| Plan: | Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | beheersverordening |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.BVIDM-VG99 |
In het kader van de beheersverordening heeft voor het beheersverordeninggebied een scan plaatsgevonden van relevante omgevingsaspecten. Dit onderzoek is beperkt van aard, omdat de beheersverordening gericht is op instandhouding van de bestaande situatie met de bestaande kwaliteit. Het onderzoek richt zich erop te bepalen of in het gebied vanuit het oogpunt van milieu, natuur, verkeer of water aanleiding bestaat tot het treffen van maatregelen. Hiervoor is een toets uitgevoerd op het voldoen aan wet- en regelgeving.
Archeologie
Toetsingskader
Onderzoek en conclusie
Interim archeologiebeleid
De gemeente hanteert momenteel interim archeologiebeleid. In het kader daarvan is een scan uitgevoerd naar de archeologische verwachtingswaarden van dit verordeningsgebied. De resultaten daarvan zijn opgenomen in bijlage 3.
Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat aan de zuidzijde van het verordeningsgebied Dow, Mosselbanken en Logistiek Park aan enkele delen een besluitvlak 'Waarde Archeologie -1' moet worden toegekend. Dit betekent dat voor werken en werkzaamheden tot een oppervlakte van 100 m2 en een diepte van maximaal 50 cm géén omgevingsvergunning voor het uitvoeren daarvan is benodigd.
Cultuurhistorie
Toetsingskader
Onderzoek en conclusie aanwezige cultuurhistorische waarden
In het verordeningsgebied zijn beperkt cultuurhistorische en landschappelijke waarden aanwezig. Rijksmonumenten ontbreken. Een specifieke regeling is in de beheersverordening niet nodig. Het bestaand gebruik wordt immers vastgelegd.
De volgende cultuurhistorische waarden zijn aanwezig.
| Object | Beschrijving |
| dijken langs het industrieterrein | Het betreft dijken waarmee de inpolderingsgeschiedenis afleesbaar is. |
Er zijn geen monumentale bomen aanwezig. In bijlage 3 is ook beperkt aandacht voor de cultuurhistorische achtergronden en ontstaansgeschiedenis van het gebied. Hieruit volgt met betrekking tot het aspect cultuurhistorie overigens geen noodzaak tot het opnemen van specifieke regelingen.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beheersverordening. De dijken zijn voorzien van een passend besluitvlak.
Toetsingskader
Wet bodembescherming
Onderzoek en conclusie
In de Wet bodembescherming is bepaald dat bij functiewijzigingen onderzocht dient te worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Binnen de beheersverordening worden geen functiewijzigingen mogelijk gemaakt.
Overigens zijn de voorbije periode binnen het verordeningsgebied in het kader van diverse bouwaanvragen verschillende bodemonderzoeken verricht. Uit deze bodemonderzoeken blijkt dat het huidige, industriële gebruik van de gronden kan worden gecontinueerd.
Hierdoor is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. Het aspect bodem staat de vaststelling van de beheersverordening niet in de weg.
Toetsingskader
Onderzoek en conclusie
EHS
Tegen het verordeningsgebied aan en in de nabije omgeving zijn diverse EHS-gebieden gelegen. Deze zijn weergegeven in figuur 4.1 en betreffen:
Figuur 4.1. EHS-gebieden rondom het verordeningsgebied.
Natura 2000
De Westerschelde en de Canisvliet maken deel uit van de Natura 2000-gebieden. Binnen het plangebied ligt (een deel van) de Westerschelde. Het natura 2000-gebied Canisvliet ligt ruim buiten de begrenzing van de beheersverordening.
Figuur 4.2. Natura 2000-gebied Westerschelde in het verordeningsgebied.
Gemeentelijk natuurbeleid
Binnen het verordeningsgebied zijn conform de natuurwaardenkaart van de gemeente Terneuzen (zie bijlage 4) onder andere de Slechtvalk, Steenmarter, Steenuil, Ransuil, Moeraswespenorchis, Wilde marjolein, Lange ereprijs en de Parnassia aanwezig.
Aangezien het hier een beheersverordening betreft, zijn er geen ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot aantasting of verstoring van beschermde dier- en plantensoorten of beschermde natuurgebieden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur staan de uitvoering van dit plan dan ook niet in de weg.
Toetsingskader
Onderzoek en conclusie
Binnen en rondom het verordeningsgebied zijn meerdere risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de veiligheidssituatie in het gebied.
