direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Raamsdonksveer, Werfkampenseweg 18
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Geertruidenberg met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van de uitbreiding van de intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, aan de Werfkampenseweg 18 te Raamsdonksveer, waarbij een vormverandering van het bouwvlak nodig is.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de intensieve veehouderij, volgen elkaar in een hoog tempo op. Door steeds strenger wordende wet- en regelgeving worden steeds vaker en steeds strengere eisen aan intensieve veehouderijen gesteld. Om aan deze strengere eisen te kunnen blijven voldoen moeten door de ondernemers vaak forse investeringen worden gedaan in het bedrijf. Om naast deze forse investeringen in het bedrijf te kunnen blijven bestaan als een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf met voldoende toekomstperspectief is een voldoende grote bedrijfsomvang nodig. Voor de initiatiefnemer is de huidige bedrijfsomvang niet voldoende gebleken om de noodzakelijke investeringen te kunnen doen en daarnaast nog voldoende rendement uit het bedrijf te kunnen halen om te kunnen voorzien in voldoende inkomsten voor het noodzakelijk levensonderhoud. Derhalve is een uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk.

Om de gewenste uitbreiding mogelijk te maken is het noodzakelijk ter plaatse te voorzien in een nieuwe stal voor het houden van varkens. Daarnaast wenst de initiatiefnemer het bedrijf verder te verduurzamen en te optimaliseren en de emissie vanuit de stallen te beperken. Hiertoe zal het bedrijf worden voorzien van emissie beperkende maatregelen.

De huidige kraamstal is dusdanig verouderd en in zeer slechte staat, waardoor deze aan vervanging toe is. Echter dient het bedrijf in werking te blijven tijdens de vervangende nieuwbouw om inkomstenverlies te voorkomen. Derhalve is het noodzakelijk te voorzien in een nieuwe stal naast de bestaande kraamstal. Wanneer de nieuwe stal is opgericht en in werking is dan zal de bestaande kraamstal in zijn geheel worden gesloopt. De nieuwe stal zal een vrijloopkraamstal worden, waarin de gehouden dieren meer leefruimte krijgen. Dit bevordert het dierwelzijn op het bedrijf. De afstand tot de bestaande stallen dient daarbij echter groter te zijn dan in de huidige situatie, dit met name vanuit hygiëne eisen en het voorkomen van de verspreiding van eventuele ziektes binnen het bedrijf. De gewenste positie van de nieuwe stal zal leiden tot de meest optimale indeling van het bedrijf.

Binnen het huidige bouwvlak is onvoldoende ruimte beschikbaar om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Vergroting van het bouwvlak is ter plaatse, gezien sprake is van een intensieve veehouderij en de oppervlakte van het huidige bouwvlak, niet mogelijk. Wel kan worden voorzien in een vormverandering van het huidige bouwvlak.

In het geldende omgevingsplan van rechtswege (het voormalige bestemmingsplan) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de vormverandering van een agrarisch bouwvlak mogelijk te maken. De wijzigingsbevoegdheden zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter komen te vervallen, waardoor daar geen toepassing meer aan kan worden gegeven. Wel biedt de voormalige wijzigingsbevoegdheid een goed toetsingskader voor het gewenste initiatief.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege wordt gedaan met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren voor de fysieke leefomgeving.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Werfkampenseweg 18 te Raamsdonksveer en ligt aan de noordoost kant van Raamsdonksveer in het landelijk gebied van gemeente Geertruidenberg. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Raamsdonk, sectie K, nummers 190, 192, 1275, 1837 en 1838. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldend omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

Het voorheen geldende bestemmingsplan, en daarmee het omgevingsplan van rechtswege, betreft het plan "Buitengebied" van de gemeente Geertruidenberg, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 28 april 2011. Daarnaast geldt het bepaalde in het plan "Buitengebied, 1e herziening", vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2015.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de functie 'Agrarisch - 1' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'intensieve veehouderij' en 'wro-zone - aanlegvergunning openheid' van toepassing. Over een deel van de locatie is de functie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend omgevingsplan van rechtswege.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het huidige bouwvlak biedt onvoldoende ruimte voor de gewenste ontwikkeling, waardoor een vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk is. Een vormverandering van het bouwvlak kan mogelijk worden gemaakt door toepassing van een in het geldende omgevingsplan van rechtswege opgenomen wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.7.3). Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn specifieke voorwaarden verbonden waaraan met de voorgenomen ontwikkeling moet worden voldaan.

De wijzigingsbevoegdheden zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter in zijn geheel komen te vervallen, waardoor daaraan geen toepassing meer kan worden gegeven. Derhalve is een wijziging van het geldende omgevingsplan noodzakelijk. Met de gemeente is overeengekomen om de wijziging omgevingsplan te regelen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Wel biedt de voormalige wijzigingsbevoegdheid een goed toetsingskader voor het gewenste initiatief. Derhalve is in het voorliggende TAM-omgevingsplan alsnog aan de voorwaarden uit de voormalige wijzigingsbevoegdheid getoetst. Deze luiden als volgt:

" 3.7.3 Wijziging t.b.v. vergroting/ vormverandering agrarisch bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van de aanduiding "bouwvlak", mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de aanduiding 'bouwvlak', gelegen ter plaatse van de aanduiding of nabij de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone" mag uitsluitend worden uitgebreid, mits het realiseren en toekomstig functioneren van de ecologische verbindingszone niet worden geschaad;
  • b. de vergroting en/of vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de op te nemen aanduiding "bouwvlak";
  • c. medewerking wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de nadere regels Verordening ruimte 2014 - Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals deze gelden ten tijde van besluitvorming;
  • d. voor grondgebonden agrarische bedrijven (inclusief productiegerichte paardenhouderijen) en gemengde bedrijven, niet zijnde de intensieve veehouderijtak, is vergroting tot een omvang van 1,5 ha toegestaan;
    - een verdere vergroting naar maximaal 2 ha kan voor grondgebonden bedrijven zonder vee worden toegestaan, nadat advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is ingewonnen over punt b;
  • e. voor intensieve veehouderij en de intensieve veehouderijtak is uitsluitend vormverandering toegestaan;
  • f. een uitbreiding ten behoeve van een overig niet-grondgebonden bedrijf is niet toegestaan;
  • g. het dient om een concreet plan te gaan, waarbij onder andere milieutechnische gegevens worden overgelegd;
  • h. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn geformuleerd binnen de nadere detaillering van deze bestemming;
  • i. de vormverandering en/of uitbreiding van een grondgebonden veehouderij, dan wel de vormverandering van de intensieve veehouderij(tak) mag, gelet op de instandhoudingsdoelstelling van omliggende Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden niet laten verslechteren of een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
  • j. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving;
  • k. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
  • l. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; bij verruiming wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschap; er dient in ieder geval voldaan te worden aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen (en verharden);
  • m. medewerking wordt slechts verleend indien de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving, mede gelet op de volksgezondheid, inpasbaar is in de omgeving;
  • n. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • o. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • p. medewerking wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  • q. medewerking wordt slechts verleend indien tevens is veilig gesteld en vastgelegd dat een landschappelijke inpassing met een omvang van ten minste 10 % van de oppervlakte van het bouwvlak zal worden gerealiseerd en duurzaam in stand gehouden. Hiertoe kan de bestemming Artikel 13 Groen - Landschappelijke inpassing worden opgenomen of verschoven;
  • r. het gebruik van meer dan één bouwlaag voor het houden van dieren is niet toegestaan, met dien verstande dat voor voliëre- en scharrelstallen voor legkippen ten hoogste twee bouwlagen zijn toegestaan;
  • s. er dient voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant."

Ad. artikel 3.7.3, sub a:

De locatie is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone'. Deze bepaling is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Ad. artikel 3.7.3, sub b:

De voorgenomen uitbreiding van het bedrijf is noodzakelijk om de noodzakelijke investeringen in het bedrijf te kunnen doen en om daarnaast te kunnen blijven bestaan als een duurzaam en volwaardig bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk voor een verdere verduurzaming van het bedrijf en een optimalisatie van het bedrijf. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het dierwelzijn vergroot, worden de emissies vanuit het bedrijf verlaagd en zal sprake zijn van een verbeterde hygiëne op het bedrijf, waarbij ziekteverspreiding binnen het bedrijf zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zonder de voorgenomen ontwikkeling kan de initiatiefnemer de noodzakelijke investeringen niet doen en kan niet worden voldaan aan de strenge eisen vanuit de wet- en regelgeving. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en -ontwikkeling.

Daarnaast is voor de voorgenomen ontwikkeling een aanvullende motivatie voor de gewenste vormverandering van het bouwvlak opgesteld. Daarbij is met name ingegaan op de noodzaak van de vormverandering en van de specifieke vorm van het bouwvlak na wijziging. Er is daarbij eveneens advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB), een bouwkundig en constructief advies en een advies inzake brandveiligheid ingewonnen. Al deze zaken tezamen leiden tot een noodzaak voor de gekozen bedrijfsopzet, de wijziging van het bouwvlak en de gekozen vorm daarvan na wijziging. Voor de aanvullende motivatie en de adviezen daarbij wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting. De noodzaak is daarmee in voldoende mate aangetoond en gemotiveerd.

Ad. artikel 3.7.3, sub c:

Vanuit provinciaal beleid dient bij de verdere ontwikkeling van een veehouderij sprake te zijn van een zorgvuldige veehouderij. Hiertoe heeft de provincie de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) vastgesteld. Bij de BZV is een rekentool beschikbaar waarin op verschillende bedrijfsonderdelen een score kan worden berekend. Wanneer op elk van de afzonderlijke onderdelen van de BZV aan de minimaal vereiste score kan worden voldaan dan is sprake van een zorgvuldige veehouderij en wordt aan de BZV voldaan.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is middels de rekentool bij de BZV de score van het bedrijf berekend op elk van de afzonderlijke onderdelen. Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting, blijkt dat op elk van de afzonderlijke onderdelen uit de BZV kan worden voldaan aan de minimaal vereiste score, waarmee sprake is van een zorgvuldige veehouderij.

Ad. artikel 3.7.3, sub d:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een vergroting van het bouwvlak. Deze bepaling is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Ad. artikel 3.7.3, sub e:

Ter plaatse is sprake van een intensieve veehouderij, waarmee vergroting van het bouwvlak niet mogelijk is. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een vormverandering van het bouwvlak en niet van een vergroting van het bouwvlak. Een vormverandering kan op basis van de wijzigingsbevoegdheid wel mogelijk worden gemaakt.

Ad. artikel 3.7.3, sub f:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een uitbreiding van een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, waarmee deze bepaling niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

Ad. artikel 3.7.3, sub g:

Er is sprake van een concreet plan. De milieutechnische gegevens zijn reeds in de vorm van een (vormvrije) aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage ingediend bij de gemeente. Tevens zijn de milieuaspecten nader uiteengezet in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 5.1) in deze toelichting, waaruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling ook op milieutechnisch aspect mogelijk gemaakt kan worden.

Ad. artikel 3.7.3, sub h:

Vanuit de nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving is, gezien de nadere aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning openheid', de karakteristieke openheid van het landschap van belang. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een vormverandering van het bouwvlak voor een nieuwe stal aan de zuidzijde van de locatie. De nieuwe stal wordt voor een groot deel opgericht voor de bestaande silo's voor de opslag van mest. Daarnaast vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats ter plaatse van een bestaand bedrijf. Met de vormverandering van het bouwvlak wordt het maximaal toelaatbare ruimtebeslag niet vergroot. De impact van de voorgenomen ontwikkeling op de openheid van het landschap is daarmee beperkt, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de betreffende waarden.

Ad. artikel 3.7.3, sub i:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Natura 2000-gebieden" (paragraaf 5.2.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot significante effecten op Natura 2000 gebieden. Om dit aan te tonen is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt (zie bijlage 4 van deze toelichting), waaruit blijkt dat er geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). Tevens zullen met de voorgenomen ontwikkeling de overige emissies van het bedrijf eveneens afnemen, waarmee de voorgenomen ontwikkeling eerder een positief effect zal hebben op natuurgebieden.

Ad. artikel 3.7.3, sub j:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 5.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bedrijven.

Ad. artikel 3.7.3, sub k:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Bodem" (paragraaf 5.1.7) geeft het aspect bodem geen belemmering ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5 van deze toelichting), waaruit blijkt dat de bodemgesteldheid de voorgenomen bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

Ad. artikel 3.7.3, sub l:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een aantasting van de waterhuishouding ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Ad. artikel 3.7.3, sub m:

Zoals blijkt uit hetgeen is omschreven en onderzocht in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 5.1) zijn met de voorgenomen ontwikkelingen geen belemmeringen te verwachten op het gebied van de verschillende milieuaspecten, waaronder de volksgezondheid. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee inpasbaar in de leefomgeving.

Ad. artikel 3.7.3, sub n:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 5.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Hiertoe is middels geurberekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting, aangetoond dat aan de gestelde normen kan worden voldaan.

Ad. artikel 3.7.3, sub o:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 5.1.4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten hebben op de luchtkwaliteit. Hiertoe is middels berekeningen op het gebied van fijnstof en stikstofoxiden, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting, aangetoond dat aan de gestelde normen kan worden voldaan.

Ad. artikel 3.7.3, sub p:

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een dialoog gehouden met de omgeving. Hierbij zijn omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gebracht van de plannen van de initiatiefnemer en in de gelegenheid gesteld eventuele aandachtspunten en/of verbeterpunten kenbaar te maken. Vanuit de dialoog met de omgeving zijn geen opmerkingen geplaatst en allen wensen de initiatiefnemer veel succes met de plannen. Van de dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt, welk is opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting.

Ad. artikel 3.7.3, sub q:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en uitgewerkt. Daarbij is rekening gehouden met de kwaliteiten en kenmerken van het omliggende landschap. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt aan de gestelde eis van minimaal 10% van de oppervlakte van het bouwvlak voldaan. Voor het landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting.

Ad. artikel 3.7.3, sub r:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het houden van dieren op meer dan één bouwlaag.

Ad. artikel 3.7.3, sub s:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016" (paragraaf 4.3.2) wordt met de voorgenomen ontwikkeling aan de regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap uit de betreffende notitie voldaan.

Zoals blijkt uit het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de in de voormalige wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Daarmee wordt het initiatief voorstelbaar geacht. Omdat de wijzigingsbevoegdheden zijn komen te vervallen wordt gebruik gemaakt van een wijziging van het geldende omgevingsplan van rechtswege met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM).

Over een deel van de locatie is daarnaast de functie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' gelegen. Hierbinnen gelden aanvullende voorwaarden wanneer nieuwe bebouwing wordt opgericht. Op basis van artikel 24.2 zijn nieuwe gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen deze functie niet toegestaan. Op basis van artikel 24.3 kan hiervan worden afgeweken, mits advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is advies ingewonnen bij de leidingbeheerder, zijnde TenneT. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling, mits aan de in het advies opgenomen punten wordt voldaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de punten zoals zijn opgenomen in het advies in acht genomen en is er sprake van een goede afstemming met TenneT, waarmee de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Het advies van TenneT is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van verharding buiten het bouwvlak. Op basis van artikel 3.1 zijn de gronden binnen de functie 'Agrarisch - 1' eveneens bestemd voor voorzieningen als perceelsontsluitingen en dergelijke, waarmee de verharding buiten het bouwvlak kan worden toegestaan. Wel is voor verhardingen van meer dan 200 m² buiten een bouwvlak een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning) nodig. Vanuit artikel 3.6.4 van het omgevingsplan gelden daarvoor de volgende voorwaarden:

  • er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden;
  • het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik;
  • de waterhuishoudkundige situatie mag niet onevenredig worden aangetast;
  • ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning landschap en recreatie" mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het landschap en het reliëf.

Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden:

Het landschap ter plaatse wordt gekenmerkt door de openheid. Erfverharding leidt niet tot een verdichting van het landschap. Daarnaast is sprake van de ontwikkeling van een bestaand erf met een reeds bestaand ruimtebeslag. Dit ruimtebeslag zal niet onevenredig toenemen. Daarnaast zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede, bij het landschap passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 10 van deze toelichting), waarin is aangesloten bij de waardevolle kenmerken en kwaliteiten van het landschap. Daarmee is in voldoende mate geborgd dat de landschappelijke waarden niet zullen worden aangetast.

