voor het geval dat in de toekomst toch een maatschappelijke functie realistisch blijkt, is een wijzigingsbevoegdheid aan het plan toegevoegd die de vestiging vaan een dergelijke functie mogelijk maakt.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de Van Malsenstraat 1 te Goirle op de kadastraal bekend gemeente Goirle, sectie E, nummers 5707 en 5709. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.470 m2. Op de onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven. De locatie wordt begrensd door de Van Malsenstraat aan de zuidzijde, de Tilburgseweg aan de oostzijde. De begrenzing aan de westzijde wordt gevormd door de woningen met bijbehorende tuinen van de Langenboomstraat. Aan de noordzijde bevindt zich een begraafplaats en de woning met bijbehorende tuin aan de Tilburgseweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0001.png"

Afbeelding 1.1: luchtfoto met globale ligging van het plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Tot het moment waarop voorliggend bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het bestemmingsplan ''t Ven – Hoogeind'. Op basis van dat bestemmingsplan is het perceel Van Malsenstraat 1 bestemd voor 'Maatschappelijke doeleinden'. Daarnaast ligt over een klein gedeelte een molenbiotoop en is de kerk aangeduid als rijksmonument. In de beoogde situatie is echter geen sprake meer van maatschappelijke doeleinden, maar van een woonfunctie. De bestemming staat momenteel geen woonfunctie toe.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0003.png"

Afbeelding 1.2 uitsnede verbeelding bestemmingsplan ''t Ven - Hoogeind' met globale ligging plangebied

1.4 Bij het plan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoud en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur.

2.1 Historische ontwikkeling

De oorsprong

De naam Goirle is samengesteld uit de woorden "goer" (goir) en "loo". Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle. Voorts wordt de naam gebruikt in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in een charter van 1315 als het goed Ter Venne genoemd wordt. In die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hiertegen werd door beide plaatsen geprotesteerd. Pas in 1803 werd Goirle een zelfstandige gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0004.png"

Afbeelding 2.1: kaart van de gemeente Goirle uit 1866 (Atlas van J. Kuiper)

18e eeuw: ontwikkeling vanuit de Grootte Akkers richting De Leij

De gemeente Goirle heeft een oppervlakte van ruim 2.544 ha en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel (B). Zeer bepalend voor de ontwikkeling en vorming van het gebied waren de verschillende waterlopen. Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp. De waarschijnlijk oudste bebouwing is aangetroffen in het gebied van de vrij hoog gelegen Grootte Akkers. Door de verschuiving in de richting van de Leij ontstaan de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grootte Akkers de herdgangen Dorp en Ven. In 1753 telde het dorp 132 woningen "daeronder begrepen kleijne hutten en keten" en maar een paar "stadsgewijze getimmerde huijzen". Met de aanleg van de rijksweg Tilburg-Turnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp.

19e eeuw: groei van Goirle begint

Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe. De voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw is ook begonnen met de bouw van woningen langs bestaande akkerwegen, zoals de Molenstraat (achter de heuf), Groeneweg en Koude Pad.

20e eeuw: planmatige woningbouw

Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de Woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren. Dit resulteerde onder andere in de Kalverstraat, om de arbeiders dicht bij de fabriek te kunnen huisvesten, de Hoogstraat en de St. Jansstraat. In die periode vindt ook het Oranjeplein haar oorsprong. Het werd aangelegd als groot kermisterrein, met de verwachting dat het centrum van Goirle zich daar zou ontwikkelen. De grote maat van het plein is te verklaren doordat er ruimte werd gemaakt voor een parochiekerk die op de plaats van het huidige groene deel zou komen. Rondom is planmatig woningbouw gerealiseerd. Tot in het midden van de 20e eeuw is het dorp binnen de grenzen van het huidige centrumgebied gebleven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0005.png"

Afbeelding 2.2: kaart van de gemeente Goirle uit begin 20e eeuw

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Goirle grote groei gekend. Met de uitvoering van de bestemmingsplannen begon de groei van Goirle. Achtereenvolgens kwamen tot stand de woningen ten noorden van de Van Malsenstraat, plan West, de wijk Hoogeind, plan Abcoven en de wijken Grobbendonk, De Hellen en de Grootte Akkers. Tegelijkertijd begon rond 1970 de grootschalige sanering van de oudere wijken en straten. Een voorbeeld daarvan is de aankoop in 1969 van de terreinen en opstallen van de voormalige Pijnenburg's Weverijen met woningen aan de Tilburgseweg, Groeneweg en Molenstraat. Op één villa na zijn alle gebouwen die bij de verkoop betrokken waren, verdwenen om plaats te maken voor de uitvoering van het centrumplan. Later zijn de wijken De Nieuwe Erven en De Hoge Wal tot stand gekomen. De woonwijk Boschkens, aan weerszijden van de Tilburgseweg (ten noorden van de Rillaersebaan is op het einde van de 20ste eeuw en begin 21ste eeuw gerealiseerd.

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied bevindt zich in de noordwestelijke hoek van de Van Malsenstraat en Tilburgseweg in de kern Goirle. Het betreft hier de kadastrale percelen bekend als gemeente Goirle, sectie E, nummers 5707 en 5709 en hebben een gezamenlijke omvang van circa 5.470 m2. Het plangebied wordt omgeven door hoofdzakelijk woningbouw en is in de huidige situatie grotendeels bebouwd met de monumentale Maria Boodschapkerk. Het onbebouwde deel van het terrein bestaat voornamelijk uit gras met bomen en erfverharding.

Het plangebied bevindt zich in de wijk 't Ven. Deze wijk kent overwegend een woonfunctie met hoofdzakelijk grondgebonden, (half)vrijstaande woningen op ruime kavels. De wijk wordt verder gekenmerkt door een groen karakter met brede grasstroken en volgroeide beplanting.

Het verkeer vanuit de wijk sluit aan op de Tilburgseweg. Deze vormt een belangrijke ontsluitingsweg van de kern Goirle en en bevindt zich ten oosten van het plangebied. Via de noordelijk gelegen Rillaersebaan ontsluit de Tilburgseweg de kern verder naar het omliggende wegennet. Deze twee wegen zijn belangrijke ontsluitingswegen voor de kern Goirle.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0006.png"

Figuur 2.3: luchtfoto huidige situatie plangebied

2.3 Technische infrastructuur

Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.

