| Plan: | Molenstraat 45, Deurne |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0762.BP201003-C001 |
Milieuadviesbureau Amitec BV te Uden heeft een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740, inclusief NEN 5725) uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek project: Molenstraat 45 te Deurne" (8 maart 2010, nr. 10.706-NEN.01). De conclusies en aanbevelingen van het onderzoeksrapport zijn hieronder weergegeven. Het rapport is als bijlage 2 toegevoegd.
"Conclusies
Op basis van de onderzoeksresultaten kan het volgende worden geconcludeerd:
De hypothese "onverdacht terrein" dient formeel, op basis van de gemeten concentraties in de bovengrond en grondwater, verworpen te worden. In de bovengrond is een landelijke achtergrondwaarde overschrijding voor de parameter cadmium en lood aangetroffen. In het grondwater is een streefwaarde voor de parameters barium, nikkel, zink, xylenen en dichloormethaan aangetroffen.
In het bodemkwaliteitskaart beheerplan van de gemeente Deurne zijn verhoogde achtergrondwaarden voor o.a. de parameter cadmium en lood opgesteld, waardoor deze in de in de grond aangetroffen parameter onder de lokale achtergrondwaarden blijven.
In het grondwater van Noord-Brabant kunnen metalen van nature voorkomen, in verhoogde concentraties.
Formeel gezien kan de bodem van de onderzoekslocatie niet als multifunctioneel worden beschouwd. De gemeten concentraties zijn echter van dien aard dat er volgens de Wet bodembescherming geen nader bodemonderzoek noodzakelijk is.
Indien grond van deze locatie wordt afgevoerd, is bij hergebruik elders het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Voor toepassing van de grond elders dient toestemming te worden verkregen van het bevoegd gezag en kan onderzoek conform Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring) gevraagd worden.
Aanbeveling
Op basis van de onderzoeksresultaten is er géén nader onderzoek noodzakelijk
en bestaan er vanuit milieuhygiënisch oogpunt géén belemmeringen voor het
huidige gebruik en voor de voorgenomen herontwikkeling op het perceel. Wel zal
contact gezocht moeten worden opgenomen met het bevoegd gezag, binnen welk
specifiek gebied de grond toegepast kan worden."
Algemene conclusie
De bodemkundige situatie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij externe veiligheid gaat het om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen komen voor bij risicovolle bedrijven, waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) inclusief de bijbehorende regeling (Revi) van toepassing is en bij vervoer van gevaarlijke stoffen.
De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Dit zijn de begrippen 'plaatsgebonden risico (PR)' en 'groepsrisico (GR)'. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht, waarbij de oriëntatiewaarden moeten worden gezien als ijkpunt.
Het planvoornemen is niet gelegen binnen de zone 'spoorlijn Eindhoven-Venlo'. De externe veiligheid behoeft dan ook niet onderzocht te worden wat dit aspect betreft.
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone van een weg bestemd voor gevaarlijke stoffen. Een en ander conform de rapportage "Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen" van 6 juni 2008 opgesteld door Royal Haskoning in samenwerking met de Milieudienst van SRE. Geconcludeerd kan worden dat vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg geen belemmering vormt voor de geplande ontwikkeling.
In de nabijheid van de 10 appartementen is het zwembad als risicovolle inrichting gelegen. Binnen deze inrichting wordt een bepaalde hoeveelheid chloorbleekloog opgeslagen. De appartementen liggen echter buiten de PR-contour van 10-6 per jaar van 65 meter. Daarnaast is het plangebied buiten het invloedsgebied van 90 meter gelegen. Geconcludeerd kan worden dat het zwembad met de opslag van chloorbleekloog geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
Overig
Overige objecten zijn niet aan de orde.
Conclusie
Het project is niet in strijd met het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
De Wet luchtkwaliteitseisen voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde plannen met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging als gestelde grenswaarden voor PM10 en NO2 niet worden overschreden.
In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwplan op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekenende mate'. De bijlage geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Zo geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrageneutraal) of 100.000 m² kantoren.