Het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een agrarisch bedrijf en niet van recreatief medegebruik.

Een goede ontsluiting is onmisbaar voor een doelmatige bedrijfsvoering. Hetzelfde geldt voor het hebben van voldoende parkeergelegenheid op het bedrijf. Zonder de verharding kan het bedrijf niet als doelmatig bedrijf worden uitgevoerd. De verharding bij agrarische bedrijven buiten het bouwvlak is in overeenstemming met de overige bedrijven in de omgeving. Bij elk van deze bedrijven is een groot deel van de ontsluiting buiten het bouwvlak gelegen. Door de ruimte van het bouwvlak zoveel mogelijk te benutten voor de agrarische bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende voorzieningen wordt een zo optimaal mogelijke bedrijfsvoering gewaarborgd. De voorgenomen uitbreiding is noodzakelijk voor een zo duurzaam mogelijke bedrijfsvoering. De verharding buiten het bouwvlak is daarmee noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering.

De waterhuishoudkundige situatie mag niet onevenredig worden aangetast:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waterhuishouding en/of de waterhuishoudkundige situatie. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling en er zal geen sprake zijn van een nadelige invloed op het oppervlakte- en/of grondwater.

Ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en recreatie' mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het landschap en het reliëf:

De locatie is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en recreatie', waarmee deze bepaling niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

Zoals blijkt uit het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de voorwaarden voor de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden voldaan, waarmee deze kan worden verkregen en de verharding mogelijk kan worden gemaakt buiten het bouwvlak. De hiervoor noodzakelijke omgevingsvergunning zal te zijner tijd worden aangevraagd.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de voorbereiding en participatie van het plan. Hierbij is beschreven welke stappen zijn gezet tijdens de voorbereiding van het plan en op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op beleidsmatige afweging. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van de Rijksoverheid, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de toetsing van het plan aan de mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Geertruidenberg.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch landschap met landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en een enkel niet-agrarisch bedrijf gelegen.

Op de locatie is momenteel een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve varkenshouderij, gevestigd. Ter plaatse mogen volgens de vigerende vergunning 2.560 gespeende biggen, 180 kraamzeugen, 672 guste- en dragende zeugen, 2 dekberen en 2.825 vleesvarkens gehouden worden.

De gehouden dieren worden momenteel gehuisvest in de ter plaatse aanwezige stallen. Tevens zijn ter plaatse loodsen voor opslag, een bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen en voorzieningen voor de opslag van voer en mest aanwezig.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,5 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het bedrijf uit te breiden naar een omvang van 4.000 gespeende biggen, 220 kraamzeugen, 752 guste en dragende zeugen, 5 dekberen en 3.042 vleesvarkens. In totaal zullen daarmee na realisatie van het initiatief 8.019 dieren worden gehouden.

Daarbij wenst de initiatiefnemer de bedrijfsvoering te optimaliseren en te verduurzamen, waarbij maatregelen getroffen worden om de emissies van het bedrijf te beperken. Voor de gewenste uitbreiding van het aantal dieren en de verdere optimalisatie en verduurzaming van het bedrijf is een uitbreiding van de stalruimte nodig.

De huidige kraamstal aan de zuidwest zijde van het bedrijf is sterk verouderd en dusdanig slecht dat deze vervangen dient te worden. Echter dient het bedrijf, om te kunnen blijven voorzien in voldoende rendement en inkomsten voor het noodzakelijke levensonderhoud, in bedrijf te blijven. Derhalve zal een nieuwe stal worden opgericht aan de zuidzijde van het bedrijf. De huidige kraamstal zal wanneer de nieuw op te richten stal is gebouwd en in gebruik is in zijn geheel worden gesloopt.

De nieuwe stal zal een vrijloopkraamstal worden. Hierin krijgen de gehouden dieren meer leefruimte wat het dierwelzijn van het bedrijf bevordert. Vanwege hygiëne-eisen, brandveiligheid en om het verspreiden van ziektes binnen het bedrijf te voorkomen dient voldoende afstand te worden gehouden tussen de nieuwe vrijloopkraamstal en de bestaande stallen. De gewenste positie aan de zuidzijde van het bedrijf is daarbij de meest efficiënte, doelmatige en optimale mogelijkheid.

De voorgenomen uitbreiding past niet binnen het huidige bouwvlak. Gezien de huidige omvang van het bouwvlak en het feit dat sprake is van een intensieve veehouderij is een verdere uitbreiding (vergroting) van het bouwvlak niet mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan echter wel mogelijk worden gemaakt middels een vormverandering van het bouwvlak. Het bouwvlak zal daarbij dus niet worden vergroot.

Bij de gewenste vormverandering van het bouwvlak zal een deel van de bestaande verharding buiten het bouwvlak komen te liggen. Dit is in overeenstemming met de bouwvlakken van omliggende agrarische bedrijven. Op basis van het geldende omgevingsplan (van rechtswege) kan de verharding buiten het bouwvlak mogelijk worden gemaakt. Wel is voor verhardingen met een oppervlakte van meer dan 200 m² een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning) noodzakelijk. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geldend omgevingsplan" (paragraaf 1.3) kan aan de voorwaarden voor een dergelijke omgevingsvergunning zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan (van rechtswege) worden voldaan, waarmee de verharding buiten het bouwvlak mogelijk is.

Momenteel is een bouwweg aanwezig op de locatie die tijdens de werkzaamheden dient als tweede ontsluiting. Deze zal met de bouw van de nieuwe stal echter komen te vervallen. Er zal geen nieuwe vaste verharde inrit worden aangelegd.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. De volledige situatietekeningen op schaal zijn als bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0004.png"

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is gekozen voor een vorm van een bouwvlak dat strak om de bebouwing heen wordt geprojecteerd. Daarmee ontstaat een meer bijzondere vorm voor een bouwvlak. Als voorwaarde voor de meer bijzondere vorm van het bouwvlak heeft de gemeente aangegeven dat de noodzaak van deze vorm goed moet worden gemotiveerd. Daarnaast dient de wijziging van het bouwvlak noodzakelijk te zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en -ontwikkeling.

Als motivatie voor de doelmatigheid en van de noodzaak voor de vorm van het bouwvlak is een aanvullende onderbouwing opgesteld. Daarbij is voor de noodzaak voor de doelmatige bedrijfsvoering en -ontwikkeling advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). Zij hebben geoordeeld dat de gewenste bedrijfsopzet en -indeling noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering en -ontwikkeling. Daarnaast is een bouwkundig en constructief advies en een advies met betrekking tot brandveiligheid opgenomen. Uit de aanvullende onderbouwing met de daarbij ingewonnen aanvullende adviezen blijkt dat de meer bijzondere vorm van het bouwvlak noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering en -ontwikkeling. Voor de aanvullende motivatie wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

De omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu is voor de beoogde situatie reeds verleend. Voor de beschikking van deze vergunning als ook de bijbehorende milieutekenining wordt verwezen naar bijlage 16 en 17.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0005.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: AURA.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting.

Vanuit gemeentelijk beleid dient bij de landschappelijke inpassing te worden voorzien in een oppervlakte aan landschappelijke elementen van ten minste 10% van het bouwvlak. In het landschappelijk inrichtingsplan is hiermee rekening gehouden en zijn voldoende landschapselementen opgenomen om aan deze eis te kunnen voldoen.

Hiermee wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op het TAM-omgevingsplan die nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van het TAM-omgevingsplan.

3.1 Vooroverleg met de gemeente

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet al uitvoerig overleg met de gemeente plaatsgevonden. De gemeente Geertruidenberg heeft in het kader van het eerder gevoerde overleg aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief.

Omdat het traject voor het wijzigen van de functie op de locatie al in gang is gezet voor de inwerkingtreding van de Omgevingwet is in de eerste instantie ingestoken op een wijziging van het destijds geldende bestemmingsplan met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid.

Gedurende de procedure voor de wijziging van het destijds geldende bestemmingsplan is gebleken dat door de beoordeling van de stukken en de lange proceduretijd de termijn van het in procedure brengen van het plan onder het voormalige recht (de Wet ruimtelijke ordening) niet haalbaar was. Derhalve is met de gemeente in overleg getreden over de te volgen procedure onder de Omgevingswet. Omdat ter plaatse het bouwvlak gewijzigd dient te worden kan de voorgenomen ontwikkeling formeel niet met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) mogelijk worden gemaakt. Daarom is in feite een wijziging van het omgevingsplan nodig. Omdat de gemeente Geertruidenberg nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan het omgevingsplan nog niet worden gewijzigd. Wel is sprake van een "omgevingsplan van rechtswege" dat wel kan worden gewijzigd. In zorgvuldig overleg met de gemeente kan dit met toepassing van een zogenaamde tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarbij het TAM-omgevingsplan wordt voorbereid in afstemming op de systematiek van de Omgevingswet, maar nog wordt gepubliceerd onder de voorheen gebruikte technieken vanuit de Wet ruimtelijke ordening.

Het voorliggende document betreft de toelichting van het TAM-omgevingsplan, waarin het voorgenomen initiatief op de verschillende van belang zijnde aspecten is getoetst en afgewogen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De gemeente heeft daarnaast nog verzocht om een aanvullende motivatie voor de gewenste vorm van het bouwvlak. Deze is, aangevuld met advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, een constructief en bouwkundig advies en een advies met betrekking tot brandveiligheid, opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting.

3.2 Participatie

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een dialoog gehouden met de omgeving. Hierbij zijn omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gebracht van de plannen van de initiatiefnemer en in de gelegenheid gesteld eventuele aandachtspunten en/of verbeterpunten kenbaar te maken. Vanuit de dialoog met de omgeving zijn geen opmerkingen geplaatst en allen wensen de initiatiefnemer veel succes met de plannen. Van de dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt, welk is opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.

Een van de belangrijkste uitgangspunten uit de NOVI is de nieuwe aanpak voor (ruimtelijke) vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Deze nieuwe aanpak richt zich op het uitgangspunt om te werken met een integrale aanpak in plaats van verschillende vraagstukken sectoraal op te pakken. Om te komen tot deze integrale aanpak omschrijft de NOVI vier thema's welke prioriteit hebben:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Vanuit de NOVI geeft de Rijksoverheid kaders en richting voor de nationale belangen, maar legt de verantwoordelijkheid voor het behalen van de doelstellingen bij alle partijen samen. Gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en meer mogelijkheden om eigen beleid te maken binnen de kaders die de Rijksoverheid biedt. Vanuit de Rijksoverheid wordt gestreefd naar de regie op de samenwerking tussen de verschillende partijen en op het bewaken van de nationale belangen.

De Rijksoverheid streeft naar een zogenaamd "omgevingsinclusief" beleid. Daarbij staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal. Om ruimtelijke vraagstukken integraal te kunnen afwegen werkt de NOVI met drie afwegingsprincipes. Deze principes ondersteunen bij het maken van de juiste belangenafweging. Het gaat om de volgende drie principes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • Afwentelen wordt voorkomen.

Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI.

Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of andere stedelijke voorzieningen. Op basis van de definitie voor een stedelijke ontwikkeling is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid.

De omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.

Met de voorgenomen uitbreiding wordt geïnvesteerd in een verdere verduurzaming van het bedrijf. Er wordt meer leefruimte geboden aan de gehouden dieren wat het dierwelzijn op de locatie bevordert. Daarnaast worden emissiebeperkende maatregelen getroffen, wat leidt tot een verminderde emissie van geur, fijnstof en stikstof aan de omgeving. Er is daarmee sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse, sprake van een verminderd effect op belangrijke natuurgebieden, sprake van een vermindering van de mogelijke risico's op de volksgezondheid ter plaatse en sprake van een verminderde uitstoot van broeikasgassen en/of andere mogelijk schadelijke stoffen. Er is daarmee sprake van een verduurzaming van de locatie.

Daarnaast wordt een bestaand sterk verouderd bedrijfsgebouw gesloopt. De nieuw te bouwen bedrijfsbebouwing wordt gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie, waarmee sprake is van een verdere verduurzaming van het bedrijf en van een verbeterde beeldkwaliteit op de locatie.

Op termijn kunnen daarnaast de mogelijkheden worden onderzocht voor het opwekken van duurzame energie. Bij de nieuwbouw zal bij de constructie waar mogelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheden voor het aanleggen van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie.

Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 10 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 5 december 2023 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordening leidend.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de vormverandering van het bouwvlak behorende bij een intensieve veehouderij in het (gemengd) landelijk gebied. Daarbij zal de oppervlakte van het bouwvlak echter niet toenemen.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in het gebied dat is aangemerkt als 'Landelijk gebied' met de nadere aanduiding 'Gemengd landelijk gebied'.

In de verordening zijn voor wat betreft de ontwikkeling van veehouderijen specifieke regels opgenomen. Deze zijn echter alleen van toepassing wanneer sprake is van de vestiging van, de uitbreiding van en/of de omschakeling naar een veehouderij. De intensieve veehouderij van de initiatiefnemer is een reeds bestaande veehouderij op een bestaand bouwvlak. Er is daarmee geen sprake van de vestiging van een veehouderij en/of de omschakeling naar een veehouderij. Onder een uitbreiding van een veehouderij wordt verstaan het vergroten van het bouwvlak van een veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het bouwvlak niet vergroot. Er is daarmee eveneens geen sprake van de uitbreiding van een veehouderij. De regels voor de ontwikkeling van een veehouderij in het (gemengd) landelijk gebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Wel gelden vanuit artikel 5.64 aanvullende eisen aan veehouderijen wanneer sprake is van een toename van de oppervlakte aan dierenverblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe stallen gebouwd, waarmee de oppervlakte aan dierenverblijven zal toenemen. Hiertoe zijn de voorwaarden uit artikel 5.64 van toepassing. Deze luiden als volgt:

" Artikel 5.64 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf

Lid 1

Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied bepaalt voor een veehouderij dat:

  • a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf alleen is toegestaan als:
    • 1. maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
    • 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; en
    • 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder of achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, en die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • b. dieren alleen op de grond worden gehouden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; en
  • c. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a.

Lid 2

Er is sprake van maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1, die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij."

Ad. artikel 5.64, lid 1, sub a, onder 1:

Wanneer sprake is van een zorgvuldige veehouderij is verder bepaald in het tweede lid van artikel 5.64. Daarin is opgenomen dat moet worden voldaan aan de Nadere regels Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Hiertoe is door de provincie een module ontwikkeld waarin op verschillende onderdelen punten kunnen worden behaald wanneer maatregelen voor een duurzame veehouderij worden getroffen. Vanuit de BZV is sprake van een zorgvuldige veehouderij wanneer op elk van de verschillende onderdelen de daarvoor minimaal vereiste score wordt behaald.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de module behorende bij de BZV ingevuld. Uit de toetsing aan de BZV, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting, blijkt dat op elk van de onderdelen aan de daarvoor minimaal vereiste score kan worden voldaan, waarmee sprake is van een zorgvuldige veehouderij.

Ad. artikel 5.64, lid 1, sub a, onder 2:

Zoals nader omschreven in het hoofdstuk "Afweging effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van onevenredige milieuhinder aan de omgeving, worden omliggende functies en/of bedrijven niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt, is geen sprake van een mogelijk verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid en worden geen mogelijk aanwezige waarden en/of soorten onevenredig aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee inpasbaar in de omgeving.

Ad. artikel 5.64, lid 1, sub a, onder 3:

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn met het rekenprogramma V-stacks geurberekeningen van zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting uitgevoerd. Daarbij is gerekend volgens de uitgangspunten en de methode die de provincie hanteert voor het bepalen van de kans op cumulatieve geurhinder. Uit deze berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting, blijkt dat aan de gestelde normen kan worden voldaan.

Ad. artikel 5.64, lid 1, sub b:

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden uitsluitend dieren op de (begane) grond gehouden. Er is geen sprake van het houden van dieren op meerdere bouwlagen.

