direct naar inhoud van Bijlage 1 Beleidskader
Plan: Verblijfsrecreatieterreinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01

Bijlage 1 Beleidskader

B1.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's zoals: de Nota Ruimte, Nota Mobiliteit, agenda Landschap, agenda Vitaal, Platteland en Pieken in de Delta. Met de Structuurvisie zet het rijk het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Een aantal van deze belangen zijn:

  • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast externe veiligheidsrisico's.
  • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.
  • Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Uitwerking vindt veelal plaats in wetgeving zoals Waterwet, Natuurbeschermingswet, Deltawet en toekomstige Omgevingswet.

Relevantie voor plangebied

In de structuurvisie infrastructuur en ruimte is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat direct van belang is voor het voorliggende bestemmingsplan. Met onderhavig conserverend plan zijn de relevante nationale belangen geborgd.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In dit besluit worden regels gesteld voor verschillende aspecten van nationaal belang. Veel daarvan moeten nog worden uitgewerkt en vastgesteld. De aspecten die wel zijn uitgewerkt zijn voor het voorliggende bestemmingsplan niet relevant.

Modernisering Monumentenzorg (MoMo)

Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1. lid 2). Wat voor archeologie geldt, gaat voor al het cultureel erfgoed gelden. In paragraaf 4.2 wordt hier nader op ingegaan.

Intrekking Wet op de openluchtrecreatie (vervallen)

Met de intrekking van de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) per 1 januari 2008 is het instrumentarium op basis van deze wet vervallen. Sterker dan in het verleden dienen alle ruimtelijk relevante aspecten vanaf dat moment in het bestemmingsplan te worden geregeld.

Een aantal aspecten van gemeentelijk beleid (zoals landschappelijke inpassing en brandveiligheid) kan niet via het bestemmingsplan worden afgedwongen. De beleidsregels in het kader van de brandveiligheid zijn geregeld in de notitie Brandveiligheid Kampeerterreinen gemeente Tholen.

B1.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018

Voor een krachtig Zeeland zijn economische groei, ontwikkeling en innovatie nodig. De Provincie Zeeland draagt daar als regionaal bestuur met eigen taken en verantwoordelijkheden actief aan bij. De Provincie zet in op een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied. In het Omgevingsplan 2012-2018 beschrijft de Provincie wat zij de komende jaren zal doen om Zeeland op deze punten vooruit te helpen.

De provincie wil de kernkwaliteiten van Zeeland verder benutten, (h)erkennen en versterken. Het karakter van verschillende delen van Zeeland, met sterke, beeldbepalende economische sectoren en eigenheid van de omgeving, is daarvoor de basis. De provincie onderscheid drie deelgebieden:

  • Produceren op Land aan Zee;
  • Beleven van Land en Zee;
  • Bloeien op Land en in Zee.

Relevantie voor het plangebied

Tholen maakt onderdeel uit van het deelgebied 'Bloeien op Land en in Zee'. Op Tholen staan de kernbegrippen rust, ruimte, duurzaam en samenleven met Brabant centraal.

Verordening Ruimte (2012)

Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

Onderstaand zijn een aantal uitsneden van verordeningskaarten opgenomen. Het bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen beoogt met name conserveren van het bestaande. De aanduidingen 'regionale keringen' en 'bestaande natuur' vallen buiten het plangebied. Het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan valt deels samen met het gebied met een landschapswaarde. Het gaat om camping Gorishoek, camping De Zeester en camping De Hoeve (zie figuur B1.4). Bij de aanleg van deze campings is gekozen van voor een landschappelijke inpassing door middel van een omlijsting met opgaande beplanting. De bestaande en toekomstige randbeplanting rond het kampeerterrein zijn daarom voorzien van een specifieke functieaanduiding (specifieke vorm van groen-1), waarmee is bepaald dat de gronden uitsluitend zijn bestemd voor opgaande beplanting ten behoeve van een adequate landschappelijke inpassing. Om te voorkomen dat de betreffende beplantingen rond het kampeerterrein zonder toetsing worden verwijderd, is een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0007.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0008.png"

Figuur B1.1 Regionale kering met waterstaatkundige functie, verordening Ruimte Provincie Zeeland (2012).

