direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Knol 7 Hoek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het adres Knol 7 in het buitengebied van de kern Hoek, gemeente Terneuzen. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een grotere woning (1.250m³) op de locatie van de bouwvallige schuur die in 2016 is gesloopt. In de bestaande kleine woning zal een Nieuwe Economische Drager (NED) worden gevestigd, in de vorm van verblijfsrecreatie (bed & breakfast/appartement(en) voor verhuur). De functie van de huidige woning komt daardoor te vervallen. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Om verdere verkrotting op het perceel tegen te gaan en de landschappelijke waarden te behouden, is medewerking verleend aan dit plan.

Op de betreffende gronden liggen nu de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden – Coulisselandschap en Microreliëf'. De nieuwe woning is (deels) buiten de huidige bestemming 'Wonen' voorzien. Om deze nieuwe grotere woning te kunnen realiseren en de bestaande woning te gebruiken voor verblijfsrecreatie, is het voorliggend (postzegel)bestemmingsplan opgesteld.

Doel van het voorliggende bestemmingsplan is om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken door aan het betreffende perceel de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Groen' en de bestaande dubbelbestemming(en) en aanduidingen toe te kennen.

1.2 Plangebied

De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de weg Knol nabij het dorp Hoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Google, 2017)

1.3 Leeswijzer

De toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet:

  • In hoofdstuk 2 worden de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven;
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de relevante beleidsaspecten. Achtereenvolgend wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid;
  • In hoofdstuk 4 worden de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling getoetst;
  • In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op het juridische plan, bestaande uit de verbeelding en de planregels ;
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie

In dit hoofdstuk worden de huidige situatie, waaronder de huidige bestemmingsregeling, en de beoogde ontwikkeling beschreven. Vervolgens wordt toegelicht op welke wijze de ontwikkeling juridisch-planologisch is vertaald in het nieuwe bestemmingsplan.

2.1 Beschrijving huidige situatie

2.1.1 Beschrijving locatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied grotendeels uit agrarische grond die momenteel in gebruik is als weide. Op het perceel staat een woonhuis, die sinds 2013 onbewoond is. De oude schuur op onderstaande foto's is in 2016 gesloopt. Aan de randen van het perceel staan een aantal bomen. Ten zuiden van de woning ligt een poel. De woning wordt ontsloten via een onverhard pad. Het perceel grenst aan de noordoostzijde aan de Knol. Aan de zuidoost- en noordwestzijde grenst het perceel aan woonpercelen en aan de overige zijden aan agrarische grond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0002.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0003.png"

figuur 2.1 Impressie situatie voor de sloop van de schuur

Het perceel ligt aan de Knol. Deze doodlopende weg ligt dwars op de Hoeksweg (N682), die het verkeer ontsluit richting Hoek en Terneuzen/Sas van Gent. Het plangebied ligt aan de noordkant van de Hoekseweg. Op circa 185 meter ten westen ligt de Westerscheldetunnelweg (N62) en op circa 115 meter een enkele (goederen-)spoorlijn van het Dow-complex - Gent. Op circa 1,4 kilometer ten oosten ligt het Kanaal van Gent naar Terneuzen.

2.1.2 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' is vastgesteld op 25 juni 2013 door de gemeenteraad van Terneuzen. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de enkelbestemmingen 'Wonen', waar op het bestemmingsvlak ten hoogste één woning is toegestaan, en 'Agrarisch met waarden - Coulisselandschap en Microreliëf' (zie figuur 2.1). Voor het plangebied is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing. Ten slotte ligt over het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie - 1'.

Direct grenzend aan het plangebied geldt in het noorden de bestemming 'Verkeer'. Aan de overige zijden en verder ten noorden gelden de enkelbestemmingen 'Agrarisch met waarden - Coulisselandschap en Microreliëf' en 'Wonen'. Direct ten westen en op ongeveer 25 meter noordoostelijk van het plangebied liggen twee agrarische bouwvlakken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: Uitsnede Bestemmingsplan 'Buitengebied' (www.ruimtelijkeplannen.nl)

2.2 Toekomstige situatie

De ontwikkeling voorziet in de aanpassing van de huidige woonbestemming en de huidige agrarische bestemming in een groenbestemming. Binnen het plangebied wordt één (vervangende) woning mogelijk gemaakt. Het huidige woongebouw wordt verbouwd tot een vorm van verblijfsrecreatie: bed & breakfast/appartement(en) voor verhuur. De oppervlakte van de nieuwe woonbestemming bedraagt circa 5.800 m². Bij woonpercelen groter dan 5.000 m² dient, conform de methodiek in het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Terneuzen, een bouwvlak opgenomen te worden. De oppervlakte van dit bouwvlak bedraagt 5.000 m².

De beoogde nieuwe woning ligt ten zuidoosten van de huidige woning. Voor de bouwregeling van de woning wordt aangesloten op de bouwregels van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Dit betekent dat de woning een maximale goothoogte en nokhoogte krijgt van 6 en 10 meter. De woning krijgt een oppervlakte van 375 m². De maximale inhoud van de woning mag volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied' maximaal 750 m³ bedragen. De beoogde woning heeft een grotere inhoud. Dit is toegestaan (met een maximum van 1.250 m³) mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden voortkomend uit artikel 22.3.1 van het bestemmingsplan 'Buitengebied'. De voorwaarden betreffen de minimale afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrenzen (3 meter), bouwen in de voorgevelrooilijn en dat de oppervlakte van de woning niet meer dan 30% bedraagt van de oppervlakte van het bouwperceel. Tevens zal er sprake moeten zijn van een goede landschappelijke inpassing. Afspraken omtrent het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing zijn in een privaatrechtelijke overeenkomst opgenomen en als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan.