Ad. artikel 5.64, lid 1, sub c:

Er is geen sprake van een gebruikswijziging van een gebouw, waarbij een gebouw waarin geen dieren werden gehouden wordt gebruikt voor het houden van dieren. Daarmee is deze bepaling niet van toepassing op het voorgenomen initiatief. Daarnaast kan, zoals in het voorgaande omschreven, worden voldaan aan de bepalingen zoals gelden vanuit het bepaalde onder artikel 5.64, lid 1, sub a.

Zoals blijkt uit het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling aan de voorwaarden voor een toename van de oppervlakte aan dierenverblijven bij een veehouderij, zoals zijn opgenomen in artikel 5.64 van de verordening, voldaan.

Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

" Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1

Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Lid 2

Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen in de genoemde artikelen (5.8, 5.9 en 5.10).

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2

Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden."

Ad artikel 5.8, lid 1, sub a:

De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Het bestaande bouwperceel wordt niet vergroot, maar uitsluitend van vorm veranderd. Er is geen sprake van nieuwvestiging. De voorgenomen ontwikkeling vindt daarmee plaats binnen het bestaande ruimtebeslag.

De noodzaak voor de gewenste vorm van het bouwvlak is, verder aangevuld met advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB), bouwkundig en constructief advies en advies met betrekking tot brandveiligheid, verder onderbouwd in de aanvullende motivatie die is opgenomen als bijlage 1 van deze toelichting.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub b:

Zoals reeds omschreven in het voorgaande is sprake van een ontwikkeling binnen het bestaand ruimtebeslag. Er is sprake van slechts een beperkte intensivering van het bestaand ruimtebeslag, het bouwvlak wordt immers niet uitgebreid, waarmee het maximaal toelaatbare ruimtebeslag niet zal toenemen.

Er is daarmee een afweging gemaakt van intensivering en/of meervoudig ruimtegebruik.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub c:

Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub d:

Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel.

Wel is sprake van verharding die deels buiten het bouwvlak komt te liggen. Dit kan echter op grond van het geldende omgevingsplan (van rechtswege) mogelijk worden gemaakt. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geldend omgevingsplan" (paragraaf 1.3) is daarvoor wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde en van werkzaamheden nodig, maar kan aan de voorwaarden daarvoor worden voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub e:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. Er is sprake van één bedrijf op één bouwperceel en dit zal zo blijven.

Ad artikel 5.8, lid 2:

Er is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag. Een uitbreiding van het ruimtebeslag is daarmee niet noodzakelijk. De bepalingen uit het tweede lid zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

" Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1

Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Lid 3

Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid."

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Afweging effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Vanuit de lagenbenadering wordt gekeken naar de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag.

De ondergrond:

In de laag van de ondergrond wordt gekeken naar het bodem- en watersysteem, aardkundige waarden en archeologische waarden.

De bodem ter plaatse bestaat uit een kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei met lichte zavel. Poldervaaggronden zijn bodemtypes die horen bij de hydrokleivaaggronden. Dit zijn zavel- en kleigronden waarin periodieke hoge grondwaterstanden kunnen voorkomen. Deze gronden hebben geen veen binnen 80 centimeter en geen donkere bovengrond. Het is de meest voorkomende subgroep in Nederland en omvatten alle komgronden en vrijwel alle jonge zeekleigronden. De gronden kunnen zowel een zware als een lichte textuur hebben en in de ondergrond kunnen klei- en zandlagen voorkomen. De gronden kunnen een wisselend stadium van ontkalking hebben, waardoor deze zowel kalkrijk als kalkloos kunnen zijn. In de poldervaaggronden heeft enige bodemvorming plaatsgevinden en de gronden zijn geheel gerijpt.

De bodem ter plaatse heeft het profielverloop 5. Dit profielverloop omvat de homogene, aflopende of oplopende profielen waarin geen ernstige storingen voorkomen. In het algemeen zijn dit de landbouwkundig goede profielen.

De gronden ter plaatse zijn daarmee uitermate geschikt voor agrarisch gebruik. Met het initiatief is sprake van een agrarisch bedrijf. Er is echter geen sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het agrarisch gebruik van de gronden door het bedrijf is daarmee beperkt. Echter past een agrarisch bedrijf goed in de omgeving en in het bodemprofiel en zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke verstoring daarvan. Met het initiatief zal de bodemlaag niet onevenredig worden aangetast en worden geen activiteiten uitgevoerd die een nadelig effect hebben op de samenstelling daarvan.

Daarnaast is voor wat betreft de bodemgesteldheid een nadere afweging opgenomen in de paragraaf "Bodem" (paragraaf 5.1.7). Daaruit is te concluderen dat het initiatief geen nadelige effecten zal hebben op de bodemgesteldheid en/of op het bodemsysteem.

Voor wat betreft het watersysteem wordt gekeken naar oppervlaktewater en grondwater. In de kalkrijke poldervaaggronden kan periodiek sprake zijn van een hoge grondwaterstand. Ter plaatse van de locatie ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand echter vrij diep (tussen de 77 en 95 centimeter onder maaiveld), waardoor weinig overlast wordt verwacht door de grondwaterstand. Verder worden geen activiteiten uitgevoerd die het grondwater kunnen verontreinigen en is geen sprake van activiteiten die leiden tot een wijziging van het grondwaterpeil.

Nabij de locatie zijn geen grote oppervlaktewateren gelegen. Het oppervlaktewater in de omgeving bestaat uit watergangen die een afvoerende en bergende werking hebben. Met het initiatief wordt voorzien in voldoende compenserende waterberging om overlast door overvloedige neerslag te voorkomen. Verder vinden geen wijzigingen plaats aan het systeem van oppervlaktewateren in de omgeving en worden geen activiteiten uitgevoerd die het oppervlaktewater verontreinigen. Er is daarnaast geen sprake van een mogelijke aantasting van het afvoerend en/of bergend vermogen van de watergangen in de omgeving. Ook vinden geen werkzaamheden of activiteiten plaats in de beschermingszones van de betreffende watergangen.

Een verdere afweging van het watersysteem en de mogelijke effecten daarop is daarnaast gemaakt in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5). Uit die afweging is te concluderen dat er met het initiatief geen sprake is van mogelijk nadelige effecten op het watersysteem.

De locatie is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Aardkundig waardevolle gebieden" (paragraaf 5.3.3), niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijk nadelige effecten ten aanzien van aardkundige waarden.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Archeologische waarden" (paragraaf 5.3.1) zal met het initiatief geen sprake zijn van nadelige effecten op archeologische waarden.

Met het initiatief zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op de laag van de ondergrond.

De netwerklaag:

In de netwerklaag wordt voornamelijk gekeken naar het natuurnetwerk, het energienetwerk, de infrastructuur inclusief waterwegen en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

Het natuurnetwerk bestaat naast het Natuurnetwerk Nederland, dat is opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant, uit Natura 2000-gebieden en houtopstanden.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Natuur en natuurlijke waarden" (paragraaf 5.2) is de locatie niet in of nabij het Natuurnetwerk Brabant en/of Natura 2000-gebieden gelegen en zal met het initiatief geen sprake zijn van activiteiten met mogelijk nadelige effecten op deze gebieden. Daarnaast worden geen houtopstanden geveld. Daarmee zal met het initiatief geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op het natuurnetwerk.

Het energienetwerk bestaat voornamelijk uit zowel bovengrondse als ondergrondse verbindingen zoals hoogspanningsverbindingen en buisleidingen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Veiligheid in de leefomgeving" (paragraaf 5.1.6) is de locatie niet in het aandachtsgebied van buisleidingen gelegen. De locatie is daarmee ver genoeg van buisleidingen gelegen, waarmee het initiatief geen nadelige gevolgen op buisleidingen zal hebben.

Er is geen sprake van nabijgelegen ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Wel is nabij de locatie een bovengrondse hoogspanningsverbinding gelegen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Hoogspanningsverbindingen" (paragraaf 5.1.9) is voor het initiatief, waarbij sprake is van een ontwikkeling nabij een bovengrondse hoogspanningsverbinding, advies ingewonnen bij de net- en leidingbeheerder. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben ten aanzien van het initiatief. Wel hebben zij enkele voorwaarden gesteld waaraan voldaan moet worden. Aan de gestelde voorwaarden zal worden voldaan, waarmee geen nadelige effecten zullen optreden ten aanzien van de betreffende hoogspanningsverbinding.

De locatie is aangesloten op het energienet. Er is momenteel geen sprake van teruglevering van energie. Daarmee wordt het energienet niet verder belast. Het initiatief zal daarmee geen nadelige effecten hebben op het energienetwerk.

Voor wat betreft de infrastructuur is gekeken naar Rijks(vaar)wegen, spoorwegen, provinciale wegen en overige wegen. Zoals blijkt uit de afweging die daarvoor is gemaakt in de paragraaf "Infrastructuur" (paragraaf 5.4.1) zal met het initiatief geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de infrastructuur in de omgeving. Er is daarnaast, zoals mede omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5), geen sprake van een mogelijke aantasting van waterwegen.

Daarnaast zal het initiatief niet leiden tot een toename van de parkeerbehoefte en wordt volledig op eigen terrein geparkeerd, waarmee de parkeerdruk op de openbare ruimte niet toeneemt. Verder zijn geen aanpassingen of wijzigingen aan de bestaande infrastructuur nodig. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de infrastructuur.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.3) zal met het initiatief geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Er is geen sprake van een uitbreiding van het personeel en er is geen sprake van een onevenredige groei in de aan- en afvoer. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige toename van het personen- en goederenvervoer. De huidige wegen zijn ruimschoots geschikt voor de huidige afwikkeling van het personen- en goederenvervoer en er zijn geen problemen met de afwikkeling van het verkeer in de huidige situatie. Omdat er met het initiatief geen sprake is van een onevenredige toename van het personen- en goederenvervoer zal het initiatief niet leiden tot mogelijke problemen ten aanzien van de verkeerafwikkeling. Met het initiatief zal daarmee geen sprake zijn van nadelige effecten op een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

Met het initiatief zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op de netwerklaag.

De bovenste laag:

Vanuit de bovenste laag wordt voornamelijk gekeken naar de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functies en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies en naar de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Cultuurhistorische waarden" (paragraaf 5.3.2) zal met het initiatief geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van cultuurhistorische waarden. Daarnaast zal met het initiatief, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. De voorgenomen landschappelijke inpassing is verder uitgewerkt in een landschappelijk inrichtingsplan. Daarin is een afweging gemaakt van de landschappelijke waarden van het gebied waarin de locatie is gelegen en is de landschappelijke inpassing dusdanig vormgegeven dat deze aansluit bij de landschappelijke waarden en deze waar mogelijk juist versterkt. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van landschappelijke waarden.

Met het initiatief is sprake van een intensivering van het ruimtebeslag. Er wordt immers een vormverandering aangevraagd om meer bebouwingsmogelijkheden te creëren binnen de maximale mogelijkheden. De maximale omvang van een veehouderij wordt daarmee echter niet overschreden. De daadwerkelijke uitbreiding in vergelijking met het huidige bebouwde erf is daarnaast echter relatief kleinschalig. De totale omvang van de bebouwing in de gewenste situatie is slechts beperkt groter dan de bebouwing in de huidige situatie. Daarnaast wordt een deel van de nieuwe bebouwing aan het zicht onttrokken door bestaande bebouwing en/of door landschappelijke inpassing. De impact op de omgeving is daarmee zeer beperkt. Daarnaast zijn in de directe omgeving voornamelijk agrarische bedrijven met een vergelijkbare omvang of een grotere omvang gelegen. Ook bij deze bedrijven is het bouwvlak compact ingericht en vrijwel geheel benut. Het initiatief sluit daarmee aan bij de weergave van andere agrarische bedrijven in het landschap. Er is daarmee geen sprake van een gebiedsvreemde ontwikkeling. Het initiatief sluit voor wat betreft bebouwing en omvang goed aan bij de bedrijven in de omgeving en is daarmee passend op de locatie.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 5.1.1) is geen sprake van een mogelijke belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. Daarnaast is geen sprake van een overschrijding van de normen op de verschillende milieuaspecten op gevoelige functies in de omgeving. Er zijn geen voorzienbare toekomstige ontwikkelingen gepland nabij de locatie. De eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het nabijgelegen bedrijf worden niet beperkt. Het initiatief zal daarmee geen nadelige effecten hebben op bestaande en/of toekomstige functies in de omgeving.

De mogelijke effecten op de lucht, het milieu, de veiligheid en een gezonde leefomgeving zijn afgewogen in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 5.1). Uit deze afweging is te concluderen dat het initiatief niet zal leiden tot nadelige gevolgen op de betreffende aspecten.

Met het initiatief zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op de bovenste laag.

Vanuit het voorgaande is te concluderen dat met het initiatief geen sprake zal zijn van onevenredig nadelige effecten op de lagen afzonderlijk. Daarnaast dient gekeken te worden of sprake is van mogelijke effecten op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar.

Er is met het initiatief echter geen sprake van ingrijpende wijzigingen aan één of meerdere van de lagen. Er is geen sprake van nadelige effecten die mogelijk doorwerken op de andere lagen. Hoewel het initiatief raakvlakken heeft met elk van de lagen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting daarvan. Daarmee is geen sprake van effecten op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar.

Ten slotte moet worden gekeken naar het actief benutten van de factor tijd. Daarbij wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen en de toekomstwaarde vanuit duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

De locatie is gelegen in een polder die vanaf halfweg de 19e eeuw is ontgonnen tot landbouwpolder. Aan het eind van de 19e eeuw en aan het begin van de 20e eeuw heeft de bebouwing zich ontwikkeld in de polder en zijn de eerste boerderijen gevestigd. Met de aanleg van de snelwegen A27 en A59 halfweg de 19e eeuw heeft de polder zich verder ontwikkeld tot de huidige polder. Van begin af aan heeft de agrarische sector een grote rol gespeeld in de polder. De ontwikkeling van de huidige varkenshouderij in de jaren '60 van de vorige eeuw past goed in het gebied en maakt deel uit van het verleden van de polder.

De waarden van de verschillende lagen liggen vooral in de landschappelijke en cultuurhistorische aard. Deze waarden zullen niet worden geschaad en deels worden versterkt met het initiatief. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de leesbaarheid van het landschap en de herkomst daarvan.

Er is geen sprake van onomkeerbare effecten op de lagen. Er vinden immers geen wijzigingen aan de structuren van het landschap, de netwerken en de infrastructuur plaats. Een mogelijke uitzondering daarop kan de depositie van stikstof op de daarvoor gevoelige natuurgebieden zijn. Zoals echter aangetoond in de paragraaf "Natura 2000-gebieden" (paragraaf 5.2.1) zal met het initiatief geen sprake zijn van een toenemende depositie op de betreffende gebieden. Er is daarmee geen sprake van onomkeerbare effecten.

Met het initiatief wordt geïnvesteerd in een toekomstbestendig en meer duurzaam bedrijf. Daarbij wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van de best beschikbare technieken en wordt ingezet op het verminderen van de emissies van het bedrijf om overlast en nadelige effecten, ook voor de lange termijn, te voorkomen. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die bijdraagt aan de toekomstwaarde vanuit duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

Op basis van het voorgaande wordt de factor tijd actief benut en zijn onevenredig nadelige effecten op de verschillende lagen uit te sluiten.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Lid 1

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."

Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.11 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 5.11 is het volgende opgenomen:

" Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1

Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2

Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:

  • a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of
  • b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.

Lid 3

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:

  • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
  • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
  • c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
  • d. het wegnemen van verharding;
  • e. het slopen van bebouwing ;
  • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of
  • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4

Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken."

Met de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd (zie bijlage 10 van deze toelichting). Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 5.11 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. De te slopen bebouwing is reeds verouderd en niet langer passend op de plaats waarop deze momenteel is gepositioneerd. Sloop van bebouwing is in artikel 5.11 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de (TAM-)Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Geertruidenberg

De gemeente Geertruidenberg heeft op 3 juni 2021 de Omgevingsvisie Geertruidenberg vastgesteld. Deze visie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van omgevingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

Vanuit de omgevingsvisie is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'Agrarisch gebied open landschap'.