2.4 Voorgenomen ontwikkeling

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 19 wooneenheden in en aan de bestaande Maria Boodschapkerk. Hiermee wordt invulling gegeven aan een monumentaal leegstaand bouwwerk, waarmee het behoud van dit beeldbepalende pand gewaarborgd kan blijven. Het overige gedeelte van het plangebied blijft - vanwege de monumentale status en het bijzondere groene karakter van de locatie - vrij van gebouwen. Een uitzondering vormt een voorziening voor afvalcontainers in de noordwesthoek van de parkeerplaats. De wooneenheden op de begane grond van de kerk zullen voorzien worden van een stukje tuin. Hierin gelden strikte voorwaarden voor de realisatie van bouwwerken om zodoende het aanzicht van de kerk niet te verstoren.

Het parkeren voor de woningen wordt op eigen terrein opgelost. Voor de wooneenheden wordt een centrale parkeerplaats met 32 parkeerplaatsen aangelegd. Deze wordt ontsloten op de Van Malsenstraat. Voor de woningen in de sacristie worden vier parkeerplaatsen aangelegd in de noordoosthoek van het plangebied. Deze worden ontsloten op de parallelweg van de Tilburgseweg. Onderstaande figuur geeft een indruk van het toekomstig bouwplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0008.png"

Figuur 2.4: impressie toekomstige situatie plangebied (indicatief)

Bij de planvorming wordt voorzien in de juiste woonbehoefte (appartementen met lift). Daarnaast blijven beeldbepalende elementen zoals de voetmuur en groene uitstraling behouden en wordt er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd.

 

Hoofdstuk 3 RUIMTELIJK BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.1 Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft.

De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader gevormd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle.

Conclusie

Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.

Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid

In de zogenaamde Realisatieparagraaf ('Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid'), zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie.

Conclusie

Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.

AMvB Ruimte

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan.

Conclusie

Het Barro heeft geen betrekking op het onderhavig bestemmingplan.

Ladder voor duurzame ontwikkeling

Het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik is een belangrijk onderdeel van de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Verordening ruimte 2014. Daarmee wil men de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen en daarmee de huidige omvang van het bestaand stedelijk gebied zoveel mogelijk behouden. Het benutten van nieuwe ruimte voor stedelijke ontwikkeling is pas aan de orde, als gebleken is dat deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen binnen de desbetreffende gemeente. In feite gaat het hier om de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking.

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro en luidt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Bij de eerste trede moet de behoefte worden aangetoond. Concreet gezien gaat het hier om de mogelijkheid om maximaal 19 woningen extra toe te voegen. Dit past binnen de regionale en lokale woningbouwafspraken (zie paragraaf 3.3). Daarnaast ligt het plangebied in bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt voldaan aan de tweede vereiste van de ladder.

Conclusie

Er kan worden voldaan aan de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.3.

Crisis- en herstelwet

Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort.

De bouw van meer dan 11 woningen is in bijlage I artikel 3.1 benoemd als een besluit (bestemmingsplan, ruimtelijk besluit o.b.v. Wro) dat in aanmerking komt voor de bestuursrechtelijke versnelling. Aaneengesloten gebieden zijn gebied die fysiek/ruimtelijk een geheel vormen.

 

Conclusie

De Crisis- en herstelwet is van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, omdat het plan voldoet aan de voorwaarden die benoemd zijn in bijlage 1, artikel 3.1 van de Crisis en herstelwet.

3.2 Provincie

Brabantse Interim Omgevingsverordening

Vooruitlopend op de definitieve Omgevingsverordening Noord-Brabant heeft de provincie de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Naar verwachting wordt de definitieve omgevingsverordening rond november 2020 vastgesteld. De omgevingsverordening bevat regelgeving die anticipeert op de komst van de Omgevingswet en kan gezien worden als een uitwerking van de ambities uit de Brabantse Omgevingsvisie in regels. De omgevingsverordening integreert regels uit zes provinciale verordeningen (waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant). De Interim omgevingsverordening trad op 6 november 2019 in werking.

De omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Dat houdt in dat de omgevingsverordening geen nieuwe beleidswijzigingen doorvoert tenzij dit nieuwe beleid reeds opgenomen is in vastgestelde beleidsdocumenten. Gelet op het beleidsneutrale karakter van de omgevingsverordening komen de regels die de Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie van 1 januari 2019) voor het plangebied voorzag terug in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

In de navolgende alinea's is voor het plangebied geanalyseerd met welke regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant rekening gehouden moet worden. In de onderstaande omschrijving wordt beschreven welke aanduidingen op het plangebied van toepassing zijn. Hierbij zijn de themakaarten 2, 3, 7 en 8 van toepassing op het plangebied. Deze themakaarten kunnen op www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd worden.

Kaart 2 Rechtstreeks werkende regels: Landbouw

Stedelijkgebied

De regels behorende bij deze aanduiding stellen randvoorwaarden aan veehouderijen binnen stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling uit dit bestemmingsplan voorziet in hoofdzaak in woningbouw en maakt geen veehouderijen mogelijk. Deze aanduiding vormt geen belemming voor de uitvoerbaaheid van dit bestemmingsplan.

Stalderingsgebied

Op gronden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden op basis van artikel 3.52 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant extra randvoorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen. De aanduiding geldt voor geheel Oost- en Midden-Brabant en daarmee dus voor het gehele plangebied. Dit bestemmingsplan maakt geen veehouderijen mogelijk. Uit deze aanduiding vloeien daarom geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voort.