De bouw van de woning is planologisch en ruimtelijk aanvaardbaar omdat;

  • de functie van de huidige woning als woning komt te vervallen en daardoor nog steeds één woning op het bestemmingsvlak 'Wonen' is toegestaan;
  • de vervallen schuur (circa 144 m²) inmiddels is gesloopt en ruimte maakt voor de nieuwe woning op die locatie;
  • de woning is geprojecteerd te midden van andere (bedrijfs)woningen en wat betreft massa en bouwhoogtes wordt aangesloten op andere woningen in het buitengebied van de gemeente Terneuzen;
  • er geen belemmeringen voor de bouw van de woning zijn en omliggende functies evenmin in belangrijke mate worden belemmerd;
  • er rekening wordt gehouden met de landschappelijke waarden door middel van een landschappelijk inpassingsplan (figuur 2.3);
  • aan de gestelde voorwaarden m.b.t. het bouwen van grotere woningen wordt voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0005.png"

Figuur 2.3: Toekomstige situatie met landschappelijk inpassingsplan (Labruyère, 2016)

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Analyse

Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) kiest het Rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Uitwerking vindt veelal plaats in wetgeving zoals Waterwet, Deltawet en de toekomstige Omgevingswet.

Toetsing en conclusie

Een van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan.

Daarnaast is aangegeven dat het bij de programmering van onder andere woningen van belang is dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijke regionale behoefte.

Voor het overige is in de SVIR geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. De SVIR genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad.

Besluit ruimtelijke ordening

Voor succesvol ruimtelijk beleid is het van belang dat in iedere regio vraag en aanbod van stedelijke functies goed op elkaar zijn afgestemd. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van stedelijk en landelijk gebied. De Ladder voor duurzame verstedelijking is het centrale ruimtelijk instrument om dit beleid te realiseren.

De ladder ziet er als volgt uit:

  • De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  • Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, geeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is toetsing aan de ladder niet aan de orde.

Toetsing en conclusie

Onder een stedelijke ontwikkeling wordt in het Besluit verstaan de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Stedelijke voorzieningen met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 wordt in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt.

De woning mag een maximale inhoud hebben van 1.250 m³. Indien rekening wordt gehouden met een maximaal toelaatbare goothoogte van 6 meter en maximaal toelaatbare nokhoogte van 10 meter, dan kan de woning een oppervlakte van maximaal 500 m² krijgen. Het voornemen is overigens om een woning met een oppervlakte van ten hoogste 375 m² te realiseren. In beide gevallen kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is en dat de duurzaamheidsladder niet behoeft te worden toegepast.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018

In het omgevingsplan geeft de provincie haar beleidsvisie op de toekomst van Zeeland. Een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied zijn sleutelbegrippen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.

Kort samengevat wordt ingezet op:

  • bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik (inbreiding, herstructurering, hergebruik);
  • stimuleren integrale woningkwaliteit / verbeteren woningvoorraad (kwaliteit en differentiatie);
  • afstemmen woningvoorraad op woonwensen huidige en toekomstige inwoners en veranderende samenstelling en omvang bevolking;
  • bescherming/waarborging en ontwikkeling van waardevolle landschappen, natuur, cultuurhistorisch erfgoed en van aardkundige en archeologisch waarden in Zeeland.

De voor de provincie relevante beleidskaders uit het Omgevingsplan zijn verwerkt in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (zie hierna).

Verordening Ruimte Provincie Zeeland

Bufferzones (artikel 2.7 van de verordening)

In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van:

  • 100 meter tot buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop agrarische gebouwen anders dan kassen zijn toegelaten.
  • 50 meter vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde kassen en, primair, vanaf daarvoor aangewezen bouwvlakken alsmede vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop fruitteelt is toegelaten.

De gewenste ontwikkeling vindt plaats binnen een afstand van 100 meter waar agrarische gebouwen zijn toegestaan. Echter is in voorliggend geval geen sprake van een nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve bestemming. Er wordt in de huidige situatie namelijk ook al gewoond. In paragraaf 4.6 zal de ontwikkeling worden getoetst aan de richtafstanden uit de VNG publicatie. Tenslotte zal de nieuwe woonbestemming worden omgeven door een landschappelijke inpassing. Aan de eisen zoals gesteld in de Verordening Ruimte van de Provincie Zeeland wordt voldaan.

Overige artikelen

Gronden in het plangebied zijn niet grenzend aan of aangewezen als:

  • regionale waterkering (artikel 2.11)
  • bestaande natuur (artikel 2.12)
  • agrarisch gebied van ecologische betekenis (artikel 2.13)
  • natuurontwikkelingsgebied (artikel 2.14)
  • landschap en erfgoed (artikel 2.17).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

Toetsingskader

Structuurvisie Terneuzen 2025

De structuurvisie Terneuzen 2025 (februari 2010) is een visiedocument voor de ontwikkeling van de gemeente Terneuzen voor de lange termijn. De structuurvisie fungeert voor het gemeentebestuur als (ruimtelijk) afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. De structuurvisie vormt daarmee een belangrijk kader voor bestemmingsplannen.

De structuurvisie schetst een te verwachten toekomstbeeld anno 2025, rekening houdende met de ontwikkelingen in de economie en in de leefomgevingskwaliteit (wonen, maatschappelijke voorzieningen, recreatie, natuur en water).