Het gebied met open landschap is sterk agrarisch, wat er mede voor zorgt dat het landschap open is. Agrarische bedrijven zijn hier de belangrijkste gebruiker van het gebied. In dit deel van het buitengebied wil de gemeente het agrarische karakter behouden en de openheid van het landschap behouden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de verdere ontwikkeling van een agrarisch bedrijf. Dit sluit goed aan bij de doelstellingen die de gemeente heeft in dit gebied. De voorgenomen ontwikkeling draagt namelijk bij aan een agrarisch gebruik van het gebied. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een vormverandering van het bouwvlak voor een nieuwe stal aan de zuidzijde van de locatie. De nieuwe stal wordt voor een groot deel opgericht voor de bestaande silo's voor de opslag van mest, waardoor het zicht naar het open landschap niet in grote mate verder wordt belemmerd. Daarnaast vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats ter plaatse van een bestaand bedrijf. Met de vormverandering van het bouwvlak wordt het maximaal toelaatbare ruimtebeslag niet vergroot. De impact van de voorgenomen ontwikkeling op de openheid van het landschap is daarmee beperkt, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de openheid van het landschap.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen voor het gebied dat is aangemerkt als 'Agrarisch gebied open landschap'.

Verder heeft de gemeente in de omgevingsvisie nog algemene uitgangspunten opgenomen voor de agrarische sector. De gemeente wil daarbij inzetten op een duurzame landbouw. Daarbij wordt ruimte geboden aan de agrarische ondernemers, maar wordt aandacht gevraagd voor manieren om de landbouw veder te verduurzamen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt ruimte gevraagd voor een verdere ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Daarbij wordt geïnvesteerd in een verdere verduurzaming van het bedrijf. Aan de gehouden dieren in de nieuwe stal wordt meer ruimte geboden, wat het dierwelzijn op de locatie bevordert. Daarnaast worden emissiebeperkende maatregelen getroffen, waardoor de emissies van het bedrijf verder afnemen. Dit draagt bij aan een verbeterd woon- en leefklimaat in de omgeving. Verder worden in de bedrijfsvoering processen geoptimaliseerd. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de verdere verduurzaming van de landbouw en sluit daarmee goed aan op de algemene doelstellingen die de gemeente in de omgevingsvisie heeft opgenomen ten aanzien van de agrarische sector.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Geertruidenberg van gemeente Geertruidenberg.

4.3.2 Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016

Vanuit het ruimtelijke beleid van de provincie is het van belang dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gepaard gaan met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Geertruidenberg heeft daarom het reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016 vastgesteld. In het reglement is opgenomen op welke wijze en in welke mate nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

In het reglement wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende categorieën nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze zijn als volgt:

  • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed. Dit zijn hoofdzakelijk ontwikkelingen die passen binnen de vigerende planologische kaders of vergunningsvrij gerealiseerd kunnen worden.
  • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. Deze categorie betreft ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en (traditioneel) als passend binnen en eigen aan het landelijk gebied worden beschouwd. Of ontwikkelingen die in gebieden plaatsvinden die specifiek aangewezen zijn voor bepaalde ontwikkelingen.
  • Categorie 3: Ontwikkelingen welke vallen onder categorie 3 zijn ruimtelijke ontwikkelingen waar vanwege de aard en/of schaal van de ontwikkeling niet meer te onderbouwen is dat deze tot categorie 1 of 2 behoren. Deze ontwikkelingen hebben over het algemeen een beduidende invloed op de omgeving door vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of substantiële bestemmingswijziging. Ook niet aan het buitengebied gebonden ontwikkelingen vallen in principe onder categorie 3.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 1 wordt geen aanvullende kwaliteitsverbetering geëist. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 2 geldt dat de kwaliteitsverbetering plaatsvindt door ter plaatse te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling in categorie 3 valt dan dient de kwaliteitsverbetering plaats te vinden door middel van een investering in de ruimtelijke kwaliteit op basis van een percentage van de met de beoogde ontwikkeling behaalde winst door de wijziging van de functie. Een deel van deze investering dient dan op of nabij de locatie zelf plaats te vinden.

In het reglement is een lijst opgenomen van ruimtelijke ontwikkelingen die vallen onder categorie 1 en/of categorie 2.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de vormverandering van een agrarisch bouwvlak. Dit wordt vanuit het reglement gezien als een ontwikkeling in categorie 2. De vormverandering is ten behoeve van een intensieve veehouderij. In de lijst met ontwikkelingen behorende bij categorie 2 is eveneens een uitbreiding van een intensieve veehouderij opgenomen, mits 10% van het bouwvlak aan landschappelijke elementen wordt aangelegd ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing.

De voorgenomen ontwikkeling is daarmee aan te merken als een ontwikkeling in categorie 2. Hiervoor dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Omdat sprake is van een intensieve veehouderij geldt als aanvullende voorwaarde dat voor minimaal 10% van de oppervlakte van het bouwvlak aan landschappelijke elementen moet worden aangelegd.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd (zie bijlage 10 van deze toelichting). Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt voorzien in voldoende landschappelijke elementen dat de vereiste oppervlakte van minimaal 10% van het bouwvlak wordt behaald. Verder wordt voorzien in een landschappelijke inpassing die goed aansluit bij het landschap in de omgeving en de landschappelijke elementen in het gebied waarin de locatie is gelegen, waarmee sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die gelden voor een ontwikkeling in categorie 2.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn verwoord in het Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016 van de gemeente Geertruidenberg.

Hoofdstuk 5 Afweging effecten op de fysieke leefomgeving

Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.

5.1 Milieu

5.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Er is in dit plan getoetst aan de Brochure bedrijven en milieuzonering uit 2009.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden.

Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft geen gebied dat is aan te merken als het gebiedstype 'gemengd gebied'. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve uitgegaan van de standaard richtafstanden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' uit de VNG handreiking.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij.

Ten aanzien van varkenshouderijen zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 200 meter.
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 50 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

Het dichtstbijzijnd gevoelig object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Werfkampenseweg 17. Dit betreft een bedrijfswoning bij een pluimveehouderij.

De afstand van deze agrarische bedrijfswoning tot aan het bedrijf van de initiatiefnemer bedraagt, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, ongeveer 35 meter (zie onderstaand figuur). Daarmee wordt niet aan de richtafstanden voor geur en geluid voldaan. Aan de overige richtafstanden wordt voldaan. Voor de aspecten geur en geluid is daarmee een aanvullende motivatie nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0006.png"

Afstand tot dichtstbijzijnde gevoelig object
Bron: Regels op de kaart

Verder zijn binnen 200 meter van de locatie geen andere bedrijven en/of woningen gelegen.

Van de richtafstanden kan worden afgeweken indien voldoende wordt onderbouwd dat aan de geldende normen kan worden voldaan.

Voor wat betreft geur is in de paragraaf "Geur" (paragraaf 5.1.2) nader gemotiveerd op welke wijze aan de geldende normen voor geur kan worden voldaan. Voor wat betreft geluid betreft het industrielawaai, dit is in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 5.1.3) nader gemotiveerd op welke wijze aan de geldende normen voor geluid kan worden voldaan.

Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

5.1.2 Geur

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

Gemeentelijk beleid
De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde “bruidsschat” van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De “bruidsschat” valt onder het zogenaamde “omgevingsplan van rechtswege” en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Vanuit het geldende omgevingsplan geldt dat een aanvraag voor een veehouderij wordt geweigerd als de voorgrond geurbelasting op geurgevoelige gebouwen:

  • gelegen buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8.0 odeurunits (ouE) per m³ lucht;

gelegen binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2.0 ouE per m³ lucht.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. In afwijking van de wettelijk geldende afstanden heeft de gemeente Geertruidenberg in artikel 3 en 4 van de geldende "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Geertruidenberg", geldend vanaf 31 december 2010 tot en met heden, opgenomen dat de minimaal aan te houden afstand van een dierenverblijf 50 meter tot een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwde kom en 25 meter tot een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwde kom moet bedragen. Dit geldt voor zowel het emissiepunt van een dierenverblijf als voor de gevel van een dierenverblijf. Voor het afwijken van de wettelijk geldende vaste afstanden uit het Bkl met een kleinere afstand (tot minimaal de grenswaarde van 25 meter) is een aanvullende motivatie nodig van de gemeente waarom zij een kleinere afstand hanteren. Bij het vaststellen van de huidige "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Geertruidenberg" is een geurgebiedsvisie opgesteld die als uitgangspunt dient voor de aangepaste afstanden. Deze geurgebiedsvisie dient als nadere uitgebreide motivatie voor het hanteren van de afwijkende afstand.

In artikel 2 van de "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Geertruidenberg" is opgenomen dat als gebied, zoals bedoeld in artikel 6.1 lid 1 en lid 3, is aangewezen het gehele grondgebied van de gemeente. De locatie valt daarmee ook binnen het werkingsgebied van de geldende geurverordening van de gemeente, waarmee de afwijkende afstanden, zijnde 25 meter voor het emissiepunt van de stal tot een geurgevoelig object van derden) ook op de locatie van toepassing zijn.

De locatie is gelegen buiten het concentratiegebied. Daarmee geldt dat de voorgrond geurbelasting op geurgevoelige gebouwen in de omgeving maximaal 8 ouE/m³ mag bedragen wanneer deze buiten de bebouwde kom liggen en maximaal 2 ouE/m³ mag bedragen wanneer deze binnen de bebouwde kom liggen. Voor de achtergrond geurbelasting geldt dat deze op geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwde kom 10 ouE/m³ en op geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom 5 ouE/m³ mag bedragen. Aan de vaste afstanden tussen dierenverblijven en geurgevoelige gebouwen dient eveneens altijd te worden voldaan.

De aanvaardbaarheid van een planologishe ontwikkeling wordt tevens afgewogen aan de aanvaardbaarheid van de geurhinder voor haar omgeving. Door het ontbreken van gemeentelijke normen zijn de normen van de GGD als toetsingskader genomen en deze zijn als volgt:

  • Binnen de bebouwde kom wordt maximaal 12% gurgehinderden als acceptabel beschouwd.
  • Buiten de bebouwde kom wordt maximaal 20% geurgehinderden als acceptabel beschouwd.


Toetsing
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn geurberekeningen gemaakt met het verspreidingsmodel V-stacks, waarin zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting is berekend en is berekend wat de kans is op cumulatieve geurhinder volgens de provinciale normen en rekenmethodiek.

Uit deze berekeningen blijkt dat de hoogst berekende voorgrond- en achtergrondgeurbelasting op geurgevoelige gebouwen als volgt is:

Adres   Binnen/buiten bebouwde kom   Afstand   Geurbelasting voorgrond
 
Geurbelasting achtergrond  
Werfkampenseweg 12   Buiten bebouwde kom   375 meter   3,9 ouE/m³   3,9 ouE/m³  
Werfkampenseweg 25   Buiten bebouwde kom   680 meter   2,2 ouE/m³   6,46 ouE/m³  
Rijvoortshoef 200   Binnen bebouwde kom   614 meter   2,2 ouE/m³   2,67 ouE/m³  
Rijvoortshoef 275   Binnen bebouwde kom   605 meter   2,2 ouE/m³   2,76 ouE/m³  
Lissenveld 30   Binnen bebouwde kom   580 meter   1,6 ouE/m³   2,81 ouE/m³  

Voor de volledige resultaten van de berekeningen wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting.

Met de berekeningen zijn de voor- en achtergrondbelasting op diverse bepalende geurgevoelige objecten in beeld gebracht. De hoogte van de geurbelasting zal beoordeeld moeten worden. Is deze aanvaardbaar of niet?

Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is voor de aanvaardbaarheid indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Dus als de achtergrondbelasting bijvoorbeeld 20 ouE/m³ bedraagt, hoeft de voorgrondbelasting alleen te worden beschouwd als die 10 ouE/m³ of meer bedraagt. Op grond hiervan zijn twee situaties te onderscheiden:

  • 1. Bedraagt de voorgrondbelasting minder dan de helft van de achtergrondbelasting, dan is de achtergrondbelasting bepalend voor de hinder.
  • 2. Als de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrondbelasting, dan zal de voorgrondbelasting altijd tot het hoogste geurhinderpercentage leiden.

Middelsonderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt of de voorgrond- of achtergrondbelasting maatgevend is.

Adres   Geurbelasting voorgrond
 
Geurbelasting achtergrond   Bepalend  
Werfkampenseweg 12   3,9 ouE/m³   3,9 ouE/m³   Voorgrond  
Werfkampenseweg 25   2,2 ouE/m³   6,46 ouE/m³   Achtergrond  
Rijvoortshoef 200   2,2 ouE/m³   2,67 ouE/m³   Voorgrond  
Rijvoortshoef 275   2,2 ouE/m³   2,76 ouE/m³   Voorgrond  
Lissenveld 30   1,6 ouE/m³   2,81 ouE/m³   Voorgrond  

Met deze bepalende voor- en achtergrondbelasting worden de geurhinderpercentages afgeleid. Hiervoor zijn tabellen afkomstig van het IPLO gebruikt, welke te raadplegen zijn via:https://iplo.nl/thema/toepassing-regels-praktijk/veehouderijen/geur-veehouderijen/bepalen-geurhinder-geurbelasting-veehouderij/. Daarbij is het uitgangspunt van de GGD dat 12% geurgehinderden binnen de bebouwde kom en 20% geurgehinderden buiten de bebouwde kom als aanvaardbaar beschouwd wordt.

Adres   Bepalende geurbelasting   % geurgehinderden   Norm  
Werfkampenseweg 12   3,9 ouE/m³ (voorgrond)   18%   20%  
Werfkampenseweg 25   6,46 ouE/m³ (achtergrond)   15%   20%  
Rijvoortshoef 200   2,2 ouE/m³ (voorgrond)   12%   12%  
Rijvoortshoef 275   2,2 ouE/m³ (voorgrond)   12%   12%  
Lissenveld 30   1,6 ouE/m³ (voorgrond)   10%   12%  

Uit bovenstaande uiteenzetting blijkt dat buiten de bebouwde kom aan de Werfkampsenseweg 12 het percentage geurgehinderden 18% bedraagt. Dit is minder dan de norm van 20% en daarmee is de geurbelasting op de gevoelige objecten in het buitengebied aanvaardbaar. Tevens blijkt dat binnen de bebouwde kom aan de Rijvoortshoef 200 en Rijvoortshoef 275 het percentage geurgehinderden 12% bedraagt. Dat is gelijk aan de norm van 12% en daarmee is de geurbelasting op de gevoelige objecten binnen de bebouwde kom eveneens aanvaardbaar. Er zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.

Daarnaast bedraagt de afstand van de locatie tot aan de dichtstbijzijnde woning (zijnde de agrarische bedrijfswoning aan de Werfkampenseweg 17), gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, ongeveer 35 meter, waarmee eveneens aan de vaste afstanden (minimaal 25 meter voor emissiepunt stal tot aan gevel geurgevoelig object en eveneens minimaal 25 meter voor gevel stal tot aan gevel gevoelig object) wordt voldaan. Zie onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0007.png"
Afstand tot dichtstbijzijnde gevoelig object
Bron: Regels op de kaart.

Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.

Op de locatie zelf is een bedrijfswoning aanwezig. Gezien de bedrijvigheid op hetzelfde erf plaatsvindt kan sprake zijn van een overschrijding van de normen zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan. In artikel 22.93 van de bruidsschat (het geldende omgevingsplan) is opgenomen dat de waarden voor geur die vanuit een bedrijf mag worden veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen en de afstanden die moeten worden aangehouden tot geurgevoelige gebouwen niet van toepassing zijn op geur door een activiteit op of in een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. De bedrijfswoning heeft een functionele binding met het bedrijf van de initiatiefnemer, waarmee deze woning voor de beoordeling van de geurbelasting aan de omgeving buiten beschouwing kan worden gelaten.

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
Als een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geurgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geur zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geurgevoelige gebouwen. Omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten zullen daarmee niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Conclusie
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.

5.1.3 Geluid

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde “bruidsschat” van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De “bruidsschat” valt onder het zogenaamde “omgevingsplan van rechtswege” en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Geluidhinder aan de omgeving:

In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Bij agrarische bedrijven is alleen een akoestisch onderzoek naar industrielawaai nodig als sprake is van meer dan vier transportbewegingen met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram in de periode tussen 19:00 en 6:00 binnen 50 meter geluidsgevoelige gebouwen.