Kaart 3 Instructieregels gemeenten stedelijke ontwikkeling en erfgoed

Concentratiegebied en stedelijk gebied

Het stedelijk gebied is krachtens artikel 3.6 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bedoeld voor het bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Stedelijke ontwikkelingen moeten waar mogelijk plaats vinden in het bestaand stedelijk gebied (concentratiegebied). In gebieden met deze aanduiding is er ruimte voor verdere verstedelijking en dus voor nieuwe stedelijke functies, mits daar behoefte aan is. Gemeenten zijn, binnen de grenzen van wet- en regelgeving, vrij om in deze zone te voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Met dit bestemmingsplan krijgen de gronden met deze aanduiding een woonbestemming teneinde woningbouw mogelijk te maken. Op de behoefte aan de voorgenomen woningbouw is in paragraaf 4.3 van de plantoelichting ingegaan.

In de verordening is het stedelijk gebied niet gedefinieerd. Wat een stedelijke functie is volgt uit (de toepassing van) het Besluit ruimtelijke ordening. Een stedelijke functie bestaat uit de ontwikkeling van bedrijventerreinen, zeehaventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Gelet op het voorgaande wordt de kerk gezien als een stedelijke voorziening. In de huidige situatie wordt dit deel van het bestaand stedelijk gebied dus ingezet voor stedelijke functies. In de toekomstige situatie blijft dat het geval. Deze aanduiding uit de verordening verzet zich derhalve niet tegen de ontwikkelingen die op gronden met deze aanduiding voorzien zijn.

Kaart 7 Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen

Stalderingsgebied thema landbouw

Binnen deze aanduiding zijn aanvullende regels opgenomen ten aanzien van het stalderen van dieren. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in stallen van dieren. De regels binnen deze aanduiding zijn niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

Kaart 8 Watersystemen, -veiligheid, en -berging

binnen deze aanduiding zijn normen omschreven ten aanzien van de overstromingskans van stedelijke gebieden. De beoogde ontwikkeling valt binnen stedelijk gebied. In hoofdstuk 6 wordt onderbouwd op welke wijze het plangebied voldoet aan de normen die binnen deze aanduiding zijn opgenomen.

Conclusie
Zoals in deze paragraaf omschreven is, voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de randvoorwaarden en regelgeving van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de Noord-Brabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving.

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad, werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak. De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien. Diep, rond en breed bekijken, dus.

Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.

Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.

Conclusie

Met de beoogde ontwikkeling wordt een leegstaande kerk weer in gebruik genomen voor woondoeleinden. Met het plan wordt voorkomen dat de kerk weer in verval raakt. Hiermee draagt deze ontwikkeling bij aan het behouden van waardevolle culuurhistorie en past het binnen de beleidskaders van de Omgevisie Noord-Brabant.

3.3 Gemeente

Structuurvisie

De structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijke beleid tot 2020. Het omvat de visie en de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid.

Het plangebied is in de structuurvisie onder meer aangewezen voor het beheer en de intensivering van het stedelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0009.png"

Figuur 3.3: structuurvisiekaart met ligging plangebied (witte cirkel)

Conclusie

Volgens de structuurvisie van de gemeente Goirle is er binnen de bestaande kern van Goirle ruimte voor herstructurerings- en inbreidingsinitiatieven. De voorgestane ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, past derhalve binnen het beleid zoals geformuleerd in de structuurvisie.

Bestemmingsplan

Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het bestemmingsplan ''t Ven – Hoogeind'. Op basis van dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd voor 'Maatschappelijke doeleinden' met een dubbelbestemming als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (rijksmonument). De bestemming staat geen woningbouw toe op het perceel.

Conclusie

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

Toekomstvisie gemeente Goirle 2020

In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend” . Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020” gegeven. Deze visie - gebaseerd op de drie kernbegrippen 'groen, sociaal en ondernemend' – dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente.

Goirle is Groen

De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) nabij de grote stad.

Goirle is Sociaal

De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand.

Goirle is Ondernemend

Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol.

Conclusie

Met de ontwikkeling wordt ruimte gegeven aan een initiatief om een leegstaand monument een nieuwe invulling te geven, die zorgt voor het behoud van het monument (ook in de toekomst). De woningbouw sluit aan bij de huidige woonwensen en draagt bij aan de leefbaarheid van Goirle. Het bestaande groen binnen het plangebied wordt zo veel mogelijk behouden. In het bijzonder betreft het twee lindes. Er is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd om de invloed van het bouwplan op deze bomen te bepalen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de separate bijlage. De ontwikkeling past binnen de gestelde kaders uit de Toekomstvisie.

Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022

Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd:

  • 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle.
  • 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten.
  • 3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen.
  • 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen.

De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats.

Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. De woningen die op de locatie Bakertand gerealiseerd mogen worden vallen buiten deze ambities. De gemeentelijke bouwopgave wordt jaarlijks in regioverband berekend.

Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruimte mate beschikbaar zijn. Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. De afspraken over de woningbouw in de Zuidrand zijn getoetst aan de bepalingen uit de woonvisie over de woningen die in specifieke categorieën gerealiseerd moeten worden en voldoen aan die afspraken en de woonbehoefte.

Conclusie

Onderhavig plan bevat een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag naar woningen binnen de gemeente. Het te realiseren programma voldoet aan de afspraken uit de woonvisie. De nieuw te bouwen woningen worden zo energiezuinig mogelijk uitgevoerd. Daarnaast is de woningbouwlocatie na ontwikkeling te kenmerken als een prettige en groene omgeving. Met deze ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambities van de gemeente Goirle. De herontwikkeling van het plangebied is voorzien binnen de gemeentelijke beleidskaders voor wonen. Het initiatief past binnen de Woonvisie Goirle.

Hoofdstuk 4 THEMATISCHE BELEIDSKADERS

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken.

4.1 Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Aan het realiseren van de circa 19 wooneenheden in de Maria Boodschapkerk is door de gemeente in principe medewerking verleend onder de volgende voorwaarden:

  • in de kerk mogen maximaal 19 wooneenheden worden gerealiseerd;
  • bij zoveel mogelijk woningen dient buitenruimte gerealiseerd te worden;
  • er dient aandacht te worden geschonken aan het aspect duurzaamheid;
  • met het rijksmonumentale karakter van de Maria Boodschapkerk dient zorgvuldig te worden omgegaan en dient zo goed mogelijk behouden te blijven;
  • de Maria Boodschapkerk dient zorgvuldig ingepast te blijven in de bestaande structuur van de Tilburgseweg. Aanpassingen hierop dienen zorgvuldig te worden ontworpen;
  • bestaande bomen dienen zo veel mogelijk behouden te blijven;
  • er dient een goed inpassingsplan te worden gemaakt voor de inrichting van het terrein, waarbij uitgangspunt is dat het geheel wel een groene uitstraling moet houden;
  • parkeren moet op eigen terrein plaatsvinden volgens de parkeernormen zoals vastgelegd in de door de raad vastgestelde Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels (CROW-publicatie 317).