Inrichtingen binnen het verordeningsgebied
Aan de Willemskerkeweg 3 is de BRZO-inrichting Air products gevestigd. Hier vindt de opslag van zuurstof plaats. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van 0 meter. Het invloedsgebied reikt ook niet tot buiten de inrichtingsgrenzen van de inrichting, een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Aan de Willemskerkeweg 5 bevindt zich de BRZO-inrichting Indaver. Dit betreft een inrichting waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden. Volgens het bevoegd gezag heeft de inrichting geen PR 10-6 risicocontour, het invloedsgebied ten gevolge van deze inrichting betreft 32 meter. De beheersverordening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van de huidige planologische situatie. Het vaststellen van de beheersverordening zorgt niet voor een toename van het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Aan de Herbert H. Dowweg 5 ligt de BRZO-inrichting Dow-Benelux B.V. Dit betreft een inrichting waar etheenoxide en ammoniak opgeslagen worden. Ten gevolge van deze opslag beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van 1.350 meter. Binnen deze contour zijn in de huidige situatie geen kwetsbare objecten gelegen. De beheersverordening maakt deze ook niet mogelijk. Uit de gegevens van de risicokaart blijkt dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft. De beheersverordening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van de huidige planologische situatie. Daarom zal en kan het groepsrisico niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Aan de Herbert H. Dowweg 5 is eveneens de risicovolle inrichting DECO-plant Dow gevestigd. Hier wordt onder andere natriumhypochloriet opgeslagen. De inrichting beschikt niet over een PR 10-6 risicocontour die buiten de inrichtingsgrenzen komt, de effect afstand bedraagt 375 meter en komt daarmee wel buiten de inrichtgrenzen, daarom is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen in bijlage 7.
Voorts bevindt zich aan de Herbert H. Dowweg 5 de risicovolle inrichting Elsta. Dit betreft een risicovolle inrichting omdat hier een bovengrondse propaantank aanwezig is van 8 m3. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting niet over een PR 10-6 risicocontour die buiten de inrichtingsgrenzen reikt. Het invloedsgebied is niet relevant voor het verordeningsgebied, daarom is een verantwoording voor deze inrichting niet noodzakelijk.
Aan de Herbert H. Dowweg 7 is de BRZO-inrichting Air Liquide gevestigd. Dit is een inrichting waar zuurstof wordt opgeslagen. Ten gevolge van deze activiteiten beschikt de inrichting niet over een PR 10-6 risicocontour of een invloedsgebied voor het groepsrisico die tot buiten de inrichtingsgrenzen reikt, een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Aan de Elementenweg 1 is de BRZO-inrichting Oil Tanking Terneuzen aanwezig. Op deze inrichting worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van circa 580 meter (QRA bij vergunning 12021869). Binnen deze risicocontour zijn geen kwetsbare objecten gelegen, deze worden door deze beheersverordening ook niet mogelijk gemaakt. Het groepsrisico blijft in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde. De beheersverordening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van de huidige planologische situatie. Daarom zal en kan het groepsrisico niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Aan de Savoyaardsweg 1 bevindt zich de BEVI-inrichting Katoennatie Westerschelde Containerterminal. Dit betreft een inrichting met op- en overslag van diverse gevaarlijke stoffen. De PR 10-6 risicocontour van deze inrichting bedraagt circa 120 meter. Binnen deze risicocontour zijn geen kwetsbare objecten gelegen, deze worden door deze beheersverordening ook niet mogelijk gemaakt. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 7.659 meter. Het groepsrisico blijft in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde. De beheersverordening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van de huidige planologische situatie. Daarom zal en kan het groepsrisico niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Eveneens aan de Savoyaardweg 1 bevindt zich de risicovolle inrichting Katoennatie Logipark. Deze inrichting is een risicovolle inrichting omdat er twee propaantanks van 8 m3 op de inrichting aanwezig zijn. De PR 10-6 risicocontouren liggen respectievelijk op 20 en 60 meter vanaf de tanks. Binnen deze afstanden zijn geen kwetsbare objecten gelegen. Het invloedsgebied voor het groepsrisico is conform de risicokaart niet bekend. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk.