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0009.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0010.png"

Figuur B1.2 Bestaande natuur, verordening Ruimte Provincie Zeeland (2012).

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0012.png"

Figuur B1.3 Landschappen, landschapselementen en cultuurhistorische elementen, verordening Ruimte Provincie Zeeland (2012).

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.verblijfsrecreatie-VG01_0013.png"

Figuur B1.4 Landschappen, landschapselementen en cultuurhistorische elementen (zoom in), verordening Ruimte Provincie Zeeland (2012).

Handreiking Verevening 2008 en 2010

Voor de verdere uitwerking van het principe van verevening is de provinciale Handreiking Verevening opgesteld. Deze handreiking heeft géén officiële status als uitwerking van het omgevingsplan op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit wordt niet noodzakelijk geacht aangezien de uitgangspunten en richtlijnen voor het leveren van maatwerk bij de uitwerking van het principe van verevening tevens zijn verwoord in het omgevingsplan Zeeland. Van de gemeenten wordt wel verwacht dat zij handelen volgens de handreiking.

Voor de hoogte van de noodzakelijk geachte vereveningsbijdrage dient maatwerk geleverd te worden. Belangrijkste aspecten hierbij zijn de aard van de activiteit en de locatie. De handreiking biedt handvaten voor het leveren van dit maatwerk.

In de handreiking wordt aangegeven dat het principe van verevening eveneens van toepassing is bij intensivering van bestaande initiatieven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan uitbreidingsmogelijkheden voor sanitair en centrale voorzieningen.

Als stelregel kan worden gehanteerd dat het dient te gaan om een wenselijke ontwikkeling in het buitengebied waarvoor een aanpassing van het geldende bestemmingsplan (of bestemmingsregeling) noodzakelijk is om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

In de handreikingen is aangegeven dat niet voor iedere ontwikkeling sprake is van het vereveningsprincipe. Voor kleinschalige initiatieven, waarbij geen of nauwelijks sprake is van een aantasting van de omgevingskwaliteit, is een drempel ingesteld waaronder niet hoeft te worden verevend. De drempel wordt niet overschreden wanneer:

  • De hoogte van de noodzakelijk geachte vereveningsbijdrage lager is dan € 8.000,-.
  • Er sprake is van slechts een beperkte toename van het bebouwd volume. Dit is aan de orde wanneer:
    • 1. de toename van het bebouwd volume lager is dan 400 m3;
    • 2. de toename van het bebouwd volume lager is dan 30% van hetgeen in het geldende bestemmingsplan al mogelijk wordt gemaakt.

Voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen gelden de volgende indicaties voor investeringen in de omgevingskwaliteit.

ontwikkeling   investering in de omgevingskwaliteit  
Hotels (per kubieke meter)   Een investering van € 20,- per m3 in de omgevingskwaliteit  
Groepsaccommodaties (per initiatief)   € 8.000,-  
Kleinschalig kamperen (per eenheid)   Een bedrag van € 800,- per eenheid, als gekozen wordt voor een gezamenlijke investering met een aantal ondernemers in de toegankelijkheid van het agrarisch gebied dan kan worden volstaan met een bijdrage van € 500,- per eenheid.  
Landschapscamping (per standplaats)   Realisatie 833 m2 groen  
Overige verblijfsrecreatieve activiteiten (per hectare)   Realisatie 2 hectare groen  
Dagrecreatie   € 20,- per m3 (indien volume meer dan 400 m3 bedraagt)  

Zoals hiervoor al is aangegeven vormt het leveren van maatwerk het uitgangspunt voor het toepassen van verevening. Aanvullend op de voorgaande indicaties voor investeringen zijn voor verschillende recreatieve activiteiten de volgende maximale vereveningsbijdragen aangegeven.