Bij het initiatief vinden niet meer dan vier transportbewegingen met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram in de periode tussen 19:00 en 6:00 plaats, waarmee een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Wel moet gemotiveerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau ter plaatse van omliggende geluidgevoelige objecten.

Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin normen voor geluid zijn vastgelegd om de aanvaardbaarheid aan te tonen, is het bepaalde in de bruidsschat van toepassing. Daarin worden de volgende normen gesteld:

  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur: 50 dB(A).
  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in avondperiode van 19.00 tot 23.00 uur: 45 dB(A).
  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur: 40 dB(A).
  • Maximaal geluidniveau (LAMAX) in dagperiode: 70 dB(A).
  • Maximaal geluidniveau (LAMAX) in avondperiode: 65 dB(A).
  • Maximaal geluidniveau (LAMAX) in nachtperiode: 60 dB(A).

Bij de behandeling van de reeds verleende omgevingsvergunning voor milieu is de geluidsbelasting, waarvan de beoogde situatie exact overeenkomt met het initiatief dat nu voorligt, beoordeeld. Uit deze beoordeling volgt dat in de beoogde situatie voldaan kan worden aan de volgende normen:

  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in dagperiode: 45 dB(A).
  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in avondperiode: 40 dB(A).
  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in nachtperiode: 35 dB(A).
  • Maximaal geluidniveau (LAMAX) in dagperiode: 70 dB(A).
  • Maximaal geluidniveau (LAMAX) in avondperiode: 65 dB(A).
  • Maximaal geluidniveau (LAMAX) in nachtperiode: 60 dB(A).

Daarbij mag, in afwijking van de opgenomen normen, maximaal 12 dagen per kalenderjaar op de dagen dat in de nachtperiode varkens worden afgevoerd het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, ter plaatsen van de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 65 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

Deze normen zijn ook middels een voorschrift in de vergunning geborgd en mogen in het kader van deze wijziging van het omgevingsplan gezien worden als maatwerkregels.

Het meest nabijgelegen geluidgevoelige object van derden betreft de bedrijfswoning aan Werfkampenseweg 17. Deze woning ligt op een afstand van 43 meter van de toegangsweg van de initiatieflocatie en nog verder af van de locaties waar de geluid relevante buitenactiviteiten plaatsvinden en waar ventilators en luchtwassers worden gesitueerd. Het is, gezien de afstanden, aannemelijk dat in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de woning aan de Werfkampenseweg 17 kan worden voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode alsmede aan de grenswaarden van het maximale geluidniveau van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A).

Daarnaast is voor de huidige situatie, waarvoor in 2009 een omgevingsvergunning voor milieu is verleend, in het verleden middels een akoestisch onderzoek in beeld gebracht. In de beschikking van de verleende omgevingsvergunning voor milieu uit 2009 is opgenomen dat destijds middels het akoestisch onderzoek is aangetoond dat aan de in de omgevingsvergunning voor milieu opgenomen normen wordt voldaan met de vergunde bedrijfssituatie. De hoogst berekende waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt 45 dB(A) etmaalwaarde. Verder is in de omgevingsvergunning voor milieu opgenomen dat in de representatieve bedrijfssituatie aan het maximaal toelaatbare piekniveau wordt voldaan en dat bij het afvoeren van varkens in de nachtperiode, de incidentele bedrijfssituatie, sprake is van een maximale geluidbelasting van 65 dB(A), maar dat daarbij de richtwaarde van 35 dB(A) in de nachtperiode voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) niet wordt overschreden. De huidige situatie voldoet daarmee aan de normen die gelden voor het geluid.

In de gewenste situatie zal de geluidhinder aan de omgeving niet toenemen, waarmee de geldende normen ook in de gewenste situatie niet zullen worden overschreden. In onderstaande is nader gemotiveerd waarom.

Het geluid afkomstig van de veehouderij heeft naast ventilatoren hoofdzakelijk (bedrijfs)verkeer als bron. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een regelmatig patroon van verkeersbewegingen i.v.m. het continue karakter van de varkensproductie en de daaraan gerelateerde verkeersbewegingen. Het verkeersaanbod zal door de uitbreiding van de varkenshouderij beperkt toenemen in de dagperiode ten opzichte van de bestaande situatie. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen verkeersbewegingen binnen de inrichting en verkeersbewegingen van en naar de inrichting. De ventilatoren zijn na de luchtwassers geplaatst en komen verder weg van de geluidsgevoelige objecten. Dor het efficiënter inzetten van de bezetting van de vrachtwagens is er, ondanks de beperkte toename van het vrachtverkeer, in de dagperiode akoestisch gezien geen verslechtering. De belangrijkste geluidsbronnen zijn hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0008.png"

Tabel geluidsbronnen bedrijfsvoering initiatiefnemer.
Bron: Document "240105 Omgevingsvergunning Milieu Werkampenseweg 18 B190415".

Luchtwassers:

Stal 2:

In de vigerende situatie heeft stal 2, deel B en C (zie doorsneden tekening in bijlage 12), twee ventilatoren van 80 centimeter diameter en twee van 45 centimeter. In de beoogde situatie heeft stal 2, deel B en C twee ventilatoren van 45 centimeter diameter en drie van 50 centimeter. Deel D (zie doorsneden tekening in bijlage 12) is in de vigerende situatie op de luchtwasser bij stal 6 aangesloten, en in de beoogde situatie heeft deze een ventilator van 45 centimeter en twee van 50 centimeter. Doordat er drie ventilatoren bij komen en twee ventilatoren door kleinere worden vervangen, is hierdoor meer geluid. Echter, doordat stal 3 er in de beoogde situatie niet vlak naast staat en de andere stallen ventilatoren verder naar achter hebben is er minder overlap met het geluid van stal 2.

(Zie hieronder.)

Stal 3 en Stal 9:

In de vigerende situatie heeft stal 3 vijf ventilatoren van 40 centimeter diameter en drie van 45 centimeter. Deze wordt gesloopt en vervangen met stal 9, die drie ventilatoren van 82 centimeter diameter heeft. Grotere ventilatoren kunnen meer ventileren zonder op maximum capaciteit te draaien, waardoor ze minder geluid maken. Er zijn in de beoogde situatie ook minder ventilatoren, en deze staan aan de achterkant van de stal, verder van omliggende woningen, en doordat het emissiepunt op 8,5 meter ligt en de nokhoogte 9 meter is liggen de ventilatoren deels geblokkeerd door de stal zelf, waardoor er minder geluid de omliggende woningen bereikt.

Stal 4:

In de vigerende situatie heeft stal 4 twintig ventilatoren van 50 centimeter en twee van 45 centimeter. In de beoogde situatie vier van 50 centimeter, en twee luchtwassers met negen ventilatoren van 82 centimeter aan de achterkant van de stal. Doordat er minder ventilatoren zijn, grotere ventilatoren, en deze aan de achterkant van de stal staan, verder van omliggende woningen, en doordat het emissiepunt op 5,5 meter ligt en de nokhoogte 5,9 meter is liggen de ventilatoren deels geblokkeerd door de stal zelf, waardoor er minder geluid de omliggende woningen bereikt.

Stal 6 en Stal 7:

In de vigerende situatie is er een luchtwasser aangesloten op stal 6 en 7 en deel D van stal 2 (zie doorsnede D op de tekening in bijlage 12) met zes ventilatoren van 80 centimeter diameter. In de beoogde situatie is de luchtwasser aangesloten op stal 6 en 7 met zeven ventilatoren van 82 centimeter. Er is één ventilator meer, maar de ventilatoren zijn groter en ze zijn aangesloten op minder ruimtes. Hierdoor hoeven de ventilatoren niet op maximum capaciteit te draaien, waardoor ze minder geluid maken. Verder zijn de ventilatoren in de vigerende situatie op de stal geplaatst, maar in de beoogde situatie achter de stal, met een emissiepunthoogte van 5,5 meter terwijl de stal een nokhoogte van 8,5 meter heeft. Hierdoor wordt een groot deel van het geluid door de stal zelf geblokkeerd.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

Op de locatie zelf is een bedrijfswoning aanwezig. Gezien de bedrijvigheid op hetzelfde erf plaatsvindt kan sprake zijn van een overschrijding van de normen zoals zijn opgenomen in de vigerende omgevingsvergunning voor milieu en/of in het geldende omgevingsplan. In artikel 22.58 van de bruidsschat (het geldende omgevingsplan) is opgenomen dat de waarden voor geluid die vanuit een bedrijf mag worden veroorzaakt op geluidgevoelige gebouwen niet van toepassing zijn op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. De bedrijfswoning heeft een functionele binding met het bedrijf van de initiatiefnemer, waarmee deze woning voor de beoordeling van de geluidbelasting aan de omgeving buiten beschouwing kan worden gelaten.

Geluidhinder vanuit de omgeving:

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige functie wordt opgericht zal middels een akoestisch onderzoek in dat geval moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de geldende normen vanuit het geldende omgevingsplan. Als de streefwaarde wordt overschreden dan kan met een vastgestelde hogere waarde een hogere geluidsbelasting worden toegestaan.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige functie. Hiermee kan verdere toetsing op dit gebied achterwege blijven en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geluid.

5.1.4 Luchtkwaliteit

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Luchtkwaliteit door activiteiten:

De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

Verder geldt vanuit het omgevingsplan van rechtswege een norm van 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (deeltjes PM10) en stikstofoxiden (NO2). Daarnaast geldt voor de kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) een norm van 25 µg/m³. Daarnaast geldt dat maximaal sprake mag zijn van 35 overschrijdingsdagen.

Om aan te tonen of sprake is van een grootschalig negatief effect op de luchtkwaliteit is een berekening van de emissie van fijnstof gemaakt. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een PM10 concentratie van maximaal 17,05 µg/m³. Het aantal overschrijdingsdagen is maximaal 6. De deeltjes PM2,5 zijn opgenomen in de concentratie van de deeltjes PM10. Omdat de concentratie van de deeltjes PM10 al minder bedraagt dan 25 µg/m³ zal ook de concentratie van deeltjes PM2,5 minder dan 25 µg/m³ bedragen.

Uit de berekening blijkt daarmee dat ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde normen. Hiermee betreft het een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Voor de volledige berekening en de resultaten daarvan wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Luchtkwaliteit vanuit het verkeer:

Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Luchtkwaliteit op de locatie:

Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen.

Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Daarmee is geen verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig.

Echter om aan te tonen dat dat de huidige luchtkwaliteit als aanvaardbaar kan worden beschouwd, wordt alsnog gekeken naar de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden op de planlocatie.

Vanuit het geldende omgevingsplan is sprake van een aanvaardbare luchtkwaliteit wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan 40 µg/m³.

Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse ongeveer 18,3 µg/m³ (fijnstof) en 18,6 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee ter plaatse aanzienlijk minder dan 40 µg/m³, waarmee sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0009.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0010.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.1.5 Volksgezondheid

Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.

Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Omgevingswet bevat geen concreet toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld.

Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.

5.1.5.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0

Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht.

Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving, het geldende omgevingsplan en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht.

Voor de volledigheid is er wel advies opgevraagd bij de GGD en zij hebben geconcludeerd dat de wijziging van het bouwvlak en de bouw an een nieuwe varkensstal niet leidt tot een toename van de gezondheidskundige risico's.Het GGD advies is opgenomen als bijlage 3.

Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0.

5.1.5.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen

Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkens- en pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 1 kilometer.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Daarmee is een nadere toetsing op volksgezondheid ten aanzien van omliggende bedrijven niet noodzakelijk. Wel worden ter plaatse varkens gehouden en dienen gevoelige objecten in de omgeving te worden beschouwd.

Binnen 200 meter van de locatie is uitsluitend het bedrijf aan de Werfkampenseweg 17 gelegen. Voor de agrarische bedrijfswoning bij dit bedrijf is een nadere motivatie voor de endotoxinen nodig vanuit de veehouderij van de initiatiefnemer.

Endotoxinen:

Tussen 2009 en 2011 is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar intensieve veehouderij en gezondheid (IVG). In dit onderzoek zijn duidelijke aanwijzingen gevonden voor gezondheidseffecten bij omwonenden. Dit heeft geleid tot het advies van de Gezondheidsraad "Gezondheidsrisico's bij veehouderijen" (datum 30 november 2012). De raad adviseert daarin onder andere:

  • a. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO).
  • b. Een advieswaarde van 30 EU/m³ voor de maximale blootstelling aan endotoxine in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat er vanuit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxine kan worden beschermd.

In de periode 2012-2016 is het VGO onderzoek uitgevoerd, gefinancierd door de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Economische Zaken. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd en op diezelfde dag door de onderzoekers toegelicht op een symposium in 's-Hertogenbosch.

Over de advieswaarde voor endotoxine wordt in het kabinetsstandpunt uit 2013 aangegeven dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu deze nader zal uitwerken zodat deze norm ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen kan worden toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Hiervoor moet een toetsingskader worden opgesteld. Met het oog op het ontwikkelen van een toetsingskader voor endotoxine hebben de Wageningen UR Livestock Research (WLR) en het IRAS instituut van de Universiteit Utrecht in 2014 de bestaande kennis over endotoxine uitstoot in een literatuurstudie samengevat.

Als vervolg hierop zijn de emissies van endotoxine uit stallen gemeten, is de verspreiding naar de omgeving gemodelleerd en is bepaald of de advieswaarde in de omgeving wordt overschreden. Dit heeft plaats gevonden binnen het kader van het Beleidsondersteunend onderzoek van het Ministerie van Economische Zaken, met financiering van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Provincie Noord-Brabant en Provincie Gelderland. Het onderzoek is uitgevoerd door een projectgroep van WLR, ErbrinkStacks Consult en IRAS.

Zoals bij geur en fijnstof, kan dan met modellering de verwachte blootstelling aan endotoxine in de omgeving worden bepaald. Vervolgens kan getoetst worden of de advieswaarde voor endotoxine in de omgeving overschreden zal worden en of er maatregelen op het bedrijf nodig zijn om de emissie te verminderen.

Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Ook zijn er technieken beschikbaar om de emissie te verminderen. De kennis uit de gepubliceerde onderzoeken moet bijdragen aan de bescherming en bevordering van de gezondheid van omwonenden van veehouderijbedrijven.

Sinds de publicatie van de onderzoeken buigt de Rijksoverheid zich met de veehouderijsectoren, in het bijzonder de pluimveesector, over maatregelen om de luchtkwaliteit rondom veehouderijen te verbeteren. Bekeken wordt hoe tot een plan van aanpak kan worden gekomen waarin deze maatregelen zijn ingebed. Op 17 juli 2017 is een aanvullend onderzoek (veehouderij en gezondheid omwonenden) gepubliceerd. Genoemd VGO-onderzoek geeft sterke aanwijzingen dat componenten afkomstig uit de veehouderij, zoals fijnstof en endotoxinen, mensen die in de buurt wonen van veehouderijen gevoeliger maken voor infecties, waardoor longontstekingen vaker voorkomen of een verminderde longfunctie optreedt. Uit het VGO-onderzoek blijkt verder dat pluimveebedrijven meer fijnstof uitstoten dan andere typen veehouderijbedrijven.

De ontwikkeling door de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, van een landelijk toetsingskader voor endotoxine is nog niet afgerond. Zolang dit niet beschikbaar is, kan bij de vergunningverlening de gezondheid van omwonenden onvoldoende bescherming worden geboden. De huidige toetsingskaders voor fijnstof en geur zijn in veel gevallen namelijk onvoldoende beperkend om een ongewenste toename van de gezondheidsrisico's te voorkomen.

De blootstelling aan stoffen uit de veehouderij kunnen leiden tot negatieve gezondheidseffecten. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Door bestuurders van gemeenten in de provincie Noord-Brabant is de behoefte uitgesproken aan ondersteuning. Het Ondersteuningsteam heeft daarom de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0". opgesteld. Hierin is de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Het in deze notitie gepresenteerde Endotoxine toetsingskader 1.0 haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. Op basis van de verkregen nieuwe kennis en wetenschappelijke inzichten is met het Endotoxine toetsingskader 1.0 per locatie en voor iedere individuele varkens- of pluimveehouderij in Nederland te bepalen of de endotoxineblootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/m³ van de Gezondheidsraad.