De Wet bevat geen 'omgekeerde werking'. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet toch worden getoetst of een plan gesitueerd is in een gebied met een te hoge fijnstofconcentratie.
Toetsing
Onderhavig project betreft de toevoeging van 9 woningen. Het project is daarmee niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van autosnelwegen of wegen met een zeer hoge intensiteit. Daarom kan worden aangenomen dat de fijnstofconcentratie van de omgeving voldoende laag is om in een gezond leefklimaat te voorzien.
Conclusie
Het plan voldoet aan de Wet luchtkwaliteitseisen en de luchtkwaliteit van de omgeving is voldoende om in een gezond leefklimaat te voorzien.
In het kader van de Wet milieubeheer moet worden getoetst of:
Basis voor bovengenoemde toetsing vormt de handreiking “Bedrijven en milieuzonering” (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Invloed ontwikkeling op omgeving
Het planvoornemen om 10 appartementen te realiseren is niet van invloed op omliggende objecten.
Invloed omliggende inrichtingen op voorgestane ontwikkeling
In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.
| bedrijf | SBI-code | categorie | richtafstand | werkelijke afstand | ||
| Molenstraat 50A zwembad "De Wiemel", overdekt |
926.1 |
3.1 |
50 m |
120 m |
||
| Molenstraat 50A zwembad "De Wiemel", onoverdekt |
926.2 |
4.1 |
200 m |
175 m |
||
| Molenstraat 31 café, restaurant Roode Leeuw |
554.2 |
2 |
30 m |
90 m |
||
De aard van de omgeving is aan te merken als gemengd gebied. Een onoverdekt zwembad wordt niet vermeld in bijlage 4 van de VNG-brocure Bedrijven en milieuzonering. Gezien het beperkte gebruik, de afstand en de afschermende werking van de tussengelegen panden is de ontwikkeling aanvaardbaar.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de handreiking Bedrijven en milieuzonering.
Voor het plangebied is een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door milieuadviesbureau Amitec BV te Uden, rapport: Akoestisch onderzoek Molenstraat 45 te Deurne, nr. 10.907-Fbw-2, concept d.d. 3 mei 2010. Het rapport is als bijlage 3 aan de planstukken toegevoegd. De samenvatting van het onderzoeksrapport is hieronder integraal weergegeven.
"Samenvatting
In opdracht van de Gemeente Deurne is door milieuadviesbureau Amitec BV te
Uden een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de optredende
geluid belasting vanwege wegverkeer voor het bouwplan aan de Molenstraat 45 te
Deurne.
Het onderzoek is noodzakelijk omdat het bouwplan is gelegen binnen de geluidzone van de Molenstraat , de Europastraat en de Hogeweg. Als gevolg hiervan dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder.
Uit dit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de Molenstraat, Europastraat en Hogeweg wordt overschreden op de gevels van de nieuwbouw. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden.
Indien het wegdek van de Molenstraat Europastraat en Hogeweg vervangen wordt door een stiller wegdektype bijvoorbeeld "ZOAB" neemt de geluidbelasting weliswaar af, maar niet voldoende om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Het verlagen van de maximum snelheid op de Molenstraat, Europastraat en Hogeweg of het afsluiten van deze wegen voor middelzware en zware motorvoertuigen verlaagt eveneens de geluidbelasting, maar niet voldoende om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
Indien deze maatregelen niet kunnen worden getroffen dient door de gemeente Deurne een hogere waarde voor het betreffende nieuwbouwplan te worden afgegeven. Alternatieve maatregelen zijn niet voor handen.
De gemeente Deurne volgt het beleid van de provincie waarbij wordt gesteld dat, in geval een hogere waarde wordt vastgesteld, in ieder geval een geluidluwe zijde aanwezig moet zijn. In onderhavige situatie wordt niet bij elk appartement aan deze eis voldaan."
Het realiseren van geluidluwe ruimten zal worden gerealiseerd door middel van met glas afsluitbare logia's. Het onderzoek naar deze geluidwerende voorziening is opgesteld door Adviesburo Jos Reubsaet te Heerlen, zie bijlage 4 .
Conclusie
Er dient een procedure hogere grenswaarde te worden doorlopen.