recreatieve activiteit   maximale vereveningsbijdrage  
Hotel (0-3 sterren)   Per kamer   € 225,-  
Hotel (4 en 5 sterren)   Per kamer   € 600,-  
Strandslaaphuisje   Per huisje   € 2.500,-  
Jachthaven   Per ligplaats   € 300,-  
    Noordzeekust   Achterland  
Recreatiebungalow- of -woning   Per bungalow   € 5.000,-   € 1.000,-  
Niet-permamente (toeristische) standplaats   Per hectare6   € 34.000,-   € 4.000,-  
Permanente (niet-toeristische) standplaats (chalets, stacaravans etc.)   Per hectare   € 34.000,-   € 17.000,-  

Voor veel recreatiebedrijven geldt dat uitbreiding gecombineerd wordt met kwaliteitsverbetering en het voldoen aan wettelijke vereisten. Extra ruimtebeslag om te voldoen aan wettelijke vereisten is vereveningsvrij. De hoogte van de vereveningsbijdrage wordt in dergelijke situaties alleen berekend over de extra eenheden die op het bedrijf worden gerealiseerd. Bij het omzetten van eenheden (bijvoorbeeld van toeristische standplaatsen naar vaste standplaatsen of recreatiewoningen) wordt eveneens maatwerk geleverd.

Centrumvoorzieningen op bestaande recreatieterreinen

Naast een uitbreiding in eenheden is er bij bestaande recreatieondernemingen veelal ook sprake van het realiseren/uitbreiden van bouwwerken waarin centrumvoorzieningen worden ondergebracht. Hiermee wordt veelal beoogd een kwaliteitsverbetering voor het totale product te realiseren. Voor dergelijk ontwikkelingen is het vereveningsprincipe alleen aan de orde wanneer het bebouwd oppervlak groter wordt dan 15% van het totale oppervlak aan recreatieterrein.

Waarborgingsbeleid wegen

Rond bepaalde wegen geldt een waarborgingsbeleid om de verkeersplanologische functies van wegen voor de toekomst veilig te stellen. Ontwikkelingen binnen de waarborgzones mogen géén afbreuk doen aan de verkeersplanologische functie van de weg. Nieuwe onomkeerbare veranderingen of (planologische) ontwikkelingen direct langs de weg en in strijd met de verkeersplanologische functie, dienen geweerd te worden. Niet-agrarische ontwikkelingen als woningbouw, intensieve recreatie, infrastructuur (niet zijnde weginfrastructuur) en bedrijvigheid dienen nadrukkelijk uitgesloten te worden, evenals nieuwvestiging van agrarische bedrijven. De breedte van de waarborgingszone bedraagt afhankelijk van de functie van de weg 20 of 40 meter uit de as van de weg. Aangezien in het voorliggend bestemmingsplan géén nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (uitbreidingen) mogelijk worden gemaakt, én het waarborgingsbeleid is geregeld in de Wegenverordening Zeeland, behoeft het provinciale waarborgingsbeleid niet ook nog eens in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Hiermee wordt bovendien stapeling van wetgeving voorkomen.

B1.3 Gemeentelijk beleid

Nota recreatie en Toerisme (2004)

Naast kwaliteitsverbetering is uitbreiding van passende vormen van toerisme en recreatie gewenst, zowel op het terrein van de dag-, water- als de verblijfsrecreatie. Kwaliteitsverbetering c.q. continuïteit van de bestaande kampeervoorzieningen moet prioriteit hebben boven het toelaten van nieuwe kampeervoorzieningen in het buitengebied. De gewenste kwaliteitsverbetering (creëren van grotere kavels met wat luxere stacaravans) maakt het noodzakelijk dat het economisch draagvlak van de bestaande kampeerterreinen intact moet blijven. Om de trouwe recreanten te behouden en nieuwe recreanten aan te trekken zal de nodige aandacht besteedt worden aan het verbeteren van de kwaliteit van de huidige voorzieningen. Daarbij is het belangrijk dat naast kwaliteitsverbetering binnen het recreatiebedrijf er ook aandacht is voor de directe omgeving van het recreatiebedrijf. De verbetering van de toeristische infrastructuur betreft bijvoorbeeld de verbetering van toeristische routes in gehele gemeente, alsmede aantrekkelijk maken van die routes door het aanbrengen van onder andere bewegwijzering (eventueel op basis van knooppuntroutesysteem), picknickvoorzieningen, informatiepanelen per bezienswaardigheid / per kern en fietsveren. Dit betreft dan zowel wandel-, fiets-, en ruiterroutes.