Om bij een besluit, waar mogelijk endotoxine blootstelling een rol speelt, inzicht te krijgen in de endotoxine blootstelling is in de notitie een aantal keuzes gemaakt. Ten eerste is gekeken of er nog andere dan de diersoorten kippen en varkens in de beoordeling zouden moeten worden meegenomen. Op basis van de huidige inzichten is geconcludeerd dat dit niet nodig is.

Om de minimale afstand, op basis van de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad, te kunnen berekenen zijn voor vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016).

Voor vleesvarkens geldt de volgende vergelijking:

"vleesvarkens (constante emissie) : p1= 60.0608184; p2= 231.712643; formule: y=p1*x^p2; XxXx (y=afstand (m); x = PM10 emissie (kg/jaar)."

Op basis hiervan is de volgende afstandsgrafiek tot stand gekomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0011.png"

Afstandsgrafiek afstand tot woningen van derden in relatie tot emissie fijnstof.
Bron: Erbrink (2016).

In de onderstaande tabel is met behulp van de excel rekentool van Erbrink (2016) berekend wat de afstand moet zijn bij de emissie van het bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0012.png"

Tabel adviesafstanden bedrijf initiatiefnemer tot woningen van derden.
Bron: Erbrink (2016); DLV Advies.

Volgens de voorgaande afstandsgrafiek en tabel moet de minimale afstand vanaf het emissiepunt in de beoogde situatie van het varkensbedrijf tot het dichtstbijzijnde gevoelig gebouw, bij een emissie van 310 kilogram per jaar, 113 meter zijn. In de vigerende situatie was dit nog 164 meter.

De dichtstbijzijnde woning betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Werfkampenseweg 17 en is gelegen op een afstand van ongeveer 67 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt in de aangevraagde situatie. Deze afstand in de vigerende en beoogde situatie blijft gelijk. De emissie van endotoxinen neemt echter af, waardoor er in vergelijking met de huidige situatie volgens de vigerende vergunning sprake zal zijn van een verbetering ten aanzien van volksgezondheid.

De afname van de emissie van endotoxinen zit hem vooral in de afname van de emissie van fijnstof. Zoals nader is omschreven en aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 5.1.4) en de daarbij uitgevoerde fijnstofberekening met het rekenprogramma ISL3a (zie bijlage 8 van deze toelichting) zal de concentratie aan fijnstof op de woning aan de Werfkampenseweg 17 afnemen van 17,42 naar 17,20 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) en het aantal overschrijdingsdagen afnemen van maximaal 6,4 naar maximaal 6,1.

Dit leidt tot een verbeterde situatie ten aanzien van volksgezondheid.

Portaal omgevingsadvies GGD:

Verder heeft de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) de portaal omgevingsadvies ontwikkeld. Hierbij is bij ontwikkelingen op eenvoudige wijze te zien welke adviezen de GGD aan ontwikkelingen met mogelijke risico's voor de volksgezondheid geeft.

Omdat sprake is van de ontwikkeling van een veehouderijbedrijf is in de portaal gekozen voor een agrarische ontwikkeling met een vergunning voor een veehouderij. Op basis daarvan adviseert de GGD het volgende:

  • De uitstoot van fijnstof, ammoniak en geur neemt niet toe.
  • Het aantal woningen binnen de endotoxine richtafstand neemt niet toe. De endotoxine richtafstand is te berekenen via het endotoxine toetsingskader en geeft de afstand weer waarbinnen de endotoxine concentratie groter is dan 30 EU/m³.
  • Zorg bij een uitbreiding dat de voorgrondgeurbelasting op de gevel van nabijgelegen woningen (inclusief voormalige bedrijfswoningen/plattelandswoningen) onder de gezondheidskundige advieswaarde blijft. Deze bedraagt voor woningen in het buitengebied 5 ouE/m³ en voor woningen in de woonkern 2 ouE/m³.
  • Bereken de achtergrondgeurbelasting op de nabijgelegen woningen (inclusief voormalige bedrijfswoningen/plattelandswoningen). Toets deze aan de gezondheidskundige advieswaarde van 5 ouE/m³ (woningen woonkern) en 10 ouE/m³ (woningen buitengebied).
  • De effectiviteit van luchtwassers kan sterk wisselen, ook als dit hetzelfde type betreft. Dit blijkt uit onderzoek van Wageningen Universiteit (WUR). De standaard monitoring geeft geen volledig beeld van het functioneren van de luchtwasser. De GGD adviseert om de monitoring uit te breiden op basis van de suggesties in het WUR-onderzoek.
  • Zorg voor zo laag mogelijke geluidsbelasting op omliggende woningen/gevoelige bestemmingen. Uitgangspunt is dat het (cumulatieve) geluidsniveau afkomstig van wegen, spoor en bedrijven op de gevel van nabijgelegen woningen/gevoelige bestemmingen onder de 50 dB Lden blijft en dat de geluidsbelasting in de nacht onder de 40 dB Lnight blijft. Tref bij voorkeur bronmaatregelen. Tref eventueel overdrachtsmaatregelen (zoals geluidschermen) of isolatiemaatregelen; doe dit altijd in afstemming met omwonenden/belanghebbenden. Het geluidsniveau in woningen/gevoelige bestemmingen als gevolg van externe geluidbronnen dient niet meer te bedragen dan 33dB Lden.
  • Zorg voor een goede landschappelijke inpassing van het initiatief.

Emissies vanuit het bedrijf:

Op basis van dieraantallen en stalsystemen vanuit de aangevraagde omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu en de vigerende omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu zijn de emissies van het bedrijf in beeld gebracht in de huidige situatie en in de aangevraagde situatie.

Op basis van het voorgaande zal de totale geuremissie van het bedrijf afnemen van 82.017,3 ouE naar 61.528,2 ouE. Dit betreft een afname van 20.489,1 ouE. De emissie van geur zal daarmee (aanzienlijk) afnemen met het initiatief.

De emissie van fijnstof zal met het initiatief, op basis van het voorgaande, afnemen van 722.345 gram per jaar naar 310.298 gram per jaar. Dit betreft een afname van 412.047 gram per jaar. Ook de emissie van fijnstof zal daarmee (aanzienlijk) afnemen.

Op basis van het voorgaande zal de totale emissie van ammoniak van het bedrijf afnemen van 6.073 kilogram per jaar naar 2.504,82 kilogram per jaar. Dit betreft een afname van 3.568,18 gram per jaar. Daarmee zal de emissie van ammoniak (aanzienlijk) afnemen.

De emissies van het bedrijf nemen niet toe, maar af, waarmee aan dit punt van het advies van de GGD kan worden voldaan.

Aantal woningen binnen de endotoxine richtafstand:

Zoals blijkt uit het voorgaande in deze paragraaf met betrekking tot endotoxinen bedraagt de endotoxine richtafstand van het bedrijf van de initiatiefnemer 113 meter. Binnen deze richtafstand is uitsluitend de agrarische bedrijfswoning van de pluimveehouderij aan de Werfkampenseweg 17 gelegen. Binnen de richtafstanden komen geen nieuwe woningen, andere gevoelige gebouwen en/of gevoelige functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van het aantal woningen (of andere gevoelige gebouwen en functies) binnen de endotoxine richtafstand van het bedrijf van de initiatiefnemer.

Daarmee kan aan dit punt van het advies van de GGD worden voldaan.

Voorgrond geurbelasting:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 5.1.2) en de daarbij uitgevoerde geurberekening (zie bijlage 7 van deze toelichting) bedraagt de maximale voorgrond geurbelasting op gevoelige gebouwen buiten de bebouwde kom 4,2 ouE/m³ en op geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom 1,9 ouE/m³.

De voorgrond geurbelasting voldoet daarmee aan de advieswaarden, waarmee aan dit punt van het advies van de GGD kan worden voldaan.

Achtergrond geurbelasting:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 5.1.2) en de daarbij uitgevoerde geurberekening (zie bijlage 7 van deze toelichting) bedraagt de maximale achtergrond geurbelasting op gevoelige gebouwen buiten de bebouwde kom 7,6 ouE/m³ en op geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom 2,04 ouE/m³.

De achtergrond geurbelasting voldoet daarmee aan de advieswaarden, waarmee aan dit punt van het advies van de GGD kan worden voldaan.

Effectiviteit van luchtwassers:

De luchtwassers worden geïnstalleerd, gebruikt, onderhouden en gemonitord volgens de geldende en geadviseerde protocollen om een optimale werking te borgen.

Daarmee kan aan dit punt van het advies van de GGD worden voldaan.

Geluidbelasting:

In de vigerende omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu is de maximale geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen vastgelegd. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 5.1.3) zal de geluidbelasting vanuit het bedrijf niet toenemen. Aan de gestelde normen kan daarmee worden voldaan.

Daarmee kan aan dit punt van het advies van de GGD worden voldaan.

Landschappelijke inpassing:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt ten behoeve van het initiatief voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 10 van deze toelichting), waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en waarin is opgenomen welke soorten beplanting worden gebruikt. Met de landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit.

Er is daarmee sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarmee aan dit punt van het advies van de GGD kan worden voldaan.

Gezien het voorgaande wordt met het initiatief voldaan aan het advies van de GGD vanuit het portaal omgevingsadvies. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen.

5.1.6 Veiligheid in de leefomgeving

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

5.1.6.1 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

Bij het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Op het bedrijf van de initiatiefnemer is een een propaantank aanwezig. Binnen de plaatsgebonden risicocontour van deze tank zijn geen (zeer) kwetsbare gebouwen of functies gelegen. De tank zal daarnaast niet worden verplaatst. Er zal daarmee geen sprake zijn van toenemende risico's ten aanzien van de betreffende tank.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0013.png"

Uitsnede kaart plaatsgebonden risico.
Bron: RIVM.

Het bedrijf aan de Werfkampenseweg 17 is aangemerkt als een risicovolle inrichting vanuit bijlage VII van het Bkl. Ter plaatse is een tank aanwezig voor de opslag van brandbare vloeistoffen. Voor dergelijke tanks geldt dat het invloedsgebied gelijk is aan het plaatsgebonden risico, waarvoor een risicocontour is vastgesteld. De risicocontour van de opslag is in de risicokaart aangegeven. Zoals te zien in voorgaande figuur is de locatie buiten de risicocontour van het bedrijf aan de Wefkampenseweg 17 gelegen en is daarmee buiten het invloedsgebied van de risicovolle inrichting gelegen.

Voor het bedrijf aan de Werfkampenseweg 17 loopt daarnaast een procedure voor het wijzigen van de pluimveehouderij. Vooralsnog zijn daarbij geen activiteiten bekend of aangevraagd die vanuit bijlage VII van het Bkl zijn aangemerkt als risicovolle activiteit. Daarmee zal het plaatsgebonden risico vanuit dit bedrijf niet wijzigen.

Daarnaast worden bij de voorgenomen ontwikkeling een beperkt kwetsbaar gebouw opgericht. Echte ris de locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen.

5.1.6.2 Groepsrisico

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Met initiatief is, zoals al eerder is omschreven bij de toetsing aan het plaatsgebonden risico, geen sprake van het uitvoeren van een risicovolle activiteit. Het initiatief zal daarmee voor wat betreft het groepsrisico niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Wel is op de locatie van de initiatiefnemer een propaantank aanwezig. Binnen het aandachtsgebied van deze tank zijn echter geen (zeer) kwetsbare gebouwen of functies gelegen. Daarnaast wordt de betreffende tank niet verplaatst, waarmee ten aanzien van deze tank geen sprake is van een toenemend risico.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0014.png"

Uitsnede kaart Aandachtsgebieden uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, binnen een explosieaandachtstebied van het bedrijf aan de Werfkampenseweg 17 gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe stal gerealiseerd wat aangemerkt wordt als beperkt kwetsbaar gebouw. Echter wordt de nieuwe stal buiten het aandachtsgebied opgericht. Derhalve is geen aanvullende motivatie van groepsrisico nodig.

Tevens is de bedrijfswoning en een deel van de bestaande bebouwing binnen dit aandachtsgebied gelegen. Dit betreffen geen nieuwe functies, maar omdat er een nieuw besluit wordt genomen is een nadere motivatie gewenst.

Voor het bedrijf aan de Werfkampenseweg 17 loopt daarnaast een procedure voor het wijzigen van de pluimveehouderij. Vooralsnog zijn daarbij geen activiteiten bekend of aangevraagd die vanuit bijlage VII van het Bkl zijn aangemerkt als risicovolle activiteit. Daarmee zal het groepsrisico vanuit dit bedrijf niet wijzigen. Voor de propaantank is, zoals in het voorgaande omschreven, een aanvullende motivatie van het groepsrisico nodig.

Voor de betreffende propaantank op het bedrijf aan de Werfkampenseweg 17 is een explosie het maatgevende scenario. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een toename van het groepsrisico met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde ten opzichte van de bestaande situatie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied.

Scenario(s):

Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het exploderen van de tank. Door bijvoorbeeld een reactie in de tank of door blootstelling aan hoge temperaturen kan een overdruk in de tank ontstaan, waardoor deze kan exploderen. Tijdens de explosie kunnen dan scherven worden weggeslingerd. De kans op een dergelijk ongeval is echter bijzonder klein.

De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de hevigheid van de explosie en de hoeveelheid materiaal die weggeworpen kan worden.

Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit:

Bij een explosie en de daaropvolgende brand zal de brandweer proberen de brand gecontroleerd te blussen en een eventueel lek te dichten. Gezien de afstand van de tank tot de locatie en het feit dat het grootste gedeelte van het erf dat binnen het aandachtsgebied grotendeels door bebouwing en beplanting is afgeschermd is het risico dat een explosie zal leiden tot letsel op de locatie zeer beperkt. De locatie is daarnaast goed ontsloten, waardoor er voldoende mogelijkheden zijn voor evacuatie.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico:

De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op de relatief ruime afstand tot de risicobron geen item. Op deze afstand heeft een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid:

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied.

De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt.

Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren?

Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.

Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied:

  • goed te alarmeren is;
  • goed te schuilen is;
  • goed te ontvluchten is.

Alarmering:

In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.

Schuilmogelijkheden:

Wanneer bij een calamiteit het schuilen de beste optie is om deze te overleven dan dient men te kunnen schuilen in afgesloten bebouwing om de kans op letsel te verkleinen. Schuilen in afgesloten bebouwing is goed mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. De bebouwing ter plaatse is goed geïsoleerd en biedt daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.

Vluchtmogelijkheden:

Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.

Conclusie:

Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling.

5.1.7 Bodem

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor het milieu en/of voor de gezondheid. Het initiatief zal geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater.

Verder is het belangrijk om te kijken of de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste functie. Als op een verontreinigde bodem wordt gebouwd dan kan dit namelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers van de gewenste functie. Dit is echter vooral van belang als nieuwe ruimtes worden opgericht waarin voor langere tijd mensen verblijven (zogenaamde verblijfsruimtes).

Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd van de planlocatie en de bouwweg. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de nieuwbouw van de stal uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 en 6 van deze toelichting.

Hiermee zal de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg staan.

5.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend.

Wel is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • Het soort gewasbeschermingsmiddel (biologische of juist giftige middelen).
  • De manier waarop de middelen worden gebruikt (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid.
  • Hoe vaak het spuiten plaatsvindt;
  • De weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting);
  • De inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht vanuit een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelig gebouw. In dat geval blijkt door de vermindering van drift (afhankelijk van de dikte, de hoogte en het type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Gemeenten moeten in het omgevingsplan voorwaarden opnemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen vooraf vastgestelde spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan daarnaast in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw.

De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.

De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) heeft ten aanzien van de gezondheidskundige aspecten bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen enkele adviezen opgenomen in de portaal omgevingsadvies. Met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen geven zij de volgende adviezen:

  • De GGD adviseert te streven naar een zo laag mogelijke blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Verschillende maatregelen kunnen helpen om blootstelling zo veel mogelijk te beperken:
    • 1. Het creëren van afstand tussen landbouwgrond en woningen leidt tot een lagere blootstelling van omwonenden aan bestrijdingsmiddelen. Gezondheidskundig is het vooralsnog niet mogelijk aan te geven wat een veilige afstand is. De GGD adviseert daarom in nieuwe situaties zoveel als mogelijk afstand te houden tussen landbouwgrond en kwetsbare bestemmingen. De afstanden kunnen ingevuld worden met teeltvrije zones of spuitvrije zones die een (extra) veiligheidsmarge bieden. Vanuit jurisprudentie wordt veelal een afstand van minimaal 50 meter aangehouden tussen veld en gevoelige bestemmingen.
  • Er is geëxperimenteerd met verschillende vormen van perceelafscheiding en de invloed daarvan op de verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen (drift). Daaruit blijkt dat een haag of schutting de luchtstroom en dus de drift beïnvloedt. Het is niet duidelijk vastgesteld dat een haag of schutting effectief is als afscherming tegen bestrijdingsmiddelen tussen een landbouwperceel en een gevoelige bestemming.

Zo laag mogelijke blootstelling:

Met het initiatief is geen sprake van vormen van teelt waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er is daarmee geen kans op het blootstellen van gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving aan gewasbeschermingsmiddelen.

Daarnaast is bij het initiatief geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies. Daarnaast is nabij de locatie geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen kans op blootstelling ter plaatse van de locatie aan gewasbeschermingsmiddelen vanuit het gebruik daarvan in de omgeving.

Aan dit punt van het advies van de GGD uit de portaal omgevingsadvies wordt daarmee voldaan.

Aanvullende maatregelen:

Gezien het voorgaande is er geen kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen met het initiatief. Aanvullende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Mocht in de toekomst mogelijk sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of een kans op blootstelling daaraan dan zal worden gekeken welke maatregelen op dat moment doeltreffend zijn.

Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.

5.1.9 Hoogspanningsverbindingen

De stroom door de draden van een hoogspanningsverbinding veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder andere af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningsverbinding verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningsverbinding, des te zwakker is het magneetveld.

Wanneer mensen in aanraking komen met een magneetveld van een hoogspanningsverbinding dan kunnen gezondheidseffecten optreden als dat magneetveld te sterk is. Uit onderzoek is gebleken dat acute effecten (effecten die meteen optreden en merkbaar zijn) alleen voorkomen bij magneetvelden die een sterkte hebben die in Nederland niet voorkomen op plaatsen die voor publiek toegankelijk zijn.

Daarnaast kunnen echter effecten op de lange termijn optreden bij langdurige blootstelling aan een magneetveld. Het risico op effecten voor de gezondheid is groter naarmate sprake is van een magneetveldsterkte van 0,3 tot 0,4 microtesla of hoger.

Om effecten op de gezondheid te voorkomen is het daarom belangrijk dat gevoelige gebouwen of functies op voldoende afstand van een hoogspanningsverbinding worden gerealiseerd. De afstand die daarbij aangehouden moet worden is afhankelijk van het type hoogspanningsverbinding en de hoeveelheid stroom die er door loopt.

Nabij de locatie is een hoogspanningsverbinding gelegen. Het betreft een hoogspanningsverbinding van 150 kiloVolt (kV). Voor een dergelijke hoogspanningsverbinding geldt een veiligheidszone van 50 meter vanwege de magneetvelden (25 meter aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding). Binnen de veiligheidszone is het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten niet rechtstreeks toegestaan. Daarnaast mag binnen deze zone niet zomaar worden gebouwd. Er kan alleen worden gebouwd binnen deze zone indien hiervoor advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten. Tevens is advies ingewonnen bij de leidingbeheerder (TenneT). Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel geven zij enkele voorwaarden mee in het advies waaraan moet worden voldaan. Deze voorwaarden zullen met het initiatief in acht worden genomen. Het advies van de leidingbeheerder is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen.

Daarnaast heeft de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) ten aanzien van hoogspanningsverbindingen adviezen opgenomen in de portaal omgevingsadvies. Met betrekking tot hoogspanningsverbindingen geven zij de volgende adviezen:

  • Bij hoogspanningslijnen- en kabels, transformatorhuisjes en dergelijke: zorg dat woningen, scholen en kinderdagverblijven niet binnen de zone van 0,4 microtesla jaargemiddeld komen te liggen.

Bij het initiatief is geen sprake van nieuwe woningen, scholen en kinderdagverblijven. Daarmee kan aan dit punt van het advies van de GGD uit de portaal omgevingsadvies worden voldaan.

Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.

5.1.10 Voortoets MER-beoordeling

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Het initiatief maakt een uitbreiding van een (intensieve) veehouderij, zijnde een varkenshouderij mogelijk. Daarbij worden activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor het houden van varkens geldt direct een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een toename van het aantal dierplaatsen met 3.000 plaatsen voor mestvarkens. Daarvan is bij het initiatief geen sprake, waarmee geen directe verplichting geldt voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Wel is sprake van een activiteit waarvoor vanuit de lijst een beoordelingsplicht geldt.

Omdat sprake is van activiteiten waarvoor de beoordelingsplicht geldt dient te worden beoordeeld of de activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Om dit in beeld te brengen is voor het initiatief een aanmeldingsnotitie opgesteld. Daarin zijn de verschillende mogelijke effecten op het milieu zorgvuldig afgewogen.

Op basis van voorgaande afweging heeft de gemeente Geertruidenberg een besluit op de m.e.r.-beoordeling genomen, waarin is opgenomen dat de milieueffecten voldoende zijn onderzocht en dat het voorgenomen initiatief niet zal leiden tot nadelige effecten. De plannen die beoordeeld zijn in de m.e.r.-beoordeling zijn ongewijzigd ten opzichte van deze aanvraag, zoals blijkt uit de milieutekening van de beoogde situatie (bijlage 12) en de diertabel in deze tekening. Deze diertabel komt overeen met de diertabel die beoordeeld is in de m.e.r.-beoordeling, waaruit bleek dat er geen nadelige milieueffecten te verwachten zijn. Gezien deze bevindingen is een volledige milieueffectrapportage niet noodzakelijk. Voor het formele besluit van de gemeente Geertruidenberg met betrekking tot de m.e.r.-beoordeling, wordt verwezen naar bijlage 15 van de toelichting.

5.2 Natuur en natuurlijke waarden

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden.

5.2.1 Natura 2000-gebieden

Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde “ongewone voorvallen”. Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de “externe werking van een Natura 2000-gebied” genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Biesbosch) is gelegen op een afstand van ongeveer 2 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0015.png"

Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden.

Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen emissiebeperkende maatregelen worden getroffen om de emissie van ammoniak en stikstof te beperken. Met behulp van deze emissiebeperkende maatregelen zal een toename van de emissie van ammoniak en/of stikstof worden voorkomen, waarmee de depositie van stikstof op de betreffende gebieden niet zal toenemen.

Om dit verder aan te tonen is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling met het rekenprogramma Aerius Calculator berekend of sprake is van een projecteffect dat mogelijk leidt tot significante effecten. Uit de berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden.

Er is daarmee geen sprake van significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, waarmee geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit.

5.2.2 Houtopstanden

In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen niet van toepassing op het initiatief.

5.2.3 Soortenbescherming

In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Voor het initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het initiatief op de (leefgebieden van de) betreffende soorten zijn. Hieruit blijkt dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 13 van deze toelichting.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten flora en fauna.

5.2.4 Natuurnetwerk Nederland

De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en heeft voor het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de omgevingsverordening.

Als een ontwikkeling binnen het NNB plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd.

Als een ontwikkeling niet binnen het NNB plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.

Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNB activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNB gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 848 meter van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0016.png"

Uitsnede kaart NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Omdat de locatie niet in het NNB en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.

5.3 Cultureel erfgoed

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een volledige bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid geregeld in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.

5.3.1 Archeologische waarden

Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen.

Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen. De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden.

De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn verschillende verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die van toepassing is op een locatie of in een gebied geldt een specifieke vrijstellingsgrens. De locatie is gelegen in een gebied met de verwachtingswaarde 'Waarde - Archeologie 5'.

In deze gebieden geldt een vrijstelling voor ingrepen met een oppervlakte van maximaal 1.000 m² en een diepte van maximaal 50 centimeter onder het maaiveld. Wanneer deze vrijstellingsgrenzen niet worden overschreden is de kans op het aantasten van mogelijk voorkomende waarden minimaal en is geen verder onderzoek nodig.

De nieuwe stal krijgt een oppervlakte van meer dan 1.000 m² en wordt voorzien van een kelder, waarmee sprake is van een ingreep dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Daarmee is nader onderzoek naar archeologische resten noodzakelijk. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het niet aannemelijk is dat archeologische resten worden geschaad indien geen sprake is van bodemingrepen van meer dan 2,5 meter onder maaiveld. Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar bijlage 14 van deze toelichting.

De archeologische adviseur van de gemeente Geertruidenberg heeft op 22 september 2023 advies uitgebracht over het onderzoeksrapport, dat is opgesteld in verband met dit TAM-omgevingsplan en de uitbreiding van een bouwvlak in relatie met de beoogde sloop en nieuwbouw van een stal. Op basis daarvan kan de gemeente wat betreft de omgang met archeologie instemmen met vrijgave van de locatie van de uitbreiding van het bouwvlak voor de beoogde nieuwbouw van deze stal:

  • als de bodem hierbij niet dieper wordt verstoord dan 250 centimeter onder het maaiveld; of
  • in het geval dat de bodem hierbij wel dieper dan 250 centimeter onder het maaiveld wordt verstoord: als deze bodemverstoring niet groter is dan 1.000 m².

De gemeente kan ermee instemmen, dat voor de locatie van de uitbreiding van het bouwblok ter plaatse van de beoogde nieuwbouw van de stal een dubbelbestemming waarde archeologie wordt opgenomen met een ruimere onderzoeksgrens dan die welke geldt op grond van het Parapluplan archeologie. Hierbij kan voor die locatie de bestaande onderzoeksgrens wat betreft de diepte van bodemverstoring van 50 centimeter onder maaiveld worden aangepast naar 250 centimeter onder maaiveld.  Daarom wordt in dit TAM-omgevingsplan een daarop toegesneden dubbelbestemming waarde archeologie ('Waarde - Archeologie 7') opgenomen voor deze locatie. Voor de rest van het perceel aan de Werfkampenseweg 18 blijft de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' volledig gelden overeenkomstig het Parapluplan archeologie.

Daar waar de gemeente geen archeologisch onderzoek vereist, wordt het aan de aanvrager gelaten om wel of geen archeologisch onderzoek uit te voeren; de risico's en nadelige gevolgen voor het geval er toch archeologie wordt aangetroffen tijdens de bodemverstoringen zijn daarbij voor rekening van de verstoorder.

Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.

5.3.2 Cultuurhistorische waarden

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0017.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

De locatie is gelegen in een cultuurhistorisch landschap. Het betreft het landschap "Langstraat".

De Langstraat ligt op de overgang van zand, veen en klei. Vroeger bestond vrijwel het hele gebied uit veen. Delen van het veen zijn in de loop der eeuwen verdwenen door landbouwkundig gebruik. Wat restte is deels vergraven ten behoeve van de turfwinning.

De veenontginningen van de Langstraat worden gekenmerkt door de typische strokenpercelering met elzensingels, dijken en kades, waarbij de lange smalle percelen en het dichte slotenpatroon nagenoeg haaks op de ontginningsbasis staan. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van lange, kaarsrechte dorpen, sterk verwant aan de Hollandse veendorpen.

De regio is van cultuurhistorisch belang vanwege het voor Noord-Brabant unieke slagenlandschap. De verschillende fasen van de ontwikkeling van het landschap, de strijd tegen het water en de problemen met de bodemdaling zijn in het huidige landschap goed te herkennen.

Dragende structuren in de regio zijn:

  • De voornamelijk oost-west georiënteerde wegen, dijken en het tracé van het Halvezolenlijntje.
  • De Bergsche Maas.
  • De langgerekte historische bewoningsassen, eveneens oost-west georiënteerd.
  • De smalle strookvormige percelen en de (turf)vaarten met een noord-zuid richting.
  • De grote openheid ten noorden van de Winterdijk.
  • Sterk contrast tussen de genoemde openheid en de geslotenheid van het gebied van de Loonse en Drunense Duinen.

Binnen het landschap De Langstraat wordt gestreefd naar het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. Het maximale ruimtebeslag past binnen het ruimtelijk beleid. De ontwikkelingen vinden hoofdzakelijk plaats binnen een bestaand erf. Daarmee zullen de ter plaatse voorgenomen ontwikkelingen geen ingrijpende wijzigingen tot gevolg hebben op de structuur van het landschap. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de cultuurhistorisch waardevolle elementen van het historisch waardevolle landschap.

Daarnaast zijn enkele wegen in de omgeving aangemerkt als historisch geografische lijnen in het landschap. De voorgenomen ontwikkeling heeft echter geen betrekking op deze wegen en vindt op voldoende afstand van deze wegen af plaats, waarmee de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed zal hebben op de betreffende historisch geografische lijnen in het landschap.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden aangetast.

5.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0018.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

5.4 Mobiliteit

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving.

Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen.

Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor.

5.4.1 Infrastructuur

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen.

De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen.

Voor het beheer van de provinciale infrastructuur kan de provincie aanvullende regels opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Daarbij kan de provincie ook gebieden aanwijzen die gereserveerd zijn voor wijzigingen in het provinciaal weggennet.

De locatie is niet nabij een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur.

Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan.

De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor infrastructuur zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet nabij een van de soorten infrastructuur gelegen waarvoor in het omgevingsplan aanvullende regels zijn opgenomen. Het initiatief zal daarnaast ook niet leiden tot wijzigingen aan de bestaande infrastructuur. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.

De locatie is verder goed ontsloten vis de Werfkampenseweg en is voorzien van meerdere inritten die aansluiten op de openbare weg. Daarbij heeft inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en te verlaten. Op het terrein zelf is daarnaast voldoende gelegenheid aanwezig om te kunnen keren, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven te rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Er zullen daarbij geen wijzigingen plaatsvinden aan de infrastructuur.

Het initiatief zal gezien het voorgaande niet leiden tot belemmeringen met betrekking tot de infrastructuur.

5.4.2 Parkeren

Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor parkeren zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan.

Het initiatief zal niet leiden tot een wijziging van de parkeerbehoefte op de locatie. Er is sprake van een agrarisch bedrijf en er blijft sprake van een agrarisch bedrijf. Daarnaast is er geen sprake van een groei in het personeel en zal het aantal bezoekers niet toenemen. Verder zal het maximale ruimtebeslag van het bedrijf niet toenemen. De parkeerbehoefte zal daarmee ten aanzien van de huidige situatie niet toenemen.

Op het eigen terrein is in de huidige situatie al voldoende ruimte om te parkeren. Omdat de parkeerbehoefte niet wijzigt zal ook in de gewenste situatie sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

5.4.3 Verkeersbewegingen

Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een uitbreiding van een intensieve veehouderij. Dit zal in vergelijking met de huidige situatie uitsluitend kleine verandering in de verkeersbewegingen naar en vanaf de locatie tot gevolg hebben. Van een wezenlijk effect op het aantal verkeersbewegingen is echter geen sprake.

Door de uitbreiding van de intensieve varkenshouderij is er meer voer nodig en zullen meer dieren afgevoerd gaan worden. Dit kan echter vaak in dezelfde vrachtwagen plaatsvinden die dan voller wordt geladen. Wel zal sprake zijn van extra levering van overige goederen, wat wekelijks een kleine toename tot gevolg zal hebben van het aantal verkeersbewegingen naar en vanaf de locatie. Het zal daarbij echter om maximaal 2 verkeersbewegingen extra per week gaan.

Het aantal verkeersbewegingen in verband met bewoning van de bedrijfswoning zal bij uitbreiding van de intensieve varkenshouderij niet toenemen.

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.

5.5 Water

Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap). Daarmee is het waterschap Brabantse Delta de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het waterschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.