Welstand

Bouwplannen moeten onder meer worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand', aldus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de bouwplannen die in de gemeente worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. In Goirle is dat gebeurd op 11 maart 2014. De welstandsnota heeft een duidelijke relatie met bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan beschrijft naast de toegelaten functies in stedenbouwkundige termen de toegestane bouwmassa's in een gebied en de plaats waar deze mogen worden gebouwd. Het is de taak van welstandsbeleid te borgen dat bij veranderingen de verschijning van de bouwmassa's passend is en blijft in de omgeving. De Welstandsnota verdeelt de gemeente hiertoe in verschillende soorten gebieden, ieder met hun eigen gebiedsgerichte criteria. Voor de gedetailleerde regeling wordt verwezen naar de welstandsnota.

4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

Archeologie

Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.

Onderzoek

In juli 2017 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de verbouwing van de Maria Boodschapkerk in Goirle, (zie bijlage 1). Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek (protocol 4002) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (protocol 4003). Onderstaand zijn de conclusies en het (selectie)advies van het onderzoek opgenomen.

Uit het booronderzoek blijkt dat over het gehele terrein sprake is van een (lichte) akkerlaag, waarin in de boringen fragmentjes houtskool zichtbaar waren. Om deze laag direct nader te onderzoeken is op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie direct een booronderzoek karterende fase uitgevoerd. Op dit deel van het terrein is het geplande boorgrid verdicht en zijn monsters van de akkerlaag genomen, welke zijn gezeefd. In de monsters die uit de boringen B001, B004 en B005 genomen zijn blijkt dat de laag naast houtskool ook fragmentjes baksteen, metaalslak, steenkool en een fragment ca. 16e-18e-eeuws steengoed aardewerk bevat. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de houtskoolhoudende (akker)laag uit de Nieuwe tijd dateert. Vanwege de vrij geringe hoeveelheid archeologische indicatoren is de akker niet erg intensief 'beakkerd'. Het is zeker geen 'zwarte enkeerdgrond' zoals deze noordelijker op de bodemkaart staat aangegeven.

(Selectie)advies

In het plangebied is onder een recente ophooglaag een oude bouwvoor / akkerlaag aangetroffen. Aan de hand van het aangetroffen materiaal is geconcludeerd dat deze akkerlaag in de nieuwe tijd in gebruik is geweest. In de boringen zijn geen aanwijzingen (indicatoren) aangetroffen die wijzen op bewoning voorafgaande aan de Nieuwe tijd. Op basis van deze bevindingen wordt geadviseerd om het zuidwestelijke deel van de onderzoeksgebied zonder aanvullend archeologisch onderzoek vrij te geven. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister. Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

Cultuurhistorie en monumentenzorg

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet 1988, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

In het plangebied komt cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor, namelijk het rijksmonument Maria Boodschapkerk. Het complex is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van de esthetische en liturgische ontwikkeling van het katholicisme in het Interbellum. De kerk is van belang vanwege de typologische ontwikkeling van de volkskerk. Het geheel heeft architectuurhistorisch belang binnen de ontwikkeling van de architectuuropvattingen van de Delftse School. Het complex neemt een vooraanstaande plaats in het oeuvre van de architect C.H. de Bever in. Daarenboven is de kerk van belang als toonbeeld van kerkelijke beeldhouw- en glasschilderkunst. Het is van belang wegens de typologische zeldzaamheid en is gaaf bewaard gebleven.

Conclusie

Met het voorliggend plan wordt voorkomen dat de kerk leegstaat en in verval raakt. Met de beoogde ontwikkeling krijgt de kerk een nieuw kwaliteitsimpuls dat ten goede komt aan het het rijksmonument.

4.3 Volkshuisvesting

In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden Brabant van 15 december 2016 (Regionale Agenda Wonen Deel A) zijn afspraken gemaakt tussen de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand , Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk over het maximum aantal te bouwen woningen tot en met 2025. De circa 19 wooneenheden waarin onderhavig bestemmingsplan voorziet vallen binnen deze afspraken (zie ook paragraaf 3.3).

4.4 Groen

De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. In dit plan wordt een lange termijn visie voor het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom weergegeven. In het Groenstructuurplan zijn de woonpercelen in de woonbuurt 't Ven als particulier waardevol groen aangemerkt. Dit particulier groen dient in stand gehouden te worden. Op de Groene Kaart van de nota Kapbeleid hebben de percelen de aanduiding 'beschermde boomzones' gekregen. Binnen deze boomzones zijn zowel alle openbare als particuliere houtopstanden beschermd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0010.png"

Figuur 4.1. Uitsnede Groene Kaart

Het plangebied bevindt zich binnen de Beschermde Boomzone dat vastgesteld is in het Groenstructuurplan van de gemeente Goirle. Uit de Boom Effect Analyse dat in 2017 door Niels Bruggenwert Boomverzorging is uitgevoerd komt naar voren dat vooral de lindes aan de van Malsenstraat waardevol zijn en bescherming verdienen, zie bijlage 5 voor de boom effect analyse.

Conclusie

De bestaande bomen binnen het plangebied, waaronder de lindes aan de Van Malsenstraat, dienen beschermd te worden. In het kader van de verdere planuitwerking dienen technische voorzieningen getroffen te worden om de boomstam en de boomwortels te beschermen. Het uitgangspunt is dat het waardevolle groen en het groene karakter van het plangbebied zoveel mogelijk behouden blijft. Daarmee wordt aangesloten op het groenstructuurplan.

4.5 Verkeer en parkeren

Verkeer

Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van her verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen.