Kadernotitie Verblijfsrecreatieterreinen (2008)

Algemeen

Op 18 september 2008 heeft de raad van de gemeente Tholen de Kadernotitie Verblijfsrecreatieterreinen vastgesteld. De gemeente Tholen kiest – in het verlengde van rijks- en provinciaal beleid – met betrekking tot het bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen voor een grote flexibiliteit en globaliteit. Naast een grotere vrijheid voor ondernemers worden beperkte randvoorwaarden gesteld die ruimtelijk relevant zijn. In deze paragraaf worden de randvoorwaarden die in het bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen zijn vertaald, nader toegelicht.

Aantal standplaatsen 

Het aantal standplaatsen op een kampeerterrein heeft directe ruimtelijke gevolgen voor de omgeving (onder andere verkeersbewegingen, landschappelijke uitstraling en hinder). Als het aantal standplaatsen niet in het bestemmingsplan wordt geregeld, zijn de ruimtelijke effecten niet begrensd. Op basis van jurisprudentie is dat – met het oog op de rechtszekerheid van omwonenden en de overige ruimtelijke effecten – in beginsel niet gewenst.

De nota Brandveiligheid kampeerterreinen gemeente Tholen biedt te weinig waarborging voor een adequate planologische regeling. Binnen de beleidsregels is het in beginsel namelijk mogelijk te komen tot verdichting, waardoor het aantal standplaatsen kan toenemen, tenzij er strijd is met wettelijke brandveiligheidseisen. Bovendien vormen de brandveiligheidsregels een afzonderlijk instrument, dat naast het bestemmingsplan functioneert, maar dat daardoor ook afzonderlijk kan worden aangepast. Daardoor zou in beginsel verdergaande uitbreiding van het aantal eenheden kunnen optreden, los van toetsing van de ruimtelijke effecten in het bestemmingsplanspoor.

In de kadernotitie heeft het gemeentebestuur besloten het huidige aantal standplaatsen als uitgangspunt te nemen. Er is namelijk geconstateerd dat de afstand tussen het feitelijk aantal standplaatsen en het aantal dat volgens de geldende bestemmingsplannen is toegestaan, in veel gevallen groot is. Vaak komt dit doordat de afgelopen jaren is geïnvesteerd is in kwaliteitsverbetering, waarbij standplaatsen zijn verkleind en het aantal substantieel is verminderd. Daarnaast is het niet te verwachten dat het aantal standplaatsen de komende jaren zal toenemen.

Om meer flexibiliteit te bieden en enige uitbreiding voor de bedrijfsvoering niet uit te sluiten, wordt daarnaast de mogelijkheid geboden het aantal standplaatsen met 20% uit te breiden. Hieraan zijn wel voorwaarden aan verbonden.

Oppervlakte standplaatsen

Met het oog op de noodzakelijke kwaliteitsverbetering en de ontwikkelingen in de markt voldoen de oude normen van de netto-standplaatsgrootte niet meer. Bij kwaliteitsverbetering is het noodzakelijk dat de nieuwe situatie een kwalitatief hoogwaardig recreatief product vormt voor de komende tijd.

Voorgesteld wordt voor bestaande terreinen geen minimale maten te hanteren voor de standplaatsen. Ervan uitgaande dat het aantal standplaatsen wordt vastgelegd en dat wordt voldaan aan de brandveiligheidsregels, kan een ondernemer vervolgens zelf kiezen voor grotere standplaatsen of voor meer collectieve ruimte. Voor de bruto-standplaatsgrootte hanteert de provincie een streefnorm van 300 m². Bij kwaliteitsverbetering wordt de streefnorm van de provincie aangehouden, namelijk een bruto-standsplaatsgrootte van 300 m².