5.5.1 Beleid waterschap

Gemeenten en provincies dienen omgevingsvisies op te stellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op. Ze hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als provincies hun omgevingsvisies opstellen. Het waterschap kan als waterbeheerder zijn ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het waterschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.

Waterschapsverordening Brabantse Delta:

Met de invoering van de Omgevingswet is het beleid zoals is opgenomen in de Waterschapsverordening Brabantse Delta in werking getreden. De waterschapsverordening bevat aanvullende bepalingen voor wateractiviteiten in het belang van:

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  • de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Verder zijn in de waterschapsverordening aanvullende regels opgenomen voor activiteiten in de aangewezen beperkingsgebieden en zijn gevallen aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m³ water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als:

  • het verhard oppervlak niet toeneemt met meer dan 500 m²;
  • de toename van het verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak;
  • het verhard oppervlak toeneemt tussen de 500 m² en 10.000 m² en hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de rekenregel;
  • er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt:

"benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m)"

De gevoeligheidsfactor is standaard 1. In sommige gebieden is de doorlatendheid van de bodem en de mogelijkheid voor infiltratie wat beter, waardoor een lagere gevoeligheidsfactor kan worden gehanteerd. Het waterschap maakt daarbij onderscheid tussen gevoeligheidsfactor 1, gevoeligheidsfactor 0,5 en gevoeligheidsfactor 0,25. Ter plaatse geldt een gevoeligheidsfactor van 0,5.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Brabantse Delta:

Op 1 december 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van waterschap Brabantse Delta vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen.

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s:

  • 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het waterbeheerprogramma naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; de waterschapsverordening, de legger en/of communicatie en stimuleringsmiddelen.

5.5.2 Waterveiligheid

Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering.

De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief maakt daarmee geen activiteiten in de omgeving van een waterkering mogelijk. Er is met het initiatief dan ook geen sprake van een mogelijke aantasting van de werking van waterkeringen.

5.5.3 Oppervlaktewater

Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren. De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit).

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.

Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden. Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. De locatie is echter niet binnen de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels gelegen. Daarmee is geen sprake van een belemmering van de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0019.png"

Uitsnede legger oppervlaktewateren.
Bron: Waterschap Brabantse Delta.

5.5.4 Grondwater

Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol.

Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater. Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen.

De gemeente Geertruidenberg heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor het grondwater hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater.

Daarnaast is de bescherming van de kwaliteit van het grondwater belangrijk. Daarbij is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Voor een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand moeten mogelijke verontreinigingen van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen.

Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater.

Verder is de grondwaterstand van belang bij eventuele (ver)bouwwerkzaamheden. Er moet bij de (ver)bouw namelijk voldoende rekening worden gehouden met de stand van het grondwater om eventuele overlast te voorkomen

Met het initiatief is sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Daarmee dient voldoende rekening gehouden te worden met de grondwaterstand op de locatie. Zoals te zien in de volgende afbeelding bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse tussen de 77 en 95 centimeter onder maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0779.TAMWerfkamp18-vs01_0020.png"

Uitsnede kaart gemiddeld hoogste grondwaterstanden.
Bron: Bodemdata van Wageningen University & Research.

De grondwaterstand op de locatie is daarmee relatief laag, waarmee deze niet zal leiden tot mogelijke overlast. Er zijn daarmee dan ook geen aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van het grondwater.

5.5.5 Afvoer van hemelwater

Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein.

De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd. Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool. Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu.

Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het gemeentelijk rioleringsprogramma.

Vanuit de Waterschapsverordening van het waterschap geldt dat voor een ontwikkeling waarbij het verhard oppervlak met niet meer dan 500 m² geen compenserende waterberging nodig is. Voor ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak met meer dan 500 m² toeneemt is compenserende waterberging nodig. Deze wordt berekend aan de hand van de rekenregel. Als sprake is van een ontwikkeling met een toename van het verharde oppervlak met meer dan 10.000 m² is de rekenregel niet voldoende en in dat geval moet maatwerk worden toegepast.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe stal gebouwd. Deze zal een oppervlakte van ongeveer 2.410 m² krijgen. De te slopen kraamstal heeft een oppervlakte van ongeveer 910 m². Derhalve is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een toename van het verhard oppervlak met ongeveer 1.500 m². Daarmee is aanvullende compensatie nodig. Om de mate van compensatie te bepalen dient de rekenregel te worden toegepast. In de waterschapsverordening is deze als volgt opgenomen:

"benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m)"

De gevoeligheidsfactor is standaard 1. In sommige gebieden is de doorlatendheid van de bodem en de mogelijkheid voor infiltratie wat beter, waardoor een lagere gevoeligheidsfactor kan worden gehanteerd. Het waterschap maakt daarbij onderscheid tussen gevoeligheidsfactor 1, gevoeligheidsfactor 0,5 en gevoeligheidsfactor 0,25. Ter plaatse geldt een gevoeligheidsfactor van 0,5.

Op basis van het voorgaande kan de rekenregel dan als volgt worden ingevuld:

1.510 m² (toename verhard oppervlak) x 0,5 x 0,06 = 45,3, afgerond 46 m³ (compensatie).

Daarnaast zal de bestaande retentievoorziening met een inhoud van 211 m³ in de vorm van een zaksloot gedempt worden om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Dat betekent dat er een nieuwe retentievoorziening gerealiseerd dient te worden met een inhoud van in totaal 257 m³.

Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. Zoals omschreven in de paragraaf “Grondwater” (paragraaf 5.5.4) bedraagt de GHG ter plaatse tussen de 77 en 95 centimeter onder het maaiveld. om uit te gaan van de worst-case situatie is derhalve uitgegaan van een GHG van 77 centimeter onder maaiveld. Dit betekent dat voor de compenserende waterberging een minimale oppervlakte van 334 m² nodig is.

Ter compensatie van het verhard oppervlak zal een nieuwe retentievoorziening worden gegraven in de vorm van een retentiebekken. Deze voorziening zal een oppervlakte van 425 m² krijgen, waarmee in voldoende mate compenserende waterberging wordt aangelegd, ook voor incidentele gevallen van extreme neerslag. De aan te leggen waterberging is weergegeven op de tekeningen op schaal, welke als bijlage 10 bij deze toelichting zijn opgenomen.

Voor de gewenste bergingsvoorziening is een omgevingsvergunning nodig. Deze zal tijdig worden aangevraagd.

Op de locatie wordt met de huidige en beoogde bergingsvoorzieningen voorzien in voldoende mogelijkheden voor de berging van het hemelwater, waarmee sprake is van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast van hemelwater.

5.6 Duurzaam ontwikkelen

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat).

5.6.1 Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.

Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevingswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.

De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.

Met de voorgenomen uitbreiding wordt geïnvesteerd in een verdere verduurzaming van het bedrijf. Er wordt meer leefruimte geboden aan de gehouden dieren wat het dierwelzijn op de locatie bevordert. Daarnaast worden emissiebeperkende maatregelen getroffen, wat leidt tot een verminderde emissie van geur, fijnstof en stikstof aan de omgeving. Er is daarmee sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse, sprake van een verminderd effect op belangrijke natuurgebieden, sprake van een vermindering van de mogelijke risico's op de volksgezondheid ter plaatse en sprake van een verminderde uitstoot van broeikasgassen en/of andere mogelijk schadelijke stoffen. Er is daarmee sprake van een verduurzaming van de locatie.

Daarnaast wordt een bestaand sterk verouderd bedrijfsgebouw gesloopt. De nieuw te bouwen bedrijfsbebouwing wordt gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie, waarmee sprake is van een verdere verduurzaming van het bedrijf en van een verbeterde beeldkwaliteit op de locatie.

Op termijn kunnen daarnaast de mogelijkheden worden onderzocht voor het opwekken van duurzame energie. Bij de nieuwbouw zal bij de constructie waar mogelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheden voor het aanleggen van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie.

Het initiatief is daarmee een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen voor duurzaamheid niet in de weg staan.

5.6.2 Energietransitie

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.

Bij het initiatief wordt verouderde bedrijfsbebouwing gesloopt en vervangen door nieuwe bedrijfsbebouwing. De nieuwe bebouwing zal worden gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie. Daarmee zal het energieverbruik ten opzichte van de huidige situatie afnemen.

Op termijn kunnen daarnaast de mogelijkheden worden onderzocht voor het opwekken van duurzame energie. Bij de nieuwbouw zal bij de constructie waar mogelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheden voor het aanleggen van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.

5.6.3 Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Geertruidenberg heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie. Daarbij wordt gekeken naar de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag, eventuele risico's voor overstromingen, het voorkomen van hittestress en het rekening houden met droogte.

Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen:

Een deel van de voormalige, verouderde stallen wordt gesloopt en er wordt een nieuwe stal opgericht. Deze nieuwe stal wordt gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie en hebben daarmee een lagere energiebehoefte dan de voormalige bedrijfsgebouwen. Het bedrijf zal daarmee een lagere energiebehoefte hebben dan in de huidige situatie, waarmee er minder broeikasgassen in de lucht terecht zullen komen.

Verder worden emissiebeperkende maatregelen getroffen, waarmee de emissie van broeikasgassen eveneens zal afnemen.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of staat de doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen niet in de weg.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5), sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij wordt voorzien in compenserende waterberging. Daarbij is deze voldoende groot aangelegd om de verharde oppervlakte op de locatie in zijn geheel te compenseren volgens de richtlijnen van het waterschap en de gemeente.

Daarnaast is de locatie gelegen op een locatie met een diepe grondwaterstand en waar de bodem een redelijke infiltratiecapaciteit heeft (ongeveer 20 liter per uur per m²). Dit betekent dat in geval van extreme neerslag inundatie van percelen rondom de locatie mogelijk is, waarbij een deel van de percelen gedurende één dag onder water kunnen staan zonder dat dit overlast veroorzaakt aan omliggende percelen.

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag.

Overstromingen:

De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag. Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu is voor de locatie opgenomen dat de kans op een overstroming niet hoger is dan 1 keer in de 100.000 jaar. Dat betreft geen grote kans op een overstroming.

Verder zijn de eerste en tweede verdieping van de woning en de daken van de bedrijfsbebouwing veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot onevenredige risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress:

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt een nieuwe stal gerealiseerd. Deze nieuwe stal wordt opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van isolatie en duurzaamheid. De nieuwe stal is daarmee beter bestendig tegen hitte dan de voormalige stallen. Ook zal deze minder hitte uitstralen door blootstelling aan zonlicht.

Verder leidt de nieuwe bebouwing tot voldoende schaduwwerking op het erf. Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe bomen en landschappelijke elementen worden aangelegd. Dit leidt tot meer schaduw op het erf, waarmee wordt bijgedragen aan minder hittestress op de locatie.

Rondom en nabij de locatie is daarnaast voldoende water aanwezig. Dit werkt verkoelend en helpt bij de voorkoming van hittestress.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress.

Rekening houden met droogte:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd. Dit draagt bij aan een meer groene omgeving. Daarnaast is om en nabij het plangebied voldoende water aanwezig.

Op de locatie is voorzien in compenserende waterberging. In de voorziening voor waterberging kan in tijden van overvloedige neerslag water worden opgevangen en worden vastgehouden, zodat dit ook in perioden van droogte kan worden benut.

Verder vinden ter plaatse geen activiteiten met onttrekkingen van grond- en/of oppervlaktewater plaats.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee in voldoende mate rekening gehouden met droogte.

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van klimaatadaptatie.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

De Omgevingswet kent geen bepalingen meer over de uitvoerbaarheid van een plan of project. De gemeente hoeft bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan niet meer aannemelijk te maken dat een functie die aan een locatie is toegekend ook daadwerkelijk op die locatie zal komen. De gemeente mag bij het opstellen van een omgevingsplan aangeven dat er een functie op een bepaalde locatie kan komen. Of deze functie er dan ook daadwerkelijk komt is minder van belang.

Voorheen moesten gemeenten veel mogelijkheden onderzoeken die er misschien nooit zouden komen. In de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt dit onderzoek in fases uit te voeren. Pas als een initiatief ook daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden dat past binnen de aan de locatie toegekende functie hoeft te worden onderzocht hoe dat initiatief op een aanvaardbare manier gerealiseerd kan worden. De gemeente moet echter nog wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Als sprake is van een concreet initiatief is het wel belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers.

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

De kosten voor het doorlopen van de procedure worden aan de initiatiefnemer in rekening gebracht op basis van de geldende legesverordening van de gemeente Geertruidenberg. Daarnaast wordt tussen de gemeente en de initiatiefnemer een aparte overeenkomst gesloten waarin is geregeld dat een eventuele schadevergoeding bij nadeelcompensatie geheel voor rekening komt voor de initiatiefnemer.

Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op een procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan is de Uniforme Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Deze procedure is, kort samengevat, in drie stappen in te delen, namelijk de periode vóór de publicatie van het ontwerp van het plan, het ontwerp van het plan en de vaststelling van het plan.

Voor het ontwerp van het plan maakt de gemeente eerst bekend dat zij voornemens zijn het omgevingsplan te wijzigen. Dit maken zij bekend in het gemeenteblad via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Als nodig stelt een gemeente daarbij ook een milieueffectrapportage op.

Als het ontwerp van het plan gepubliceerd kan gaan worden moet de gemeente eerst, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerp, bekendmaken dat het ontwerp gepubliceerd gaat worden. Ook dit wordt bekend gemaakt in het gemeenteblad via de LVBB. Daarna kan het ontwerp worden gepubliceerd. De gemeente moet daarbij het ontwerp besluit in het gemeenteblad publiceren en het ontwerp plan 6 weken voor eenieder ter inzage leggen. Tijdens deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het ontwerp plan in te dienen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Als er geen zienswijzen op het ontwerp binnen komen dan kan het ontwerp plan worden vastgesteld. Komen er wel zienswijzen binnen op het ontwerp dan moeten deze eerst door de gemeente worden beantwoord. Mogelijk zijn daarbij nog wijzigingen in het plan nodig voordat dit kan worden vastgesteld.

Als de eventuele zienswijzen naar behoren zijn beantwoord en er geen wijzigingen meer nodig zijn dan kan het plan worden vastgesteld. Ook bij het vastgestelde plan moet de gemeente dit eerst bekend maken in het gemeenteblad via de LVBB. Daarbij moet de gemeente ook aangeven op welke manier anderen bij het initiatief zijn betrokken, of met andere woorden, op welke manier participatie heeft plaatsgevonden. De gemeente moet daarnaast vermelden door wie, op welke manier en binnen welke termijn beroep mogelijk is.

De wijziging van het omgevingsplan treedt normaal gesproken 4 weken nadat het vastgestelde plan is gepubliceerd in werking. De gemeente kan echter een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Ook als beroep op het plan is ingediend dan kan dit de termijn waarbinnen het plan in werking treedt uitstellen. De regels van het omgevingsplan worden tot slot zichtbaar in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo op een kaart zien welke regels waar gelden.

Als een wijziging van het omgevingsplan de Uniforme Voorbereidingsprocedure heeft doorlopen en in werking is getreden en er geen zienswijzen of beroep zijn ingediend of eventueel ingediende zienswijzen of beroepen in voldoende mate zijn beantwoord, dan wordt het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. Vanuit de Uniforme Voorbereidingsprocedure is het nog wel belangrijk om aan te geven of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden.

Zoals in deze toelichting omschreven in de paragraaf “Participatie” (paragraaf 3.2) heeft er ten behoeve van het initiatief voldoende participatie plaatsgevonden. Daarnaast zijn geen zienswijzen of beroepen ingediend en/of zijn ingediende zienswijzen en beroepen in voldoende mate beantwoord. Er zijn daarmee geen verdere maatschappelijke bezwaren ten aanzien van het initiatief.

Het plan wordt daarmee als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

6.2.1 Procedure

Publicatie ontwerpplan:

Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft van 17 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het ontwerp in te dienen.

In de periode dat het ontwerp van het TAM-omgevingsplan ter inzage heeft gelegen zijn geen zienswijzen binnengekomen. Het plan kan daarom zonder verdere aanpassing worden vastgesteld.

Vaststelling:

Dit TAM-omgevingsplan is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg op 13 april 2026, onder nummer 20231206110737.