In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken.

Onderhavig plan sluit aan op de bestaande verkeerskundige situatie waarbij de woningen aansluiten op de Van Malsenstraat en parallelweg van de Tilburgseweg. In vergelijking met de vorige bestemming als kerk en gebruik in die situatie, is het te verwachten dat het aantal verkeersbewegingen afneemt.

Parkeren

Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen. Wat betreft parkeren wordt op basis van de CROW (matig stedelijk/rest bebouwde kom) voorzien in 1,8 parkeerplaats per woning. Voor 19 wooneenheden dienen afgerond 34 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Binnen het huidige ontwerp is op eigen terrein ruimte voor vier parkeerplaatsen nabij de sacristie en 32 parkeerplaatsen op de centrale parkeerplaats. Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeernorm. Verder staat in het document 'Vestiging Erfdienstbaarheid' (zie bijlage 6) dat van toepassing is op het plangebied dat belanghebbenden het recht hebben om de begraafplaats te bezoeken. De belanghebbenden hebben echter geen recht om hun voertuig te parkeren op gronden van de percelen waarop dit plan wordt ontwikkeld. Een dubbele parkeervraag is om deze reden dan ook niet van toepassing.

Conclusie

Ten aanzien van verkeer en parkeren wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de uitvoering van het plan.

Hoofdstuk 5 MILIEUASPECTEN

Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. In sommige onderzoeken wordt een verwijzing gemaakt naar een eerder bouwplan met een groter aantal woningen. De resultaten van deze onderzoeken zijn ondanks de verwijzing naar het oude aantal wooneenheden nog steeds van toepassing op het huidige ontwerp.

5.1 Milieuhinder en bedrijven

Algemeen

Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.

Onderzoek

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied. Voor de begraafplaats geldt een maximale richtafstand van 10 meter voor geluid. Dit heeft betrekking op autoverkeer dat de begraafplaats bezoekt. In de huidige situatie parkeren bezoekers van de begraafplaats langs de straat. De parkeervoorziening is op meer dan 10 meter afstand gelegen van de woningen en vormt daardoor geen belemmering. Zoals in paragraaf 4.5 is beschreven, mogen bezoekers op basis van het document 'Vestiging Erfdienstbaarheid' niet parkeren op het terrein van de Mariaboodschapkerk. Vanuit milieuoogpunt zijn dus ook geen belemmeringen tussen parkeeractiviteiten van bezoekers en de beoogde functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Voor de basisschool aan de Burgemeester Philipsenstraat 2 geldt een maximale richtafstand van 30 meter voor geluid. De afstand tussen de percelen bedraagt meer dan 30 meter en dus vormt de basisschool geen belemmering voor uitvoering van het plan. De voormalige pastorie ligt direct grenzend aan het plangebied. De pastorie bestaat uit twee gedeelten: een woonhuis en een garage. De beoogde ontwikkeling in dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van woningen naast de pastorie. Tussen de beoogde functie van de Mariaboodschapkerk en de pastorie bestaan vanuit milieuoogpunt geen belemmeringen.

Conclusie

Er bestaan geen belemmeringen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.

5.2 Externe veiligheid

Algemeen

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Onderzoek

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • de kans op een ongeval;
  • het effect van het ongeval;
  • het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft;
  • de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Inrichtingen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een significante vergroting van het groepsrisico met zich mee brengen. Hierdoor is er geen invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht.

Transport

Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg. Over de A58 (op circa 1,3 km afstand) worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Uit de Regeling basisnet volgt dat de A58 (ter hoogte van het plangebied) een maximale PR 10-6-contour heeft van 24 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmeringen. De voorgenomen ontwikkelingen veroorzaken, gezien de afstand tot de A58 (> 200 meter), geen toename van het groepsrisico. Het GR behoeft conform artikel 8, lid 1 van het Bevt geen nadere beschouwing.

Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In en rond het plangebied zijn geen leidingen gelegen die een beperking opleveren voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0011.png"

Afbeelding 5.1: Uitsnede www.risicokaart.nl met ligging plangebied

Vuurwerk

Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten.

Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts).

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vuurwerk verkopen.

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.3 Kabels, leidingen en overige belemmeringen

In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. Wel bevindt zich in de uiterste zuidwesthoek van het plangebied een molenbiotoop. Deze levert echter geen belemmeringen op voor de voorgenomen bouwplannen. De maximale bouwhoogtes die in dit bestemmingsplan zijn toegestaan, tasten de molenbiotoop niet aan.

5.4 Geluid

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder.

Onderzoek

Wegverkeer

Binnen het plangebied zijn geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Voor de geluidsgevoelige bestemmingen (woningen) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wgh (zie separate bijlage).

Resultaten

Het onderzoek is uitgevoerd voor de Tilburgseweg en Van Malsenstraat, waarbij onderstaande gegevens zijn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0012.png"

Uitsluitend de Tilburgseweg heeft op grond van de Wgh een geluidzone. De overige wegen zijn 30 km-wegen en hebben om die reden geen formele geluidzone op grond van de Wgh.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de Tilburgseweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op de oostelijke gevel van de kerk en een deel van de noordelijke en zuidelijke gevel. Het betreft 11 appartementen. De maximaal te ontheffen geluidbelasting van 63 dB wordt echter niet overschreden. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onderzoek verricht naar mogelijke maatregelen om de geluidbelasting bij de geluidgevoelige bestemmingen te beperken.

Geadviseerde maatregelen

Of het toepassen van een geluidreducerend wegdek (Dunne Geluidreducerende Deklaag type A) soelaas biedt is in het akoestisch rapport onderzocht. Hieruit bleek dat de geluidbelasting met circa 2,5 dB gereduceerd kan worden. Hiermee wordt de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde bij geen van de appartementen weggenomen. De investering voor het toepassen van deze bronmaatregel is hierdoor niet doelmatig gezien de financiële investering ten opzichte van het gering aantal woningen binnen het gebouw die hier profijt van ondervindt. Voor deze woningen dient een hogere grenswaarde te worden aangevraagd. Overige maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van de Tilburgseweg ter plaatse van de kerk terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet doelmatig en/of mogelijk.

Hogere waarden

Maatregelen om de geluidbelasting (ten gevolge van de Tilburgseweg) ter plaatse van de appartementen terug te brengen, zijn mogelijk doelmatig. Met deze maatregelen wordt echter niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle dient daarom hogere waarden vast te stellen (zie tabel 5.1). Hierbij is geen rekening gehouden met het mogelijk treffen van een bronmaatregel. Het besluit hogere waarden is een apart besluit en zal tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd.

Tabel 5.1: vast te stellen hogere waarden (zonder maatregelen)

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0013.png"

Een volledig overzicht met de hogere waarden per toetspunt is opgenomen in bijlage 5 van het akoestisch onderzoek (zie separate bijlage). Het betreft 11 appartementen waar een hogere waarde voor moet worden vastgesteld. Volgens de huidige schetsen betreft het 5 appartementen met een aanwezige geluidluwe gevel. De andere 6 appartementen hebben geen geluidluwe gevel. Dit zijn de appartementen met de nummers 05, 09, 10, 16, 17 en 19. Voor deze appartementen dient formeel minimaal één geluidluwe gevel te worden gerealiseerd. Echter, aangezien sprake is van een bestaand pand met bijzondere eigenschappen heeft de gemeente besloten af te zien van deze eis.

Cumulatie

Indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidbronnen ligt, dient de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke grenswaarden vastgelegd. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of deze cumulatie leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting.

Ter plaatse van het plangebied bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeer ten hoogste 60 dB. Bij alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld is de geluidbron (Tilburgseweg) zélf maatgevend.

De gecumuleerde geluidbelasting levert geen buitensporig slechte geluidsituaties op. De Tilburgseweg is zelf maatgevend voor de gecumuleerde geluidbelasting. Daarnaast betreft het een bestaand gebouw die niet van locatie kan worden veranderd. Eventuele maatregelen zullen voornamelijk binnen het gebouw getroffen dienen te worden. Hiermee is het vaststellen van een hogere waarde gerechtvaardigd.

Geluidwering gevel

Voor alle woningen waarvoor het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststelt, dient met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek te worden onderzocht of deze woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau kunnen voldoen. De wettelijke grondslag hiervoor is terug te vinden in het Bouwbesluit.

Conclusie

Voor 11 appartementen dient een hogere waarde te worden vastgesteld op grond van de Wgh. Voor de appartementen die grenzen aan de Tilburgseweg dient formeel minimaal één geluidluwe gevel te worden gerealiseerd. Echter, aangezien sprake is van een bestaand pand met bijzondere eigenschappen heeft de gemeente besloten af te zien van deze eis. Vanuit het aspect wegverkeerslawaai is onderhavig bestemmingsplan uitvoerbaar.

5.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen:

  • er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden;
  • de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk;
  • het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van de desbetreffende stof-fen in de buitenlucht;
  • de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwer-kingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Niet in betekenende mate
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn catego-rieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.

Onderzoek

Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een dermate laag aantal wooneenheden (19), dat dit niet behoort tot een categorie van gevallen waarvoor een luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Het bestemmingsplan draagt derhalve “niet in betekende mate” bij aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden.

Conclusie

Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.6 Geur

Algemeen

Industriële geur

Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij "het voorkomen van nieuwe geurhinder" voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een "dosis-effectrelatie" (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven "normen" vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften met betrekking tot geur opgenomen die rechtstreeks gelden voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. De voorschriften die in het Activiteitenbesluit staan wijken overigens niet (sterk) af van de voorschriften in de NeR, omdat de voorschriften zijn gebaseerd op de NeR. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.

Agrarische geur

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij ( 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. De gemeente Goirle heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

Onderzoek

Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van (agrarische) bedrijven met geurhinder. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering.

Conclusie

Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.7 Bodem

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet - ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening - worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie.

Voor het plangebied , is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (2017). Zie hiervoor bijlage 3. Met dit onderzoek is de hygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van dit onderzoek is een aanvullend historisch bodemonderzoek uitgevoerd naar brandstoftanks aan de Tilbrugseweg 130-136 (2020). Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 4. De resultaten van deze onderzoeken worden onderstaand omschreven.

Onderzoek

Grond

Op het maaiveld zijn zintuiglijk geen bodemvreemde materialen aangetroffen. In de opgeboorde grond zijn sporen tot resten baksteen en zwakke bijmengingen met slakken aangetroffen. In de resten baksteen en zwak slakkenhoudende bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, zink, lood en PAK gemeten. In de sporen tot resten baksteenhoudende bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt en lood gemeten. In de sporen baksteenhoudende ondergrond en in de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd gemeten.

Grondwater

Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan barium.

Toetsing hypothese

De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' wordt verworpen, vanwege de licht verhoogde concentraties aan zware metalen en PAK in de bovengrond en de licht verhoogde concentratie aan barium in het grondwater. De onderzoeksresultaten geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw.

Aanvullend historisch onderzoek naar brandstoftanks aan de Tilburgseweg 130-136

Het is bekend dat rondom de te ontwikkelen percelen meerdere brandstoftanks aanwezig zijn geweest. Daarnaast zijn op de Tilburgseweg 133, aan de overzijde van de weg een katoenweverij, juteweverij of schoenenfabriek gevestigd geweest. Bij de gemeente Goirle zijn de KIWA-certificaten opgevraagd van de aanliggende percelen. De certificaten zijn opgenomen in de bijlage 4. In onderstaande tabel is samengevat wat de uitkomsten zijn van de tanksaneringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2017008Boodschap-vg01_0014.jpg" Tabel: tanksanering

Op basis van bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat de voormalige huisbrandolietanks zijn gesaneerd en deels ook zijn afgevoerd van locatie. Gedurende de saneringen van de brandstoftanks zijn geen verontreinigingen waargenomen. Het wordt derhalve niet verwacht dat ter plaatse van de te ontwikkelen percelen een bodemverontreiniging aanwezig is welke afkomstig is van de voormalige brandstoftanks. Dit is ook in overeenstemming met de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek.

