direct naar inhoud van Regels
Plan: Ramsburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

Het bestemmingsplan Ramsburg van de gemeente Middelburg.

1.2 bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0687.BPRAMSBURG-VG01 met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.3 verbeelding

De verbeelding (plankaart) van het bestemmingsplan Ramsburg Middelburg.

1.4 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden.

1.5 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.7 abc-goederen

Auto's, boten en caravans;

1.8 ander bouwwerk

Elk bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.9 archeologische deskundige

De Walcherse Archeologische Dienst (WAD) of een daaraan gelijkgesteld KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) gecertificeerd onderzoeksbureau.

1.10 archeologisch onderzoek

Diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

1.11 archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.12 bebouwing

Een of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.13 bedrijf

Een onderneming of organisatie gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

1.14 bedrijfsgebonden kantoor

Een gebouw of een gedeelte daarvan als onderdeel van een bedrijfsgebouw dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft en is gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.15 bedrijfsvloeroppervlakte (bvo)

De totale oppervlakte van ruimten - binnenwerks gemeten - die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten, inclusief ruimten ten behoeve van opslag en administratie.

1.16 bedrijfsverzamelgebouw

Eén gebouw dat dient voor de huisvesting van gelijktijdig minimaal drie bedrijven en/of zelfstandige kantoren.

1.17 bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een medewerker of eigenaar van het ter plaatse gevestigde bedrijf, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein van het ter plaatse gevestigde bedrijf.

1.18 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen

Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wabo.

1.19 bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.20 bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.21 Bevi-inrichtingen

Bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.22 bevoegd gezag

Bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.23 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.24 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.25 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.26 bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

1.27 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.28 bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.29 camper

Een motorvoertuig dat is uitgerust om in te overnachten en recreëren.

1.30 camperplaats

Een speciaal voor campers ingerichte en met officiële borden aangeduide plaats voor het parkeren van een camper om ter plaatse te overnachten en te recreëren.

1.31 consumentenvuurwerk

Vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

1.32 dakkapel

Een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.33 dakopbouw

Een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijde van de constructie in één of beide dakvlak(ken) zijn geplaatst.

1.34 deskundige

Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening.

1.35 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Alsmede anders dan voor gebruik ter plaatse.

1.36 detailhandel motorbrandstoffen

Detailhandel in motorbrandstoffen, waaronder begrepen smeermiddelen voor motorvoertuigen en benodigdheden voor gebruik, reiniging zoals een wasstraat of spoedeisende reparaties van motorvoertuigen alsmede accessoires daarvoor.

1.37 detailhandel in volumineuze goederen

Detailhandel in de volgende volumineuze en gevaarlijke goederen:

  • a. auto's;
  • b. boten;
  • c. caravans;
  • d. grove bouwmaterialen;
  • e. brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  • f. bestrijdingsmiddelen;
  • g. naar aard en omvang vergelijkbare goederen.
1.38 erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

1.39 erfafscheiding

Bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient als afscheiding van een erf of terrein en is geplaatst in of rondom een erf of terrein.

1.40 erfgrens

De grens van het erf.

1.41 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.42 geluidshinderlijke inrichtingen

Bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

1.43 geluidswerende voorzieningen

Een geluidsscherm of geluidwal die naast een weg of spoorlijn wordt geplaatst om de geluidhinder te beperken voor mensen die erachter wonen of verblijven.

1.44 hoofdgebouw

Een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.45 horecabedrijf

Een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • a. het verstrekken van ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren;
  • b. het exploiteren van zaalaccommodatie;
  • c. het verstrekken van nachtverblijf.
1.46 maatschappelijke dienstverlening

Het geheel van diensten die de overheden aan hun burgers leveren, alsmede het verlenen van maatschappelijke diensten, medische dienstverlening, psychosociale zorg, sociaal-culturele voorzieningen evenwel met uitzondering van seksinrichtingen, massagesalons en onzelfstandige vormen van wonen.

1.47 maatvoeringsaanduiding

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringsaanduidingen.

1.48 molen

Bouwwerk oorspronkelijk gebouwd en geschikt voor het benutten van windkracht.

1.49 molenbiotoop

Een zone rond een molen, waarin beperkende bepalingen voor de hoogte van bebouwing en beplanting gelden.

1.50 molendeskundige

Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of onafhankelijke commissie op het gebied van molens.

1.51 nok

Hoogst gelegen snijlijn van twee dakvlakken bepalend voor de richting van de kap.

1.52 nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.53 ondergeschikte detailhandel

Detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie en uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van een onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de onderneming.

1.54 paardenhouderij

Een bedrijf primair gericht op het verzorgen van rondritten.

1.55 peil
  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang);
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.56 recreatief medegebruik

Medegebruik houdt in dat de recreatieve activiteiten ondergeschikt dienen te zijn aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.

1.57 staat van Bedrijfsactiviteiten ''functiemenging''

De Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" die van deze regels deel uitmaakt.

1.58 staat van Horeca-activiteiten

De Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.

1.59 volkstuinen

Gronden waarop voor particulier gebruik op recreatieve wijze voedings- en siergewassen worden geteeld.

1.60 voorgevel

Het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw. Indien meerdere delen van het hoofdgebouw naar de weg zijn gekeerd, bepaalt het bevoegd gezag welke zijde als voorgevel moet worden beschouwd.

1.61 voorgevelrooilijn

De op de kaart als zodanig aangegeven lijn die, in combinatie met de rechte lijnen die in het verlengde daarvan zijn te trekken, bij het bouwen aan de wegzijde niet mag worden overschreden.

1.62 zakelijke dienstverlening

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten en/of het leggen van contacten of het uitvoeren van commerciële handelingen, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals uitzendbureaus, fysiopraktijken, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen, met uitzondering van seksinrichtingen, reisbureaus, kapsalons, nagelstudio's, hypotheek- en verzekeringsagenten en massagesalons.

1.63 zelfstandig kantoor

Kantoor dat niet behoort tot een bedrijf, maar een zelfstandige eenheid vormt en is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals administratieve, financiële, ontwerptechnische, juridische of andere daarmee gelijk te stellen diensten.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstanden

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

2.4 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 goot- (of boeiboord) hoogte van een bouwwerk

tussen het peil en de snijlijn tussen de bovenkant van het dakbeschot en de buitenkant van de gevel, hellende dakvlakken, topgevels, dakkapellen – voor zover deze minder dan 50% van de breedte van het dakvlak beslaan – en liftopbouwen daar niet onder begrepen.

2.6 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8 verschillende goothoogten van een bouwwerk

indien een gebouw met betrekking tot de constructiedelen als bedoeld onder 2.5 over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:

  • a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot-/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
  • b. indien zich – ingeval van een lessenaarsdak – aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot- /druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
2.9 vloeroppervlakte

de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch - Beschermde dijken

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Beschermde dijken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het agrarisch gebruik in de vorm van grasland;
  • b. recreatief medegebruik;
  • c. het behoud van dijken en behoud en herstel van de daarmee samenhangende landschappelijke, cultuurhistorische en/of ecologische waarden;
  • d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, taluds, oevers, duikers en voet- en fietspaden.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

Voor het bouwen geldt dat uitsluitend terreinafscheidingen mogen worden opgericht.

3.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/inhoud    
1.     terreinafscheidingen      -   2 m      -  

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden
3.3.1 Omgevingsvergunningsplicht

Het is verboden op de in lid 3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen of rooien van struiken of bomen;
  • e. het beplanten van gronden met struiken of bomen.

3.3.2 Uitzonderingen

Het verbod van lid 3.3.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:

  • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

3.3.3 Voorwaarden

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in lid 3.1 genoemde waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

3.3.4 Advisering

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.3.1, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige, omtrent de voorwaarde zoals genoemd in lid 3.3.3.

Artikel 4 Argrarisch met Waarden - Landschapswaarden

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden (AW-L)' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijfsdoeleinden en de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en voet- en fietspaden.

4.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

4.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

op deze gronden worden bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

4.2.2 Maatvoering
    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/inhoud    
a.     erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied         1 m        
b.     overige erfafscheidingen         2 m        
c.     overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde         3 m        

Artikel 5 Bedrijventerrein

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven, waaronder begrepen bedrijfsverzamelgebouwen, voor zover deze voorkomen in categorie 1 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' uitsluitend bedrijven in milieucategorie 3.1 zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding ' detailhandel': tevens voor bestaande detailhandel;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'horeca': tevens horecabedrijven met een maximale oppervlakte van 150 m² met de daarbij horende bedrijfsruimten tot en met categorie 1a zoals opgenomen in de Staat van Horeca-activiteiten in bijlage 2;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': tevens voor een paardenhouderij;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor': tevens voor zelfstandige kantoren;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg': tevens een verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - autowasstraat': uitsluitend een autowasstraat;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': tevens voor één bestaande bedrijfswoning;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal': uitsluitend voor een gemaal;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zend-/ontvanginstallatie': uitsluitend een zendmast;
  • k. detailhandel in volumineuze goederen;
  • l. ondergeschikte detailhandel, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein uitgesloten - ondergeschikte detailhandel', ondergeschikte detailhandel niet is toegestaan;
  • m. bedrijfsgebonden kantoren;
  • n. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden worden gebouwd:
    • 1. ter plaatse van het bouwvlak:
      • a. gebouwen;
      • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. buiten het bouwvlak:
      • a. lichtmasten;
      • b. erfafscheidingen;
  • b. de afstand van gebouwen tot de voorste perceelsgrens en de afstand tot andere gebouwen bedraagt ten minste 5 m;
  • c. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mogen het oppervlak, de inhoud alsmede goot- en bouwhoogten van de bedrijfswoning niet meer bedragen dan de bestaande maatvoeringen.

5.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw, geen bedrijfswoning zijnde, of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/inhoud    
a.     gebouwen     zie maatvoeringsaanduiding op de verbeelding    zie maatvoeringsaanduiding
op de verbeelding    
75%  
b.     bouwwerken, geen gebouwen zijnde     -     3 m     -    
c.     erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied     -     1 m     -    
d.     overige erfafscheidingen     -     3 m     -    
e.     lichtmasten     -     9 m     -    

5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Verkleinen bebouwingsafstand

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 onder c voor het verkleinen van de aangegeven afstand, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de afwijking is noodzakelijk uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel of de bouwpercelen;
  • b. door het verkleinen van de afstand kan nog steeds worden voldaan aan de eisen van brandveiligheid; alvorens vergunning te verlenen vraagt het bevoegd gezag hierover advies aan de gemeentelijke brandweer;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast.

5.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en hoogte van gebouwen indien dit noodzakelijk is:

  • a. voor een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld;
  • b. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. ter bevordering van de verkeers- en brandveiligheid en sociale veiligheid;
  • d. vanuit milieuhygiënisch oogpunt;
  • e. ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht Middelburg.

5.5 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • b. opslag van goederen op gronden gelegen voor de voorgevelrooilijn is niet toegestaan;
  • c. Bevi-inrichtingen en geluidshinderlijke bedrijven zijn niet toegestaan;
  • d. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • e. bedrijfsgebonden kantoren behorende bij het bedrijf met een vloeroppervlak van meer dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak zijn niet toegestaan;
  • f. detailhandel anders dan in volumineuze goederen of ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is niet toegestaan;
  • g. zelfstandige kantoren zijn niet toegestaan, tenzij anders is aangeduid;
  • h. ondergeschikte detailhandel van meer dan 100 m² per bedrijf is niet toegestaan;
  • i. garageboxen zijn niet toegestaan;
  • j. bedrijfsverzamelgebouwen zijn toegestaan, waarbij de bedrijfsvloeroppervlakte van ieder bedrijf en ieder zelfstandig kantoor ten minste 125 m² moet bedragen en hiervan maximaal 33% voor opslag mag worden aangewend;
  • k. bedrijfswoningen en (burgerwoningen) zijn niet toegestaan, tenzij anders is aangeduid;
  • l. indien het gebruik ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' of 'bedrijfswoning' voor de duur van ten minste 6 maanden aaneengesloten is onderbroken, mogen de betreffende gronden en bouwwerken daarna niet meer voor die functies worden gebruikt.

5.6 Afwijken van de gebruiksregels
5.6.1 Bevoegdheid tot afwijken van de Staat van Bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1:

  • a. om bedrijven toe te laten uit een hogere milieucategorie dan bij recht toegestaan, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 5.1 sub a genoemd;
  • b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 5.1 sub a genoemd.

5.6.2 Voorwaarde

Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien afwijken niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

5.7 Wijzigingsbevoegdheid
5.7.1 Detailhandelsbedrijven

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen door het verwijderen van de aanduiding 'detailhandel' op de verbeelding, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast nadat het bestaande gebruik overeenkomstig de aanduiding is beëindigd;
  • b. onder het bepaalde onder a wordt in ieder geval begrepen de verkoop van het pand dan wel de daadwerkelijke ingebruikname van het pand ten behoeve van detailhandel;
  • c. onder het bepaalde onder a wordt ook begrepen de situatie dat het gebruik overeenkomstig de aanduiding voor de duur van ten minste zes maanden aaneengesloten is onderbroken, ongeacht verkoop of ingebruikname van het pand voor detailhandel;
  • d. in het wijzigingsplan wordt aandacht besteed aan de gemaakte belangenafweging.

5.7.2 Bedrijfswoningen

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen door het verwijderen van de aanduiding 'bedrijfswoning' op de verbeelding, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast nadat het bestaande gebruik overeenkomstig de aanduiding is beëindigd;
  • b. onder het bepaalde onder a wordt in ieder geval begrepen de verkoop van de bedrijfswoning dan wel de daadwerkelijke ingebruikname van de woning als bedrijfswoning;
  • c. onder het bepaalde onder a wordt ook begrepen de situatie dat het gebruik overeenkomstig de aanduiding voor de duur van ten minste zes maanden aaneengesloten is onderbroken, ongeacht verkoop of ingebruikname van het pand als bedrijfswoning;
  • d. in het wijzigingsplan wordt aandacht besteed aan de gemaakte belangenafweging.

Artikel 6 Gemengd - 14

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd – 14' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf': uitsluitend bedrijven tot en met categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zoals opgenomen in bijlage 3;
  • b. zakelijke en maatschappelijke dienstverlening;
  • c. zelfstandige kantoren;
  • d. bedrijfsgebonden kantoren;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; tevens één bedrijfswoning;
  • f. ondergeschikte detailhandel;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden worden gebouwd:
    • 1. ter plaatse van het bouwvlak:
      • a. gebouwen;
      • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. buiten het bouwvlak:
      • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m, tenzij het gebouw in de perceelsgrens wordt gebouwd;
  • c. de onderlinge afstand van niet aaneengebouwde gebouwen bedraagt ten minste 1 m;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd te worden in de naar de gevellijn gekeerde bouwgrens.

6.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/ inhoud    
a.     gebouwen     zie maatvoerings-
aanduiding    
zie maatvoerings-
aanduiding    
zie maatvoerings-
aanduiding    
b.   bedrijfswoning   6 m   10 m   200 m²/ 750 m³  
c.     erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied     -     1 m     -
   
d.     overige erfafscheidingen     -     2 m     -    
e.     lichtmasten     -     9 m     -    
f.     overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     -     3 m     -    

6.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • b. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • c. geluidshinderlijke inrichtingen en Bevi- inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • d. bedrijfsgebonden kantoren behorende bij het bedrijf met een vloeroppervlak van meer dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak zijn niet toegestaan;
  • e. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan, tenzij anders is aangeduid;
  • f. bedrijfsverzamelgebouwen zijn toegestaan, waarbij de bedrijfsvloeroppervlakte van ieder bedrijf en zelfstandig kantoor ten minste 125 m² moet bedragen en hiervan maximaal 33% voor opslag mag worden aangewend;
  • g. garageboxen zijn niet toegestaan;
  • h. bedrijven met een bedrijfsvloeroppervlakte van minder dan 125 m² zijn niet toegestaan;
  • i. ondergeschikte detailhandel van meer dan 100 m² per bedrijf is niet toegestaan;
  • j. detailhandel in volumineuze goederen is niet toegestaan.

6.4 Afwijken van de gebruiksregels
6.4.1 Bevoegdheid tot afwijken van de Staat Bedrijfsactiviteiten ''functiemenging''

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1:

  • a. om bedrijven toe te laten in één categorie hoger dan B1, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 6.1 sub a genoemd;
  • b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 6.1 sub a genoemd.

6.4.2 Voorwaarde

Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien afwijken niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

6.5 Wijzigingsbevoegdheid
6.5.1 Bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming te wijzigen op grond van artikel 3.6 lid 1 sub a Wet ruimtelijke ordening en de oprichting van bedrijfswoningen toe te laten met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het bouwen van bedrijfswoningen, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. per bedrijfsvestiging mag niet meer dan één bedrijfswoning worden gebouwd, mits de bedrijfswoning, inclusief bijbehorende bouwwerken, in de bouwmassa van het bedrijfsgebouw wordt opgenomen;
    • 2. de voorkeursgrenswaarde ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder of een vastgestelde hogere waarde wordt in acht genomen;
    • 3. de inhoud van de bedrijfswoning, inclusief bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 850 m3;
    • 4. een bedrijfswoning mag slechts worden gebouwd tegelijk met of na het tot stand komen van het bijbehorende bedrijfsgebouw;
    • 5. er dienen voldoende parkeerplaatsen te zijn op eigen terrein, waarbij de regels over het parkeren zoals opgenomen in artikel 16.3 van toepassing zijn.

Artikel 7 Gemengd - 15

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd – 15' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven tot en met categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging", zoals opgenomen in bijlage 3;
  • b. zakelijke en maatschappelijke dienstverlening;
  • c. zelfstandige kantoren;
  • d. bedrijfsgebonden kantoren;
  • e. detailhandel in volumineuze goederen;
  • f. voorzieningen gericht op cultuur en ontspanning;
  • g. horecabedrijven met de daarbij horende bedrijfsruimten tot en met categorie 2 zoals opgenomen in de Staat van Horeca-activiteiten in bijlage 2;
  • h. ondergeschikte detailhandel;
  • i. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Bouwregels voor de bestemming

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden worden gebouwd:
    • 1. ter plaatse van het bouwvlak:
      • a. gebouwen;
      • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. buiten het bouwvlak:
      • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m, tenzij het gebouw in de perceelsgrens wordt gebouwd;
  • c. de onderlinge afstand van niet aaneen gebouwde gebouwen bedraagt ten minste 1 m;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd te worden in de naar de gevellijn gekeerde bouwgrens.

7.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/ inhoud    
a.     gebouwen     zie maatvoerings-
aanduiding    
zie maatvoerings-
aanduiding    
zie maatvoerings-
aanduiding    
b.     erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied     -     1 m     -
   
c.     overige erfafscheidingen     -     2 m     -    
d.     lichtmasten     -     9 m     -    
e.     overige bouwwerken, geen gebouwen, zijnde     -     3 m     -    

7.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • b. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  • c. geluidshinderlijke inrichtingen en Bevi- inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • d. bedrijfsgebonden kantoren behorende bij het bedrijf met een vloeroppervlak van meer dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak zijn niet toegestaan;
  • e. bedrijfsverzamelgebouwen zijn toegestaan, waarbij de bedrijfsvloeroppervlakte van ieder bedrijf en zelfstandig kantoor ten minste 125 m² moet bedragen en hiervan maximaal 33% voor opslag mag worden aangewend;
  • f. ondergeschikte detailhandel van meer dan 100 m² is niet toegestaan;
  • g. garageboxen zijn niet toegestaan;
  • h. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

7.4 Afwijken van de gebruiksregels
7.4.1 Bevoegdheid tot afwijken van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ''functiemenging''

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1:

  • a. om bedrijven toe te laten in één categorie hoger dan B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in lid 7.1, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 7.1 sub a genoemd;
  • b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 7.1 sub a genoemd.

7.4.2 Voorwaarde

Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 7.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien afwijken niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

Artikel 8 Groen

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. beplantingen;
  • b. bermen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. voet- en fietspaden;
  • g. ter plaatse van de functieaanduiding 'volkstuin': uitsluitend volkstuinen;
  • h. watergangen;
  • i. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals waterinfiltratie en -transportvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en straatmeubilair.

8.2 Bouwregels
8.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

Op deze gronden worden gebouwd:

  • a. gebouwen zoals bergplaatsen en hobbykassen;
  • b. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud
  • a. De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:
        bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/ inhoud    
    a.    Gebouwen, zoals bergplaatsen en hobbykassen   4 m   4 m   15 m²  
    b.     Gebouwen t.b.v. nutsvoorzieningen    -   3 m      15 m2  
    c.     Lichtmasten    -   9 m      -  
    d.     Geluidwerende voorzieningen    -   3 m      -  
      Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     -   3 m   -  
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 15 m² per volkstuin.

8.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. tot ten hoogste 10% van het bestemmingsvlak mag gebruikt worden voor parkeervoorzieningen.

8.4 Wijzigingsbevoegdheid
8.4.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming 'Groen' op grond van artikel 3.6 lid 1 sub a Wet ruimtelijke ordening te wijzigen in de bestemming 'Verkeer' met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de herinrichting van het gebied daartoe aanleiding geeft of;
  • b. functies met de daarbij behorende parkeernormen worden gewijzigd, indien nieuwe ontwikkelingen of wet- en regelgeving daartoe aanleiding geven of;
  • c. nieuwe functies met de daarbij behorende parkeernormen worden toegevoegd.

Artikel 9 Maatschappelijk

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke dienstverlening;
  • b. bij deze functies behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, toegangs- en achterpaden, en parkeervoorzieningen.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden worden gebouwd:
    • 1. ter plaatse van het bouwvlak:
      • a. gebouwen;
      • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. buiten het bouwvlak:
      • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen bedraagt ten minste 1 m;
  • c. ter plaatse van de in lid 9.1 bedoelde gronden, bedraagt, indien de toegestane bebouwing met een bebouwingspercentage is aangegeven, de totale oppervlakte van gebouwen ten hoogste dat percentage van het bouwperceel en is de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens ten minste 5 m
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd te worden in de naar de gevellijn gekeerde bouwgrens.

9.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/ inhoud    
a.     gebouwen     zie maatvoeringsaanduiding     zie maatvoeringsaanduiding     zie maatvoeringsaanduiding    
b.     bouwwerken, geen gebouwen zijnde     -     3 m     -    
c.     erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied     -     1 m     -    
d.     overige erfafscheidingen     -     2 m     -    
e.     lichtmasten     -     9 m     -    

9.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. (bedrijfs)woningen en onzelfstandige woonvormen zijn niet toegestaan.

Artikel 10 Tuin

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Toelaatbare bouwwerken

Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, uitgezonderd overkappingen.

10.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud
    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/ inhoud    
a.    Erfafscheidingen     1 m    
b.     Lichtmasten       9 m      
c   Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     3 m    

10.3 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. de aanleg en gebruik ten behoeve van erfontsluitingswegen en parkeren is niet toegestaan.

10.4 Afwijken van de bouwregels
10.4.1 Bevoegdheid tot afwijken ten behoeve van toestaan van gebouwen en overkappingen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan 10 m² en de hoogte niet meer dan 3 m;
  • b. de bevoegdheid tot afwijken heeft niet tot gevolg dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid onevenredig worden aangetast;
  • c. de bevoegdheid tot afwijken wordt niet toegepast indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 11 Verkeer

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. beplanting;
  • b. bermen;
  • c. bruggen;
  • d. fiets- en voetpaden;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. parkeerplaatsen;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie- camperplaatsen': tevens voor camperplaatsen;
  • j. watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • k. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken.

11.2 Bouwregels
11.2.1 Toelaatbaarheid van gebouwen

Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:

  • a. gebouwen voor nutsvoorzieningen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

    bouwwerk     goothoogte     bouwhoogte     oppervlakte/
inhoud    
a.     nutsvoorzieningen     -     3 m     15 m²    
b.     lichtmasten     -     9 m     -    
c.     overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde         9 m        

Artikel 12 Water

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verkeer te water;
  • b. wateraanvoer en -afvoer;
  • c. waterberging
  • d. aanlegsteigers;
  • e. bruggen;
  • f. duikers;
  • g. keermuren voor de waterbeheersing;
  • h. oeverbeschoeiingen.

12.2 Bouwregels
12.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken

Op deze gronden worden gebouwd:

  • a. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

12.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 3 meter.

Artikel 13 Waarde - Archeologie - 3

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie – 3' aangewezen gronden – zijn bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische verwachtingswaarden.

13.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 13.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
    • 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1:
      • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
      • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder a genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige;
  • c. het bepaalde in dit lid onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
    • 3. een bouwwerk dat niet dieper wordt gebouwd dan 40 cm beneden het peil;
    • 4. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden het peil kan worden geplaatst.

13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
13.3.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm beneden het peil, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  • b. het ophogen van gronden met een hoogte van ten minste 2 m;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

13.3.2 Uitzondering

Het verbod van lid 13.3.1 is niet van toepassing, indien:

  • a. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  • b. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • c. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
  • d. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm onder het peil;
  • e. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 13.3.1 nodig is;
  • f. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of een ontgrondingsvergunning.

13.3.3 Voorwaarden

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 13.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt een omgevingsvergunning in ieder geval verleend indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; en
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van archeologische resten in de bodem;
    • 2. het doen van opgravingen;
    • 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
  • c. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

13.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
13.4.1 Omgevingsvergunningsplicht

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken te slopen.

13.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 13.4.1. is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 13.2 in acht is genomen;
  • b. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm beneden het peil bedraagt;
  • d. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 500 m² bedraagt;
  • e. Burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen sloopvergunning als bedoeld in lid 13.4.1. nodig is.

13.4.3 Voorwaarden

Een vergunning, zoals in lid 13.4.1 bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld, en;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de sloopvergunning regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van archeologische resten in de bodem;
    • 2. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.

13.5 Wijzigingsbevoegdheid
13.5.1 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak met de in lid 13.1 genoemde bestemming verwijderen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;
  • c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

13.5.2 Wijzigingen vorm bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak met de in lid 13.1 genoemde bestemming wijzigen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

Artikel 14 Waterstaat - Waterkering

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat – Waterkering' aangewezen gronden zijn – bij wijze van dubbelbestemming – bestemd voor bescherming en veiligstelling van de waterkering.

14.2 Bouwregels
14.2.1 Bouwregels voor de dubbelbestemming

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van maximaal 3 meter worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

14.3 Afwijken van de bouwregels
14.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 14.2.1, onder b, indien de waterstaatkundige belangen niet onevenredig worden geschaad.

14.3.2 Advisering over de omgevingsvergunning

Alvorens omtrent de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.3.1 te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de waterkering omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen de waterstaatkundige belangen niet onevenredig worden geschaad.

14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.4.1 Omgevingsvergunningsplicht

Het is verboden op de in lid 14.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen of rooien van struiken of bomen;
  • e. het beplanten van gronden met struiken of bomen.

14.4.2 Uitzonderingen

Het verbod van lid 14.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:

  • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

14.4.3 Voorwaarden

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 14.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de waterstaatkundige functie van de waterkering daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

14.4.4 Advisering

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.4.1 wint bevoegd gezag schriftelijk advies in van de beheerder(s) van de waterkering, omtrent de voorwaarde zoals genoemd in lid 14.4.3.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Antidubbeltelregels

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Algemene bouwregels

16.1 Bestaande afstanden en andere maten
  • a. De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
  • c. In geval van herbouw is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

16.2 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en regels worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, alsmede andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  • b. de bouw van andere bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale en verticale afmetingen zijn en de bouwhoogte in ieder geval niet meer dan 10 m; in afwijking van het in vorige zin bepaalde bedraagt de bouwhoogte van voorzieningen voor telecommunicatie ten behoeve van privé-gebruik maximaal 15 m en voor gemeenschappelijk gebruik maximaal 30 m;
  • c. voor de bouw van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten dienste van nutsvoorzieningen; de inhoud van deze gebouwtjes bedraagt ten hoogste 50 m³ en de bouwhoogte ten hoogste 3 m.

16.3 Parkeren
  • a. Een nieuw bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden (voor zover niet bij recht toegestaan) – al dan niet gecombineerd –, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer niet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (bouw)activiteit zoals bepaald in artikel 16.3 sub a, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan wordt aan de hand de CROW-publicatie 381 (dan wel de vervanger daarvan) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, waarbij het gemiddelde van de bandbreedte wordt aangehouden.

16.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.3 en toestaan dat de parkeergelegenheid niet (volledig) op eigen terrein bij de ontwikkeling wordt gerealiseerd, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en wordt voldaan aan de kencijfers parkeren van de CROW (Toekomst bestendig parkeren, publicatienummer 381), dan wel diens rechtsopvolgers.

Artikel 17 Algemene aanduidingsregels

17.1 Geluidszone – Industrie
  • a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding “geluidszone – industrie” geldt dat nieuwe geluidgevoelige objecten niet zijn toegestaan.
  • b. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 17.1 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming, indien:
    • 1. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van de industrie op de gevel van de geluidgevoelige objecten de wettelijke voorkeursgrenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder niet overschrijdt; of
    • 2. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van de industrie op de gevel van de geluidgevoelige objecten de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders vastgestelde hogere waarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder niet overschrijdt en wordt voldaan aan de eventueel in dat besluit opgenomen voorwaarden.

17.2 Vrijwaringszone - dijk

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – dijk' gelden de volgende regels:

  • a. gronden mogen - behalve voor de andere daar voorkomende functies - gebruikt worden voor waterstaatkundige voorzieningen;
  • b. op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'vrijwaringszone - dijk' alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van waterstaatkundige voorzieningen worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • c. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.2 onderdeel b voor het bouwen overeenkomstig deze aanduiding en de andere bestemmingen, mits advies is verkregen van de beheerder van de beschermingszone van de waterkering.

17.3 Vrijwaringszone - molenbiotoop
  • a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – molenbiotoop' gelden de volgende bouwregels:
    • 1. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen nieuwe bebouwing en beplanting opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 2. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing en beplanting opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan, de uitkomst van de volgende formule: H(x) = x/n+c*z, waarin: H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters) x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied. c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2 z = askophoogte (helft van lengte vlucht + eventueel de hoogte van de belt, berg of stelling), zijnde, 18,4 m met dien verstande dat de uitkomst H(x) niet minder bedraagt dan het onderste punt van de verticaal staande wiek, zijnde 7,25 m;
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op:
    • 1. een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht;
    • 2. een bouwwerk ter vervanging van bestaande bebouwing dat voldoet aan het bepaalde op de verbeelding en in hoofdstuk 2;
  • c. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, indien de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad, het weegt daarbij de belangen van de nieuw op te richten bebouwing af tegen de molenbelangen; alvorens de afwijking van het bestemmingsplan toe te passen vraagt het bevoegd gezag schriftelijk advies bij de molendeskundige (Vereniging Zeeuwse Molen).
  • d. Indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge lid a, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.

Artikel 18 Algemene afwijkingsregels

  • a. Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan voor:
    • 1. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
    • 2. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • b. de bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 19 Algemene wijzigingsregels

19.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen bedragen echter niet meer dan 3 m en het bestemmingsvlak wordt met niet meer dan 10% vergroot.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

20.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 21 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Ramsburg'.