Onderscheid tussen permanent- en niet-permanente standplaatsen

Het maximaal aantal niet-permanente en permanente plaatsen moet per kampeerterrein worden vastgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat campings zich in de toekomst alleen richten op permanente plaatsen en wordt uitponding met het vaak daarmee samenhangende kwaliteitsverlies voorkomen. Gelet op het hoge aantal permanente standplaatsen op diverse campings wordt het maximaal aantal permanente standplaatsen per kampeerterreinen ten hoogste 85%.

Voor nieuwe terreinen of bestaande terreinen die substantieel uitbreiden wordt daarbij als voorwaarde gesteld dat de terreinen centraal bedrijfsmatig worden geëxploiteerd. Voor bestaande terreinen waar geen belangrijke veranderingen zullen plaatsvinden lijkt een dergelijke eis juridisch niet houdbaar. Voor zover voor wijziging van het soort standplaatsen op een bestaande camping geen uitbreiding van het totaal aantal eenheden aan de orde is het vereveningsprincipe niet van toepassing.

Aantal kampeermiddelen per standplaats

Met het oog op de brandveiligheidseisen is de noodzaak vervallen om het aantal kampeermiddelen per standplaats te regelen. Gelet op de afstandsmaten die worden genoemd in de nota Brandveiligheid kampeerterreinen gemeente Tholen kan slechts een beperkte oppervlakte per standplaats worden benut ten behoeve van kampeermiddelen.

Kampeerhuisjes

Met het concept van kampeerhuisjes wordt door ondernemers ingespeeld op de vraag van de consument naar meer luxe en comfort. Een kampeerhuisje is een eenvoudig gebouw waarin personen recreatief kunnen overnachten. Inmiddels bestaan er verschillende vormen van kampeerhuisjes zoals kampeerchalets, trekkershutten en campinglodges

Met het concept van kampeerhuisjes wordt door ondernemers ingespeeld op de vraag van de consument naar meer luxe en comfort. Een kampeerhuisje is een eenvoudig gebouw waarin personen recreatief kunnen overnachten. Inmiddels bestaan er verschillende vormen van kampeerhuisjes zoals kampeerchalets, trekkershutten en campinglodges.

Uitbreiding van het aantal kampeerhuisjes is mogelijk onder de volgende voorwaarden.

  • De gebouwen onderscheiden zich wat betreft het materiaalgebruik en uitstraling van normale recreatiewoningen.
  • De oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 1/3 van de oppervlakte van de standplaats.
  • De maximale oppervlakte van kampeerhuisjes bedraagt 75 m² en voor de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen 12 m².
  • De maximale goot- en bouwhoogte van de kampeerhuisjes bedraagt 4 en 5 meter.
  • Een goed landschappelijke inpassing is vereist.
  • Het vereveningsprincipe is van toepassing.
  • De nota Brandveiligheid Kampeerterreinen in de gemeente Tholen bevat voorwaarden voor het plaatsen van bijgebouwen (in het kampeervak).

Recreatiewoningen

De oppervlakte van recreatiewoningen wordt gerelateerd aan de omvang van de bouwpercelen en de al aanwezige bebouwing. Op de meeste verblijfsrecreatieterreinen kunnen mogelijkheden worden geboden voor extra bebouwing op de percelen. Daarbij gaat het zowel om ruimte voor uitbreiding van de recreatiewoningen als voor erfbebouwing.

Verwacht wordt dat de druk om recreatiewoningen ook permanent te bewonen de komende jaren zal toenemen en wordt vergroot indien de woningen groter en daarmee luxer worden. Per terrein worden de uitbreidingsmogelijkheden bezien hoeveel bebouwing er is toegestaan. Daarbij wordt rekening gehouden met planschade.

Voor woningen geldt op bestaande terreinen een maximale oppervlaktemaat van 90 m² . De maximale goothoogte van de recreatiewoningen bedraagt 4 meter. Voor woningen op nieuwe recreatiecomplexen mag de oppervlakte maximaal 100 m² bedragen. Per recreatiewoning is één vrijstaand bijgebouw toegestaan met een maximum oppervlakte van 12 m².

