direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ramsburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de zuidoostkant en direct grenzend aan het centrum van Middelburg is het bedrijventerrein Ramsburg gelegen. Voor dit bedrijventerrein en omringende gronden, zijn nagenoeg alle geldende planologische regimes sterk verouderd en versnipperd. Bovendien hebben zich in dit gebied de afgelopen jaren diverse ontwikkelingen op perceelsniveau voorgedaan. Naar aanleiding hiervan én met het oog op de komst van de Omgevingswet heeft de gemeente Middelburg besloten om de sterk verouderde planologische regimes in dit gebied te actualiseren en uniformeren.

Het belangrijkste uitgangspunt van onderhavig bestemmingsplan is de actuele (planologische en/of vergunde) situatie vast te leggen en - waar mogelijk - aan te sluiten bij de geldende planologische regelingen, teneinde het huidige ruimtegebruik voor te zetten en daar waar mogelijk te intensiveren. Bestaande rechten worden hierbij zoveel mogelijk overgenomen, indien en voor zover dit bij in acht name van beleid, rechtspraak en andere (sectorale) wetgeving gestand kan blijven. Verder zijn in de afgelopen tien jaar voor diverse ontwikkelingen meerdere ontheffingsprocedures binnen de contouren van het plangebied doorlopen. Deze ontheffingen c.q. afwijkingen zijn vigerend en zullen dan ook worden overgenomen in deze actualisatie. In dat kader is een (veld-)inventarisatie uitgevoerd, zodat de meest actuele situatie in beeld is voor het leggen van de meest passende bestemmingen. Naast actualisering staat uniformering voorop. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen van de gemeente het eerste omgevingsplan van de gemeente vormen. Voor een goede werking van dat omgevingsplan is de uniformering van de algemene regels nodig. Dit bestemmingsplan is de eerste stap naar uniforme algemene regels voor onderhavig gebied. Tot slot staat naast actualiseren en uniformeren, behoud en daar waar mogelijk versterking van de herkenbaarheid van de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het gebied voorop.

De actualisering wordt tevens aangegrepen om naast ruimte te creëren voor nieuwe functies, op één braakliggend, doch zeer prominente locatie, direct grenzend aan de rotonde van de Oostperkweg, een nieuwe ontwikkeling; waaronder een publiekstrekker, toe te staan. Nu deze ontwikkeling nog niet volledig is uitgekristalliseerd, wenst de gemeente voor deze specifieke locatie flexibel met de planregels in combinatie met de marktvraag om te gaan. Er is derhalve gekozen om voor deze specifieke locatie een flexibele bestemming te hanteren, zodat de gemeente – afhankelijk van hoe de markt zich zal gaan ontwikkelen – de verkaveling en gewenste voorziening(en) nader kan invullen. Op deze wijze wordt het kwaliteitsniveau van de voorzieningen van de gemeente zoveel mogelijk bewaakt en op peil gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0001.jpg"

Figuur 1 Luchtfoto plangebied. Bron: PDOK, 2022

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied, gesitueerd aan de zuidoostzijde van Middelburg, betreft het bestaande bedrijventerrein 'Ramsburg' en diverse gronden gelegen ten westen van de Rijksweg N57. Aan deze zijde van de stad vormt de N57 de entree van de stad en daarmee ook van het plangebied; vanaf de afrit centrum worden bij de rotonde bij de Krooneveldweg bezoekers via de Oostperkweg naar de binnenstad geleid.

De begrenzing van het plangebied zelf verloopt grillig, omdat deze mede afhankelijk is van de vorm van de bestaande (woon)bebouwingslinten, de kadastrale eigendomsgrenzen, de harde fysieke ontsluitingsstructuur alsmede recente (woningbouw)ontwikkelingen, welke direct grenzen aan het plangebied en waarvoor aparte procedures zijn doorlopen. Dit leidt ertoe, dat de westelijke plangrens voor het bestemmingsplan daar wordt getrokken, waar de woonbebouwing gesitueerd aan de Veersesingel en de Veerseweg direct grenst aan gronden die momenteel voor met name bedrijfsmatige functies uit een lage milieucategorie (functiemenging) kunnen worden aangewend. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door het Kanaal door Walcheren met aan de overzijde daarvan het bestaande bedrijventerrein Arnestein. De oostzijde kent wel een duidelijke begrenzing in de vorm van de Rijksweg N57. De noordgrens wordt tenslotte gevormd door de recente (in aanbouw zijnde) woningbouwontwikkeling, 'De Veerseweg Oost', genaamd.

De ligging van het plangebied in grote verband is weergegeven in figuur 1 (luchtfoto). Figuur 2 geeft op de luchtfoto de contour van onderhavig bestemmingsplan in relatie tot de nabije omgeving aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0002.jpg"

Figuur 2 Rode contour betreft plangebied. Bron: gemeente Middelburg

1.3 Vigerende plannen

Binnen het plangebied vigeren momenteel verschillende bestemmingsplannen en beheersverordeningen. In onderstaande tabel is weergegeven welke plannen en verordeningen het betreft:

Bestemmingsplan   Vastgesteld door de gemeenteraad  
Klein Industrieterrein uit 1967   20-11-1967  
Buitengebied   28-09-2009  
Oostperkweg   15-02-2010  
Nieuw Middelburg   19-12-2011  
Beheersverordening     
Ramsburg   24-06-2013  
Rijksweg N57   24-06-2013  

Op onderstaande afbeelding is voor elke locatie zichtbaar welk regime geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0003.jpg"

Figuur 3 Weergave vigerende regimes

Zoals in de in de inleiding aangegeven zijn in het plangebied sinds 2012 verschillende ontheffingen verleend om af te wijken van de diverse vigerende regimes. In kader van onderhavig bestemmingsplan is het wenselijk om een actueel en correct beeld te geven van de relevante - reeds vergunde – ontheffingen. Deze ontheffingen zijn in onderstaande tabel opgenomen en wordt in het kort aangegeven waarvoor de desbetreffende vergunning is verleend en welke locatie het betreft. Aansluitend zijn deze ontheffingen verwerkt in de regels en de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan.

Nr.   Functie   Adres   Datum  
1   Gezondheidscentrum   Krooneveldweg 2, 5, 6, 8, 10 en 12   3-12-2019  
2   Kantoorgebouw   Heerlijkheidsweg 17   20-6-2018  
3   Tandartsenpraktijk   Oostperkweg 39   27-5-2019  
4   Bedrijfsverzamelgebouw   Oostperkweg 27, 29, 31, 33, 35 en 37   17-5-2019  
5   Kantoorgebouw met bedrijfswoning   Dampoortweg 4   28-2-2019  
6   Kantoorgebouw   Oostperkweg 1, 3, 5 en 5A   18-10-2018  
7   Kantoorgebouw   Heerlijkheidsweg 13   19-1-2017  
8   Kantoorgebouw   Heerlijkheidsweg 15   16-10-2012  
9   Bedrijfsverzamelgebouw   Oostperkweg 7, 9, 11, 13, 15, 17, 19, 21, 23 en 25   12-1-2018  
10   Benzinestation   Heerlijkheidsweg 1   14-1-2016  
11   Autowaspark   Heerlijkheidsweg 3   31-5-2016  

Onderstaande afbeelding maakt de locaties waar de vergunningen binnen het plangebied zijn verleend zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0004.jpg"

Figuur 4 Weergave locaties verleende vergunningen

Na de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan verliezen de huidige planologische regimes, binnen het plangebied, hun rechtskracht.

1.4 Doel

Het doel is, vooruitlopend op de Omgevingswet, een actueel bestemmingsplan voor het plangebied door de raad te laten vaststellen, waarbij de ruimtelijke en functionele herkenbaarheid van de structuur van het gebied blijft behouden en daar waar mogelijk wordt versterkt. Onderhavig plan heeft een overwegend consoliderend karakter, waar primair de navolgende uitgangspunten voor gelden:

  • Het bieden van een actueel juridisch planologisch kader conform de Wet ruimtelijke ordening;
  • Het conserveren vastleggen van bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden;
  • Het behouden van nog niet ingevulde ontwikkelingsmogelijkheden (flexibiliteit); er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in vergelijking met de huidige geldende regimes, op enkele hierna te noemen onderdelen na;
  • Het in lijn brengen met het actuele rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid;
  • Het vastleggen van de bestaande vergunde situatie inclusief verleende ontheffingen;
  • Het uniformeren van de regels voor het plangebied.

Voornoemde doelstellingen kunnen worden behaald door middel van onderhavig bestemmingsplan: alle vigerende planologische regelingen, verleende vergunningen en ontheffingen worden correct gebundeld in één uniforme regeling. Op deze wijze ontstaat een eenduidig overzichtelijk juridisch-planologisch toetsingskader voor zowel de burger, ontwikkelaar als plantoetser.

1.5 Leeswijzer toelichting

Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken en enkele (separate) bijlagen. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin het plan nader wordt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader dat van belang is voor het plan uiteengezet. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom voorliggend plan uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven en het maatschappelijk draagvlak. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het juridische kader, waarbij wordt ingegaan op de planregels en de verbeelding.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving en visie

2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied

Het plangebied omvat het historisch, gegroeide, gemengde gebied als uitloper van het centrum van Middelburg en vormt in zuidoostelijke richting de entree van de stad. Het gebied wordt verder enerzijds begrensd en anderzijds doorsneden door de Rijksweg N57; een centrale ontsluiting c.q. as gelegen in noord-zuidrichting. Het gebied zelf kent door een duidelijke ontsluitingsstructuur en wordt gekenmerkt door zowel een ruimtelijke als een functionele diversiteit. De begrenzing van het plangebied zelf verloopt grillig, zoals beschreven in par. 1.2.

Om de bestaande situatie correct te typeren is het plangebied op verschillende manieren geanalyseerd. Met kaartmateriaal en inventarisatiegegevens is inzicht verkregen over de ruimtelijke en functionele structuur. Vervolgens is op basis van de ruimtelijke en functionele structuur tot een gebiedstypering gekomen. Aan de hand van diverse criteria is daarna de herkenbaarheid van de gebieden onderzocht, geanalyseerd en getypeerd. Teneinde een goed beeld te kunnen verkrijgen zijn ook de gronden die geen onderdeel uitmaken van onderhavig bestemmingsplan wel in deze analyse opgenomen. De volledige analyse is als Bijlage 1 aan deze toelichting gehecht.

Kort samengevat luiden de conclusies als volgt:

Ruimtelijke structuur

Op basis van de ruimtelijke analyse is het gebied te verdelen in drie gebiedstypologieën, namelijk:

  • 1. een overgangszone (blauw);
  • 2. een bedrijfsmatige (paars); en
  • 3. een landschappelijke zone (groen).

Verder wordt het ruimtelijke raamwerk gevormd door de harde fysieke ontsluitingsstructuur bestaande uit de Rijksweg N57, de Oostperkweg en de Krooneveldweg alsmede de Veerse watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0005.jpg"

Figuur 5 Weergave gebiedsindeling. Bron: Rothuizen

De overgangszone kent een diversiteit aan functies en ligt ingeklemd tussen het stedelijke woonmilieu en bedrijfsmatige weefsel. In deze zone is de nieuwe bebouwing voornamelijk direct langs de Oostperkweg gesitueerd en is de van oudsher aanwezige (bedrijfs)bebouwing sterk gevarieerd van aard; zowel in hoogte als omvang. Een beperkt aantal kavels, in eigendom van de gemeente, liggen nog braak en zijn daarmee voor toekomstige ontwikkelingen beschikbaar. Verder is evenwijdig aan het kanaal een gemaal en een relatief groot parkeerterrein aanwezig. Het parkeerterrein wordt, naast werknemers en bezoekers van zowel de bedrijven als de stad, tevens door recreanten, in de vorm van het parkeren van camperplaatsen en een aantal volkstuinen benut. De twee andere gebieden zijn primair te typeren als bedrijventerrein en landschap, waarbij het bedrijventerrein wordt begrensd door de centrale ontsluiting c.q. as van de stad; de N57, en het landschap op haar beurt door de N57 wordt doorsneden. Op het bedrijventerrein zijn de laatste jaren een aantal zelfstandige kantoren gevestigd, die er qua hoogte uitspringen. Het hoogste kantoorgebouw is van UniPharma, gesitueerd direct naast de N57. Verder varieert de hoogte van de bestaande (bedrijfs)bebouwing. Tot slot kent het landschap in vergelijking met de andere twee gebieden een opener en groener karakter met meer incidentele bebouwing. Hierbij vormt de dijk met wandelpad ('Jaagpad'), evenwijdig gesitueerd aan het kanaal van Walcheren, het structurele groen in het plangebied.

Functionele structuur

Van oudsher is binnen het gebied een grote diversiteit aan functies aanwezig: ambachtelijk/industrieel, agrarisch, recreatief, wonen en voorzieningen. Deze functies zijn nog steeds aanwezig met dien verstande, dat momenteel in het plangebied een functieverbreding heeft plaatsgevonden. Naast bedrijfsmatige functies, zijn in het plangebied ook zelfstandige kantoren en bebouwing ten behoeve van zakelijke en maatschappelijke dienstverlening gevestigd c.q. vergund. Nu in het gebied meerdere functies aanwezig zijn, is en blijft sprake van een gemengd karakter. Op basis van een veldinventarisatie zijn de huidige functies geïnventariseerd met als resultaat een algemene indruk van de deelgebieden.

Op basis van de inventarisatie is vanuit de functionele structuur het plangebied grofweg onder te verdelen in een viertal categorieën. De gebruikte functionele indeling is gebaseerd op een typering in sectoren van de functies. Hierbij zijn de primaire functies onderverdeeld in:

  • voorzieningen (gemengd);
  • bedrijven;
  • maatschappelijk; en
  • agrarisch.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0006.jpg"

Figuur 6 Functies in het plangebied. Bron: Rothuizen

  Primaire functie  
Overgangszone   Voorzieningen (roze)  
  Maatschappelijk (bruin)  
Bedrijfsmatige zone   Bedrijven sec (paars)  
Landschappelijke zone   Agrarisch (groen)  

2.2 Beschrijving toekomstig gewenste situatie plangebied

Voor de bedrijfsmatig bestemde gronden in het plangebied heeft de gemeenteraad in 2013 een aantal beleidskeuzes genomen en een aantal randvoorwaarden aan de ontwikkelingsruimte gesteld.

Kort samengevat werd destijds geconstateerd, dat de eerdere visie gericht op het (gefaseerd) ontwikkelen van (grote delen van) het plangebied voor woningbouw, mede gelet op hoge saneringskosten die daarmee gepaard gaan en het feit, dat de markt voor woningbouw destijds slechter is geworden, niet uitvoerbaar was. Ook heeft de aanleg van de brug voor langzaam verkeer geen doorgang gevonden en blijken naast de bodemverontreiniging, tevens de risico- en geluidscontouren, een (gefaseerde) woningbouwontwikkeling te belemmeren. Ramsburg is voorts na de aanleg van de Rijksweg, N57 voor veel bedrijven een aantrekkelijke en optimaal bereikbare locatie geworden en het idee om bedrijventerrein Ramsburg gedeeltelijk om te zetten in een woonwijk is daarom destijds om bovengenoemde redenen opnieuw afgewogen en verlaten. Tot slot werd gesteld, dat er al een tekort aan traditioneel bedrijventerrein bestond, waardoor transformatie van Ramsburg tot woningbouwlocatie het tekort aan bedrijventerrein in Middelburg op korte termijn zou vergroten vanwege de extra vraag voor verplaatsingen, hetgeen ongewenst zou zijn.

Aansluitend zijn de navolgende concrete beleidskeuzes met bijbehorende randvoorwaarden voor het plangebied geformuleerd:

  • Bieden van vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven;
  • Inkomsten genereren uit gronduitgifte;
  • Opwaarderen van het bestaande bedrijventerrein;
  • Uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan voor Ramsburg bepalen;
  • Zo efficiënt mogelijk bodemsaneringen uitvoeren door duidelijkheid te scheppen over toekomstig gebruik van terreinen;
  • Bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen, uitvoering plannen conform Middelburgse Milieuvisie.

Op basis van bovenstaande keuzes en randvoorwaarden zijn binnen het plangebied en bestaande ruimtelijke raamwerk sinds 2012 meerdere vergunningen en ontheffingen verleend, waarmee invulling aan het beleid en uitgezette koers is gegeven. Bij deze keuzes en randvoorwaarden stond en staat de ruimtelijke en functionele herkenbaarheid centraal. Dit betekent concreet, dat behoud en versterking van de kenmerkende ruimtelijke structuren en - daar waar mogelijk - uniformiteit in vormgeving bepalend was en is. In dat kader is in de afgelopen jaren het bestaande bedrijventerrein ingrijpend gerevitaliseerd en heeft een functieverbreding plaatsgevonden door het vestigen van zelfstandige kantoren alsmede zakelijke en maatschappelijke dienstverlening op gronden binnen het plangebied. Deze diversiteit aan functies wenst de gemeente naast het bestaande bedrijventerrein, te behouden en daar waar mogelijk te versterken, mits deze in de ruimtelijke en functionele structuur passen.

Dit brengt met zich mee, dat ofschoon voor een deel van het bedrijventerrein bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegelaten, deze formeel feitelijk niet aanwezig zijn. Teneinde de planologische met de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen, zal op basis van onderhavige bestemmingsplanherziening de vestiging van bedrijven tot en met categorie 3.2 voor een deel van de bedrijfsmatig bestemde gronden komen te vervallen.

Daarnaast wordt het vestigen van volumineuze detailhandel in het plangebied mogelijk gemaakt. Verder wordt voor één bestaande aanwezige lokale detailhandelsvestiging (de kringloopwinkel) op het bedrijventerrein een specifieke regeling getroffen. Deze vestiging mag haar activiteiten voortzetten, daar zij reeds buiten het centrum gevestigd is en zodoende geen bijdrage levert aan het centrum van Middelburg. Hierdoor ontbreekt de noodzaak om deze locatie positief te bestemmen. Wel dient voorkomen te worden, dat bij beëindiging van deze activiteiten zich ter plaatse reguliere detailhandel kan vestigen. Derhalve wordt voor deze locatie in de regels een uitsterfregeling opgenomen, in die zin - zodra het bestaande gebruik wordt beëindigd - de aanduiding "detailhandel" kan worden verwijderd. Reguliere detailhandel wordt namelijk beleidsmatig en ruimtelijk niet passend voor een bedrijventerrein geacht. Door het opnemen van deze regeling kan de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen - indien aan de orde - zelf een weging maken of de desbetreffende activiteit gewenst en passend in het beleid is. Ook wordt het niet meer mogelijk gemaakt nieuwe bedrijfswoningen op het bedrijventerrein Ramsburg op te richten. De bestaande bedrijfswoningen leveren echter geen knelpunten op, zodat de juridisch-planologische rechten van de bestaande bedrijfswoningen op het bedrijventerrein worden bevestigd en overeenkomstig bestemd. Zodra het gebruik van deze woningen daarentegen is beëindigd, is het niet gewenst dat nieuwe bedrijfswoningen ter plaatse worden gerealiseerd. Daarom wordt in dit bestemmingsplan ook voor deze bedrijfswoningen een uitsterfregeling opgenomen. Tot slot is een specifieke regeling voor het vestigen van bedrijfsverzamelgebouwen opgenomen. De vestiging daarvan is gebonden aan een minimumaantal bedrijven en minimale oppervlakte. Daarnaast worden voorwaarden aan het gebruik verbonden.

In de bestemmingsregeling zelf wordt voorts een onderscheid gemaakt in de hoofdfuncties bedrijven, voorzieningen (gemengd), maatschappelijk, verkeer, water, groen en agrarisch. Verder wordt op een prominente locatie in het plangebied het toevoegen van een publieksgerichte, commerciële voorziening gestimuleerd en daarmee aan dit perceel een gemengde bestemming toegekend. Tot slot worden aan functiewijzigingen en flexibiliteitsbepalingen voorwaarden gesteld om zo de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Bijvoorbeeld vanuit de toetsing aan de (lokale) duurzaamheidsladder, beeldkwaliteit, ruimtelijke inpassing, duurzaamheid, milieu- en parkeersituatie.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het voor de beoogde ontwikkeling relevante beleid van Rijk, provincie en gemeente. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.

In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie op 2050 gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0007.jpg"

Figuur 7 Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie


De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

De vier prioriteiten

De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Drie afwegingsprincipes

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: (a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:

  • 1. Combineren boven enkelvoudig;
  • 2. Kenmerken & identiteit;
  • 3. Afwentelen voorkomen.

In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);
  • Het bevorderen van sterke en gezonde steden en regio's.

Betekenis voor onderhavig plan

Voor wat betreft de bovengenoemde nationale belangen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4 waar de omgevingsaspecten aan de orde komen. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan verenigbaar en in overeenstemming is met de NOVI.

Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide doelstellingen te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor de onderbouwing van de ladder wordt verwezen naar par. 3.2, 3.3. en 3.4.

Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro)

Structuurvisies hebben op zichzelf geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen worden daarom geborgd in de Amvb Ruimte. Deze Amvb wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn verschillende bepalingen opgenomen, o.a. ten aanzien van Rijksvaarwegen, hoofdwegen en spoorwegen. Er zijn geen bepalingen die direct betrekking hebben op het plangebied.

Besluit ruimtelijke ordening

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Een grotendeels consoliderend bestemmingsplan waarmee niet wordt voorzien in aanvullende bebouwing (geen nieuw ruimtebeslag) of significante (gebruiks)wijzigingen ten opzichte van de voorgaande onherroepelijke planologische maatregelen, betreft in beginsel geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dat is op basis van jurisprudentie ook het geval, indien nog geen gebruik is gemaakt van de planologische mogelijkheden van het vorige plan. Onbenutte planologische mogelijkheden mogen in een nieuw plan worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro genoemde voorwaarden.

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is met ingang van 1 oktober 2012 opgenomen, dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De achtergrond van de ladder voor duurzame verstedelijking is -zoals hiervoor aangegeven- zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Betekenis voor onderhavig plan

Onderhavig bestemmingsplan is voornamelijk consoliderend van aard. De bestaande en vergunde toegestane functies en bebouwing blijven behouden en maken daarmee deel uit van de harde plancapaciteit. Hiermee zijn binnen het plangebied de vergunde en gerealiseerde functies en bebouwing reeds (eerder) verantwoord en is de ladder niet aan de orde. Daarnaast wordt op basis van onderhavig plan voor een beperkt aantal gronden de mogelijkheid voor omschakeling c.q. verruiming van functies geboden. Meer concreet: voor een aantal -nog niet uitgegeven- bedrijfsmatig bestemde gronden, gesitueerd direct ten noorden van de Oostperkweg, is tevens het oprichten van voorzieningen in de vorm van kantoren alsmede zakelijke en maatschappelijke dienstverlening toegelaten. Verder wordt voor één specifieke locatie, grenzend aan de rotonde, een ruime flexibele bestemming opgenomen, teneinde -op termijn- aansluitend aan de vraag van de markt hier onder meer een publiekstrekker met een commercieel karakter te kunnen realiseren, welke deel zal uitmaken van het voorzieningenaanbod. Denk hierbij aan kantoren, horeca, maatschappelijk (uitsluitend zorg) en bepaalde vormen van volumineuze detailhandel.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om te bepalen of sprake is van een 'Ladderplichtige' ontwikkeling is allereerst van belang of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Alle binnen het plangebied nieuwe toegestane activiteiten vinden plaats in bebouwd gebied. Concreet is sprake van een herontwikkeling (transformatie) van bestaand stedelijk gebied. In het licht van de rechtspraak betreft het toevoegen van de mogelijkheid tot vestiging van kantoren of andere stedelijke voorzieningen, -gezien de kleinschaligheid van de locaties c.q. percelen- geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Immers, de mogelijke ontwikkelingen zien op individuele percelen in eigendom van de gemeente, zijn relatief beperkt van omvang, ter plaatse van (in het verleden) aanwezige (bedrijfsmatige) functies. Verder is het uitgangspunt, de bestaande planologische ruimte in het plangebied zoveel als mogelijk te continueren. Door er nu voor te zorgen, dat bestaande en nieuwe functies in het plangebied worden behouden en daar waar mogelijk geïntensiveerd, wordt tegemoetgekomen aan de doelstelling van de ladder, namelijk het zoveel mogelijk voorkomen van onnodig ruimtebeslag. Hieruit volgt, dat voor deze percelen de duurzaamheidsladder niet van toepassing is. Dat laat echter onverlet, dat het bevoegde orgaan in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van het plan dient te beoordelen of een consoliderende bestemming nog steeds een passende bestemming is, mede omdat de provincie Zeeland, gelet op de Omgevingsverordening hecht aan duurzaam ruimte gebruik.

Bovenstaande redenatie heeft echter niet voor de braakliggende locatie grenzend aan de rotonde te gelden. Ofschoon ook hier sprake is van herontwikkeling van bestaand bebouwd gebied, wijzigt de functie van deze gronden door het opnemen van een ruime flexibele bestemming dusdanig, dat het vestigen van een voorziening die van invloed is op of voorziet in een lokaal overstijgende behoefte, tot de mogelijkheden behoort. Hierdoor valt deze locatie binnen de definitie van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. In dat kader dient voor deze locatie de behoefte, met het oog op de uitvoerbaarheid daarvan, te worden onderbouwd. Voor de onderbouwing van de behoefte kan onder meer gebruik worden gemaakt van provinciale, regionale en of gemeentelijke visies en programma's. De 'ladder' wordt in de par. 3.2, 3.3. en 3.4 voor onderhavig plan getoetst en nader uitgewerkt.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018

Zeeuwse Omgevingsvisie

Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben met de fysieke leefomgeving samengevoegd. In de Zeeuwse Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderwerpen benoemd. Denk daarbij aan wonen, landbouw en circulaire economie, maar bijvoorbeeld ook cultureel erfgoed, recreatie en leefbaarheid.

Het uitgangspunt van de provincie voor de Omgevingsvisie is dat beleid en regels die hun waarde hebben bewezen, alleen worden gewijzigd als er betere alternatieven zijn. De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarom hierbij als uitgangspunt genomen. Verder bestaat de visie uit twee delen: deel A en deel B.

In deel A staan de strategische doelen voor de periode tot 2050 onderverdeeld in vier centrale ambities verwoord. De uitdagingen en ambities voor Zeeland, alsmede de Zeeuwse kernkwaliteiten worden daarin beschreven en geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voor de kortere termijn (tot 2030).

In deel B wordt het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt die samen met de omgeving geselecteerd zijn. Bij deze thema's is het beleid voor de komende 10 jaar weergegeven.

Deel A

De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit en andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen:

  • 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland;
  • 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied;
  • 3. een duurzame en innovatieve economie;
  • 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Deel B

In deel B staat per thema aangegeven welke instrumenten worden ingezet om de doelen tot 2030 te bereiken. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities echter alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan deze ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een 'beste keuze hulp' gemaakt.

De afwegingsfactoren sluiten aan op het NOVI van het Rijk en verwijzen onder meer naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland:

  • 1. Doe meer met minder grond;
  • 2. Werk samen en deel kosten en baten;
  • 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten;
  • 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken. De Zeeuwse kernkwaliteiten betreffen:

  • genieten en opladen;
  • waarderen en beschermen van het landschap;
  • verbondenheid met de historie;
  • passende werkgelegenheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen.

In de visie komen een aantal ambities en doelstellingen terug welke relevant zijn voor dit bestemmingsplan, waarbij sommige doelen onder verschillende ambities vallen. Deze worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

Voorzieningen

Op het gebied van voorzieningen is behoud en herontwikkeling van een betaalbaar, bereikbaar en divers voorzieningenniveau en toekomstbestendig voorzieningenstelsel voor alle bewoners, toeristen, bedrijven en kantoren essentieel. Voor veel voorzieningen geldt dat bereikbaarheid organiseren samenhangt met het aantal mensen dat hiervan gebruik maakt. Door het inzetten van slimme mobiliteit kan voorts de bereikbaarheid daarvan worden verbeterd. Primair staat behoud en verbetering van onderscheidende top- en kwaliteitsvoorzieningen voorop. Daarnaast streeft de provincie - daar waar mogelijk - naar realisatie en versterking van (ontbrekende) kwalitatief hoogwaardige voorzieningen. Hierbij wordt het regionale schaalniveau steeds belangrijker. Zo moeten aanvullende voorzieningen, zoals onderwijs, zwembaden, winkelcentra, tweedelijns gezondheidszorg en culturele instellingen zoveel mogelijk worden geconcentreerd op knooppunten die optimaal bereikbaar zijn. Verder worden vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling van functies en versterking van attractieve steden de (binnenstedelijke) kernen als primaire vestigingsplaats voor detailhandel gezien. Vestiging van detailhandel bedoeld voor laagfrequente, doelgerichte inkopen (perifere detailhandel) en nieuwe grootschalige detailhandelsvoorzieningen kan daarentegen in beginsel alleen plaatsvinden buiten de kern.

Het plangebied, als uitloper van de stad Middelburg, is de afgelopen periode sterk (her-)ontwikkeld, waarbij nadruk op het behoud en versterken van niet alleen de ruimtelijke, maar ook de functionele structuur van het gebied is gelegd. Hierbij is en wordt onder meer ingezet op het toevoegen van een gevarieerd aanbod aan (publieks-)voorzieningen. Het vestigen van diverse vormen van dienstverlening, waaronder begrepen het gezondheidscentrum, direct grenzend aan de Oostperkweg en de Krooneveldweg, dragen hieraan bij. Hierdoor is het voorzieningenniveau, op een locatie die goed bereikbaar is, niet alleen voor de stad, maar ook de regio volwaardig geworden. Verder is en blijft Ramsburg in het plangebied primair een bedrijventerrein met een eigen verblijfskwaliteit. In dat kader wordt in het plan een regeling voor de bestaande detailhandel in lijn met het provinciale beleid opgenomen, die erop is gericht om nieuwvestiging van reguliere detailhandel welke in het kernwinkelgebied moet worden gevestigd, niet bij recht mogelijk te maken, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke en functionele herkenbaarheid van het plangebied. Deze invulling is volledig in lijn met het provinciale beleid. Tot slot biedt het vestigen van een onder meer een publiekstrekker op een prominente locatie in het plangebied in de vorm van bijvoorbeeld een horecavoorziening of volumineuze detailhandel de mogelijkheid een verdergaande synergie te bewerkstellingen. Meer concreet: de bestaande en toekomstige functies kunnen elkaar verdergaand versterken en heeft tot gevolg, dat het gebied een eigen (meer) onderscheidende identiteit verkrijgt. Hier is deze locatie, gelet op de situering direct aan de rotonde en entree van de stad, zeer geschikt voor kantoren, horeca, maatschappelijk (uitsluitend zorg) en bepaalde vormen van detailhandel.

Kantoren en bedrijven

Het beleid voor kantoren is met name toegespitst op de grotere kantoorontwikkelingen. Kleinschalige kantoorontwikkelingen zijn op goed bereikbare plekken en nabij het stadscentrum toegestaan. Voor bedrijventerreinen zet de provincie voorts in op het geconcentreerd ontwikkelen van bedrijventerreinen nabij stedelijke centra en wordt ingestoken op het herstructureren en intensiveren van bestaande bedrijventerreinen. Daarnaast wordt optimale afstemming van vraag en aanbod van bedrijventerreinen, zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en goede bereikbaarheid bevorderd. Het is immers zowel ruimtelijk als economisch van belang, dat bedrijvigheid geconcentreerd en gebundeld wordt ontwikkeld. Bedrijvigheid wordt daarom zoveel mogelijk geclusterd op (bestaande) bedrijventerreinen en in overleg met de betrokken gemeenten, op regionale schaal afgewogen. Verder staan in de doelstellingen voor bedrijven het bevorderen van een duurzame, circulaire en gezonde ontwikkeling voorop.

Onderhavig bestemmingsplan komt aan het beleid voor kantoren en bedrijven aan bovengenoemde provinciale doelstellingen tegemoet. Het toestaan van diverse (boven)lokale voorzieningen, waaronder begrepen het vestigen van zelfstandige kantoren, aan de rand van het centrum en grenzend aan een bestaand bedrijventerrein, op een locatie die goed bereikbaar is, voldoet hieraan. Verder streeft de gemeente voor het bestaande bedrijventerreinen naar intensivering van gebruik, zorgvuldig ruimtebeslag en verbetering van de kwaliteit. Uitgangspunt hierbij is, dat de aanwezige en toekomstige voorzieningen en bedrijven elkaar verdergaand versterken. Meer concreet: het zijn de goede bereikbaarheid en ligging aan de rand van het centrum in de directe nabijheid van reeds aanwezige voorzieningen, die de mogelijkheid bieden om een aantrekkelijk vestigings- en verblijfsklimaat voor bedrijven, dienstverleners en andere bezoekers te realiseren. Tot slot heeft de gemeente in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025 vastgelegd welke duurzame milieudoelen zij heeft voor de korte (tot 2025) en lange termijn (tot 2050) wenst te bereiken, hetgeen geheel in lijn is met de doelstelling die de provincie nastreeft.

Provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018

De provincie Zeeland heeft, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 21 september 2018 een nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld. Aansluitend zijn daar meerdere wijzingen op doorgevoerd. Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Onderwerpen opgenomen in de nieuwe Omgevingsverordening zijn bijvoorbeeld bedrijventerrein, verblijfsrecreatie, bestaande natuur en ecologische hoofdstructuur, agrarische gebieden van ecologische betekenis, molenbiotopen, glastuinbouw en intensieve veehouderij. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

Voor wat betreft dit plan zijn de regels uit de Verordening aangaande de volgende aspecten van belang:

  • Bedrijven (artikel 2.3)

De verordening stelt voorwaarden aan het creëren van een nieuw bedrijventerrein, alsmede de uitbreiding daarvan. Op basis van onderhavig plan neemt het uitgeefbare bedrijfsareaal echter niet toe, zodat er geen specifieke voorwaarden gelden. Daarnaast is reguliere bewoning van bedrijfswoningen niet wenselijk, daar dit kan leiden tot beperking van de bedrijfsvoering van de aanwezige en toekomstige bedrijfsactiviteiten. Daarom voert de gemeente een terughoudend beleid ten aanzien van het vestigen van bedrijfswoningen op het bedrijventerrein. Uitgangspunt is dat geen nieuwe bedrijfswoningmogelijkheden op het bedrijventerrein direct worden toegestaan en dat bestaande bedrijfswoningen als zodanig worden bestemd.

  • Kantoren (artikel 2.5)

Nieuwe grootschalige zelfstandige kantoren zijn toegelaten (meer dan 1.000 m2 bruto) in of direct aansluitend aan de binnenstad van Middelburg. Ook is vestiging langs toegangswegen naar het stadscentrum - onder voorwaarden - toegestaan. In onderhavig plan worden kantoren met maximaal 1.500 m² toegestaan. Deze voldoen, gelet op de situering aan de rand van het centrum en centrale ontsluitingswegen, aan het provinciale beleid.

De braakliggende percelen die voor kantoorbebouwing kunnen worden aangewend, grenzen direct aan de bestaande infrastructuur en daarmee aan de rand van het centrum. Het plangebied en potentiële ontwikkellocaties voldoen daarmee aan alle, zowel kwalitatieve als kwantitatieve voorwaarden voor het realiseren van nieuwe en eventueel grootschalige kantoren. Andere terreinen en locaties zijn daartoe minder toegerust.

  • Detailhandel (artikel 2.6)

In een bestemmingsplan worden nieuwe detailhandelsvoorzieningen, daaronder mede verstaan de uitbreiding van bestaande detailhandelsvoorzieningen, primair toegelaten in bestaande kernwinkelgebieden. Dit is echter niet van toepassing op onder meer detailhandel in volumineuze goederen (zoals auto's, boten, grove bouwmaterialen) en functioneel aan het buitengebied verbonden voorzieningen (zoals een benzinestation). Ook kleine op de lokale marktgerichte vestigingen van detailhandel in doelgerichte, laagfrequente aankopen (zoals keukens, woninginrichting, sanitair) mogen zich buiten de daarvoor aangewezen gebieden en locaties vestigen, indien de omvang en verkeersontsluiting dit eisen én de vestiging plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. In lijn met het beleid van de provincie wordt voor één bestaande detailhandelsvestiging op het bedrijventerrein een specifieke regeling opgenomen. Deze vestiging is reeds buiten het centrum gevestigd en er bestaat geen aanleiding, noch noodzaak de bestemming voor deze locatie aan te passen. De overwegingen daartoe zijn, dat een kringloopwinkel verwantschap met detailhandel in volumineuze goederen en een bedrijventerrein heeft. De ruimte die benodigd is verklaart de vestiging van dit soort zaken op een bedrijventerrein in plaats van in de binnenstad. Ook de daaraan verbonden parkeerbehoefte en verkeersgeneratie sluiten aan op de voorzieningen en ligging van het bestaande bedrijventerrein. Ook draagt deze branche, die lokaal is georiënteerd slechts beperkt bij aan het functioneren van het centrumgebied. Wel dient voorkomen te worden, dat na beëindiging van deze functie reguliere, lokale detailhandel zich binnen het plangebied kan vestigen. Het opnemen van een uitsterfregeling is dan ook passend. Vervolgens biedt de verordening voldoende ruimte om bij het aandienen van concrete nieuwe planinitiatieven met een lokaal verzorgende functie een zelfstandige afweging te maken. Het treffen van deze regeling is daarmee noodzakelijk teneinde ongewenste functies in het plangebied te voorkomen, doch gaat daarbij niet verder dan nodig. Het beoogde doel, een goede ruimtelijke en functionele herkenbaarheid en scheiding der functies kan niet met andere beperkende maatregelen worden bereikt. De regeling is daarmee ook coherent en voldoet daarmee aan de eisen die het beleid en jurisprudentie aan het evenredigheidsbeginsel stellen. De regeling is niet in strijd met de Dienstenrichtlijn.

  • Molenbiotoop (artikel 2.29)

In dit artikel van de Verordening is aangegeven dat in de toelichting bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht wordt gegeven in de cultuurhistorische waarde van in of nabij het plangebied aanwezige traditionele windmolens. De beoogde ontwikkeling is gelegen binnen de molenbiotoop. De nieuwbouw zal echter niet hoger worden dan de reeds aanwezige bebouwing, welke op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan. In paragraaf 4.8.2 van deze toelichting wordt dit aspect nader gemotiveerd.

  • Ladder van duurzame verstedelijking

In dit kader merken we op, dat de eerder vastgestelde algemene regels voor duurzame verstedelijking (voorheen artikel 2.1) in 2016 zijn komen te vervallen, omdat die nu zijn geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening. In paragraaf 3.1 is deze ladder toegelicht en in de paragrafen 3.2., 3.3. en 3.4 is deze nader uitgewerkt en getoetst.

3.2.2 Conclusie

Het bestemmingsplan voorziet in een regeling waarbij hoofdzakelijk de bestaande situatie is vastgelegd. De ontwikkelingen die worden meegenomen zijn niet in strijd met het provinciale beleid. Integendeel, het bestemmingsplan voldoet volledig aan de doelstelling om voorzieningen in het stedelijke gebied te vestigen en toekomstbestendig te maken. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling van functies en optimale bereikbaarheid ziet de provincie dan ook stedelijke gebieden als primaire vestigingsplaats voor deze voorzieningen. Het toestaan van deze voorzieningen versterkt niet alleen de leefbaarheid van de stad, maar ook de regio. Bij de keuzes voor onderhavig plangebied zijn gemaakt, is rekening gehouden met de principes van zorgvuldig ruimtegebruik en bereikbaarheid zoals vastgelegd in de duurzaamheidsladder. Met toestaan van de extra, zij het beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, wordt daar verdere invulling aangegeven. Daarnaast wordt voor het bestaande bedrijventerrein ingezet op het geconcentreerd ontwikkelen van bedrijventerreinen nabij stedelijke centra en wordt ingestoken op met name het intensiveren daarvan, waarbij verbetering van de functionele en ruimtelijke kwaliteit voorop staat. Dit sluit naadloos aan op het provinciale beleid en daarmee de ladder.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Bedrijventerreinprogramma Walcheren 2022-2026

De gemeenten Veere, Middelburg en Vlissingen hebben in juli 2022 het gezamenlijke bedrijventerreinprogramma Walcheren 2022-2026 vastgesteld als opvolger van het regionale bedrijventerreinprogramma uit 2017.

Het programma geeft inzicht in het actuele aanbod aan bedrijventerreinen in kwantitatief en kwalitatief opzicht, beschrijft de economische rol die de terreinen vervullen en bevat een inschatting van de noodzakelijke verbeteringen om het aanbod beter te laten aansluiten op de vraag.

Inbreiding, intensivering van het gebruik en herstructurering zijn onderdeel van een continu proces om bedrijventerreinen beter te laten aansluiten op de veranderende vraag uit de markt. Bij inbreiding en intensivering worden lege plekken opgevuld, wat positief is voor de werkgelegenheid en zorgvuldig ruimtegebruik. Bij herstructurering kunnen kavels vrij komen.

Op het bedrijventerrein Ramsburg heeft een ingrijpende herstructurering plaatsgevonden. In 2015 is het bedrijventerrein gerevitaliseerd. Door deze ingreep heeft er een ruimtelijke kwaliteitsslag plaatsgevonden. Uitgangspunt is verder behoud van de bestaande bedrijvigheid en -indien en voor zover mogelijk- daartoe de beschikbare uitbreidingsmogelijkheden aanbieden. Vanwege de goede ligging en ontsluiting op de N57 is Ramsburg (weer) een gewilde locatie voor bedrijven. Op het bedrijventerrein 'Ramsburg' zelf zijn momenteel geen kavels meer beschikbaar. Verder wenst de gemeente de gronden gesitueerd aan de Oostperkweg voor onder meer zelfstandige kantoren, zakelijke dienstverlening en volumineuze detailhandel beschikbaar te stellen. Aan dit beleid is door het verlenen van diverse ontheffingen uitvoering gegeven.

Verder zal bij toekomstige initiatieven worden ingezet op goed onderhoud en intensivering van ruimtegebruik, met dien verstande dat daar waar mogelijk de bestaande en eventueel nieuwe bedrijven zoveel mogelijk zullen worden gefaciliteerd met als doel behoud van deze bedrijven voor de stad en regio.

Ook in het huidige programma is voor het bestaande bedrijventerrein het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik het uitgangspunt en worden drie sporen beschreven teneinde dat te bereiken.

Samengevat kan worden geconcludeerd, dat de aanwending van het bestaande bedrijventerrein 'Ramsburg' in overeenstemming is met zowel de huidige als toekomstige afspraken die daarover op regionaal niveau zijn gemaakt. De bestemmingsregeling sluit aan bij de mogelijkheden die op het bedrijventerreinen worden geboden. 

3.3.2 Prognose bedrijventerreinen Zeeland

In januari 2020 heeft de Stec groep in opdracht van de provincie een prognose gemaakt van de behoefte aan bedrijventerreinen in Zeeland. Deze prognose dient als basis voor het bedrijventerreinenbeleid en de regionale programmeringsafspraken.

In de rapportage zijn vier trends geconstateerd die de komende jaren grote impact zullen hebben op bedrijventerreinen: (1) duurzaamheid en energietransitie; (2) circulaire economie; (3) automatisering/robotisering; en (4) e-commerce & XXL-logistiek. Deze trends hebben de volgende effecten op de prognose voor bestaande bedrijventerreinen, zoals Ramsburg.

Op de langere termijn zal naar verwachting schaalverkleining optreden. De nadruk op clustering en samenwerking van bedrijven neemt toe. Het aspect 'ontmoeting' speelt een belangrijkere rol als 'vestigingsfactor' voor bedrijven. Naar verwachting zullen meer bedrijven waarde hechten aan een dynamische omgeving waar verschillende activiteiten en bedrijven samenkomen. Dit zowel op het niveau van gebouwen als locaties. Denk aan bedrijfsverzamelgebouwen, waar verschillende bedrijven elkaar op zoeken, faciliteiten delen en zaken doen met elkaar. Maar ook aan een toenemende menging bedrijfsruimte met andere economische functies als kantoor, detailhandel of leisure.

Er moet verder nadrukkelijk aandacht zijn voor het op peil houden van de bestaande bedrijventerreinen, waarbij het focussen op marktgeoriënteerde herontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen voor nieuwe gebruikers essentieel is. Daarnaast liggen er voor deze terreinen grote opgaven en kansen voor energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, digitalisering en veiligheid/criminaliteit op basis waarvan een kwaliteitsslag kan worden gemaakt.

De ontwikkeling van het bedrijventerrein draagt bij aan de ruimtelijk gewenste situatie in de zin van inbreiding en transformatie, waardoor functiemenging ontstaat. Onderhavig plangebied voldoet hieraan, daar naast traditionele bedrijvigheid ruimte wordt geboden om complementaire functies te huisvesten, zoals zakelijke en maatschappelijke dienstverlening en zelfstandige kantoren.

3.3.3 Regionale Energiestrategie Zeeland

In een samenwerkingsverband tussen de Zeeuwse overheden, het bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties is de Regionale Energiestrategie (RES) Zeeland geformuleerd. In de RES is opgenomen welke keuzes deze partijen in Zeeland maken als het gaat om energiebesparing, duurzame opwek van elektriciteit, de inzet van mogelijke warmtebronnen, de opslag en het transport van elektriciteit, toepassingen van waterstof en de inzet van duurzame oplossingen voor mobiliteit. De uitvoering van verschillende projecten en plannen die in de RES staan, wordt vastgelegd in het omgevingsbeleid (omgevingsvisies en -plannen) van provincie en gemeenten.

In de RES is een onderscheid gemaakt tussen drie sectoren, te weten Gebouwde Omgeving, Elektriciteit en Mobiliteit. Per sector is gekeken naar mogelijkheden, kansen en belemmeringen en is aan de hand daarvan een strategie bepaald.

Wat betreft de gebouwde omgeving is de Zeeuwse doelstelling een CO2-besparing van 34% in 2030. Dit doel is te realiseren middels een vermindering van de energievraag, verduurzaming van het energieaanbod en toepassing van duurzame installaties en producten. Per gemeente, wijk of sector wordt nader verkend welke strategie het beste zal werken.

Wat betreft elektriciteit is de doelstelling om in Zeeland in 2030 ten minste 11 PJ aan opwekking van hernieuwbare energie te realiseren uit zon, wind en water. Met name energieopwekking uit water is kansrijk en zal verder worden onderzocht, gelet op het waterrijke karakter van Zeeland.

Wat betreft mobiliteit is de ambitie in Zeeland 49% CO2-reductie in 2030. De logistiek is een belangrijke sector in Zeeland, waar kansen liggen om de CO2-uitstoot te reduceren. Het bestaande logistiek samenwerkingsverband Zeeland Connect stimuleert al slimme regionale samenwerking en zero-emissie projecten.

Voor wat betreft het bestaande bedrijventerrein wordt bij nieuwe initiatieven zo veel mogelijk gestimuleerd om duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Dit is in lijn met de doelstellingen in de RES om CO2 te besparen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Kwaliteitsatlas Middelburg

De Kwaliteitsatlas is een belangrijk integraal beleidsdocument van de gemeente Middelburg. In deze Kwaliteitsatlas wordt een richting uitgestippeld voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot het jaar 2030. Voor een groot aantal deelaspecten (wonen, werken) is vervolgens aangegeven welke veranderingen op moeten treden om in 2030 tot de gewenste situatie te zijn gekomen. Eind 2008 is de herijking van de 2e en 3e fase van de kwaliteitsatlas gepresenteerd. De herziene kwaliteitsatlas is op 18 januari 2010 vastgesteld.

Ramsburg was in de Kwaliteitsatlas een strategisch project aangeduid. Voor het gebied is een ontwikkelvisie gemaakt in het 'Masterplan Stationsgebied 1998'. In de periode 2006-2007 heeft een aanjaagteam van het Ministerie van VROM, Provincie Zeeland en gemeente een globaal plan uitgewerkt voor Ramsburg met de volgende belangrijke elementen:

  • Goede bovenwijkse ontsluiting door reconstructie van de Oostperkweg;
  • Woningbouw (ca. 600 woningen);
  • Kantoorbebouwing (ca. 30.000 meter BVO);
  • Langzaamverkeerbrug over het Kanaal door Walcheren ter versterking van de stedenbouwkundige relatie tussen Ramsburg en Punt Arnestein.

Vervolgens zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor Ramsburg nader onderzocht. Daarbij was het uitgangspunt, de aanleg van de Oostperkweg die samen met de Veerse Watergang het ruimtelijk raamwerk voor Ramsburg vormt. De Oostperkweg vormt de basis voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied. Aansluitend werd geconstateerd, dat het gebied in de huidige markt alleen gefaseerd ontwikkeld kan worden en dat gaandeweg ingespeeld moet worden op marktkansen. Vervolgens bleek de ontwikkelingsvisie voor Ramsburg alleen uitvoerbaar met forse subsidiering. In paragraaf 2.2 zijn de redenen uiteengezet, op basis waarvan de oorspronkelijke gedachtegang voor de invulling van het plangebied is verlaten. Aansluitend werden er door de raad concrete beleidskeuzes voor het gebied gemaakt. Vanaf 2012 is aan deze keuzes uitvoering gegeven en nadien in de regionale afspraken (mei 2017) vastgelegd. In lijn met dit beleid borgt onderhavig bestemmingsplan de vergunde en bestaande situatie, met dien verstande, dat slechts een beperkt aantal ontwikkelingen worden toegestaan, mits deze passen in en aansluiten op de concrete beleidskeuzes die zowel op gemeentelijk als regionaal niveau zijn gemaakt voor het plangebied.

3.4.2 Middelburgse visie milieu 2019 - 2025

In de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025 geeft de gemeente per thema aan welke duurzame milieudoelen zij heeft voor de korte (tot 2025) en lange termijn (tot 2050). Het belangrijkste doel van de milieuvisie is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet kunnen worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven.

Enkele thema's die relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling zijn 'klimaat en energie', 'duurzaam gebouwde omgeving', 'emissies o.a. van geluid en stoffen' en 'duurzame mobiliteit'. In geval van (her)ontwikkeling wordt door de gemeente gestimuleerd om het bedrijfskavel zoveel mogelijk duurzaam vorm te geven en duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen kunnen zowel betrekking hebben op de inrichting en vormgeving van de bedrijfskavel, als op verduurzaming van de bedrijfsvoering en de daarmee gepaard gaande vervoersstromen.

In paragraaf 4.13 (duurzaamheid) wordt hier nader op ingegaan. Wat betreft de emissies van geluid en stoffen is in de par.4.5, 4.6 en 4.10 aangetoond, dat onderhavige planvorming geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Er is geen sprake van een significante toename van geluidhinder en de planvorming voldoet aan de grenswaarden in de Wet milieubeheer voor wat betreft de luchtkwaliteit.

Middels de voorliggende ontwikkeling wordt kortom een bijdrage geleverd aan de doelen zoals beschreven in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025.

3.4.3 Nota Ruimtelijke kwaliteit

Wie in Middelburg wil bouwen of verbouwen krijgt te maken met de nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016. Deze nota is in de plaats gekomen van de Welstandsnota uit 2009. In de nota Ruimtelijke Kwaliteit is bepaald dat voor een bouwplan anders dan een enkele woning of in omvang vergelijkbaar bouwwerk een beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld. Een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld voordat de bouwplannen worden uitgewerkt. Het legt de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitsuitgangspunten vast voor een nieuwe ontwikkeling en gaat vaak ook in op de randvoorwaarden voor de inrichting van de openbare ruimte. De nieuwe ontwikkelingen voor een gebied waarvoor een beeldkwaliteitsplan geldt, worden getoetst aan dit beeldkwaliteitsplan, en niet meer aan de nota Ruimtelijke Kwaliteit. Het doel van de richtlijnen bij nieuwbouw is dat het bouwplan als geheel een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de bestaande (openbare stedelijke of landschappelijke) ruimte in het bijzonder.

Het plangebied ligt in het gebied dat in de nota Ruimtelijke Kwaliteit is primair aangeduid als gebied 7: 'Industrie'. Doelstelling van deze gebieden is het in standhouden van de aanwezige beeldkwaliteit en waar mogelijk verbeteren, onder andere door het tegengaan van verrommeling door opslag of verbouwactiviteiten en de bouw van aan-, uit- en bijgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0008.jpg"

Figuur 8 Uitsnede overzichtskaart deelgebieden, rode cirkel duidt indicatief de ligging van de planlocatie aan.

Voor dergelijke gebieden gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • Het bebouwingsbeeld wordt in stand gehouden, zo mogelijk verbeterd;
  • Aan-, uit en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing en sluiten qua vormgeving aan op de bestaande bouwmassa en materialisatie

Voor het plangebied is voor diverse deelgebieden een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Thans is de gemeente bezig deze te actualiseren en uniformeren. Het ontwerp en opvolgende vergunningaanvragen voor deze gebieden dienen te worden uitgewerkt met inachtneming van de randvoorwaarden zoals genoemd in het toekomstige beeldkwaliteitsplan.

3.4.4 Toeristisch actieplan 2021 - 2030

Het nieuwe toeristische actieplan ligt thans in concept voor. Het doel van dit plan is om de kansen en de mogelijkheden binnen de economische sector toerisme in de gemeente Middelburg te verzilveren en in goede banen te leiden. In deze visie wordt geconcludeerd, dat voor de groei van het aantal toeristen het van belang is het aantal verblijfsaccommodaties te laten groeien met een kwalitatief aanbod dat iets toevoegt aan Middelburg. Accommodaties die duurzaam zijn en de kwaliteit van de omgeving waarin zij zich bevinden versterken. Het aanbod dient aan te sluiten op de doelgroepen die Middelburg wil aantrekken. Hierbij wordt met name ingezet op het stedelijke en culturele profiel, waardoor historische steden als Middelburg (meer) aantrekkelijk en daarmee interessant worden. Uitgangspunt is het realiseren van accommodaties in stedelijk gebied die aansluiten bij de beleving van het desbetreffende gebied.

Het bieden van de mogelijkheid tot vestiging van onder meer een hotel binnen het plangebied past daarmee volledig in het gedachtegoed van het toekomstige gemeentelijke beleid. Daarnaast zijn ook aspecten als leefbaarheid, bereikbaarheid en veiligheid in het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling relevant, waaraan de potentiële ontwikkellocatie, gelet op haar situering en direct aangrenzende functies aan kan voldoen.

Momenteel is het 'Beleidsplan Toerisme' met bijbehorend actieprogramma in concept gereed. Onderhavig beleidsplan wordt medio april 2023 door raad behandeld, waarna is beoogd onderhavig plan eind 2023 door de raad te laten vaststellen. Het beleidsplan met bijbehorend kader richt zich op de navolgende punten:

  • 1. Middelburg richt zich op de cultuurminnende toerist.
  • 2. Beperkte groei hotel-/overnachtingscapaciteit is, onder voorwaarden, nog mogelijk.
  • 3. Terugdringen overlast autoverkeer om de leefbaarheid te waarborgen. Voorwaarden stellen aan toeristische ontwikkelingen in het buitengebied.
  • 4. Sturende rol van de gemeente in toeristische promotie.
  • 5. Stimuleren duurzaam toerisme.
  • 6. Het nieuwe evenementenbeleid meer dan voorheen afstemmen op het Beleidsplan Toerisme.

3.4.5 Toetsing beleidskaders

Het nationaal beleid richt zich op een dusdanig schaalniveau dat hier in dit geval geen concrete aandachtspunten uit naar voren komen. Van belang is met name de 'duurzaamheidsladder'.

Deze maakt eveneens onderdeel uit van het provinciaal beleidskader. Gelet op deze duurzaamheidsladder is in de eerste plaats de aantoonbare behoefte van belang. In dit geval is het plan voornamelijk consoliderend van aard en worden slechts een beperkt aantal ontwikkelingsmogelijkheden toegestaan. Het toestaan van deze ontwikkelingen hangt vooral samen met het feit, dat de gemeente de taak heeft het voorzieningenstelsel in stedelijk gebied te versterken, daar waar de bereikbaarheid optimaal is, om zo aan de behoefte van de bevolking, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin, te voldoen. Verder staat inbreiding, intensivering en daar waar mogelijk herstructurering voorop, hetgeen regionaal is afgestemd. Nieuwvestiging en uitbreiding op het bestaande bedrijventerrein is mogelijk, mits dit past binnen het beleid en regionaal overeengekomen afspraken of de voorwaarden van de flexibiliteitsbepaling. Hiermee sluit het plan goed aan op de uitgangspunten van de 'duurzaamheidsladder'. Tot slot geeft het plan invulling aan het gemeentelijke beleid en wordt aan de gemaakte beleidskeuzes en randvoorwaarden voldaan. Hiermee zorgt het plan ervoor, dat de bestaande ruimtelijke en functionele structuur blijft behouden en daar waar mogelijk wordt versterkt. Geconcludeerd wordt, dat het plan past binnen de genoemde beleidskaders.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.1 Vormvrije m. e. r. - beoordelingen

4.1.1 Wettelijk kader

Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'm.e.r.-plichtige activiteiten' waarvoor een volledig milieueffectrapport (m.e.r.) moet worden opgesteld en 'm.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten' waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu. 
Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (m.e.r.). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Om te bepalen of de ontwikkeling van de planlocatie significante milieueffecten heeft, wordt in deze paragraaf een vormvrije m.e.r.-beoordeling, hierna nader te noemen 'informele m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd. Immers, dit bestemmingsplan voorziet in een directe eindbestemming voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Verder dient beoordeeld te worden of het plan mogelijkheden zoals opgenomen in onderdeel D biedt:

  • de aanleg, uitbreiding of wijziging van een industrieterrein (onderdeel D, categorie 11.3); en
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (onderdeel D, categorie 11.2).

Industrieterrein

Op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (onderdeel D, categorie 11.3) geldt de m.e.r.-beoordelingsplicht voor de aanleg, uitbreiding of wijziging van een industrieterrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Onder industrieterrein worden terreinen verstaan die bedoeld zijn voor de vestiging van industriële bedrijven. Hierbij worden niet alleen terreinen voor vestiging van grote, zware industrie bedoeld. Ook terreinen voor de vestiging van kleinere bedrijven waarbinnen industriële activiteiten plaatsvinden, vallen hier onder. Het plan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, aangezien de oppervlakte van het totale plangebied met circa16 ha (dit betreft Ramsburg alsmede de thans nog bedrijfsmatige bestemde locatie bij de rotonde) ruimschoots onder de genoemde drempelwaarde van 75 ha. blijft.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Op basis van onderdeel D 11.2 kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Indien de volgende drempelwaarden worden overschreden is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan:

  • 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of
  • 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het voorliggende plan legt voornamelijk de bestaande situaties vast en is daarmee overwegend consoliderend van aard. Daarnaast vindt op een aantal percelen, met een omvang van circa 9.000 m², de mogelijkheid tot omvorming van bedrijfsmatig naar voorzieningen (zelfstandige kantoren, maatschappelijke en zakelijke dienstverlening) plaats. Verder wordt ter plaatse van één locatie, grenzend aan de rotonde, wordt het realiseren van onder meer een publiekstrekker toegestaan. Deze locatie heeft een oppervlakte van circa 1,7 ha. Ofschoon de beoogde ontwikkelingen beperkt van aard en omvang zijn en deze ruim onder de drempelwaarde blijven, dient de locatie direct grenzend aan de rotonde, gelet op de toegestane functieverruiming, in het licht van de rechtspraak als een stedelijk ontwikkelingsproject te worden gekwalificeerd. Ook voor de overige braakliggende percelen dient, onverlet vorenstaande, toch te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Er is derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht, maar er dient voor onderhavig bestemmingsplan een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.

4.1.2 Onderzoek

Gelet op het inzicht in de potentiële effecten (op basis van de beschikbare gegevens) en de mate en omvang waarin deze zich voordoen, blijkt dat de toegestane activiteiten, gelet op het relatief kleinschalige karakter daarvan, niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is geen sprake van significant negatieve effecten. In dit kader is een aanmeldnotitie opgesteld, welke als Bijlage aan deze toelichting is gehecht.

4.1.3 Conclusie

Milieu- en andere sectorale aspecten vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.2 Geluid

4.2.1 Wettelijk kader

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten.

De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals scholen, woningen, etc.). De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woon- en leefomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

4.2.2 Onderzoek

Voorliggend plan legt voornamelijk bestaande situaties vast. Daarnaast wordt voor een aantal percelen een verruiming van de bestemming toegestaan: naast een bedrijfsmatige aanwending, is tevens gebruik voor onder meer zelfstandige kantoren of dienstverlening toegestaan. Voor deze ontwikkelingen hoeft geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, omdat deze functies - mede gelet op de afstand tot de bestaande woningen - niet tot een relevante toename aan geluidsbelasting leiden. Bovendien worden in het plangebied bij recht geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegevoegd.

Verder is in de nabije omgeving van het plangebied een geluidgezoneerd industrieterrein bestemd, te weten Arnestein. Rond dit industrieterrein is een geluidzone - industrielawaai gelegen, die over de gronden van onderhavig plangebied valt. Deze geluidzone is overgenomen in onderhavig bestemmingsplan, doch op het bedrijventerrein zelf zijn geen geluidsgezoneerde bedrijven toegestaan. Verder is binnen een deel van het plangebied, waar mede functiemenging is toegestaan, via een wijzigingsbevoegdheid, de oprichting van woningen toelaatbaar, mits onder meer de voorkeursgrenswaarde ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder of een vastgestelde hogere waarde in acht wordt genomen.

4.2.3 Conclusie

Het aspect geluid staat het bestemmingsplan niet in de weg.

4.3 Bodem

4.3.1 Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

4.3.2 Onderzoek

Onderhavig bestemmingsplan is grotendeels consoliderend van aard, waarbij voor deze gronden de bodemkwaliteit niet opnieuw hoeft te worden afgewogen. Tijdens eerdere ontwikkelingen zijn diverse verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Daarnaast zijn de gronden waar nog ontwikkelingen kunnen plaatsvinden eigendom van de gemeente. Bij de omgevingsvergunningen voor deze gronden zal de bodemkwaliteit worden betrokken, onder andere via een bodemonderzoek. Aan de omgevingsvergunningen kunnen voorts voorwaarden voor wat betreft de bodem worden gekoppeld. Op deze wijze is het aspect bodemkwaliteit voldoende geborgd. Verder is een overzicht gemaakt van informatie die bij de gemeente beschikbaar is over de bodemkwaliteit als signalering voor nieuwe ontwikkelingen. Deze informatie is gebaseerd op het gemeentelijke bodeminformatiesysteem en voor burgers en bedrijven op te vragen tegen een vergoeding.

4.3.3 Conclusie

Bodemkwaliteit hoeft niet verder te worden uitgewerkt in onderhavig bestemmingsplan. Het plan betreft voornamelijk een consoliderend bestemmingsplan waarin geen ontwikkelingen zijn voorzien waarbij de bodemkwaliteit op voorhand al onderzocht moet worden. Verder wordt bij de verlening van omgevingsvergunningen de bodemkwaliteit betrokken, onder andere middels een bodemonderzoek. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen zal daarmee indien vereist een actueel bodemonderzoek worden uitgevoerd.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Wettelijk kader

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving voor het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Twee begrippen staan in dit beleidsveld van de externe veiligheid centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

 

Plaatsgebonden risico (PR)

Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden.

 

In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde.

 

Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt.

Groepsrisico (GR)

Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's.

Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario's ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens).

 

Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes

Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken.

Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen:

  • De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet;
  • Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien:
    • a. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde; of
    • b. het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt; of
    • c. de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
  • Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen

Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding.

 

De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van 50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is.

4.4.2 Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling is meegenomen in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) die is opgesteld voor het (toekomstige) bestemmingsplan Ramsburg (d.d.22-5-2018), welke als Bijlage 4 aan deze toelichting is gehecht.

In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele (potentiële) risicobronnen. Het gaat om:

  • 1. De Rijksweg N57;
  • 2. Verschillende inrichtingen zoals Dutch Cleaning Mill B.V. en Van Dalen Middelburg B.V.;
  • 3. Buisleidingen;
  • 4. De kerncentrale in Borssele;
  • 5. Verbrugge Zeeland Terminals;
  • 6. Kloosterboer.

1. De Rijksweg, N57

Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van de N57. Het invloedsgebied van de weg (355 meter; stofcategorie GF3) reikt tot over het plangebied en over de weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de Regeling Basisnet volgt dat de N57 een PR 10-6 contour heeft van 0 m en geen plasbrandaandachtsgebied heeft. Het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied vormen geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uitgaande van de reeds vergunde en (beperkt) toegestane ontwikkelingen in het plangebied neemt de maximale waarde van het groepsrisico van de N57 in de toekomstige situatie toe ten opzichte van de huidige situatie. Deze overschrijdt echter niet de oriëntatiewaarde, zodat met een beperkte groepsverantwoording kan worden volstaan. Deze is opgenomen in de eerdergenoemde QRA. Hierin is de toename van het groepsrisico als gevolg van onder andere voorliggende ontwikkeling verantwoord.

2. Inrichtingen

Geen der inrichtingen betreffen een Bevi-inrichting en leveren geen belemmeringen voor onderhavig plangebied op.

3. Buisleidingen

Conform de handreiking Buisleidingen in Bestemmingsplannen1 is de 1%letaliteitsafstand (het invloedsgebied) 95 m. Deze afstand reikt niet tot over de kavels alwaar ontwikkelingen in het plangebied zijn toegelaten. Het risico hoeft dan ook niet verder beschouwd te worden.

In de QRA zijn niet de kerncentrale Borssele en Verbrugge Zeeland Terminals opgenomen.

4. Kerncentrale Borssele

Aan de Zeedijk 32 in Borssele is een kerncentrale gesitueerd, waar productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water plaatsvindt. De afstand van het plangebied tot de kerncentrale bedraagt ruim 10 kilometer. Voor de kerncentrale van Borssele zijn veiligheidsmaatregelen getroffen mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. Het gebied om de plaats van het ongeval is in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent bijvoorbeeld voor de kerncentrale in Borssele: evacuatie tot op 5 kilometer van de kerncentrale; slikken van jodiumtabletten tot op 10 kilometer en schuilen tot op 20 kilometer. Omdat de afstand van het plangebied tot de kerncentrale meer dan 10 kilometer bedraagt, is het plangebied gelegen binnen de zone waarin wordt geadviseerd te schuilen, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/straling/jodiumtabletten). De kerncentrale vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

5. Verbrugge Zeeland Terminals

Deze inrichting is aangewezen als 'niet-categoriale inrichtingen'. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.937 meter. Het plangebied ligt op ruim 4,5 kilometer afstand van Verbrugge Zeeland Terminals. Deze afstand is berekend voor het worst case-scenario (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden, dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven, dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden.

6. Kloosterboer

Op het zeehaven- en industrieterrein Sloe is de inrichting Kloosterboer Vlissingen VOF gelegen. Dit is een bedrijf dat voorziet in opslag en transport van temperatuur gecontroleerde voedselproducten. Het invloedsgebied van deze inrichting strekt zich uit tot 6.500 meter. Daarmee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied. Echter, voor deze inrichting geldt een zelfde redenatie als voor Verbrugge Zeeland Terminals.

In het kader van de zelfredzaamheid als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt gerealiseerd middels een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

In het kader van het vooroverleg is het plan voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zeeland.

4.4.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor het bestemmingsplan. Verder zijn op grond van het bestemmingsplan op het bedrijventerrein zelf geluidsgezoneerde bedrijven niet toegestaan. Het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

4.5.1 Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering

In de brochure Bedrijven en milieuzonering wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.

4.5.2 Onderzoek

De beoogde ontwikkelingen die met voorliggend plan mogelijk worden gemaakt, zijn met name aanpassingen van beperkte aard, waardoor de bestaande situatie en de planologische situatie op elkaar worden afgestemd. Bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering wordt in hoofdlijnen aangesloten bij de uitgangspunten die zijn opgenomen in de verleende vergunningen en geldende regimes. Hierna wordt nader ingegaan op de uitgangspunten en de ontwikkelingen in het plangebied.

Algemeen

In onderhavig gebied is milieuzonering van invloed op het bestemmingsplan. In het gebied zijn namelijk bedrijven, voorzieningen en (bedrijfs)woningen dicht bij elkaar gelegen. De bestaande legale situatie is het uitgangspunt voor het beleid. De bestaande legale bedrijven, bedrijfswoningen en voorzieningen zullen een passende bestemming krijgen. In dat kader heeft een inventarisatie plaatsgevonden van bestaande en toekomstige bedrijvigheid en voorzieningen in en rondom het plangebied, die van invloed kan zijn op het verblijfs- en leefklimaat in het plangebied. Hierbij is het uitgangspunt, dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden, zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

Zoals aangegeven wordt de bestaande legale situatie in de regels opgenomen. Dit laat onverlet, dat wel bij nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld substantiële vergroting of functiewisseling) rekening gehouden dient te worden met de methodiek van de milieuzonering. Hierdoor wordt vergroting en nieuwe overlast als gevolg van bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk beperkt. Andersom geldt ook dat binnen een milieucirkel nieuwbouw van milieugevoelige objecten, niet zonder meer is toegestaan. Dit enerzijds om de mogelijkheden van het bedrijf niet (verder) te beperken en anderzijds om de milieugevoelige functie te beschermen.

Bedrijven en voorzieningen

In de vigerende regelingen is een zonering opgenomen die rekening houdt met de bestaande bedrijfsactiviteiten en de omgeving. Deze zonering is overgenomen in onderhavig plan. De toegestane bedrijfsactiviteiten zijn in de bedrijvenlijsten behorende bij de regels opgenomen, waarmee niet alleen een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd voor de aanwezige bedrijfswoning(en), maar óók voor de burgerwoningen die ten westen direct daaraan grenzen.

In het gebied is onderscheid gemaakt in zones waar bedrijven uit de categorieën tot en met 3.2, zoals aangegeven in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn toegestaan en zones waar categorie 1 tot en met 2 (functiemenging) zijn toegestaan. Aan de hand van dossieronderzoek is, met behulp van de gemeentelijke bedrijvenlijst, en de publicatie "Bedrijven en milieuzonering", van de aanwezige en toekomstige bedrijven en voorzieningen binnen en rondom het plangebied de milieucategorie bepaald. Hieruit is naar voren gekomen dat een gedeelte van de inrichtingen (bedrijven) binnen de op de verbeelding aangegeven milieuzonering tot maximaal categorie 3.1 passen. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter, uitgaande van een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt grotendeels voldaan, met dien verstande dat de afstand van de bestaande woningen ten opzichte van het bedrijventerrein niet wijzigt, waardoor voor de omliggende bedrijven geen sprake is van een grotere belemmering dan in de bestaande situatie al het geval is. Voor (toekomstige) bewoners van de woningen is derhalve geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Verder is in onderhavig bestemmingsplan voor een deel van het plangebied een Staat van bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' opgenomen. Uit deze lijst blijkt, dat bedrijven tot maximaal categorie B1 zijn toegelaten. Hierbij heeft te gelden, dat categorie A-bedrijven qua aard en invloed op de omgeving direct naast of beneden woningen kunnen worden toegestaan en categorie B1-bedrijven tussen of onmiddellijk naast woonbebouwing worden kunnen gesitueerd, in het algemeen in gebieden met gemengde functies. De lijst van inschaling van de bedrijven is als bijlage bij de planregels opgenomen. Afwijking voor een hogere categorie blijft daarbij mogelijk. Ook is afwijking mogelijk voor bedrijfsactiviteiten, die niet in de lijst zijn opgenomen. Criterium voor deze afwijkingsmogelijkheden is dat het concrete bedrijf qua milieuhinder vergelijkbaar dient te zijn, met de bij recht toegelaten categorieën van bedrijven.

Bedrijfswoningen

In het plangebied ligt een beperkt aantal bedrijfswoningen. Voor bedrijfswoningen geldt dat er minder hoge eisen kunnen worden gesteld aan het woon- en leefklimaat in relatie tot de nabijgelegen bedrijvigheid. Ter plaatse van deze woningen is reeds sprake van een verhoogde milieubelasting, bijvoorbeeld vanwege de nabijheid van het eigen bedrijf. Vanuit het oogpunt van het doelmatig gebruik van het bedrijventerrein waar bedrijven uit maximaal categorie 3.2 mogelijk zijn, wordt voor bestaande bedrijfswoningen het uitgangspunt gehanteerd, dat in de directe omgeving bedrijfsactiviteiten uit categorie 3.2 algemeen zijn toegestaan. Verder is het wegbestemmen van de bedrijfswoningen niet noodzakelijk. Nieuwe bedrijfswoningen zijn daarentegen bij recht niet toegestaan, omdat deze beperkingen opleggen aan de algemene toelaatbaarheid en bedrijfsvoering van bedrijven in de directe omgeving. Voor de bedrijfsmatige gronden waar functiemenging is toegestaan en oprichting van woningen gelet op de aard en invloed van de toegestane (bedrijfsmatige) functies toelaatbaar is, voorziet een wijzigingsbevoegdheid in de mogelijkheid, om -onder voorwaarden gelet op de zonering van het bedrijventerrein Arnestein- bedrijfswoningen te bouwen, waar deze ingevolge de regeling bij recht niet zijn toegestaan. 

Burgerwoningen

Het plan maakt geen nieuwe burgerwoningen mogelijk. De bestaande burgerwoningen in de omgeving grenzen grotendeels aan bestaande bedrijfsmatige gronden, waarbij dat gebied kan worden getypeerd als een gebied met functiemenging. Daarnaast dient nogmaals opgemerkt te worden, dat de functies in de huidige situatie in het plangebied reeds aanwezig dan wel mogelijk zijn, waardoor de milieubelasting vanwege de bedrijfsmatige functies op gevoelige objecten feitelijk niet verandert. Deze situatie wordt aanvaardbaar geacht, gelet op het feit dat de woningen grenzen aan een gebied waar overwegend (van oudsher) nog een bedrijfsbestemming aanwezig is.

Nieuwe ontwikkelingen

De opvulling van de nog resterende braakliggende kavels zal niet tot relevante negatieve milieugevolgen leiden. Naar verwachting zullen de kavels worden gevuld met reguliere bedrijvigheid of dienstverlening en is daarmee in lijn met de reeds binnen het plangebied aanwezige functies waarbij aan de daarbij horende richtafstanden ruimschoots wordt voldaan.

4.5.3 Conclusie

Met de opgenomen zonering wordt de omgeving beschermd tegen hinder vanwege het bedrijventerrein. Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader

Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.

Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2.

Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;
  • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;
  • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;
  • projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.6.2 Onderzoek

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

Voorliggend plan legt voornamelijk de bestaande situaties vast. Daarnaast vindt op een beperkt aantal percelen een functieverruiming en daarmee bestemmingswijziging plaats. Echter, de milieucategorisering van de nog niet ontwikkelde percelen verandert niet in die zin dat deze in ieder geval gelijk blijft ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Bovendien zal de wijziging van een bedrijfsmatige naar een dienstverlenende en kantoorfunctie en daaraan inherente activiteiten niet tot een verslechtering, doch eerder tot een lichte verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse leiden. De luchtkwaliteit is op basis van de NIBM-tool, uitgaande van een gelijktijdige aanwending van alle ontwikkelpercelen berekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01_0009.jpg"

Figuur 9 NIBM tool, worst case-scenario

Gesteld kan worden dat volgens de NIBM-tool het effect op de luchtkwaliteit daarmee in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2 bedraagt. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Er is geen nader onderzoek vereist.

4.6.3 Conclusie

De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).

4.7 Archeologie

4.7.1 Wettelijk kader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot enige tijde geleden vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft:

  • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
  • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;
  • bescherming van stads- en dorpsgezichten.

Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek ('de verstoorder betaalt'), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen door middel van een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

4.7.2 Onderzoek

In het plangebied is een archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied beslaat een zone die op de archeologische beleidsadvieskaart voor Walcheren is aangegeven als gebied met hoge en middelhoge trefkans op archeologische vondsten (verwachtingszone). Hiervoor geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en groter dan 500 m² voorafgegaan moeten worden door archeologisch onderzoek. De aanwending van braakliggende kavels kan leiden tot aantasting van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Ter bescherming worden de (mogelijke) archeologische waarden met een dubbelbestemming op de plankaart opgenomen. Indien bij verkennend onderzoek bijzondere archeologische sporen worden aangetroffen, zullen deze sporen door opgraving door erkende archeologen worden veiliggesteld.

4.7.3 Conclusie

In onderhavig bestemmingsplan is het beschermingsregime ten aanzien van de archeologische waarden, overeenkomstig het huidige regime als dubbelbestemming op de verbeelding en in de planregels opgenomen en daarmee geborgd. Op deze wijze worden de archeologische waarden in voldoende mate gesteld, dan wel de eventueel aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Onderhavig plangebied valt onder de dubbelbestemming ''Waarde – Archeologie - 3”.

4.8 Cultuurhistorie

4.8.1 Wettelijk kader

Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, lid 5) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Middelburg in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf Cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen/kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en/of archeologie verbonden worden.

4.8.2 Onderzoek

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied is de bestaande watergang als cultuurhistorisch waardevol aangewezen. Het is een kronkelende watergang, lopend van Middelburg richting Veere, die als een van de weinige watergangen op Walcheren gedeeltelijk zijn oorspronkelijke tracé heeft behouden. Door onderhavig bestemmingsplan wordt de watergang niet beïnvloed.

Verder is buiten het plangebied een molen, te weten Molen de Koning, gesitueerd aan de Veerseweg 80 aanwezig. Deze molen is aangewezen als Rijksmonument. Aanvullend op de bescherming via het monumentenbeleid is het van belang, dat de molen kan blijven functioneren. Hiervoor is een onbelemmerde windtoetreding nodig. Bebouwing en begroeiing in de nabijheid van een molen kunnen windbelemmeringen veroorzaken, waardoor rendementsverlies ontstaat. Daarnaast kunnen bebouwing en begroeiing leiden tot windturbulenties en tot wisselende windkrachten op het wiekenkruis en askop, waardoor schade kan ontstaan aan het mechaniek van de molen (wanneer deze in bedrijf is). Dit betekent dat in de omgeving van een molen beperkingen (moeten) worden gesteld aan de hoogte van obstakels. Het gebied waarbinnen deze hoogtebeperkingen gelden, wordt de molenbiotoop c.q. een molenbeschermingszone genoemd. De molenbiotoop van de molen direct buiten het plangebied valt voor meer dan de helft over het plangebied.

4.8.3 Conclusie

In onderhavig bestemmingsplan is het beschermingsregime ten aanzien van de molenbiotoop, overeenkomstig het huidige regime als gebiedsaanduiding op de verbeelding en in de planregels opgenomen en daarmee geborgd. Hiermee valt onderhavig plangebied onder de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone – Molenbiotoop'.

4.9 Water

4.9.1 Wettelijk kader

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening

Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid)

Het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft een omslag in het denken over water en het waterbeleid veroorzaakt. In het aangepaste beleid zijn het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten overeengekomen dat:

  • het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden;
  • voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd moet worden. In de watertoets moeten de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden.

Beleid Waterschap Scheldestromen

Het provinciaal beleid van de provincie Zeeland is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2018, de Waterverordening en de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het operationele waterbeheer van de Zeeuwse (binnendijkse) regionale wateren is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In het waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap zijn de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen kort beschreven. De uitwerking vindt plaats in de desbetreffende Beleidsnota's. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater. Zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. In het waterbeheerplan wordt aangegeven met welke maatregelen en tegen welke prijs het waterschap dit doel wil bereiken. In 2012 heeft het Waterschap Scheldestromen de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen vastgesteld. Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater.

4.9.2 Onderzoek

Voor de watertoets is door het waterschap Scheldestromen een watertoetstabel beschikbaar gesteld. De tabel is hieronder opgenomen. De ontwikkeling is getoetst aan de daarin opgenomen waterthema's en water(beheer)doelstellingen en reeds ter goedkeuring aan het waterschap voorgelegd.

Onderstaande tabel geeft de onderbouwing voor de verschillende wateraspecten in een ruimtelijk plan. Overleg met het waterschap Scheldestromen heeft tijdens het planproces plaatsgevonden en de onderstaande tabel is ter beoordeling voorgelegd.

Voorliggende plan maakt een gewijzigde situering van bebouwing mogelijk en een iets groter bebouwingsoppervlak. Deze wijziging heeft niet of nauwelijks effect op de waterhuishouding.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid
waterkeringen

Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
In het plangebied is een primaire waterkering aanwezig. Deze wordt door zowel in de regels als de verbeelding geborgd. Indien voorts binnen de beschermingszones van de primaire waterkering ontwikkelingen zijn voorzien is voor het bouwen in de beschermingszones een vergunning vereist op grond van de Waterwet. Hierin zal aangegeven worden onder welke voorwaarden bouwen mogelijk is en een vergunning aangevraagd dient te worden. Hierin worden mogelijk voorwaarden gesteld door het Waterschap. 
Relevant is, dat de braakliggende kavels, waar de ontwikkelingen zijn voorzien, niet binnen deze zones zijn gesitueerd, zodat vanuit waterkeringsoogpunt en veiligheidsniveau deze potentiële ontwikkelingen geen problemen zal opleveren.  
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water.

Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
De benodigde watercompenserende maatregelen zijn reeds in het kader van het vigerende bestemmingsplan getroffen. Verder is in het kader van de uitbreiding van UniPharma een waterberging in het plangebied gerealiseerd. Deze wordt in onderhavig bestemmingsplan geborgd.  
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met
de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het
transportsysteem en het beperken van overstorten.  
Het hemelwater van de Oostperkweg wordt via een verbeterd gescheiden stelsel geloosd op de Veerse watergang. Voor het opvangen van de first flush is in overleg met het waterschap (2013) gekozen voor het aanleggen van een Sedipipe-systeem. Door middel van dit systeem wordt het hemelwater gezuiverd (middel het opvangen van sedimentdeeltjes) alvorens het op het oppervlaktewater wordt geloosd.

De afvoer van afvalwater wordt ingeval van nieuwe ontwikkelingen aangesloten op het gescheiden gemeentelijke rioleringsstelsel. Afvalwater en de first flush worden via de vuilwaterriolering afgevoerd naar het rioolgemaal in de Oude Veerseweg. Het overige regenwater wordt geloosd naar de sloot langs de dijk van het Kanaal door Walcheren.
 
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden.  
Grondwateroverlast of onttrekking van grondwater is niet aan de orde.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
De kwaliteit van het grondwater wijzigt niet.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit.
Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.  
Het peilregiem van het plangebied is afgestemd op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet aan de orde.
Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.
Er worden geen uitlogende materialen bij ontwikkelingen worden gebruikt.
Het oppervlaktewater zal niet in kwaliteit achteruitgaan.  
Volksgezondheid
Minimaliseren risicowater gerelateerde ziekten en plagen.
Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
De ontwikkeling heeft geen invloed op de water gerelateerde volksgezondheid. Dit aspect is dan ook niet van toepassing.
 
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra)
maaiveldsdalingen in zetting gevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Bodemdaling is niet aan de orde.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk
karakteristieke aquatische natuur.  
De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) effecten op de in de nabije omgeving aanwezige natte natuur.
Binnen het plangebied is bestaande natuur aanwezig. De bestaande natuur zal gehandhaafd blijven.
Er zijn geen negatieve aspecten vanuit het plan op deze gebieden te verwachten.    
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.


 
Voor de bestaande watergang blijft onderhoud mogelijk. Onderhoud hiervan zal door het waterschap plaatsvinden.  
Andere belangen waterbeheer    
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
van de waterbeheerder niet belemmeren.  
Aanpassingen aan het oppervlaktewater worden afgestemd met het waterschap.  
Wegen in beheer bij het waterschap
1. in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?

2. na realisatie: verkeersaantrekkende werking
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?

3. na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plankunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?

4. na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?

5. na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een
waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (Zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).  
1. Dit aspect is hier niet aan de orde.

2.& 3. Door het verruimen van de gebruiksmogelijkheden zal het aantal de verkeersbewegingen, zij het in zeer beperkte mate, toenemen. Hierbij overwegen wij, dat de gronden waar ontwikkelingen zijn voorzien reeds bedrijfsmatig zijn bestemd en het verkeer op de bestaande infrastructuur kan worden ontsloten. De toename van het verkeer zal voor de nabije omgeving daarmee niet tot onevenredige overlast leiden. Er zullen dus geen wegen worden aangelegd of worden aangepast.

4. Parkeren vindt bij voorkeur op eigen terrein plaats en wordt verder in de openbare ruimte, waaronder het bestaande parkeerterrein, gelegen op het bestaande bedrijventerrein opgevangen.

5. Nee.  

4.9.3 Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft nauwelijks tot geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening worden gehouden met het aspect water in die zin dat er geen nadelige beïnvloeding kan ontstaan voor de waterhuishoudkundige situatie/hydrologie. Verder wordt ter bescherming van de waterkering een dubbelbestemming opgenomen en krijgt het oppervlaktewater in de vorm van de aanwezige watergang een passende bestemming.

4.10 Flora en fauna

4.10.1 Wettelijk kader

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en;
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

  • In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland

In de provincie Zeeland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en het voor op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

4.10.2 Onderzoek

Gebiedsbescherming/Stikstofdepositie

Het plangebied is niet in of naast een Natura 2000-gebied gelegen. Externe effecten als gevolg van onderhavig bestemmingsplan zijn, gezien de afstand (± 5,2 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard en omvang van de toegestane ontwikkelingen (het invullen van het plangebied door het oprichten van bebouwing op een beperkt aantal braakliggende kavels) niet te verwachten. Meer concreet; het Natura 2000-gebied het 'Veerse Meer' ligt op circa 4,4 kilometer afstand van plangebied. Dit Natura 2000-gebied bevat echter geen stikstofgevoelig habitat. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied welke stikstofgevoelig habitat bevat ligt op circa 5,2 kilometer afstand van het plan en betreft het gebied 'Westerschelde & Saeftinghe'. Gesteld kan dan ook worden, dat door onderhavig bestemmingsplan wat grotendeels conserverend van aard is, de beschermde natuurgebieden en kwetsbare habitats niet negatief (kunnen) worden beïnvloed. Daarnaast vormen de bestaande (en planologische mogelijke) bebouwing en infrastructuur een reeds verstorende buffer. Het enige mogelijke effect betreft stikstofdepositie.

Stikstofdepositie wordt grotendeels veroorzaakt door de emissie van het verkeer. Het verkeer van en naar het plangebied is veelal plaatselijk verkeer wat voor de kortere afstanden gericht is op de directe omgeving van het plangebied. Het verkeer wat andere bestemmingen heeft zal zich verspreiden over de uitvalswegen van Middelburg en daarna voor een groot deel richting de (Rijks-)wegen begeven. Het merendeel van het verkeer gaat daarom niet specifiek richting het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied. Daarnaast zal de inzet van het materieel tijdens de aanlegfase van een concrete ontwikkeling wel voor extra emissie zorgen, doch dit is van tijdelijke aard. De nieuwbouw zal duurzaam worden gerealiseerd; meer concreet: energieneutraal. Op grond daarvan is het kunnen uitsluiten van zowel permanente als tijdelijke effecten ten aanzien van beschermde gebieden derhalve aannemelijk. Deze aanname is door middel van een AERIUS berekening en stikstofdepositierapportage bevestigd en als Bijlage 5 aan deze toelichting gehecht.

Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de Natuurnetwerk Nederland (NNN) c.q. Natuurnetwerk Zeeland en de braakliggende percelen zijn niet binnen 100 meter van bestaande natuur gesitueerd. Volledigheidshalve merken we hierbij op, dat gelet op de (reeds toegestane planologische) bebouwing, gebruik en aanwezige infrastructuur alsmede situering van het plangebied, de toegestane wijzigingen qua intensiteit niet zwaarder zijn dan hetgeen reeds aan activiteiten is toegestaan, zodat ook hiervoor heeft te gelden, dat geen wezenlijke kenmerken en waarden van de bestaande natuur (significant) zullen worden aangetast.

Soortenbescherming

De watergang en de bestaande (agrarische) groenstructuur in het plangebied zijn in potentie geschikt voor beschermde soorten. In dat kader is door Econsultancy voor de percelen waar ontwikkelingen zijn toegestaan een quickscan uitgevoerd, welke als Bijlage 6aan deze toelichting is gehecht. In de onderstaande tekst is een samenvatting van de rapportage weergegeven.

  • De onderzoekslocatie bevat (potentiële) nestgelegenheden voor algemene broedvogels. Overtredingen van de Wet natuurbescherming kunnen op voorhand worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen begin maart en september) uit te voeren. Wanneer de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt gesnoeid of verwijderd, wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen om broedgevallen hierin te voorkomen. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen;
  • De watergang is in principe geschikt als vliegroute voor vleermuizen. De functionaliteit van de watergang komt bij de voorgenomen ingreep niet in het geding, indien de werkzaamheden met in achtneming van bepaalde maatregelen worden uitgevoerd. Ook vormt de onderzoekslocatie geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen. Zowel met betrekking tot de vliegroute als tot het foerageergebied wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de permanente situatie vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig, naar beneden gericht en met zo min mogelijk strooilicht) toe te passen;
  • Een deel van het plangebied kan door steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, konijn, haas, rugstreeppad en alpenwatersalamander worden gebruikt als vaste rust- of voortplantingsplaats. Dit nadere onderzoek is reeds uitgevoerd;
  • In een deel van het plangebied kunnen de werkzaamheden geschikt habitat creëren voor de rugstreeppad. Derhalve wordt geadviseerd om het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden af te schermen met paddenschermen. Deze schermen dienen behouden te worden tijdens de hele duur van de werkzaamheden. Om intrek van deze streng beschermde soort te voorkomen, wordt geadviseerd te werken volgens een ecologisch werkprotocol.

Naar aanleiding van de quickscan is nader onderzoek door Adviesbureau Wieland uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 7 aan deze toelichting gehecht. De conclusies luiden als volgt:

  • De alpenwatersalamander en rugstreeppad zijn niet vastgesteld in het plangebied. Conform het advies zoals opgenomen in de quickscan is het raadzaam om een degelijk paddenscherm te plaatsen rondom het terrein, of rondom delen van het terrein waar gewerkt zal worden in kwetsbare periodes van de rugstreeppad. Het scherm dient regelmatig gecontroleerd te worden op functionaliteit. Door gedurende de perioden dat er werkzaamheden plaatsvinden jaarlijks te monitoren kan nagegaan worden of rugstreeppadden zich vestigen in, of nabij het terrein. Indien dit het geval is dient er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
  • Wezel, hermelijn, bunzing, haas en konijn zijn niet vastgesteld in het plangebied. Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen. Het konijn is vastgesteld net buiten het plangebied. De populatie van konijnen kan flink fluctueren. Er dient dus rekening mee gehouden te worden dat deze soort zich in het plangebied kan vestigen. Door regelmatig te monitoren op aanwezigheid kan vastgesteld worden of deze soort zich vestigt. Indien dit het geval is dienen er mitigerende maatregelen getroffen te worden en dient er mogelijk een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Voorts dient te allen tijde rekening te worden gehouden met algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er volgens normaal gebruik zorgvuldig gewerkt moet worden, waarbij indien mogelijk verstoring van fauna wordt voorkomen. Verder geldt voor de algemeen voorkomende soorten dat daarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het actief doden van dieren is altijd verboden.

4.10.3 Conclusie

Uit de resultaten van de quickscan blijkt, dat de locatiegeschikt is voor de bepaalde soortgroepen, waarbij tevens de te nemen vervolgstappen zijn aangegeven. Op basis van de quickscan is door middel van nader onderzoek meer duidelijkheid verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de beschermde soorten. Geconcludeerd kan worden, dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, indien de juiste adequate maatregelen en vervolgstappen worden genomen, geen belemmering vormt voor de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Voldoende aannemelijk is, dat voor onderhavige bestemmingsplanwijziging aan de Wet natuurbescherming kan worden voldaan. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen.

4.11 Verkeer en parkeren

In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren en bereikbaarheid.

4.11.1 Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van een ruimtelijke procedure te worden onderbouwd, dat de planvorming voldoet aan de eis van 'goede ruimtelijke ordening'. Dit houdt onder meer in, dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

4.11.2 Onderzoek

Verkeer

De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer is goed. Primair wordt het gebied via de Rijksweg; N57, de Oostperkweg en de Krooneveldweg, wat gebiedsontsluitingswegen betreffen, op het verdere wegennet ontsloten. De bestaande ontsluitingsstructuur blijft ongewijzigd en heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen inherent aan de bestaande en toegestane functies in het plangebied te kunnen verwerken.

Parkeren

Bij nieuwe ontwikkelingen vormt voor het bepalen van de benodigde parkeerplaatsen de CROW (publicatienummer 381 'Toekomstbestendig parkeren') het toetsingskader. Hoofdlijn van beleid is, dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden en als dat niet mogelijk is onder bepaalde voorwaarden in openbaar gebied.

Bij toetsing van een concrete ontwikkeling binnen het plangebied wordt de nieuwe benodigde parkeerruimte vergeleken met de bestaande situatie. Indien meer parkeerruimte benodigd is, dient deze in principe op eigen terrein gerealiseerd te worden. Indien dit niet mogelijk is, dan kan in deze parkeereis worden voorzien in openbaar gebied, mits voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. De behoefte en mogelijkheden variëren per functie en per deelgebied. Zo zullen de kantoren en bedrijven met name overdag om parkeercapaciteit vragen; bij maatschappelijke dienstverlening kan dat anders zijn. Omdat parkeren maatwerk is per gebied en per functie, zullen bij vestiging van nieuwe functies de parkeermogelijkheden worden afgewogen, waarbij de daartoe beschikbare ruimte op eigen terrein en in het openbare gebied zullen worden betrokken.

4.11.3 Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is goed te noemen. De wegen in het plangebied krijgen een verkeersbestemming. Toetsing aan de CROW voor het bepalen van de parkeerbehoefte is van belang bij het toepassen van flexibiliteitsbepalingen, onder andere voor functiewijzigingen en uitbreidingen. Parkeren vindt in beginsel op eigen erf plaats. Als dat niet mogelijk is kan worden uitgeweken naar openbaar gebied. Hiertoe wordt in het bestemmingsplan een algemene parkeerregel opgenomen.

4.12 Ontplofbare oorlogsresten

Net als vele andere Nederlandse steden was Middelburg tijdens de Tweede Wereldoorlog (WOII) bezet door de Duitse overheersers en hierdoor het toneel van meerdere grond- en luchtgevechten. Na de oorlog was sprake van een groot aantal op en in de (water)bodem aanwezige ontplofbare oorlogsresten (voorheen benoemd als conventionele explosieven of niet gesprongen explosieven). Denk hierbij aan verschoten munitie en raketten, achtergelaten munitievoorraden, mijnenvelden maar ook allerhande soorten munitie die tijdens het gebruik in de oorlog niet naar behoren hadden gefunctioneerd.

4.12.1 Onderzoek en conclusie

In dat kader heeft het bevoegde gezag de explosievenkaart geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat de planlocatie een licht-verdachte omgeving betreft. Een nader onderzoek op het gebied van niet gesprongen explosieven uit WO II is derhalve niet noodzakelijk. Wel is bij de uitvoering van de werkzaamheden het protocol 'Toevalstreffer CE uit de 2e WO' van toepassing.

4.13 Duurzaamheid

In de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025 geeft de gemeente per thema aan welke duurzame milieudoelen zij heeft voor de korte (tot 2025) en lange termijn (tot 2050). Het belangrijkste doel van de milieuvisie is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet kunnen worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. Enkele thema's die relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling zijn 'klimaat en energie', 'duurzaam gebouwde omgeving', 'emissies o.a. van geluid en stoffen' en 'duurzame mobiliteit'.

Concreet wenst de gemeente Middelburg volledig energieneutraal te worden. De streefdatum om dit te realiseren is 2050 en indien de (financiële) omstandigheden dit mogelijk maken, zo mogelijk eerder. Doel is het broeikaseffect tegen te gaan, de economische positie te handhaven en de beschikbaarheid van energie te waarborgen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame (economisch) gezonde samenleving.

Voor gebieden waar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden verwacht, worden de ecologische en natuurwaarden in beeld gebracht. Het creëren van natuurlijke groene elementen wordt voorgestaan (groene dooradering en natuur benutten voor biodiversiteit, klimaatverbetering, koelte, vochtregulatie en windkering, voor recreatie, productie, educatie e.d.). Ook het kenbaar maken van de lokale identiteit door het benutten van landschappelijke elementen en patronen door bijvoorbeeld sloten en watergangen in ontwerp op te nemen wordt gestimuleerd.

Daarnaast is een duurzaam, gezond, veerkrachtig watersysteem van groot belang. Dit kan worden bereikt door onder meer het benutten van het regenwater, toepassen van waterzuivering, beperken van verhard terreinoppervlak en dakbedekking, doorlatende verhardingsmaterialen gebruiken, vijvers in combinatie met groen aanleggen voor koelte in de zomer etc.

Tot slot zijn de speerpunten om in een zo vroeg mogelijk stadium circulariteit en duurzaamheidsaspecten mee te nemen, de biodiversiteit en de ecologische omstandigheden te borgen en het gebruik van duurzaam vervoer, zoals doorgaande fietsverbindingen te stimuleren.

Van zowel gemeentelijke als externe partijen wordt verwacht dat zij volop medewerking verlenen aan het realiseren van de gemeentelijke ambities. In veel gevallen zijn door innovatieve oplossingen win-win situaties mogelijk. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan de doelen zoals beschreven in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025.

4.14 Kabels en leidingen

De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1

  • a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;
  • b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
  • e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.2

 

  • 1. 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
  • 2. Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

4.14.1 Onderzoek en conclusie

In of nabij het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarvoor het nodig is de zone daarvan planologisch te regelen in het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.


Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen hoeven te worden vastgesteld.

5.1.1 Beoordeling

De gemeente heeft de braakliggende kavels in eigendom en geeft deze uit door middel van grondverkoop. Het bestemmingsplan bevat verder een verruiming van de toegestane functies, hetgeen met name de oprichting van zelfstandige kantoren en aanwenden van gronden en bebouwing voor zakelijke en maatschappelijke dienstverlening mogelijk maakt. Het kostenverhaal voor deze locaties komt eerst bij de verkoop van de grond en vergunningverlening aan de orde. Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van het opstellen van een exploitatieplan, daar door de verkoop van de gronden en het sluiten van anterieure overeenkomsten het kostenverhaal anderszins zal worden verzekerd.

5.1.2 Conclusie

De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is op basis hiervan geborgd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Vooroverleg en Zienswijzen

Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het bevoegde gezag overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan verschillende belanghebbende organisaties en overheden toegezonden.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 23 oktober 2023 gedurende 6 weken op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening voor eenieder in het kader van de zienswijzeprocedure ter inzage gelegen. Tijdens deze periode van ter inzagelegging is eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken.

Het ontwerpplan is op drie manieren beschikbaar gesteld:

  • digitaal via www.ruimtelijkeplannen.nl
  • digitaal via www.middelburg.nl
  • analoog bij de Vakbalie in het Stadskantoor te Middelburg.

Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ontvangen. Wel wordt het ontwerpbestemmingsplan op enkele aspecten ambtshalve gewijzigd. In de Staat van wijzigingen, welke als Bijlage 8 aan deze toelichting is gehecht, worden deze ambtshalve wijzigingen benoemd.

5.2.2 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Plansystematiek

Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels.

 
Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 14. Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 15 tot en met 20). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 21 en 22).

De planregels zijn opgedeeld in:

  • de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt;
  • bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken;
  • specifieke gebruiksregels: regels met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken;
  • het afwijken van de gebruiksregels en/of bouwregels.

6.2 Bestemmingen

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. Vrijwel alle definities worden, soms met een enkele nuance, algemeen in den lande gehanteerd. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze, waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Hoofdstuk 2

Artikel 3 Agrarisch – Beschermde dijken

De beschermde (groene) dijk draagt een agrarische bestemming. Het hoofdzakelijk agrarische gebruik van de dijk is bepalend voor de keuze om een specifieke bestemming binnen de hoofdgroep Agrarisch te creëren. De extra toevoeging in de bestemming maakt duidelijk dat zowel het agrarisch gebruik, als de bescherming van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische betekenis van de dijk van belang is. Bescherming van de dijk wordt geregeld via een omgevingsvergunning voor graafwerkzaamheden en (aan)planten.

Artikel 4 Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden

Binnen de hoofdgroep Agrarisch worden ook de aanwezige landschapswaarden via een specifieke bestemming geregeld. Door middel van de specificatie van de bestemming binnen de hoofdgroep Agrarisch worden zowel het agrarisch gebruik als de bescherming van de aanwezige landschapswaarden veiliggesteld. Bescherming van de aanwezige landschaps- en/of natuurwaarden vindt in belangrijke mate plaats via aanlegvergunningenstelsels voor werkzaamheden die de landschaps- en natuurwaarden kunnen aantasten.

Artikel 5 Bedrijventerrein

Alle legaal aanwezige bedrijven en bedrijfswoningen gesitueerd op het bedrijventerrein Ramsburg in het plangebied zijn bestemd tot Bedrijfsdoeleinden. Dit houdt in dat de huidige activiteiten kunnen worden voortgezet en de bestaande bebouwing kan worden gehandhaafd. In de praktijk betekent dit concreet, dat in voorkomende gevallen omgevingsvergunning kan worden verleend voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.2.

Voor een aantal (bedrijfs-)activiteiten en objecten is om verschillende redenen een specifieke aanduiding in de regeling opgenomen. Dit betreffen de bedrijfswoningen, zelfstandige kantoren en het in het plangebied gevestigde detailhandelsbedrijf, horeca, benzinestation, autowasstraat, gemaal en paardenhouderij. Het gaat hierbij om bestaande functies en objecten in het plangebied, die vanwege aard of ligging een specifieke regeling behoeven. Wat onder een bedrijfsgebonden, zelfstandig kantoor, bedrijfsverzamelgebouw alsmede detailhandel wordt verstaan is vermeld in artikel 1 van de regels.

Niet-bedrijfsfuncties

Voor één aanwezige detailhandelsvestiging is in het bestemmingsplan een uitsterfregeling, in de vorm van een wijzigingsbevoegdheid, opgenomen. Zodra de betreffende activiteit is beëindigd kan de specifieke aanduiding van de verbeelding worden gehaald. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat op termijn het bedrijventerrein voor passende functies wordt gebruikt. Dit sluit aan op de beleidskeuze om het bestaande bedrijventerrein intensiever te gebruiken.

Bedrijfswoningen

Binnen de bedrijfsbestemming is voor de bedrijfswoningen een maatwerkbestemming opgenomen. Meer concreet: het bebouwde oppervlak alsmede goot- en bouwhoogte van de hoofdbebouwing worden als bestaand recht opgenomen, met dien verstande, dat deze niet meer mogen bedragen dan de bestaande maatvoeringen. Hiertoe is op de verbeelding een specifieke aanduiding ('bedrijfswoning) opgenomen met een doorvertaling in de planregels (hiermee is de locatie en omvang van toegestane hoofdbebouwing vastgelegd). Nieuwe bedrijfswoningen kunnen net als reguliere woningen een beperkende werking hebben op de bedrijfsactiviteiten van derden. De gemeente voert daarom een terughoudend beleid ten aanzien van het vestigen van bedrijfswoningen. Deze zijn in het plangebied niet gewenst. Derhalve is ook voor deze woningen een uitsterfregeling opgenomen.

Voor aan huis-gebonden-beroepen en -bedrijven is niet voorzien in een afzonderlijke regeling. Op het bedrijventerrein zijn namelijk op het hele perceel (inclusief de bedrijfswoning) al bedrijfsactiviteiten mogelijk tot de toegekende milieucategorie. Daarom is geen onderscheid te maken tussen een aan-huis-gebonden beroep en -bedrijf en de reeds toegestane bedrijfsactiviteiten.

Artikel 6 Gemengd-14

Binnen deze bestemming zijn uiteenlopende functies toegestaan: lichte bedrijven tot maximaal categorie B1 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten 'functiemenging', zelfstandige en bedrijfsgebonden kantoren en vormen van maatschappelijke en zakelijke dienstverlening. Om eventuele hinder van bedrijven zo veel mogelijk te voorkomen, is de toelaatbaarheid van (nieuwe) bedrijven in de regels gekoppeld aan maximaal categorie B1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging. De Staat maakt deel uit van de regels. Het is toegestaan dat de gevestigde bedrijven worden vervangen door andere bedrijven uit dezelfde categorie of lager. Reguliere detailhandel is binnen deze bestemming niet toegestaan. 

 

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken voor bedrijven uit een hogere categorie of voor bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' voorkomen. Concreet betekent dit dat daar waar nu bedrijven uit categorie tot en met categorie B1 zijn toegestaan, bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken voor bedrijven uit een hogere categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Verder voorziet een wijzigingsbevoegdheid in de mogelijkheid, om bedrijfswoningen te bouwen, waar deze ingevolge de regeling bij recht niet zijn toegestaan.

Artikel 7 Gemengd-15

Op gronden met deze bestemming zijn de volgende functies toegelaten: volumineuze detailhandel, maatschappelijke en zakelijke dienstverlening, zelfstandige en bedrijfsgebonden kantoren, bedrijven, horeca, cultuur en ontspanning. Reguliere detailhandel is binnen deze bestemming niet toegestaan. 

Artikel 8 Groen

Het bestaande structurele groen is bestemd tot Groen. In de bestemmingsomschrijving is voorts bepaald, dat de bestemmingen mogen worden gebruikt voor onder andere speelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen deze gronden kunnen nutsvoorzieningen worden gebouwd met een oppervlakte en bouwhoogte van ten hoogste 15 m² respectievelijk 3 meter. Verder is de functieaanduiding opgenomen voor de volkstuintjes aan de zuidwest kant van het plangebied. Binnen deze bestemming zijn de volkstuinen met hierop gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Tot slot is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden de bestemming te wijzigen naar verkeer.

Artikel 9 Maatschappelijk

De grotere locatie met een maatschappelijke functie is bestemd tot Maatschappelijk (M). De gronden met deze bestemming mogen worden gebruikt voor de meest gangbare maatschappelijke voorzieningen zoals scholen, kerken, overheidsvoorzieningen en zorgvoorzieningen. Er is geen onderscheid gemaakt naar het soort maatschappelijke voorziening. Wel zijn vormen van zelfstandige als (bedrijfs-)woningen en onzelfstandige vormen van wonen uitgesloten.

Artikel 10 Tuin

Dit betreft de grond die bij de maatschappelijke bestemming is bestemd tot Tuin. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Overkappingen zijn niet toegestaan. De aanleg van erfontsluitingswegen en parkeerplaatsen is niet toegestaan binnen deze bestemming. Verder is een mogelijkheid om af te wijken van de bouwregels in het bestemmingsplan opgenomen.

Artikel 11 Verkeer

De openbare wegen, voet- en fietspaden in het plangebied zijn bestemd tot Verkeer. Binnen deze bestemming zijn tevens groenvoorzieningen toegestaan. In de bestemmingsomschrijving is bepaald dat de bestemmingen mogen worden gebruikt voor geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen.

Binnen deze bestemmingen kunnen voor nutsvoorzieningen gebouwen worden gebouwd. De oppervlakte en bouwhoogte bedraagt ten hoogste 15 m² respectievelijk 3 meter.

Artikel 12 Water

De bestemming Water is toegepast bij de structurele waterlopen in het gebied die ook als zodanig behouden dienen te blijven alsmede de waterberging die dient ter compensatie van eerder toegestane bedrijfsmatige uitbreidingen. Andere ondergeschikte watergangen zijn niet specifiek bestemd. Deze maken deel uit van de desbetreffende bestemmingen 'Bedrijventerrein', 'Verkeer' en/of 'Groen'.

Artikel 13 Waarde – Archeologie – 3

In het bestemmingsplan 'Ramsburg' is één archeologische bestemming aan de orde: Waarde – Archeologie – 3 voor middelhoge en hoge verwachtingswaarde. De bestemming Waarde – Archeologie - 3 betreft een zogenoemde dubbelbestemming. De dubbelbestemming is overeenkomstig SVBP2012 met een arcering apart op de verbeelding weergegeven. De bestemming valt samen met een aantal andere bestemmingen. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem.

Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het veranderen van de vorm van het bestemmingsvlak in verband met het aantreffen (of door middel van archeologisch onderzoek aangetoonde afwezigheid) van archeologische waarden en voor het laten vervallen van de archeologische dubbelbestemming, indien is aangetoond dat geen archeologische waarden voorkomen.

Artikel 14 Waterstaat - Waterkering

De in het plangebied gelegen primaire waterkering langs het Kanaal door Walcheren is voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' om planologische bescherming te bieden aan de waterkerende functie van de betreffende dijklichamen. Een omgevingsvergunning voor afwijking van de bouwregels kan pas worden verleend indien het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed en de beheerder van de waterkering hierover om advies is gevraagd. Dit geldt tevens voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.

Hoofdstuk 3

Artikel 15 Antidubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Artikel 16 Algemene bouwregels

Deze bepaling bevat algemene regels over ondergeschikte bouwdelen alsmede bestaande maatvoering en afstanden. Met dit artikel wordt invulling voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid.

Artikel 17 Algemene aanduidingsregels

Geluidszone – industrie

Voor de in deze gebiedsaanduiding gelegen gronden is het bouwen van nieuwe gebouwen met een geluidsgevoelige bestemming, uitsluitend toegestaan, indien is gebleken dat de geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op de gevels van de gebouwen met deze geluidsgevoelige bestemming niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Vrijwaringszone – dijk

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' op de verbeelding, zijn de gronden mede bestemd ter bescherming en behoud van de waterstaatkundige voorzieningen. Hier gelden maximale hoogtes met betrekking tot het oprichten van bebouwing. Van de maximaal toegestane hoogte kan onder voorwaarden afgeweken worden.

Vrijwaringzone - molenbiotoop

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' op de verbeelding, zijn de gronden mede bestemd ter bescherming van de windvang van de molen. Hier gelden maximale hoogtes met betrekking tot het oprichten van bebouwing. Van de maximaal toegestane hoogte kan onder voorwaarden afgeweken worden. De formule is in de regels opgenomen.

 

Artikel 18 Algemene afwijkingsregels

Op grond van deze bepaling kan in geringe mate worden afgeweken van de voorgeschreven maten en bouwgrenzen in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is zoveel mogelijk met recht bestemd. In aanvulling op de afwijkingsmogelijkheden bij de individuele bestemmingen is een aantal 'algemene afwijkingsregels' opgenomen. Om te voorkomen dat kleine meetfouten tot grote gevolgen leiden en om enigszins flexibel met maatvoeringen om te kunnen gaan, zijn enkele afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate te kunnen afwijken van genoemde maten, oppervlaktes enzovoorts.

Artikel 19 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een aantal wijzigingsbevoegdheden opgenomen die van toepassing zijn op alle bestemmingen in het plan. Het gaat om algemene zaken als het verruimen van het bestemmingsvlak met een beperkt percentage (10%) of het overschrijden van de bestemminggrenzen met maximaal 3 meter.

Hoofdstuk 4

 Artikel 20 Overgangsrecht

In de overgangsregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerkingtreden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of het strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.

Artikel 21 Slotregel

Het overgangsrecht voor bouwen en gebruik is opgenomen overeenkomstig de tekst, zoals het Besluit ruimtelijke ordening voorschrijft. De slotregel geeft de naam van het plan aan.