Conclusie

Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.8 Natuur

Algemeen
De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn, het 'Natuurnetwerk Nederland' (NNN).

Onderzoek

Gebiedsbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. Het bestemmingsplan betreft de herontwikkeling van een stedelijke locatie. Er is binnen of direct nabij het plangebied geen sprake van een beschermde ecologische structuur of het verslechteren of verbeteren daarvan. Ook ligt het plangebied niet in of direct nabij beschermde natuurgebieden (NNN of Natura 2000-gebieden). Op enkele kilometers van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied 'Regte Heide & Riels Laag'. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied op voorhand uit te sluiten.

Soortenbescherming

Naast gebiedsbescherming vindt bescherming van soorten plaats via de Wnb. In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën:

  • 1. soorten van de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn;
  • 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora').

De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Tijdens een bijeenkomst van het Netwerk Groene Bureau d.d. 16 december 2016 is aangegeven dat drie provincies (Utrecht, Overijssel en Gelderland) de geldende “Aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten” (LNV, 2009) aanhouden en blijven hanteren in de Wet natuurbescherming. De verwachting is dat ook overige provincies deze beschermingsstatus aanhouden. De lijst wordt begin 2017 door de provincies geëvalueerd en waar nodig aangepast. Bij voorliggende toetsing is uitgegaan dat de lijst gehanteerd blijft en dat de nesten een jaarrond beschermde status houden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Door Stichting Biodiversiteit Goirle - Riel is op 30 maart 2017 een fauna inspectie uitgevoerd. Zowel aan de buitenkant als ook binnen, onder de daken en in de spouwmuren van de Maria Boodschapkerk is gezocht naar gierzwaluwnesten, sporen van vleermuizen en uilen. Er werden tijdens de inspectie geen sporen van beschermde soorten aangetroffen. De kerk is goed afgesloten, waardoor er geen sprake is van de aanwezigheid van gierzwaluwen, vleermuizen en uilen.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Gezien de gedateerdheid van de uitgevoerde veldinspectie wordt - in het kader van de Wet natuurbescherming - nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd om te toetsen of er beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn. De resultaten daarvan worden in dit bestemmingsplan meegenomen.

5.9 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer ín lijn brengen 'van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang.

Onderzoek

De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., zijnde "de aanleg , wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen."

Vanuit de zogenaamde C-lijst geldt voor de ontwikkeling geen directe m.e.r.-plicht. De activiteit valt vanwege de omvang ervan eveneens buiten de D-lijst (D11.2), omdat de activiteit geen betrekking heeft op:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Een (vorm)vast m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Wel dient (vormvrij) gemotiveerd te worden dat niet alsnog belangrijk negatieve effecten op het milieu zijn die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen.

De effecten van het voornemen zijn in vergelijking tot het huidige bestemmingsplan en het gebruik binnen het plangebied minimaal. Zo ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied en zal geen relevant verschil in de verkeersaantrekkende werking optreden in vergelijking met de huidige planologische situatie, waarin reeds functies met een verkeersaantrekkende werking in het plangebied zijn toegestaan.

Op grond van de in dit kader van het onderhavige bestemmingsplan beschreven aspecten (zie vorige paragrafen) en het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit, wordt geconcludeerd dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Voor het project is geen aanleiding om een MER op te stellen.

Conclusie

In het kader van het ontwerpbestemmingsplan wordt een aanmeldingsnotitie m.e.r. opgesteld. Op basis van deze notitie neemt het college een besluit of al dan niet een m.e.r.-procedure noodzakelijk is.

Hoofdstuk 6 WATER

De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.

6.1 Beleid

Rijk en provincie

Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2020.

Nationaal Waterplan

Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water.

Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021

Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen van het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water, lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Structuurvisie 

De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits "vasthouden, bergen, afvoeren" als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding. Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.

Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken:

  • Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water';
  • Handreiking Watertoets;
  • Keur 2015.

Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016 - 2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlakte water;
  • natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
  • schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

Handreiking watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies. De Handreiking watertoets, die door het waterschap De Dommel is opgesteld, is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets.

De handreiking is te vinden op de website van het waterschap www.dommel.nl

Keur 

Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen, die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd.

Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan, is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn:

  • het dempen of wijzigen van een watergang;
  • het aanleggen van kabels of leidingen;
  • het planten van bomen en struiken;
  • het brengen van water in een watergang.

Gemeente 

Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019

Als antwoord op de zorgplicht voortkomend uit de Wet milieubeheer, is door de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (VGRP) vastgesteld. Doelstelling van het VGRP zijn:

  • beschermen volksgezondheid;
  • voorkomen wateroverlast;
  • voorkomen grondwateroverlast;
  • voorkomen milieuoverlast;
  • voorkomen instortingsgevaar (riolering);
  • voorkomen langdurige lozingsbeperking (riolering).

De gemeente Goirle en waterpartners streven naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Hierbij wordt nadrukkelijk samenwerking tussen de ketenpartners gezocht. Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren.

Door klimaatverandering wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, de afvoercapaciteit zal tijdens extreme neerslagomstandigheden niet toereikend zijn en het is bovendien te kostbaar. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel.

Om droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater, aanpassing van waterpartijen en/of bovengrondse water regulerende constructies (bovengrondse waterslimme oplossingen). Indien doelmatig draagt de perceelseigenaar een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave.

Nieuwe ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast. Gestreefd wordt om de menselijke activiteiten zo veel mogelijk af te stemmen op de natuurlijke (grond)waterfluctuaties.

6.2 Huidige en toekomstige situatie

Verhard oppervlak

Het voornemen is de bestaande kerk te verbouwen tot maximaal 19 wooneenheden. De hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied neemt marginaal toe als gevolg van de bestrating ten behoeve van parkeren. Binnen het plangebied is voldoende ruimte in de tuinen om hemelwater te laten infiltreren. Daarnaast bestaat de bodem grotendeels uit zand. Hierdoor kan het hemelwater goed infiltreren in de bodem. Dit is conform de voorkeursvolgorde infiltreren-bufferen-afvoeren zoals opgenomen in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Goirle. Omdat op eigen terrein - net als in de huidige situatie - voldoende ruimte is voor de infiltratie van hemelwater, hoeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet te worden afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel.