Het buitengebied van de gemeente bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied. De agrarische sector draagt voor een groot deel zorg voor het onderhoud en het beeld van het landschap. Het agrarische gebied functioneert goed en ook de uitstraling volstaat. Grote ruimtelijke ingrepen worden de komende jaren niet verwacht. Voor zover ontwikkelingen plaatsvinden binnen het buitengebied, die niet zijn gericht op de agrarische functie (bijvoorbeeld door de toevoeging van Nieuwe Economische Dragers), geldt dat deze ontwikkelingen de agrarische bedrijfsvoering niet in de weg mogen staan. In hoofdstuk 4 is gemotiveerd dat dit inderdaad niet het geval is.

Beleidsnotitie voor het agrarisch gebied

De gemeenteraad heeft op 26 juni 2012 de notitie: 'Beleidsnotitie voor het agrarische gebied' vastgesteld. Die notitie vormt de belangrijkste bouwsteen voor het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Daarin is als uitgangspunt voor ontwikkelingen in het buitengebied dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling wordt verbeterd. Dit dient te blijken uit een (ruimtelijke) onderbouwing waarin nadrukkelijk aandacht aan het aspect beeldkwaliteit (streekeigen en landelijk karakter, erfinrichtings- of beplantingsplan) wordt besteed.

Verder geldt dat karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet mag worden gesloopt en dat er geen belemmeringen mogen optreden voor de agrarische bedrijven in de omgeving.

Toetsing

De structuurvisie dient als afwegingskader voor de gemeente Terneuzen bij nieuwe initiatieven. De vervangende woning wordt in het landelijk gebied gerealiseerd, wat betekent dat de woning de agrarische bedrijfsvoering niet in de weg mag staan. Daarnaast is een landschappelijk inpassingsplan beschikbaar, waarbij het streekeigen en landelijke karakter mee wordt gewaarborgd. Deze is opgenomen in bijlage 8.

De schuur die in 2006 is gesloopt, maakte deel uit van een complex van volkskundige en landschappelijke waarde. De schuur zelf was niet cultuurhistorisch waardevol.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de eisen van het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Sectorale toetsen

4.1 Verkeer

Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer

Het plangebied ligt aan de Knol. Deze weg loopt in westelijke richting dood bij een agrarisch perceel. De Knol sluit aan de oostzijde aan op de Hoekseweg (N682) richting Hoek of de Rijksweg N252 naar Terneuzen of Sas van Gent. Op circa 185 meter ten westen van het plangebied ligt de Westerscheldetunnelweg (N62) en op circa 115 meter ligt een enkele (goederen) spoorlijn van het Dow-complex - Gent. Op circa 1,4 kilometer ten oosten ligt het Kanaal van Gent naar Terneuzen.

De Knol is een doodlopende erftoegangsweg met een maximum snelheid van 60 km/u. Het gemotoriseerde verkeer en langzaam verkeer maken gebruik van dezelfde rijbaan. Gezien de ligging van de weg binnen de regionale wegenstructuur en het daarmee samenhangende beperkte gebruik, past deze inrichting bij de inrichtingseisen conform Duurzaam Veilig.

Verkeersgeneratie en afwikkeling

De feitelijke verandering ten opzichte van de huidige situatie betreft de toevoeging van de bed & breakfast. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Terneuzen. Voor deze gemeente geldt een weinig stedelijk gebiedstype (bron: CBS). Op basis van het autobezit in deze gemeente, worden hiervoor gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 317 van het CROW ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012). Op basis van de gegevens van het CROW geldt voor een “bungalowpark (huisjescomplex)” een verkeersgeneratie van 2,7 mvt/etmaal per huisje. Zodoende geldt een verkeersgeneratie van 3 mvt/etmaal. Een dergelijke verkeersgeneratie is dermate beperkt dat deze geen invloed heeft op de verkeersafwikkeling.

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernomen (parkeernota 2015-2020) van de gemeente Terneuzen. Op basis daarvan geldt voor een kamer ten behoeve van bed en breakfast een parkeerkencijfer van 1,0 parkeerplaatsen per kamer. Voor de eigen woning geldt een behoefte van 2 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het plangebied. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig.

4.2 Water

Beleids-/toetsingskader

Voor ruimtelijke plannen dient met de watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkwaliteit. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het waterschap Scheldestromen, waar het plangebied binnen valt maakt gebruik van een watertoetstabel. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen.

Toetsing/onderzoek

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met het waterschap. De vereiste waterparagraaf is opgenomen in bijlage 1.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor de aanplant van bomen in de beschermingszone van de regionale waterkering dient een vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur.

4.3 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek en conclusie

Onderzoek

Voor de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Voorafgaand aan het veldwerk is een historisch bodemonderzoek (vooronderzoek) verricht en heeft een terreininspectie plaatsgevonden, die erop zijn gericht zijn eventuele aanvullende gegevens te verzamelen over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving en bronnen te de identificeren die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging.

Tijdens het terreininspectie is in het midden van de locatie puin (deellocatie A in figuur 4.1) op het maaiveld aangetroffen. Hier is ook 1 stukje asbestverdachtmateriaal aangetroffen. Op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie zijn restanten puin van de gesloopte bebouwing op het maaiveld aangetroffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0006.jpg"

Figuur 4.1 Onderzoeksgebied bodemonderzoek

In het bodemonderzoek is in de onderliggende bodem geen asbest aangetoond. Er is géén reden voor het uitvoeren van een nader onderzoek. In de bodem onder de recent aangebrachte puinverharding is evenmin asbest aangetoond.

De bodem is plaatselijk licht verontreinigd met koper, kwik, lood, molybdeen, zink en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met kwik, molybdeen, benzeen, xylenen en naftaleen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grondvrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Conclusie

In het bodemonderzoek is geconcludeerd dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Toetsingskader

Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Gemeentelijk archeologiebeleid

Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld.

In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen.

Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.

Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:

  • het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK),
  • volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1,2 meter beneden het maaiveld),
  • in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde
  • er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III.

Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in de bijlage 3 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend.

Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.

Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen.

De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.

Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt. In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.

Toetsing

Met het oog op de voorgenomen ontwikkeling is een basistoets archeologie uitgevoerd, waarin is getoetst aan de archeologische regeling in het bestemmingsplan Buitengebied en aan het hiervoor beschreven gemeentelijke archeologiebeleid. De toets is opgenomen in bijlage 5. Uit de toetsing blijkt dat het plangebied ligt binnen een zone waarvoor een hoge verwachting geldt op het voorkomen van archeologische waarden.

Momenteel geldt er een dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie 2'. Om archeologische waarden te beschermen is bouwen niet zonder meer mogelijk. Dit houdt in dat voor bouwwerken groter dan 500 m² en tot 0,5 meter beneden het maaiveld een vergunning nodig is. Voor dit gebied is in de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' geen extra vrijstelling voorzien. De maximale vrijstellingsdiepte waarboven geen archeologisch onderzoek nodig is, blijft 0,5 m. In de afbeelding hierna is een fragment van de betreffende vrijstellingenkaart opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0007.jpg"

Figuur 4.2 Fragment ' Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' met aanduiding plangebied.

Gezien de beoogde nieuwbouw met een maximale oppervlakte van 375 m², valt de beoogde ontwikkeling binnen de vrijstellingswaarden. Op de verbeelding zal de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' worden gehandhaafd.

Cultuurhistorie

Toetsingskader

In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.

Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie zijn de provinciale cultuurhistorische waardenkaart en de gemeentelijk cultuurhistorische waardenkaart beschikbaar. De gemeentelijke kaart als onderdeel van de Structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen.

Toetsing

Uit informatie van de provincie blijkt dat het plangebied ligt in de Goessche Polder. Indijking van deze polder vond plaats in 1615. In de gemeentelijke structuurvisie is de Goessche Polder gekarakteriseerd als landschapstype 'open polderlandschap'. Dit veel voorkomend landschapstype in het buitengebied wordt gekenmerkt door grootschalige en rechthoekige verkavelingen. Het beleid is erop gericht versnippering van het landschap tegen te gaan. In huidige situatie ligt op het betreffende perceel al een woonbestemming. De voorgenomen ontwikkeling van het (intern) verbouwen van de oude woning tot verblijfsrecreatie en het realiseren van een nieuwe woning. Dit zorgt niet voor een verdere versnippering van het landschap.

Binnen het plangebied ligt ook een MIP-object nummer 3803/Monumentnummer 3686. (MIP staat voor Monumenten Inventarisatie Project.) Dit betreft het complex waarvan de schuur in 2016 werd gesloopt. Het complex is van volkskundige en landschappelijke waarde. Het verbouwen en andere gebruik van de (voormalige) woning zorgt ervoor dat de bebouwing behouden blijft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0008.png"

Figuur 4.3 Fragment cultuurhistorische waardenkaart provincie

De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. Voor het plangebied is het kaartblad 'Behoud door ontwikkeling' van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0009.png"

Figuur 4.4 Fragment gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (Behoud door ontwikkeling) met globale aanduiding plangebied.

De bestaande landschapsstructuur en mate van verdichting is richtinggevend voor mogelijke veranderingen. De veranderingen moeten passen in deze structuur. Verandering van functies is nadrukkelijk een optie. De mate waarin veranderingen optreden kan per gebied verschillend zijn. Nadere afweging is hierbij noodzakelijk. Deze afweging is hiervoor vermeld.

Conclusie 

De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Op de verbeelding zal de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' worden gehandhaafd. Het opnemen van een archeologische dubbelbestemming betekent dat het onderzoek, indien dat noodzakelijk mocht blijken, wordt doorgeschoven naar de omgevingsvergunningaanvraag.

4.5 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

In paragraaf 2.2 is aangegeven dat de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op de realisatie van een woning en het omvormen van de bestaande woning tot een bed & breakfast. Dit leidt tot een toename van verkeer van 3 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Uit de nimb-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0 µg/m³ en van fijn stof van 0 µg/m³. Er is geen significante toename. In tabel 4.2 is de NIBM tool weergegeven.

Tabel 4.2 NIBM-tool

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0010.png"

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2016

(http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg ligt op circa 150 meter van het plangebied en betreft de N682. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 18,2 µg/m³ voor NO2, 16,5 µg/m³ voor PM10 en 9,4 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6 dagen. Ook in 2020 liggen de concentraties luchtverontreinigende stoffen ruimschoots onder de grenswaarden. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

Conclusie

Op basis van de nibm-tool draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6 Milieuhinder omliggende functies

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of vice versa;

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). ). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een woning en het omvormen van de bestaande woning tot mogelijkheden voor verblijfsrecreatie (bed & breakfast / appartement voor verhuur) In de omgeving van het plangebied zijn woningen en agrarische bedrijven gelegen. De agrarische bedrijven betreffen akkerbouwbedrijven. Omdat er geen veehouderijbedrijven in de omgeving zijn gelegen is de Wgv niet van toepassing en wordt uitgegaan van de richtafstanden uit de VNG publicatie. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Het plangebied zal worden bestemd als “wonen” en groen.

Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) vallen in milieucategorie 2, waarbij richtafstanden worden gehanteerd voor geur, stof, geluid en gevaar. Voor de bovenstaande stoffen worden respectievelijk richtafstanden gehanteerd van 10 m, 10 m, 30 en 10 meter. Rondom het plangebied zijn agrarische gronden gelegen. Binnen een straal van 50 m rondom woningen van derden mogen deze gronden niet gebruikt worden voor nieuwe fruitteeltboomgaarden. Hiermee wordt voorkomen dat de aanwezige personen in het plangebied worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen.

Voor de bed & breakfast geldt een richtafstand voor geur, fijn stof, geluid en gevaar van respectievelijk 10, 0, 10 en 10 m. De afstand van de rand van de nieuwe woonbestemming tot de rand van het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak (Knol 6 en 15) is circa 70 m. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Door de grote afstand tot omliggende bedrijven vormt het voorgenomen plan geen belemmering voor de bedrijfsvoering en milieuruimte van omliggende bedrijven.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woning en bed & breakfast sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering'. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.7 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Ook worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

In figuur 4.5 is een uitsnede weergegeven van de professionele externe veiligheidskaart in de omgeving van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0011.png"

Figuur 4.5 Uitsnede kaart externe veiligheid (bron: Professionele risicokaart)

Inrichtingen

De ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van de Katoennatie. Vanwege de afstand en de kleinschaligheid van de ontwikkeling wordt een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht. Ondanks de grote afstand tot de inrichting, de zeer geringe toename in personendichtheid en het feit dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op het groepsrisico, dient op grond van artikel 13 van het Bevi het groepsrisico te worden verantwoord. Deze verantwoording is opgenomen in bijlage 6. In de omgeving zijn verder nog gelegen een LPG station, diverse propaantanks, een zuurstofvat en opslag van natriumhypochloriet. Het plangebied ligt niet in de invloedsgebieden van bovengenoemde risicobronnen.

Buisleidingen

Ten westen van het plangebied liggen meerdere buisleidingen, het betreft een buisleidingenstrook met een ruimtelijke reservering voor een Multi Utility Providing -strook. De verbinding loopt van Zuid-Bevelend naar het Sloegebied en via de Westerschelde naar Terneuzen en België. Een leidingenstrook is een strook grond met een breedte van 45 tot 70 meter, die als zodanig is vastgelegd in streekplan en bestemmingsplannen. De betreffende buisleidingenstrook bestaat uit een combinatie van de nationale strook (50 meter) en de MUP-strook (20 meter) en leidt tot een reservering van 70 meter.

In de tabel hierna zijn de type buisleidingen, de risicocontour, het invloedsgebied en de afstand tot het plangebied weergegeven.

Tabel 4.3 Buisleidingen ten zuiden van het plangebied

Naam   PR= 10^-6/jr   invloedsgebied 1% totaal   afstand tot plangebied  
Aardgas, Gasunie Z-551-01, 12 inch, 40 bar   0 meter   140 meter   150 meter  
Aardgas en Waterstof, GWS X-804, 16 inch 66 bar
(voorheen Z-530-11)  
ca. 20 meter   210 meter   180 meter  
Aardgas, Zebra A523, 20 inch 80 bar   0 meter   290 meter   215 meter  
Ethyleen, Dow, 6 inch 100 bar   0 meter   82 meter   > 150 meter  
Definitief buiten gebruik, Shell, 6 inch 100 bar   n.v.t.   n.v.t.   n.v.t.  
Stikstof en zuurstof, Air Products 10-N-3920-EC50, 300mm 80 bar   0 meter   < 1 meter   > 150 meter  
Waterstof, Air Liquide H2-NL-11, 4 inch 100 bar   35 meter   64 meter   > 150 meter  
Stikstof en zuurstof, Air Products 12-N-WCG050, 250mm 80 bar   0 meter   < 1 meter   > 150 meter  
Zuurstof, Air Products 10-O-CS, 250 mm 30 bar   0 meter   < 1 meter   > 150 meter  

Uit de tabel blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de aardgasleidingen GWS X-804 en de aardgasleiding van Zebra ligt. De hoogte van het groepsrisico voor de Zebra leiding bedraagt 0,16 * de oriëntatiewaarde en voor de hogedrukgasleiding GWS X-804 0,01 * de oriëntatiewaarde. Door de zeer geringe toename in aanwezige personen heeft de ontwikkeling geen significant effect op het groepsrisico. In de onderstaande figuur is het groepsrisico voor beide gasleidingen weergegeven.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0013.png"

Figuur 4.6 Groepsrisico Zebra leiding (boven) en hogedruk waterstof- en aardgasleiding GWS X-804 (onder)

Transport

Ten zuidwesten van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd per spoor. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied, het invloedsgebied bedraagt meer dan 4 kilometer als gevolg van het vervoer van de stofcategorie D4. Door de zeer geringe toename in personendichtheid neemt het groepsrisico niet of nauwelijks toe. Vanwege de ligging in het invloedsgebied dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld.

Ten zuidwesten van het plangebied ligt de provinciale weg N62 waar gevaarlijk transport over plaatsvindt. Het invloedsgebied bedraagt 880 meter als gevolg van vervoer van de stofcategorie LT2. Het plangebied ligt op circa 250 meter van de weg en ligt derhalve binnen het invloedsgebied. Door de zeer geringe toename in personendichtheid heeft dit geen consequenties voor voorgenomen plan. Vanwege de ligging in het invloedsgebied dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld.

Het kanaal van Gent naar Terneuzen is gelegen op ca 1.400 meter van het plangebied. Van de vervoerde stoffen over het kanaal heeft de stof LT2 het grootste invloedsgebied (880 meter). Het plangebied ligt niet binnen dit invloedsgebied.

Conclusie

Het plangebied ligt in het invloedsgebied van twee hogedruk gasleidingen, de risicovolle inrichting de Katoennatie, de provinciale weg en het spoor. Vanwege de huidige lage bevolkingsdichtheid, de afstand tot de risicobronnen en de zeer geringe toename in personen zal er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde zijn. Vanwege de ligging in het invloedsgebied van verscheidene risicobronnen dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Voor het transport gevaarlijke stoffen kan worden volstaan met een beknopte verantwoording waarbij in wordt ingegaan op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor de Katoennatie is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 6. In deze verantwoording wordt eveneens ingegaan op bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid met betrekking tot de risicobronnen aardgasleidingen, provinciale weg en het spoor. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.8 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking.

Huidige situatie

In de huidige situatie staat op de betreffende gronden voormalig agrarische bedrijfsbebouwing/woning.

Beoogde ontwikkelingen

Het plan betreft de bouw van een vervangende woning. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • bouwrijp maken;
  • Verbouwing van de woning tot een B&B;
  • Bouw van de nieuwe woning;
  • Beplantingswerkzaamheden.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

In 2016 is een quick scan natuurwetgeving opgesteld door bureau Wieland (zie bijlage 7) en een landschapsinrichtingsplan “herstel streekeigen erf” door Stichting Landschapsbeheer Zeeland (bijlage 8).

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Westerschelde & Saeftinghe, gelegen op circa 2,8 km ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNZ gebied is gelegen op circa 1,1 km ten westen van het plangebied.

Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toename in stikstofdepositie. Significante negatieve effecten voor natuurgebieden worden uitgesloten.

Soortenbescherming

In de omgeving staan oude knotbomen waar de steenuil hoogstwaarschijnlijk in broedt. De functionaliteit van het gebied wordt verbeterd door de aanplant van nieuwe fruitbomen, knotbomen en een Zeeuwse haag. Deze groenelementen vormen schuilgelegenheden voor prooidieren van de uil. De haag zelf vormt daarnaast een uitkijkpunt voor de uilen. Door langs het gazon een bloemrijke -kruidige vegetatie te beheren, kan een ideaal jachtgebied voor uilen worden gecreëerd. Van belang is dat er gefaseerd gemaaid wordt of dat begrazing plaats vindt door bijvoorbeeld schapen of paarden. Door aanwezigheid van een korte en lange vegetatie heeft de steenuil namelijk een grotere kans om zijn prooien te bemachtigen.

De aanwezige drinkplaats en de nieuw aan te leggen poel kunnen tevens een belangrijk jachtterrein voor de steenuil zijn. Door de nieuwe poel op maximaal 25 meter van een houtopstand te realiseren, wordt de poel aantrekkelijk voor amfibieën. De houtopstand kan dan dienen als landbiotoop voor deze soortgroep. Daarnaast is het belangrijk dat de oever flauw oploopt zodat een natuurlijke oever wordt gecreëerd en er geen oever beschoeiing wordt aangelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG16-VG01_0014.png"

Figuur 4.7 Voorbeeld van inrichting van leefgebied voor de uil (bron: Landschapsbeheer Nederland, 2009)

In het plangebied komen daarnaast steenbreek- en tongvarens voor. Met ingang van de Wet natuurbescherming zijn de soorten niet meer beschermd en geldt de algemene zorgplicht. De planten worden zoveel mogelijk behouden.

In het plangebied kunnen soorten als bruine kikker, groene kikker en gewone pad aanwezig zijn. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in provincie Zeeland, wel geldt de algemene zorgplicht. Aanwezige stenen kunnen dienen als winterverblijfplaats en dienen voorzichtig te worden verwijderd.

Voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient rekening gehouden te

worden met beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet Natuurbescherming. De volgende maatregelen zijn van toepassing:

  • Zoogdieren: in nieuwbouw een voorziening treffen dat kan fungeren als dagverblijf.
  • Amfibieën: zorgvuldig te werk gaan bij verwijderen stenen rondom schuur (in verband met overwinterplaats Kamsalamander).
  • Broedvogels: bij sloop rekening houden met broedperiode, 2 steenuilkasten ophangen.
  • Vaatplanten: groeiplaats van steenbreekvarens en tongvarens verplaatsen in overleg met een ecologisch deskundige.

Deze maatregelen worden verbonden aan de te verlenen omgevingsvergunning. Enkele maatregelen zoals het ophangen van nestkasten voor steenuilen zijn al uitgevoerd. De sloop van de oude schuur in 2016 is buiten de broedperiode uitgevoerd.

Conclusie

Bij de uitvoering van het plan zal de algemene zorgplicht van de Wet natuurbescherming in acht worden genomen en wordt buiten het broedseizoen gewerkt. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.9 Geluid

Wegverkeerslawaai

Onderzoekskader

De nieuwe woning betreft een geluidgevoelige functie waardoor akoestisch onderzoek volgens de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk is indien deze zijn gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ook de geluidbelasting op de bed&breakfast beoordeeld.

De nieuwe functies zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de N62 (100 km/u), de N682 (80 km/u) en Knol (60 km/u). Onderzoek naar wegverkeerslawaai is noodzakelijk volgens de Wgh. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 4.

Resultaten en conclusie

Uit de modelresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (en ook streefwaarde van het gemeentelijk beleid) ten gevolge van het verkeer op iedere afzonderlijke bron niet wordt overschreden. De akoestische situatie op het projectgebied is goed. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling zodoende niet in de weg.

Industrielawaai

Knol 7 ligt binnen de geluidzone rond het industrieterrein Terneuzen-West/Logistiek Park. Op grond van de Wgh mag op de gevel van woningen of andere geluidgevoelige objecten de geluidbelasting afkomstig van alle inrichtingen op het gezoneerd industrieterrein niet groter zijn dan 50 dB(A). Dit kan een Maximaal Toelaatbare Geluidbelasting (MTG) (vastgesteld bij sanering) zijn of een hogere waarde die bij een ruimtelijk plan is vastgesteld.

Omdat de woning binnen de zone ligt op korte afstand van de buitenste zonegrens, is het aannemelijk dat de geluidbelasting op de woning nooit boven de voorkeurswaarde van 50 dB(A) uitkomt. Daarom hoeft geen MTG te worden vastgesteld.

4.10 Planologisch relevante kabels en leidingen

Toetsingskader en referentiesituatie

Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is:

  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen;
  • de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening)
  • het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (herzien 2016)
  • Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen.

Planologisch relevantie

Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren.

Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb)

De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb:

  • 1. aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA (16 Bar) of meer;
  • 2. aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten);
  • 3. brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa (16 Bar) of meer;
  • 4. giftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en;
  • 5. specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof).

Het Bevb is niet van toepassing op:

  • Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb);
  • Gasleidingen (<1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet);
  • Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteits-, afvalwater- en rioolwaterleidingen (zie verder in dit document);
  • Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting.

Op grond van het Bevb (artikel 14, eerste lid) geeft een bestemmingsplan de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Alleen voor buisleidingen voor aardgas met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa (16 tot en met 40 Bar) geld een belemmeringenstrook van ten minste 4 meter, maar dat is in dit project niet aan de orde.

Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelstemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtstrook (aan weerszijden van de leiding). In vrijwel alle gevallen wordt hiervoor ook 5 meter aan weerszijden van een buisleiding aangehouden, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018

Welke leidingen planologisch relevant zijn en worden opgenomen in het bestemmingsplan is aan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeenteraad. De provincie Zeeland heeft in het Omgevingsplan Zeeland beleid opgenomen ten aanzien van hoofdtransportleidingen. Daarmee worden deze leidingen en verbindingen aangemerkt als planologisch relevant. Het betreft buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen;
  • aardgas hoofdtransportnet Gasunie, of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47,5 cm);
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47,5 cm);
  • aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar.

In het beleid van de gemeente Terneuzen zijn waterleidingen overigens niet meer planologisch relevant.

Hoogspanningsleidingen

Ook hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage kunnen planologisch relevant zijn. In oktober 2005 heeft het Ministerie van VROM aan te houden afstanden geformuleerd (in de praktijk ook wel Teslazones genoemd) van gevoelige functies tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen (> 150 kV) vanwege een mogelijke relatie tussen straling en leukemie bij kinderen. De staatssecretaris adviseert geen nieuwe gevoelige functies te realiseren binnen de indicatieve zone. Gevoelige functies zijn functies waarin kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven zoals woningen, scholen en kinderopvangvoorzieningen. De aan te houden afstanden gelden voor nieuwe situaties. Per bovengrondse hoogspanningslijn is door het ministerie de breedte van de 'indicatieve zone' aangegeven.

Bij het mogelijk maken van een nieuwe functie nabij hoogspanningslijn is in ieder geval het volgende van belang:

  • Magneetveldzone;
  • Zakelijk rechtstrook.

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen en hoogspanningsverbindingen aanwezig. In de omgeving bevinden zich wel planologisch relevante buisleidingen en hoogspanningsverbindingen. Op het externe veiligheidsaspect van deze leidingen en verbindingen is in paragraaf 4.7 ingegaan. Daaruit blijkt dat dit aspect geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg staat.

4.11 Vormvrije-mer

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2);

  • de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning en het omvormen van een bestaande woning tot een bed- en breakfast. De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarden niet.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor voorgenomen plan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de juridische regeling

5.1 Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken voor het bestemmingsplan. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi.

De regeling in dit bestemmingsplan sluit aan op de regeling in het bestemmingsplan Buitengebied.

5.2 Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. De bestemmingen zijn herkenbaar aan een eigen kleur (Wonen is geel). Het gedeelte van het woonperceel waarop de woning mag worden gebouwd en dat mag worden gebruikt als tuin en erf is bestemd tot Wonen. De woning mag (moet) worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak. Ter bescherming van mogelijke archeologische vondsten is de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 2 opgenomen (zie 4.4).

De verbeelding is getekend op een ondergrond waarin de bestaande situatie (bebouwing en kadastrale eigendomsgrenzen) is weergegeven. Voor elke (dubbel)bestemming is een artikel in de regels opgenomen. Ook voor de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' is een artikel in de regels opgenomen. Alle zaken zijn direct in de regels vastgelegd. In paragraaf 5.3 wordt daar nader op ingegaan. Voor een beoordeling van alle bouw- en gebruiksmogelijkheden ter plaatse van een perceel dient eerst de op de verbeelding aangebrachte aanduiding te worden gelezen. Vervolgens worden de daarbij behorende regels opgezocht. Deze volgorde is de meest doelmatige om inzicht te krijgen in de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor het gebruik van en bebouwing op een perceel.

5.3 Toelichting op de regels

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in de volgende hoofdstukken.

  • Inleidende regels; herin worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In de Bestemmingsregels worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven.
  • Algemene regels bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en regels die voor eventuele flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid.
  • Overgangs- en slotregels ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn regels opgenomen betreffende de bestemmingen en de aanduidingen. Bij de opzet van deze regels is een alfabetische volgorde gehanteerd alsmede een standaardvolgorde zoals opgenomen in SVBP2012.

Een bestemmingsartikel wordt als volgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijking van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheden.

Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

Groen (Artikel 3)

Het woonperceel Knol 7 wordt geheel omzoomd door groen. Dit groen is in voorliggend bestemmingsplan als zodanig bestemd. Naast algemene groenvoorzieningen zijn de gronden binnen de bestemming bestemd voor de landschappelijke inpassing van het woonperceel. Hierbij is een directe relatie gelegd met het plan dat daarvoor is gemaakt (zie bijlage 8 van de toelichting op dit plan).

Zoals gebruikelijk zijn voorzieningen behoren bij de bestemming toegestaan. In de 'Bestemmingsomschrijving' is een niet-limitatieve opsomming opgenomen van wat hieronder kan worden verstaan.

Wonen (Artikel 4)

Binnen de bestemming Wonen is een woning voor permanente bewoning toegestaan. Andere activiteiten in woningen (aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten) zijn rechtstreeks mogelijk gemaakt. Het gebruik van een bijgebouw (de oude woning) voor bed & breakfast en/of appartement(en) voor verhuur valt hier niet onder. Daarom is hiervoor een aanduiding 'verblijfsrecreatie' opgenomen.

De woning mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. Ook andere gebouwen (bijgebouwen en overkappingen) moeten volgens het bestemmingsplan daarbinnen worden gebouwd. Er mag ten hoogste 1 woning worden gebouwd, waarbij maximale hoogte en oppervlakte- en inhoudsmaten gelden.

Binnen de bestemming Wonen is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 2.22 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht biedt om voorwaardelijke verplichtingen in de regels op te nemen. Een voorwaardelijke verplichting is een regel in het bestemmingsplan waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald dat een nieuwe functie wel is toegestaan of dat een bepaald gebouw mag worden gebouwd, maar alleen als óók de benodigde maatregelen worden getroffen en deze maatregelen in stand worden gelaten. De voorwaardelijke verplichtingen zijn middelen om afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelende partij(en) planologisch te borgen.

Omdat deze afspraken door gebruikmaking van een publiekrechtelijk regeling kunnen worden vastgelegd, behoeven en kunnen deze niet via privaatrechtelijke weg worden vastgelegd.

Het gebruik maken van voorwaardelijke verplichtingen heeft ook een aantal praktische voordelen. Het biedt ook flexibiliteit. Zo kan bijvoorbeeld geregeld dat de aanleg van de groen, niet hoeft te worden uitgevoerd zolang de ontwikkeling niet concreet ter hand wordt genomen. Ook hoeft de maatregel niet per definitie als eerste tot stand te komen. De verplichting kan bijvoorbeeld ook inhouden dat een inrichtingsplan voor groen en water moet worden gerealiseerd (en in stand gehouden) binnen een bepaalde periode nadat de bebouwing is gerealiseerd. Daar kan om praktische of financiële redenen alle aanleiding toe zijn.

Een voordeel van voorwaardelijke verplichtingen is dat er geen nader toetsingsmoment aan te pas komt. Er is ook geen nadere besluitvorming door het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders) nodig.

Binnen de Specifieke gebruiksregels zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, namelijk:

  • een die moet zorgen voor de aanleg en instand houding van de afgesproken landschappelijke inpassing;
  • een die moet zorgen dat binnen het plan in voldoende (ten minste 18 m3) waterberging wordt voorzien.

Waarde - Archeologie 2 (Artikel 5)

Op basis van de uitgevoerde basistoets Archeologie (zie ook paragraaf 4.4 en bijlage 5) is voor het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 opgenomen. De bestemming valt samen met de bestemmingen Groen en Wonen en heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. De regeling is gebaseerd op de standaardregels die de gemeente voor bestemmingsplannen heeft opgesteld.

Voordat er ten behoeve van de samenvallende bestemming een activiteit mag worden uitgevoerd die de bodem roert, moet worden nagegaan of daardoor geen onevenredige schade aan de archeologische waarden wordt toegebracht. Om deze afweging mogelijk te maken is het bouwen afhankelijk gemaakt van een omgevingsvergunning en is voor andere werkzaamheden dan bouwen (bijvoorbeeld graven) ook een omgevingsvergunning nodig. Deze wordt niet verleend indien daardoor in onevenredige mate schade aan de archeologische waarde wordt of kan worden toegebracht. Onder bepaalde voorwaarden is geen omgevingsvergunning noodzakelijk. Er geldt een onderzoeksverplichting bestaat indien de werkzaamheden groter zijn dan 500 m² en dieper reiken dan 0,50 meter beneden het maaiveld.

Geluidzone - industrie (artikel 8, lid 8.1)

In paragraaf 4.10 Industrielawaai is vermeld dat het plangebied ligt in de geluidzone rond het industrieterrein Terneuzen-West/Logistiek Park. Met deze aanduiding is geregeld dat er geen nieuwe geluidgevoelige objecten zijn is toegestaan, tenzij op de gevel deze objecten (waaronder woningen) wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), dan wel een vastgestelde MTG.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Deze afdeling regelt verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt.

De gemeente is van mening dat er geen belemmeringen zijn aangaande de financiële uitvoerbaarheid. Deze ontwikkeling wordt geheel bekostigd door de initiatiefnemer. De door de initiatiefnemer aan de gemeente overgelegde gegevens tonen afdoende aan dat deze de benodigde investeringen financieel kan dragen. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk aangezien met een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente in het kostenverhaal is voorzien.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Gezien het feit dat het hier om een correctie gaat en er geen sprake is van een ingrijpend plan, zal geen uitgebreide planvoorbereiding en burgerparticipatie plaatsvinden.

De resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro zijn in een apart document samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Dit document is opgenomen in bijlage 9. De reacties hebben geen aanleiding gegeven om het bestemmingsplan aan te passen.

6.3 Vaststellingsprocedure en zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied, Knol 7 Hoek heeft (samen met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning) van 29 maart tot en met 9 mei 2018 ter inzage gelegen voor de vaststellingsprocedure (terinzagelegging op grond van artikelen 3.8, lid 1, en 3.30 Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ontvangen. Het plan is daarom op 3 juli 2018 ongewijzigd door de gemeenteraad vastgesteld.