Oppervlakte bebouwing centrale voorzieningen

In het bestemmingsplan moet een regeling worden opgenomen voor de oppervlakte op te richten bebouwing voor centrale voorzieningen en gebouwen voor dienstverlening en beheer.

De beleidsintenties uit de kadernotitie streeft op dat punt zo veel mogelijk naar flexibiliteit. De locatie van bebouwing is niet vastgelegd. Wel is de oppervlakte bebouwing gereguleerd.

De oppervlakte van bebouwing is gebonden aan een maximale m2-maat om te voorkomen dat het hele terrein wordt volgebouwd.

Kampeerhuisjes en bijgebouwen op de standplaats worden niet meegerekend bij deze maat. De m2-maat is per kampeerterrein afgestemd op de al aanwezige voorzieningen. Om toekomstige ontwikkelingen niet uit te sluiten, wordt de mogelijkheid geboden de bestaande bebouwing met bijvoorbeeld 15% uit te breiden. De maximale goothoogte voor centrumbebouwing bedraagt 4 meter. Via een wijzigingsbevoegdheid kan de omvang van de bebouwing worden aangepast. Wat betreft de gebruiksmogelijkheden kan worden volstaan met een ruime, algemene formulering.

Ontsluiting en parkeren

Bij de kwaliteitsverbetering van bestaande verblijfsrecreatieterreinen en de vestiging van nieuwe terreinen is een verkeersveilige ontsluiting van groot belang. Daarnaast moet de ontsluiting ruimte bieden aan de steeds omvangrijkere kampeermiddelen. In de kadernotie is bepaald dat ieder verblijfsrecreatieterrein moet beschikken over voldoende parkeerplaatsen. In de praktijk wordt uitgegaan van 110% parkeerplaatsen ten opzichte van het aantal standplaatsen. In het bestemmingsplan zijn voor bestaande situaties geen directe eisen gesteld aan het waarborgen van voldoende parkeervoorzieningen.

Bij nieuwe terreinen worden wel eisen gesteld. Het aantal parkeerplaatsen moet 150% van het aantal standplaatsen bedragen. Waarvan 20% van het aantal parkeerplaatsen bij de ingang van het terrein ligt.

Landschappelijke inpassing

In ruil voor de ruime mogelijkheden om keuzes te maken met betrekking tot aard en omvang van standplaatsen, voorzieningen en gebouwen is, meer nog dan in het verleden, een goede landschappelijke inpassing van de kampeerterreinen van belang. Uitgangspunt is dat kampeerterreinen gedurende het hele jaar vanaf openbare wegen of paden of van andere erven aan het zicht wordt onttrokken door middel van een adequate randbeplanting met opgaande en streekeigen beplanting.

In de gemeente Tholen is het aanwezige groen voor landschappelijke inpassing in het algemeen genomen in overeenstemming met de geldende bestemmingsplannen. De bestaande groenstroken worden in het bestemmingsplan als uitgangspunt genomen. Voor zover in de geldende bestemmingsplannen geen groenstroken zijn opgenomen worden voor de bestaande verblijfsrecreatieterreinen 10 meter als richtlijn en als vertrekpunt gehanteerd (bijvoorbeeld een afschermende beplantingsstrook met inheemse opgaande soorten). Deze 10 meter wordt ook aangehouden voor nieuwe verblijfsrecreatieterreinen. Deze afstand is geen absoluut criterium. Het gaat daarbij om een netto maat exclusief eventuele sloten en schouwpaden. Ook smallere stroken of andere landschappelijke inpassingen kunnen onderdeel zijn van een goede landschappelijke inpassing. Op basis van een concreet inrichtingsplan, wordt de landschappelijke inpassing getoetst door een landschapsdeskundige.