Oppervlaktewater en watergangen

In het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Er wordt bij de ontwikkeling geen oppervlaktewater gedempt of toegevoegd.

Afvoer hemelwater

Hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en terreinverharding wordt beschouwd als schoon wanneer er uitgegaan wordt van het gebruik van niet –uitlogende bouwmaterialen (uitlogende bouwmaterialen zijn onder andere zinken dakgoten en standpijpen, loden dakslabben, betongranulaat als wegfundering ect.). Dit water kan direct infiltreren in de bodem (tuinen). Het voornemen is om het hemelwater oppervlakkig in het plan te verwerken, met een overstort op maaiveld naar het gemeentelijke riool.

Afvalwater 

Afvalwater wordt als volgt afgevoerd: Afvalwater wordt gescheiden van het hemelwaterafvoer aangeleverd en afgevoerd naar gemengd rioolstelsel.

Conclusie

In het plangebied zijn geen watergangen of greppels aanwezig. Er zijn geen aandachtspunten met betrekking tot oppervlakte- en grondwater bekend. Er treedt geen grote toename van de verharding op. Effecten van de ontwikkeling op de bodem en grondwater, oppervlaktewater en watergangen, hemelwater, waterberging en afvalwater treden hiermee niet op.

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 OPZET PLANREGELS

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.

7.1 Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten.

Begrippen

In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven.

Wijze van meten

In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft:

  • bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming;
  • bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;
  • nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken;
  • afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming;
  • afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen.

Groen

Ter bescherming van de ruimte rondom de appartementen is de bestemming 'Groen' opgenomen. Naast groen zijn hier ook nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Tuin

Ten behoeve van de appartementen op de begane grond van de kerk is op de verbeelding en in de planregels de bestemming 'Tuin' opgenomen. Om te voorkomen dat op deze gronden gebouwd gaat worden, is in de bouwregels opgenomen dat ter plaatse geen gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen worden gebouwd. Hierdoor wordt voorkomen dat de gaafheid van het uitzicht op de kerk niet wordt verstoord door allerlei bouwwerken. Enkel erfafscheidingen zijn opgenomen in de planregels.

Verkeer - Verblijfsgebied

De parkeerplaats ten behoeve van de appartementen is bestemd tot 'Verkeer- Verblijfsgebied'. Deze gronden hebben een verblijfsfunctie, waarbinnen ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, parkeerplaatsen, rijwielstalvoorzieningen en beeldende kunst zijn toegestaan.

Wonen 

De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Het plan voorziet in de realisatie van een maximaal 19 wooneenheden in de bestaande kerk. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om maatschappelijke functies in de kerk onder te kunnen brengen indien de noodzaak daarvan aangetoond kan worden.

Verbeelding 

Op de verbeelding zijn binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak en een gebied 'bijgebouwen' aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen in artikel 9.

Bijgebouwen mogen binnen het gebied 'bijgebouwen' worden gebouwd.

Bouwregels 

De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt "een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan". Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen.

De bouwregels maken onderscheid tussen het hoofdgebouw, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.

Onder bijgebouwen worden begrepen alle vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen. De begripsomschrijving is in artikel 1 opgenomen. Bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het gebied met de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd.

De bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.

Erfafscheidingen 

In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter.

Beroep/bedrijf aan huis

De woning en de daarbij behorende bijgebouwen mogen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Hierbij geldt, dat maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning tot een oppervlakte van maximaal 60 m² mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Het percentage van 10% wordt berekend over het bestaande totale vloeroppervlak van de woning.

Waarde - cultuurhistorische bebouwing

Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de monumentale waarde van het voormalige kerkgebouw. Slopen is niet zondermeer toegestaan en bij het verbouwen van het gebouw geldt het uitgangspunt dat de uiterlijke verschijningskenmerken van het gebouw in stand gehouden moeten worden. Daarbij gaat het om architectuur, bouwhoogte en dergelijke.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, procedure-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels.

Anti-dubbeltelbepaling

In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan.

Algemene bouwregels

Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw.

Algemene gebruiksregels

Deze regels bevatten de voor het plan geldende algemene gebruiksbepalingen voor wat betreft strijdig gebruik en bevatten algemene parkeerregels.

Algemene aanduidingsregels

Teneinde vrije windvang voor molens te garanderen gelden beperkingen voor de hoogte van bebouwing in een cirkel van 100 en 400 meter rondom de molen. Onderhavig plangebied ligt voor een klein gedeelte in de cirkel van 400 meter. Er zijn dan ook een algemene aanduidingsregels opgenomen die horen bij de molenbiotoop 400 meter.

Algemene procedureregels

Deze regels bevatten de algemene proceduregels die burgemeester en wethouders in acht moeten nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regeling.

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels.

Overige regels

Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar verwezen wordt.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht (artikel 3.2.1) tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2).

Slotregel

Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 UITVOERBAARHEID

8.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling.

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen.

Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen. Met de ontwikkelaar wordt een privaatrechtelijke overeenkomst en een planschadeverhaal overeenkomst gesloten. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak

Het plan is onderworpen aan inspraak en ter inzage gelegd voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een reactie indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld dat als Bijlage 7 bij deze toelichting is opgenomen.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening met ingang van 14 januari 2021 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen (tot en met 24 februari 2021). In deze periode zijn zeven zienswijzen naar voren gebracht bij de gemeenteraad.

De zienswijzen die zijn ingediend op het ontwerpbestemmingsplan geven geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. De nota van zienswijzen is opgenomen als Bijlage 8. Echter, het ontwerpbestemmingsplan moet op een aantal punten wel ambtshalve marginaal gewijzigd worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om een redactionele aanpassing in de toelichting van het bestemmingsplan en de uitbreiding van het gebied met de aanduiding dubbelbestemming “Waarde- cultuurhistorische bebouwing”. In de “Nota ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan “Maria Boodschapkerk” (Bijlage 9) worden deze ambtelijke wijzigingen nader genoemd en beschreven.