| Plan: | Verblijfsrecreatieterreinen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01 |
Algemeen
De gemeente Tholen kiest – in het verlengde van rijks- en provinciaal beleid – met betrekking tot het bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen voor een grote flexibiliteit en globaliteit. Naast een grotere vrijheid voor ondernemers worden beperkte randvoorwaarden gesteld die ruimtelijk relevant zijn. In deze paragraaf worden de randvoorwaarden die in het bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen zijn vertaald, nader toegelicht.
Aantal standplaatsen
Het aantal standplaatsen op een kampeerterrein heeft directe ruimtelijke gevolgen voor de omgeving. Indien het aantal standplaatsen niet in het bestemmingsplan wordt geregeld, zijn de ruimtelijke effecten niet begrensd. In de kadernotitie is besloten het huidige (feitelijk aanwezige) aantal standplaatsen als uitgangspunt te nemen. Er is namelijk geconstateerd dat het verschil tussen het feitelijk aantal standplaatsen en het aantal dat volgens de geldende bestemmingsplannen is toegestaan, in veel gevallen groot is. Daarnaast is het niet te verwachten dat het aantal standplaatsen de komende jaren zal toenemen.
Om meer flexibiliteit te bieden en enige uitbreiding voor de bedrijfsvoering niet uit te sluiten, wordt daarnaast de mogelijkheid geboden het aantal standplaatsen (via een wijzigingsbevoegdheid) uit te breiden.
Oppervlakte standplaatsen
Met het oog op de noodzakelijke kwaliteitsverbetering en de ontwikkelingen in de markt voldoen de oude normen van netto-standplaatsgrootte niet meer. Voor bestaande terreinen worden geen minimale maten gehanteerd voor de standplaatsen. Ervan uitgaande dat het aantal standplaatsen wordt vastgelegd en dat wordt voldaan aan de brandveiligheidsregels, kan een ondernemer vervolgens zelf kiezen voor grotere standplaatsen of voor meer collectieve ruimte.
Onderscheid niet-permanente en permanente standplaatsen
Er is voor gekozen het maximaal aantal niet-permanente en permanente plaatsen per kampeerterrein vast te leggen. Hiermee wordt voorkomen dat campings zich in de toekomst alleen richten op permanente plaatsen en wordt uitponding met het vaak daarmee samenhangende kwaliteitsverlies voorkomen. Gelet op het hoge aantal permanente standplaatsen op diverse campings wordt het maximaal aantal permanente standplaatsen per kampeerterreinen begrensd op ten hoogste 85%.
Voor nieuwe terreinen of bestaande terreinen die substantieel uitbreiden wordt daarbij als voorwaarde gesteld dat de terreinen centraal bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.
Aantal kampeermiddelen per standplaats
Met het oog op de brandveiligheidseisen is de noodzaak vervallen om het aantal kampeermiddelen per standplaats te regelen. Gelet op de afstandsmaten die worden genoemd in de nota Brandveiligheid kampeerterreinen gemeente Tholen kan slechts een beperkte oppervlakte per standplaats worden benut voor kampeermiddelen.
Kampeerhuisjes / 'gebouwen voor recreatief nachtverblijf'
Met het concept van kampeerhuisjes wordt door ondernemers ingespeeld op de vraag van de consument naar meer luxe en comfort. Een kampeerhuisje is een eenvoudig gebouw waarin personen recreatief kunnen overnachten. Het concept 'kampeerhuisje' komt voort uit de traditionele stacaravan (en lijkt daar vaak nog in meer of mindere mate op). Inmiddels bestaan er verschillende vormen van kampeerhuisjes, zoals kampeerchalets, trekkershutten en campinglodges. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo) vallen al deze verschillende typen kampeerhuisjes onder de noemer 'gebouwen voor recreatief nachtverblijf'. Ook de hiervoor genoemde stacaravan kan hieronder worden geschaard. In de regels van het voorliggende plan is daarom gekozen om bij deze terminologie aan te sluiten.
Uitbreiding van het aantal 'gebouwen voor recreatief nachtverblijf' is mogelijk onder bepaalde voorwaarden.
Oppervlakte bebouwing (centrale voorzieningen)
Voor het realiseren van bebouwing van centrale voorzieningen is het uitgangspunt hierin zoveel mogelijk flexibiliteit. De locatie van bebouwing is niet vastgelegd. Wel is de oppervlakte bebouwing gereguleerd. Voor de oppervlakte wordt voorgesteld de bebouwing aan een maximale m2-maat te binden om te voorkomen dat het hele terrein kan worden volgebouwd.