Tussen direct aan elkaar grenzende verblijfsrecreatieterreinen en tussen verblijfsrecreatieterreinen en bestaande grotere groengebieden kan worden volstaan met een groenstrook met een gemiddelde breedte van 5 meter. Voor bestaande kampeerterreinen wordt rekening gehouden met aanwezige standplaatsen.

Nu de Wor is ingetrokken, is het bestemmingsplan het enige instrument waarin een regeling kan worden opgenomen met betrekking tot de landschappelijke inpassing. Bij ontwikkelingen biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan verbetering van de al aanwezige landschappelijke inpassing.

Verevening

Voor nieuwe terreinen en ruimtelijke uitbreiding van bestaande bedrijven wordt voorgesteld het vereveningsprincipe toe te passen. Voor bestaande bedrijven waar geen ruimtelijke uitbreiding aan de orde is, heeft de gemeenteraad van Tholen besloten om geen verevening toepassen. De gedachte hierbij is dat de ondernemer binnen algemene randvoorwaarden vrij zou moeten zijn om op marktontwikkelingen te kunnen inspelen zonder dat hij / zij wordt geconfronteerd met verevening.

In dit scenario worden de kampeerterreinen en recreatiewoningcomplexen gezien als bestaande rode functies in het buitengebied, waarop het vereveningsprincipe niet zou moeten worden toegepast. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de kwaliteitsverbetering er in vrijwel alle gevallen toe leidt dat het totaal aantal standplaatsen afneemt. Daarmee nemen de ruimtelijke effecten van de recreatieterreinen op de omgeving, in de zin van verkeersaantrekkende werking, potentiële overlast en dergelijke, bovendien af. Dat kan worden gezien als onderdeel van de verevening. De afgelopen jaren is al voor diverse terreinen gebleken dat het aantal eenheden (soms substantieel) afneemt. Hierdoor wordt de rode functie derhalve minder rood en is de door de provincie genoemde aanleiding voor verevening niet aan de orde.

Ook wanneer op de recreatieterreinen extra verstening optreedt, bijvoorbeeld door het omzetten van standplaatsen voor kampeermiddelen in chalets of kampeerhuisjes, waarbij het aantal eenheden afneemt, nemen de effecten op de omgeving niet toe, als een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd7. Dat geldt ook voor bijgebouwen op de standplaats of uitbreiding van de centrale voorzieningen ten behoeve van het eigen terrein.

Verder is van groot belang dat proces van kwaliteitsverbetering, productdifferentiatie en seizoensverlenging niet mag worden gefrustreerd. Zowel ondernemers, provincie als gemeente hebben een groot belang bij deze processen. Door extra eisen in de zin van investeringen in de ruimtelijke kwaliteitswinst te stellen aan ontwikkelingen binnen de bestaande terreinen, kan een belemmering ontstaan voor deze wenselijke processen. Van belang daarbij is verder dat de terreinen vrijwel allemaal goed landschappelijk zijn ingepast. Dit liberale scenario wijkt af van de handreiking verevening.

Brandveiligheid Kampeerterreinen Gemeente Tholen (2005)

In samenwerking tussen de Regionale Brandweer Zeeland en een aantal betrokken gemeenten is de Richtlijn brandveiligheid kampeerterreinen Zeeland van 17 juni 2004 opgesteld.

De richtlijn heeft tot doel brandveiligheidsvoorschriften voor bestaande en nieuwe kampeerterreinen nader te specificeren. Daarnaast heeft de richtlijn tot doel de voorschriften uit de verschillende wet- en regelgeving te bundelen. In de richtlijn worden minimale voorwaarden geformuleerd voor brandveilige kampeerterreinen. De gemeente Tholen wijkt op punten gemotiveerd af van deze richtlijn. Gebaseerd op deze richtlijn heeft de gemeente de nota Brandveiligheid kampeerterreinen opgesteld.

De gemeente Tholen heeft ervoor gekozen op grond van de brandbeveiligingsverordening aanvullende brandveiligheidsvoorwaarden in een afzonderlijke gebruiksvergunning te regelen. In hoofdstuk 4 zal nader worden ingegaan op het aspect brandveiligheid.

Permanente bewoning van recreatiewoningen

Algemeen

Woningen met een bestemming voor recreatiewoning mogen uitsluitend worden gebruikt als recreatief woonverblijf en mogen dus niet permanent bewoond worden. Een aantal woningen wordt echter gebruikt voor permanente bewoning waardoor er strijdigheid is met de geldende bestemmingsplannen (onrechtmatige bewoning).

Het college van burgemeester en wethouders van Tholen hebben op 15 juni 2004 ten aanzien van de permanente bewoning van recreatiewoningen het volgende besloten:

  • Voor die gevallen waarin vóór 31 oktober permanent werd gewoond in een recreatiewoning, een gedoogbeschikking af te geven (op aanvraag), die ertoe strekt dat de betreffende bewoner(s) in de betreffende recreatiewoning mogen blijven wonen. Deze beschikking is persoonsgebonden, aan het object gerelateerd, niet overdraagbaar en vervalt in ieder geval op het moment dat de betreffende bewoner verhuist of overlijdt. Voorwaarde is wel dat het betreffende object moet voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit aan een woning stelt en dat het bewonen van het betreffende object niet strijdig is met de milieuwetgeving. Na expiratie van deze persoonsgebonden beschikking dient de gemeente de recreatiebestemming actief te handhaven.
  • Na het afgeven van de gedoogbeschikkingen tegen de andere permanente bewoners van recreatiewoningen (gefaseerd) handhavend op te treden, één en ander conform een nog op en vast te stellen uitvoeringsprogramma.
  • De provincie en de inspectie van voorgaande werkwijze in kennis te stellen8.

Vervolgens heeft het college op 1 maart 2005 de "Uitvoeringsnota verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen in de gemeente Tholen" vastgesteld. Kort samengevat houdt deze nota in dat persoons- en objectgebonden gedoogbeschikkingen worden verleend aan bewoners die voldoen aan de in de nota genoemde voorwaarden. In de andere gevallen zal handhavend worden opgetreden. Uiteindelijk zijn 22 gedoogbeschikkingen afgegeven. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de gegevens geactualiseerd. Er wordt nog op 16 adressen gebruik gemaakt van de verleende gedoogbeschikking.

Op 23 februari 2010 heeft het college de "Uitvoeringsnota integrale handhaving Tholen 2010-2014" vastgesteld. Hierin is het handhavingsbeleid van de gemeente Tholen opgenomen. Bij deze nota hoort een Bijlagenboek en een jaarlijks op stellen Handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP).

In het Handhavingsuitvoeringsprogramma heeft het handhavend optreden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen, kampeerhuisjes enz. een hoge prioriteit gekregen.

Uitvoeringsnota "Verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen in de gemeente Tholen" (2005)

In de uitvoeringsnota wordt beschreven hoe om te gaan het verbod van permanente bewoning van recreatiewoningen en de legalisering van bepaalde recreatiewoningen. De volgende punten zijn hiervoor van belang.

  • Het afgeven van persoons- en objectgebonden beschikkingen aan bewoners van woningen met een recreatieve bestemming, mits aan de gestelde voorwaarden, als genoemd in de nota, wordt voldaan.
  • Aanwezige illegale bebouwing, die niet gelegaliseerd kan worden, maar wel nodig is in het kader van het Bouwbesluit, zodat de recreatiewoning 'bewoonbaar' is, mee gedogen.
  • Aanwezig illegale bebouwing die niet gelegaliseerd kan worden én die ook niet nodig is in het kader van het bouwbesluit, omdat de recreatiewoning zonder ook 'bewoonbaar' is, niet mee gedogen.
  • Waar aanwezig illegale bebouwing die wel gelegaliseerd kan worden, dient een bouwvergunning aangevraagd te worden, wordt dit niet gedaan, dan zal alsnog gehandhaafd worden op de illegale bebouwing.
  • Dat voor situaties die niet voor een persoons- en objectgebonden beschikking in aanmerking komen en overige permanente bewoners van caravans, stacaravans en chalets handhavend zal worden opgetreden.