Verder aan de Savoyaardweg, op nummer 5, is de risicovolle inrichting Ravago, voorheen Vos Logistiscs, gevestigd. Dit betreft een inrichting waar kunststofkorrels worden opgeslagen. Deze inrichting beschikt niet over een PR 10-6 risicocontour of invloedsgebied die buiten de inrichtingsgrenzen komt. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Tot slot bevindt zich aan de Lithiumweg 1 de risicovolle-inrichting Bertschi BV. Dit is een inrichting waar laad, los en overslagactiviteiten plaatsvinden. Bertschi BV is een spoorgerelateerd bedrijf. De inrichting beschikt over een PR 10-6 risicocontour van maximaal 65 meter vanaf de inrichtingsgrens. Binnen deze contour zijn geen kwestbare objecten gelegen. Ten gevolge van deze activiteiten beschikt deze inrichting over een invloedsgebied van 500 meter. Het groepsrisico blijft in de huidige situatie onder de orientatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Inrichtingen nabij het verordeningsgebied.
Ook buiten het verordeningsgebied zijn meerdere risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de veiligheidssituatie in het gebied:
Aan de Lovenpolderstraat 17 is de BEVI-inrichting Van Wijck gelegen. Dit is een pluimveehouderij met 2 propaantanks van 16,5 en 16,8 m3. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van respectievelijk 20 en 30 meter. Het invloedsgebied is conform de risicokaart niet relevant voor het verordeningsgebied. Een verantwoording voor deze inrichting is daarom niet noodzakelijk.
Het verordeningsgebied ligt ook binnen de schuilzone en de jodiumprofylaxe zone van de EPZ kerncentrale. Voor de kerncentrale geldt echter specifieke wetgeving ten aanzien van kerncentrales. Daarom wordt dit item niet verder in deze toelichting behandeld.
Weg
Ten oosten van het verordeningsgebied ligt de Provinciale weg N62. Uit de gegevens van het basisnet weg blijkt dat deze weg beschikt over een Plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het groepsrisico ten gevolge van deze weg is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Conform de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de Provincie Zeeland is wel een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in bijlage 7.
Ten oosten en door het verordeningsgebied loopt de Herbert H. Dowweg (N252). Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze weg is niet opgenomen in het Basisnet weg en staat evenmin vermeldt op de risicokaart. Daarmee kan verondersteld worden dat de PR 10-6 risicocontour niet buiten de weg valt en het groepsrisico niet groter is dan 0,1 maal de orientatiewaarde. Conform de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de Provincie Zeeland is wel een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in bijlage 7.
Spoor
Binnen het verordeningsgebied is een spoortraject gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dit betreft:
Uit het Basisnet spoor blijkt dat voor deze trajecten geen Plasbrandaandachtsgebied (PAG) en een veiligheidszone geldt. Tevens blijkt het groepsrisico niet groter te zijn dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde, zie figuur 4.3. Dit in combinatie met het consoliderende karakter van het bestemmingsplan zorgt niet voor een toename van het groepsrisico. Conform de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de Provincie Zeeland is wel een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in bijlage 7.
Figuur 4.3. Groepsrisico spoor
Water
Ten noorden van het verordeningsgebied ligt de Westerschelde. Aan de oostzijde het kanaal van Gent naar Terneuzen. Beide vaarwegen zijn conform het basisnet water zogenaamde "rode vaarwegen". Dit betekent dat voor deze vaarwegen de PR 10-6 risicocontour niet buiten de oevergrens komt. Dit wordt bevestigd door de risicostudie die uitgevoerd is door Det Norske Veritas (actualisatiestudie 2011 risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses 2015-2030 8-12-2011 in opdracht van Rijkswaterstaat). Tevens geldt een plasbrandaandachtsgebied van 40 meter vanaf de oever. De beheersverordening maakt geen ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van de huidige planologische situatie. De aanwezigheid van de rode vaarweg vormt geen belemmering voor de beheersverordening. Conform het in concept zijnde Besluit Transport Vervoer Gevaarlijke stoffen blijkt dat deze vaarroute niet zorgt voor een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Dit in combinatie met het feit dat de beheersverordening geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt zorgt ervoor dat het groepsrisico niet zal toe nemen. De oriëntatiewaarde zal niet overschreden worden en een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Leidingen
Binnen het verordeningsgebied zijn diverse leidingen aanwezig. Dit betreffen onder andere propeen, etheen, stikstof en aardgasleidingen. In afbeelding 4.4 is een overzicht weergegeven van de leidingen binnen het verordeningsgebied.
Afbeelding 4.4. Vervoer gevaarlijke stoffen (leidingen) binnen het verordeningsgebied.
Hogedrukaardgasleidingen Gasunie
Binnen het verordeningsgebied ligt een aantal aardgasleidingen van de Gasunie, de effectafstand hiervan varieert van 100 tot en met 220 meter vanaf de leiding. Binnen de effectafstand van deze leidingen worden geen nieuwe planologische ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het groepsrisico zal daarom niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Aardgasleiding Zebra
Binnen het verordeningsgebied is ook een hogedrukaardgasleiding aanwezig die onder beheer is van Zebra en heeft het kenmerk A523. Deze hogedruk aardgasleiding heeft een effectafstand van 285 meter. Binnen deze effectafstand worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. Een toename van het groepsrisico is daarmee uitgesloten. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Nafta en een propeenleiding van Zinker
Binnen het verordeningsgebied zijn ook een Nafta en een Propeenleiding van Zinker aanwezig. Beide leidingen beschikken over een PR 10-6 risicocontour van 0 meter. Het invloedsgebied is niet opgenomen op de risicokaart. Niettemin zal het groepsrisico niet toenemen ten opzichte van de huidige planologische situatie omdat de beheersverordening geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Etheenleidingen
Door het verordeningsgebied loopt een etheenleiding van Shell en een etheenleiding van Dow. Deze leidingen beschikken over een PR 10-6 risicocontour van respectievelijk 105 en 75 meter. Het groepsrisico ten gevolge van deze leidingen is niet bekend. Gezien de lage bevolkingsdichtheid in en rondom het verordeningsgebied waarbinnen deze leidingen liggen, mag verwacht worden dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De beheersverordening zorgt niet voor een toename van het groepsrisico omdat alleen de huidige planologische situatie wordt vastgelegd.
Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Waterstof- en een stikstofleiding
Als laatste lopen er een waterstof- en een stikstofleiding door het verordeningsgebied. Deze leidingen beschikken beide over een PR 10-6 risicocontour van 0 meter. De beheersverordening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van de huidige planologische situatie. Het vaststellen van de beheersverordening zorgt niet voor een toename van het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.
Toetsingskader
Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen
Onderzoek en conclusie
De beheersverordening maakt geen ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2011 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de maatgevende weg; Herbert H. Dowweg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Voor stikstofdioxide betreft dit maximaal 24,8 µg/m3 en voor fijn stof maximaal 24,7 µg/m3 (grenswaarden voor beide stoffen: 40 µg/m3 als jaargemiddelde). Het aantal overschrijdingsdagen voor fijn stof betreft 15. Ook hierbij wordt ruimschoots aan de norm uit de Wet Milieubeheer voldaan. Binnen het gehele verordeningsgebied wordt daarmee voldaan aan de normen uit de Wet milieubeheer. De gehalten stikstofdioxide en fijn stof nemen af naarmate de afstand tot de weg toeneemt. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor deze beheersverordening.
Toetsingskader
Richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009)
Onderzoek en conclusie
Voor het industrieterrein is een inwaartse milieuzonering toegepast. Dit betekent dat vanuit de milieugevoelige functies in de omgeving is bepaald vanaf welke afstand bepaalde bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden toegelaten en hinder voor de omliggende gevoelige functies te voorkomen. Bij de milieuzonering is uitgegaan van 2 verschillende staten van bedrijfsactiviteiten, zowel de Staat voor gezoneerde industrieterreinen als voor de Staat van bedrijventerreinen. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van zowel een geluidgezoneerd industrieterrein als een industrieterrein zonder zonering. Het verschil is dat er voor de Staat van gezoneerde industrieterreinen geen rekening gehouden met het aspect geluid, omdat het industrieterrein gezoneerd is in het kader van de Wet geluidhinder. De milieuzonering geeft de algemene toelaatbaarheid van bedrijven op het haven- en industrieterrein weer. Hiermee wordt in het ruimtelijk spoor zo veel mogelijk voorkomen dat ter plaatse van de omliggende woningen en andere gevoelige functies in de omgeving van de bedrijven sprake zal zijn van onaanvaardbare milieuhinder. Hierbij wordt voor deze beheersverordening uitgegaan van de richtafstanden ten opzichte van omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit is acceptabel, omdat in en rondom het plangebied verschillende functies aanwezig zijn. Zo is er sprake van bedrijvigheid, (bedrijfs)woningen en ontsluitingswegen. Deze functies behoren niet tot een rustige woonwijk, of rustig buitengebied. Om deze reden is uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Niet alle bestaande bedrijven passen binnen de algemene toelaatbaarheid. De bedrijven die niet of niet geheel passen binnen de algemene toelaatbaarheid zijn:
| Naam bedrijf | Adres | Soort bedrijf | SBI code | milieucat. |
| Dow Benelux B.V. | Herbert H. Dowweg 5 | Procesindustrie | 20 | 5.3 |
| Styron | Herbert H. Dowweg 5 | Procesindustrie | 20 | 5.3 |
| Indaver Gevaarlijk Afval b.v. | Willemskerkeweg 5 | Verw. Gevaarlijk afval | 9002.2 | 6 |
In het milieuspoor is met betrekking tot de hiervoor genoemde bedrijven reeds rekening te houden met in de omgeving aanwezige gevoelige functies. In het verordeningsgebied worden de bestaande juridisch-planologisch mogelijkheden in ruime zin gecontinueerd. Nieuwe juridisch-planologische ontwikkelingen worden niet rechtstreeks mogelijk gemaakt. Indien zich een dergelijke ontwikkeling voor zou doen, bestaat de mogelijkheid onder voorwaarden bij omgevingsvergunning af te wijken van de beheersverordening (zie 2.3). Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van de beheersverordening niet in de weg.
De in het plangebied aanwezige bedrijven zijn ingeschaald en opgenomen in bijlage 1.
Toetsingskader
Waterwet, watertoets en Besluit ruimtelijke ordening.
Onderzoek en conclusie
Het verordeningsgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, het waterschap hanteert een watertabel bij ruimtelijke plannen. Ook voor deze beheersverordening is deze opgesteld.
| Thema en water(schaps)doelstelling | Uitwerking |
| Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte. |
Er zijn geen consequenties voor waterkeringen. De verordening voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen. |
| Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water. |
De verordening voorziet niet in nieuw te realiseren verhard oppervlak en/of ontwikkelingen. Er zal ten gevolge van de verordening dan ook geen (extra) wateroverlast ontstaan. |
| Optimale werking van de zuiveringen/RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van over-storten. | De beheersverordening is gericht op het in standhouden van de bestaande situatie met de bestaande kwaliteit. Een optimalisering van het watersysteem is daarom niet aan de orde. |
| Waterschapsobjecten Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI's, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen. |
Binnen de beheersverordening worden geen directe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De waterschapsobjecten ondervinden geen belemmering ten gevolge van de beheersverordening. |
| Watervoorziening / -aanvoer Het voorzien van de bestaande functie van (grond- en/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. |
Niet van toepassing. |
| Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
Geen verandering ten opzichte van de huidige situatie. |
| Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Niet van toepassing. |
| Grondwateroverlast Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast. |
Niet aanwezig in de huidige situatie, in de toekomstige situatie zal dit ook niet aangepast worden. |
| Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. |
Geen verandering (laatste is niet aan de orde) |
| Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. |
Geen verandering ten opzichte van de huidige situatie. |
| Verdroging (Natuur) Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. |
Geen verandering ten opzichte van de huidige situatie. |
| Natte natuur Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
De natuur wordt niet beïnvloedt door de beheersverordening. |
| Onderhoud waterlopen Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden. |
De onderhoud van waterlopen wordt niet beïnvloedt door de beheersverordening. |
| Waterschapswegen Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap. |
De bereikbaarheid van de wegen wordt niet beïnvloedt door de beheersverordening. |
Toetsingskader:
Wet geluidhinder (wgh).
Onderzoek en conclusie
Binnen het verordeningsgebied c.q. de geluidzones industrielawaai, spoorweglawaai en wegverkeerslawaai worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Deze geluidaspecten vormen dan ook geen belemmering voor de beheersverordening.
Toetsingskader
Normstelling en beleid
Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante (buis)leidingen worden aangemerkt zoals hierna genoemd, voor zover deze geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer:
Niet-planologisch relevante leidingen vervullen een functie voor de aanwezige functies en behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.
Onderzoek en conclusie
Naast de in paragraaf 4.3.5 genoemde leidingen waardoor gevaarlijke stoffen vervoerd worden, zijn binnen het plangebied nog meer planologische relevante leidingen aanwezig. Het betreffen onder andere boven- en ondergrondse hoogspanningleidingen, koel-, blus- en afvalwater. Deze leidingen zijn weergegeven op een kaart die als bijlage 4 van de regels is opgenomen. Voor deze leidingen geldt een belemmeringenstrook van 5 meter waarbinnen niet gebouwd mag worden. Omdat er binnen het gehele verordeningsgebied geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden vormt dit aspect geen belemmering voor de beheersverordening.