Gebouwen voor recreatief nachtverbljif (waaronder kampeerhuisjes) en bijgebouwen op de standplaatsen worden niet meegerekend bij deze maat.
De m2-maat is per kampeerterrein afgestemd op het totaal oppervlak van het recreatieterrein: ten hoogste 5% van het terrein mag worden bebouwd met voorzieningen, bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen. De vierkante meters zijn opgenomen op de verbeelding en in bijlage 3 van de toelichting.
De maximale goothoogte voor centrumbebouwing bedraagt 4 meter. De maximale bouwhoogte bedraagt ten hoogste 8 m.
Recreatiewoningen
De oppervlakte van recreatiewoningen wordt gerelateerd aan de omvang van de bouwpercelen en de al aanwezige bebouwing. Per terrein worden de uitbreidingsmogelijkheden bezien hoeveel bebouwing er is toegestaan. Daarbij wordt rekening gehouden met planschade.
Voor woningen geldt een maximale oppervlaktemaat van 90 m2. De maximale goothoogte van de recreatiewoningen bedraagt 4 meter. Voor woningen op nieuwe recreatiecomplexen mag de oppervlakte maximaal 100 m² bedragen. Per recreatiewoning is één vrijstaand bijgebouw toegestaan met een maximum oppervlakte van 12 m².
Bedrijfswoningen
In beginsel is per kampeerterrein één bedrijfswoning toegestaan. Als echter meer bedrijfswoningen aanwezig zijn, wordt het bestaande aantal vastgelegd.
Ontsluiting en parkeren
In de Kadernotie is bepaald dat ieder verblijfsrecreatieterrein moet beschikken over voldoende parkeerplaatsen. In de praktijk wordt uitgegaan van 110% parkeerplaatsen ten opzichte van het aantal standplaatsen. In het bestemmingsplan zijn voor bestaande situaties geen directe eisen gesteld aan het waarborgen van voldoende parkeervoorzieningen.
Landschappelijke inpassing
Uitgangspunt is dat kampeerterreinen gedurende het hele jaar vanaf openbare wegen of paden of van andere erven aan het zicht wordt onttrokken door middel van een adequate randbeplanting met opgaande en streekeigen beplanting.
De bestaande groenstroken worden in het bestemmingsplan als uitgangspunt genomen. Voor zover in de geldende bestemmingsplannen geen groenstroken zijn opgenomen worden voor de bestaande verblijfsrecreatieterreinen 10 meter als richtlijn en als vertrekpunt gehanteerd. Deze 10 meter wordt ook aangehouden voor nieuwe verblijfsrecreatieterreinen. Deze afstand is geen absoluut criterium. Ook smallere stroken of andere landschappelijke inpassingen kunnen onderdeel zijn van een goede landschappelijke inpassing.
Tussen direct aan elkaar grenzende verblijfsrecreatieterreinen en tussen verblijfsrecreatieterreinen en bestaande grotere groengebieden kan worden volstaan met een groenstrook met een gemiddelde breedte van 5 meter. De strook van landschappelijke inpassing wordt niet geprojecteerd over standplaatsen voor kampeermiddelen en stacaravans.
Bij ontwikkelingen biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan verbetering van de al aanwezige landschappelijke inpassing.
Verevening
Voor nieuwe terreinen en ruimtelijke uitbreiding en intensivering van bestaande bedrijven is het vereveningsprincipe van toepassing. Het principe van verevening wil zeggen dat een 'rode' ontwikkeling gepaard dient te gaan met een gelijktijdige investering in de omgevingskwaliteiten, publieke voorzieningen of de ruimtelijke kwaliteit (zie bijlage 1).
Voor de toepassing van het vereveningsprincipe vormt maatwerk het uitgangspunt.
Zoals al in paragraaf 1.2 is gemeld, worden in het voorliggend bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen geen nieuwe terreinen of ruimtelijke uitbreidingen mogelijk gemaakt. Indien op bestaande verblijfsrecreatieterreinen zodanige ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden (uitbreiding eenheden en bebouwing) dat daarmee de vereveningsdrempel wordt overschreden, kunnen deze worden gekoppeld aan afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden.